Maandelijks archief: november 2015

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis – alle artikelen

 

7e KLAS GESCHIEDENIS ALLE ARTIKELEN

[1] vertaling van Lindenberg ‘Geschichte lehren’: 7e klas; overzicht van de lesstof.

[2-1] Ontstaan van de boekdrukkunst
[2-1/1] deel 1
P.J. van der Horst over: schrijfmateriaal in oude culturen – Soemeriërs, Egyptenaren: papyrus; ‘monnikenwerk’; blokboeken; houtsnede
[2-1/2] deel 2
P.J. van der Horst over: Gutenberg of Coster?; Gutenbergbijbel
[2-1/3] deel 3
P.J. van der Horst over : verder over Gutenberg of Coster; Waldfoghel
[2-1/4] deel 4
P.J. van der Horst over: ook Waldfoghel niet; andere namen die als uitvinder worden genoemd: Italië, Frankrijk, België, Engeland; etsen; kopergravure; hoogdruk, diepdruk, vlakdruk
.

uitwerking van de door Lindenberg genoemde onderwerpen:

Biografieën van:

Columbus
Cortez
Galilei
Gutenberg en Coster
Hendrik de Zeevaarder
Jeanne d’Arc
Karel V
Leonardo da Vinci
Luther
Magalean
Marco Polo [1]  [2];
Paracelsus
Willem de Veroveraar

Willem van Oranje

Over ‘hoe vertel je’

7e klas: alle artikelen

alle biografieën

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Duits

 

Enkele gedichtjes die in de kersttijd kunnen worden gebruikt in de Duitse les:

Klas 1, 2, 3:

Es leuchten die Kerzlein,
es freut sich mein Herzlein.
Die Kerzen sind Augen vom Christkindlein
und leuchten in mein Herz hinein.

0-0-0

Ich schaue in das Licht.
Das fromme Glanzen spricht:
Du stammst vom Gottessein,
von ihm kommt aller Schein.

Ich strebe in die Höh,
wenn ich das Kerzlein seh,
erinnert mich die Flamme,
dass ich vom Himmel stamme.

0-0-0

Liebes Kerzlein, halte still,
weil ich dich bewundern will.
Kerze ist der feste FuB
drauf das Lichtlein ruhen muB.

Sorg nur, daB es grade steh.
’s Lichtlein deutet in die Höh.
Liebes Kerzlein, flackre nicht,
sei mein gutes, stilles Licht.

Vanaf klas 3, 4:

Das Licht strahlt durch die ganze Welt
und alles erwarmt und durchstrahlt und erhellt.
Es strömt und warmt, immer schenken mag,z
als Sterne bei Nacht, als Sonne bei Tag.
Das Licht laBt mich sinnen und denken:
wie kann auch ich andern schenken?

0-0-0

(of ouder)

Feuer gibt dem Licht die Kraft,
das gezähmte Leidenschaft.
Wilde Flamme viel vernieht’,
Ruhe strömt das edle Licht.

Dieser Zwiespalt wie bekannt
ist’s dem Menschen, urverwandt.
Denn im Menschen ungeheuer
Tief verborgen lebt das Feuer.
Ob es heilt, ob es verletzt,
ist in unsre Kraft gesetzt.

0-0-0

Eine Kerze sah den Sonnenschein
und sprach: „Ich leuchte mir allein.
Ich brauche andre Sonnen nicht.
Seht her, ich habe eignes Licht.”

Daneben eine Kerze stand,
die eine andre Antwort fand:
„Eignes Feuer hab ich nicht,
ich stamme von dem einen Licht.
Und leuchtet mir der Sonnenschein,
dann will die Kerze ausgelöscht sein.
Mein Leuchten nachts im Dunkien spricht
als Zeichen von dem groBen Licht.”

So lebten sie und dachten
und leuchteten und wachten.

Und in dem Menschenherzen
gibt’s auch die beiden Kerzen.
.

Elisabeth Klein, der Elternbrief 11-1966

 

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

907

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent en Kerst in de kleuterklas

 

ADVENT EN KERSTMIS 

 

Na de herfststormen met dwarrelende bladeren, vallende vruchten met felle kleuren, komt er nu een tijd van verwachting. Waarin we ook stil kunnen worden van een brandende kaars, een mooie kerstboom óf van het kerststalletje met Jozef en Maria.

Een heel andere tijd, de advent, waarin we langzaam met de kinderen toeleven naar het kerstfeest, de geboorte van Jezus.

Deze tijd begint al op de eerste adventszondag, 29* november. Die maandag (30 nov.) wanneer de kinderen op school komen, gaan we met de kinderen het adventstuintje lopen. Een grote spiraal van dennengroen op de grond waarin het midden een grote kaars brandt. Ieder kind neemt dan zijn eigen kaarsje mee in de spiraal en loopt deze tot de grote kaars, steekt daar zijn kaarsje aan, zet deze dan neer in de spiraal en loopt weer terug. Ondertussen zingen wij er steeds een liedje bij tot ieder is geweest. Als we dan weer terug in de klas zijn, steken we de eerste kaars aan van de adventskrans. Ook zien de kinderen dat de jaartafel anders is, want dan staat er alleen het kerststalletje nog maar met in de verte herders, verder nog wat sterren.

