Maandelijks archief: januari 2016

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof – runen

 

Hoe ziet je naam eruit in runentekens?

 

Dat vinden de meeste kinderen heel interessant.
En dan zelf maken, natuurlijk.

Er zijn allerlei mogelijkheden:

runentekens

 

 

 

 

.
Runen
Runen zijn afgeleid van de letters van de alfabetten die rond 200 v. Chr. in Noord-Italië in gebruik waren.
Het Germaanse runenalfabet telde oorspronkelijk vierentwintig letters, maar later werd het aangepast aan de talen van de verschillende gebieden.

De runen waren hoekiger dan hun Italiaanse voorbeelden. Ze werden vooral op hout en steen gebruikt, waarin rechte lijnen makkelijker uit te snijden zijn dan ronde. Het runenalfabet wordt “futhark” genoemd, naar de eerste zes letters:
F,U, D (th), A, R en K.

Runen hadden veel praktische toepassingen. Ze werden gebruikt op graf- en gedenkstenen, maar tevens om wapens en kostbaarheden te merken met de naam van de maker of de eigenaar.

Runen hadden ook magische associaties; het woord betekent zelfs “geheim”. Tacitus beschrijft in hout gekerfde symbolen die voor wichelarij werden gebruikt, en in IJslandse gedichten en sagen wordt dankzij runen genezen, vervloekt en de zege behaald, worden wapens bot gemaakt en bevallingen bespoedigd en laten ze zelfs de doden spreken.

 

runentekens  1

deze runensteen uit ca.1000 na Chr. staat in het Nationaal Museum in Kopenhagen.

Meer informatie: Wikipedia

Runentekens

Namen in runentekens

Zelf maken

Ze leren lezen

4e klas: vertelstof

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas: Germaanse mythologie

 

 

954

VRIJESCHOOL – Vertelstof – mythen

 

Geen enkel onderwijstype heeft in zijn leerplan zoveel ‘cultureel erfgoed’ als de vrijeschool.
Sprookjes, fabels. legenden, verhalen uit het Oude Testament, volksverhalen en mythen.

Wie (klassen)leerkracht is, weet uit de ervaring, hoe de kinderen vrijwel allemaal opgaan in deze verhalen die rond een bepaalde leeftijd worden verteld.

Soms wordt er ‘op hoger niveau’ gediscussieerd over de waarde van of het gevaar van, of over ‘de ideologie van’ enz.

Lang geleden schreef Edith Boeke  n.a.v. zo’n vraagstelling een artikel, waarvan de inhoud niet achterhaald is – al zijn aanleiding en omstandigheden wel gedateerd.

DE OPKOMST VAN HET MYTHISCH DENKEN

Terug naar af?

In september vorig jaar* werd in Brussel een bijeenkomst gehouden onder de cryptische naam: Het Transpersonale Congres.
In Haagse Post schreef columniste Emma Brunt een week later: ‘Vertegenwoordigers van misdadige therapeutische stromingen, religieuze laaienlichters, alternatieve knollenkwekers met een medicinale kruidentuin en een ongezonde belangstelling voor De Heilige Grond, crypto-fascisten als Mellie Uyldert die wars zijn van ‘rasvermenging’, de Elfen van Findhorn, kortom het hele scala van obscurantistische warhoofden dat de afgelopen twintig jaar campagne heeft gevoerd tegen de rationaliteit in naam van een meer verlichte levenswijze, had zich daar verenigd onder leiding van ene mevrouw Ferguson die dit zootje ongeregeld wil drillen tot een internationale stoottroep, de Aquarian Conspiracy’.
Het feit dat deze ‘reïncarnatie van het bijgeloof’, opgekomen in de jaren zestig, gevestigd in de jaren zeventig, niet in de jaren tachtig is bezweken onder de druk van de economische recessie, zet haar aan het denken. ‘Waren de antroposofen, Baghwan, de Soefi’s, de Yoga-aanhangers, de Zenmeesters en hoe ze verder mogen heten, inmiddels aan het zieltogen, dan zou iedere socioloog vergenoegd opmerken dat hij het wel had zien aankomen, net als ik trouwens’, merkt Emma Brunt niet zonder spijt op. Maar het ‘magisch denken’ en de ‘pseudo-wetenschap’ houden stand en de columniste kan en wil haar ongenoegen daarover niet verhelen.

Deze citaten uit de Haagse Post vormen een topje van een publicitaire ijsberg. Er is het afgelopen jaar veelvuldig geschreven over het verschijnsel dat het ‘mythische denken van de jaren zestig’ kennelijk meer was (is) dan een hedonistisch en narcistisch modeverschijnsel, mogelijk gemaakt door economische groei en aanwas van vrije tijd.
In NRC-Handelsblad van 21 november 1984 stelt Andre Spoor de vraag: ‘Is het mystische denken onweerstaanbaar in opmars?’ Hij doet dat naar aanleiding van een conferentie in New York: The Presence of Myth in Contemporary Life. Spoor concludeert dat de opkomende belangstelling voor mythische elementen niet per se atavistische, reactionaire of obscurantistische trekken hoeft te hebben. Vaak is dat naar zijn mening echter wél het geval.

Vergelijkbare bedenkingen drijven mee in het kielzog van de aantijgingen tegen de antroposofie, als zou deze niet vrij zijn van racistische smetten. In een artikel van de heer Zondergeld, gepubliceerd in ’t Kan Anders, wordt Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie, ‘mistige occulte prietpraat’ aangewreven, bijvoorbeeld over Atlantis. (‘een reeds lang en breed achterhaald bij geloof’). Eenzelfde teneur spreekt uit een recentelijk artikel in de Haagse Post, waarin ‘de opmars’ van de antroposofen wordt beschreven. Een laatste voorbeeld uit de vele publicaties over het mythische denken is een uitvoerig en kritisch artikel in een zaterdagbijlage van De Volkskrant door Johanneke van Slooten over de zogenaamde New Age-beweging. Een citaat: ‘De mythe is net een stofzuiger. Hij ruimt alle twijfels, alle problemen op, zodat er weer orde heerst’.

Marge
Wij zullen bij de beoordeling van elk tijdsverschijnsel – en zeker bij dat van de opkomst van het ‘mythische denken’ – steeds rekening moeten houden met het feit dat er altijd vanuit het verleden en vanuit de toekomst iets in de mensen bij elkaar komt. Die ene stroom vanuit het verleden draagt ons oude mythische beelden aan: als gymnasiast moesten we ons nog een Helleense Mythos aanschaffen, ‘een lusthof van bonte verhalen’, speels en grappig, karikaturaal dus, verlucht voor jonge lieden. De Griekse tragedies, voortgekomen uit de mysteriën, mochten eeuwenlang onverdacht literatuur, schilderkunst en muziek inspireren: van speelse wulpserieën van de klassieke Franse schilderkunst tot Sartre’s Les Mouches, Anouilhs Antigone, en talloze herscheppingen van Arthur Miller, Steinbeck, Kafka, Vestdijk, Nijhoff, enzovoort. In deze werken wordt vooral dat ‘tragische’ levensbesef uitgedrukt dat als dimensie ontbreekt aan de westers rationeel christelijke levensbeschouwing. Het vindt zijn weg in de kunst, en dus in de marge.

In toenemende mate zien wij de volgende schizofrenie optreden: er is een manier van denken, van leven en van maatschappelijke ordening die ‘erkend’ wordt: het is de geasfalteerde weg waarover we innerlijk en uiterlijk te lopen hebben; de weg is die van wat ooit het rationalisme is geweest, de natuurwetenschap en de staatserkenning: een patriarchaal hiërarchische ordening. Daardoor ontstaat er aan de kant van de officiële weg, in de marge, natuurlijk van allerlei: op smalle weggetjes, in bosjes en verborgen hoekjes speelt zich van alles af dat op de grote weg niet mag. Kunst is dan in zoverre ‘erkend’ dat zij de wegkant mag opsieren, maar echt meedoen is er niet bij. Kortom: er bestaan uitlaatkleppen te over voor de menselijke ziel, in allerlei alternatieven, die zeker als gemeenschappelijk uitgangspunt kritiek op de brede asfaltweg van een smalle rationaliteit en efficiency hebben. Het zou de rationalisten en materialisten tot zelfreflexie kunnen aansporen: wat schort er aan onze manier van doen en denken?

