Maandelijks archief: november 2015

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Filips ll

Filips ll

Filips II 1527-1598

Filips II was, evenals zijn vader Karel V, de machtigste vorst van zijn tijd. Maar ondanks de internationale positie die hij innam, bekeek Filips II de wereld uitsluitend vanuit Spaans oogpunt. Hij sprak geen vreemde talen en in tegenstelling tot zijn vader hield hij niet van reizen.

Hoewel de kroon van het Heilige Roomse Rijk na de dood van Karel V naar diens broer Ferdinand was gegaan, bleef er toch een aanzienlijke erfenis over voor Filips: Spanje met zijn bezittingen in de Nieuwe Wereld, de 17 provincies van de Nederlanden, Bourgondië, Napels en verscheidene andere bezittingen in het Middellandse zeegebied. Door zijn huwelijk met Maria Tudor werd hij in naam koning van Engeland. In 1578 erfde hij Portugal met zijn bezittingen. De militaire ondernemingen van Filips II tegen de Turken, de Fransen, de Nederlanders en de Engelsen werden bekostigd met geld uit de Nieuwe Wereld. Filips II was reeds op 27-jarige leeftijd weduwnaar. Overeenkomstig de wens van zijn vader hertrouwde hij in 1554 met de koningin van Engeland, Maria Tudor, die elf jaar ouder was dan hij. Het huwelijk was een mislukking. Tweemaal verkeerde Maria in de veronderstelling dat ze zwanger was. Tweemaal bleken het symptomen van waterzucht te zijn. De erfgenaam die Engeland en de Nederlanden met elkaar zou moeten verbinden, werd niet geboren.

Filips’ grootste streven was, de positie van de rooms-katholieke kerk in heel Europa te herstellen. Maar met de vervolgingen van de protestanten in Engeland onder ‘Bloody Mary’ kon hij zich niet bemoeien. Hij had zich namelijk verplicht, zich niet in Engelse aangelegenheden te mengen. Ook had hij toegezegd, Engeland niet te betrekken bij de oorlogen van Spanje. Toen hij echter in 1557 in oorlog raakte met Frankrijk, deed hij een beroep op Maria en haar Geheime Raad om hem met manschappen en geld te steunen. Het leger van Filips II bracht de Fransen een verschrikkelijke nederlaag toe bij St. Quentin, in het noorden van Frankrijk. Maar de Fransen wisten de slecht verdedigde haven Calais te veroveren.

Maria Tudor stierf in 1558. Haar dood bracht Elizabeth I op de troon. Zij zou later een geduchte tegenstandster worden van Filips II, maar voorlopig waren de Nederlanden zijn grootste zorg. Deze provincies waren weliswaar onafhankelijk van elkaar, maar er begon zich langzamerhand een gevoel van saamhorigheid te ontwikkelen. Streng, vroom en sober als Filips II was, voelde hij zich niet aangetrokken tot de Nederlanders. Hij begreep niet, wat Karel V zo goed had ingezien, dat ze zich zouden verzetten tegen Spaanse overheersing. De adellijke Nederlandse families hadden een afkeer van de landvoogd die Filips had gestuurd om hen te regeren. In 1566 bood een groep protestantse en katholieke edelen hem een smeekschrift aan, waarin hem dringend werd verzocht de Spaanse inquisitie niet naar de Nederlanden te laten komen. Het verzoek werd verworpen. Horden woedende calvinisten vernielden heiligenbeelden en voorwerpen van de eredienst in talloze katholieke kerken en kloosters. In antwoord op deze ‘beeldenstorm’ stuurde Filips II niet alleen de inquisitie om de ketters op te sporen en te bestraffen, maar bovendien duizenden soldaten onder de hertog van Alva. Deze werd de nieuwe landvoogd en trad de opstandelingen met uiterste wreedheid tegemoet. Maar de geest van de opstand was aangewakkerd en er begon een lange bittere strijd.

Een latere landvoogd, de hertog van Parma, slaagde erin de zuidelijke provincies te onderwerpen, maar in 1581 verklaarden de noordelijke provincies zich onafhankelijk. De Republiek der Verenigde Nederlanden kreeg steun van de Engelsen, die Spaanse schepen aanvielen en plunderden. Besluitvaardigheid was niet het sterkste punt van Filips II. Maar hij nam zich toch voor, de Engelsen een lesje te leren, Elizabeth I van de troon te stoten en het land in bezit te nemen ten gunste van het katholieke geloof.

Hij gaf opdracht tot het bouwen van 130 schepen, de grootste vloot die de wereld ooit had aanschouwd, de Armada. Met 30.000 man aan boord zette de Armada in juli 1588 koers naar het noorden, terwijl het leger onder bevel van de hertog van Parma vanuit de Nederlanden oprukte. In Het Kanaal zette de Engelse vloot de achtervolging van de Spaanse schepen in, verjoeg de schepen en bracht de Armada, Onoverwinnelijke Vloot, ernstige schade toe. Hevige storm dreef de geteisterde Spaanse schepen de Noordzee op. Na een verschrikkelijke tocht langs de kust van Engeland keerde slechts de helft van de vloot met één derde van de bemanning in Spanje terug.

Kunst en cultuur waren inmiddels in het moederland tot grote bloei gekomen. Dankzij mannen als de schrijver Cervantes en de schilder El Greco kon men terecht spreken van een ‘Gouden Eeuw’. Maar de voornaamste bezittingen van Filips II, de rijke landen overzee, waren er oorzaak van dat het verval zich begon in te zetten. De stroom goud die Spanje vanuit Amerika binnenvloeide, bracht er een ernstige inflatie teweeg. Maar Filips II was evenmin als zijn raadslieden in staat de hand over hand toenemende waardevermindering van het Spaanse geld aan banden te leggen. Bovendien hadden de rijkdommen van het buitenland een duidelijke lokroep laten horen. Grote delen van de bevolking waren vertrokken, om hun geluk daar te gaan beproeven. Het gevolg was dat de industrie in het eigen land begon weg te kwijnen. Koning Filips II was oud en ziek. In het
Escoriaal, het grote paleis dat hij bij Madrid had laten bouwen, wijdde Filips II zich meer en meer aan het geestelijk leven, teleurgesteld over de wereld.

alle biografieën

7e klas geschiedenis: alle artikelen

913

 

 

 

 

 

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (3-2)

 

 

zakgeld

Het onderstaande artikel is de neerslag van een gesprek over zakgeld tussen Louise Berkhout, Marie-Louise Sloots en Lili Chavannes. Louise putte uit haar eigen ervaringen, Marie- Louise heeft een gezin met drie kinderen van 20, 18 en 16 jaar, en Lili’s kinderen zijn 9, 7, 5 en 1 1/2 jaar oud.
De bedoeling van het gesprek was niet om bepaalde richtlijnen te vinden voor het geven van zakgeld; al pratende bleek veeleer dat die niet te vinden zijn, maar dat het wel verhelderend kan zijn je bewust te worden van je motieven bij het zakgeld-geven, als zich daarbij moeilijkheden voordoen.

Wanneer begint geld eigenlijk een rol te spelen in het leven van kinderen? Over het algemeen: als kinderen groot genoeg worden om ze om een boodschapje te sturen, zo vijf, zes jaar. Als ze winkeltje gaan spelen, hoewel het de kinderen dan meestal meer gaat om de hoeveelheid muntjes dan om de waarde. Marie-Louise vertelt dat zij pas met zakgeld geven begonnen is toen haar oudste dochter tien jaar was. Aanleiding daarvoor was een ‘snoep-hausse’ in de klas. Behalve voor snoep was het bedrag dat ze kreeg ook bestemd voor het kopen van cadeautjes voor verjaardagen; werden de cadeautjes zelf gemaakt, dan bleef er veel over! Vanaf dat ogenblik kregen de drie kinderen allemaal zakgeld, hoeveel was afhankelijk van hun leeftijd. Verhoging ging in op verjaardagen.

In tegenstelling tot de familie Sloots, waar het zakgeld een antwoord was op de behoefte van de kinderen, is het bij de familie Chavannes begonnen toen de kinderen een spaarvarken cadeau kregen, waar op zaterdagavond iets ingestopt mocht worden. Dat één van de varkens maar één opening had was een probleem op zich; in principe werd het geld besteed aan cadeautjes en snoep. Maar omdat het te moeilijk bleek het overzicht te bewaren op de komende verjaardagen en partijtjes – als je net zo’n ontzettende zin hebt in iets lekkers – werd het zakgeld, nadat er een zakcentje van afgenomen was voor het snoepwinkeltje op de hoek, verdeeld over twee potjes: één voor cadeautjes en één om te sparen voor eigen brandende wensen. Waarbij het zakcentje – zeker tot in het tiende jaar – in het centrum aller belangstelling staat. De suggestie dat je er ook een zakje worteltjes van kunt kopen wordt één keer willend uitgevoerd. Snoep is heerlijk. Toch blijven de meeste ouders het er moeilijk mee hebben, ook al weten ze uit eigen ervaring hoe heerlijk het is!

Hoeveel zakgeld je een kind geeft is afhankelijk van de klas waarin het zit. Ook een rol speelt daarbij wat andere kinderen krijgen en wat het kind ervan moet doen. Als kinderen ouder worden is het prettig niet meer voor elk wissewasje te hoeven aankloppen, maar de beschikking te hebben over een groter bedrag dat over een langere termijn, naar eigen goeddunken, besteed kan worden. Grotere vrijheid, grotere verantwoordelijkheid.

