VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (3-1)

 

Op ouderavonden kwam het in mijn klassen van tijd tot tijd ter sprake: zakgeld. Zo’n onderwerp leende zich uitstekend voor het uitwisselen van vragen en antwoorden. Ouders met oudere kinderen en dus met ervaring, konden zo een steun zijn voor andere ouders die voor het eerst in hun leven met dit opvoedingsaspect te maken kregen.
Onderstaand artikel is wellicht een ondersteuning voor bepaalde gezichtspunten in het ouderavondgesprek.
De getallen van de enquêtes zijn uiteraard niet  actueel, hier staan recentere.
Het Nibud doet zeer regelmatig onderzoek.

ZAKGELD EN DE VERLEIDING

Nog nooit hebben kinderen over zoveel geld beschikt als vandaag de dag*. De zakgelden hebben een ongekende hoogte bereikt. De koopkracht heeft zich de afgelopen 20 jaar verviervoudigd. Dat maakt kinderen tot een aantrekkelijke kopersgroep.

De reclame beschouwt het kind in het koopproces als een volwassene in zakformaat; en als zodanig wordt het door de handel aangesproken. Er wordt aangenomen dat het geprononceerde wensen heeft net als de volwassene, of dat het in ieder geval in staat is die te ontwikkelen.

In de NITHO-ringband van september 1974, schrijft drs. Barends dat er verschillende factoren zijn die het geven van zakgeld bevorderd hebben:

a. Kinderen verlangen meer dan vroeger naar vrijheid en zelfstandigheid.
Dit blijkt o.a. uit hun verlangen reeds op jonge leeftijd het ouderlijke huis te verlaten en op kamers te gaan wonen. Dat verlangen naar zelfstandigheid komt ook tot uiting in het financieel onafhankelijk zijn.

b. De opvoeding is minder autoritair dan voorheen. Er is minder patriarchale begeleiding. De ouders willen kinderen de kans geven zelf geld te beheren.

c.De vrijetijdsbesteding vindt meer buiten het gezin plaats dan vroeger.

d.De grote welvaart brengt met zich mee dat er gemakkelijker geld uitgegeven wordt. De kinderen krijgen een financiële speelruimte die men vroeger niet kón geven door gebrek aan middelen.

Het is merkwaardig dat de opvoeding wat het zakgeld betreft hierin tot nog toe nog steeds geen taak heeft gezien, en zich beperkt tot de simpele opwekking tot sparen. Maar daarmee is het kind nog niet geholpen, want aan de andere kant wordt het alom opgewekt om geld uit te geven.

De jeugd van vandaag wordt vaak een protesterende generatie genoemd.
Maar dit protesterende deel is niet meer  dan 5 procent. Het is reëler te spreken van een verbruikende generatie. Immers voor het eerst in onze geschiedenis groeit er een geslacht van jonge mensen op in een samenleving waar ze geen beperking van het gebruik wegens schaarste gekend hebben. Het begrip verbruiker is er pas een van de laatste tijd. Natuurlijk hebben alle eeuwen door de mensen geconsumeerd, gegeten, en gedronken, gewoond en gekocht. Maar de vanzelfsprekendheid van deze functies is een nieuwe kwaliteit die met de veranderende kwantiteit van het verbruik zijn intrede heeft gedaan.

Schoolkinderen krijgen zo ongeveer een zakgeld van tien gulden in de maand, meisjes iets minder.
76%procent van de 8-11 jarigen krijgen tussen de f 1,- en f 10,- per maand,  80% procent van de 12-13 jarigen krijgen tussen f 10,- en f 25,- per maand, 64% procent van de 14-15 jarigen krijgen tussen de f 10,- en f 50,- per maand.

Er blijken grote verschillen te zijn binnen één leeftijdsgroep. 70 procent van de schoolkinderen leggen zich bij deze situatie niet neer. Zij vermeerderen hun inkomsten door zelf wat te verdienen: met kranten rondbrengen, in bedrijven helpen of anderszins. Gemiddeld levert dat nog zo’n f 30,- in de maand extra op

Zo leren kinderen u al vroeg dat je iets moet presteren om je in het leven wat te kunnen te veroorloven. Het wordt vaak pedagogisch verantwoord gevonden als de weg naar het begeerde object leidt via het aanharken van buurmanstuin, het wassen van een auto of het goede schoolrapport. Het leert erdoor dat een geleverde prestatie (mits door de volwassene als zinvol beleefd) geld waard is. Aan de ene kant leert het een realiteit kennen, aan de andere kant kan het door deze “leefwijze” de bereidheid verliezen ook eens iets “voor niks” te doen, zomaar uit spontane hulpvaardigheid.