Photo from anoukert

Ook openen we die dag het eerste luikje van de adventskalender en begin ik het eerste deel van het kerstverhaal te vertellen. Wat later op de dag beginnen we ook met het kaarsen trekken. Al vroeg zijn we begonnen met de was te smelten en als het zacht genoeg is dopen de kinderen er om de beurt hun lontje in en hangen we ze aan het rek te drogen. Het beeld is erg mooi, want de bijenwas is uit het zonlicht gemaakt door de bijen en de bloemen en zal ons, wanneer de kaars klaar is, licht geven en een heerlijke geur. Ook zullen we in die eerste advents- week met het kerstspelletje beginnen wat de kinderen misschien later opvoeren.

Al deze dingen zullen zich iedere dag herhalen behalve het adventstuintje, dat doen we één keer. Verder zal er elke dag een luikje van de kalender opengaan en iedere dag vertel ik een stukje van het kerstverhaal.

In de tweede adventsweek een stukje verder en in de derde week nog verder en op het kerstfeest vertel ik het helemaal aan de kinderen. Zo ook met de adventskrans. Iedere week zal er één kaars bij gaan branden tot ze alle vier branden. En elke dag gaan we verder met ons kaarsje te trekken. Zo gaan we ons voorbereiden op het kerstfeest in een stille verwachting. Op de jaartafel zal er ook iedere week iets veranderen.

Steeds dichter komen Jozef en Maria bij het kerststalletje en wanneer ze er in zijn en het kindje ligt in de kribbe en alle luikjes van de adventskalender zijn open, dan vieren we het kerstfeest. In die laatste week zal er ook de kerstboom staan met de rode en witte rozen en echte kaarsjes.

Nu, in de eerste adventsweek is er ook nog een feest, het Sint-Nicolaasfeest, waar de kinderen in alle spanning naar uitkijken. Op deze dag zal Sint-Nicolaas even in de klas zijn en gaan we voor hem zingen. Van tevoren hebben we zijn stoel mooi versierd, ook een voor Zwarte Piet. Ook maken we een mooi cadeau voor hem en misschien heeft hij ook wel iets voor ons meegenomen. Dit is een spannend en leuk feest, wat echt goed past in die eerste adventsweek. Om dan daarna naar het kerstfeest toe te gaan leven in volle verwachting. Nu praten de kinderen er al over, wat straks gaat gebeuren. Ik hoop echt, dat het een fijne gezellige kersttijd gaat worden, want na deze tijd zal het driekoningenfeest zijn, maar eerst het kerstfeest, waar we echt van gaan genieten.

Annemiek Slotboom
*in het jaar waarin dit artikel werd geschreven – onbekend

 

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Advent: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

liedjes voor de feesten vind je hier

906

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas (31)

 

Vijf december, ha dat is de blijde dag

Er kunnen boeken vol worden geschreven over het belangwekkendste, interessantste, merkwaardigste, oudste, bekendste feest op folkloristisch gebied. Wat men ook wil beweren, Sint-Nicolaas zal altijd hoge ogen gooien bij zo’n vergelijking. En er zullen ook nog mensen zijn die zich waarachtig en principieel keren tegen de goedheilig man.

Luister naar dit stukje proza.
‘Wat nu de St. Nicolaes- avonden belangt, die insonderheyt in deze onse Stadt Amstelredamme tot een blaem van onse Reformatie geviert ende jaerlijks onderhouden worden, het is niet ande’rs als een versiert en afgodisch werck.’

Zo foeterde dominee Wittewrongel in een oud boekje Christelicke Huyshouding. Na verteld te hebben dat de verhalen over Sint-Nicolaas ‘leugenachtige legenden’ zijn, vervolgt hij: ‘Wie en siet oock niet, dat de vruchten van de St. Nicolaesavonden, onvruchtbaer wercken der duysternisse zijn? Dat men sijne kinderen onderwesen heeft hare schoenen oock in de schouwe te hangen opdat desen Sint-Nicolaes oock daer iets goed in mochte bringen? Zijn het oock niet dagen van enckel weelde en wellust geweest, sal men nu noch geloove ende vertrouwen willen stellen op eenen Afgodt? Van eenen versierden Sant so veel wercks maken? Konnen versierde fabulen ende leugenen van een afghesette Sant noch goede vruchten geven? Wie en siet oock niet dat de vruchten van de St. Nicolaesavonden ongodsdienstige wercken der duysternisse zijn? En grouwelijcke afgoderijen? Voorwaar, sulcke vermaek ende apenspel moet nootsaekeleick op het eynde eene bitterheid sijn.’

De eerwaarde Wittewrongel stond niet alleen. In de zestiende eeuw werden in verschillende steden keuren uitgegeven om aan openbare Sinterklaasvieringen paal en perk te stellen en in de ‘gereformeerde’ kerken werd op de zondag voor 5 december met klem tegen de ‘Spaanse’ bisschop gepreekt. Het protestantse verzet tegen Sinterklaas is nooit helemaal verdwenen, al wordt het tegenwoordig weinig serieus genomen. Toch hoort men van tijd tot tijd nog van acties in streng calvinistische streken tegen ‘dit spotten met de heilige beginselen van de reformatie’, zoals een Staphorster raadslid dit in 1964 formuleerde.

Hoe vreemd het misschien mag lijken, toch werd een uit Klein Azië afkomstige, door de kerk nauwelijks erkende, heilige het middelpunt van Nederlands meest gevierde volksfeest. Om de verwarring nog groter te maken, komt hij ieder jaar uit Spanje per schip naar Nederland, waar hij te paard en omstuwd door Zwarte Pieten in vele steden en dorpen zijn glorieuze intocht houdt.