In een publikatie van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting  ‘Zakgeld en kostgeld van opgroeiende kinderen’, wordt vermeld dat men naast het zakgeld vaak begint met een klein bedrag, het zogenaamde kousengeld, dat de kinderen alleen behoeven te besteden aan kleinere kledingstukken: panty’s,  sokken, ondergoed en dergelijke, zodat zij stukje bij beetje de verantwoordelijkheid leren voor het besteden van grotere bedragen. Voor de ouders vaak ook een leerproces; hoe moeilijk is het niet je kind een miskoop te ‘gunnen’!

Het ene kind is handig en maakt in zijn vrije tijd zijn kleren zelf, het andere kind heeft in zijn vrije tijd liever een baantje waardoor hij of zij weer meer geld ter beschikking heeft. Louise vertelt dat zij vroeger geen kleedgeld kreeg, kleren kreeg ze van haar ouders. Wel had ze een krantenwijk om zelf de begeerde paardrij- en balletlessen te kunnen betalen. Marie-Louise vertelt over hoe in haar gezin het bericht ontvangen werd dat er op school, waar Benno en zij beide werken, het behoefte-salaris werd ingesteld. De kinderen reageerden: ‘Nou, dat is wél leuk, maar worden daar dan onze behoeftes ook bij ingedeeld?’ Waarop zij antwoordde: ‘Ja, gedeeltelijk, maar we vinden ook dat als jullie behoeften uitbundig gaan worden, dat jullie daar best zelf voor kunnen werken. Jullie hebben twee goede rechterhanden aan je lijf en dus hoeft de maatschappij niet alles voor jullie op te brengen.’

Als kinderen wat ouder worden is het heel goed mogelijk ze inzicht te geven in het gezinsbudget, waardoor ze zich gaan realiseren dat het geen bodemloze put is, maar iets dat zo eerlijk mogelijk verdeeld moet worden, waarbij ieder persoonlijk altijd te wensen over houdt.

Kinderen willen zakgeld – goed, ze krijgen zakgeld – hoeveel is afhankelijk van wat ze ermee moeten doen en hoe oud ze zijn. Soms is het te weinig, soms is het buitensporig veel.

Het is belangrijk om in een gezin je eigen normen vast te stellen, ook al is het daarbij ook nodig ‘voeling’ te houden met de omgeving. In dit proces kan het ook verhelderend zijn je als ouder af te vragen welke normen je al ‘klaar’ hebt liggen, die uit je eigen opvoeding in je overgegleden zijn. De één heeft nooit zakgeld gekregen en hield daarom wel eens het geld voor boodschappen of het
kerkzakje achter. De ander heeft als vroegste herinnering het glorieuze gevoel dat zij had toen ze de pillen voor haar grootvader mocht betalen uit haar eigen spaarpot. Voor de één is zakgeld iets dat je uit mag geven, voor de ander moet er eigenlijk van gespaard worden, ook al wordt in deze tijd het leven met schulden aangemoedigd.

Ook de volksaard spreekt een woordje mee waar het de houding tegenover geld betreft. Nederland heeft zelfs een Nationaal Spaarpottenmuseum.

Veel normen blijken geen bewust gekozen normen te zijn, maar zijn bepaald door vroegere levensomstandigheden, opgepikt uit eigen ervaringen.

Het is daarom goed in de opvoeding van je eigen kinderen zo nu en dan stil te staan bij de vraag: waarom eigenlijk zakgeld?

Kinderen moeten de waarde leren kennen van het geld ten opzichte van wat ze er voor kopen. Hoe duur is iets? Waarom geeft je moeder grif honderd gulden uit aan boodschappen die in drie dagen op zijn, en vindt zij dertig gulden voor een goocheldoos zomaar te veel?

Als je een paar partijtjes achter elkaar hebt, kan je die week niet snoepen, tenzij je de cadeautjes, al snoepend, zélf maakt. Het kind leert kiezen. Het kind leert ook het verschil in kwaliteit kennen: prullige dingen zijn bereikbaarder dan goede. Twee keer iets voor vijftig cent, of één keer iets voor een gulden?

Wat is het opvoedkundig motief bij het geven van zakgeld? Leer je het kind sparen? en daarmee een directe behoefte aan drop of zo) opschorten ter wille van iets anders dat het graag wil hebben, maar waarvoor je tien weken zakgeld nodig hebt? Of zelfs sparen zonder een direct doel, voor een toekomstige behoefte: het zal je nog van pas komen. Leer je ze uitgeven? Geld moet rollen, zo belangrijk is het niet. Het is geen doel in zichzelf, het is een middel waar je iets prettigs mee kunt doen. Het angstbeeld van de tellende vrek, het aantrekkelijke van zorgeloosheid,  gulheid.

Het zal iets daartussen in zijn. Geld is niet niks, maar geld is ook niet alles. Geld is iets met betrekking tot iets anders. Het is een middel. Zakgeld is ook een middel waar je op verschillende manieren mee kunt omgaan.

Jonas 11-07-1980

Zakgeld [1]

912

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (3-1)

 

Op ouderavonden kwam het in mijn klassen van tijd tot tijd ter sprake: zakgeld. Zo’n onderwerp leende zich uitstekend voor het uitwisselen van vragen en antwoorden. Ouders met oudere kinderen en dus met ervaring, konden zo een steun zijn voor andere ouders die voor het eerst in hun leven met dit opvoedingsaspect te maken kregen.
Onderstaand artikel is wellicht een ondersteuning voor bepaalde gezichtspunten in het ouderavondgesprek.
De getallen van de enquêtes zijn uiteraard niet  actueel, hier staan recentere.
Het Nibud doet zeer regelmatig onderzoek.

ZAKGELD EN DE VERLEIDING

Nog nooit hebben kinderen over zoveel geld beschikt als vandaag de dag*. De zakgelden hebben een ongekende hoogte bereikt. De koopkracht heeft zich de afgelopen 20 jaar verviervoudigd. Dat maakt kinderen tot een aantrekkelijke kopersgroep.

De reclame beschouwt het kind in het koopproces als een volwassene in zakformaat; en als zodanig wordt het door de handel aangesproken. Er wordt aangenomen dat het geprononceerde wensen heeft net als de volwassene, of dat het in ieder geval in staat is die te ontwikkelen.

In de NITHO-ringband van september 1974, schrijft drs. Barends dat er verschillende factoren zijn die het geven van zakgeld bevorderd hebben:

a. Kinderen verlangen meer dan vroeger naar vrijheid en zelfstandigheid.
Dit blijkt o.a. uit hun verlangen reeds op jonge leeftijd het ouderlijke huis te verlaten en op kamers te gaan wonen. Dat verlangen naar zelfstandigheid komt ook tot uiting in het financieel onafhankelijk zijn.

b. De opvoeding is minder autoritair dan voorheen. Er is minder patriarchale begeleiding. De ouders willen kinderen de kans geven zelf geld te beheren.

c.De vrijetijdsbesteding vindt meer buiten het gezin plaats dan vroeger.

d.De grote welvaart brengt met zich mee dat er gemakkelijker geld uitgegeven wordt. De kinderen krijgen een financiële speelruimte die men vroeger niet kón geven door gebrek aan middelen.

Het is merkwaardig dat de opvoeding wat het zakgeld betreft hierin tot nog toe nog steeds geen taak heeft gezien, en zich beperkt tot de simpele opwekking tot sparen. Maar daarmee is het kind nog niet geholpen, want aan de andere kant wordt het alom opgewekt om geld uit te geven.

De jeugd van vandaag wordt vaak een protesterende generatie genoemd.
Maar dit protesterende deel is niet meer  dan 5 procent. Het is reëler te spreken van een verbruikende generatie. Immers voor het eerst in onze geschiedenis groeit er een geslacht van jonge mensen op in een samenleving waar ze geen beperking van het gebruik wegens schaarste gekend hebben. Het begrip verbruiker is er pas een van de laatste tijd. Natuurlijk hebben alle eeuwen door de mensen geconsumeerd, gegeten, en gedronken, gewoond en gekocht. Maar de vanzelfsprekendheid van deze functies is een nieuwe kwaliteit die met de veranderende kwantiteit van het verbruik zijn intrede heeft gedaan.

Schoolkinderen krijgen zo ongeveer een zakgeld van tien gulden in de maand, meisjes iets minder.
76%procent van de 8-11 jarigen krijgen tussen de f 1,- en f 10,- per maand,  80% procent van de 12-13 jarigen krijgen tussen f 10,- en f 25,- per maand, 64% procent van de 14-15 jarigen krijgen tussen de f 10,- en f 50,- per maand.

Er blijken grote verschillen te zijn binnen één leeftijdsgroep. 70 procent van de schoolkinderen leggen zich bij deze situatie niet neer. Zij vermeerderen hun inkomsten door zelf wat te verdienen: met kranten rondbrengen, in bedrijven helpen of anderszins. Gemiddeld levert dat nog zo’n f 30,- in de maand extra op

Zo leren kinderen u al vroeg dat je iets moet presteren om je in het leven wat te kunnen te veroorloven. Het wordt vaak pedagogisch verantwoord gevonden als de weg naar het begeerde object leidt via het aanharken van buurmanstuin, het wassen van een auto of het goede schoolrapport. Het leert erdoor dat een geleverde prestatie (mits door de volwassene als zinvol beleefd) geld waard is. Aan de ene kant leert het een realiteit kennen, aan de andere kant kan het door deze “leefwijze” de bereidheid verliezen ook eens iets “voor niks” te doen, zomaar uit spontane hulpvaardigheid.

