VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (22-3)

.
Zie voor een inleiding 

SEKSUALITEIT (3)

Een klein eindje in de niet ruimtelijke wereld gaan…

In de twee vorige nummers is over seksualiteit geschreven. In het eerste stuk werd het mannelijke en het vrouwelijke belicht, in het tweede de homoseksualiteit.

Hugo Verbrugh richt nu het focus op twee andere aspecten van seksualiteit: het communicatieaspect en de incarnatiemogelijkheid voor nieuwe mensen. ‘Wat we in deze tijd meemaken is de totale loskoppeling van deze beide kanten.’

Antroposofie en seksualiteit worden niet vaak in één adem genoemd. Dat is om drie redenen opmerkelijk: ten eerste omdat het wel invoelbaar is dat deze twee onderwerpen niet gauw met elkaar in verband gebracht worden, ten tweede omdat er omgekeerd evenzeer aanleiding is om ze wel met elkaar in verband te brengen en ten derde omdat de negatieve, respectievelijk positieve aantrekkingskracht van de beide onderwerpen nauw met elkaar samenhangen. Reden genoeg dus voor een klein essay over de relatie tussen antroposofie en seks.

De eenvoudigste manier om aan het thema te beginnen is, zoals wel vaker, een stukje geschiedenis. Dan blijkt meteen al hoe sterk gemengd positief-negatief – deze beide termen uitdrukkelijk niet bedoeld als morele (dis)-kwalificatie! – de relatie is. Enerzijds lijken in het theosofische milieu waarin Steiner aan het eind van de vorige eeuw de eerste weerklank voor zijn ideeën en inzichten vond, opvattingen te hebben geleefd over seks en wat daarmee samenhangt, die we nu als uitgesproken progressief zouden bestempelen. Dezelfde mensen die in de theosofische beweging actief waren, openden bijvoorbeeld consultatiebureaus om adviezen te geven op het gebied van geboorteregeling. Dat hing zonder twijfel samen met de moderne ideeën over (vrouwen)emancipatie bij mensen als Annie Besant en andere theosofische voorlieden. Annie Besant werd in 1877 zelfs tot secretaris gekozen van de ‘Malthusian League’ – een voorloper van wat nu in Nederland de NVSH is – hetgeen in die tijd een scandaleuze toestand was. Dat is dus het positieve aspect. Anderzijds krijgt men, zich verdiepend in de historische ontwikkeling van de antroposofie, toch wel de indruk dat de mensen met wie Steiner in de loop van zijn werk in gesprek kwam niet uitzonderlijk geïnteresseerd waren in het onderwerp, wanneer we althans mogen afgaan op de overgeleverde schriftelijke versies van zijn voordrachten. Dit laatste voorbehoud is belangrijk. Er wordt namelijk terecht op gewezen dat men bij de duiding van de voordrachtsteksten altijd moet verdisconteren dat deze voordrachten in een concrete setting werden gehouden. Inhoud, uitwerking en ‘toonzetting’ waren afgestemd op de vragen, verwachtingen en weerstanden die bij zijn toehoorders leefden. Bij nauwkeurig lezen van voordrachtteksten, bijvoorbeeld die voor artsen, blijkt dat er wel degelijk heel wat verwijzingen naar ons onderwerp in voorkomen: Een probleem is alleen dat deze verwijzingen helemaal ingebed zijn in de antroposofie als geheel – weer een negatief aspect van de relatie tussen antroposofie en seks. Passages over seksualiteit en daarmee verband houdende onderwerpen zoals de man/vrouw-relatie zijn misschien nog moeilijker dan met andere onderwerpen het geval is los te maken uit de samenhang met de antroposofie als geheel zonder dat ze vertekend en verminkt worden. Allicht dat het daardoor kan lijken alsof de beide thema’s weinig met elkaar van doen hebben.