Hoewel 6 december de naamdag van Sint Nicolaas is, gaat het toch echt om 5 december; dat is de blijde dag.

De dag van pakjesavond, angst, beven, surprises, eten, snoepen, feest, pret, plezier. Daar is de nodige voorbereiding aan voorafgegaan. Dagen, soms reeds weken van tevoren, wordt door de kinderen voor het slapen gaan bij de schoorsteen gezongen. En waar geen schoorstenen meer zijn, wordt altijd wel een andere plaats gevonden waar de sinterklaasliedjes ten gehore worden gebracht. De schoen wordt gezet, gevuld met eten voor het paard en natuurlijk het verlanglijstje. Want daar gaat het om.

Piet komt alles hoogstpersoonlijk ophalen. De volgende dag ligt er een presentje in de schoen; een bewijs dat Sinterklaas bestaat en een voorproefje van wat nog komen gaat.

Sint Nicolaas 3

Op 5 december is de schoen te klein. Dan worden de pakjes vaak bij mandenvol, zakkenvol, krattenvol binnengedragen. Hier en daar verschijnt Sinterklaas in eigen persoon, spreekt een vermanend woord, prijst het kind dat goed zijn best deed, laat de Pieten pepernoten strooien, laat zijn cadeautjes achter en vertrekt snel naar het volgende adres. Want de goedheiligman heeft het, zoals iedereen, steeds drukker.

In de hoofdstad wordt het Sinterklaasfeest steeds zeer uitbundig gevierd. Dat is begrijpelijk want Sint- Nicolaas is niet alleen de schutspatroon van de zeevarenden, maar ook van Amsterdam. De eerste parochiekerk die hier in 1306 werd gesticht, werd opgedragen aan de bisschop van Myra en een van de bekendste kerken, recht tegenover de haven en het Centraal Station is nog steeds de Sint – Nicolaaskerk. Een oud liedje zegt heel terecht:

Sinterklaassie bisschop
Zet je hooge mutse op,
Trek je beste tabberd an,
Rij ermee naar Amsterdam.

Grote bekendheid kregen de Sinterklaasmarkten die van de zeventiende tot en met de negentiende eeuw op de Dam werden gehouden. Jos. Winkelmeyer heeft in zijn schetsen over oud-Amsterdam van zo’n markt – de laatste werd in 1836 gehouden – de volgende, levendige impressie gegeven.

’De Amsterdammers van elken stand stroomden daarheen, en onder het vroolijkste gewoel en gejoel kocht men de geschenken voor ouden en jongen. Men trakteerde elkaar op ‘Sinterclaeskoeck, amandel-broot, honincktaert en massepeyn’. Dan kwam de doedelzakblazer in de stad, en sprong op een ton, ergens in een hoekje op den Dam, bij een steegje en blies lustig zijn ’deuntgen’, terwijl de jeugd en de mannelijke leeftijd in uitgelaten vroolijkheid rondsprongen en dansten. Dan kwamen de reizende sprooksprekers of comedianten en sloegen hun schavot of plankier op, een stellaadje van planken op biertonnen of palen, en speelden hunne kluchten met een grappigheid, dat ’t volk het uitschaterde van het lachen. Dan vloog de komieke nar, met rinkelbellen behangen, links en rechts over den Dam, tot groot vermaak van iedereen.’

Sinds 1934 kent de hoofdstad het jaarlijks weerkerende feest van de ‘blijde inkomste’ van de goedheiligman. Gevolgd door praalwagens waarmee handel en industrie onderstrepen dat zij belang bij het Sinterklaasfeest hebben, rijdt Sint- Nicolaas dan door zijn stad. Aanvankelijk geschiedde de aankomst op de zaterdag voor de naamdag van Sinterklaas; de laatste jaren werd dit vervroegd, maar het blijft op zaterdag. Bij de Dam staat een beker bisschopswijn als traditionele begroetingsdronk te wachten. Vele Amsterdamse burgemeesters hebben in de loop der jaren de grijze maar vitale bisschop op plechtige en eerbiedige wijze welkom geheten, vroeger op het Stadhuis, daarna op de Dam.

Niet alleen Amsterdam weet wat Sinterklaasfeest is. Op de Waddeneilanden gebeurde en gebeurt er ook heel wat. Daar is Sinterklaas een heel apart feest. En daar gebeuren dan de gekste dingen.

Op Ameland heeft men in 1955 danig in het nauw gezeten of een zending buffelhorens wel op tijd zou aankomen. Die zending moest komen van missionaris De Jong in West-Afrika, een neef van wijlen kardinaal De Jong, die evenals zijn neef op Ameland werd geboren. Sinds eeuwen was er vrijwel in ieder huis van dit Waddeneiland ten minste één buffelhoren te vinden. Niemand scheen te weten waar die horens precies vandaan kwamen. Door het intensieve gebruik en het steeds toenemend aantal gebruikers moesten er nieuwe horens komen. Die horens zijn op tijd gekomen. Uit Afrika! Maar waarom? Om er op te blazen. Bij het feest van de Sunde- klazen. Inderdaad, niet te geloven. Maar absoluut waar. Want missionarissen laten wat Afrika en Sint Nicolaas betreft, niet met zich spotten. En zo konden dan de Amelanders op de oude en hun zo vertrouwde wijze Sinterklaas vieren: het feest van de Sundeklazen.