Waaraan wordt het geld besteed?
Volgens een onderzoek is de volgorde: zoetwaren, bioscoop, tijdschriften, foto’s van sterren op diverse gebieden, grammofoonplaten, sport, knutselmateriaal, postzegels, boeken.

In brede lagen van de bevolking is het verlangen naar behoeftebevrediging op korte termijn, bijvoorbeeld door snoep het sterkst.

Een onderzoek in Duitsland heeft uitgewezen dat 90 procent van de kinderen het merendeel van hun geld aan snoep uitgeeft.

Fabrikanten en reclamemensen beseffen dat het koopgedrag van ouders een voorbeeld is voor hun kinderen. Maar te gelijkertijd weten ze ook dat via kinderen invloed is uit te oefenen op het koopgedrag van ouders. Vandaar dat deze verkoopmethodes er verleidelijk uitzien en de beïnvloeding vaak niet zo gemakkelijk te onderkennen is.

Toch zou aan het zakgeld geven een praktische begeleiding vast kunnen zitten. Het samen proberen te doorzién wat de handel aan de consument kwijt wil en welke “mooie verpakking” hij daarvoor gebruikt. Dat dat niet eenvoudig is blijkt wel, als je ziet hoe weinig mensen zich van deze “verleidingen” zich bewust zijn.

INVLOED
Vance Packard heeft er op gewezen, met welke geraffineerde middelen sommige firma’s te werk gaan. Zij proberen bijvoorbeeld om via de leergierigheid van de jeugd tot een omzetverhoging te komen.

Een onderneming distribueert wandkaarten, kartonnen modellen van
producten voor de onderwijskrachten onder de detailhandel met de volgende toelichting.

“De naar kennis dorstende geest kan men zodanig beïnvloeden dat het verlangen naar uw artikelen bij haar wordt gewekt. De miljoenen jongens en meisjes die de lagere scholen bevolken eten levensmiddelen, verslijten kleren en gebruiken zeep. Vandaag zijn ze verbruikers, morgen kopers. Hier opent zich een enorme markt voor uw producten. Zorg dat deze kinderen uw merken leren kennen.
Dat zal tot gevolg hebben dat hun ouders geen andere merken zullen kopen.”

Een ander voorbeeld.

In bepaalde kringen van de bevolking wordt het langzamerhand normaal gevonden dat jongens ook met een pop mogen spelen.
De scheiding die er tussen meisjesspeelgoed en jongensspeelgoed bestaat, wordt door de fabrikant van speelgoed gehandhaafd. Maar om aan deze nieuwe tendens te voldoen brengt hij iets nieuws op de markt. Een pop voor jongens! Dat lijkt logisch. Maar het is niet zomaar een gewone pop, waar je mee kan knuffelen, slapen en mee kan rond zeulen, dat is meer voor meisjes. Het is een pop voor jongens, d.w.z. een held. Een pop die dingen kan doen waar jongens van dromen. Jagen, varen, vechten met wilde dieren en boeven, ruimtevaart, mensen redden, bergen beklimmen. Voor ieder avontuur kan je speciale attributen kopen en hij heeft ook vrienden, die bijna net zo sterk zijn als hij. Zo heeft de fabrikant voor de progressieven een antwoord op de vraag “pop voor jongens” gegeven. Maar tegelijkertijd voor die mensen, die nog niet zover zijn, dat ze de rolverdeling meisje pop, jongen auto uitzichzelf doorbreken, een helpende hand toegestoken.

Deze stoere held laat vooral de rolopvattingen bestaan. Het patroon meisje mag huilen, jongens zijn flink, sterk en huilen niet, wordt bevestigd. Dit soort manipulatie wordt vaak getolereerd, omdat ze zo vakkundig en zo schijnbaar onschuldig wordt gepresenteerd.

RECLAME
Reclame suggereert volwassenen de noodzaak om er jong uit te zien. Jongeren worden aangespoord, zo vroeg mogelijk te delen in de voordelen – en vooral de materiële en tastbare voordelen – van de wereld van de volwassenen.