Spanningsveld

Maar ook zonder historisch perspectief is de relatie antroposofie-seks verwarrend; ze komt althans op de buitenstaander onduidelijk over. De opvattingen die onder antroposofen leven zijn immers niet goed in te delen in de starre schema’s progressief-conservatief. Verhalen die je af en toe in de krant leest over gereformeerde schoolbesturen die onderwijzers willen ontslaan omdat ze samenhokken zonder getrouwd te zijn, zijn in de vrijeschool ondenkbaar; maar de praktische consequenties van de antroposofische ideeën over abortus doen de leerlingen van Steiner net in de andere uiterste hoek van het links—rechts-schema belanden.

Intussen ligt de belangrijkste reden voor de antroposofische terughoudendheid inzake seks waarschijnlijk nog wel wat dieper. Antroposofie betekent een mensbeeld waarin de relatie tussen lichaam en geest tot de alleruiterste consequentie doordacht en – zover dat in ieders bereik ligt – bewust doorleefd wordt. Deze consequentie gaat uiteindelijk over in de mogelijkheid van een lichaamsvrij bestaan voor de mens. Een van de hoekstenen van de antroposofie is het idee dat na de dood een lichaamsvrij bestaan realiteit wordt terwijl in die toestand dan ook een, uiteraard wezenlijk veranderd, besef van de eigen identiteit behouden blijft. Steiner heeft hierover vele gedegen en gedetailleerde uiteenzettingen gegeven; wie de weg daartoe gevonden heeft, kan zich een nauwgezet en overtuigend beeld vormen van dit bestaan.

Het lijkt me vanzelfsprekend dat iemand die probeert dit idee in zijn leven in te bouwen anders gaat denken over seks dan iemand bij wie een dergelijk besef niet, of niet zo uitgesproken leeft. Seksualiteit manifesteert zich immers, naast vele andere aspecten, bij uitstek als een van de sterkste spanningsvelden tussen lichaam en geest. Het proces van losmaking van de geest van het lichaam na de dood is dus ook, in veel gevallen misschien vooral, een losmaking van de geest uit dit bijzondere spanningsveld. Nu is deze ‘losmaking van de geest’ na de dood niet een proces dat vanzelf gaat, integendeel. De traditionele voorstellingen over het vagevuur wijzen wat dit betreft onverbiddelijk in dezelfde richting als de uiteenzettingen van Steiner: het is een helse strijd die gestreden moet worden om de geest vrij te krijgen uit dit spanningsveld, en deze strijd is des te pijnlijker en moeizamer naarmate men zich in het leven hier daar minder op heeft voorbereid. Seksualiteit heeft als spanningsveld tussen lichaam en geest enkele bijzondere kenmerken. Het belangrijkste hiervan is dat dit spanningsveld in wezen de begeerte is naar het volwaardig mens zijn waarin het man/vrouw-verschil is opgeheven. Zo bezien zou seksualiteit omschreven kunnen worden als de herinnering aan de tijd van ons leven voor de zondeval, plus het verlangen om die staat weer te herstellen en de ervaring dat dit, althans ogenschijnlijk, mogelijk is in de seksuele ontmoeting.

Nu is er met de binding tussen lichaam en geest op het terrein van de seksualiteit iets bijzonders aan de hand. Seks is immers niet het enige dat onze geestelijke identiteit aan onze lichamelijkheid kluistert. Zonder eten en drinken, zonder lucht en warmte kunnen we als mens niet bestaan. Voor zover ons fysieke lichaam daarvan afhankelijk is, moeten we na de dood dus ook van deze vier levenskwaliteiten loskomen.

Met seks ligt het met deze lichaam-geest-binding in één opzicht wezenlijk anders dan met de genoemde vier elementaire kwaliteiten die ons fysieke lichaam in stand houden. Zonder deze vier kwaliteiten kan geen lichamelijkheid bestaan, maar voor seks geldt dat allerminst. Weliswaar is een mens altijd man of vrouw en is dus lichamelijk bestaan zonder seksualiteit in de zin van het besef van het man/vrouwverschil ondenkbaar, maar lichamelijkheid zonder seks in de zin van daadwerkelijke seksuele belevingen met een ander is theoretisch mogelijk en komt in de praktijk voor. Omgekeerd is seksualiteit zonder lichamelijkheid een wezenloze abstractie, doet zich althans in eerste instantie als wezenloze abstractie aan ons voor: het denkbeeld dat in een lichaamsvrij bestaan – na de dood of anderszins – iets als seksualiteit voorkomt lijkt me ongerijmd. Maar dit ongerijmde denkbeeld opent wel het perspectief op de vraag wat seksualiteit eigenlijk is.