Ameland kent twee Sinterklaasavonden; de eerste op 4 december voor de jongens tot achttien jaar en de tweede of wel de grote Sundeklaasavond op 5 december, wanneer de mannen van boven de achttien jaar de straat op gaan. Let wel: het feest is een zuiver mannenfeest, waarbij een vermomming nodig is. Als een vrouw, zoals dat heet ‘in het pak’ kruipt, heeft zij een bijzonder slechte avond als de mannen dat merken. Mevrouw Van Brakel- Immink, de echtgenote van een Amelander predikant heeft in De Vrije Fries in 1929 beschreven wat er allemaal gebeurt.

‘Bij den echten Hollumer zit de onrust reeds de gehele dag in ’t huisgezin. Te ruim vier uur treft men op alle hoeken der straten, voornamelijk op ‘de Driesprong’ als centrum, troepjes jongemannen, omringd door kinderen, die angstig uitzien en bij elk verdacht witte aanblik uitroepen: ‘daar is er een’ en dan het bekende ba! ba! schreeuwen. Haastig lopend vrouwvolk, die je aan kunt zien dat ze anders zijn dan gewoon, haastig, onrustig, bang sommigen, vreugdevol, angstig. De spanning is er een van ‘vol verwachting klopt ons hart’ voor de te verwachten vreugdevolle avond. Van . . . zullen we ze kennen, wie wel en wie niet, hoe zullen ze zijn en hoeveel …’ Op 4 december, dus de kleine editie, gaan de jongens tegen de schemering de straat op. Zij zijn gehuld in lakens en kleden. Op 5 december komen de grote Sundeklazen, voorzien van de ons nu al bekende buffelhorens en onherkenbaar vermomd. De deuren van allerlei huizen staan voor de Sundeklazen open; in die huizen zit het vrouwvolk. De Sundeklazen kunnen nogal eens hardhandig en doortastend optreden, maar dat hoort er nu eenmaal bij. Het ideaal is onbekend te blijven. Wie dat bereikt, heeft de dag van zijn leven. Iedereen probeert door stemverdraaiing of anderszins zo min mogelijk op zichzelf te lijken. Wat de data 4 en 5 december betreft, nog wel één punt. Het kan vanwege zondagsheiliging ook op 7 en 8 december vallen. Dus vóór het verkleden wel informeren.

Op Terschelling kent men iets soortgelijks. Speciaal in Midsland trekken op 6 december verklede mannen en jongens met rammelende kettingen en veel getoeter door de straten. Vrouwen worden ook hier niet geduld. De deuren staan open en in de huizen worden de rondtrekkende personages getracteerd. ‘Sinterklaes koom krek as op de aest- en noardfriese eilânen in dei letter as op de feste wal, 6 December. Dà wy lyts wanen, ronne dir jongs op de borren grizige Sinterklazen mei grinzen foar, en mei swiere, izeren kettings. ’t Waes akelik om to sjean, mar tige lillike dingen dogen se toch net. It slimste hwat ik wit is, se trokken wol rys troch de krûme schorstienen binne in grette izeren pot fol koitsjende sikkelaet nei boppen: ’t koe dir boppen op sò’n dak eak sò tige kâld wèze.’

Zo vertelt Knop over zijn jeugd op het eiland; een verhaal dat vermoedelijk niet al te veel moeilijkheden bij het vertalen oplevert.

Sint - Nicolaas 4

Op Texel gaat het weer anders toe. Daar zijn ook twee data te vermelden. Op 5 december vindt het huiselijk feest plaats. Een week later wordt Oude Sunderklaas gevierd. Dat is een openbaar feest dat op straat plaats vindt. Als het op 12 december donker begint te worden, stromen verklede en mooi toegetakelde kinderen de straat op. Later op de avond komen de volwassenen. Met iedereen en met alles wordt de draak gestoken.

In De Cocksdorp trekken de Sunderklaasspelers van huis tot huis; daar staan alle deuren open. En zo wordt Oude Sunderklaas een feest van deinende, hossende mensen. De muziek schijnt nooit te stoppen en de feestvreugde lijkt nooit op te houden. Met slechts één doel: onbekend te blijven.

Een aardige variant op het sinterklaasfeest bestond in het Noord-Hollandse dorp Koedijk, waar op oudejaarsavond het feest van de Gouden Engel werd gevierd, dat in vele opzichten herinnert aan wat elders op 5 december gebeurt. Hier reed niet Sinterklaas maar de Gouden Engel rond om zijn geschenken te brengen. Over de oorsprong van deze verlate pakjesavond bestaan veel veronderstellingen. Een van de mooiste is wel dat Koedijk vroeger een vissersdorpje was en dat de vissers pas tegen het einde van het jaar thuiskwamen. Zij konden dus niet eerder het sintnicolaasfeest vieren. De benaming Gouden Engelfeest zou dan ontleend zijn aan het feit dat de mannen met goede vangsten in de thuishaven arriveerden. Zoals het hoort. Maar helaas. Oude Koedijkers weten er nog wel van mee te praten, maar ook in Koedijk komen mensen van elders wonen en dat nam die Gouden Engel niet. En zo is dit ook al weer een feest dat hard aan het verdwijnen is.

