Maandelijks archief: augustus 2018

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (1-2)

.

Broertje of zusje op komst

Met de komst van een tweede kind verandert de structuur van je gezin vaak ingrijpend.
Wanneer je rondom de bevalling dan ook even niet zo sterk in je schoenen staat, kan een jengelende peuter je snel te veel zijn. Wat gebeurt er eigenlijk met een peuter als zich een broertje of zusje aandient?
Peuterjuf Joyce Honing neemt een kijkje achter de schermen van het jonge gezin.

De moeder van Sharon is hoogzwanger van haar tweede. Ze vertelt me stralend dat alles klaar is voor de baby. Ze verheugt zich op de laatste maand, waarin ze zich in alle rust kan voorbereiden op de bevalling.
Een paar dagen later zie ik haar langzaam en dromerig het schoolplein op lopen met Sharon aan de hand. Ik sta voor het raam van het peuterklasje en zwaai naar ze. Sharon zwaait terug en trekt aan haar moeders arm om haar te wijzen op juffie die zwaait. De moeder glimlacht naar haar, maar haar blik is niet bij het kind en niet bij de juf, maar ergens ver weg. Sharon voelt dat die glimlach niets te maken heeft met wat zij haar mamma te zeggen heeft. Ze trekt woedend haar hand los, geeft een fikse stomp op de dikke buik van haar moeder en rent het klasje in. Haar moeder is zeer ontdaan. Ze begrijpt niets van deze reactie. De laatste dagen gedraagt Sharon zich vaker zo onmogelijk. Vreemd, want ze was toch juist zo blij over de komst van het nieuwe kindje.

Kleine tiran

Als juf maak je het natuurlijk regelmatig mee dat een peuter een broertje of zusje krijgt. Voor de peuter betekent dat vaak een vrolijke en opwindende tijd. Het hele gezin komt in beweging om de nieuwe baby te ontvangen: de babykamer wordt ingericht, de wieg bekleed, luiers worden gewassen en gevouwen en de peuter wordt bij alles betrokken. Voor hem is dit alles een feest, want beweging is zijn element. Dan breekt de laatste zwangerschapsmaand aan. Vaders zijn opgelucht dat alles in orde is en moeders tevreden dat ze de rust krijgen die ze zo vlak voor de geboorte hard nodig hebben.

En dan slaat de peuter om als een blad aan de boom. Hij wordt lastig, gilt om het minste geringste en maakt een drama van eten en slapen. Hij voelt feilloos aan dat hij niet meer de gebruikelijke aandacht van zijn moeder krijgt en weet ook, zoals Sharon met de klap op haar moeders buik liet zien, waar die aandacht wel naar toegaat. Er wordt een kleine tiran in hem wakker, die de aandacht van zijn moeder koste wat kost naar buiten wil trekken.

Veel kan je aan deze situatie niet veranderen, want hoe dichter bij de bevalling komt, hoe meer ruimte je innerlijk nodig hebt voor de enorme gebeurtenis die de komst van een kind is. Het enige wat je kunt doen is het liefdevol gadeslaan van de kleine tiran in de wetenschap dat zowel hij als jij nu even niet anders kunnen.

Verwondering

Vaak gaan ouders ervan uit dat hun peuter, die zo vol vreugde meedeed met alle voorbereidingen, zich net als zij erg op de komst van een broertje of zusje verheugt. Maar een klein kind kan zich nog niet echt verheugen op iets dat het niet kent. We zijn, in ons enthousiasme om het geheim van het in de buik groeiende wezentje te begrijpen, geneigd de peuter van alles uit te leggen en hem mee te nemen naar het maken van de echo in het ziekenhuis. ‘Kijk,’ zegt de dokter, terwijl hij op de monitor wijst. ‘Kijk, daar klopt het hartje’. Maar een peuter weet nauwelijks waar zijn eigen hartje zit en in plaats van dichter bij zijn ongeboren broertje of zusje te komen, ervaart hij vervreemding.

Precieze uitleg maakt de wereld voor het kind niet begrijpelijker. De essentie – en ook de schoonheid – van de kindertijd ligt juist in de verwondering over het mysterie waarvan hij zelf laagje voor laagje de sluiers afhaalt. Een gezonde ontwikkeling betekent dan dat een kind antwoord vindt op vragen op het moment dat het daaraan toe is. Tot die tijd mogen zon, maan en sterren een hemels geschenk zijn en mag een baby door de engelen of de ooievaar worden gebracht.

Baby bij de vuilnis

Voor de peuter is het het beste als de bevalling ver buiten zijn bewustzijn om plaatsvindt. De meeste peuters kunnen het lijden van hun moeder niet aanzien. Ze zullen woede voelen naar de baby omdat die hun moeder pijn heeft gedaan. Bovendien oriënteert een klein kind zich nog helemaal op zijn ouders en kan het geen afstand nemen van de emoties en de onzekerheid die nu eenmaal onvermijdelijk bij een bevalling horen.

En dan is hij er eindelijk, de baby. De peuter kijkt in de wieg en is teleurgesteld. Want hadden zijn ouders hem niet verteld hoe leuk hij met het kindje zou kunnen spelen? Nu ziet hij daar een klein, onbekend wezentje liggen dat alleen maar slaapt of huilt. De peuter zal tijd nodig hebben om helemaal vanuit zichzelf van de baby te gaan houden. Veel ouders zijn teleurgesteld als ze merken dat dit niet zonder problemen verloopt.

Zo vertelde een vader ontzet dat hij op een ochtend vroeg wakker werd en zijn dochtertje op de overloop aantrof met de baby in haar armen. Buiten klonk het geluid van de vuilniswagen. ‘Pap,’ zei ze, ‘ik zet de baby maar bij de vuilnisbak, want hij brengt zoveel rommel in huis’. Dat is een schokkende, maar rake observatie van de peuter. Ritme en regelmaat zijn in de eerste maanden na de geboorte ver te zoeken, alles is nog een beetje rommelig.

Door het moeilijke gedrag van de peuter begin je als ouder al snel te twijfelen aan je pedagogische kwaliteiten, en aan het verlies van je greep op het dagritme beleef je een onvermogen het gezin draaiende te houden. Je vraagt je vertwijfeld af hoe die moeders met tien kinderen dat vroeger deden, want jij bent al doodmoe van twee.

Moment voor jezelf

Soms kan het goed zijn te bedenken dat het appèl dat kinderen tegenwoordig op hun ouders doen ook werkelijk een stuk groter is dan vijftig jaar geleden. Peuters en kleuters van nu zijn veel wakkerder en uitgesprokener aanwezig. Het liefst loopt een peuter als een schaduw achter zijn moeder of vader aan om te zien wat deze aan het doen is. Dan werkt het niet als je tegen hem zegt dat hij nu lekker moet gaan spelen terwijl jij aan het werk gaat. Hij speelt pas als hij genoeg voeding voor zijn spel heeft gevonden, en die haalt hij vooral uit het meedoen met de dagelijkse bezigheden van zijn ouders. Maar zeker een moeder die net een baby heeft gekregen, valt het vaak zwaar weer terug te komen in het patroon van dagelijkse dingen. Door de bevalling zit ze even wat minder stevig in haar vel. Ze heeft het gevoel alsof ze nog niet helemaal met beide voeten op de grond staat

.Vaak vertellen moeders dat hun dagen zo gevuld raken door de eisen die de kinderen aan hen stellen dat ze, als ze eindelijk een moment voor zichzelf hebben, niet weten wat ze ermee moeten doen. In zo’n geval kan het helpen als je je iedere ochtend voorneemt om twee momenten op de dag naar eigen keus in te vullen. Daar laat je je door niets van afbrengen, ( ook al huilt de baby en is de luierwas groter dan anders. Voorwaarde is natuurlijk dat de keuzen in principe haalbaar zijn. Kleine stappen werken beter dan grote. Het is bijvoorbeeld niet zinvol meteen een studie op te pakken, ’s Avonds kijk je dan terug op de dag om te zien of je ook werkelijk hebt gedaan wat je jezelf had voorgenomen. Als het lukte, sterkt dat het gevoel weer greep te krijgen op de dagen. Lukte het niet, dan kun je proberen er achter te komen waardoor het je uit handen is gevallen. En zodra je wat vastere grond onder de voeten krijgt, kun je ook voor je peuter weer extra aandachtspunten inbouwen.

.
Joyce Honing, Weleda Puur Kind, nr.3 1999

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1598

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-7-1)

.

Wat de kleur in de tekst betreft:
groen is tekst van Steiner
zwart/schuin is tekst van anderen
zwart/recht is vertaald door mij
blauw is mijn tekst

Enkele gedachten bij blz. 41 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

DE SPRONG IN DE ONDERBROKEN ZENUWEN

Wir haben allerdings selbst in der leiblichen Offenbarung einen dreifachen Ausdruck dieser Sympathie und Antipathie. Gewissermaßen drei Herde haben wir, wo Sympathie und Antipathie ineinanderspielen. Zunächst haben wir in unserem Kopf einen solchen Herd, im Zusammenwirken von Blut und Nerven, wodurch das Gedächtnis entsteht. Überall, wo die Nerventätigkeit unterbrochen ist, überall, wo ein Sprung ist, da ist ein solcher Herd, wo Sympathie und Antipathie ineinanderspielen.

En nu zijn ons zelfs op drie plaatsen in ons lichaam de sym­pathie en antipathie geopenbaard. We hebben in zekere zin drie centra waarin sympathie en antipathie met elkaar in wisselwer­king zijn.

Ten eerste is er in ons hoofd zo’n centrum, waar door het samenwerken van bloed en zenuwen het geheugen ontstaat. Overal waar de activiteit van de zenuwen onderbroken is, over­al waar een sprong is, daar is zo’n centrum waar sympathie en antipathie met elkaar in wisselwerking zijn.
GA 293/40
vertaald/41

Toen ik dit in 1970 las, had ik geen flauwe voorstelling van deze ‘sprong’, bijv. En tijdens het werken aan deze voordracht in de pedagogische vergadering heb ik nooit iemand hier een bredere verklaring voor horen geven.
Toch was daarover ook tijdens Steiners leven al iets bekend. 

Pas met de vlucht die het hersenonderzoek de laatste decennia heeft genomen, is er veel meer duidelijk geworden.

Oud-antroposofisch huisarts Arie Bos, schrijver van o.a. ‘Mijn brein denkt niet, ik wel‘, en ‘Gebruik je hersens’, schreef een artikel ‘Kneedbare hersenen‘ waarin hij naar Steiner verwijst, een voordracht van 2 december 1917 (GA 179/14, waarin Steiner al over ‘een sprong’ spreekt. 