Hoopgevend in dit verband is dat kritiek op het rationalisme niet alleen uit ‘obscurantistische’ hoeken komt (en die obscure hoeken zijn er zeker; er wordt voortdurend en terecht op de ‘wetenschapskritiek’ van de nazi’s gewezen, op hun irrationaliteit en hun oneigenlijk gebruik van begrippen als instinct en intuïtie) – maar ook van de kant van door en door te goeder trouw zijnde denkers en schrijvers als de christen-marxist Garaudy en de humanistisch-socialist Erich Fromm bijvoorbeeld. De werkelijk zinvolle kritiek komt vooral van de kant van mensen die het politiek en levensbeschouwelijk onverenigbare in hun eigen ziel en denken tot een eenheid proberen te brengen. Zonder innerlijke strijd of zelfreflexie hebben wij geen nieuwe cultuurwaarden te verwachten.

Garaudy bijvoorbeeld streeft naar een volheid van bestaan, waarin plaats is voor het geloof waar Jezus van Nazareth van getuigde en dat Liefde als kern heeft. De traditionele rede kan geen antwoord geven op levensvragen. Jezus van Nazareth is voor de traditionele rede echter evenzeer een mythe als Zeus of Donar.

Erich Fromm bekritiseert de oppermachtige logica en vindt een paradoxale logica, niet alleen bij Hegel of Marx, maar ook bij Heraclites. Ook bij Fromm wordt de laatste werkelijkheid niet door het denken begrepen, maar in de beleving van de eenheid. Er is dus sprake van een zeer wezenlijke en gerechtvaardigde kritiek op de rationele, hiërarchisch-logische manier van denken die zich van de levende werkelijkheid heeft afgesneden en zich heeft prijsgegeven aan de technologie en tot een mechanisch denken is geworden. Deze kritiek wil een kwaliteitsdimensie aan leven, mens en milieu toevoegen; een kwaliteitsdimensie ook aan het eigen beleven.

Een dergelijke behoefte leeft onder een steeds  groter aantal mensen. De Mythe van Moedertje Staat en haar alles dirigerende en wetende Ambtenaren – de priesters van de Farao – voldoet niet meer. De Godin van de Rede is oud geworden, en een mensbeeld waarin het hart als pomp en de melk als motor functioneert, kan de dorst van de ziel niet lessen. Zo is het begrijpelijk dat er mensen zijn die terugkeren tot oude mythische voorstellingen. Begrijpelijk en ook gevaarlijk. Want voor we het weten is de mythe tot ideologie verheven, zoals ook de nazi’s hebben gedaan. Per definitie is de mythe geen ideologie. Maar wat is zij dan wel?

Beeldbewustzijn
Mythen vormen de neerslag van een totaal ander, in lang vervlogen tijden algemeen menselijk bewustzijn: het beeldbewustzijn. Daaruit stammen niet alleen de mythische voorstellingen, maar ook sagen en sprookjes. Om een indruk van dit oude bewustzijn te krijgen, moeten we naar de oude verhalen van heel veel verschillende volkeren kijken: van de Australische Aboriginals, de indianen, Egyptenaren, Babyloniërs, Perzen, Indiërs, Chinezen, de Slaven, Germanen, Grieken tot aan de Lappen en Eskimo’s toe. Totaal verschillende verhalen, totaal verschillende dimensies, maar één ding hebben zij gemeen, er is een sterke samenhang, een directe verbondenheid tussen natuur, cultuur en godsdienst. De inmenging van goden en geestelijke wezens, hoe verschillend ook, is existentieel. De hele natuur is doordrongen van goddelijk-geestelijke wezens van allerlei rangorden:  de hele natuur is terug te voeren op deze, voor het menselijk bewustzijn in oude tijden reëel zichtbare en beleefbare wezens, die in de aarde-natuur, in de kosmos en in de mens werkzaam zijn.

Het oude beeldbewustzijn bedient zich aanvankelijk helemaal niet van begrippen: taal is daar nog die puur magisch-cultische oorsprong van de poëzie (de ‘toverspreuk’). Er is dus in plaats van een begripsbewustzijn (door de westerse mens ontwikkeld tot de ontzagwekkende hoogte van abstractie bij Kant en Hegel), een bewustzijn dat de wereld in en buiten zich direct in beelden beleeft.

Een goed voorbeeld is hier het begrip tijd. Dat begrip is voor ons volledig geabstraheerd en vermaterialiseerd tot de tijdsindeling op een horloge en de uitspraak ‘time is money’. Zo niet voor het oude beeldbewustzijn, van de Grieken in dit geval. Het Griekse woord voor tijd is Chronos. Chronos wordt ook wel met ruimte vertaald. Alles wat in de ruimte bestaat, alles wat dus een materiële vorm heeft aangenomen, is onderhevig aan vertering, gaat ten onder, verslijt. Met andere woorden: tijd werd gezien in beeld als vuur, zelfs als een wezen vuur, wiens activiteit erin bestaat alles te verteren, te verbruiken van het leven van een ander wezen, namelijk Chtoon. In de natuur en mens verteert Chronos Chtoon. In de activiteit van het vuur heeft men tegelijkertijd een beeld van de tijd. Later wordt het wezen Chtoon tot het begrip materie. In de beeldspraak van de poëzie vinden we veel wat wezenlijk terugwijst op het oude beeldbewustzijn. Zo is het beeld bij ons begrip hoop, dat van een opstijgende leeuwerik, en voor die van een opkomende gedachte: een kiemend plantje.

Bloedsbanden
Het beeldbewustzijn was sterk gekoppeld aan bloedsbanden, aan mensengroepen die zich als de vingers aan de hand van hun volk, hun clan,  hun familie beleefden. In de Bhagavad Gita wordt het schokkende moment beschreven waarop Ardjuna door Krishna, de wagenmenner – die zich later als Godheid openbaart – wordt aangespoord de strijd tegen zijn familieleden aan te binden. Hij voelt zich alsof zijn linkerhand met zijn rechter moet strijden. Maar in de loop van het verhaal, dat eigenlijk is opgebouwd uit de leringen (de Yoga’s) van Krishna, komt hij tot een moderner soort bewustzijn: individueler en abstracter. Ardjuna is dan zijn tijd vooruit.
Bij een terugval op de mythologie, zoals bijvoorbeeld bij de nazi-ideoloog Rosenberg, wordt vaak aan deze bloedsbanden en rassen volkskenmerken geappelleerd. Maar die bloedsbanden vormen al lang geen wezenlijke kracht meer. Al bij de oude Grieken putten kunst, staatkunde en filosofie uit mysteriewijsheid uit het Europese noorden, het Aziatische oosten en het Egyptische zuiden. De bloedsbanden van de families werden vervangen door de nieuwe banden die de polis, de stadstaat, schiep.

Schijnwerkelijkheid
Bij de oude Grieken vinden we ook op allerlei manieren de overgang van het oude beeldbewustzijn naar die ons zo vertrouwde van het rationele denken. Het geeft hun verhalen iets herkenbaars, terwijl voor veel westerse mensen de verhalen uit de nog oudere culturen en van de natuurvolken eerder bizar en verheven overkomen.

Zo zien we de Achaeische helden rond koning Agamemnon bij de belegering van Troje: wanneer hun kamp met Gods wraak door pest wordt geteisterd, worden niet alleen zoenoffers gebracht aan de toornige Zeus, maar ook heel rationeel het kamp met zeewater ontsmet. En we zien de priester-arts Hippokrates van Kos zijn patiënten niet alleen in een heilzaam werkende tempelslaap brengen, maar ook notitie nemen van het klimaat waarin de patiënten woonden, de voedingsgewoonten, polsslag en ademhaling.

De grootste historische figuur in wiens werk de overgang van beeld naar rationeel bewustzijn zichtbaar wordt is Plato. Algemeen bekend is zijn ideeënleer. Om deze leer te brengen maakt Plato gebruik yan een beeld: de beroemde allegorie van de grot. De mensen zijn eigenlijk gevangen in de grot. Daarvan zijn zij zich niet bewust. Als enige realiteit ervaren ze de schaduwbeelden van wat zich buiten in het heldere licht van de zon afspeelt. Buiten de grot zijn de wezenlijke dingen; binnen ziet men niets dan hun schaduw. De grot stelt het aardse leven van mensen voor, en wat wij voor wezenlijk houden is schijnwerkelijkheid. Buiten is het licht van de zon (de geestelijke werkelijkheid)  leven de ideeën van alle dingen, dat is zoveel als hun wezen: de hoogste idee en oorzaak van alles is de zon als idee van het goede.

