VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (22-2)

.

Zie voor een inleiding 

Homoseksualiteit – waarom maken wij er een probleem van

In het vorige nummer publiceerden we een stuk over seksualiteit waarin het mannelijke en het vrouwelijke werd belicht.

René de Winter schrijft nu over homoseksualiteit: het liefhebben van iemand van hetzelfde geslacht, wat zich niet alleen kenmerkt door de seksuele kant van de relatie, maar ook door het zich homoseksueel voelen van mensen.
‘We denken in onze tijd teveel in fragmenten. Zo denken we over homoseksualiteit als iets dat op zich zelf staat.’

De menselijke seksualiteit is door de eeuwen heen altijd een fel omstreden onderwerp geweest, met name in de westerse culturen. De kerk heeft in de geschiedenis van deze culturen een toonaangevende rol gespeeld onder andere ten aanzien van seksualiteit, waaruit waarden en normen zijn voortgevloeid, die niet meer bij deze tijd passen. In onze tijd treffen wij mensen aan die aan deze traditionele kerkelijke denkbeelden vasthouden, alsook de fervente aanhangers van de laissez-faire seksualiteit, die seksuele handelingen op elk moment, op iedere plaats en met iedereen propageren.

Tussen deze uitersten moet de moderne mens maar zien hoe hij uit het dilemma van deze keuze komt: doordat hij zichzelf in deze extremen niet kan herkennen, dreigt hij als het ware meer en meer in het ‘seksuele moeras’ terecht te komen. De taboesfeer rond het menselijke geslachtsleven maakt een onbevangen beschouwing vrijwel onmogelijk. De oude ballast van het onbespreekbare en de nieuwe afgrond van het er maar niet genoeg mee bezig kunnen zijn, spelen ons allen parten.

Was seksualiteit tot voor kort niet bespreekbaar, voor homoseksualiteit geldt dit thans* grotendeels nog. Het onderwerp wordt veelal benaderd vanuit onwetendheid, vooroordeel en afweer, ofschoon er (gelukkig) ook duidelijk kenteringen zijn waar te nemen. Het uitgangspunt is meestal de stelling dat het een ‘probleem’ is. Deze beschouwingswijze heeft er toe geleid dat de samenleving niet alleen ongenuanceerd oordeelt, maar tevens medemensen diep kwetst en in het nauw drijft. Wat heeft ertoe geleid dat homoseksualiteit met zo veel emotionaliteit en afwijzing wordt benaderd? Hebben de talloze wetenschappelijke onderzoekingen die zijn gedaan geleid tot een enigszins aanvaardbare verklaring van het fenomeen? In hoeverre kunnen veranderende rolpatronen ten aanzien van man en vrouw een rol spelen bij het acceptatieproces in de samenleving? En vooral: is homoseksualiteit nu eigenlijk wel zo problematisch als altijd wordt voorgesteld en wij geneigd zijn te denken?

Homoios

In de huidige opvatting wordt onder het begrip ‘homoseksuelen’ die mensen verstaan, die zich behalve geestelijk met name ook lichamelijk tot mensen van hetzelfde geslacht voelen aangetrokken. Wanneer wij zo een bepaalde groep definiëren, bestaat het grote gevaar dat wij de nadruk wel heel erg sterk leggen op slechts een kant van hun zo veelzijdige wezens, namelijk hun seksualiteit. Dat iemands homoseksuele kant naar voren wordt gehaald is overigens een typisch verschijnsel van deze tijd. Door de psychoanalyse van Freud en diens volgelingen werd aan al het menselijke denken en handelen het seksuele als bron vóórondersteld.

De woorden homofilie en homoseksualiteit worden in de dagelijkse spreektaal als synoniemen door elkaar gebruikt. Ook de Van Dale bijvoorbeeld definieert de woorden als synoniemen. Toch bestaat er wel degelijk een wezenlijk verschil. Homofilie wordt afgeleid van het Griekse ‘homoios’ dat wil zeggen gelijk (en dus niet van het Latijnse woord homo is mens!) en ‘philein’ dat wil zeggen beminnen, houden van. Het woord betekent dus letterlijk het houden van, het liefhebben van het gelijke. Het woord homoseksualiteit werd pas in 1869 door de Hongaarse arts Benkert geïntroduceerd. Het is filologisch een merkwaardig samenraapsel, samengesteld uit het Griekse ‘homoios’ en het Latijnse ‘sexus’, dat geslacht betekent. Letterlijk wordt met het woord dus bedoeld: hetzelfde geslacht, maar thans wordt er onder verstaan de geslachtelijke omgang van mensen van hetzelfde geslacht.