Incamatiemogelijkheid

Seks(ualiteit) is herinnering aan de tijd voor de zondeval, heb ik hierboven geopperd. Ik laat in het midden of dit een sluitende definitie is of zelfs maar een algemeen aanvaardbare omschrijving. Het is met seksualiteit ongeveer als met bijvoorbeeld wijsheid en filosofie, met gezondheid of ziekte: iedereen weet voor zich zelf precies en in het algemeen ongeveer wat het is; voor de rest hangt het begrip dat je je ervan vormt sterk af van wat je er zelf in je leven van maakt.

Ik ga daarom niet proberen hier een andere, eventueel voor iedereen aanvaardbare karakterisering te geven, maar richt het focus nu op de samenhang tussen twee – of moeten we zeggen de twee? – aspecten waaronder seksualiteit zich aan ons voordoet: in haar communicatie-aspect tussen twee mensen, waarin liefde en erotiek een rol spelen, en de functie die de seksualiteit heeft in de incarnatiemogelijkheid voor nieuwe mensen*.

Essentieel is nu dat de opvattingen over de samenhang tussen deze beide aspecten van seks, en dus ook deze samenhang zelf, sinds ongeveer een eeuw sterk aan het veranderen zijn. Deze verandering tendeert onmiskenbaar in de richting van een steeds losser worden van de samenhang. De opvatting dat seksualiteit uitsluitend diende c.q. mocht dienen en dus geoorloofd was als ‘middel’ om nieuwe mensen hun incamatiemogelijkheid te geven, is bij mijn weten in geen enkele cultuur ooit verkondigd, laat staan gepraktiseerd. De verschillen in opvatting gingen en gaan bij mijn weten alleen over de wijze waarop en de mate waarin het goed c.q. geoorloofd is de incamatiefunctie te laten meespelen in de omgang met seks als communicatiemedium. Wat we nu in deze tijd** meemaken is een drastische verdere verschuiving van de opvatting over de samenhang en dus van de samenhang zelf in de richting van de uiterste consequentie: de totale loskoppeling van de beide aspecten.

Technology push

Voor de beleving van talloze mensen overal ter wereld is deze loskoppeling in één richting al een voldongen feit. Anticonceptie-ideologie en -praktijk maken dat het communicatieaspect van de seksualiteit volledig uitgeleefd kan worden zonder de functie van de incarnatiemogelijkheid in het bewustzijn te hoeven hebben. In omgekeerde richting is het intussen ook al bijna zo. Technisch is de vooruitgang hier bijna even ver als op het gebied van de anticonceptie. De maatschappelijke ‘vooruitgang’ tekent zich ook al af: reageerbuisbaby’s, spermabankkinderen, clonaal voortgebrachte nakomelingen en dergelijke zijn al lang niet meer alleen Science fiction producten. Het duurt misschien niet meer lang of ze zullen zelfs als verstrekkingen in het ziekenfondspakket worden gepropageerd.

Deze laatste conclusie is gebaseerd op een verschijnsel dat bekend staat als de ‘technology push’: de automatische, niet te stuiten aandrang die uitgaat van de uitvinders van technologische vindingen en producten om te bewerkstelligen dat hun vindingen en producten ook maatschappelijk aanvaard en toegepast worden. Over deze ‘technology push’ is de laatste tijd veel te doen. Met name wordt bediscussieerd of de maatschappelijke aanvaarding en toepassing werkelijk zo automatisch en onstuitbaar is als vroegere onderzoekers van het onderwerp ‘wetenschap en samenleving’, waaruit het begrip ‘technology push’ voortkomt, hebben aangenomen. Er is dus ruimte om ons af te vragen of we een oordeel kunnen en willen vormen over het gegeven dat de twee functies van de seksualiteit, die sinds de zondeval met elkaar samenhangen, thans meer en meer van elkaar gescheiden worden. En zo ja, hoe dit oordeel dan luidt.

