VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (5)

 

Dit artikel uit 1975 heeft – 40 jaar later – nog niets aan actualiteit ingeboet. In tegendeel: met name de hier gesignaleerde milieu-aspecten zijn in deze tijd veel duidelijker. Maar ook de wil onder vele mensen om het anders te doen, is toegenomen.

kunststof of natuurproduct

Kleden we onze kinderen met dralon, nylon of acryl, of zoeken we stad en land af naar wol, katoen of linnen? Geven we ze plastic speelgoed, of zoeken we naar “verantwoord” houten speelgoed?

In onze wegwerp-maatschappij, waarin men op zoek is naar zijn gemak, zichzelf en zijn milieu dreigt te verstikken, zoeken steeds meer mensen naar een gezonde levensstijl. Gezond in voeding, verantwoord in kleding, speelgoed etc. Hoort bij dit zoeken ook het afwijzen van kunststoffen? Volgens het gevoel al gauw “ja”, maar waarom eigenlijk? Is dit gevoel terecht, in hoeverre is het terecht, en waar slaan we door naar de andere kant, in ons verzet tegen alles wat we mis zien gaan?

Laten we eens proberen of we een “waarom” kunnen ontdekken, in wat velen misschien instinctief voelen.

Met een omweg hierheen, wil ik uitgaan van het kleine kind, dat, pasgeboren, alleen en hulpeloos in de wereld staat. Als het niet in de eerste jaren lukt een goed gevoelscontact met de wereld op te bouwen, dan kunnen hieruit ernstige stoornissen ontstaan. Uit onderzoekingen [1] is gebleken dat kinderen in dié tehuizen, waar een slechte vervanging van de moeder tot stand is gekomen, slecht groeien, vaker ziek zijn, zelfs eerder sterven, dan kinderen die door een zorgzame moeder of verzorgster zijn grootgebracht. Dit is goed in te voelen. Een kind dat echte gevoelens ontmoet, kan gezond opgroeien. Zulke gevoelens moeten ook inderdaad echt zijn, van binnen uitkomen. Er mag geen doen — alsof bij zijn, geen surrogaat gevoel, geen imitatie.

Er zijn echter nog meer terreinen, waar ons contact met de wereld wordt opgebouwd, zoals het gebied van onze waarnemingen. Door onze ogen, oren, tastzin, warmtezin, smaak-en reukzin, leren we ook de wereld kennen. En pas als we de wereld kennen zoals hij is, kunnen we hem vertrouwen.

Pas als we dit vertrouwen hebben, kunnen we ons erin bewegen, erin leven, erin werken, erin onszelf zijn. Dit is zó vanzelfsprekend, dat het haast moeilijk is om te zien hoe belangrijk dit is. Probeer je bv. eens voor te stellen dat je ergens gaat wandelen, en bij elke volgende stap moet uitproberen of de bodem je wel kan houden, zoals over één nacht ijs. Behalve dat het eindeloos zal duren voordat je ergens komt, ben je onzeker, en voortdurend met je lijfsbehoud bezig, je kunt geen gesprek meer voeren, niet meer op de vogels letten of dat probleem overdenken waar je mee bezig was. In werkelijkheid vertrouwen we op onze zintuigen, we herkennen een stevige bosgrond. Doordat ruiken, zien, horen, tasten met elkaar in overeenstemming zijn, zijn we zeker van onszelf. Uit ervaring kennen we het verschil tussen bosgrond en water. In water durven we te duiken, als we gezien hebben dat het diep genoeg is.

Stel je eens voor dat je duikt, maar dat het ijs blijkt te zijn? Of dat je in een boom klimt, maar eruit valt doordat de takken breken omdat je de sterkte van het materiaal verkeerd beoordeeld hebt. Als kind bouw je op grond van je waarnemingen je ervaringen op. En je ervaringen geven je zekerheid — als je je waarnemingen kunt vertrouwen.

PLASTIC
Hoe zit dat met bv. plastic gebruiksvoorwerpen? Je pakt een beker op, en tot je verrassing schiet je hand omhoog, omdat je dacht dat ie van steen was, maar van plastic blijkt te zijn. Je hebt z’n gewicht verkeerd geschat. Hij voelt ook anders dan steen, minder koel. Hij gaat ook niet kapot, als hij valt. Eigenschappen, die stuk voor stuk positief of negatief beoordeeld kunnen worden, maar in ieder geval samen een geheel vormen, dat met de wereld zoals we die van nature leren kennen, niet overeenkomt.