Uitgaande van bovenstaande betekenis van het woord homofilie kunnen wij stellen dat ieder mens zowel homo- als heterofiel (‘hetero’ betekent ander) is, omdat onze liefde zich meestal tot beide geslachten uitstrekt. Mannen hebben vaak boezemvrienden – veel vrouwen hun hartsvriendinnen, met wie zij zich zeer verbonden voelen en waarbij wij toch zeker van liefde kunnen spreken. Deze liefdesband behoeft beslist niet, maar kan wel erotisch en/of seksueel gekleurd zijn. In het laatste geval spreken wij dan van homoseksualiteit.

Helaas bestaat er nog geen woord waarin beide betekenissen van ‘beminnen, liefhebben’ en ‘geslachtelijke omgang’ wordt uitgedrukt, dus zowel de gevoelens als de daaruit voortvloeiende intermenselijke fysieke relaties. Zo’n woord zou eigenlijk gevonden moeten worden. Het ontbreken ervan doet vermoeden hoe abstract men het fenomeen altijd heeft benaderd. Het zou echter nog beter zijn als we helemaal geen speciaal woord meer nodig hadden om het verschijnsel aan te duiden, omdat we het als ‘gewoon’ beschouwen.

Het is interessant om te zien dat slechts een klein aantal samenlevingen afzonderlijke woorden heeft om mensen op grond van het geslacht waartoe zij zich erotisch aangetrokken voelen, aan te duiden. De Europese samenlevingen nemen hierin wat hun terminologie betreft een unieke plaats in. Niet-westerse culturen kennen óf helemaal geen woord ervoor, óf hebben het onder invloed van de westerse culturen uit westerse talen ‘geleend’.

Omdat in de geslachtelijke omgang de uiterlijke verschillen tussen menselijke relaties pas echt tot uitdrukking komen, geef ik in dit artikel de voorkeur aan gebruik van het woord ‘homoseksualiteit’ boven homofilie.

Vaak wordt de vraag gesteld of homoseksualiteit in onze tijd veel voorkomt. Het verzamelen van gegevens wordt zeer bemoeilijkt door het maatschappelijke taboe dat er nog steeds in hoge mate op rust. Het is een gegeven dat homoseksualiteit bij alle volkeren en dus alle rassen, in alle sociale klassen, in alle landen ter wereld, zowel bij mannen als bij vrouwen voorkomt. Ook zouden er geen aanwijsbare verschillen zijn tussen het vóórkomen in steden en het platteland. Dat het niet in alle omstandigheden even duidelijk wordt, ligt aan de mogelijkheid die door de samenleving wordt geboden tot uiting en ontplooiing. In de westerse maatschappij wordt het aantal homoseksuele mensen geschat op 5-10 procent. De arts H. Musaph, bekend publicist op het gebied van seksualiteit, meent dat het verantwoord is om aan te nemen dat 7 procent van de volwassen bevolking in Nederland zich tot de homoseksuelen rekent. Een voorzichtige schatting voor Nederland zou dus betekenen dat er circa 1 miljoen volwassen homoseksuele mensen zijn. Daarbij zijn niet meegerekend enkele tienduizenden (overwegend homoseksuele) mensen, die ondanks hun geaardheid toch gehuwd zijn. Soms wordt beweerd dat homoseksualiteit nu meer voorkomt dan vroeger, maar voor deze opvatting bestaat geen enkel overtuigend bewijs. Maatschappelijke en ethisch-religieuze vooroordelen hebben in het verleden (en doen dit in vele landen nog) stellig een grote, zo niet doorslaggevende, rol gespeeld bij het op de achtergrond blijven van homoseksualiteit. Deze vooroordelen vertekenen het beeld van het vóórkomen. Ook historisch onderzoek bevestigt dit vermoeden.