Wanneer we nu kijken naar het Griekse woord idee, dan staat daar eidos of idea. (Ons woord idee is daar dus rechtstreeks van afgeleid.) Nu betekenen deze woorden in de eerste plaats (zie gewoon woordenboek) gezichtsbeeld, gestalte, uiterlijk. Pas daarna volgt als betekenis totaalindruk, denkbeeld, idee. Dit laatste als bijzonderheid bij Plato: ‘Idee, als voorstelling van de formule die de veelzijdige werkelijkheid aan algemene normen bindt’. Deze explicatie is duidelijk al een interpretatie. Voor Plato hadden zijn ideeën nog een gezicht, een gestalte; voor hem manifesteerde het wezen der dingen zich in de idee.

Verbrokkeling
Als moderne mensen, zeker de ‘idealisten’ onder ons, kunnen we dit abstracte wezen van alle dingen, deze ideeën en idealen, misschien beter benaderen, wanneer we er de functie, de functionaliteit voor nemen. Het wezen van de verschillende dingen is datgene waardoor iets functioneert. Een werkelijk ideaal kan niet anders dan werkelijk functioneren. Bij Aristoteles wordt het begripsmateriaal verder uitgewerkt en gesystematiseerd in categorieën, zoals deze filosoof ook de dierenwereld in verschillende soorten onderbracht.

We kunnen in de loop van de geschiedenis waarnemen hoe steeds meer verschijnselen zich als het ware ontvouwen, ontwikkelen en verzelfstandigen vanuit een oorspronkelijke eenheid. Wanneer ziel en natuur en geest, wanneer religie, wetenschap en kunst uit elkaar gaan liggen, ontstaat de ons omringende wereld in steeds fijnere vertakkingen onderdelen en specialismen, onderwerp van onze waarneming, en buiten onze innerlijke belevingswereld geplaatst. Een voortdurend verder analyseren en differentiëren; de eenheid is zoek, de verbrokkeling totaal.

Wild Man
Geen wonder dus als men op congressen (behalve de genoemde te Brussel en New York ook een op Kreta, en wel over ‘Mythos, yesterday en today’) op zoek gaat naar de eenheid, en de mythisch-logische reconstructie van de mens. ‘Misschien kom ik over een week wel herboren uit dit congres te voorschijn en start ik mijn nieuwe leven met een nieuwe mythe, wordt opgemerkt (journaliste Johanneke van Slooten van de Haagse Post maakte het congres op Kreta mee en schreef er een -wellicht terecht – zeer kritische beschouwing over). Ook de aanwezige Duitse schrijver Günter Kunert merkt op dat het ‘zoeken naar de mythe de zucht is naar een nieuwe religiositeit, naar een geloven en niet naar nieuwe kennis of inzichten’. Op dat niveau ligt ook de ideologie-vorming.

De nieuwe ideologieën concentreren zich tijdens dit congres dan vooral rond neo-matriarchale verheerlijking van het oorspronkelijk-vrouwelijke, en de daar natuurlijk direct bij aansluitende mythe van de Dionysische ‘Wild Man’. In een rationele, koude en verburgerlijkte samenleving is de erotiek uiteraard in de marge geschoven, wat zich dan wreekt met de harde seks-en porno business. Wanneer we de mythologieën al te letterlijk nemen, en dus niet meer als beeld, valt er niet alleen op het gebied van de erotiek veel te halen, maar worden de sluizen open getrokken voor anachronismen van allerlei soort.
Iemand die daar rijkelijk uit put is Mellie Uyldert. In een betrekkelijk recent  verleden werden bloedsband-theorieën van de Nationaal Socialisten en het Derde Rijk direct op de oude Germaanse mythologieën geënt: daar liggen de gevaarlijke interpretaties, waar men de historische dimensie van de mythe wil terug halen. Dan roepen de Italianen om hun Romeinse Caesaren, en Duitsers om niet meer bestaande bloedsbanden.

Reactionair
Behalve de sensus historicus (al die verhalen hebben zich ooit eens ergens gedurende de mensheidsontwikkeling op de een of andere manier afgespeeld), kunnen de mythe en het sprookje ook als beeld in hun allegorische betekenis worden begrepen. Het beeld werkt sterk op de ziel (sensus moralis), want het werkt met archetypen zo men wil; met duidelijke beelden van goed en kwaad, met de diepste problemen van dood en leven, met thema’s als opstanding en loutering. Niet voor niets werkten de Griekse tragedies als een loutering van de ziel, een catharsis; en in feite moet iedere werkelijke kunst een dergelijke doorleving mogelijk maken. In die zin gebruiken psychotherapeuten in navolging van Jung en Marie-Louise von Franz de beelden ook als genezingsmiddel.

Tenslotte is er nog een sensus eschatologicus aan ieder verhaal: een interpretatielaag die zich tot in de toekomst uitstrekt. Zo vinden we in de Griekse mythologie veel eschatologie in de zin van een waarschuwend bedacht zijn op de scheiding van het mannelijke en vrouwelijke, als kwaliteit begrepen: het vrouwelijke gevoel dat het mannelijke rationele denken bijstaat in het verhaal van Ariadne en Theseus; het vrouwelijke dat geofferd wordt aan het mannelijke (het offer van Iphigeneia). Verschillende, zowel negatieve als positieve aspecten van het vrouwelijke en mannelijke zijn in deze verhalen herkenbaar voor de menselijke ziel, in wie al deze krachten in verschillende verhoudingen leven.

Zo kunnen we van de mythologieën als beeld veel leren, over onze eigen ziel, en over onze eigen ‘beschaving’. We kunnen er echter geen ideologie aan ontlenen; terug naar het Oude Eenheidsbeleven, de natuur en de bloedsbanden die niet meer bestaan, gaat nu eenmaal niet. Overal waar het verleden onveranderd in het heden wordt geprojecteerd, ontstaat het reactionaire, conservatieve, retarderende kwaad.

Nieuwe imaginaties
En dan is daar met betrekking tot de hernieuwde belangstelling voor mythen en sprookjes, ook de stroom die de mensen uit de toekomst tegemoet komt: de stroom die doet verlangen naar de ontwikkeling van een nieuw beeldend (‘imaginatief’) bewustzijn. Dit imaginatieve bewustzijn kan niet voortborduren op oude beelden; integendeel. Het zal geheel opnieuw in mensen zelf moeten worden ontwikkeld en aangeleerd.

In deze zin – het is goed daar eens duidelijk op te wijzen – onderscheidt de antroposofie zich zeer in het bijzonder van de andere alternatieven: het geeft stap voor stap een bewuste, denkende weg tot dat nieuwe bewustzijn aan. De nieuwe ‘imaginaties’ kunnen denkend begrepen worden; het zijn werkelijke denkbeelden in de zin van totaalbeelden, die niet illustratief, maar levend-
groeiend zijn en voor steeds verdere uitwerking en toepassing vatbaar. Zo ontwikkelde Goethe zo’n eerste imaginatie, toen hij aan de hand van
plantenstudies – niet in de zin van determineren, maar juist van relateren van de verschillende groeifasen tot zijn beeld van de oerplant kwam: het wezen dat aan alle planten ten grondslag ligt, de functie die in alle planten werkzaam is.

Nieuwe imaginaties zullen functionele denkbeelden zijn; geen abstracties of theorieën die de werkelijkheid onrecht doen, maar bruikbare en in de levende werkelijkheid wortelende voorstellingen.

Een belangrijke imaginatie heeft Rudolf Steiner ontwikkeld in de vorm van het beeld van de drieledige mens: de mens die met een zenuw-zintuigstelsel, een ademhalingsstelsel, en een stofwisselingsgebied het belangrijkste middelpunt voor het denken in het hoofd heeft, voor het voelen in het ‘ritmische’ middengebied, en voor het willen in de onderpool van het stofwisselingsstelsel. Aan dit beeld geeft hij een zowel fysiologische als psychologische grondslag, die het uitgangspunt vormen voor een geheel nieuwe, intussen in talrijke scholen gepraktiseerde pedagogie.