Sint Nicolaas is – dat kunnen wij uit de moderne psychologie leren – zo’n overheersende en dominerende persoonlijkheid dat wij er maar al te weinig bij stil staan dat hij – naar men zegt – ook nog een broer heeft gehad, die met hem op reis ging en meehielp bij de uitdeling van de geschenken en versnaperingen op zijn naamdag. Maar – hoe bestaat het? – zij kregen ruzie. Dat was in Friesland onder Irnsum bij de weg naar Grouw. Sint – Nicolaas wilde naar Leeuwarden, maar broerlief wilde eerst naar Grouw. De ruzie ging zover dat Sint-Nicolaas met alle geschenken naar Leeuwarden trok. Broer bleef achter in Irnsum. Wat mismoedig keerde hij terug naar Spanje om geschenken op te halen, omdat hij de kinderen van Grouw niet in de steek wilde laten. De vervoersmogelijkheden waren toen ook voor Sint – Nicolaas’ broer nog zeer beperkt en Sint – Pieter – dat was de naam van de broer – keerde pas op 21 februari in Grouw terug. Dat gebeurt nu nog. Op de vooravond van Sint- Pieter komt deze Sint nog steeds in Grouw aan; een figuur die verdacht veel op Sinterklaas lijkt. Hoe kan het ook anders. Natuurlijk wordt hij toegezongen en uiteraard in het Fries:

Sint Pietersdei,
Dan grienet de wei,
Dan keallet de kou,
Dan leit de hin,
Dan hat de hûsman
It nei syn sin.

Zij die de brave heilige Sinterklaas zo graag aan vruchtbaarheidsriten koppelen, krijgen ook hier hun zin. Het zit er bij Sint- Pieter dik in: de weilanden worden groen, de koe kalft, de kip legt een ei en de boer heeft het naar zijn zin.

Shell Journaal 1972

Vijf december, ha dat is de blijde dag: lied

Sint-Nicolaas: alle artikelen

905

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Oproep

Onderteken ook de Verklaring voor de Vrijeschool

De vrijeschool heeft een groter ideaal dan kinderen voorbereiden op de arbeidsmarkt. De vraag is in hoeverre dat in het huidige onderwijsklimaat nog waargemaakt kan worden. De afgelopen jaren hebben vrijescholen in Nederland veel ingeleverd om in het gesubsidieerde onderwijssysteem te passen. De groeiende vraag naar vrijeschoolonderwijs laat zien dat ouders iets anders willen dan wat de meeste andere scholen bieden. We zijn als schoolbeweging in de positie om veel zelfverzekerder voor ons onderwijs te gaan staan! Met de Verklaring voor de vrijeschool geeft VrijOnderwijs.nl kunnen ouders, leerkrachten en anderen zich hiervoor uitspreken. Het is bedoeld als aanzet tot dialoog over de koers van de vrijeschool in de 21e eeuw. Tevens is het een warm pleidooi om leraren het vertrouwen terug te geven om zelf hun onderwijs te maken en het kind weer echt tot uitgangspunt van het onderwijs te maken.

Lees hier de verklaring en ga naar ondertekenen: 

Lees hier het hele artikel:

http://www.vrijonderwijs.nl/vrijeschool-toon-moed-en-word-wie-je-bent/

Met vriendelijke groet,

Marije Ehrlich

VRIJESCHOOL- 7e klas – geschiedenis

Marco Polo 1

portret van Marco Polo, die door de Venetianen ‘Mijnheer Miljoen Wonderen’ genoemd werd om de wonderbaarlijke avonturen die hij zou hebben beleefd.

MARCO POLO

In het jaar 1261 vertrokken twee Venetiaanse kooplieden vanuit Constantinopel naar Azië. Het waren de gebroeders Mattheus en Nicolaas Polo. Het was hun bedoeling om de binnenlanden van Azië te doorkruisen, waar ze naar nieuwe specerijgebieden zouden zoeken.

Tijdens hun zwerftochten ontmoetten ze ondermeer Koebilaj Khan, de machtige keizer van de Tartaren. Dat gebeurde in 1264 aan het hof van Kambalig (het tegenwoordige Peking). De gebroeders Polo werden er met veel pracht en praal ontvangen, want ze waren de eerste blanken die de oosterse landen bezochten. De keizer wilde alles weten over de gebruiken in de landen van Europa. Vooral de godsdienst in Europa interesseerde de keizer zeer. Drie jaar later vertrokken de Polo’s weer naar hun vaderland Italië. De terugreis verliep een stuk gemakkelijker dan de heenreis, want Mattheus en Nicolaas Polo droegen een gouden amulet bij zich. De keizer had daarop geschreven, dat iedereen hen tijdens hun tocht behulpzaam moest zijn.

WAT WIST MEN VAN AZIË IN DE TIJD VÓÓR MARCO POLO?
In de middeleeuwen was er weinig bekend over de oosterse landen. Er werden ongelooflijke verhalen verteld over vreemde dieren, planten en mensen. Maar wat er waar van was…? Niemand was er ooit geweest.

De kooplieden die handel dreven met de Aziatische landen, kwamen niet verder dan de havens. Daar kwamen de karavanen met oosterse waren, die geruild werden tegen producten uit Europa. Toen men in Europa hoorde dat de Tartaren, onder leiding van hun aanvoerder Djengis Khan, bijna heel Azië hadden veroverd, besloot de paus om enige monniken naar Karakoroem te zenden. Daar bevond zich het hof van de keizer. De paus hoopte op deze manier de woeste Tartaren tot het christendom te bekeren. Eén van de beroemdste monniken, die door de paus naar het oosten werden gestuurd, was Johannes da Pian del Carpine.