Uitgangspunt voor deze oordeelsvorming is, dunkt me, het spijkerharde gegeven dat de mens ook in andere opzichten verandert – eigenlijk in alle opzichten voortdurend verandert.
Met dit gegeven komen we op een tweede hoeksteen van het antroposofisch mensbeeld. Het idee dat er zoiets bestaat als ‘de’ mens, eens en voor altijd geschapen als wezenlijk bestaand en dus statisch en onveranderlijk, is slechts één aspect van de mens. Het andere, dynamische en veranderlijke aspect, de mens die is geschapen met het doel zich zelf verder te scheppen, is precies even belangrijk. Alleen verdient dit aspect in onze huidige cultuur extra aandacht omdat deze cultuur helemaal wordt gedomineerd door de gedachte dat de mens in wezen onveranderlijk is en zich alleen in uiterlijk-mechanistische zin kan en moet aanpassen aan veranderende uiterlijke omstandigheden. De ‘technology push’ is een typische manifestatie van dit statische aspect. De mens volgt in zijn gedrag noodgedwongen, star ‘mechanisch’ de wetten van de technologie.

In het antroposofische mensbeeld is de mens uitdrukkelijk geen statisch gegeven. Hij is een synthese van beide aspecten, van het statische en het dynamische, heeft een vrijheidsmarge ten opzichte van de gevolgen van de techniek. Dat betekent dat zich hier een nieuw midden aftekent tussen de eenzijdig doorgevoerde ‘technology push’ die zegt ‘gaat heen en vermenigvuldigt u niet’, en het traditionele moralisme waarin seksualiteit niet los mocht worden gezien van de voortplanting, om dit onwoord nog eens te gebruiken.

Net zomin als we het traditionele moralisme hoeven te volgen, hoeven we ons niet willoos neer te leggen bij de door de technologie gepushte segregatie van communicatie- en incarnatieaspecten van de seksualiteit. We kunnen een middenweg zoeken tussen meedrijven op de maatschappelijke stroom en halsstarrig alleen maar ‘nee dat mag niet’ roepen. Hoe dat nieuwe midden eruit ziet weet ik ook niet, dat is inherent aan het nieuwe. Wat ik wel weet is dat, onder de oppervlakte van de actuele discussies over seksualiteit anticonceptie, man/vrouwrelaties en alles wat daarmee te maken heeft, dit de harde kern van het probleem is.

Brancusi of Lehmbruck?  ‘Liefdespaar’

Alles met alles

De gedachtegang vindt een volgende ankerplaats bij een derde hoeksteen van het antroposofisch mens- en wereldbeeld: de samenhang van alles met alles. Uit dat geheel van alle denkbare samenhangen die de antroposofie in de werkelijkheid onderkent haal ik er hier drie naar voren.

Ten eerste die van de mens en de wereld, van de ruimtelijke en de niet-ruimtelijk wereld.
Ten tweede die van denken, voelen en willen als de drie oerfuncties van de mens, en
ten derde die van het verleden met de toekomst, van de tijdsdimensie met de tijdloze werkelijkheid.

Het bijzondere van seks is nu dat dit niet alleen de herinnering is aan de tijd van voor de zondeval, maar ook het grootste en tegelijk het kleinste zich-als-eenheid-voordoende ervaringsgebied waarop we de samenhang van alles met alles kunnen beleven.

We bekijken eerst de middelste van de drie hierboven genoemde samenhangen, die tussen denken, voelen en willen. In wat alledaagser bewoordingen is dat de samenhang tussen alles wat je met je hersens kunt beredeneren en vervolgens met de rest van je lijf kunt doen, tussen wat je met je lichamelijke zintuigen allemaal kunt ervaren en vervolgens met je verstand uit die ervaringen kunt selecteren als datgene wat bij je hoort en waarvoor je dus verantwoordelijkheid wilt en kunt nemen, enzovoort, tot in de uiterste consequentie: de samenhang van alles met alles wat zich aan je voordoet, ook de samenhang tussen het meest abstracte bewustzijn en het meest concrete handelen.