Seksualiteit

Wat zijn die geheimzinnige krachten die achter de menselijke seksualiteit staan? Zij behoren volgens de antroposofie tot de hoogste krachten, die door de geestelijke wereld aan de mens werden gegeven. Oorspronkelijk waren deze krachten, die werden geleid door een van de hoogste hemelse hiërarchiën (de Geesten van de Vorm) bedoeld voor de voortplanting. Door de zondeval (hetgeen eigenlijk af ‘zonde’ringsval betekent, namelijk afzondering van de geestelijke wereld) begon de mens zich meer en meer op het stoffelijke te richten en op een bepaald moment in zijn ontwikkeling verloor hij alle verbindingen met zijn oorsprong. Hierdoor kon de mens zijn vrijheid verkrijgen en zo tot zelfstandig wezen worden. Met dit proces kwamen ook de seksuele krachten in het gebied van de vrijheid terecht, waarover de mens naar eigen inzicht kon gaan beslissen. In onze tijd lijkt alles dat met het seksuele samenhangt, ontdaan te zijn van datgene wat het eens zo heilig maakte. Toch behoort deze gang van zaken tot het ontwikkelingsproces van de mensheid.

Bij de dieren bestaat er een nauw verband tussen seksualiteit en voortplanting. Sommige mannelijke en vrouwelijke dieren zijn qua uiterlijk nauwelijks te onderscheiden, op hun geslachtsorganen na, die soms ongeproportioneerde vormen kunnen vertonen. Bij de lagere zoogdieren speelt het seksuele leven zich af in de bronsttijd. Buiten die periode gedragen zij zich a-seksueel. De hogere zoogdieren vertonen ook seksuele omgang buiten deze periode en daar treffen wij reeds een loskoppeling aan tussen voortplanting en seksualiteit. Het begeerteleven, dat uit het astrale stamt, is echter aan de diersoort als groep verbonden en niet individueel gekleurd. Bij de mens uiteindelijk is de mogelijkheid tot seksuele activiteit niet uitsluitend biologisch, maar ook psychologisch bepaald en bovendien gebonden aan de sociaal-ethische normen van de samenleving op een bepaald moment.

Behalve het natuuraspect, dat aan de seksualiteit de mogelijkheid tot voortplanting verleent, trad bij de mens in de loop van de evolutie meer en meer het cultuuraspect naar voren (wij spreken niet voor niets van liefdesspel en liefdeskunst!). In dit laatstgenoemde aspect ligt de mogelijkheid besloten om tot mens-mens ontmoeting te komen, die in de vorm van relaties (huwelijk bijvoorbeeld) omhulling kan krijgen. Echter niet alleen de ontmoeting maar ook het omgekeerde is mogelijk, namelijk de mens-mens verwijdering. In onze tijd staan de relaties onder grote druk, zowel van binnenuit als van buitenaf. Het seksuele speelt bij de verwijdering geen geringe rol. Dit komt ondermeer omdat wij ons niet of nauwelijks bewust zijn met welke geestelijke krachten wij in de seksualiteit omgaan. Deze krachten dreigen daardoor een doel op zich te worden, in plaats dat zij zijn ingebed in het leven van de mens.

Dit komt omdat onze tijd zich kenmerkt door grote eenzijdige specialisatie in denken en doen. Grotere verbanden kunnen wij daardoor niet zien, we denken als het ware te veel in fragmenten. Zo denken wij over seksualiteit als iets dat op zich zelf staat. Het gevaar van deze wijze van denken is, dat wij steeds meer in onze eenzijdigheden worden gevangen en gemakshalve teruggrijpen naar datgene wat door de maatschappij als algemeen aanvaarde gedachte wordt voorgehouden. Hoe meer wij vanuit oude ethische en morele normen over seksualiteit in het algemeen en homoseksualiteit in het bijzonder blijven denken, des te onvruchtbaarder wordt het om een nieuwe houding ten opzichte daarvan te vinden. Opvattingen uit het verleden, die ooit in en voor een bepaalde tijd geldigheid bezaten, werken – onvertaald in onze tijd – niet versterkend, maar juist ziekmakend op de maatschappij.