Hiermee samenhangend – hoewel zeker niet analoog – is een andere belangrijke imaginatie gegeven: die van de driegeleding van het sociale organisme. Waar alle maatschappelijke, economische en politieke problematiek zich uiteindelijk concentreert rond de vragen van individu en collectiviteit, van vrijheid, gelijkheid en broederschap, wordt door de driegeleding van het sociale organisme (en dat is net zomin een driedeling als dat mensen uit een losse kop, een losse borst en een los onderlijf bestaan) deze problematiek in haar juiste verhoudingen gezien: wij zijn vrij, en optimaal individueel binnen het gebied van het geestesleven, wij zijn volstrekt gelijk aan alle anderen voor het politieke rechtsleven, en wij hebben in allerlei verhoudingen van broederlijkheid en zusterlijkheid met elkaar te maken in het economisch leven.

In zo’n maatschappij krijgt de menselijke beleving die kwalitatieve aanvulling waar zo naar wordt gezocht. Vanuit een creatief, want vrij, geestelijk-cultureel leven, kan de menselijke redelijkheid zich werkelijk in een politiek-actief rechtsleven oefenen, en kan ‘de leer van Jezus van Nazareth, waarvan de kern liefde is’, door ieder van ons in het economische leven worden gepraktiseerd.

Een ‘nieuwe mythe’ zou die van een organische, rechtvaardige, broederlijke wereldeconomie kunnen zijn: de grootste algemeen menselijke band die er bestaat. Dat is meer dan een verhaal. Dat is een functioneel idee.

Edith Boeke†, Jonas 13, *15-02-1985

vertelstof: alle artikelen

drieledige mens

 

953

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof Germaanse mythologie

 

germaanse mythologie in de 4e klas

In de vierde klas worden de verhalen verteld van de Germaanse mythologie. In die verhalen vindt men ontzaglijk veel Goden en helden, die een ontwikkelingsweg gaan die vol van dramatiek is.
Ook in andere mythologieën kent men die verschijnselen.
In de Germaanse verhaalstof vindt men echter ook nog een ander aspect en dat maakt deze verhalen juist zo geschikt voor de vierde klas.

De Germaanse Goden strijden tegen de verkilling en verharding brengende reuzen. Zij doen dat aanvankelijk met veel succes, doch dat blijft niet zo.
Zo langzamerhand moeten de Goden steeds meer prijs geven van hun onbezorgdheid, hun optimisme, hun jeugd, hun alom aanwezige gunstige invloeden. De Goden beseffen dat de confrontatie met het “boze” zal gaan komen. Zij begrijpen ook dat de strijd niet zonder kleerscheuren voor het “goede” zal verlopen. Alle Goden weten dat er een zg. “Godenschemering” komt. Alle Goden bereiden zich op die strijd op eigen wijze voor.
De alvader Odin doet dat heel anders dan de felle strijder Tyr en die weer anders dan de krachtige dondergod Thor. De strijd tegen de koude ijsreuzen, die met hun verkillende invloeden de lente in het rijk der mensen onmogelijk trachten te maken, zal de ondergang van de Goden betekenen.

Ondanks het feit dat de Goden dit weten, is hun inzet in de strijd tegen de reuzen er niet minder om.

In de kinderontwikkeling vindt men in de vierde klas een dergelijke dramatiek terug. Definitief wordt de gouden kindertijd vaarwel gezegd, ieder kind moet de confrontatie met de aardewereld nu gaan geloven. Het besef van iets te kunnen of juist niet te kunnen grijpt in de psyche van een kind veel dieper in dan ooit daarvoor. In de leerstof van de vierde klas vindt men twee heel duidelijke voorbeelden van die confrontatie met de wereld en daarmee gepaard gaand het teruggeworpen worden op zich zelf nl:

Bij het rekenen zijn daar de breuken die het tot dan toe, in zich volkomen harmonische probleemloze hele getal, plotseling door elkaar beginnen te rammelen en te breken in talloze moeilijk uitspreekbare onhanteerbare kleine deeltjes die bewerkt kunnen worden volgens wetmatigheden waarvan het kind al snel inziet dat er de eerstkomende jaren rekenkundig nog wel wat te verhapstukken valt.

Bij de Nederlandse taal worden de tijden van het werkwoord behandeld. Plotseling kan bij het kind het besef ontstaan zelf als persoon in de tijdstroom te staan. Dit zijn voor het kind momenten van grote dramatiek, want het betekent dat het kind beseft dat het alleen is. Ook het gevoel van vrijheid groeit gelijk met het gevoel van eenzaamheid.
Als leraar sta je toch steeds weer verrast wanneer je het ene kind na het andere die stap ziet maken. Het ene kind doet het rustig en aandachtig, het andere vol angsten en onzekerheden. Kinderen kunnen zichzelf als het ware gaan verbergen in een quasi kleinkindergedrag anderen doen reuze flink en -:a’ en extra veel kabaal.

Ook zijn er die met grote religieuze vragen op je afkomen, anderen zijn er die aan de lopende band leugentjes en uitvluchten verzinnen. Aangezien je al deze verschijnselen in de derde klas nog niet opmerkte, althans ze drongen zich niet aan je op, val je als leraar in de vierde klas vaak van de ene verbazing in de andere en al te vaak moet je stevig de zaak in de hand houden willen er geen grote emoties van hevige sympathieën en antipathieën in de klas ontstaan.
Ook ouders laten zich vaak door de vierdeklassers verrassen en menige ouder moet oppassen niet door de onstuimige heertjes en dametjes onder de voet gelopen te worden. Voor de leraar is het van belang te wachten met de “psychische” leerstof totdat hij vindt dat de klas eraan. toe is.

De Germaanse God Thor heeft eens een tocht gemaakt naar het rijk van. de ijsreus “Utgard Loki”. Hij ging daarheen om de reuzen te waarschuwen het voortdurend zenden van k0ude winden naar het mensenrijk te staken.

Utgard wil dan met Thor en zijn metgezellen een wedstrijd aangaan.

In deze wedstrijd presteert Thor vrijwel het onmogelijke. Hij verlost bijna al de mensen van hun egoïsme, hij overwint bijna de ouderdom enz. Dit prachtige, spannende, maar diep religieuze verhaal wordt door de kinderen ademloos aangehoord.

Hieronder volgt een korte weergave van het verhaal:

Thor nu wilde zijn kracht tonen door gewichten op te tillen. Utgard Loki daagde Thor toen uit het poesje van de reus op te tillen. Thor nam deze kans te baat trok zijn gordel vast aan en deed zijn best. Helaas! Slechts een pootje tilde hij even van de grond.
Utgard Loki glimlachte verachtelijk en zei, dat Thor misschien wel dorst had. Thor bevestigde dat en hij kreeg een beker van de reus met de opdracht die in drie teugen te ledigen.Thor zette nu zijn lippen aan de rand, maar ofschoon hij zo’n diepe teug nam, dat hij dacht te barsten, kwam het vocht nog bijna aan de rand toen hij het hoofd ophief. Een tweede en derde poging om de beker te ledigen, bleek al even weinig succes te hebben.

Een laatste poging deed Thor om de reuzen te verslaan door te gaan worstelen met de oude voedster van Utgard Loki, de enige partij die de reus de nietige God Thor waardig keurde. Het eindigde al even ongelukkig en toen de Goden erkenden, de strijd verloren te hebben werden, ze door de reuzen onthaald.
Thor en zijn metgezellen begrepen niet waar zij deze egards aan te danken hadden en besloten op alles voorbereid te zijn en te blijven.