Deze drieledige samenhang is ook die van het het waardevrije en het waardebepaalde, waartussen zich het spanningsveld van de moraliteit aftekent. Seks is in dit perspectief bezien bijna per definitie het gebied waarop het morele zich als oerfenomeen aan ons voordoet. Het morele definieer ik hier als datgene wat zich krachtens zijn aard zó aan ons voordoet dat we ons automatisch in meerdere of mindere mate, dat hangt van onszelf af – ervan bewust zijn dat we door ons handelen een ander beïnvloeden.

In verband met seksualiteit is die beïnvloeding van tweeërlei aard. Ten eerste de verantwoordelijkheid jegens de ander met wie je de seksuele relatie aangaat (de communicatiefunctie) en ten tweede de verantwoordelijkheid jegens het kind waar de vrouw in die relatie zwanger van kan worden (de incarnatiefunctie).

De derde hierboven genoemde samenhang – die tussen tijdloze voorgeschiedenis en actualiteit – brengt de zondeval in de sfeer van de concrete beleving. De zondeval is een realiteit van een hogere orde dan het gewone bewustzijn kan omvatten en die toch tot de dagelijkse werkelijkheid van ieder mens behoort. Het paradijsverhaal herinnert ons tot in de meest concrete lichamelijkheid eraan dat seks ontstaan is uit een mythe, uit een tijdloos gebeuren dat ieder moment tussen verleden en toekomst plaats vindt in het middengebied van het hier en nu, het midden tussen jezelf worden en jezelf ontkennen, tussen de peilloze verrukking van het daadwerkelijk eenworden met de ander en de even peilloze eenzaamheid wanneer het niet lukt die ander te bereiken.

Ten slotte: de eerste van de drie genoemde samenhangen, die van de ruimte en de niet-ruimte.
In dat verband kun je ervaren hoe de communicatie- en de incarnatiefunctie wezenlijk met elkaar samenhangen. Als je met elkaar naar bed gaat krijg je de mogelijkheid om samen uit de ruimtelijke dimensie even een klein eindje in de niet ruimtelijke wereld te komen. Dan moet je niet verbaasd zijn als je daar met z’n drieën uit terugkomt.

*Wat ik hier, op het eerste gezicht ietwat omslachtig, omschrijf ais ‘incarnatiemogelijkheid voor nieuwe mensen’ is verwant met wat in het gangbare Nederlandse spraakgebruik ‘voortplanting’ wordt genoemd. Ik meen echter dat deze uitdrukking zo misleidend is, dat we een nieuwe term nodig hebben om het ondeugdeiijke karakter ervan aan te duiden.

Als nieuwe term voor zo’n ondeugdelijk woord stel ik hierbij de uitdrukking ‘onwoord’ voor. Een onwoord is een uitdrukking die zich in ons taalgebruik genesteld heeft maar daar alleen maar schade aanricht, net als onkruid of ongedierte, en derhalve verdelgd, althans tot verdwijnen gebracht moet worden.

Voortplanting is – wanneer de uitdrukking in verband met de menselijke sfeer wordt gebruikt – een onwoord omdat je alleen van planten en dieren kunt zeggen dat ze zich voortplanten, dat wil zeggen exemplaren van de soort voortbrengen die niet wezenlijk verschillen van hun ‘ouders’. Ook bij mensen lijken de nakomelingen op hun ouders, maar dat is slechts één aspect van het proces waardoor mensen bewerkstelligen dat er nieuwe mensen komen – het andere aspect, namelijk dat deze nieuwe mensen principieel verschillen van hun ouders doordat ze iets wezenlijks nieuws meebrengen uit het voorgeboortelijk bestaan (waaruit alleen de mens stamt), komt in dit onwoord ‘voortplanting’ niet tot uitdrukking. Juist in deze tijd hebben we dit wezenlijk nieuwe harder nodig dan ooit tevoren in de geschiedenis. Uitdrukkingen die het bewustzijn daarvan versluieren zijn daarom schadelijker dan ooit. Vandaar mijn bezwaren tegen het onwoord ‘voortplanting’.

.
Hugo Verbrugh, Jonas 21, **08-06-1984

.

deel 1   deel 2

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

1594

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.