De menselijke seksualiteit houdt nog heel wat raadsels voor ons verborgen. Behalve het aspect van de voortplanting speelt zij ook een rol in het sociale, namelijk bij de vorming van menselijke relaties. Seksualiteit is echter geen statisch gebeuren dat in alle tijden hetzelfde was, is of zal zijn. In de voortgaande evolutie zal haar functie, indien aan bepaalde voorwaarden zal zijn voldaan, wat de voortplanting betreft, in zijn huidige vorm uiteindelijk verdwijnen. Dan zal al het geslachtelijke overwonnen zijn. Op aarde manifesteert het zich thans in de lichamelijke polariteit van man en vrouw. In het geestelijke kunnen wij echter niet van geslacht spreken. Rudolf Steiner wees op het belangrijke feit dat man en vrouw slechts een kleed zijn waarachter zich de geest verbergt.

Maar het lichaam is niet slechts kleed, het is ook het instrument van de ziel. In dat licht is het eigenlijk niet zo belangrijk of het geheimzinnige seksuele proces zich afspeelt tussen een man en een vrouw, of een vrouw en een vrouw, of een man en een man. Het gaat immers om datgene wat de ziel als ervaringen opneemt in de uitwisseling met een andere ziel. In welk kleed die ander is gehuld, speelt geen rol. Uiteindelijk gaat het om het morele gehalte van de ontmoeting. Dat daar in de praktijk nogal wat variaties mogelijk zijn, is niet alleen een probleem van homoseksualiteit, maar evenzo van heteroseksualiteit.

Wie de menselijke seksualiteit onbevangen benadert, zal ook een vruchtbare houding kunnen ontwikkelen om homoseksualiteit te gaan begrijpen. Maar als de menselijke seksualiteit met voortplanting gelijk wordt gesteld, is elke discussie over andere (mogelijke) betekenis in ons leven zinloos. De enige juiste houding is het uitgaan van de fenomenen: wat doet zich aan mij voor? En het is nu eenmaal een feit dat homoseksualiteit bestaat.

Negatieve opvattingen

Alhoewel er belangrijke kenteringen optreden bij de beoordeling van homoseksualiteit reageert de samenleving over het algemeen nogal afwijzend, hetgeen een gevolg is van onwetendheid, onbekendheid en vooroordelen. In de meeste westerse landen worden homoseksuelen niet meer vervolgd, maar blijft een volledige acceptatie en integratie nog een grote wensdroom.

Hoe komt het toch dat zulke negatieve opvattingen zijn ontstaan en zich zo hardnekkig kunnen handhaven? Voor zover in de geschiedenis kan worden achterhaald is homoseksualiteit verijwel uitsluitend als afkeurenswaardig verschijnsel beschouwd in culturen, die hun wortels hebben in het Oude Testament: in het jodendom, het christendom en de islam. In andere culturen was of is het nooit een probleem geweest en is het dat meestal pas geworden nadat deze in aanraking zijn gekomen met een van de genoemde beschavingen.

Bij sommige volkeren had homoseksualiteit een bepaalde functie, zoals bijvoorbeeld de pedagogische eros bij de Grieken, de berdaches bij de Siberische volkeren, en werd positief beoordeeld. In China was homoseksualiteit bekend onder de benaming tuan-hsiu, de liefde van de afgesneden mouw. Deze naam herinnert aan een van de keizers van de Han-dynastie, die liever de mouw van zijn mantel afsneed dan zijn mooie vriendje, die in zijn armen in slaap was gevallen, wakker te maken, toen hij voor een op handen zijnde oorlog werd weggeroepen.

Bij andere volkeren behoorde homoseksualiteit tot de cultuur, zonder dat daaraan een bijzondere betekenis werd toegekend. Het is echter niet juist het vóórkomen van homoseksualiteit in onze tijd te vergelijken met het bestaan ervan in oude culturen, waar het een geheel andere sociale en culturele functie had dan thans bij ons het geval is: relaties tussen mensen nu zijn in het stadium van de ik-ik ontmoeting gekomen, iets dat vóór onze tijd nog niet op deze manier mogelijk was. In het Europa tot circa 1700-1800 werd homoseksualiteit uitsluitend als ethisch-religieus probleem gezien en als zondig bestempeld. Onder invloed van het rationalisme en de Verlichting verwereldlijkte het recht steeds meer en werden de rechtsgebruiken gehumaniseerd. Wat de beoordeling van homoseksualiteit betreft, kwam er een nieuw element bij, namelijk het juridische aspect. In 1810 schafte Napoleon, geïnspireerd door de vrijheidsidealen van de Franse Revolutie, de strafbaarheid van homoseksualiteit af. Dit had tot gevolg dat in alle landen die onder Napoleontische invloed stonden de wetboeken werden aangepast (in Nederland in 1811). Tot dan toe was homoseksualiteit alleen als uiterlijk verschijnsel ter sprake geweest. Ook nu nog zijn wij veelal gewend dit zo te bekijken, geheel in overeenstemming met onze materialistisch gekleurde beschouwing door de eeuwen heen: alleen het handelen kwam ter sprake. Het andere aspect, het voelen, dat tot uitdrukking komt in het feit dat mensen zich homoseksueel voelen, is tot voor kort nauwelijks aan bod gekomen. Een groot aantal vooroordelen heeft altijd het beeld bepaald en vertekend. Daardoor bleef het verschijnsel in de emotionele en sensationele hoek. Helaas is datgene wat ‘het volk weet’ zeer hardnekkig.