De volgende morgen werden zij begeleid tot de grenzen van het reuzenrijk, waar de reus hun beleefd te kennen gaf dat hij hoopte dat zij hem nooit meer zouden uitdagen daar hij genoodzaakt was geweest tovermacht tegen hen te gebruiken.
Hij vertelde dat hun krachten zelfs met de tovermachten nauwelijks te beteugelen waren geweest. Thor had nl. niet een beker leeg gedronken, maar bijna de hele oceaan, waarmee de beker verbonden was.
Voortaan zou de eb telkens weer aan dat feit herinneren.
Thor had niet de kat van Utgard Loki opgetild, maar de Midgardslang, een slangachtig wezen, gekronkeld om de aarde en gevoed door het egoïsme van de mensen. Bijna was het Thor gelukt deze slang van het mensenrijk weg te trekken, doch met magische spreuken wist de reus het te voorkomen.
De oude voedster waar Thor tegen worstelde was de ouderdom zelf en bijna was het Thor gelukt deze te verslaan. Daarmee zouden de jeugdkrachten voortdurend kunnen blijven toestromen naar het rijk der mensen.
Ook Thors metgezellen kregen dergelijke verhalen te horen. En Thor draaide zich vertoornd om om de reus en zijn kasteel te vernietigen met zijn hamer, doch het kasteel werd in nevelen gehuld en Thor was genoodzaakt terug te keren naar Asgard, het Godenrijk, zonder zijn heilzame les aan de reuzen gegeven te hebben.

(G.Reyngoud, nadere gegevens onbekend)

toneel
Thrymslied: Hoe Thor zijn hamer terughaalde –

Vertelstof:
de Edda – achtergronden; verklarende namen

4e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas vertelstof

 

952

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Pericles

 

Pericles

Pericles ca. 490-429 v. Chr.

Tijdens de Gouden Eeuw van de Griekse democratie koos de Atheense bevolking Pericles meermalen voor hoge functies in de regering. Hij was een arrogant en emotieloos mens, maar iedereen wist dat hij diep geloofde in de democratie en in de vrijheid, die de mensen de kans gaf te denken, leren en scheppen. Dertig jaar lang maakte Pericles deel uit van het bestuur van Athene, dat onder zijn bewind een culturele bloeiperiode doormaakte. Doordat hij de Atheense ideeën overal verbreidde, bereikte de stad ook een hoogtepunt van politieke macht.

Pericles was een zoon uit een rijke en vooraanstaande Atheense familie. Hij trad voor het eerst op de voorgrond toen hij samen met een aantal anderen hervormingen wilde doorvoeren in de al zeer democratische grondwet. Ze wilden de politieke macht van de armen vergroten. Ze stelden voor om alle ambtenaren, van de hoogste tot de laagste leden van de volksvertegenwoordiging, te betalen. Dat was een uitstekende methode om de corruptie voor een deel onmogelijk te maken. Ook de leden van de rechtbank moesten voor hun verdiensten worden betaald. Kort na het aanvaarden van deze nieuwe hervormingen werd Pericles, in 461 v. Chr., gekozen tot een van de strategen (generaals). In die hoedanigheid werd hij vrijwel tot het eind van zijn leven jaarlijks herkozen.

In de tijd dat Pericles voor het eerst een regeringspositie bekleedde, was de onafhankelijke stad-staat Athene, samen met andere Griekse stad-staten, lid van de Delisch-Attische Bond. Dit bondgenootschap was tot stand gebracht om een eenheid te vormen tegen de overweldigende macht van het Perzische Rijk. Van alle steden in Griekenland had Athene de enige grote vloot, dus werden de meeste gevechten door Athene geleverd. De andere leden van de bond betaalden bijdragen. Het was niet verbazingwekkend, dat Athene de Delisch-Attische Bond geleidelijk aan begon te beheersen. Andere leden werden meer als vazalstaten dan als bondgenoten behandeld.

Pericles wilde Athene tot de politieke en culturele leider van de Griekse stad-staten maken. Door middel van het bondgenootschap verwierf hij de politieke macht. Om de culturele leiding te krijgen, liet hij een enorm bouwprogramma ten uitvoer brengen. In 480 v. Chr. hadden de Perzen de stad Athene geplunderd. Alle tempels die toen waren verwoest, liet hij herbouwen. De belangrijkste bouwplaats was de Acropolis. Er was een schitterende poort, de Propylaeën en een prachtige aan de godin Athene gewijde tempel, die later het Parthenon werd genoemd. Ook werd er een kleine tempel gewijd aan de godin van de overwinning, Nikè. Om deze en andere kostbare gebouwen te betalen, liet Pericles de schatkist van de Delisch-Attische Bond naar Athene brengen. De machtige stad-staat Sparta, ten zuiden van Athene, leverde heel wat meer problemen op dan de zwakke bondgenoten. Sparta was in het verleden even machtig geweest als Athene. Maar na de Perzische aanvallen tussen 490 en 480 v. Chr. was Sparta ernstig verzwakt. De stad had geen vloot waarmee de strijd kon worden voortgezet. De Spartanen verzetten zich tegen de groeiende Atheense macht en weigerden zich bij de Delisch-Attische Bond aan te sluiten en ze schonken geen geld voor de tempels. In plaats daarvan vormde Sparta een eigen bondgenootschap met de stadstaten die rond Sparta op de Peloponnesus lagen. Toen Athene probeerde haar invloed tot dit gebied uit te breiden, ontstond er tussen de twee staten een conflict. Na een aantal schermutselingen tussen de twee kampen sloten Sparta en Athene een overeenkomst. Het rijk van Athene moest beperkt blijven tot de eilanden en de Griekse steden overzee.  Het rijk van Sparta zou de steden op het vasteland en wel in het bijzonder die op de Peloponnesus omvatten.
Na het sluiten van dit verdrag volgden er vijftien  jaren van vrede, de enige vrede die Athene tijdens het leven van Pericles meemaakte. De inwoners hadden de vrijheid om te genieten van de meest creatieve en intellectueel stimulerende periode uit de hele geschiedenis.

De culturele vooruitgang zette zich tot in de volgende eeuw voort. Maar met de vrede was dat echter niet het geval. Tegen 431 v. Chr. ontstonden er grote spanningen tussen Athene en Sparta en er braken gevechten uit, die uiteindelijk uitliepen op de bittere en desastreuze Peloponnesische Oorlog. De Atheense vloot was oppermachtig en Pericles besloot de oorlog op zee uit te vechten. Hij liet alle Atheners naar de stad komen om hen achter de muren tegen het landleger van Sparta te beschermen. Maar het overbevolkte Athene werd zwaar getroffen door een pestepidemie. Duizenden bewoners stierven een ellendige dood. Niet lang daarna stierf Pericles zelf. De oorlog sleepte zich, met tussenpozen van vrede, nog 28 jaar voort. Uiteindelijk won Sparta. In de 4e eeuw v. Chr. herkreeg Athene voor korte tijd de macht. Uiteindelijk moest de stad zich, samen met de rest van Griekenland, overgeven aan de oprukkende legers van Philippus van Macedonië. Dit was in 338 v. Chr.

Andere naties hebben het veel langer volgehouden en waren rijker en machtiger dan het Athene van Pericles. Maar alles wat daarvan is overgebleven, zijn ruïnes, kunstvoorwerpen en onvolledige verslagen. Van Athene bleef veel meer bewaard. Het leeft voort, doordat het nog steeds invloed uitoefent op de regeringsvormen over de hele wereld. De reden is waarschijnlijk, dat Athene de eerste staat was die door het volk zelf werd geregeerd. En dat idee was te machtig om vernietigd te kunnen worden.

AtheneTerwijl Pericles Athene tot ontwikkeling bracht, werden er vele theaters zoals deze gebouwd. Dit theater had een van de eerste podiums ter wereld en bood plaats aan 14.000 toeschouwers. Het heeft een buitengewone akoestiek.

Athene 1De Acropolis, die Pericles liet bouwen. Vandaar heeft men een schitterend uitzicht over de tegenwoordige stad Athene. Het belangrijkste gebouw van de Acropolis is het enorme en smaakvolle Parthenon. Deze tempel werd gebouwd ter ere van de godin Pallas Athene. De tempel Erechteion was gewijd aan Athene Polias en Poseidon en genoemd naar de held Erechteus. Uiterst links op de foto de Propylaeën (poorthuis).

5e klas geschiedenis: alle artikelen

vertelstof: alle biografieën

vrijeschool in beeld: 5e klas geschiedenis: Griekenland

 

951

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (17)

 

opspattend grind

 

 

 

 

‘GEZONDMAKEND ONDERWIJS’

Buikpijn door stress van school

ZWOLLE. Spanningen op school veroorzaken vooral in november en maart bij kinderen hoofdpijn, buikpijn en gewrichtsklachten. In die maanden kloppen fors meer leerlingen aan bij het ziekenhuis.