Een ding van kunststof, of het nu kleding, speelgoed of een gebruiksvoorwerp is, is een imitatie, maar altijd een gebrekkige. Kunststoffen hebben geen eigen combinatie van eigenschappen, zoals hout, leer, wol, katoen. Kunststoffen zijn de éne keer zacht, dan hard, dan breekbaar, dan doorzichtig, kunnen dan eens niet, dan eens wél krassen krijgen, afhankelijk van het soort imitatie. De combinatie van waarnemingen bij kunststoffen is altijd nieuw, je kunt ze zelden vertrouwen. Wie voelt zich niet gefopt als hij aan een plastic bloem ruikt? Vooral bij jonge kinderen is het goed te bedenken dat mèt het geven van bv. een rammelaar, ook een stuk materiaal gegeven wordt. Leren zijn zintuigen hem een stuk van de wereld kennen, of een stuk imitatie? Kan hij met dit materiaal bruikbare ervaring opdoen, om vertrouwen tot de wereld op te bouwen, of is het een imitatie-ervaring? Net zoals bij de gevoelsontwikkeling van belang is of het gevoel echt is, is het bij waarnemingen van belang of de waarneming “echt” is, of een imitatie.

Het net-echte van vele kunststoffen is altijd maar net-echt voor enkele eigenschappen. Vaak alleen voor het oog. Namaakleer lijkt in enkele eigenschappen precies op echt leer, maar niet in alles. Je ruikt gelukkig nog of het wel of niet echt is. Maar je ogen kun je al niet meer vertrouwen. Het geheel van eigenschappen maakt dat het niet “echt” is, dat het imitatie is. Ook wat de kosten betreft. Niet toevallig zijn de meeste kunststoffen goedkoper: namaakleer is goedkoper dan echt leer, nylon is goedkoper dan wol, plastic is goedkoper dan zilver of staal. Dat betekent, dat veel dingen zo gemaakt worden, dat als er iets aan kapot is, je het beter kunt weggooien dan het laten repareren. Weggooien is het goedkoopste. Dit geldt voor kleding, speelgoed, keukengerei, tot technische apparaten toe. Dit werkt in de hand dat je minder hecht aan je spullen, minder gevoelsbanden met je omgeving aanknoopt, onverschilliger voor je omgeving wordt. Hoort bij een gezonde ontwikkeling ook niet een goed gevoelscontact met de dingen? Een duurzaam gevoelscontact? Wie kan er houden van plastic lepels? En wie van de zilveren lepels, die je nog van je grootmoeder hebt gekregen? En zeg eens eerlijk, wie kan er nog geroerd raken bij de aanblik van bontgekleurde elektrische kaarsjes, die we niet meer aan hoeven te steken, die niet druipen, die we niet meer uit kunnen blazen? En hoe lang [2] zal het nog duren voordat we een namaakkerstboom hebben, die niet uitvalt, geen kale plekken heeft, geen…?

Gebruik van kunststof werkt het scheppen van een na-maak-wereld in de hand. Namaak-hout, namaak-bont, namaak-haar, namaak-wol, het is allemaal “alsof”. En er is al zoveel “alsof”’ in de wereld. We doen zoveel “alsof” tegen elkaar, en we zoeken er juist naar dat masker van het alsof te laten vallen.Moeten we dan ook in onze materialen het alsof-idee niet vermijden? Het doen-alsof is natuurlijk niet aan kunststoffen gebonden, maar we kunnen ons wel afvragen in hoeverre we met kunststoffen bezig zijn met een doen alsof.

Zeker zijn er ook gebieden waar kunststoffen wèl hun plaats hebben, zoals in industrie en techniek waar juist de combinatie van eigenschappen die kunststoffen hebben, hen onvervangbaar maken. Maar dan is het ook geen alsof-gebruik meer.

In het bovenstaande zijn alleen maar bepaalde kanten van
kunststofgebruik bekeken. Niet ter sprake kwam bv. het milieu-aspect. Wat betekent het niet kunnen vergaan in de kringloop van de natuur? Bijna alle producten die uit natuurstoffen gemaakt zijn, kunnen weer in de natuur opgenomen worden. Dit kan vrijwel nooit met kunststoffen. Ook het directe gezondheidsaspect kwam niet ter sprake. Van belang is bv. dat kunststoffen zeer brandbaar zijn, waar je bij de keuze van huisraad en kleding rekening mee kunt houden. Van meer dagelijks belang is het, dat kunststoffen vrijwel geen vocht opnemen, ze “ademen” niet. Voor mensen met een gevoelige huid kan dit een huiduitslag opleveren (nylon ondergoed). Bij baby’s is het gebruik van plastic luierbroekjes erg bevorderlijk voor het ontstaan van luiereczeem. Zo zijn er nog meer kanten aan het kunststofgebruik, zowel positieve als negatieve.

Maar ik hoop dat het gelukt is voor enkele gezichtspunten het gebruik van kunststoffen uit de sfeer van vóór en tegen te halen, zodat we met meer bewustzijn voor onszelf kunnen uitmaken waar kunststoffen wèl, en waar ze niet op hun plaats zijn.

