VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (3-2)

 

 

zakgeld

Het onderstaande artikel is de neerslag van een gesprek over zakgeld tussen Louise Berkhout, Marie-Louise Sloots en Lili Chavannes. Louise putte uit haar eigen ervaringen, Marie- Louise heeft een gezin met drie kinderen van 20, 18 en 16 jaar, en Lili’s kinderen zijn 9, 7, 5 en 1 1/2 jaar oud.
De bedoeling van het gesprek was niet om bepaalde richtlijnen te vinden voor het geven van zakgeld; al pratende bleek veeleer dat die niet te vinden zijn, maar dat het wel verhelderend kan zijn je bewust te worden van je motieven bij het zakgeld-geven, als zich daarbij moeilijkheden voordoen.

Wanneer begint geld eigenlijk een rol te spelen in het leven van kinderen? Over het algemeen: als kinderen groot genoeg worden om ze om een boodschapje te sturen, zo vijf, zes jaar. Als ze winkeltje gaan spelen, hoewel het de kinderen dan meestal meer gaat om de hoeveelheid muntjes dan om de waarde. Marie-Louise vertelt dat zij pas met zakgeld geven begonnen is toen haar oudste dochter tien jaar was. Aanleiding daarvoor was een ‘snoep-hausse’ in de klas. Behalve voor snoep was het bedrag dat ze kreeg ook bestemd voor het kopen van cadeautjes voor verjaardagen; werden de cadeautjes zelf gemaakt, dan bleef er veel over! Vanaf dat ogenblik kregen de drie kinderen allemaal zakgeld, hoeveel was afhankelijk van hun leeftijd. Verhoging ging in op verjaardagen.

In tegenstelling tot de familie Sloots, waar het zakgeld een antwoord was op de behoefte van de kinderen, is het bij de familie Chavannes begonnen toen de kinderen een spaarvarken cadeau kregen, waar op zaterdagavond iets ingestopt mocht worden. Dat één van de varkens maar één opening had was een probleem op zich; in principe werd het geld besteed aan cadeautjes en snoep. Maar omdat het te moeilijk bleek het overzicht te bewaren op de komende verjaardagen en partijtjes – als je net zo’n ontzettende zin hebt in iets lekkers – werd het zakgeld, nadat er een zakcentje van afgenomen was voor het snoepwinkeltje op de hoek, verdeeld over twee potjes: één voor cadeautjes en één om te sparen voor eigen brandende wensen. Waarbij het zakcentje – zeker tot in het tiende jaar – in het centrum aller belangstelling staat. De suggestie dat je er ook een zakje worteltjes van kunt kopen wordt één keer willend uitgevoerd. Snoep is heerlijk. Toch blijven de meeste ouders het er moeilijk mee hebben, ook al weten ze uit eigen ervaring hoe heerlijk het is!

Hoeveel zakgeld je een kind geeft is afhankelijk van de klas waarin het zit. Ook een rol speelt daarbij wat andere kinderen krijgen en wat het kind ervan moet doen. Als kinderen ouder worden is het prettig niet meer voor elk wissewasje te hoeven aankloppen, maar de beschikking te hebben over een groter bedrag dat over een langere termijn, naar eigen goeddunken, besteed kan worden. Grotere vrijheid, grotere verantwoordelijkheid.

In een publikatie van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting  ‘Zakgeld en kostgeld van opgroeiende kinderen’, wordt vermeld dat men naast het zakgeld vaak begint met een klein bedrag, het zogenaamde kousengeld, dat de kinderen alleen behoeven te besteden aan kleinere kledingstukken: panty’s,  sokken, ondergoed en dergelijke, zodat zij stukje bij beetje de verantwoordelijkheid leren voor het besteden van grotere bedragen. Voor de ouders vaak ook een leerproces; hoe moeilijk is het niet je kind een miskoop te ‘gunnen’!