In 1245 trok hij door Rusland en Toerkestan naar het rijk der Tartaren. Alles wat hij tijdens zijn lange en vermoeiende reis zag en beleefde, beschreef hij later in zijn boek.

DE EERSTE REIZEN VAN MARCO POLO
In 1269 keerden Nicolaas en Mattheus Polo weer terug naar hun vaderland. Kort daarna vertrokken ze voor een tweede reis naar het Oosten. Ze waren toen in het gezelschap van de jongste zoon van Nicolaas, Marco Polo. De drie dappere Venetianen trokken verder en na een avontuurlijke reis bereikten ze opnieuw het hof van Koebilaj Khan. Ze hadden een bericht van de paus bij zich. De vorst was bijzonder blij met hun komst. Hij raakte gesteld op de jonge Marco Polo, omdat deze een pientere en eerlijke jongeman bleek te zijn. De vorst benoemde Marco tot z’n raadsheer. Hij kreeg zelfs het bestuur over de provincie Sangoej (Nanking). Marco Polo kreeg daardoor de kans om verre reizen te maken door het gebied van Koebilaj Khan. Op deze manier leerde hij de gebruiken van vele volkeren kennen. De vorst vond het niet plezierig dat zijn gasten ten slotte weer naar hun eigen land wilden terugkeren en wist ze vele jaren lang tegen te houden. In het jaar 1292 gingen ze uiteindelijk terug.

Marco Polo 2

De jonge Marco Polo kijkt met zijn vader en oom hoe de schepen voor de reis naar het onbekende Azië worden volgeladen.

‘Meneer Miljoen Wonderen’
Waarom liet Koebilaj Khan zijn gasten ten slotte tóch vertrekken? Hier was een speciale reden voor. De keizer van Perzië had de keizer enkele afgezanten gestuurd met een huwelijksaanzoek voor de prinses. Op de terugreis wilden de Perzische afgezanten graag vergezeld worden door de drie Polo’s want zij hadden natuurlijk een enorme ervaring in het maken van verre reizen. Met tegenzin stemde de vorst toe en zo vertrokken onze wereldreizigers met 14 schepen en 600 man naar het westen. Na vier en een half jaar varen – er waren nog slechts 18 overlevenden – bereikte de vloot eindelijk Perzië. Vandaar ging de reis naar Venetië, waar ze in 1295 aankwamen. Ze waren toen 24 jaar van huis geweest! Marco Polo vertelde z’n avonturen uitvoerig, maar de mensen geloofden hem niet.

Men vond hem een opschepper. De mensen lachten maar een beetje om al die fantastische verhalen en gaven Marco de bijnaam van ‘Meneer Miljoen Wonderen’.

Tijdens een oorlog tussen de handelssteden Venetië en Genua werd Marco Polo gevangengenomen en kwam in een Genuese kerker terecht en ontmoette daar een andere gevangene, Rustichello uit Pisa. Deze tekende de wonderbaarlijke verhalen van Marco Polo op. Toen hij vrijgelaten werd verscheen een boek over de avonturen van de wereldreiziger. De titel van het boek was dezelfde als de bijnaam, die men Marco Polo had gegeven. ‘Meneer Miljoen Wonderen’ stond er in sierlijke letters op het omslag. Het merkwaardige was dat de mensen de verhalen toen wel geloofden.

 

ZO LEEFDEN DE TARTAREN
De Tartaren woonden ’s winters in de dalen, waar voldoende gras groeide voor hun dieren, ’s Zomers gingen ze de bergen in of ze trokken naar valleien waar zich veel water bevond. Wanneer de Tartaren verhuisden braken ze hun houten huizen af en namen deze mee. Voor de verhuizing werden grote karren gebruikt, die waren bedekt met grote kleden, die de regen tegenhielden. De karren werden door ossen of kamelen getrokken. Bovenop zaten de vrouwen en kinderen. Het zwaard en de knuppel waren de wapens van de Tartaren. Maar zij waren het meest gevreesd om hun trefzekerheid met pijl en boog. Als ze eenmaal op hun paard zaten, waren ze onvermoeibaar. De Tartaren konden gerust tien dagen achter elkaar op het paard zitten. Hun enige voedsel bestond dan uit het bloed dat ze uit de aderen van hun paarden zogen.

Marco Polo 3

In gevechten voerden ze een zeer speciale tactiek. De Tartaren deden eerst alsof ze op de vlucht sloegen. Als hun tegenstanders dan overmoedig de achtervolging inzetten, draaiden de Tartaarse ruiters zich plotseling om en bestookten hun vijanden met een regen van pijlen.

Het is niet verwonderlijk dat dit woeste ruitervolk heel China veroverde, met uitzondering van de stad Sanjanfoe.

Deze stad wist al drie lange jaren de aanvaller van de Tartaren af te slaan. Dat de stad ten slotte toch werd veroverd was te danken aan Marco Polo. Hij adviseerde de vorst van de Tartaren om een blijde te gebruiken. Een blijde is te vergelijken met een enorme katapult. Daarmee werden grote stenen over de stadsmuren geslingerd, een blijde was in Europa in de Middeleeuwen een veel gebruikt wapen.

De Tartaren hadden er nog nooit van gehoord. Met behulp van een tekening legde Marco PoLo uit, hoe zo’n wapen werkte.