Bos: De Spaanse histoloog (weefselonderzoeker) Ramon y Cajal zag dankzij een nieuwe manier van kleuring van hersenweefsel dat hersenen niet, zoals tot dan toe gedacht, uit een aaneengesloten netwerk van zenuwvezels bestond, maar dat de op elkaar volgende zenuwen elkaar net niet raken. Consternatie alom! De verbinding die de geleiding van de elektrische prikkel van de ene zenuw naar de andere moet verzorgen bestaat dus uit een spleet (synaps)! Niemand die toen nog snapte wat daar aan de hand was, laat staan wat de verreikende betekenis van deze vondst was. Al had Ramon y Cajal blijkbaar al wel een idee toen hij in een lezing zei dat “mentale oefening bijdraagt aan de ontwikkeling en de groei van zenuwen in de hersenen”. Het werd in de jaren tachtig een stuk duidelijker, dankzij onderzoek op de zeeslak.’

Ik heb niet kunnen vinden of Steiner het werk van Cajal of diens tijdgenoot Golgi, kende.

De huidige techniek maakt het mogelijk dat we ons een voorstelling kunnen maken van – hier – de opening, de synaps, tussen twee zenuwbanen:

Stefan Leber behandelt in zijn boek dit onderwerp uitgebreid en citeert Schmidt/Thews: ‘Physiologie des Menschen’  blz. 45:

Leber:
Untersucht man das Gehirn und damit das zentrale Nervensystem
(ZNS), fallen zwei Tatsachen auf. An seiner Oberfläche erscheint es wie gefaltet; nachembryonal nimmt die Furchung (Sulci) zu, die Wölbungen (Gyri) treten immer plastischer hervor. Diese Oberflächenschicht besteht aus Nervenzellen (Neuronen), die einerseits Reize empfangen, andererseits Reize an andere Zellen weiterleiten, allerdings selektiv, also keineswegs unverändert. Dabei kann eine einzige Zelle unzählige Berührungen mit anderen Zellen eingehen (bis zu 10.000 sind bei einer Zelle gezählt worden). Jede dieser Berührungsstellen bildet so etwas wie eine Sprungstelle, Synapse genannt. Denn der Impuls oder Reiz läuft als elektrisches und damit mess- bzw. ableitbares schwaches Potenzial entlang der Nervenausläufer; am Ende, an der Synapse, verschwindet dieser Impuls und wird in einen chemischen Vorgang verwandelt: Transmittersubstanzen werden von der Synapse in den flüssigkeitsgefüllten Synapsenspalt abgegeben und lösen in der anliegenden Synapse (dem Ausläufer einer anderen Zelle oder gelegentlich auch der eigenen) wieder einen chemischen Prozess aus, der wiederum nach der Synapse längs des Ausläufers zu einem elektrischen Impuls führt. Hensel 1966, S. 71. Nun ist es so, dass die Impulse längs der Neuriten unverändert entlang laufen, dass aber an ihnen mehrere Informationsströme verbunden werden (Vermaschung) eine räumliche und zeitliche Speicherung stattfindet eine Verstärkung oder Drosselung, d.h. Umformung des Informationsgehaltes erfolgt. In alle Sinnesnerven sind solche Sprünge eingeschaltet, je nach Sinnesorgan verschieden. Desgleichen finden sich in den eigentlichen Verarbeitungszentren im Gehirn zahlreiche Synapsenbildungen, von denen schon gesprochen wurde. Auch die von den so genannten motorischen Zentren ausgehenden Efferenzen sind unterbrochen.

Wanneer je de hersenen onderzoekt en daarmee het centrale zenuwstelsel, vallen twee dingen op. De oppervlakte lijkt geplooid; na het embryonale stadium worden meer groeven gevormd, de windingen worden plastischer. Deze oppervlaktelaag bestaat uit zenuwcellen (neuronen) die enerzijds prikkels ontvangen, anderzijds prikkels aan andere cellen doorgeven, in ieder geval selectief, dus geenszins vastliggend. Daarbij kan een enkele cel talloze contacten met andere cellen aangaan (tot wel 10.000 zijn er bij één cel geteld). Ieder van deze contactplaatsen zijn gevormd als een soort sprongplaats, synaps genoemd. Want de impuls of prikkel loopt als elektrisch en daarmee meet- resp. afleidbaar zwak potentieel via de zenuwuitlopers; aan het eind, bij de synaps, verdwijnt deze impuls en wordt omgezet in een chemisch proces: transmitterstoffen worden door de synaps afgegeven in de vloeistof in de synapsspleet en roepen in de aangrenzende synaps (de uitloper van een andere cel of soms ook van de eigen uitloper) weer een chemisch proces op, dat opnieuw naar de synaps via de uitlopers tot een elektrische impuls leidt.
Nu is het zo dat die impulsen onveranderd langs de neurieten lopen, maar dat ze wel met meerdere informatiestromen verbonden worden (netwerken), er een ruimtelijke en tijdelijke opslag plaatsvindt of een meer of minder sterk worden, d.w.z. omvorming van de informatie-inhoud volgt. In alle zintuigzenuwen zijn dergelijke sprongen ingeschakeld, bij elk zintuigorgaan verschillend. Op een zelfde manier vind je in het eigenlijke verwerkingscentrum in de hersenen talrijke synapsverbindingen, waarover al werd gesproken. Ook de vanuit de zgn. motorische centra uitgaande efferente zenuwen zijn onderbroken.

Schema van de chemisch synaptische overdracht. Het actiepotentiaal in de zenuwvezels depolariseert de pre-synaptische zenuweinden. Daardoor komt het vrij worden van transmitterstof op gang die zich door de synaptische spleet verspreidt en die zich aan de receptoren van de post-synaptische cel kan binden. De binding veroorzaakt het openen van membraankanalen waar specifiek ionen doorheen kunnen stromen en een post-synaptische potentiaalverandering veroorzaken

Leber haalt dan Steiner aan uit dezelfde voordracht waaruit Bos hierboven citeert:

Nun entsteht aber die Frage: Warum ist der Nervenstrang unterbrochen? – Er ist unterbrochen aus dem Grunde, weil wir, wenn er nicht unterbrochen wäre, nicht eingeschaltet wären in den ganzen Vorgang. Nur dadurch, dass gewissermaßen der Impuls hier an der Unterbrechungsstelle überspringt … sind wir selbst drinnen in der Welt, dadurch sind wir bei diesem Impuls dabei. Würde er einheitlich sein, würde nicht hier eine Unterbrechung sein, so wäre das ganze ein Naturvorgang, ohne dass wir dabei wären.

Nu onstaat de vraag: waarom is de zenuwbaan onderbroken? Als de zenuwen niet onderbroken zouden zijn, zouden wij niet ingeschakeld kunnen zijn in het hele proces van de hersenenacitivteit. Alleen door het feit dat de impuls hier bij de plaats waar de onderbreking is, overspringt, zijn wij zelf aanwezig in de wereld, daardoor zijn wij zelf bij deze impuls aanwezig.

Of, met de woorden van Bos:
Als de zenuwen niet onderbroken zouden zijn geweest, zouden wij niet ingeschakeld kunnen zijn in de werking van de hersenen. Daardoor zijn we er zelf bij.

Leber:
Steiner wendet sich gegen die allgemeine Vorstellung, eine Wahrnehmung werde zum Gehirn geleitet und dort umgeschaltet, wodurch die Bewegung als Antwort auf den Eindruck zu gelten habe; mit anderen Worten: an der Synapse könne die intendierte Bewegung auf den «motorischen» Nerven übergehen und durch diesen auf die Muskulatur übertragen werden. Vielmehr wird – so Steiner – der Bewegungsimpuls schon am Beginn des afferenten Nervenabschnittes mit der sich dort bildenden Vorstellung verbunden.

Steiner verzet zich tegen de algmene voorstelling dat een waarneming naar de hersenen geleid wordt en daar verandert, waardoor de beweging het antwoord op de indruk zou zijn; m.a.w. bij de synaps zou de bedoelde beweging op de ‘motorische’ zenuwen overgaan en door deze overgeleid worden naar de spieren. Veel eerder – aldus Steiner – wordt de bewegingsimpuls al aan het begin van het afferente zenuwdeel met de zich daar vormende voorstelling verbonden.

Leber:
Wenn ich also beispielsweise an einem Baum einen Apfel hängen sehe und die Hand ausstrecke, um ihn zu pflücken, ist gleichsam schon in dem Apfel der Bewegungsablauf enthalten, der von der Hand vollzogen werden muss. Es werden also schon am Apfel Vorstellungs- und Bewegungsimpuls zu einem Einheitlichen.

Wanneer ik dus bijv. een appel aan een boom zie hangen en mijn hand uitstrek om die te plukken, zit de afloop van de beweging die mijn hand moet maken,  a.h.w. al in de appel. Dus in de appel worden voorstellings- en bewegingsimpuls tot eenheid.

‘Wenn ich eine Hand bewege, dadurch veranlasst, dass ein äußerer Sinneseindruck auf mich gemacht worden ist, dann liegt der Impuls, dass diese Hand bewegt wird, vereinigt von der Seele mit dem Sinneseindruck, schematisch dargestellt, schon bereits hier», d.h. am Ort des Sinneseindrucks 

Wanneer ik mijn hand beweeg, veroorzaakt doordat iets van buitenaf op mijn zintuigen werkt, ligt de impuls dat mijn hand zich beweegt, door mijn ziel met de zintuigindruk tot eenheid gemaakt, schematisch voorgesteld al hier’ d.w.z. op de plaats van de zintuigindruk. [In onderstaande tekening bij a]

Leber:
Dieses Geschehen wird einheitlich in der gesamten Nervenbahn, das heißt prä- und postsynaptisch wahrnehmend «gespiegelt»;

Deze activiteit wordt in z’n geheel in de totale zenuwbaan, d.w.z. pre- en post-synaptisch waarnemend ‘gespiegeld’.

in Rudolf Steiners Worten: :

In de woorden van Steiner:

Und dasjenige, was geleitet wird, wird auf den ganzen sensitiven Nerven und den so genannten motorischen Nerven entlang geleitet von a bis zu b. Das ist nicht so, dass der Sinneseindruck erst bis zu c geht und dann von da aus einen Befehl gibt, damit b dazu veranlasst werde – nein, wenn ein Willensimpuls stattfindet, lebt das Seelische schon befruchtet bei a und geht durch den ganzen unterbrochenen Nervenweg durch.

En wat geleid wordt, wordt langs de gehele sensitieve zenuwen en de zgn. motorische zenuwen geleid van a naar b. Het is niet zo dat de zintuigindruk eerst naar c gaat en dan vandaaruit een bevel geeft, zodat b actief wordt – nee – wanneer er een wilsimpuls is, is de ziel al impulserend bij a en gaat door de hele onderbroken zenuwweg heen.’