Zo weet de volksmond dat homoseksualiteit alleen bij mannen voorkomt, dat homoseksuele mannen verwijfd zijn en homoseksuele vrouwen stoer en dat je het zó kunt zien, dat homoseksuelen, als ze de kans krijgen, gevaarlijk zijn voor kinderen (de zogenaamde ‘verleidingstheorie’), dat homoseksualiteit een zelfgekozen gedrag is (‘ze kunnen wel anders, maar ze willen niet’), dat homoseksuelen voornamelijk in bepaalde groepen (bijvoorbeeld kunstenaars) voorkomt, dat homoseksuelen een veel grotere seksuele bevredigingsbehoefte hebben en dus lustzoekers zijn en ga zo maar door.

Het zal geen weldenkend mens verbazen dat voor geen enkel vooroordeel enig steekhoudend wetenschappelijk bewijs te vinden is. Wat eventueel een kenmerk voor een individu zou kunnen zijn, geldt nog niet per definitie voor alle homoseksuele mensen. Bovendien behoeft een kenmerk dat als ‘homoseksueel’ te boek staat, nog niet per se alleen bij homoseksuelen voor te komen!

In plaats van de vragen ‘hoe ontstaat het?’ en ‘hoe kom je er vanaf?’ komt het standpunt ‘het is een variant van de menselijke seksualiteit’ en de vraag ‘hoe ga je er mee om?’ naar voren. Dit is van immens belang voor de ontwikkeling van zowel de samenleving als de individuele, zich homoseksueel voelende, mens.

Kern en perifeer

In het algemeen zijn de moderne disciplines het erover eens dat er ruwweg twee ‘soorten’ homoseksualiteit zijn te onderscheiden, namelijk de kernhomoseksualiteit en de perifere homoseksualiteit. Of deze begrippen juist zijn, valt nog te bezien. Ik zeg heel voorzichtig: ruwweg, want het is nog maar de vraag of wij over ‘soorten’ homoseksualiteit kunnen spreken. Alsof de (homo)seksuele component in een mens zich in categorieën laat indelen. Overigens is deze onderverdeling niet nieuw. Reeds Aristoteles verklaarde in zijn werk ‘Ethica Nicomachea’ (boek VII) dat de liefde tussen mannen (over vrouwen wordt bijna nooit gesproken!) óf aangeboren (door de natuur veroorzaakt) óf aangeleerd gedrag is. In het eerste geval ligt het volgens hem buiten de grenzen van het onzedelijke. Onder kernhomoseksualiteit verstaat men de seksualiteit van een mens, die naar geaardheid en instelling vanuit zijn gehele wezen vrijwel uitsluitend of overwegend op mensen van het eigen geslacht is georiënteerd. Onder perifere homoseksualiteit verstaat men de seksualiteit van een mens, die naar geaardheid en instelling vrijwel uitsluitend of overwegend op het andere geslacht is gericht, maar op bepaalde momenten in zijn leven tot intiem-menselijke (tot in het fysieke) contacten komt met mensen van het eigen geslacht. Hiertoe rekent de psychologie de vooronderstelde homo-erotische fase in de puberteit, maar ook uitsluitend isolatie van gelijkgeslachtelijke mensen, zoals die voorkomt in kazernes, gevangenissen enzovoort. Naarmate de jeugd en de rest van het leven voortschrijdt, gaat deze vorm van homoseksualiteit over in heteroseksualiteit of biseksualiteit.