Waaraan wordt het geld besteed?
Volgens een onderzoek is de volgorde: zoetwaren, bioscoop, tijdschriften, foto’s van sterren op diverse gebieden, grammofoonplaten, sport, knutselmateriaal, postzegels, boeken.

In brede lagen van de bevolking is het verlangen naar behoeftebevrediging op korte termijn, bijvoorbeeld door snoep het sterkst.

Een onderzoek in Duitsland heeft uitgewezen dat 90 procent van de kinderen het merendeel van hun geld aan snoep uitgeeft.

Fabrikanten en reclamemensen beseffen dat het koopgedrag van ouders een voorbeeld is voor hun kinderen. Maar te gelijkertijd weten ze ook dat via kinderen invloed is uit te oefenen op het koopgedrag van ouders. Vandaar dat deze verkoopmethodes er verleidelijk uitzien en de beïnvloeding vaak niet zo gemakkelijk te onderkennen is.

Toch zou aan het zakgeld geven een praktische begeleiding vast kunnen zitten. Het samen proberen te doorzién wat de handel aan de consument kwijt wil en welke “mooie verpakking” hij daarvoor gebruikt. Dat dat niet eenvoudig is blijkt wel, als je ziet hoe weinig mensen zich van deze “verleidingen” zich bewust zijn.

INVLOED
Vance Packard heeft er op gewezen, met welke geraffineerde middelen sommige firma’s te werk gaan. Zij proberen bijvoorbeeld om via de leergierigheid van de jeugd tot een omzetverhoging te komen.

Een onderneming distribueert wandkaarten, kartonnen modellen van
producten voor de onderwijskrachten onder de detailhandel met de volgende toelichting.

“De naar kennis dorstende geest kan men zodanig beïnvloeden dat het verlangen naar uw artikelen bij haar wordt gewekt. De miljoenen jongens en meisjes die de lagere scholen bevolken eten levensmiddelen, verslijten kleren en gebruiken zeep. Vandaag zijn ze verbruikers, morgen kopers. Hier opent zich een enorme markt voor uw producten. Zorg dat deze kinderen uw merken leren kennen.
Dat zal tot gevolg hebben dat hun ouders geen andere merken zullen kopen.”

Een ander voorbeeld.

In bepaalde kringen van de bevolking wordt het langzamerhand normaal gevonden dat jongens ook met een pop mogen spelen.
De scheiding die er tussen meisjesspeelgoed en jongensspeelgoed bestaat, wordt door de fabrikant van speelgoed gehandhaafd. Maar om aan deze nieuwe tendens te voldoen brengt hij iets nieuws op de markt. Een pop voor jongens! Dat lijkt logisch. Maar het is niet zomaar een gewone pop, waar je mee kan knuffelen, slapen en mee kan rond zeulen, dat is meer voor meisjes. Het is een pop voor jongens, d.w.z. een held. Een pop die dingen kan doen waar jongens van dromen. Jagen, varen, vechten met wilde dieren en boeven, ruimtevaart, mensen redden, bergen beklimmen. Voor ieder avontuur kan je speciale attributen kopen en hij heeft ook vrienden, die bijna net zo sterk zijn als hij. Zo heeft de fabrikant voor de progressieven een antwoord op de vraag “pop voor jongens” gegeven. Maar tegelijkertijd voor die mensen, die nog niet zover zijn, dat ze de rolverdeling meisje pop, jongen auto uitzichzelf doorbreken, een helpende hand toegestoken.

Deze stoere held laat vooral de rolopvattingen bestaan. Het patroon meisje mag huilen, jongens zijn flink, sterk en huilen niet, wordt bevestigd. Dit soort manipulatie wordt vaak getolereerd, omdat ze zo vakkundig en zo schijnbaar onschuldig wordt gepresenteerd.

RECLAME
Reclame suggereert volwassenen de noodzaak om er jong uit te zien. Jongeren worden aangespoord, zo vroeg mogelijk te delen in de voordelen – en vooral de materiële en tastbare voordelen – van de wereld van de volwassenen.

Juist kinderen, die nog geen gevestigde positie hebben en daardoor onzeker zijn omtrent hun plaats, zijn vatbaar voor vleierij. Zij verlangen naar erkenning van hun eigenwaarde en laten zich gemakkelijk voorschrijven wat je daarvoor doen moet.

Zo wordt de overgang tussen de verschillende leeftijdsfasen verdoezeld en weggemanipuleerd. Een kind zoekt naar voorbeelden van een bruikbaar levenspatroon. Als deze met positieve gevoelsargumenten hem worden aangereikt, dan wil hij ze best aanvaarden. In reclamekringen voor gebruiksgoederen weten ze dat wel. Ze gaan daar heel wat effectiever te werk dan vele ouders en opvoeders, die met negatieve waarschuwingen, bedreigingen en straffen werken. Een kind neemt een uitnodiging tot een ander gedrag veel eerder aan, als deze hem niet wordt opgedrongen, maar op een aantrekkelijke wijze voor de ogen wordt “getoverd”. Een manier van aanbieden bovendien die hem in zijn waarde laat en met begrip voor zijn verlangens tegemoet komt.

De reclame kan onpopulaire waarheden en onprettige plichten ontwijken. Ze stopt kinderen een reuze speen in de mond die hen van de werkelijkheid vervreemdt, waaraan ze steeds meer moeten sabbelen en vaak genoeg ook willen sabbelen. Het is vaak verbijsterend, hoezeer deze dagelijkse manipulatie, deze honingzoete dwingeland invloed heeft gekregen op gedrag en opvoeding.

Alle ouders hebben een bepaalde houding ten opzichte van geld. Wat zij doen maakt meer indruk dan wijze woorden zoals: geld maakt niet gelukkig.

Vooral niet als je door middel van dat geld in bezit kan komen van die voorwerpen die je eigenwaarde bevestigen!

Zakgeld is er om te oefenen, hoe je met geld om kan gaan. Kinderen die nog niet kunnen rekenen, hebben geen behoefte aan zakgeld. Natuurlijk wel als de volwassenen in de omgeving veel waarde en nadruk op het in ’t bezit hebben van geld leggen.
Tien centen is voor deze groep kinderen nog aantrekkelijker dan een kwartje. Door een vaste betaaldag te hebben, kunnen kinderen leren plannen.
Een tienjarige kan al overzien en kiezen tussen bv. een bouwplaat kopen of twee keer gaan zwemmen. De grote moeilijkheid voor vele ouders is dat je het zelf zo goed weet hoe het moet.

Het liefst zou je het kind precies willen vertellen hoe het ’t beste met het gekregen geld kan omgaan. Toch is het daar weinig mee geholpen. Het is de “kunst” om het kind er zelf mee te laten modderen. Het zal zelf moeten ontdekken dat het slim kan zijn om iedere week iets apart weg te leggen, als je iets groots wil kopen.

Het zo maar geven van geld, als een kind er om vraagt omdat hij plotseling wat wil kopen, werkt inconsequent.
Hij leert er niet mee omgaan en kan ook zijn zelfstandigheid niet oefenen. Samen met het kind kan er bepaald worden hoeveel zakgeld er betaald wordt en wat hiervan als vaste kosten voor de rekening van het kind komen. Hier zal de leeftijd een grote rol spelen.

HULPMIDDEL
Als hulpmiddel om in de gaten te krijgen waar het geld aan uitgegeven wordt, kan er een eenvoudig “kasboekje” bijgehouden worden van inkomsten en uitgaven. Het is niet de bedoeling dit als controlemiddel voor de ouders te laten functioneren, want dan zal zelfs een kind wel zo slim zijn om de uitgaven te verdoezelen. Er zal vaak genoeg geld aan iets uitgegeven worden, waarbij je je als ouder afvraagt waarom, maar dat is het leer- en oefenproces. Ook moet hierbij niet vergeten worden dat het overweldigende aanbod van de handel een grote verleiding is. Artikelen die voor kinderen interessant zijn worden in supermarkten van de ooghoogten van de volwassenen verplaatst naar kniehoogte, dus binnen het gezichtsveld van het kind. Dan is het ook niet gek als het zakgeld toch weer “versnoept” wordt, al waren er zoveel andere goede voornemens!

zakgeld
*Marijke Roetemeijer, Jonas 17-01-1975
911

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (1)

 

Het tijdschrift Jonas had destijds een rubriek ‘Het kind op weg’.
Daarin kwamen onderwerpen aan bod waarmee ouders met de opvoeding van hun kind(eren) te maken kunnen krijgen: ‘Rubriek voor opvoeding van kinderen en voor het gezinsleven van deze tijd.
‘Deze tijd’ was toen, 1972.
Is er in de afgelopen jaren veel veranderd en wat dat of zijn de ervaringen en gezichtspunten op een bepaalde manier nog actueel.