Leber:
Wie der Bewegungsimpuls unmittelbar in die Muskulatur eingreift, entzieht sich dem Bewusstsein, denn was in der Nervenbahn sich abspielt, ist ja nur eine gewissermaßen gespiegelte Wahrnehmung des Geschehens, nicht die Veranlassung der Bewegung. Der Muskel kommt nicht durch Nervenimpulse, sondern durch den Astralleib in Bewegung.

Hoe de bewegingsimpuls direct in de spieren ingrijpt, onttrekt zich aan het bewustzijn, want wat zich in de zenuwbaan afspeelt, is alleen maar een gespiegelde waarneming van wat er gebeurt, niet de aanzet tot de beweging. De spier komt niet door de zenuwimpuls, maar door het astraallijf in beweging.

Wenn wir eine Vorstellung mit einem Willensimpuls zusammen formen in a, so wird dieser Impuls von a aus weitergeleitet. Indem er von c auf d [die Synapse] überspringt, schwächt sich das Ganze so ab für unser Bewusstsein, für unser bewusstes Erleben, dass wir das Weitere, was wir nun in uns erleben, die Erhebung der Hand und so weiter, nur mit der geringen Intensität des Bewusstseins erleben, die wir sonst auch im Schlafe haben. Wir sehen das Wollen erst wiederum, wenn die Hand sich bewegt, wenn wir wieder von einer anderen Seite her eine Sensation haben. 

Wanneer we een voorstelling vormen samen met een wilsimpuls in a, dan wordt deze impuls van a uit verder geleid. Wanneer hij van c op d [de synaps] overspringt, wordt het geheel voor ons bewustzijn, voor ons bewuste beleven zoveel zwakker dat we wat er nog komt, wat we in ons zelf beleven – het uitstrekken van onze hand  enz. – slechts de geringe intensiteit van het bewustzijn beleven, die we anders ook in de slaap hebben. We zien de wil pas weer, wanneer de hand zich beweegt, wanneer we van de andere kant uit iets beleven.

Steiner wiederholt dann noch einmal, dass wir eigentlich nur mit demjenigen Teil unseres Wesens, welcher vor den Synapsen liegt, wachen; was dahinterliegt, also der post-synaptische Teil wird von uns «verschlafen».

Steiner herhaalt dan nog een keer dat we eigenlijk alleen met dat deel van ons wezen dat vóór de suynapsen ligt, wakker zijn; wat erachter ligt, dus het post-synaptische deel wordt door ons ‘verslapen’.

Es folgt eine entscheidende Formulierung: 

Er volgt een doorslaggevende formulering:

«Und alles dasjenige, was nun unter der Nervenunterbrechungsstelle liegt, wird von der geistigen Welt heraus direkt gebildet, geschaffen.»

En alles wat maar onder [wat hij met ‘unter’ bedoelt is mij niet helemaal duidelijk] de zenuwonderbreking ligt, wordt direct vanuit de geestelijke wereld gevormd, geschapen.
GA 179/12-17
Niet vertaald

Wenn Sie verfolgen, sagen wir zum Beispiel einen Nerv, der von irgendeiner Stelle des Leibes nach dem Rückenmark geht, so finden Sie für jeden solchen Nerv auch einen anderen, oder wenigstens annähernd für jeden solchen Nerv auch einen anderen, der irgendwoher wiederum zurückführt irgendwohin. Die Sinnesphysiologen nennen das eine einen sensitiven Nerv, das andere einen motorischen Nerv. – Uber den Unsinn dass es sensitive und motorische Nerven gäbe, habe ich ja des öfteren schon gesprochen. Aber das Wichtige ist, dass eigentlich jede ganze Nervenbahn an dem Umfang des Menschen entspringt und wiederum zum Umfang [gemeint ist die Körperperipherie, etwa die Haut] zurückgeht, aber irgendwo unterbrochen ist, wie ein elektrischer Draht, wenn er einen Funken überspringen lässt. Das ist eine Art Uberspringen, ein sensitives Fluidum von dem so genannten sensitiven bis zu dem sogenannten motorischen Nervenanfang. Und an den Stellen – solche Stellen sind sehr viele, in unserem Rückenmark zum Beispiel, und in anderen Partien unseres Leibes – sind auch die Raumesstellen, wo der Mensch sich nicht allein selber angehört, wo er dem Weltenall angehört. Wenn Sie alle diese Orte miteinander verbinden, dazu auch die Ganglien des Sympathikus nehmen, dann bekommen Sie diese Grenze, auch leiblich-physiologisch diese Grenze. Sodass Sie sagen können: Sie halbieren gewissermaßen den Menschen – es ist dieses mehr als die Hälfte – … und betrachten ihn wie ein großes Sinnesorgan, betrachten das Aufnehmen durch die Sinne überhaupt als die Sinnesempfänglichkeit, das Verarbeiten durch den Verstand als eine weitere feinere Sinnestätigkeit, das Entstehen der Erinnerungsbilder als Nachbilder, die aber bleibend sind für das Leben zwischen Geburt und Tod, weil aufgestoßen wird, wenn die Erinnerung sich bildet, an dem Weltenäther. Unser eigener Äther stößt an den Weltenäther auf, und es finden Auseinandersetzungen zwischen uns und dem Weltenäther statt.
Der andere Teil des Menschen ist der, welcher gewissermaßen zu seinem Endorgan die Gliedmaßen hat. …

Wanneer we bijv. een zenuw volgen die van de een of andere plaats in het lichaam naar het ruggenmerg loopt, vind je voor elk van die zenuwen ook een andere, of tenminste bijna voor elk van die zenuwen, ook een andere die ergens weer naar elders loopt. De zintuigfysiologen noemen dat een sensitieve zenuw, de andere een motorische.
Over de onzin dat er sensitieve en motorische zenuwen zouden bestaan, heb ik het al vaker gehad. Maar het belangrijke is dat eigenlijk iedere totale zenuwbaan aan de buitenkant van de mens ontspringt en daar weer naar terugkeert, [bedoeld wordt de lichaamsperiferie, dus de huid] maar ergens onderbroken is, zoals een elektriciteitsdraad, wanneer die een vonk over laat springen.
Dat is een vorm van overspringen, een sensitief fluïdum van de zgn. sensitieve naar het zgn. motorische zenuwbegin. En op die plaatsen – die zijn er heel veel, bijv. in ons ruggenmerg en in andere delen van ons lichaam – bevindt zich ook de ruimte waar de mens niet alleen zichzelf behoort, maar waar hij ook bij het wereldal behoort. [Hier krijg ik sterk de indruk dat het dezelfde plaats betreft die Steiner in GA 179 beschrijft en dus de synapsspleet zou zijn – de plaats ‘waar we er zelf bij zijn‘.]
Wanneer je al deze plaatsen met elkaar verbindt, daarbij ook de gangliën [ganglion (een oudere definitie): een opeenhoping van zenuwcellen waarin de prikkels van het aanvoerend deel van de zenuw door de ganglioncellen worden overgenomen en door het afvoerend deel van de zenuw verder geleid. In de Algemene menskunde wordt ook het woord Ganglien gebruikt en vertaald met ‘zenuwknoop’.] van de sympathicus neemt, dan krijg je die begrenzing, ook lichamelijk-fysiologisch. Zodat je zou kunnen zeggen: je halveert de mens in zekerer zin – het is wel meer dan de helft -en beschouwt hem als een groot zintuigorgaan, zie het in zich opnemen door de zintuigen vooral als het ontvankelijk zijn van de zintuigen; het verwerken door het verstand als een verdere fijnere zintuigwerking, het ontstaan van de herinneringsbeelden als nabeelden, die echter blijvend zijn voor het leven tussen geboorte en dood, omdat we, wanneer de herinnering gevormd wordt, in aanraking komen met de wereldether [aufstossen = er tegenaan stoten, op botsen, raken, maar ook ontmoetenOnze eigen ether ontmoet de wereldether en er vindt uitwisseling tussen ons en de wereldether plaats. [auseinandersetzen = o.a. zich uitvoerig met elkaar bezighouden].
Het andere deel van de mens is het deel dat in zekere zin als eindorgaan de ledematen heeft….
GA 194/128ff
Vertaald (geen gebruik gemaakt van de vertaling)

Hoewel het moeilijke materie blijft, lijkt het erop dat we toch een stukje ‘dichterbij’ komen wat betreft de opmerking van Steiner: 

Zunächst haben wir in unserem Kopf einen solchen Herd, im Zusammenwirken von Blut und Nerven, wodurch das Gedächtnis entsteht.

Ten eerste is er in ons hoofd zo’n centrum, waar door het samenwerken van bloed en zenuwen het geheugen ontstaat.

De plaats waar geheugen ontstaat zou dus – dat blijkt uit wat hierboven naar vorenkomt – de synapsspleet te zijn, ‘waar we er zelf bij zijn’, waar onze ether de wereldether ontmoet.
Dat zou dan het ‘fluïdium’ zijn: dat wat zich tussen de synapsen bevindt. Dan zou daar ook bloed aanwezig moeten zijn.

Leber bevestigt dit:

Die Begegnung von Blut und Nerv erfolgt physiologisch im Synap-
senspalt. Während sonst, wie schon dargestellt, eine Blut-Hirn-Schranke vgl. S. 239 besteht – die fetten Hüllschichten der Nervensubstanzen weisen das Wässrige (Blut) ab -, wird der Synapsenspalt von einem feinen Flüssigkeitsfilm ausgefüllt, der, auch wenn er keine Zellen aufweist, physiologisch als Blut zu betrachten ist. Blut und Nerv berühren sich hierdurch unmittelbar; damit kann sich der vergangenheits- und der zukunftsorientierte Mensch in die dort zum Bewusstsein gelangenden Vorgänge einschalten. Im Kopfbereich hat man es mit dem Bewusstsein zu tun:
Hier hat der Träger des Bewusstseins seinen Sitz, während der Wachzeiten ist der Mensch hier eingeschaltet, bewusst teilnehmend und erlebend anwesend.

Het samengaan van bloed en zenuw vindt fysiologisch plaats in de synapsspleet. Terwijl in het andere geval bloed en zenuw van elkaar gescheiden worden – de vettige hulsellagen van de zenuwsubstantie houden het waterige bloed af – bevindt zich in de synapsspleet een dunne vloeistoffilm die, ook al zitten er geen cellen in, fysiologisch als bloed beschouwd moet worden. Bloed en zenuw komen hierdoor direct met elkaar in contact; zo kan de mens die zich op het verleden en op de toekomst richt deel hebben aan de daar tot bewustzijn komende activiteiten. In het gebied van het hoofd heb je te maken met bewustzijn:
Hier heeft de drager van het bewustzijn zijn plaats, tijdens de wakkere uren is de mens hier ingeschakeld, bewust deelnemend en meebelevend aanwezig.