Onder zijn leiding werden drie blijden gebouw die stenen tot 300 pond konden wegslingeren. Dit werd de stad Sanjanfoe noodlottig. Tegen dit moderne wapen was men niet opgewassen. De stad Sanjanfoe gaf zich ontsteld over.

Aantekeningen van Marco Polo over Azië

Klein-Armenië
De mensen in deze streek
zijn enorme drinkers. Aan zee ligt de stad Lajas, waar zich opslagplaatsen bevinden van goederen en specerijen uit de hele wereld.

Groot-Armenië
Boven op een berg, de Ararat, ligt de Ark van Noach.

Baldac –
Een grote stad, waar de kalief van alle Saracenen woont, zoals in Rome de paus van alle christenen (Bagdad).

Tobris –
Mooiste stad van Irak. Hier worden gewaden gemaakt van zijde en goud. Kooplieden uit alle delen van de wereld bezoeken deze stad.

Balc –
Een stad op de grens van het Tartarenland. Wie verder wil reizen moet veel proviand meenemen, aangezien men gedurende 12 dagen reizen geen onderdak zal vinden.

Balscian –
In deze streek leven wilde rammen met grote horens. Van de horens maken de herders diepe borden. Het is hier zo koud, dat er zelfs geen vogels vliegen.

Tangoet –
In deze provincie verbouwt men rabarber, dat over de hele wereld wordt uitgevoerd.

Kataj –
In deze streek wordt geld gebruikt, dat op papier lijkt. Het zijn zijden blaadjes, waar de stempel van de Grote Khan op staat. In andere gebieden gebruikt men schelpen als betaalmiddel of schijven zout van een half pond.

Sjangli –
Rond deze stad wordt in de bodem zout gevonden. Men graaft de zoute aarde op en laat er water doorheen stromen. Het zoute water wordt in grote ijzeren ketels aan de kook gebracht. Als het water is verdampt, blijft op de bodem van de ketels een laag zout liggen.

Kambalig –
Hoofdstad van het Tartarenrijk van Koebilaj Khan. De Khan woont in een schitterend paleis.

Kipangoe –
Een eiland dat rijk is aan goud. Het schitterende paleis van de keizer is goud belegd (Japan).

Kinsaj –
Betekent in het Chinees: ‘Hemelse Stad’. Het is de hoofdstad van het oude Mantsji-rijk. De stad is net als Venetië op het water gebouwd en er zijn 12.000 stenen bruggen. Elke brug wordt bewaakt door schildwachten.

Sumatra –
Een eiland dat wordt bewoond door bloeddorstige mensen. Geen enkele vreemdeling kan hier binnendringen. De mensen drinken er palmwijn.

Ceylon –
Een eiland waar kostbare edelstenen worden gevonden. De koning bezit de grootste robijn ter wereld. Deze steen is langer dan een hand en dikker dan de arm van een man.

Lar –
Het land van de boeddhisten. Dit zijn de eerlijkste kooplieden ter wereld. Ze eten geen vlees en drinken ook geen wijn. Ze zullen nooit dieren doden, zelfs geen insecten.

Escier –
Het land van wierook. Deze stof wordt uit bepaalde bomen verkregen. Er is een tekort aan graan en andere landbouwgewassen, maar er is vis in overvloed. De bewoners voeden hun dieren met vis.

Aden –
Een provincie met veel steden en kastelen. Veel schepen, die op weg zijn van Indonesië naar Egypte, doen Aden aan.

Ormoes –
Hier leven merkwaardige vogelsoorten, zoals papegaaien. De mensen in Ormoes bouwen onveilige schepen, omdat het hout niet wordt vastgespijkerd. Het hout wordt met draden bevestigd, die gemaakt zijn uit de bast van een notenboom.

Kamadin –
Rondom deze stad ligt een vruchtbaar gebied, waar dadels en paradijsvruchten worden gekweekt. Men heeft er grote ossen, die zo wit zijn als sneeuw. Deze ossen hebben kort haar, dikke horens en een grote bult tussen de schouders (zeboes).

Perzië –
In dit koninkrijk ligt de stad Sava. Vanuit deze stad vertrokken de Drie Koningen om Christus te aanbidden. De Drie Koningen liggen hier in een mooie graftombe begraven.

Mosoel –
Deze stad maakt deel uit van een koninkrijk, waar vele mensen wonen. De grootste stam is die van de aanbidders van Mohammed.

Toerkmenistan –
Hier worden de mooiste tapijten ter wereld gemaakt.

Marco Polo 4

 

Marco Polo

7e klas geschiedenis: alle artikelen

 

904

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Peuter-kleuter – de kindertekening (2)

 

Hier volgen een aantal gezichtspunten die Klara Hatterman, kleuterleidster op de vrijeschool in Hannover, jaren geleden – plaats en tijd onbekend – naar voren bracht over ‘kindertekeningen’.

Voor haar is het duidelijk dat aan de kindertekening de fysieke ontwikkeling van het kind af te lezen is.
Bij de geboorte krijgen wij uit onze erfelijkheid een fysiek lichaam. De vormkrachten, de architect en bouwmeester, het etherlijf genoemd, bouwen het lichaam op. Als geestelijke component nemen Ik en ziel bezit van het lichaam, totdat het totaal omgevormd is tot een persoonlijk lichaam waarin een eigen denken, voelen en vrij willen pas mogelijk worden.
Na onze eerste zeven levensjaren is ons lichaam zo veranderd, dat er geen cel meer is zoals ze uit de erfelijkheid gevormd was.