HET OUDSTE KIND

Vele factoren bepalen, wie wij als volwassene zullen zijn. Onze talenten, ons karakter nemen wij bij onze geboorte mee; onze oordelen, ons spreken, zelfs onze gebaren en onze manier van lopen worden mede gevormd onder invloed van onze omgeving. De verhouding tot onze medemensen, ons sociaal gedrag, onze mogelijkheden tot het maken van contact worden voor een belangrijk deel bepaald door de plaats die wij hebben ingenomen in het gezin, waarin wij opgroeiden. Die plaats ligt bij onze geboorte grotendeels vast: wij worden geboren als eerste, tweede of derde kind met weinig of veel broers en/of zusters, wij zijn enig kind of nakomertje.
Een ervaren leerkracht kan aan het gedrag van de kinderen in de klas ten opzichte van elkaar vaak heel goed zien, wie de oudste, wie de jongste is in het gezin. De vraag rijst, wat er in het kind vastgelegd is door de plaats, die het zich als het ware in de familieconstellatie heeft uitgekozen. Heeft het daardoor bepaalde mogelijkheden gekregen of zijn juist daardoor deuren voor hem op slot? Wat voor antwoord kunnen we vinden, wanneer we kijken naar het „oudste kind”?

I)e oudste dochter komt thuis uit school. Nog voor ze „dag”, heeft gezegd, breekt een luid gehuil los. Op haar weg naar binnen struikelde ze over de tas van haar zusje en ze heeft de eigenaresse van de tas hardhandig afgestraft.
I)e familie zit aan tafel. Zelf hangend op haar ellebogen let ze scherp op de tafelmanieren  van de jongere twee en maakt daarover opmerkingen.

Huilend komt ze klagen, dat vervelende jongens plagen Even later stormt ze naar buiten om haar zusje te verdedigen tegen dezelfde booswichten, die het wagen een lid van haar familie aan te vallen.

Ze is ziek en haar moeder moet lesgeven. „Je hoeft geen oppas voor mij te organiseren, hoor, ik blijf wel alleen.” En iedere morgen bleef ze van 8 tot 11 uur alleen, en genoot er innerlijk van, dat er vertrouwen in haar werd gesteld.

Deze voorvallen vertellen ons iets over het gedrag van een oudste kind, een meisje van negen jaar oud. Zijn zij representatief voor „het oudste kind”? Wij zullen het beeld nog aanvullen.

In ieder gezelschap voert zij het hoogste woord; bepaalt als je haar haar gang laat gaan, het gespreksonderwerp. Thuis en in de klas regelt zij graag, hoe aan bepaalde voorstellen uitvoering gegeven moet worden, vaak nog voor je daarover zelfs maar hebt kunnen denken. Het frappante is dan, dat het vaak nog goede regelingen zijn ook. Zij doet graag karweitjes. Zij beschermt de jongere kinderen tegen boze invloeden van buiten, maar commandeert hen evenzeer. In aanwezigheid van de anderen is zij echt het oudste kind; als zij alleen met je is, is zij een kind net als zij, dat maar al te graag geknuffeld en ondergestopt wil worden. Zij leeft  op in gezelschap, zoekt onbewust en bewust steeds contact met anderen. In dat contact, met vriendinnen bijvoorbeeld, gaat echter wel eens iets mis, door haar neiging, ook dan „oudste”, d.w.z. toonaangevende te zijn. Ze is op haar best, wanneer ze verantwoordelijkheid op zich mag nemen, die ze aankan, zoals het passen op haar broertje en zusje. Er gebeuren dan nooit „gekke” dingen. Heb je haar eenmaal herkend als „Oudste”, dan is zij een geweldig lieve, hulpvaardige meid, die erg veel kan en haar verworvenheden graag wil delen met anderen.

Voor de ouders is ieder eerste kind een „broddellap”. Voortdurend moet je het ouder zijn oefenen; ieder gezichtspunt, van waaruit je moet handelen, moet je je veroveren. Dit is voor je oudste helemaal niet leuk en dat kun je vaak aan hem beleven. Ten opzichte van de andere kinderen zijn er mede daardoor vaak een tijdlang, soms een levenlang, gevoelens van jaloezie, die maken dat een goede relatie met hen moeilijk tot stand komt. Probeer je te begrijpen, hoe dit „eerstgeboren zijn” het leven van het „oudste kind” bepaalt, dan ontdek je dat er vaak, ongewild, ten aanzien van hem te hoog gespannen verwachtingen zijn, dat er te zware verantwoordelijkheden op zijn schouders gelegd worden, dat hij onbewust ten voorbeeld wordt gesteld aan de jongere kinderen. Hij mag niet onbekommerd zijn kindertijd genieten, men vraagt hem eerder om hulp dan de anderen, maar hij heeft ook meer rechten, hij staat tussen de ouders en de andere kinderen in, neemt zelfs de ouderrol ten opzichte van hen soms over, vooral als door ziekte o.i.d. een der ouders uitvalt.

In vroeger tijden, maar ook nu nog wel, was het vooral de oudste (zoon), die de lijn der familietraditie voortzette. Hij droeg de familie voornaam, was stamhouder, en erfgenaam van de familierechten. De zegen van de vader was voor hem, hij nam het leiderschap van de familie, van het volk, van zijn vader over. Zijn nakomelingen moesten zorgen voor de continuïteit van het geslacht, hij moest het verleden bewaren tegen de verderfelijke invloed van nieuwerwetse ideeën. Het handhaven van de familiewetten was zijn lot. In de geschiedenis zien we vele oudste zonen, die niet in staat waren, al deze taken, hen door hun plaats automatisch toegevallen, naar behoren te vervullen. Het recht van de eerstgeborene dwong hen tot een rol, die zij niet konden spelen.

Ook aan onze eigen oudste kinderen zie je, dat zij, door hun omgeving, soms in een rol gedwongen worden waar zij maar al te graag uit zouden vallen. Herken je hen daarin, dan kunnen zij zichzelf worden en valt veel negatiefs in hun gedrag weg.

Het oudste kind, bemiddelaar in het gezin, houdt zijn blik gericht naar zijn ouders als vertegenwoordigers van het verleden èn naar zijn broertjes en zusjes die de toekomst in zich dragen. Zijn de ouders de kapiteins op het schip, hij is de stuurman, deel van de bemanning en toch ook niet.

Hij is het Janus-kind, met de twee gezichten. Deze godheid stond in het oude Rome zeer in aanzien. De maand januari, aanvoerder der twaalf maanden van het jaar, is naar hem genoemd. Zijn beeltenis beschermde de huisdeur, de deur die toegang geeft tot binnen èn buiten.

Steeds droeg hij twee gezichten; het ene dat van een oudere man, het andere dat van een jongeling. In zijn ene hand hield hij een stok, in zijn andere een sleutel. Hij beschermde èn opende deuren.

Het verrassende is, dat je, door je op deze manier bezig te houden met het „oudste kind” in staat bent duidelijker te zien, hoe je eigen dochter (of zoon) de rol van eerstgeborene in jouw gezin vervult. Het „Doe niet zo kinderachtig, jij bent toch de oudste” slik je gemakkelijker in, als je je ervan bewust bent, hoe verschrikkelijk veeleisend het voor haar of hem is, oudste te moeten zijn en hoe verdrietig het is, als dat nog niet goed lukken wil. Hoe veel opluchting en ontspanning komt er niet, als deze oudste af en toe helemaal uit zijn rol mag vallen en in plaats van grootste kleinste mag zijn en lekker geknuffeld wordt.

Nelle Amons, Jonas 27-05-1972

Als achtergrond voor bijgaande overpeinzingen van een moeder diende het boek van Karl König ‘Waarom ben ik mijn broertje niet’.

910

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (5)

 

Dit artikel uit 1975 heeft – 40 jaar later – nog niets aan actualiteit ingeboet. In tegendeel: met name de hier gesignaleerde milieu-aspecten zijn in deze tijd veel duidelijker. Maar ook de wil onder vele mensen om het anders te doen, is toegenomen.

kunststof of natuurproduct

Kleden we onze kinderen met dralon, nylon of acryl, of zoeken we stad en land af naar wol, katoen of linnen? Geven we ze plastic speelgoed, of zoeken we naar “verantwoord” houten speelgoed?

In onze wegwerp-maatschappij, waarin men op zoek is naar zijn gemak, zichzelf en zijn milieu dreigt te verstikken, zoeken steeds meer mensen naar een gezonde levensstijl. Gezond in voeding, verantwoord in kleding, speelgoed etc. Hoort bij dit zoeken ook het afwijzen van kunststoffen? Volgens het gevoel al gauw “ja”, maar waarom eigenlijk? Is dit gevoel terecht, in hoeverre is het terecht, en waar slaan we door naar de andere kant, in ons verzet tegen alles wat we mis zien gaan?

Laten we eens proberen of we een “waarom” kunnen ontdekken, in wat velen misschien instinctief voelen.

Met een omweg hierheen, wil ik uitgaan van het kleine kind, dat, pasgeboren, alleen en hulpeloos in de wereld staat. Als het niet in de eerste jaren lukt een goed gevoelscontact met de wereld op te bouwen, dan kunnen hieruit ernstige stoornissen ontstaan. Uit onderzoekingen [1] is gebleken dat kinderen in dié tehuizen, waar een slechte vervanging van de moeder tot stand is gekomen, slecht groeien, vaker ziek zijn, zelfs eerder sterven, dan kinderen die door een zorgzame moeder of verzorgster zijn grootgebracht. Dit is goed in te voelen. Een kind dat echte gevoelens ontmoet, kan gezond opgroeien. Zulke gevoelens moeten ook inderdaad echt zijn, van binnen uitkomen. Er mag geen doen — alsof bij zijn, geen surrogaat gevoel, geen imitatie.