Zie over de synaps

Gezien de ingewikkeldheid van alles, beweer ik zeker niet dat het zo is zoals ik hier bij elkaar zet. Ook voor mij is dat vrij nieuw. En alles roept weer nieuwe vragen op: hoe is het bijv. met de opmerking van Leber dat de synaps gevuld is met ‘bloed’, zij het dan in een heel bijzondere vorm. Wat zegt de wetenschap daarover: ik heb het nog niet kunnen vinden.De antipathie die Steiner in dit verband noemt, zien we in een vorm van wakker, voorstelling, geheugen; de sympathie is minder duidelijk, gekoppeld aan het willen, waarvan hier wordt gezegd dat de impuls na ‘de sprong’ voor ons bewustzijn snel ‘slaperiger’ wordt.

Kun je aanvullen, uitbreiden? Je bent van harte uitgenodigd.

Wat bijv. als je je afvraagt wat er voor belangrijks moet gebeuren in de synaps wil het mogelijk zijn dat daar geheugen ontstaat. Welke elektrische vonken moeten overspringen van ‘de ene naar de andere kant’. Dan vraag je eigenlijk: welke neurotransmitters moeten dan worden geactiveerd. Maar wie activeert die en waardoor? Doen wij dat zelf als ‘Ik’. 
Dat is wel het antwoord van Bos: 

In 2003 publiceerde de neurowetenschapper Joseph Ledoux zijn boek ‘The synaptic Self’, waarin hij tot op de laatste molecuul uitlegt wat er gebeurt in de synapsen. Elke ervaring die wij hebben of zelf veroorzaken zorgt ervoor dat bepaalde synapsverbindingen worden versterkt en andere verzwakt, zodat die ervaring als het ware zich een nieuwe weg baant in het zenuwnetwerk van de hersenen. Er ontstaan nieuwe circuits. Hij gaf zijn boek dan ook de ondertitel ‘Hoe onze hersenen worden wie wij zijn’ mee. Dat is andere koek dan automatisch reageren. Hij zegt eigenlijk dat wij zelf onze hersenen vormgeven. Dat wordt de plasticiteit (‘kneedbaarheid’) van de hersenen genoemd. Ramon y Cajal had dat al voorzien: wij kunnen dat zelf actief doen.

En laten wij bij de opvoeding, bij het lesgeven de kinderen niet van alles ervaren. Om welke ervaringen gaat het dan en maakt het iets uit hoe iets wordt ervaren? Of op welke leeftijd?

En als we dat zelf actief kunnen doen, hoe laten we dan in de opvoed- of onderwijssituatie de kinderen dit actief doen?

Dus: op zoek naar antwoorden op deze vragen!

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1597

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-7)

.

Enkele gedachten bij blz. 40 – 41 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Nadat Steiner een kleine samenvatting heeft gegeven van antipathie en voorstellen, sympathie en wil,

blz. 40

Nun merken Sie schon an dem, was ich jetzt hier entwickelt habe, daß eigentlich das Menschenwesen nur begriffen werden kann im Zusammenhange mit dem Kosmischen. Denn indem wir vorstellen, haben wir das Kosmische in uns. Wir waren im Kosmischen, ehe wir geboren wurden, und unser damaliges Erleben spiegelt sich jetzt in uns; und wir werden wieder im Kosmischen sein, wenn wir die Todespforte durchschritten haben werden, und unser künftiges Leben drückt sich keimhaf t aus in dem, was in unserem Willen waltet. Was in uns unbewußt waltet, das waltet sehr bewußt für das höhere Erkennen im Kosmos.

blz. 40 vert.

Nu merkt u al aan hetgeen ik hier ontwikkeld heb, dat het wezen van de mens eigenlijk alleen begrepen kan worden in samenhang met het kosmische. Want als we ons voorstellingen maken, hebben we het kosmische in ons. We waren in de kos­mos voordat we geboren werden en onze belevenissen van toen spiegelen zich nu in ons; en we zullen weer in de kosmos zijn wanneer wij door de poort van de dood zijn gegaan; ons toe­komstige leven wordt uitgedrukt in de kiem die werkt in onze wil. Wat in ons onbewust werkt, dat werkt – voor het hogere kennen zichtbaar – zeer bewust in de kosmos.

gaat hij op ‘micro-niveau verder’. Je zou je af kunnen vragen waarom hij dat doet. Hebben we er iets aan voor ons pedagogisch handelen, komt het ergens terug in de didactiek. 
Meteen aan het begin van het tweede morgenuur gaat Steiner ermee verder en maakt ‘deze ontmoeting van antipathie en sympathie’ zeer concreet voor wat het spreken betreft, wat klinkers en medeklinkers zijn. En dat mondt weer uit in de methode die Steiner geeft om de kinderen het schrijven en lezen aan te leren.

Dat hij er hier zo fysiek op ingaat, kan gelegen zijn in het feit dat het voor hem een vanzelfsprekendheid is dat geest en ziel zich lichamelijk manifesteren en dat hij ook dit manifest worden wil laten zien. In vele – niet alleen de pedagogische – voordrachten – spreekt hij daarover in deze trant:

Alles Seelische drückt sich aus, offenbart sich im Leiblichen, (   ) Sie müssen den ganzen Menschen verstehen lernen: geistig, seelisch und leiblich.

Alle zielenroerselen drukken zich uit, openbaren zich in het lichaam. (  ) U moet de gehele mens leren begrijpen: naar geest, ziel en lichaam.
GA 293/38  39
vertaald/38  39     zie 14; 25; 36; 50; 88; 104 in ‘wegwijzers

Of, dat het wellicht de consequentie is van ‘we moeten ons tot in de basis bewust zijn van wat we doen‘(blz.27).

Wir haben allerdings selbst in der leiblichen Offenbarung einen dreifachen Ausdruck dieser Sympathie und Antipathie. Gewissermaßen drei Herde haben wir, wo Sympathie und Antipathie ineinanderspielen. Zunächst haben wir in unserem Kopf einen solchen Herd, im Zusammenwirken von Blut und Nerven, wodurch das Gedächtnis entsteht. Überall, wo die Nerventätigkeit unterbrochen ist, überall, wo ein Sprung ist, da ist ein solcher Herd, wo Sympathie und Antipathie ineinanderspielen.  Dann ist wieder ein solcher Sprung in den Ganglienhäufchen, die in die sympathischen Nerven eingebettet sind. Wir sind gar nicht so unkomplizierte Wesen, wie es scheinen mag. An drei Stellen unseres Organismus, im Kopf, in der Brust und im Unterleib spielt das hinein, da sind Grenzen, an denen Antipathie und Sympathie sich begegnen. Es ist mit Wahrnehmen und Wollen nicht so, daß sich etwas umleitet von einem sensitiven Nerven zu einem motorischen, sondern ein gerader Strom springt über von einem Nerven auf den anderen, und da- durch wird in uns das Seelische berührt: in Gehirn und Rückenmark. An diesen Stellen, wo die Nerven unterbrochen sind, sind wir eingeschaltet mit unserer Sympathie und Antipathie in das Leibliche; und dann sind wir wieder eingeschaltet, wo die Ganglienhäufchen sich entwickeln im sympathischen Nervensystem.

En nu zijn ons zelfs op drie plaatsen in ons lichaam de sym­pathie en antipathie geopenbaard. We hebben in zekere zin drie centra waarin sympathie en antipathie met elkaar in wisselwer­king zijn.

Ten eerste is er in ons hoofd zo’n centrum, waar door het samenwerken van bloed en zenuwen het geheugen ontstaat. Overal waar de activiteit van de zenuwen onderbroken is, over­al waar een sprong is, daar is zo’n centrum waar sympathie en antipathie met elkaar in wisselwerking zijn.

Ten tweede is er zo’n sprong in het ruggenmerg, bijvoorbeeld waar één zenuw de achterwortel van het ruggenmerg binnengaat en een andere de voorwortel uitgaat.

Ten derde is er zo’n sprong in de zenuw­knopen die ingebed zijn in het sympathische zenuwstelsel.

Wij zijn beslist niet zulke ongecompliceerde wezens als we lijken. Op drie plaatsen in ons organisme – in het hoofd, in de borst en in het onderlichaam – speelt zich dat af, zijn er grenzen waar sympathie en antipathie elkaar ontmoeten. Met waarnemen en willen is het niet zo dat er iets van een sensitieve zenuw naar een motorische zenuw wordt omgeleid, maar er springt recht­streeks een stroom van de ene zenuw over op de andere en daardoor wordt in ons, in de hersenen en in het ruggenmerg, de zielenwereld aangeroerd. Op deze plaatsen waar de zenuwbanen onderbroken zijn, zijn wij met onze sympathie en antipathie verbonden met het lichaam; en dat zijn we ook op de plaatsen waar de zenuwknopen zich in het sympathisch zenuwstelsel ontwikkelen.
GA 293/40-41
vertaald/41

Zelf heb ik ervaren dat ik bij de bestudering van de ‘Algemene menskunde’ deze passages snel passeerde, simpelweg omdat ik me er weinig bij kon voorstellen. Dankzij de stand van de wetenschap op m.n. het terrein van de neurologie, van het hersenonderzoek, is er veel meer bekend waardoor ook deze beknopte opmerkingen van Steiner beter begrepen kunnen worden. 

Steiner is er in andere voordrachten uitvoeriger en gedetailleerder op ingegaan. Deze voordrachten en de uitleg van Stefan Leber in zijn ‘Kommentar’ heb ik gebruikt om e.e.a toe te lichten en te verdiepen.

Over de  ‘3 haarden’ gaat het in [2-7-1]  [2-7-2]  en [2-7-3], nog niet oproepbaar.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1596

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-3)

.

Zie voor een inleiding op deze artikelen deel 1

Een artikel – vanuit weer andere motieven – over het basisinkomen stond op 7 juli 2018 in Trouws Letter en Geest.

Prof. dr D. Brüll over arbeidsloos inkomen

Salaris moet geen statusaffaire zijn

‘En waar ploegen we voor en waar zwoegen we voor, voor de gele trui’. Zomaar een kampliedje. Dat we niet met z’n allen voor de gele trui aan het ploeteren zijn behoeft geen betoog, maar kies je die trui, als symbool voor een premie die volgt op een geleverde prestatie, dan begeven we ons al aardig op het terrein van ons arbeidsethos, dat wil zeggen de waardering die wij in ruil voor onze arbeid krijgen.