Het is dus van groot belang voor mensen, die zich homoseksueel voelen om er voor zichzelf achter te komen welke rol homoseksualiteit in hun biografie speelt, zodat zij zich daarop vervolgens kunnen instellen. Door verschillende psychiaters zijn therapieën uitgedacht om homoseksualiteit in heteroseksualiteit te veranderen. De successen zijn echter zo uiterst gering, dat men aan de bruikbaarheid kan twijfelen. Daar waar de therapie wel succesvol was, kan men zich afvragen of het daar wel om kernhomoseksualiteit ging-

Indien homoseksualiteit het wezen van een mens geheel doortrekt, dan mogen wij aannemen dat deze reeds voor de geboorte een aanzet vindt. In dit leven voor de geboorte begint de mens het componeren van zijn levenssymfonie, waarin homoseksualiteit een motief vormt. Na de geboorte wordt de compositie verder vervolmaakt en tot klinken gebracht. Hoe dat gebeurt, hangt van zo veel factoren af dat daarover geen algemene uitspraken zijn te doen.

Daarom is het onzin om over homoseksualiteit in algemene zin te spreken. Het is zó individueel en in ieder mensenleven, dat met deze grondtoon te maken krijgt, zo anders gekleurd, zo individueel gestemd, dat het slechts begrepen kan worden in de samenhang met de verschillende levens van een individu.

Picasso ‘Twee balletdansers’

Picasso ‘Twee vrouwen’

Ontdekking

Het bestaan van kernhomoseksualiteit, waaraan soms wordt getwijfeld, wordt vanuit de praktijk van de hulpverlening voortdurend bevestigd. In gesprekken met homoseksuelen blijkt dat velen zich al vanaf hun prilste jeugd van hun geaardheid bewust zijn. Al naar gelang homoseksualiteit dieper in de geledingen van het mensenwezen wordt beleefd, is de zelfontdekking op steeds jongere leeftijd mogelijk. Voor sommigen ligt de eerste bewustwording al omstreeks het vijfde jaar; voor anderen rond het negende à tiende jaar en voor weer anderen rond het zestiende à zeventiende jaar.

In veel gesprekken met homoseksuele mensen blijkt deze fasering, die overigens natuurlijk ook weer niet al te strikt moet worden gezien, wel ongeveer te kloppen, ook al weet de jonge mens niet altijd met name ‘wat’ er aan de hand is. ‘Ik vond het altijd heel spannend met een jongen uit de klas mee naar huis te gaan. Die had een drie jaar oudere broer, die mij geweldig fascineerde. Ik vond het fijn om in zijn omgeving te zijn en wenste mij hem als mijn eigen broer’, vertelde een jongen.

‘Ik had altijd veel vriendinnetjes op de lagere school, maar een meisje nam een bijzondere plaats voor mij in. Ik was altijd graag bij haar in de buurt en verzon soms listen om bij haar te kunnen zijn. Bij haar achterop de fiets was een feest. Ik hield me dan stevig aan haar vast’, onthulde een lesbische vrouw. ‘Op school werd er vaak gepraat over meiden en zo en daar voelde ik me altijd een beetje buiten staan. Ik kon er nooit enthousiast over worden. Jongens vond ik veel leuker en spannender. Pas later leerde ik dat mijn gevoel afwijkend was. Het woord homofiel kende ik wel, maar dacht altijd: dat is vies, dat ben ik niet.’

‘Ik werd altijd verliefd op leraressen op school. Dat vond ik eigenlijk heel raar, want ik wist niet wat dat gekke gevoel was. Ik vond het fijn, maar ook heel eng. Zo langzamerhand begon ik wat bij mezelf te vermoeden, maar dacht dan weer gauw ‘het zal wel voorbijgaan als ik later een jongen tegenkom en trouw’. Maar ja, dat gebeurde wel, maar mijn gevoel ging niet weg, integendeel, ik verlangde in mijn huwelijk steeds meer naar vrouwen.’

Het zijn levensmomenten waarop het ik zich zelf beleeft. Door zich af te zetten tegen de omgeving wordt het mogelijk zich als ‘anders dan de anderen’ te ervaren. Tot ongeveer de puberteit zijn deze gevoelens en vermoedens nauwelijks seksueel gekleurd. Pas in die fase ontwaakt de erotiek in de jonge mens. Heel vaak weet de jonge homoseksueel al heel zeker dat zijn seksuele gevoelens afwijken van die van veel leeftijdsgenoten. Omdat deze hun gevoelens naar buiten brengen, kan de jongere zich veelal niet herkennen en voelt hij zich buitengesloten. Sommigen vinden hun weg doordat zij op positieve wijze door hun omgeving worden geholpen.