Er zijn echter nog meer terreinen, waar ons contact met de wereld wordt opgebouwd, zoals het gebied van onze waarnemingen. Door onze ogen, oren, tastzin, warmtezin, smaak-en reukzin, leren we ook de wereld kennen. En pas als we de wereld kennen zoals hij is, kunnen we hem vertrouwen.

Pas als we dit vertrouwen hebben, kunnen we ons erin bewegen, erin leven, erin werken, erin onszelf zijn. Dit is zó vanzelfsprekend, dat het haast moeilijk is om te zien hoe belangrijk dit is. Probeer je bv. eens voor te stellen dat je ergens gaat wandelen, en bij elke volgende stap moet uitproberen of de bodem je wel kan houden, zoals over één nacht ijs. Behalve dat het eindeloos zal duren voordat je ergens komt, ben je onzeker, en voortdurend met je lijfsbehoud bezig, je kunt geen gesprek meer voeren, niet meer op de vogels letten of dat probleem overdenken waar je mee bezig was. In werkelijkheid vertrouwen we op onze zintuigen, we herkennen een stevige bosgrond. Doordat ruiken, zien, horen, tasten met elkaar in overeenstemming zijn, zijn we zeker van onszelf. Uit ervaring kennen we het verschil tussen bosgrond en water. In water durven we te duiken, als we gezien hebben dat het diep genoeg is.

Stel je eens voor dat je duikt, maar dat het ijs blijkt te zijn? Of dat je in een boom klimt, maar eruit valt doordat de takken breken omdat je de sterkte van het materiaal verkeerd beoordeeld hebt. Als kind bouw je op grond van je waarnemingen je ervaringen op. En je ervaringen geven je zekerheid — als je je waarnemingen kunt vertrouwen.

PLASTIC
Hoe zit dat met bv. plastic gebruiksvoorwerpen? Je pakt een beker op, en tot je verrassing schiet je hand omhoog, omdat je dacht dat ie van steen was, maar van plastic blijkt te zijn. Je hebt z’n gewicht verkeerd geschat. Hij voelt ook anders dan steen, minder koel. Hij gaat ook niet kapot, als hij valt. Eigenschappen, die stuk voor stuk positief of negatief beoordeeld kunnen worden, maar in ieder geval samen een geheel vormen, dat met de wereld zoals we die van nature leren kennen, niet overeenkomt.

Een ding van kunststof, of het nu kleding, speelgoed of een gebruiksvoorwerp is, is een imitatie, maar altijd een gebrekkige. Kunststoffen hebben geen eigen combinatie van eigenschappen, zoals hout, leer, wol, katoen. Kunststoffen zijn de éne keer zacht, dan hard, dan breekbaar, dan doorzichtig, kunnen dan eens niet, dan eens wél krassen krijgen, afhankelijk van het soort imitatie. De combinatie van waarnemingen bij kunststoffen is altijd nieuw, je kunt ze zelden vertrouwen. Wie voelt zich niet gefopt als hij aan een plastic bloem ruikt? Vooral bij jonge kinderen is het goed te bedenken dat mèt het geven van bv. een rammelaar, ook een stuk materiaal gegeven wordt. Leren zijn zintuigen hem een stuk van de wereld kennen, of een stuk imitatie? Kan hij met dit materiaal bruikbare ervaring opdoen, om vertrouwen tot de wereld op te bouwen, of is het een imitatie-ervaring? Net zoals bij de gevoelsontwikkeling van belang is of het gevoel echt is, is het bij waarnemingen van belang of de waarneming “echt” is, of een imitatie.

Het net-echte van vele kunststoffen is altijd maar net-echt voor enkele eigenschappen. Vaak alleen voor het oog. Namaakleer lijkt in enkele eigenschappen precies op echt leer, maar niet in alles. Je ruikt gelukkig nog of het wel of niet echt is. Maar je ogen kun je al niet meer vertrouwen. Het geheel van eigenschappen maakt dat het niet “echt” is, dat het imitatie is. Ook wat de kosten betreft. Niet toevallig zijn de meeste kunststoffen goedkoper: namaakleer is goedkoper dan echt leer, nylon is goedkoper dan wol, plastic is goedkoper dan zilver of staal. Dat betekent, dat veel dingen zo gemaakt worden, dat als er iets aan kapot is, je het beter kunt weggooien dan het laten repareren. Weggooien is het goedkoopste. Dit geldt voor kleding, speelgoed, keukengerei, tot technische apparaten toe. Dit werkt in de hand dat je minder hecht aan je spullen, minder gevoelsbanden met je omgeving aanknoopt, onverschilliger voor je omgeving wordt. Hoort bij een gezonde ontwikkeling ook niet een goed gevoelscontact met de dingen? Een duurzaam gevoelscontact? Wie kan er houden van plastic lepels? En wie van de zilveren lepels, die je nog van je grootmoeder hebt gekregen? En zeg eens eerlijk, wie kan er nog geroerd raken bij de aanblik van bontgekleurde elektrische kaarsjes, die we niet meer aan hoeven te steken, die niet druipen, die we niet meer uit kunnen blazen? En hoe lang [2] zal het nog duren voordat we een namaakkerstboom hebben, die niet uitvalt, geen kale plekken heeft, geen…?

Gebruik van kunststof werkt het scheppen van een na-maak-wereld in de hand. Namaak-hout, namaak-bont, namaak-haar, namaak-wol, het is allemaal “alsof”. En er is al zoveel “alsof”’ in de wereld. We doen zoveel “alsof” tegen elkaar, en we zoeken er juist naar dat masker van het alsof te laten vallen.Moeten we dan ook in onze materialen het alsof-idee niet vermijden? Het doen-alsof is natuurlijk niet aan kunststoffen gebonden, maar we kunnen ons wel afvragen in hoeverre we met kunststoffen bezig zijn met een doen alsof.

Zeker zijn er ook gebieden waar kunststoffen wèl hun plaats hebben, zoals in industrie en techniek waar juist de combinatie van eigenschappen die kunststoffen hebben, hen onvervangbaar maken. Maar dan is het ook geen alsof-gebruik meer.

In het bovenstaande zijn alleen maar bepaalde kanten van
kunststofgebruik bekeken. Niet ter sprake kwam bv. het milieu-aspect. Wat betekent het niet kunnen vergaan in de kringloop van de natuur? Bijna alle producten die uit natuurstoffen gemaakt zijn, kunnen weer in de natuur opgenomen worden. Dit kan vrijwel nooit met kunststoffen. Ook het directe gezondheidsaspect kwam niet ter sprake. Van belang is bv. dat kunststoffen zeer brandbaar zijn, waar je bij de keuze van huisraad en kleding rekening mee kunt houden. Van meer dagelijks belang is het, dat kunststoffen vrijwel geen vocht opnemen, ze “ademen” niet. Voor mensen met een gevoelige huid kan dit een huiduitslag opleveren (nylon ondergoed). Bij baby’s is het gebruik van plastic luierbroekjes erg bevorderlijk voor het ontstaan van luiereczeem. Zo zijn er nog meer kanten aan het kunststofgebruik, zowel positieve als negatieve.

Maar ik hoop dat het gelukt is voor enkele gezichtspunten het gebruik van kunststoffen uit de sfeer van vóór en tegen te halen, zodat we met meer bewustzijn voor onszelf kunnen uitmaken waar kunststoffen wèl, en waar ze niet op hun plaats zijn.

 
B.W. Jonas 17-01-1975

[1] Bij het verschijnen van dit artikel was dit nog niet bekend:
In zijn boek ‘Mijn brein denkt niet, ik wel’ zegt de auteur Arie Bos:

Plasticiteit van verbindingen
Maar hoe komen die hersenen zo slim? Wel, daar hebben wij zelf voor gezorgd. Natuurlijk, we moeten het om te beginnen doen met wat we bij de geboorte hebben meegekregen. Maar dan begint het pas echt. We moeten ze gebruiken. En daarmee veranderen we de hersenen, dankzij de ‘plasticiteit’ van de hersenen. Natuurlijk doen we dat niet in ons eentje. Daar hebben we hulp bij gehad. Zeker in onze kindertijd doen we niets in ons eentje. De geschiedenis heeft ooit iets laten voorvallen dat dit zichtbaar heeft gemaakt. De orbitofrontale hersenen, achter het voorhoofd boven de ogen, zijn bij de geboorte namelijk nog niet helemaal ontwikkeld. Die worden ontwikkeld doordat we onze hersens gebruiken, bijvoorbeeld door te reageren op de omgeving en opvoeders. Er is in Roemenië, ten tijde van Ceaucescu, een tragisch ‘real-life-experiment’ gedaan in de weeshuizen aldaar, dat aantoonde hoe belangrijk dit is. De kinderen lagen in ledikantjes met hoge schotten en kregen van de verzorgers alleen de fles maar verder geen enkele aandacht. Het resultaat van zo’n situatie zien we hier (afb.1):

hersenscan verwaarloosde kinderen

 

hersenontwikkeling in normale drie jaar oude kinderen (links) en bij extreme verwaarlozing (rechts)

Wat je hier ziet is dat niet alleen de hersenen niet gegroeid zijn, maar dat ook de hersenkamers (ventrikels) vergroot zijn, evenals de groeven tussen de windingen. Aan de grootte van de schedel wordt tegelijkertijd duidelijk dat de groei van de hersenen de groei van de schedel bepaalt. De kinderen vertoonden allerlei stadia van retardatie. Niet aangeboren dus, maat veroorzaakt door verwaarlozing. Omgekeerd levert veel stimulerend en liefdevol contact met de opvoeders juist extra groei van zenuwcellen op. (S.Gerhardt ‘Why love matters. How affection shapes a baby’s brain’ (2004))

[2] Inmiddels zijn deze volop te koop.