Een waardering die binnen ons economisch systeem in geld uitgedrukt wordt. De veronderstelling dat de correlatie tussen arbeid en inkomen opgeheven zou moeten worden, vindt steeds groter wordende aanhang. Prof.dr.J.Kuiper, hoogleraar sociale geneeskunde aan de V.U. te Amsterdam liet tijdens een
conferentie van het Nederlands Instituut voor Psychologen zijn gedachten omtrent dit onderwerp de vrije loop. Hij pleitte voor het arbeidsloze inkomen. Iedereen zou vanuit de zekerheid van een gegarandeerd inkomen de vrijheid hebben zijn arbeid zelf te bepalen.

Patricia Penrhyn Lowe, interviewer:

De voordracht van Prof. Kuiper past in de huidige sfeer van stijgende werkloosheid, die een groot aantal mensen geneigd is structureel te beschouwen.

Prof. dr. D. Brüll, hoogleraar in het belastingrecht aan de G.U. te Amsterdam:

Of we het grote aantal werklozen als structureel of incidenteel verschijnsel zien, hangt ervanaf hoe we met de werkloosheid omgaan. Als we arbeid als een marktartikel blijven zien om vervolgens in te grijpen als er iets mis is, dan is de werkloosheid incidenteel; dan zullen we er ondanks depressies en hoogconjuncturen telkens weer in slagen de werkloosheid te bedwingen.

Zien we het probleem van de werkloosheid op langere termijn, in het kader van de technische ontwikkeling en de milieuverontreiniging, dan zal er op den duur veel minder werk voor de mens zijn en dan hangt het van ons af of we dit probleem laten uitmonden in werkloosheid of in minder werk per dag per persoon. Dat laatste zal dan tevens moeten inhouden dat we geen
wegwerpproductie meer plegen; dan kunnen we ons huidige welvaartspeil best handhaven met een uur of twee-drie werk per dag per persoon. Daarmee wordt dan ook de voornaamste oorzaak van de milieuvervuiling weggenomen.

Wat verstaat u onder wegwerpproductie?

Het kunstmatig opschroeven van onze productie, hetgeen een enorme verspilling in de hand werkt. Auto’s zouden bijvoorbeeld l.OOO.OOOkm. inplaats van 100.000 km. moeten meegaan; onze scheermesjes niet na één keer maar na honderd keren pas bot moeten zijn.

Maar in hoeverre kunnen we ons veroorloven het bijltje er maar bij neer te gooien terwijl de ontwikkelingslanden nog niet eens in hun minimum bestaan kunnen voorzien?

Dat onze consumptieartikelen ook naar de ontwikkelingslanden gaan is waar, maar de kwaliteit verschilt niet van de onze. Zij krijgen precies dezelfde wegwerpproducten die wij ook krijgen. Met dit verschil dat de westerse consument zich aanpast, die raakt zo beïnvloed door de massa-media dat hij niet anders meer weet en het zelfs plezierig vindt dat hij wegwerpartikelen krijgt. De westerse mens zal moeten inzien dat we met onze productiemethode aan de grens van onze mogelijkheden zijn gekomen en dat hij dus ook aan andere consumptiegewoonten zal moeten wennen.

Met andere woorden: hij moet het plezierig gaan vinden dat hij geen wegwerpartikelen krijgt?

Je kunt geen duurzame producten kopen als ze niet gemaakt worden! Dan zet de mentaliteitsverandering in. Ik geloof niet dat we die ombuiging van de individuele consument mogen verwachten. Die kunnen we wel verwachten van de collectieve consumenten, door middel van druk van de consumenten-organisaties. Als we gaan beseffen dat we met onze productiemethode aan de grens van onze mogelijkheden zijn gekomen, dan zullen we er andere consumptiegewoonten op na móeten gaan houden, plezierig of niet.

Zou de overheid dan niet eerst maatregelen moeten gaan nemen, met andere woorden: staatsinmenging in onze economie’.

Dan zou je het Russische systeem krijgen: een ander uiterste, dat verspilling van geheel andere aard in het leven roept en wel door bureaucratie. Wederom verspilling van mens en materiaal!

(Zelf ambtenaar, ‘want een hoogleraar is tenslotte ook een ambtenaar’, heeft Prof. Brüll een kijkje kunnen nemen in ons ambtelijk apparaat.

‘Met wat voor een slakkentempo het daar toegaat alvorens een beslissing wordt genomen. Precies dezelfde inefficiëntie wat voortbrenging betreft, maar nu niet wat de producten, doch wat de productie betreft.’)

Zou met de mentaliteitsverandering ten aanzien van onze productiemethode Kuipers’ visie tot de realiteit kunnen gaan behoren? Met andere woorden, dat we niet meer werken om te leven, maar ‘zelfs’ kunnen leven als we er niet voor werken?

Voor mij zijn Kuipers’ ideeën symptomatisch. Hij wijst op iets, dat langzamerhand ‘an der Zeit’ is; dat komende is. Ik bedoel de ontkoppeling van arbeid en inkomen. Die ontkoppeling wordt vereist door twee factoren:

De ene factor is, dat onze arbeidsverdeling zoals die zich heeft ontwikkeld, een kwantitatieve relatie tussen individuele arbeid en product onmogelijk maakt. Aan een willekeurig product hebben doorgaans zo’n 100.000 mensen meegewerkt. Dat realiseren de meeste mensen zich eenvoudig niet. Maar dan wordt het eenvoudig dwaas de prestatie van de één hoger te waarderen dan die van de ander. Met z’n allen hebben ze hetzelfde product tot stand gebracht. En dat houdt in dat ons hele systeem op de helling moet.

De andere factor is typisch voor die gelederen, die Kuiper zelf vertegenwoordigt: medicus, docent.

Als medicus besef je: je kunt je uiterste best doen, en toch kan de patiënt dood gaan. Op dit werkterrein — en dat geldt voor het gehele gebied van het geestesleven —, kun je geen relatie leggen tussen datgene wat je doet en de waarde die het maatschappelijk heeft. Het succes van de handeling van een arts bijvoorbeeld hangt af van de individuele ontwikkeling van de mens, waarop die handeling gericht is. U kunt als leraar voor een klas staan en al die kindecen hetzelfde onderwijs geven, maar toch wordt de één een misdadiger en de ander een genie . . .

De samenhang tussen deze twee factoren ligt hierin, dat ons hele economische leven op dit moment niet meer bepaald wordt door de natuur. De natuur die door de arbeid wordt veranderd speelt geen dominante rol meer; thans overweegt de arbeid die door de geest georganiseerd wordt — om de begrippen van Steiner te gebruiken. Dit organiseren van arbeid door de geest is arbeidsverdeling, maar tegelijkertijd de essentie van datgene wat wij een vrij beroep noemen. Daar gaat het niet meer om de bewerking van de natuur, maar uitsluitend om de ontwikkeling van geestelijke prestaties.

De geest leidt de mens dan ook in zijn arbeid?

Zo zou je het kunnen zeggen . . .Maar hier ligt geen wezenlijk verschil tussen industriële arbeid en vrij beroep. Plaats de arbeider op een andere wijze aan de lopende band, opdat het nog vlugger gaat, en je laat arbeid organiseren door de geest!

Het woord ‘geest’ wordt meestal weggelaten; we spreken alleen over ‘organiseren’. Maar wat is dat dan wel? Onze hele arbeidsverdeling is gebaseerd op het principe dat de geest, de ingenieusiteit van de mens, de arbeid voortdurend aan het organiseren en reorganiseren is.

Om toch zo efficiënt mogelijk te kunnen werken?

Om zó efficiënt te kunnen werken dat de productie enorm stijgt. Waardoor eerst dingen mogelijk worden die anders niet eens mogelijk zouden zijn. Natuurlijk, er blijft een stuk natuur, dat de mens nog werkelijk moet bewerken, dus arbeid die de natuur omvormt; maar dat stuk is even onontbeerlijk als het in het geheel van de economie ondergeschikt is geworden.

De mens mag de natuur dus niet gaan bezitten?

Dat is een gevolg dat er uit voortvloeit. Arbeid maakt natuur eerst tot een product, geest doet arbeid er méér producten van maken. Een groeiend economisch apparaat is gericht op een relatief van steeds minder betekenis wordende natuur. Dit fenomeen ligt ten grondslag aan mijn overtuiging, dat we met 2 à 3 uur werken per dag per persoon op dit moment best klaar komen. Waarom? Omdat de arbeid zodanig georganiseerd is dat het vlug kan gaan. Men heeft berekeningen gemaakt hoeveel mensen er op dit moment dag in dag uit zouden moeten werken als we geen computers hadden; daar zijn niet eens voldoende mensen voor!
— Maar dat betekent andersom dat dit hele apparaat weer afhankelijk is van de beschikking over de natuur. Alleen al vanuit dit gezichtspunt is het maatschappelijk niet aanvaardbaar, dat men over de natuur als particulier eigenaar naar willekeur kan beschikken.

Nu komen we juist door die vergaande mechanisatie terecht in een situatie waarin steeds minder mensen werken voor een grote groep niet werkenden. Worden deze beide groepen dan niet lijnrecht tegenover elkaar geplaatst?

Dat zou zo kunnen lopen, maar hoeft geenszins. Bij wijze van overgang zou men aan een soort arbeidsdienst kunnen denken, waarin ieder mens zijn dagelijks kwantum van twee à drie uur werkt. Bij zo’n korte tijdsduur is de aard van de arbeid die de mens verricht helemaal niet belangrijk meer.

Een andere methode die mij voor ogen staat en die mij veel humaner lijkt, gaat uit van de gedachte, dat de mens voor zijn medemens wil werken. Dat is de mens aangeboren, dat merk je al bij de werkloosheid van dit moment. De mensen vinden die niet in de eerste plaats erg omdat ze als werkloze op minder geld aanspraak kunnen maken, maar omdat ze het gevoel hebben buiten de maatschappij te staan.
Je zou moeten kunnen spreken van een recht van de mens om twee à drie uur per dag voor zijn medemens te mogen werken.

Zijn er dan toch geen mensen die zich menen aan deze vorm van ‘naastenliefde’ te moeten onttrekken?