Dat kinderziektes zoals bronchitis en astma vooral tijdens de maanden voorkomen die eindigen op de ‘r’„ was bekend. Nu blijken ook klachten als hoofdpijn, migraine, buikpijn, vermoeidheid en gewrichtspijnen seizoensafhankelijk te zijn.

Dat stellen onderzoekers van het Amalia Kindercentrum in Zwolle. Zij spitten de patiëntdossiers van meer dan vijftigduizend kinderen tot 18 jaar door. Ze analyseerden met welke klachten de patiënten in het ziekenhuis kwamen en in welke maand. De onderzoekers zagen zes jaar achter elkaar een piek in november en maart van het aantal kinderen met onder meer buikpijn en hoofdpijn. Terwijl de spreekuren van de kinderartsen tijdens de zomermaanden juist opvallend rustig waren.

De kinderen krijgen gezondheidsklachten door spanningen op school, verklaren de onderzoekers. Want bij patiënten tussen o en 4 jaar ontbreken die seizoenspieken. „We zien de klachten echt bij schoolgaande kinderen”, concludeert Jolita Bekhof, een van de onderzoekers.

Maar waarom kloppen kinderen juist in november en maart bij de kinderartsen aan? „Stress bouwt zich op”, verklaart Bekhof. „Tijdens de zomermaanden zijn ze ontspannen. In november krijgen leerlingen meestal hun eerste rapport of horen ze of ze het gewenste niveau halen.” Ze krijgen zoveel stress dat ze ruim 13 procent vaker met klachten naar het ziekenhuis komen. Hét aantal jonge patiënten is in maart zelfs 34 procent hoger. „Dan merk je dat leerlingen stressen over de vraag of ze hun examen wel gaan halen of dat ze over mogen naar de volgende klas”, aldus Bekhof.

Het Amalia Kindercentrum wil aanvullend onderzoek doen naar eventuele andere oorzaken. Want school is niet de enige factor die stress bij kinderen veroorzaakt, zo beseffen de onderzoekers. Bekhof: „Je ziet dat soms andere problemen spelen. Sommige ouders vragen bijvoorbeeld veel van hun kinderen, zonder dat ze het zelf door hebben. Dat kan ook meespelen.”

Eindhovens Dagblad 19-12-2015

Rudolf Steiner:
Ik zou u er allereerst op willen wijzen dat heel onze vrijeschoolpedagogie een therapeutisch karakter draagt. Heel de onderwijs- en opvoedingsmethode zelf is er op gericht dat deze een gezondmakende (gesundend) invloed op het kind heeft. Dat betekent wanneer je de pedagogische kunst zo vormgeeft dat op ieder ogenblik in de ontwikkeling van de menswording van het kind het juiste wordt gedaan, dat dan  in de opvoedkunst, in het pedagogisch omgaan met de kinderen iets gezondmakends zit.

Rudolf Steiner: gezondmakend onderwijs

opspattend grind: alle artikelen

950

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (16)

 

Ik had het geluk – ik noem het ‘een geluk’ – dat ik in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw, veel voordrachten van ‘dokter Mees’ kon bijwonen.
In een meeslepende verteltrant – levendig en humoristisch – boeide deze begenadigde spreker – velen. Voor vele aspecten van het leven opende hij mij (weer) de ogen en gaf veel nieuwe gezichtspunten.

Onderstaand artikel vond ik nog en plaats ik hier als dankbare herinnering aan Leendert Frederik Carel Mees ( 13 december 1902-24 mei 1990)

een kameel van vijfennegentig vierkante kilometer in Artis

Karel en Coba. Leen Mees herinnert zich nog precies in welke kooi ze zaten. Twee bavianen, een mannetje en een vrouwtje. ‘En er was een reuzenschildpad die het lekker vond als ik hem langs de nek streek, zo (Mees doet voor hoe het ging), daar kwam hij voor naar me toe.’

Van Leen Mees is bekend dat hij iets hééft met dieren. De verjaardag* van Neerlands oudste dierentuin Artis leek ons hèt moment om te ontdekken wat.

De Amsterdamse diergaarde van het Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra (‘de Natuur is de leermeesteres van de kunst’) viert op één mei haar honderdvijftig-jarig bestaan. Artis herbergt rond de zesduizend dieren (waarvan tweeduizend vissen) en trekt jaarlijks ongeveer een miljoen mensachtige bezoekers waarvan de helft abonnementhouders. Wat komen al die mensen doen?

Naar zichzelf kijken. Voor Leen Mees, geboren in 1904 en arts van professie, is dieren kijken een oefening in menskunde. Want ‘dieren zijn wat mensen hebben’, zo vatte hij zijn kijkrichting samen op de omslag van zijn boek over schepping en evolutie.

Turen in de woestijn
Met een oplevende verwondering gaat Mees mij voor in de jubilerende dierentuin. In zijn studententijd, jaren twintig, was hij hier bijna dagelijks te vinden voor het volgen van de openluchtcolleges ‘vergelijkende dierkunde’. Lang geleden, maar in sommige opzichten is er niet veel veranderd. Met de papegaaienlaan voor ons, en links het woestijnleven, is Mees in een ogenblik thuis en geniet, geniet intens.

‘Kijk hem turen’, zegt hij, wijzend op een kameel. ‘Hij tuurt in de woestijn. Zijn hele houding is woestijn.’ In de grondhouding ‘woestijn’ lijkt inderdaad alles samen te vallen wat de kameel uitdraagt. Vooraan de golving vanuit zijn lijf, door vetbulten en kop. liggen in een gestrekte lijn oor, oog en neus: Georiënteerd op een verdwijnpunt aan de horizon, de zijderoute volgend van de Levant tot in China, deint de rest van het lichaam statig tussen de strak blauwe hemel en het eeuwige zand.

Al bij een stilstaande kameel zie je de drang om zijn blik achterna te gaan. Gaan er twee ‘in karavaan’ (we hebben het geluk dat even te zien) dan zie je die drang als het ware uitgebeeld. Drang, gestalte (vorm) en omgeving zijn, in hun éénheid, voor Mees het centrale houvast om begrip te krijgen voor de wereld van het dier.

Aan elk dier is iets typisch of karakteristieks te ontdekken. Dat typische openbaart zich vooral als dieren iets doen. Want doen betekent voor het dier altijd: trachten een in hem levende drang te bevredigen. Het komt er dan op aan niet bij de algemeen voorkomende, zoals de voedingsdrang, te blijven staan, maar je af te vragen welke drang (of ‘begeerte’) je alleen in die ene bepaalde diersoort vindt. Die begin je te vinden langs de weg van het specifieke instrument waarmee het dier zijn begeerten nu eenmaal moet bevredigen: zijn lichaam. Dit lichaam, met zijn specifieke vormen, bedekking, kleuren enzovoort, is vervolgens weer niet los te denken van de omgeving waarin het dier leeft. Waarin het naar aard en vorm doet leven! Alleen in de omgeving die het dier volledig past, kan het zich volledig bevredigen. Zo zijn dus begeerte, vorm en omgeving één.

De kleine karavaan is na twintig kamelenstappen aangekomen bij de sloot die het zandveldje in Artis omgeeft. Is hun terrein te klein? ‘Nee’, zegt Mees, ‘waarschijnlijk is de kameel te groot.’ Want een kameel ziet verder dan twintig stappen. De begeerte om de blik achterna te gaan (stel dat de kameel inderdaad begeert) is gezien het woestijnverleden van de kameel nog niet bevredigd. De drang blijft, want een kameel kan, net als elk ander dier, geen afstand nemen van zijn (onbevredigde) begeerte, noch erover nadenken of besluiten zijn energie dan maar voor iets anders te gebruiken. De kameel heeft namelijk geen begeerte, zoals de mens, maar hij is begeerte.
De kameel in Artis is dus vanuit zijn woestijnverleden gezien zo’n vijfennegentig vierkante kilometer in omvang, en ook als Artis de nieuwe maatstaf is, nog altijd veel groter dan het zandveld. De enige troost is dat de begeerten niet altijd even sterk zijn, en de kameel dus van tijd tot tijd zo klein wordt dat hij aan het zandveld voldoende heeft. Werkelijk: dieren zijn niet altijd even groot.

Ogen op steeltjes
Iets verder op het zandveld ligt een ogenschijnlijk mediterend watutsirund uit Midden-Afrika. Zowel en profil als en face domineren regelmatige driehoeken de verhoudingen. Het rossig tot goudbruine vel glanst in het zonlicht, en vanuit de kop stralen twee geelwitte horens ver uit.