In de jaren ’80 kende ik een ouderpaar wiens pasgeboren kindje naar het ziekenhuis moest: geelzucht. Het had aanhoudend een te lage lichaamstemperatuur. Onder- en bovenlakentjes/dekentjes waren voornamelijk van kunststof. De moeder, die zich een krantenartikel uit 1979 herinnerde,  nam op zeker ogenblik het wollen onderdekentje van thuis mee en legde dat ongezien – wol mocht niet!!! – verpakt in een echt lakentje onder haar baby. De temperatuur steeg dezelfde dag nog. Dat was in 1980.

In 1979 was dit echter al bekend:

Te vroeg geboren baby’s groeien en slapen beter op dekentje van lamswol

Een te vroeg geboren baby die niet op het gebruikelijke ziekenhuislaken maar op een warm, zacht dekentje van lamswol te rusten wordt gelegd, groeit sneller, slaapt beter en verliest minder lichaamswarmte. Dat is de conclusie van een Engels onderzoek op de Universiteit van Cambridge. Maar ook normale, voldragen baby’s die een met lamswol „beklede” wieg hebben, voelen zich daarin overduidelijk meer op hun gemak dan op een strak gespannen laken. Het resultaat: ze huilen minder en slapen beter. „Geen wonder ook”, zegt dr. Martin Richards, de leider van het Engels onderzoek. „Ik kan me goed voorstellen dat een baby een ondergrond waarin hij of zij zacht wegzinkt verre prefereert boven een hard laken dat vaak nog koud is ook”.

In Cambridge legde dr. Martins gedurende zo’n twee weken zes baby’s de ene dag op het gebruikelijke ziekenhuislaken en de andere dag op een lamswollen dekentje. Aan het eind van elke dag werden de kleintjes gewogen. Met verbazingwekkende resultaten. Dr. Martins: „Onze verwachtingen werden verre overtroffen. Per dag groeiden de baby’s 30 gram op lamswol tegen 20 gram op laken. Een verschil van 50%.

Bovendien huilden ze minder en lagen ze rustiger. Ik kan me voorstellen dat de isolerende werking van lamswol de baby’s warmer houdt. En als ze dan rustiger zijn in hun slaap kan de energie van de voeding worden omgezet in groei. Maar dat verklaart het verschil maar voor een deel”.

„Ik denk dat deze baby’s vooral hard groeien, omdat ze gewoon gelukkiger zijn. Op lamswol zien ze er ook meer tevreden uit en ik kan me goed voorstellen dat het voor een baby geen pretje is om in een couveuse op de nogal harde katoenen lakens te liggen die gewoonlijk worden gebruikt”. Dr. Richards hoopt meer onderzoek te doen naar de effecten van lamswol bij voldragen baby’s.

 

peuter/kleuter: alle artikelen

 

909

 

VRIJESCHOOL – Kind mogen zijn

 

Regelmatig publiceer ik hier artikelen die qua verschijningsdatum gerust ‘uit de oude doos’ mogen worden genoemd. Kijk je naar de inhoud, dan blijken deze artikelen nog uiterst actueel te zijn. Dat heeft alles te maken met de basis van de artikelen: de pedagogische visie van Rudolf Steiner. Daarin vinden we gezichtspunten die, omdat ze zo samenhangen met het wezen mens, nauwelijks verouderen: streven naar harmonische opvoeding; het belang van creativiteit; de waarde van het spel voor het (kleine) kind. Enz.

Onder de titel ‘Kind mogen zijn’ sprak Bernard Lievegoed op 7 mei 1977 tijdens het congres ‘De tweede schoolstrijd’ over de ontwikkeling van het kind en de consequenties daarvan voor de onderwijsvernieuwing. Hieronder een schriftelijke neerslag van zijn betoog.

Ik wil mijn onderwerp benaderen vanuit de totale menselijke levensloop. Het kind-zijn is geen fase op zichzelf; noch is het een doorgangsfase of voorbereidingsfase op iets wat men dan het werkelijke leven noemt. Kind zijn is een volledig menszijn, met mogelijkheden die later verloren gaan en met onmogelijkheden die later pas tot mogelijkheid worden.

De Italiaans-Duitse filosoof Guardini zei: volledig mens is men in elke fase van zijn leven en in elke fase is het volledige leven aanwezig. Schaadt men één fase dan schaadt men de totaliteit. Dezelfde gedachtengang werd reeds uitgesproken door de Griekse filosoof Heraclitus: ‘opvoeden is niet een emmer vullen, maar een haardvuur ontsteken’. In dit beeld gaat men een haarvuur ontsteken.

Dit heeft vele gezichtspunten. Wil het haardvuur kunnen gaan branden dan moet er iets aanwezig zijn dat wil gaan branden en voor het ontsteken zelf is maar een heel klein vlammetje nodig, niet meer dan een ‘wekker’. Is een haardvuur eenmaal brandende, dan brandt het uit zichzelf verder, en wordt steeds groter. Het verwarmt tenslotte een hele leefruimte en als we deze metafoor even doortrekken dan kan men zeggen: in de werkelijkheid zorgt het vuur later voor eigen verdere brandstof. Nu kan men de vraag stellen: hoe krijgt men nu bij de hele jonge mens het vuur aan het branden en hoe wekt men het verlangen om in een veel latere levensfase misschien wel 50 jaar later, het vuur ook brandende te houden. Nu moet reeds in de kleuter de kiem gewekt worden voor de ‘éducation permanente’ die op latere leeftijd dan in zelfopvoeding overgaat.

Maar ook de kleuter kent zijn vorm van zelfopvoeding en wel door het spel. Ik heb het gevoel dat in de totaliteit van levensfasen de kleuter de grootste meester is in zelfopvoeding. Het leerproces te beschouwen als een informatie-opnemingsproces is een ontoelaatbare simplificatie en verminking.

Informatie-opnemingsverwerking
De informatie, opneming en verwerking zo efficiënt mogelijk te willen laten verlopen is ontsproten aan een technisch denken dat ervan uitgaat dat het grootste effect — de grootste output — bereikt moet worden langs de geringste inspanning, dus met minimaal energieverbruik.

Maar leren voor het leven verloopt nooit efficiënt, in de technische zin van het woord. Men hoeft slechts te letten op de directe gedragsveranderingen en dan zal het blijken dat die als maatstaf gebruikt worden voor de mate van leren. Informatie-reproductie en gedragsverandering kan men meten. De verleiding is groot dat gemetene gelijk te stellen met het leerproces.

Vandaar ook het geloof in de heilige toetsen, die als maatstaf moeten gelden voor het leersucces. Het denken van de onderwijstechnologie is niet geheel onjuist maar het is partieel, het ziet naar de buitenste kant van het leerproces: de gedragsverandering. Juist deze gereduceerde visie is veel gevaarlijker dan een totale dwaling. Beziet men het kind-zijn als een onvervangbaar deel van de totale biografie dan komen alle onderwijskundige problemen in een nieuw en omvattend licht te staan. Dan valt op dat wat er in de kinderjaren gebeurt, of wat er niet gebeurt, in geen enkele andere levensfase even intensief te beleven of in te halen is. Die ervaringen zijn onvervangbaar. Wat er in deze korte jaren gebeurt straalt uit over evenzovele tientallen jaren later.

Ik zei het al: het kind is een meester in zelfopvoeding, alles uit zijn omgeving gebruikt het daarvoor, het gebruikt het op z’n eigen originele wijze. Alleen al kan men waarnemen hoe elk kind op z’n eigen wijze leert lopen en praten — een fascinerende zaak om in eenzelfde gezin twee verschillende kinderen te zien die op een totaal eigen wijze leren lopen en spreken. Kijk hoe het kind anders speelt met hetzelfde speelgoed om dat te leren wat het straks nodig heeft om als volwassene iets eigens in de wereld te kunnen brengen. Zodra wij doelgericht speelgoed brengen en nuttige en bedachte handelingen laten uitvoeren, conditioneren we kinderen op een leerproces dat wij nuttig vinden.

We sluiten de toekomst af en we bepalen die en beperken die tot die handelingen die wij juist of nuttig achten. Maar het spel kent geen gesloten toekomst, spel kent geen directe leerdoelen. Het spel wordt gespeeld met een open toekomst, het spel voert naar ervaringen die een antwoord zijn op mijn wijze van vraagstelling waardoor ik creatief kan zijn en niet de wijze waarop de onderwijstechnoloog meent dat ik creatief moet zijn.

Creativiteit
Hoe komt men op de idee om creativiteit bij kleuters en later bij leerlingen te willen wekken met van te voren geprogrammeerde methoden of inhouden, al zijn die nog zo slim bedacht. In het onderwijs kan creativiteit alleen gewekt worden in situaties die zelf vanuit de creativiteit van de leidster of onderwijzer of leraar ontstaan zijn in een reële pedagogische situatie hier en nu, met deze kinderen op deze ochtend, met deze pedagoog. Ingeblikte creativiteit is niet meer kiemkrachtig. Creativiteit kan ook niet in een apart uur onderwezen worden, zelfs niet met een uur kunstbeoefening. Het moet het gehele onderwijs doortrekken, in elke pedagogische situatie. Bij rekenen, taal en gymnastiek – in de kleuterleeftijd, in elke spelsituatie, bij het vertellen en ook bij het opruimen van de klas.