Natuurlijk zijn er mensen die zullen zeggen: ‘nou jongens, als ik toch een arbeidsloos inkomen krijg, dan ga ik niet werken’. Welk probleem we van twee kanten kunnen benaderen. Economisch gezien kunnen we, overeenkomstig de opvattingen in Amerika van een paar jaar geleden, zeggen: ‘Laten we iedereen een minimum inkomen geven, dan komen in de industrie tenminste alleen gemotiveerde mensen werken’. De grotere efficiency, die hiervan het gevolg is, levert meer op dan nodig is om degenen, die niet willen werken, te onderhouden.
Aan de andere kant leven we in een maatschappij die miljoenen neertelt om gehandicapten in ’t leven te houden; om misdadigers op te bergen a raison van zo’n f 250 per dag. Een dergelijke maatschappij kan zich dan ook die enkele mens best veroorloven, die zo ziek is dat hij niet voor z’n medemens wil werken.

Wat vindt u van de gedachte dat we allang een gegarandeerd inkomen hebben in de vorm van onze sociale verzekering?

Dat is inderdaad zo. De dingen die we uit inzicht op dit moment zouden moeten invoeren, zijn ondergronds allang aanwezig. Uiteindelijk dringen ze ook wel naar de oppervlakte.
Voert men iets niet uit inzicht in, dan komt het karikaturaal te voorschijn. Van de huidige sociale wetgeving kunnen we theoretisch zeggen:‘Dat is iets prachtigs’. Maar kijken we naar de werking ervan op de subjectieve mens, dan moeten we wel beamen dat die werking meestal funest is. Zolang wij nog een maatschappij hebben die inkomen en arbeidsprestatie aan elkaar koppelt, leeft zelfs in diegene die arbeidsschuw is de behoefte, om dan maar binnen het rijk der sociale wetten, er zo veel mogelijk voor zichzelf uit te slepen; precies zo als een ander dat in de fabriek doet. En dat zal zo blijven, zolang arbeid aan loon is gekoppeld; zolang inkomen een statusaffaire is.

Waar moet de werkloze zijn gevoel voor eigenwaarde dan aan ontlenen?

Daar ligt de kern van de zaak. Eerst moeten we ons afvragen waarom er jacht naar geld bestaat. Een klein dagelijks voorbeeld: de befaamde verhouding van de huisvrouw en haar ‘parel’, de werkster.
Waarom gaat zo’n mens op een gegeven moment weg? Hoe verloopt zo’n proces? Het eindstadium zal ongetwijfeld ruzie over geld zijn, maar die heeft met het probleem meestal niets te maken. Het begint doorgaans zo, dat de werkster zich als mens niet geaccepteerd voelt. Dat kan ze vaak niet eens uiten, dat is een onbestemd gevoel en het enige punt waarop ze dat ontevreden-zijn kan projecteren is . . . het loon.

Dit eenvoudige voorbeeld gaat op voor onze hele mannen-maatschappij. De man die zich niet gerespecteerd acht, die zich in zijn eigenwaarde niet bevestigd voelt, die geen mensen om zich heen vindt die het bijzondere zien dat hij aan zichzelf beleeft. Die man gaat op zoek naar compensatie. En die vindt hij in het loon.

Maar dat betekent ook, dat naarmate je werk minder betekenis krijgt, je je eigenwaarde op een ander gebied zult moeten zoeken, en dan komen we op het probleem terecht van de vrijetijdsbesteding.

Ik kan me voorstellen dat u geen aansluiting vindt bij welke politieke partij dan ook.

Politieke partijen plegen zich aan te passen aan datgene wat onder de bevolking leeft. Maar dat is maar de helft van de waarheid want wat ‘onder de bevolking leeft’ is manipuleerbaar. En omdat de mens altijd het gemakkelijkst in zijn laagste instincten is aan te spreken maakt een partij daar gebruik van. Zo kom je in een vicieuze cirkel terecht. En dan kan je eenvoudig constateren, dat van alle behoeften van de bevolking de financiële het eenvoudigst te bevredigen zijn. En daarom is het wel zo eenvoudig om de mensen op dit geldelijke belang te fixeren.

Maar er is wel degelijk een teken aan de wand dat grote groepen het niet langer meer geloven. Zodra dit ‘nee’ zeggen opkomt, datgene wat Böll heeft omschreven als ‘Leistungsverweigerung’, die prestatie weigeren, die de overheid van je verwacht en eist, dan gaat het vlug. En dan komen er ook ineens partijen, die het aantrekkelijk vinden achter het ‘nee’ te gaan staan.

Is de invoering van de partiële leerplicht een symptoom in deze richting of eerder een tijdelijk wegbergen van potentiële arbeidskrachten?

Helaas lijkt de partiële leerplicht ook al een wapen in de strijd tegen de werkloosheid te worden. Dat neemt niet weg, dat ook een vals motief wel eens tot goed resultaat kan leiden. Rudolf Steiner heeft in 1919 al gezegd, dat ieder menswezen het recht zou moeten hebben tot z’n 18e onderwijs te genieten. Ongespecialiseerd onderwijs, gewoon om zich te ontwikkelen.

De aanleiding voor de overheid kan minder plezierig genoemd worden, maar het verschijnsel zelf van uitbreiding van de leerplicht is alleen maar toe te juichen.

Maar een mentaliteitsverandering bij de jeugd ten aanzien van de partiële leerplicht heeft mijns inziens nog niet plaats gehad.

Deze jonge mensen zijn niet gemotiveerd. En dan is het de vraag of partiële leerplicht zin heeft. We moeten haast maken met het systeem van de middenschool, zodat kinderen tot hun 16e jaar eerst algemeen onderwijs krijgen. Het zou helemaal ideaal zijn als ze daarmee door zouden kunnen gaan tot hun 18e. Geef de menen een goede school en ze komen er graag. Nu hebben ze meestal het gevoel stenen voor brood te krijgen.

Tenslotte komt het gesprek op de socioloog Tellegen, die zijn hoogleraarssalaris tot een minimum beperkte.

Prof. Brüll voelt er niet veel voor zijn eigen inkomen bijvoorbeeld tot de helft te beperken, in die zin dat de overheid dan de andere helft zou mogen houden. Dat vindt hij geen efficiënte bestedingswijze, ‘ondanks het volkomen juiste gevoel dat erachter zit’ De kans dat die helft met het grootste gemak in staatsgruttenbrij verdwijnt acht prof. Brüll erg groot. Hij meent dat je daartegen met een zeker overschot enorm veel op de been kan helpen, dat door financiële tekorten te gronde dreigt te gaan. Je kunt dan bijvoorbeeld slechts die instellingen steunen waarin alle hiërarchische verhoudingen zijn afgeschaft. Bovendien gaat het geld dan naar bestemmingen waarvan je zelf het gevoel hebt, dat het het meest vruchtbaar werkt.

‘Laten wij op die manier initiatieven steunen, die door een sociaal ideaal gedragen worden, zij komen op in individuen, zij leven ons dat ideaal voor en dan begint men ook eindelijk weer te geloven dat de mens een menselijk wezen is.’
.

Interview van Patricia Penrhyn Lowe met Prof.Dr.D.Brüll, Jonas 9-5-1975

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

 

1595

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Waarschuwing: valse informatie op Wikipedia

.

Waarschuwing: valse informatie op Wikipedia

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde – vruchten (2)

.

Wilde vruchten in bossen en langs wegen

Aan het eind van de zomer rijpen de vruchten. Als we daar in de komende winter van willen genieten moeten we nu actief worden. Allerlei soorten sap en jam kunnen we maken. Een aantal suggesties.

Het is alweer bijna afgelopen. September, toch vaak nog zulk prachtig weer brengend, is de herfstmaand, de maand van Michael die ons al groot en ernstig staat op te wachten om de wintermaanden tegemoet te gaan. We moeten weer bij ons zelf terugkomen na een zomer van laat maar waaien en vakantie vieren.

Voor stadsmensen is dat moeilijker, buitenmensen hebben in juli al de weilanden gemaaid en het hooi opgeslagen en augustus-oogstmaand brengt zeker veel werk met zich mee. Het koren moet gebonden en op schoven gezet vóór het onweer losbarst. Wie de afscheidsgaven van de zomer niet op een landje heeft staan moet nu zoeken en verzamelen. Bramen, natuurlijk, en bosbessen, maar er zijn nog veel meer wilde vruchten waar we ons mee kunnen wapenen vóór de winter komt.

Ik noem er hier een aantal met wat suggesties voor de verwerking. Wat het zoeken en plukken betreft, een goede flora is wel belangrijk want er is veel giftigs tussen al dat rode en zwarte schoons.

Amerikaanse Vogelkers (Prunus Serotina).
In bossen. Rauw zijn de vruchten zoet maar bitter, gekookt zijn ze pas écht lekker. Bijvoorbeeld voor gelei.

Lijsterbes (Sorbus aucuparial).
In bossen en langs wegen. Niet rauw eten, niet écht giftig maar wel sterk laxerend. Voor gelei.

Meidoorn (Crataegus spec.).
Bossen, hagen en duinen. Vooral geschikt om samen met andere vruchten tot gelei verwerkt te worden. Pluk ze niet overrijp dan bevatten ze veel geleermiddel.

meidoornzie voor beschrijving

Mispel (Mespilus germanica).
In bossen en heggen, vooral in het zuiden van ons land, verder in tuinen. Rauw lekker als ze goed rijp zijn, gepoft als appels in de oven ook heerlijk.

Rozebottels (Rosa spec.).
In heggen en parken. Altijd goed de stugge borstelharen verwijderen, die kunnen veel irritatie veroorzaken. Aardige kinderen bewaren die haren graag om ze als jeukpoeder te gebruiken.

Van de vruchten kan, gedroogd, thee gezet worden. Ook voor limonadesiroop en gelei lekker.

Wilde Appel (Malus Sylvestris).
In bossen en langs wegen. Rauw niet lekker, gepoft met veel zoetigheid wel. Als geleermiddel in gelei heel waardevol.

Zwarte Vlier (Sambucus Nigra).
In bossen, heggen, duinen etc. Verwar nooit zwarte vlier met kruidvlier die giftig is. De eerste heeft houtige stengels en de tweede groene kruidachtige. Voor sap en gelei.

Beuk (Fagus Sylvatica L.).
In parken en bossen. Rauw zijn beukenootjes een klein beetje giftig, niet al te veel zo eten. Geroosterd zijn ze prima consumeerbaar, het meel kan tot brood gebakken worden, als je dóór blijft malen krijg je beukenootjespasta.

Hazelaar (Corylus avellana). In parken en bossen. Rauw lekker, geroosterd of in brood of taart heerlijk.

In de bibliotheek zijn nog wel boeken waar meer bekend en onbekend zoek- en vindbaar lekkers in staat. Een heel leuk en betaalbaar boekje vond ik Eetbare wilde vruchten, zaden en noten, door Erik en Marian de Graaf uit de serie Ecologische Alternatieven van de Kleine Aarde.