Voorlangs deze gratie stapt een andere terreingenoot van de kamelen, de struis. Hoog op de renpoten (het dier haalt zeventig kilometer per uur) beweegt zich het grote, grijsbruin gevederde lichaamsei, en daar weer boven, aan het uiteinde van de nek die zo lang is als de poten, ‘vliegt’ wat je zou kunnen noemen het vogeltje dat met de besproken struis één geheel vormt.

Wat begeert het watutsirund, en wat de struisvogel? Het blijkt een uitermate moeilijk te doorgronden gebied. Ik raadpleeg Mees. Die raadt me aan nu niet onmiddellijk te gaan fantaseren. Maar over diervormverschijnselen in het algemeen heeft hij een behulpzame gedachte: ‘Heb je weleens een kind voor de etalage van een speelgoedwinkel gezien? Met uitpuilende ogen vanwege al dat moois? Het kreeg ogen op steeltjes, zeggen we dan wel eens. Natuurlijk kreeg het dan niet echt ogen op steeltjes, maar als we tegenwoordig als mensen nog net zo plastisch zouden zijn als we waren in de dierfase van de mensheid, dan kreeg het kind ze wel! Het kreeg dan door de begeerte naar het speelgoed echte ogen op steeltjes. Ik zeg altijd: zo ontstonden de slakken.

Iets soortgelijks vind je in de dierenwereld overal: oren op steeltjes, een bek op steeltjes, een huid op steeltjes, enzovoort.’ Het is verbijsterend. Als je eenmaal zo kijkt, zie je overal in de dierentuin organen op steeltjes, oftewel vormen uit begeerte.

Onderweg naar het vogelhuis zien we een haan. Zonder verblijfsvergunning waarschijnlijk, maar daar kraait geen haan naar. Mees: ‘Wat is die mooi hè? Weet je waarom die zo mooi is? Om het vrouwtje te trekken! Het is toch om je rot te lachen.’

Mees is van één type verklaringen duidelijk niet gecharmeerd, de analogie: een mens heeft een hark om te harken, een haan heeft een snavel om te pikken. ‘Een haan is pikken, en heeft daarom een snavel’ (lippen op steeltjes). Bij de haan kun je daar trouwens moeilijk omheen. Uiterst vermoeiend hoe zo’n dier bij elke stap tegelijk een pik moet doen, in de lucht.

In het vogelhuis roept Mees het uit. ‘Wat een snavel! Die heeft geen snavel, die is snavel!’
De reuzentoekan is een oranje-rood en felgeel gekleurde snavel die zeker tweederde de lengte van het lijf meet. Dat lijf is bescheiden zwart. Alles, ook het doen van de vogel draait om de snavel. Graantje pikken en achterover laten glijden. Snavel even schurken langs een tak. Bijten op een tak. Ook prachtig verbeeld, is de gedienstigheid van het lijf tijdens de onverwacht sierlijke trampolinegang van het hippen. Het lijf bewaart dan zorgvuldig de balans tussen het gewicht voor en het gewicht achter de poten. De toekan leert dat je in specifieke begeertevormen van de dieren kunt nuanceren. De toekan is zeer snavel. Zo niet de bijna even grote straatduif.

Het offer van de dieren
Groot is de overgang naar het broeierig warme klimaat van het reptielenhuis. Het is hier bijna drukkend stil, en voorzover zich ergens iets beweegt, gaat het traag. ‘Ken je die van de krokodil die een sociale gemeenschap wou stichten?’ Ik ken hem niet, dus zetten we ons even op een bankje, schuin tegenover de krokodillen.

Mees: ‘Komt die krokodil bij een olifant en zegt: Olifant, wil je meedoen met mijn sociale gemeenschap? Ach, zegt de olifant, ik heb nogal een dikke huid, en mijn vrouw heeft een dikke huid, en mijn kinderen hebben een dikke huid, dus wat zal ik in een sociale gemeenschap? Komt de krokodil bij een slak. Slak, wil je meedoen in mijn sociale gemeenschap? Ach, zegt de slak, ik heb mijn eigen huis, mijn vrouw heeft een eigen huis, en mijn kinderen… Komt de krokodil bij een leeuw. Leeuw, wil je meedoen in mijn sociale gemeenschap? Ach, zegt de leeuw, ik ben koning, mijn vrouw is koningin, mijn kinderen zijn prinsjes en prinsesjes dus wat zal ik met een sociale gemeenschap? Komt de krokodil bij een beer. Beer, wil je meedoen in mijn sociale gemeenschap? Ach, zegt de beer, ik heb een dikke pels dus ik heb het warm zat, en mijn vrouw heeft ook zo’n dikke pels, en mijn kinderen… De krokodil gaat weer verder maar opeens roept de beer hem terug: Waarom wil jij eigenlijk een sociale gemeenschap stichten? Ach, zegt de krokodil, ik heb zo’n grote bek, en mijn vrouw heeft ook zo’n grote bek, en mijn kinderen…’

De reptielen confronteren ons nog het meest met wat volgens Mees als diepe tragiek in de dierenwereld besloten ligt. De dieren, zo meent hij, belichamen niet zomaar een aantal begeerten. Zij belichamen ‘die overmaat aan begeerte’ die dreigde een belemmering te worden voor de evolutie van de mens. De dieren hebben een groot offer gebracht’, voegt Mees er nog aan toe terwijl we op weg zijn naar de mensapen. Mensapen? Kijk me eens aan’, zegt Mees. We kijken elkaar aan. ‘Je merkt dat we onze ogen voortdurend bewegen en dat onze blikken elkaar daarbij telkens (een ogenblik lang) kruisen. Zo elkaar aankijken kunnen alleen twee mensen’, beklemtoont Mees. ‘Geest ontmoet geest.’ Niettemin spreekt Mees zelf over ‘mensdieren’. Een uitstapje naar zijn boek wordt zo langzamerhand onontbeerlijk.

Mees’ evolutieleer zal voor de één het ei van Columbus zijn, voor de ander flauwekul. In het zorgvuldig opgebouwde betoog zitten nu eenmaal ‘sprongen’, zoals deze: ‘Dat levende vormen scheppingen zijn, heeft de mens nooit verzonnen, doch hij heeft het altijd geweten, immers, hij heeft het herkend. Mensen weten wat schepping is omdat ze zélf scheppen.’

Om een snelle krabbel te kunnen maken van de gedachtegang die Mees in zijn boek ontvouwt, blijf ik nog even bij dit scheppen. Stel er wordt een aantal schilderijen gevonden van een zekere Mondriaan. Op het eerste doek zien we (geen twijfel mogelijk) een vaas bloemen. Op het tweede is in een compositie van kleurvlakken vagelijk een boom te ontwaren. Het derde toont haaks op elkaar staande banen en lijkt nergens op. Zogenaamde ‘creationisten’ zullen nu zeggen: In den beginne was Mondriaan. Mondriaan schiep schilderijen, misschien het ene wat eerder dan het andere, maar dat doet er niet toe, er is geen samenhang tussen de schilderijen zelf. ‘Evolutionisten’ menen: Het eerste schilderij verdichtte zich uit een atelier-nevel. Het tweede schilderij ontstond vervolgens uit het eerste, en het derde weer uit het tweede onder invloed van, laten we zeggen, het weer en de kopieermachine. De creationisten ontkennen dus evolutie, de evolutionisten ontkennen creatie, schepping.

Mees zegt: De evolutie betreft de persoonlijke ontwikkeling van Mondriaan. Een beeld van die evolutie ontstaat doordat Mondriaan schilderijen schept, en dus telkens iets van zijn ontwikkelingsweg zichtbaar maakt. Schilderijen zelf evalueren dus niet, hooguit veranderen deze door ‘aanpassing aan de omgeving’ (in het voorbeeld met name de tand des tijds).

Evolutie en schepping
Dan nu met reuzenstappen door het echte verhaal van Mees. Zijn inspiratoren zijn degenen die in de dierenwereld het beeld van een evolutie als zodanig ontdekt hebben (Lamarck, Darwin), de mensen die baanbrekend (embryologisch) onderzoek deden (Haeckel, Bolk, Blechschmidt), en de moderne ingewijde die de geestelijke ontwikkeling van de mens sinds oeroude tijden te boek stelde, Rudolf Steiner. De verdienste van Mees is zonder meer dat hij, trouw aan de waarneming, laat zien dat ‘evolutie’ en ‘schepping’ elkaar niet uitsluiten, maar juist bevestigen.