Kindertekeningen lijken overal ter wereld op elkaar. Wat haar opviel, was hoe sterk lichamelijk gebonden die tekeningen zijn m.a.w. het kind blijkt slechts in staat datgene te tekenen wat er zich in zijn lichaam afspeelt, wat er reeds in dat lichaam werd gevormd. Dat geldt niet enkel voor de tekeningen, maar ook voor het kinderspel.

Het kind groeit geleidelijk vanuit het hoofd en het is dan ook het hoofd dat het eerst omgevormd en geboetseerd wordt door de etherkrachten.

Tussen nul en ongeveer drie jaar zal het kind spiralen en wervelende lijnen tekenen – waarin een enorme dynamiek tot uiting komt. Het tekenblad zal dan te klein voor het kind zijn en muren en tafelblad moeten er dikwijls aan geloven.
Stilaan ontstaan ook verdichtingen: de lichtere kleuren worden a.h.w. overwerveld door donkere. Het kind gaat soms zodanig op in het spel van het donkermaken dat het een gat in zijn papier krast.

In deze periode zie je het kind dikwijls onder een tafel met een doek erover stil in het donker zitten om dan weer in het licht te treden. Een zwart kleurkrijtje in de handen van zo’n een kind zou hem beroven van de belevenis van het zelf verduisteren met behulp van donkere tinten.

Ten slotte groeien uit die wervelende lijnen de aparte lusjes en ringen en eerst als het hoofd volledig gevormd is, tekent het kind de gesloten cirkel. Duidelijk werd dit getoond op de dia (deze ontbreekt helaas als illustratie) waarop het kind de kringen die het tekende opzettelijk “dichtknoopte”. Voordien tekende het kind nog erg afwezig, soms met afgewend hoofd, ongeïnteresseerd. Nu maakt het echter doelbewust het sluitende gebaar. Het ïk-bewustzijn is geboren!

De fysieke grondslag van hoofd en hersenen, de basis voor het denken, is klaar. Dit alles laat zich duidelijk aflezen van de kindertekeningen.

Tussen drie en ongeveer vijf jaar dalen de vormkrachten verder in het lichaam af. De mollige handjes worden gevormder en persoonlijker; de vingertjes krijgen ieder hun eigen karakter. Het ademhalings-en bloedritme begint vaste vorm te krijgen.

In de tekeningen herkent men symmetrie en herhaling. Het kind tekent zogenaamde ladders en kruisingen (bewegingssporen) en levensbomen. De kleur wordt nu belangrijker (voorheen, was het meer een verschil tussen licht en donker).

De eerste mensen worden getekend, eerst nog schuchter; een cirkel met twee kleinere kringetjes; uit dat hoofd schieten daarna stralen. Gaandeweg krijgt het hoofd een lijf, waarin weer ‘ladders” voor komen. Boven en onder worden nu duidelijk aangegeven. Toch zweven de getekende mensenfiguren nog, ze raken de aarde niet en er worden nauwelijks benen of voeten getekend. Met de ontwikkeling van het ritme hangt ook de ontdekking van links en rechts nauw samen; nu is het kind pas in staat met andere kinderen een gesloten kring te vormen en werkelijk samen te spelen.

De fysieke basis voor het voelen is gelegd.

De ontwikkeling van dat ritme moet ook kunnen steunen op een ritmisch dagverloop: vaste uren voor eten, slapen, spel, opruimen, vaste plaats aan tafel, enz.,. Symmetrie en regelmaat zijn dus sleutels om tot een harmonisch gevoelsleven te komen.

Vanaf ongeveer vijf tot zeven jaar wordt de basis voor het vrije willen gevormd. Het stofwisselingssysteem en de ledematen worden door de etherkrachten verder doorkneed. De tekeningen worden bij wijze van spreken realistischer, de mensenfiguren komen langzamerhand op de grond te staan. Pas als het kind zelf goed met de aarde, waarop het zich beweegt vertrouwd is, als het zelf doelbewust, de benen en voeten beweegt, als de laatste en tevens de hardste erfelijkheidsresten, nl. de tanden uitgestoten zijn, is het kind schoolrijp.

Het kind leert houden van de aarde, waarop het als geestelijk wezen gekomen is, het voelt er zich thuis.

De huisvormen en de driehoek vallen nu sterk omlijnd in de tekeningen op. De fysieke vorming is nu volledig. Het melktandengebit, waarin de tanden als kleine pareltjes mooi op een rijtje stonden, is vervangen door het echte gebit. waarin de tanden individueel sterk verschillen. Ook de tenen zijn totaal gemetamorfoseerd.

Werd het kind voordien in zijn spel nog sterk beïnvloed door de dingen uit zijn onmiddellijke omgeving, nu beschikt het kind over vrije voorstellingen. De vormkrachten die het hele lichaam omgevormd hebben, worden tot beeldkrachten. Het kind is nu zelf schepper en tekent wat het uit de vrije voorstelling wil.

In deze eerste zeven jaar ligt de basis voor het verdere leven van het kind. Het is dan ook van het grootste belang dat het kind in die periode behoed wordt tegen elke vorm van intellectualistische benadering; deze wijze van doen zou immers de vormkrachten van het kind stukslaan en denken, voelen of willen zouden hierdoor onvrij en misvormd blijven.

de kindertekening [1]

903