Voor wie bezwaar heeft tegen veel suiker en toch echte gelei wil is het leuk om te weten dat Agar-agar (Kanten) een goed bindmiddel is voor gelei. Gebruik dan potten met twist off-deksels en zet die na het vullen en dichtdraaien omgekeerd weg. Zo blijft het allemaal best goed tot het volgende jaar.

En dan nog voor wie op z’n speurtochten naar bovenstaande vruchten langs een verlaat korenveld loopt: probeer van de boer wat tarwe of haverstro los te krijgen. Want ook dat hoort bij deze tijd, vlechten met goudgeel stro. Er zijn natuurlijk heel ingewikkelde dingen te doen met stro maar het is ontspannend om er gewoon lange vlechten van te maken. Daar kun je dan verder mee werken. Maak er kransen van, en harten, sterren en zonnen en hang ze dan op boven de eettafel om dank te zeggen aan een zomer die misschien niet ideaal was maar toch weer goed voor ons heeft gezorgd.

illustraties van de schrijfster:

Nicole Karrèr, Jonas 1, 31-08-1984

.

 

Plantkunde: alle artikelen

.

1595

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (22-3)

.
Zie voor een inleiding 

SEKSUALITEIT (3)

Een klein eindje in de niet ruimtelijke wereld gaan…

In de twee vorige nummers is over seksualiteit geschreven. In het eerste stuk werd het mannelijke en het vrouwelijke belicht, in het tweede de homoseksualiteit.

Hugo Verbrugh richt nu het focus op twee andere aspecten van seksualiteit: het communicatieaspect en de incarnatiemogelijkheid voor nieuwe mensen. ‘Wat we in deze tijd meemaken is de totale loskoppeling van deze beide kanten.’

Antroposofie en seksualiteit worden niet vaak in één adem genoemd. Dat is om drie redenen opmerkelijk: ten eerste omdat het wel invoelbaar is dat deze twee onderwerpen niet gauw met elkaar in verband gebracht worden, ten tweede omdat er omgekeerd evenzeer aanleiding is om ze wel met elkaar in verband te brengen en ten derde omdat de negatieve, respectievelijk positieve aantrekkingskracht van de beide onderwerpen nauw met elkaar samenhangen. Reden genoeg dus voor een klein essay over de relatie tussen antroposofie en seks.

De eenvoudigste manier om aan het thema te beginnen is, zoals wel vaker, een stukje geschiedenis. Dan blijkt meteen al hoe sterk gemengd positief-negatief – deze beide termen uitdrukkelijk niet bedoeld als morele (dis)-kwalificatie! – de relatie is. Enerzijds lijken in het theosofische milieu waarin Steiner aan het eind van de vorige eeuw de eerste weerklank voor zijn ideeën en inzichten vond, opvattingen te hebben geleefd over seks en wat daarmee samenhangt, die we nu als uitgesproken progressief zouden bestempelen. Dezelfde mensen die in de theosofische beweging actief waren, openden bijvoorbeeld consultatiebureaus om adviezen te geven op het gebied van geboorteregeling. Dat hing zonder twijfel samen met de moderne ideeën over (vrouwen)emancipatie bij mensen als Annie Besant en andere theosofische voorlieden. Annie Besant werd in 1877 zelfs tot secretaris gekozen van de ‘Malthusian League’ – een voorloper van wat nu in Nederland de NVSH is – hetgeen in die tijd een scandaleuze toestand was. Dat is dus het positieve aspect. Anderzijds krijgt men, zich verdiepend in de historische ontwikkeling van de antroposofie, toch wel de indruk dat de mensen met wie Steiner in de loop van zijn werk in gesprek kwam niet uitzonderlijk geïnteresseerd waren in het onderwerp, wanneer we althans mogen afgaan op de overgeleverde schriftelijke versies van zijn voordrachten. Dit laatste voorbehoud is belangrijk. Er wordt namelijk terecht op gewezen dat men bij de duiding van de voordrachtsteksten altijd moet verdisconteren dat deze voordrachten in een concrete setting werden gehouden. Inhoud, uitwerking en ‘toonzetting’ waren afgestemd op de vragen, verwachtingen en weerstanden die bij zijn toehoorders leefden. Bij nauwkeurig lezen van voordrachtteksten, bijvoorbeeld die voor artsen, blijkt dat er wel degelijk heel wat verwijzingen naar ons onderwerp in voorkomen: Een probleem is alleen dat deze verwijzingen helemaal ingebed zijn in de antroposofie als geheel – weer een negatief aspect van de relatie tussen antroposofie en seks. Passages over seksualiteit en daarmee verband houdende onderwerpen zoals de man/vrouw-relatie zijn misschien nog moeilijker dan met andere onderwerpen het geval is los te maken uit de samenhang met de antroposofie als geheel zonder dat ze vertekend en verminkt worden. Allicht dat het daardoor kan lijken alsof de beide thema’s weinig met elkaar van doen hebben.

Spanningsveld

Maar ook zonder historisch perspectief is de relatie antroposofie-seks verwarrend; ze komt althans op de buitenstaander onduidelijk over. De opvattingen die onder antroposofen leven zijn immers niet goed in te delen in de starre schema’s progressief-conservatief. Verhalen die je af en toe in de krant leest over gereformeerde schoolbesturen die onderwijzers willen ontslaan omdat ze samenhokken zonder getrouwd te zijn, zijn in de vrijeschool ondenkbaar; maar de praktische consequenties van de antroposofische ideeën over abortus doen de leerlingen van Steiner net in de andere uiterste hoek van het links—rechts-schema belanden.

Intussen ligt de belangrijkste reden voor de antroposofische terughoudendheid inzake seks waarschijnlijk nog wel wat dieper. Antroposofie betekent een mensbeeld waarin de relatie tussen lichaam en geest tot de alleruiterste consequentie doordacht en – zover dat in ieders bereik ligt – bewust doorleefd wordt. Deze consequentie gaat uiteindelijk over in de mogelijkheid van een lichaamsvrij bestaan voor de mens. Een van de hoekstenen van de antroposofie is het idee dat na de dood een lichaamsvrij bestaan realiteit wordt terwijl in die toestand dan ook een, uiteraard wezenlijk veranderd, besef van de eigen identiteit behouden blijft. Steiner heeft hierover vele gedegen en gedetailleerde uiteenzettingen gegeven; wie de weg daartoe gevonden heeft, kan zich een nauwgezet en overtuigend beeld vormen van dit bestaan.

Het lijkt me vanzelfsprekend dat iemand die probeert dit idee in zijn leven in te bouwen anders gaat denken over seks dan iemand bij wie een dergelijk besef niet, of niet zo uitgesproken leeft. Seksualiteit manifesteert zich immers, naast vele andere aspecten, bij uitstek als een van de sterkste spanningsvelden tussen lichaam en geest. Het proces van losmaking van de geest van het lichaam na de dood is dus ook, in veel gevallen misschien vooral, een losmaking van de geest uit dit bijzondere spanningsveld. Nu is deze ‘losmaking van de geest’ na de dood niet een proces dat vanzelf gaat, integendeel. De traditionele voorstellingen over het vagevuur wijzen wat dit betreft onverbiddelijk in dezelfde richting als de uiteenzettingen van Steiner: het is een helse strijd die gestreden moet worden om de geest vrij te krijgen uit dit spanningsveld, en deze strijd is des te pijnlijker en moeizamer naarmate men zich in het leven hier daar minder op heeft voorbereid. Seksualiteit heeft als spanningsveld tussen lichaam en geest enkele bijzondere kenmerken. Het belangrijkste hiervan is dat dit spanningsveld in wezen de begeerte is naar het volwaardig mens zijn waarin het man/vrouw-verschil is opgeheven. Zo bezien zou seksualiteit omschreven kunnen worden als de herinnering aan de tijd van ons leven voor de zondeval, plus het verlangen om die staat weer te herstellen en de ervaring dat dit, althans ogenschijnlijk, mogelijk is in de seksuele ontmoeting.

Nu is er met de binding tussen lichaam en geest op het terrein van de seksualiteit iets bijzonders aan de hand. Seks is immers niet het enige dat onze geestelijke identiteit aan onze lichamelijkheid kluistert. Zonder eten en drinken, zonder lucht en warmte kunnen we als mens niet bestaan. Voor zover ons fysieke lichaam daarvan afhankelijk is, moeten we na de dood dus ook van deze vier levenskwaliteiten loskomen.

Met seks ligt het met deze lichaam-geest-binding in één opzicht wezenlijk anders dan met de genoemde vier elementaire kwaliteiten die ons fysieke lichaam in stand houden. Zonder deze vier kwaliteiten kan geen lichamelijkheid bestaan, maar voor seks geldt dat allerminst. Weliswaar is een mens altijd man of vrouw en is dus lichamelijk bestaan zonder seksualiteit in de zin van het besef van het man/vrouwverschil ondenkbaar, maar lichamelijkheid zonder seks in de zin van daadwerkelijke seksuele belevingen met een ander is theoretisch mogelijk en komt in de praktijk voor. Omgekeerd is seksualiteit zonder lichamelijkheid een wezenloze abstractie, doet zich althans in eerste instantie als wezenloze abstractie aan ons voor: het denkbeeld dat in een lichaamsvrij bestaan – na de dood of anderszins – iets als seksualiteit voorkomt lijkt me ongerijmd. Maar dit ongerijmde denkbeeld opent wel het perspectief op de vraag wat seksualiteit eigenlijk is.

Incamatiemogelijkheid

Seks(ualiteit) is herinnering aan de tijd voor de zondeval, heb ik hierboven geopperd. Ik laat in het midden of dit een sluitende definitie is of zelfs maar een algemeen aanvaardbare omschrijving. Het is met seksualiteit ongeveer als met bijvoorbeeld wijsheid en filosofie, met gezondheid of ziekte: iedereen weet voor zich zelf precies en in het algemeen ongeveer wat het is; voor de rest hangt het begrip dat je je ervan vormt sterk af van wat je er zelf in je leven van maakt.

Ik ga daarom niet proberen hier een andere, eventueel voor iedereen aanvaardbare karakterisering te geven, maar richt het focus nu op de samenhang tussen twee – of moeten we zeggen de twee? – aspecten waaronder seksualiteit zich aan ons voordoet: in haar communicatie-aspect tussen twee mensen, waarin liefde en erotiek een rol spelen, en de functie die de seksualiteit heeft in de incarnatiemogelijkheid voor nieuwe mensen*.