De echte les wordt tijdens de les geboren, in het samenspel van pedagoog en kinderen, echte creativiteit is nooit efficiënt in de zin zoals de onderwijstechnoloog die opvat. Creativiteit maakt omwegen waarop pas het wezenlijke ontdekt wordt. De mens in de creatieve situatie gebruikt meer energie dan strikt nodig is om een zogenaamd doel te bereiken. Zodra hij de beste methode gevonden heeft en deze verder toepast, is hij per definitie niet meer creatief, maar herhalend bezig.

Men kan proberen het kind te vinden via de kortste en meest efficiënte weg, door het meteen een door een ander gevonden weg aan te bieden. In de industrie noemt dat de methode van de versnelde scholing: oefen stap voor stap de handelingen of de intellectuele operaties via de ‘one best way’ — : enig juiste weg — en je kunt in de kortst mogelijke tijd van een ongeschoolde een geschoolde arbeider maken, bruikbaar voor op de training volgende geprogrammeerde arbeid. Dat alles is bijzonder nuttig — het is ontdekt en ingevoerd in oorlogstijd, om veel arbeiders voor in de munitiefabrieken klaar te maken en helaas na de oorlog als methode ingeslopen in het denken over onderwijstechnologie.

Oefenen
Overdrijf ik nou? Maar kijkt u zelf hoe in laatste vijf jaar de inrichting en het lesmateriaal van de kleuterschool aan het veranderen zijn. Het speelklimaat is veranderd in een klimaat van wetenschappelijk verantwoord doelgericht oefenen. In plaats van vrij te mogen spelen met veel open materiaal worden allerlei series plaatjes aangeboden waarbij stiekem tellen, vergelijken, rubriceren geleerd moet worden. Elke kleuter moet zijn door anderen bedachte taken ook afmaken, elke zelfopvoeding is daarbij uitgesloten, en stuiten op onverwachte weerstanden of nieuwe ervaringen waaraan de kleuter of voorrbij kan gaan omdat hij nog niet de ontwikkelingsrijpheid heeft om dit probleem te bekijken of waaraan de kleuter de voor hèm en op dat moment aanvaardbare ervaring kan opdoen.

Maar ziet u, elke eenzijdigheid roept een tegenbeeld op. Daarom vinden we daar naast de kleuterschool ook de anti-autoritaire kleuterschool. Het kan daar voorkomen dat de ene kleuter tegen de andere kleuter zegt: ‘Joh, we moeten weer gaan spelen op de manier waar we zelf zin in hebben’.
Tussen deze uitersten is er een nieuwe weg, waarin situatie en materieel weer open zijn, d.w.z. voor meer dan één doel bruikbaar zijn, maar wat ook aanwezig moet zijn als de kleuter daar zelf aan toe is. Waar het even belangrijk is dat de kleuter een onooglijk lappenpopje liefheeft, als dat hij naar een sprookje luistert, waarbij het bij een bepaald woord nog weg mag dromen, maar ook weer flink helpt bij het opruimen.

Kind-zijn als kleuter betekent: spelend ontdekken en nabootsend spelen. Tijd hebben voor emotionele belevingen van vreugde en leed, verwachting en vervulling.

Dat betekent in de eerste plaats: doende leren en dat op een individuele manier die voor dit kind de meest doeltreffende manier is. Door de nabootsing van de omgeving verovert het de rechtopgaande gang, de moedertaal en het denken in het cultuurpatroon van zijn tijd. Het zal in de toekomst aan dit cultuurpatroon iets nieuws moeten kunnen toevoegen, anders stagneert de hele cultuur. De kleuterschool mag niet meer of minder zijn dan een gunstig milieu voor zelfopvoeding in spel en luisterend opnemen. Hoe rijker en opener het gebodene, hoe beter.

kleuter

Kijken we nu naar een iets oudere leeftijd, het kind als scholier. Dan zien we dat dat de fase is waarin het kind zelf moet leren denken en ontdekken, maar dat in de fantasie als voorloper van een sociale werkelijkheid later. De leerling die alleen maar geprogrammeerd leert wat anderen voorgedacht hebben – dat is natuurlijk voor hun bestwil bedoeld en om hen onnodige ‘omwegen’ te besparen – die wordt misschien een nuttig werker in de door sociologen ontworpen structuren, weer natuurlijk voor aller bestwil bedoeld, maar geen sociaal verbindend mens. Dan zal hij in z’n dertiger jaren gaan klagen dat hij geen contacten kan maken, dat hem niets invalt, en hij of zij zal klagen over leegheid en vereenzaming.

Nog een fase later: het kind als puber en adolescent. Dat betekent de wereld ontdekken in verhouding tot de eigen toekomstvisie in ideaalstelling en ongeduld. De ontdekking van de taaie weerstand van de werkelijkheid: ‘We hebben gisteren al gezegd dat de hele situatie fout was en vandaag is er nog niets veranderd.’

De wereld ontdekken betekent ook antwoord krijgen van de wereld op de eigen prestatie. De beoordeling van het werk door anderen krijgt nu pas z’n echte pedagogische betekenis. Het is bekend dat elke leerling zijn leermethode instelt op de manier van examineren. Daarin hebben de leerlingen nog groot gelijk ook. Wie multiple choice examineert kweekt leerlingen die ‘losse feiten weten’ van levensbelang achten. Wie daarmee doorgaat in universiteiten — en dat gebeurt — selecteert niet de beste artsen en pedagogen.

Innerlijke zekerheid
‘Kind mogen zijn’ was de vraag die mij gesteld werd. Kind mogen zijn als kleuter, schoolkind, jonge mens, betekent het veroveren van talloze niet-examineerbare vermogens voor het latere leven. Deze vermogens kunnen echter in latere levensfasen doorslaggevend zijn voor het
huwelijksbeleven, voor het functioneren in werksituatie en voor het leidinggeven op allemogelijke niveaus. In de kleutertijd wordt veroverd een voor het leven durende innerlijke zekerheid, die vooral in de veertiger jaren vaak doorslaggevend is in huwelijk en beroep. Die spanboog is bijzonder groot maar hij is er.

In de schooltijd wordt veroverd het vermogen om met de mensen creatief om te gaan en iets te kunnen beleven aan mensen en aan de wereld. In de dertiger jaren komt het ontbreken van dit vermogen tot uitdrukking, bij de man in verzakelijking en verharding in zijn beroepsleven, bij de vrouw in vereenzaming en leegheid in het gevoelsleven. En beide kwalen zijn momenteel bijna epidemisch. Waarom kunnen de onderwijshervormers deze samenhangen niet zien? Hoe kon dat? Komt dat misschien omdat men geen dubbelblind proeven kan nemen over 40 jaar met mensen?

In de puberteitsjaren en daarna wordt veroverd de volwassenwording in de verhouding tot de realisatie van de eigen doelstelling. Daar moet geleerd worden dat tussen de idee en de verwerkelijking van de idee een eindeloos lange weg ligt van moeizaam overwinnen van weerstanden. Op dit punt zien wij te velen die eeuwige pubers blijven en zichzelf dan bijzonder progressief vinden ook.

De laatste tijd is mij herhaaldelijk gevraagd: heeft u er dan bezwaar tegen dat onderwijsvernieuwing gedragen wordt door een duidelijke politieke doelstelling? Ik heb moeten antwoorden: elk standpunt op cultureel, kunstzinnig of sociaal gebied is tevens een politiek standpunt. Mijn zogenaamd ontwikkelings-psychologische standpunt is óók een politiek standpunt, daaraan kan niemand zich onttrekken. Bezwaren beginnen pas daar waar de politieke keuze een scherp bepaald mensbeeld meebrengt. Dit mensbeel bepaalt dan weer de pedagogische
doelstellingen, die voor de één ideaal en voor de ander verwerpelijk zijn.

De keuze van mijn mensbeeld is een personalistische. Dat betekent dat naast de erfelijke aanleg en de invloeden van milieu de persoonlijkheid een derde kracht is met een eigen, zich langzaam doorzettende
levensdoelstelling. Pas uit deze persoonlijkheid, dit het Ik, het Zelf,, of hoe men het noemen wil, komt de vernieuwing van de cultuur, en niet uit eventuele opgelegde sociale structuren. Maar evenzomin als het toelaatbaar zou zijn dat ik mijn visie aan heel Nederland zou willen opleggen, zomin is het toelaatbaar dat een overheid zijn visie aan heel Nederland oplegt. En waar de staat via de geldkraan een monopolistische positie in zou kunnen innemen, moet de overheid in dezen extra terughoudend zijn. Niveau-eisen kunnen gesteld worden, maar de weg waarlangs en het moment waarop dat niveau gehaald wordt, moet vrij blijven en moet ontstaan uit het concrete samenwerken van pedagoog en leerlingengroep. Pas dan kan de pedagoog er voor waken dat elk kind in iedere fase op zijn manier kind mag zijn.