Het menswezen heeft, ooit, met de Goden afgesproken om een bepaalde klus te klaren. Eenmaal op weg zijn de Goden nog zeer behulpzaam, en als de mens zich (er is dan al zeer veel achter de rug) een omgeving zoekt om ‘ik’ te kunnen zeggen, ontstaat daartoe de aarde. Het is de gevoelige mens echter geboden zich uiterst behoedzaam een aards lichaam aan te meten. De Goden houden hun hart vast, want de aarde, die een unieke ontwikkelingsmogelijkheid biedt, herbergt tevens krachten die elke ontwikkeling onmogelijk zouden kunnen maken. De mens moet zich belichamen, maar zich niet teveel ‘ver-lichamen’.

Bij deze langzame toenadering tot de aarde zijn de Goden weer zeer behulpzaam en brengen hoge wezens uit deze wereld grote offers. Telkens als de mens bepaalde krachten die hij bij zijn toenadering ontmoet, overmatig in zich dreigt op te nemen, offeren deze wezens zich, door de overmaat te belichamen en daarmee de mens ervan te vrijwaren. Zo ontstaan het minerale rijk, het plantenrijk en het dierenrijk alvorens de mens gereed is ‘vlees te worden’.

Mees in zijn boek: ‘Het mineralenrijk heeft het evoluerende mensenwezen bevrijd van een te snelle tendens tot verdichting. Het plantenrijk is de belichaming van de overmaat van vitaliteit (levenskracht) die een verdere evolutie in de weg gestaan zou hebben.’ Het dier’, het is al gezegd, is de belichaming van een overmaat aan begeerte. Dat de overmaat belichaamd is, betekent tegelijk dat de mens de ‘gewone maat’ wel in zich opnam. Vandaar dat de mens de begeerten die de dieren zijn, toch ook nog zelf heeft.

Scheppende wereld
Terwijl ik mij een en ander bedenk, inmiddels aankomend bij de roofdieren, komt er ook een gevoel in mij op dat deze visie iets te maken heeft met de bijna ingetogen houding van Mees. Hij is voor zijn doen niet spraakzaam. Maar ik voel een toenemend gewicht in de kleine, zacht uitgesproken, over verschillende kooien verspreide zinnetjes. Als ze aan mij gericht zijn, gaan ze eigenlijk allemaal over dankbaarheid. Dankbaarheid tegenover de dieren, die zichzelf niet kunnen ontwikkelen (géén evolutie) doordat ze onze ontwikkeling mogelijk maakten. Soms zegt Mees het meer tegen de dieren, zoals in de stilte van het reptielenhuis tegen de krokodil, bijna fluisterend: ‘Jij ligt daar maar hè, jij ligt daar maar te leven.’

Stilte voor de storm heerst in de roofdiergalerij. Mees: ‘In een andere dierentuin stond ik eens vlak voor de kooi toen de leeuw die daarin verbleef begon te brullen. Dan weet je wat hartstocht is! Mooi woord, de ‘tocht van het hart’. Het is ons vergund. Deze keer zijn het twee leeuwinnen, en ik weet werkelijk niet wat ik hoor. Beelden van immense grotten komen in mij op, waarin de herhaalde korte uitstoten van het gebrul, als een krachtig, angstaanjagend oergeluid, opzwellen en wegsterven. De toegang tot deze grotten is de zeer aanwezige neus van de leeuw. De neus die ‘onverbiddelijk heerst en brult.’

Bij de pinguinvijver houdt een dagjesmens een beschouwing over een gekortwiekte eend. ‘Kijk, hij wil starten. Moet je opletten. Ja daar gaat hij weer. Gas geven! Gas geven! Kom op! Gas geven!’ Cultuur op steeltjes? Of misschien wel ‘ik’ op steeltjes? Niet te lang bij stil staan, want Mees is inmiddels geheel opgenomen in de scheppende wereld. Het spreekwoordelijke groot en grijs van de olifant. De alsmaar bewegende olifant. ‘Mmm jij maar hoor’, zegt Mees. De olifant tast naar een microscopisch kleine pinda, flappert zijn zonneschijven, en neemt even later via zijn guitige tuit de pinda op in het rijk daarachter. Het lijkt me de enige weg voor een pinda om in het hiernamaals te komen.

‘De olifant is door de mmm geschapen’, legt Mees uit. ‘Weet je hoe?’ Ik heb geen idee. Je kunt het als uitspraak vinden bij Rudolf Steiner, maar het is ook de werkelijkheid van menselijke ervaringen.’ We geven elkaar de hand, kruisen de ogen en nemen afscheid.

Mark Bischot Jonas,* 18-04-1988
.

L.F.C.Mees:
Dieren zijn wat mensen hebben.
Levende metalen
Geheimen van het skelet
Don’t say no, just say oh
Digitale versie van bovenstaande boeken te downloaden via Antrovista
De aangeklede engel
Hoe beweegt de mens zich
Mensen zonder omgeving
Een voor een
Helena en Penelope
Geneeskunde op de drempel
Hoe is de olifant ontstaan
Drugs, waarom eigenlijk
De achtergronden van de drugscatastrofe
Toe, teken eens een schaap voor me!
Dierbare herinneringen aan Rudolf Steiner
.

 

dierkunde: alle artikelen
.

 

mees leendert

Leen Mees in Artis

 

 

 

 

 

 

 

949

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde (7)

 

3e klas heemkunde

Over de vierde klas kun je soms lezen hoe het kind van 9 à 10 daar kan gaan veranderen. Hoe daar een ontwikkelingsperiode wordt afgesloten en een nieuwe begint. “De poort is-gesloten”, staat daar dan te lezen.

Niet zonder begeleiding laten wij het kind de poort uitgaan.

In de derde klas proberen we het kind zekerheid en geborgenheid mee te geven. De vertelstof geeft dit gevoel zeer nadrukkelijk.

In de scheppingsverhalen [1] beleven ze nog eens hoe de gehele aarde doordrongen is van de God-Vaderwereld.
De verhalen van de drie Kaïnszonen vertellen hoe de mens langzamerhand. burger van de aarde wordt; hoe hij de aarde gaat ontdekken en bewerken.
Dan volgt de geschiedenis van het volk Israël; een doorlopende geschiedenis van vallen en opstaan, van het zich onttrekken aan de macht van Jahwe en dan weer terugvinden. Steeds weer is Jahwe er die hen tegemoed komt, die tot hen spreekt, die hun de helpende, hand reikt.

Geborgenheid en vertrouwen ook in de leerstof die in de derde klas duidelijk het karakter van oefenstof heeft.
Dat wat in de eerste twee jaren is aangelegd moet in de 3e klas een vaardigheid worden. Het kind moet er zich zeker in gaan voelen; van zichzelf het gevoel hebben dat hij de vaardigheden van schrijven, lezen, rekenen kan hanteren.

En dan de heemkunde, een vak waar voor het eerst in de derde klas periodes aan gewijd worden, in de lagere klassen wordt het eerder verwerkt in de leerstof.

In de verhalen laten we zien hoe de aarde is opgebouwd uit de krachten van de vier elementen. ln een verhaal heb ik verteld hoe wij aan onze bakstenen komen (later nodig voor de huizenbouw).

Hoe regen, wind, zon en vorst uitwerken op de massieve bergmassa’s en door de rivier afgezet, wij langs onze wateren de klei vinden, die later tot bakstenen gevormd in de wind staan te drogen en dan door het vuur weer tot bikkelhard gesteente wordt gevormd.

Steeds weer komen de elementen terug. Ook als we later met de hele klas bij de smid staan en de  smid het in het vuur verhitte ijzer in één slag buigt, (Een klassikaal ooh’! onderschrijft de verbazing én beleving van de kinderen).

Ja ook de ambachten horen tot de heemkunde, naast de periodes over het graan en de huizenbouw.
.

M.Brouwer in ‘Triangel, Zutphen, datum onbekend
.

[1] En het werd licht – Jakob Streit

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

 

heemkunde 4

 

.
948