Juist kinderen, die nog geen gevestigde positie hebben en daardoor onzeker zijn omtrent hun plaats, zijn vatbaar voor vleierij. Zij verlangen naar erkenning van hun eigenwaarde en laten zich gemakkelijk voorschrijven wat je daarvoor doen moet.

Zo wordt de overgang tussen de verschillende leeftijdsfasen verdoezeld en weggemanipuleerd. Een kind zoekt naar voorbeelden van een bruikbaar levenspatroon. Als deze met positieve gevoelsargumenten hem worden aangereikt, dan wil hij ze best aanvaarden. In reclamekringen voor gebruiksgoederen weten ze dat wel. Ze gaan daar heel wat effectiever te werk dan vele ouders en opvoeders, die met negatieve waarschuwingen, bedreigingen en straffen werken. Een kind neemt een uitnodiging tot een ander gedrag veel eerder aan, als deze hem niet wordt opgedrongen, maar op een aantrekkelijke wijze voor de ogen wordt “getoverd”. Een manier van aanbieden bovendien die hem in zijn waarde laat en met begrip voor zijn verlangens tegemoet komt.

De reclame kan onpopulaire waarheden en onprettige plichten ontwijken. Ze stopt kinderen een reuze speen in de mond die hen van de werkelijkheid vervreemdt, waaraan ze steeds meer moeten sabbelen en vaak genoeg ook willen sabbelen. Het is vaak verbijsterend, hoezeer deze dagelijkse manipulatie, deze honingzoete dwingeland invloed heeft gekregen op gedrag en opvoeding.

Alle ouders hebben een bepaalde houding ten opzichte van geld. Wat zij doen maakt meer indruk dan wijze woorden zoals: geld maakt niet gelukkig.

Vooral niet als je door middel van dat geld in bezit kan komen van die voorwerpen die je eigenwaarde bevestigen!

Zakgeld is er om te oefenen, hoe je met geld om kan gaan. Kinderen die nog niet kunnen rekenen, hebben geen behoefte aan zakgeld. Natuurlijk wel als de volwassenen in de omgeving veel waarde en nadruk op het in ’t bezit hebben van geld leggen.
Tien centen is voor deze groep kinderen nog aantrekkelijker dan een kwartje. Door een vaste betaaldag te hebben, kunnen kinderen leren plannen.
Een tienjarige kan al overzien en kiezen tussen bv. een bouwplaat kopen of twee keer gaan zwemmen. De grote moeilijkheid voor vele ouders is dat je het zelf zo goed weet hoe het moet.

Het liefst zou je het kind precies willen vertellen hoe het ’t beste met het gekregen geld kan omgaan. Toch is het daar weinig mee geholpen. Het is de “kunst” om het kind er zelf mee te laten modderen. Het zal zelf moeten ontdekken dat het slim kan zijn om iedere week iets apart weg te leggen, als je iets groots wil kopen.

Het zo maar geven van geld, als een kind er om vraagt omdat hij plotseling wat wil kopen, werkt inconsequent.
Hij leert er niet mee omgaan en kan ook zijn zelfstandigheid niet oefenen. Samen met het kind kan er bepaald worden hoeveel zakgeld er betaald wordt en wat hiervan als vaste kosten voor de rekening van het kind komen. Hier zal de leeftijd een grote rol spelen.

HULPMIDDEL
Als hulpmiddel om in de gaten te krijgen waar het geld aan uitgegeven wordt, kan er een eenvoudig “kasboekje” bijgehouden worden van inkomsten en uitgaven. Het is niet de bedoeling dit als controlemiddel voor de ouders te laten functioneren, want dan zal zelfs een kind wel zo slim zijn om de uitgaven te verdoezelen. Er zal vaak genoeg geld aan iets uitgegeven worden, waarbij je je als ouder afvraagt waarom, maar dat is het leer- en oefenproces. Ook moet hierbij niet vergeten worden dat het overweldigende aanbod van de handel een grote verleiding is. Artikelen die voor kinderen interessant zijn worden in supermarkten van de ooghoogten van de volwassenen verplaatst naar kniehoogte, dus binnen het gezichtsveld van het kind. Dan is het ook niet gek als het zakgeld toch weer “versnoept” wordt, al waren er zoveel andere goede voornemens!

zakgeld
*Marijke Roetemeijer, Jonas 17-01-1975
911

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (3-1)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (3-2) | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s