 
B.W. Jonas 17-01-1975

[1] Bij het verschijnen van dit artikel was dit nog niet bekend:
In zijn boek ‘Mijn brein denkt niet, ik wel’ zegt de auteur Arie Bos:

Plasticiteit van verbindingen
Maar hoe komen die hersenen zo slim? Wel, daar hebben wij zelf voor gezorgd. Natuurlijk, we moeten het om te beginnen doen met wat we bij de geboorte hebben meegekregen. Maar dan begint het pas echt. We moeten ze gebruiken. En daarmee veranderen we de hersenen, dankzij de ‘plasticiteit’ van de hersenen. Natuurlijk doen we dat niet in ons eentje. Daar hebben we hulp bij gehad. Zeker in onze kindertijd doen we niets in ons eentje. De geschiedenis heeft ooit iets laten voorvallen dat dit zichtbaar heeft gemaakt. De orbitofrontale hersenen, achter het voorhoofd boven de ogen, zijn bij de geboorte namelijk nog niet helemaal ontwikkeld. Die worden ontwikkeld doordat we onze hersens gebruiken, bijvoorbeeld door te reageren op de omgeving en opvoeders. Er is in Roemenië, ten tijde van Ceaucescu, een tragisch ‘real-life-experiment’ gedaan in de weeshuizen aldaar, dat aantoonde hoe belangrijk dit is. De kinderen lagen in ledikantjes met hoge schotten en kregen van de verzorgers alleen de fles maar verder geen enkele aandacht. Het resultaat van zo’n situatie zien we hier (afb.1):

hersenscan verwaarloosde kinderen

 

hersenontwikkeling in normale drie jaar oude kinderen (links) en bij extreme verwaarlozing (rechts)

Wat je hier ziet is dat niet alleen de hersenen niet gegroeid zijn, maar dat ook de hersenkamers (ventrikels) vergroot zijn, evenals de groeven tussen de windingen. Aan de grootte van de schedel wordt tegelijkertijd duidelijk dat de groei van de hersenen de groei van de schedel bepaalt. De kinderen vertoonden allerlei stadia van retardatie. Niet aangeboren dus, maat veroorzaakt door verwaarlozing. Omgekeerd levert veel stimulerend en liefdevol contact met de opvoeders juist extra groei van zenuwcellen op. (S.Gerhardt ‘Why love matters. How affection shapes a baby’s brain’ (2004))

[2] Inmiddels zijn deze volop te koop.

In de jaren ’80 kende ik een ouderpaar wiens pasgeboren kindje naar het ziekenhuis moest: geelzucht. Het had aanhoudend een te lage lichaamstemperatuur. Onder- en bovenlakentjes/dekentjes waren voornamelijk van kunststof. De moeder, die zich een krantenartikel uit 1979 herinnerde,  nam op zeker ogenblik het wollen onderdekentje van thuis mee en legde dat ongezien – wol mocht niet!!! – verpakt in een echt lakentje onder haar baby. De temperatuur steeg dezelfde dag nog. Dat was in 1980.

In 1979 was dit echter al bekend:

Te vroeg geboren baby’s groeien en slapen beter op dekentje van lamswol

Een te vroeg geboren baby die niet op het gebruikelijke ziekenhuislaken maar op een warm, zacht dekentje van lamswol te rusten wordt gelegd, groeit sneller, slaapt beter en verliest minder lichaamswarmte. Dat is de conclusie van een Engels onderzoek op de Universiteit van Cambridge. Maar ook normale, voldragen baby’s die een met lamswol „beklede” wieg hebben, voelen zich daarin overduidelijk meer op hun gemak dan op een strak gespannen laken. Het resultaat: ze huilen minder en slapen beter. „Geen wonder ook”, zegt dr. Martin Richards, de leider van het Engels onderzoek. „Ik kan me goed voorstellen dat een baby een ondergrond waarin hij of zij zacht wegzinkt verre prefereert boven een hard laken dat vaak nog koud is ook”.

In Cambridge legde dr. Martins gedurende zo’n twee weken zes baby’s de ene dag op het gebruikelijke ziekenhuislaken en de andere dag op een lamswollen dekentje. Aan het eind van elke dag werden de kleintjes gewogen. Met verbazingwekkende resultaten. Dr. Martins: „Onze verwachtingen werden verre overtroffen. Per dag groeiden de baby’s 30 gram op lamswol tegen 20 gram op laken. Een verschil van 50%.

Bovendien huilden ze minder en lagen ze rustiger. Ik kan me voorstellen dat de isolerende werking van lamswol de baby’s warmer houdt. En als ze dan rustiger zijn in hun slaap kan de energie van de voeding worden omgezet in groei. Maar dat verklaart het verschil maar voor een deel”.

„Ik denk dat deze baby’s vooral hard groeien, omdat ze gewoon gelukkiger zijn. Op lamswol zien ze er ook meer tevreden uit en ik kan me goed voorstellen dat het voor een baby geen pretje is om in een couveuse op de nogal harde katoenen lakens te liggen die gewoonlijk worden gebruikt”. Dr. Richards hoopt meer onderzoek te doen naar de effecten van lamswol bij voldragen baby’s.

 

peuter/kleuter: alle artikelen

 

909

 

Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (5)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Peuter- kleuterklas – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s