Het ene kind is handig en maakt in zijn vrije tijd zijn kleren zelf, het andere kind heeft in zijn vrije tijd liever een baantje waardoor hij of zij weer meer geld ter beschikking heeft. Louise vertelt dat zij vroeger geen kleedgeld kreeg, kleren kreeg ze van haar ouders. Wel had ze een krantenwijk om zelf de begeerde paardrij- en balletlessen te kunnen betalen. Marie-Louise vertelt over hoe in haar gezin het bericht ontvangen werd dat er op school, waar Benno en zij beide werken, het behoefte-salaris werd ingesteld. De kinderen reageerden: ‘Nou, dat is wél leuk, maar worden daar dan onze behoeftes ook bij ingedeeld?’ Waarop zij antwoordde: ‘Ja, gedeeltelijk, maar we vinden ook dat als jullie behoeften uitbundig gaan worden, dat jullie daar best zelf voor kunnen werken. Jullie hebben twee goede rechterhanden aan je lijf en dus hoeft de maatschappij niet alles voor jullie op te brengen.’

Als kinderen wat ouder worden is het heel goed mogelijk ze inzicht te geven in het gezinsbudget, waardoor ze zich gaan realiseren dat het geen bodemloze put is, maar iets dat zo eerlijk mogelijk verdeeld moet worden, waarbij ieder persoonlijk altijd te wensen over houdt.

Kinderen willen zakgeld – goed, ze krijgen zakgeld – hoeveel is afhankelijk van wat ze ermee moeten doen en hoe oud ze zijn. Soms is het te weinig, soms is het buitensporig veel.

Het is belangrijk om in een gezin je eigen normen vast te stellen, ook al is het daarbij ook nodig ‘voeling’ te houden met de omgeving. In dit proces kan het ook verhelderend zijn je als ouder af te vragen welke normen je al ‘klaar’ hebt liggen, die uit je eigen opvoeding in je overgegleden zijn. De één heeft nooit zakgeld gekregen en hield daarom wel eens het geld voor boodschappen of het
kerkzakje achter. De ander heeft als vroegste herinnering het glorieuze gevoel dat zij had toen ze de pillen voor haar grootvader mocht betalen uit haar eigen spaarpot. Voor de één is zakgeld iets dat je uit mag geven, voor de ander moet er eigenlijk van gespaard worden, ook al wordt in deze tijd het leven met schulden aangemoedigd.

Ook de volksaard spreekt een woordje mee waar het de houding tegenover geld betreft. Nederland heeft zelfs een Nationaal Spaarpottenmuseum.

Veel normen blijken geen bewust gekozen normen te zijn, maar zijn bepaald door vroegere levensomstandigheden, opgepikt uit eigen ervaringen.

Het is daarom goed in de opvoeding van je eigen kinderen zo nu en dan stil te staan bij de vraag: waarom eigenlijk zakgeld?

Kinderen moeten de waarde leren kennen van het geld ten opzichte van wat ze er voor kopen. Hoe duur is iets? Waarom geeft je moeder grif honderd gulden uit aan boodschappen die in drie dagen op zijn, en vindt zij dertig gulden voor een goocheldoos zomaar te veel?

Als je een paar partijtjes achter elkaar hebt, kan je die week niet snoepen, tenzij je de cadeautjes, al snoepend, zélf maakt. Het kind leert kiezen. Het kind leert ook het verschil in kwaliteit kennen: prullige dingen zijn bereikbaarder dan goede. Twee keer iets voor vijftig cent, of één keer iets voor een gulden?

Wat is het opvoedkundig motief bij het geven van zakgeld? Leer je het kind sparen? en daarmee een directe behoefte aan drop of zo) opschorten ter wille van iets anders dat het graag wil hebben, maar waarvoor je tien weken zakgeld nodig hebt? Of zelfs sparen zonder een direct doel, voor een toekomstige behoefte: het zal je nog van pas komen. Leer je ze uitgeven? Geld moet rollen, zo belangrijk is het niet. Het is geen doel in zichzelf, het is een middel waar je iets prettigs mee kunt doen. Het angstbeeld van de tellende vrek, het aantrekkelijke van zorgeloosheid,  gulheid.

Het zal iets daartussen in zijn. Geld is niet niks, maar geld is ook niet alles. Geld is iets met betrekking tot iets anders. Het is een middel. Zakgeld is ook een middel waar je op verschillende manieren mee kunt omgaan.

Jonas 11-07-1980

Zakgeld [1]

912

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (3-2)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s