Intellect
Nu tenslotte mijn zorg. De invalshoek van waaruit ik het kindzijn bekijk is dat van de psychiater. Voor mijzelf was dat eerst de kinderpsychiatrie en later die van de volwassenen. En bij alle latere levenscrisissen stoot men steeds weer op onvermogens, ontstaan doordat bepaalde ontwikkelingen tijdens de kindheid niet tot stand zijn gekomen.Dit tot ontwikkeling komen van de emotionele rijpheid kan evenzeer komen door een te langzame ontwikkeling als door een te snelle ontwikkeling in bepaalde kinderjaren. Vooral de te snelle ontwikkeling heeft voor het latere leven desastreuze gevolgen. Wie te snel het kleuter-zijn afbreekt en afsluit door verintellectualisering van het kleuteronderwijs, die sluit tegelijk te vroeg die emotionele ontwikkelingen af die hem later existentiële positiviteit in het leven kunnen schenken. Men blijft dan onderontwikkeld in het gevoelsleven naast vaak een vroegtijdig ontwikkeld intellect. Dat intellect geeft na de veertiger jaren geen houvast meer voor de laatste levensfase. Elk leer- en ontwikkelingsproces heeft nu eenmaal resultaten op korte  en op zeer lange termijn.

Te langzame ontwikkeling bij normale intelligentie geeft een heel ander beeld. De laatbloeiers gaan vooral in de moderne scholen een lijdensweg. Hun ontwikkelingsleeftijd houdt geen gelijke tred met hun
kalenderleeftijd. Ze komen onherroepelijk terecht in een schooltype dat beneden hun werkelijke vermogens ligt en ook daar gaat het vrij moeizaam. Ze komen pas op spoor als ze hun eigen tempo mogen volgen. Zij blijken nog op latere leeftijd over onverwachte reserves te beschikken en schieten maatschappelijk pas naar hun eigenlijke niveau na hun veertigste jaar. Dan blijkt pas wie ze werkelijk zijn.

Daarentegen zijn de vroegbloeiers de ideale klanten voor de intellectuele spelletjes en taken die ze in hun kleutertijd voorgelegd kregen. Maar meestal al na hun vijftiende jaar beginnen ook hun intellectuele prestaties af te zakken.

Mijn zorg is, dat het geheel van onderwijs op de kleuterscholen, basisscholen en secundair onderwijs de te snelle, te progressieve ontwikkeling bevordert. Waarbij intellectuele prestaties te voorschijn komen, emotionele en morele ontwikkelingen echter te vroeg worden afgesloten en daardoor onderontwikkeld blijven. En dit kan niet de bedoeling zijn van hen die met de beste bedoeling een dergelijk onderwijs propageren. Een ieder kan vanzelfsprekend staan achter het streven ieder wordend mens gelijke kansen te geven tot volle ontplooiing. Volle ontplooiing is echter een zeer individuele zaak die alleen tot stand komt indien er werkelijke vrijheid bestaat om in elk ontwikkelingsstadium ook werkelijk kind te mogen zijn.

Jonas 20, 3 juni 1977

spelen of leren

spelend leren?

peuters en kleuters: alle artikelen

Rudolf Steiner over spel

Erica Ridzema

spel – alle artikelen

 

 

 

 

 

 

898

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Karel V

 

Karel V  1500-1558

Karel VEen portret van de Habsburgse keizer Karel V. Het is afkomstig van een familieportret, dat door Bernard Striegel werd geschilderd. Het schilderij werd gemaakt toen Karel nog een tiener was. Op zijn negentiende jaar werd hij ‘Heilig Rooms Keizer’. De familie van de Habsburgers was bijna 600 jaar de belangrijkste macht in Centraal-Europa.

Voor een miljoen gouden florijnen kreeg Karel van Habsburg de zekerheid, dat hij keizer van het Heilige Roomse Rijk zou worden. Zeer waarschijnlijk zouden de zeven keurvorsten – die aan het hoofd stonden van de belangrijke Duitse staten – hem, als kleinzoon van Maximiliaan I, tóch wel hebben gekozen. Maar de mogelijkheid bestond, dat hun keus zou vallen op Frans I, koning van Frankrijk. Dat was een zorgwekkend vooruitzicht voor Karel. Zijn rijkste bezittingen, de Nederlanden, zouden daardoor immers komen te liggen tussen twee door de Fransen beheerste gebieden.

Karel, die al hertog van Bourgondië, koning van Spanje, Sicilië, Sardinië en Napels was, alsmede erfopvolger in de Habsburgse landen in Midden-Europa, was op zijn negentiende jaar de machtigste vorst van het Westen. Maar zijn macht werd van alle kanten bedreigd. De Franse koning, die was omringd door Habsburgse landen, was vastbesloten de eerzuchtige plannen van de keizer in Italië tegen te gaan. Oost-Europa en de landen om de Middellandse Zee ondervonden voortdurend bedreiging van de Turken, die Constantinopel hadden veroverd. Ook waren er enkele Duitse vorsten, die zich tegen Karel verzetten. Het lutheranisme dat ze aanhingen, verstoorde de eenheid van het keizerrijk. De hervorming was het grootste struikelblok tijdens de regering van Karel, die zijn uiterste best bleef doen de protestanten terug te brengen naar de rooms- katholieke kerk. De keizer was het in zoverre met Lutner eens, dat hij zich veel moeite getroostte er bij de paus op aan te dringen een eind te maken aan de corruptie binnen de rooms-katholieke kerk. Maar Luthers nieuwe leerstellingen kon hij niet aanvaarden. Zonder enig succes wierp de ene Rijksdag na de andere zich op het probleem van de godsdienstkwestie. Veel Duitse vorsten gingen namelijk niet alleen zelf tot het lutheranisme over, maar eisten bovendien dat ze zelf de staatsgodsdienst van hun rijk mochten bepalen. Toen Karel ten slotte paus Paulus III bereid had gevonden een concilie te houden, was de houding van de protestanten harder geworden.

Karel V  2

Het schitterende schild van Karel V. Het werd ontworpen door Raphael. Het reliëf is een voorstelling van de ‘Slag bij Carthago’.

In 1546 kwam het tot een oorlog tussen de protestantse landen – geholpen door Frans I – enerzijds, en de katholieke staten onder Karel V met steun van paus Paulus III anderzijds. De strijd duurde voort tot 1555. Bij de Vrede van Augsburg werd bepaald, dat een staatshoofd het recht had de godsdienst van zijn onderdanen te bepalen. Intussen was Karel V voortdurend betrokken bij oorlogen tussen de Fransen en de Turken. Verbintenissen met vooraanstaande Italiaanse geslachten (vaak door middel van huwelijken) maakten, dat het grootste deel van Italië onder Habsburgs bewind kwam. Maar niet alle pausen waren gelukkig met deze gang van zaken. Teneinde een machtsevenwicht tot stand te brengen, verleenden ze steun aan Frankrijk, dat eveneens naar Italië lonkte. In 1521 brak er oorlog uit tussen Karel V en Frans I. De voornaamste inzet was Milaan, dat destijds in Franse handen was. De strijd duurde jaren, maar uiteindelijk slaagde Karel V erin een federatie van Noorditaliaanse staten te vormen die trouw was aan de keizer. Deze band zou 300 jaar blijven bestaan.

De Turken, die gebruik maakten van de vijandelijkheden tussen de christelijke machten, vielen Hongarije binnen. Maar in 1532, toen ze bijna voor Wenen stonden, werden ze door de legers van Karel V verslagen. Het kwam in Hongarije tot een weinig overtuigende vrede. Toen Karel V in 1535 Tunis veroverde, kreeg de Turkse heerschappij op de Noordafrikaanse kust een forse klap. Maar tijdens de hele regeringsperiode van Karel V en ook nog daarna bleven de Turken de landen om de Middellandse Zee bedreigen. Voordat het goud uit de Spaanse bezittingen in Zuid-Amerika begon binnen te stromen, vormden de Lage Landen de voornaamste bron van welvaart van Karel V. Al eeuwenlang bloeiden daar handel en industrie. Karel V, die hertog van Bourgondië was, eiste van deze provincies trouw en het recht op financiële steun – geen belasting, maar hulpverlening. De vele oorlogen waarin hij betrokken was, kostten schatten. Dat was iets waarover hij herhaaldelijk waarschuwingen kreeg van zijn zuster Maria, de regentes over deze gebieden. Het bestuur dat Karels eisen desondanks had ingewilligd, werd in 1539 door de bevolking van Gent omvergeworpen. Maar Karel V sloeg de opstand meedogenloos neer.

Toch was Karel V graag gezien in de Nederlanden. Hij was er geboren en getogen en sprak de taal. Het gebied was tijdens zijn regering groter geworden en de zuidelijke provincies Vlaanderen en Artois waren bevrijd van de Franse dreiging. Toen Karel V in de vijftig was, zag hij eruit als een oude, uitgeputte man. Verwonderlijk was dat niet, gezien de spanningen waarmee hij voortdurend te maken had gehad. De verbintenis tussen Maria Tudor en zijn zoon Filips, die ten doel had een gecombineerde Engels-Nederlandse macht te stellen tegenover Frankrijk, deed zijn energie tijdelijk weer opleven.

In 1555 maakte Karel V een begin met het overdragen van zijn verschillende kronen aan Filips en aan zijn broer Ferdinand, die keizer zou worden. Zelf trok hij zich terug in een klein huis in Spanje. Daar bracht hij zijn laatste levensjaren door. Hij hield er hof, genoot van de jacht en muziek en van de overdadige maaltijden, die zijn gezondheid verder ondermijnden. Veertig jaar lang had hij een enorme last op zijn schouders gedragen. Niet al zijn ondernemingen waren geslaagd. Maar hij stierf als een bemind vorst.

alle biografieën

7e klas geschiedenis: alle artikelen

908