Essentieel is nu dat de opvattingen over de samenhang tussen deze beide aspecten van seks, en dus ook deze samenhang zelf, sinds ongeveer een eeuw sterk aan het veranderen zijn. Deze verandering tendeert onmiskenbaar in de richting van een steeds losser worden van de samenhang. De opvatting dat seksualiteit uitsluitend diende c.q. mocht dienen en dus geoorloofd was als ‘middel’ om nieuwe mensen hun incamatiemogelijkheid te geven, is bij mijn weten in geen enkele cultuur ooit verkondigd, laat staan gepraktiseerd. De verschillen in opvatting gingen en gaan bij mijn weten alleen over de wijze waarop en de mate waarin het goed c.q. geoorloofd is de incamatiefunctie te laten meespelen in de omgang met seks als communicatiemedium. Wat we nu in deze tijd** meemaken is een drastische verdere verschuiving van de opvatting over de samenhang en dus van de samenhang zelf in de richting van de uiterste consequentie: de totale loskoppeling van de beide aspecten.

Technology push

Voor de beleving van talloze mensen overal ter wereld is deze loskoppeling in één richting al een voldongen feit. Anticonceptie-ideologie en -praktijk maken dat het communicatieaspect van de seksualiteit volledig uitgeleefd kan worden zonder de functie van de incarnatiemogelijkheid in het bewustzijn te hoeven hebben. In omgekeerde richting is het intussen ook al bijna zo. Technisch is de vooruitgang hier bijna even ver als op het gebied van de anticonceptie. De maatschappelijke ‘vooruitgang’ tekent zich ook al af: reageerbuisbaby’s, spermabankkinderen, clonaal voortgebrachte nakomelingen en dergelijke zijn al lang niet meer alleen Science fiction producten. Het duurt misschien niet meer lang of ze zullen zelfs als verstrekkingen in het ziekenfondspakket worden gepropageerd.

Deze laatste conclusie is gebaseerd op een verschijnsel dat bekend staat als de ‘technology push’: de automatische, niet te stuiten aandrang die uitgaat van de uitvinders van technologische vindingen en producten om te bewerkstelligen dat hun vindingen en producten ook maatschappelijk aanvaard en toegepast worden. Over deze ‘technology push’ is de laatste tijd veel te doen. Met name wordt bediscussieerd of de maatschappelijke aanvaarding en toepassing werkelijk zo automatisch en onstuitbaar is als vroegere onderzoekers van het onderwerp ‘wetenschap en samenleving’, waaruit het begrip ‘technology push’ voortkomt, hebben aangenomen. Er is dus ruimte om ons af te vragen of we een oordeel kunnen en willen vormen over het gegeven dat de twee functies van de seksualiteit, die sinds de zondeval met elkaar samenhangen, thans meer en meer van elkaar gescheiden worden. En zo ja, hoe dit oordeel dan luidt.

Uitgangspunt voor deze oordeelsvorming is, dunkt me, het spijkerharde gegeven dat de mens ook in andere opzichten verandert – eigenlijk in alle opzichten voortdurend verandert.
Met dit gegeven komen we op een tweede hoeksteen van het antroposofisch mensbeeld. Het idee dat er zoiets bestaat als ‘de’ mens, eens en voor altijd geschapen als wezenlijk bestaand en dus statisch en onveranderlijk, is slechts één aspect van de mens. Het andere, dynamische en veranderlijke aspect, de mens die is geschapen met het doel zich zelf verder te scheppen, is precies even belangrijk. Alleen verdient dit aspect in onze huidige cultuur extra aandacht omdat deze cultuur helemaal wordt gedomineerd door de gedachte dat de mens in wezen onveranderlijk is en zich alleen in uiterlijk-mechanistische zin kan en moet aanpassen aan veranderende uiterlijke omstandigheden. De ‘technology push’ is een typische manifestatie van dit statische aspect. De mens volgt in zijn gedrag noodgedwongen, star ‘mechanisch’ de wetten van de technologie.

In het antroposofische mensbeeld is de mens uitdrukkelijk geen statisch gegeven. Hij is een synthese van beide aspecten, van het statische en het dynamische, heeft een vrijheidsmarge ten opzichte van de gevolgen van de techniek. Dat betekent dat zich hier een nieuw midden aftekent tussen de eenzijdig doorgevoerde ‘technology push’ die zegt ‘gaat heen en vermenigvuldigt u niet’, en het traditionele moralisme waarin seksualiteit niet los mocht worden gezien van de voortplanting, om dit onwoord nog eens te gebruiken.

Net zomin als we het traditionele moralisme hoeven te volgen, hoeven we ons niet willoos neer te leggen bij de door de technologie gepushte segregatie van communicatie- en incarnatieaspecten van de seksualiteit. We kunnen een middenweg zoeken tussen meedrijven op de maatschappelijke stroom en halsstarrig alleen maar ‘nee dat mag niet’ roepen. Hoe dat nieuwe midden eruit ziet weet ik ook niet, dat is inherent aan het nieuwe. Wat ik wel weet is dat, onder de oppervlakte van de actuele discussies over seksualiteit anticonceptie, man/vrouwrelaties en alles wat daarmee te maken heeft, dit de harde kern van het probleem is.

Brancusi of Lehmbruck?  ‘Liefdespaar’

Alles met alles

De gedachtegang vindt een volgende ankerplaats bij een derde hoeksteen van het antroposofisch mens- en wereldbeeld: de samenhang van alles met alles. Uit dat geheel van alle denkbare samenhangen die de antroposofie in de werkelijkheid onderkent haal ik er hier drie naar voren.

Ten eerste die van de mens en de wereld, van de ruimtelijke en de niet-ruimtelijk wereld.
Ten tweede die van denken, voelen en willen als de drie oerfuncties van de mens, en
ten derde die van het verleden met de toekomst, van de tijdsdimensie met de tijdloze werkelijkheid.

Het bijzondere van seks is nu dat dit niet alleen de herinnering is aan de tijd van voor de zondeval, maar ook het grootste en tegelijk het kleinste zich-als-eenheid-voordoende ervaringsgebied waarop we de samenhang van alles met alles kunnen beleven.

We bekijken eerst de middelste van de drie hierboven genoemde samenhangen, die tussen denken, voelen en willen. In wat alledaagser bewoordingen is dat de samenhang tussen alles wat je met je hersens kunt beredeneren en vervolgens met de rest van je lijf kunt doen, tussen wat je met je lichamelijke zintuigen allemaal kunt ervaren en vervolgens met je verstand uit die ervaringen kunt selecteren als datgene wat bij je hoort en waarvoor je dus verantwoordelijkheid wilt en kunt nemen, enzovoort, tot in de uiterste consequentie: de samenhang van alles met alles wat zich aan je voordoet, ook de samenhang tussen het meest abstracte bewustzijn en het meest concrete handelen.

Deze drieledige samenhang is ook die van het het waardevrije en het waardebepaalde, waartussen zich het spanningsveld van de moraliteit aftekent. Seks is in dit perspectief bezien bijna per definitie het gebied waarop het morele zich als oerfenomeen aan ons voordoet. Het morele definieer ik hier als datgene wat zich krachtens zijn aard zó aan ons voordoet dat we ons automatisch in meerdere of mindere mate, dat hangt van onszelf af – ervan bewust zijn dat we door ons handelen een ander beïnvloeden.

In verband met seksualiteit is die beïnvloeding van tweeërlei aard. Ten eerste de verantwoordelijkheid jegens de ander met wie je de seksuele relatie aangaat (de communicatiefunctie) en ten tweede de verantwoordelijkheid jegens het kind waar de vrouw in die relatie zwanger van kan worden (de incarnatiefunctie).

De derde hierboven genoemde samenhang – die tussen tijdloze voorgeschiedenis en actualiteit – brengt de zondeval in de sfeer van de concrete beleving. De zondeval is een realiteit van een hogere orde dan het gewone bewustzijn kan omvatten en die toch tot de dagelijkse werkelijkheid van ieder mens behoort. Het paradijsverhaal herinnert ons tot in de meest concrete lichamelijkheid eraan dat seks ontstaan is uit een mythe, uit een tijdloos gebeuren dat ieder moment tussen verleden en toekomst plaats vindt in het middengebied van het hier en nu, het midden tussen jezelf worden en jezelf ontkennen, tussen de peilloze verrukking van het daadwerkelijk eenworden met de ander en de even peilloze eenzaamheid wanneer het niet lukt die ander te bereiken.

Ten slotte: de eerste van de drie genoemde samenhangen, die van de ruimte en de niet-ruimte.
In dat verband kun je ervaren hoe de communicatie- en de incarnatiefunctie wezenlijk met elkaar samenhangen. Als je met elkaar naar bed gaat krijg je de mogelijkheid om samen uit de ruimtelijke dimensie even een klein eindje in de niet ruimtelijke wereld te komen. Dan moet je niet verbaasd zijn als je daar met z’n drieën uit terugkomt.

*Wat ik hier, op het eerste gezicht ietwat omslachtig, omschrijf ais ‘incarnatiemogelijkheid voor nieuwe mensen’ is verwant met wat in het gangbare Nederlandse spraakgebruik ‘voortplanting’ wordt genoemd. Ik meen echter dat deze uitdrukking zo misleidend is, dat we een nieuwe term nodig hebben om het ondeugdeiijke karakter ervan aan te duiden.

Als nieuwe term voor zo’n ondeugdelijk woord stel ik hierbij de uitdrukking ‘onwoord’ voor. Een onwoord is een uitdrukking die zich in ons taalgebruik genesteld heeft maar daar alleen maar schade aanricht, net als onkruid of ongedierte, en derhalve verdelgd, althans tot verdwijnen gebracht moet worden.

Voortplanting is – wanneer de uitdrukking in verband met de menselijke sfeer wordt gebruikt – een onwoord omdat je alleen van planten en dieren kunt zeggen dat ze zich voortplanten, dat wil zeggen exemplaren van de soort voortbrengen die niet wezenlijk verschillen van hun ‘ouders’. Ook bij mensen lijken de nakomelingen op hun ouders, maar dat is slechts één aspect van het proces waardoor mensen bewerkstelligen dat er nieuwe mensen komen – het andere aspect, namelijk dat deze nieuwe mensen principieel verschillen van hun ouders doordat ze iets wezenlijks nieuws meebrengen uit het voorgeboortelijk bestaan (waaruit alleen de mens stamt), komt in dit onwoord ‘voortplanting’ niet tot uitdrukking. Juist in deze tijd hebben we dit wezenlijk nieuwe harder nodig dan ooit tevoren in de geschiedenis. Uitdrukkingen die het bewustzijn daarvan versluieren zijn daarom schadelijker dan ooit. Vandaar mijn bezwaren tegen het onwoord ‘voortplanting’.

.
Hugo Verbrugh, Jonas 21, **08-06-1984

.

deel 1   deel 2

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

1594

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.