Wanneer men in de pedagogie een open oog voor deze ik-belevingsmomenten zou kunnen ontwikkelen, zouden later homoseksueel blijkende kinderen veel eerder uit hun isolement kunnen worden verlost, waar zij nu, door gebrek aan identificatie in verzeild raken. Omdat wij bij homoseksualiteit nog te veel denken aan seksuele handelingen zullen wij bij kinderen naar dergelijke uitingen op zoek gaan. Hoe het homoseksuele kind zich voelt, zijn wij altijd uit de weg gegaan. Bij het kind is het echter zo dat het seksuele nog niet of nog niet zo sterk aanwezig is, zodat wij tevergeefs zoeken. Zolang wij onze benadering niet veranderen, kunnen wij dit element in de biografie niet waarnemen. Mede door de emotionaliteit en sensationaliteit, die rondom het fenomeen bestaan in de samenleving, zullen maar weinig opvoeders daadwerkelijk kunnen helpen.

Zo komt het homoseksuele kind vaak na een lange weg van eenzaamheid pas in de volwassenheid tot zelfacceptatie. In de hulpverlening blijkt dat velen pas rond of na het achtentwintigste levensjaar (omdat dan het ik zich vol heeft kunnen ontplooien en zelfstandig is geworden) tot het volle bewustzijn komen homoseksueel te zijn en zichzelf beginnen te accepteren. De maatschappij legt wel een zeer zware druk op de gezonde ontwikkeling van de homoseksuele mens. Anderzijds heeft deze druk ook positieve kanten: ondanks alle afwijzing en onbegrip voelt de homoseksuele mens de noodzaak zijn eigen weg te volgen, tegen alle stormen in.

Mannelijk/vrouwelijk

Vele van de sociale problemen rond homoseksualiteit hangen samen met het niet of niet goed begrijpen van de betekenis van het mannelijke en het vrouwelijke. Van jongs af aan worden wij voorbereid op een leven als man of vrouw met alle maatschappelijke consequenties van dien. Elke man en elke vrouw zal met enige zelfkennis zonder veel moeite elementen van het andere geslacht in zichzelf herkennen. Uiteraard is het een verschil of wij in dit leven staan als man of als vrouw; alleen de verschillen worden in extremen beschreven en daardoor nog al eens overdreven. In de praktijk zijn man en vrouw nu ook weer geen wezens van twee verschillende planeten!

Met de veranderende opvattingen over wat mannelijk en vrouwelijk is, komt er in de overwegend masculine samenleving meer en meer plaats voor de mens in zijn totaliteit.

Zo komt er plaats voor hen die niet zo goed in het benauwde stereotiepe beeld van die samenleving passen, waaronder homoseksuelen. Het is begrijpelijk waarom het feminisme en de radicale homobeweging in één adem worden genoemd als het gaat om de emancipatiestrijd. Toch zijn zij wezenlijk verschillend, al strijden zij beide voor het recht ‘jezelf te mogen zijn’. Steeds meer wordt duidelijk dat het leven niet draait om het mannelijke of het vrouwelijke, maar om het menselijke.

In de antroposofie vinden wij op verschillende plaatsen deze ontwikkeling aangeduid en hoe de geslachtelijke relaties zich uiteindelijk zullen ontwikkelen: er zal een tijd komen dat de mens niet meer aan het materiële gebonden zal zijn en dat het geslachtelijke veredeld zal zijn (en niet verloochend!). Het elkaar verachten om eikaars geslacht (mannen tegen vrouwen, mannen tegen mannen, vrouwen tegen vrouwen, vrouwen tegen mannen) of de uitdrukking van het geslachtelijk beleven zal niet meer voorkomen. Is dat alleen maar een toekomstbeeld? Of kunnen wij daar al wat aan doen? Door de verschijnselen om ons heen met bewustzijn en openheid tegemoet te treden, kunnen wij nu al een heel eind komen.

Heinrich Frieling schrijft in zijn boek Das Mysterium der Liebe: ‘Liefde tussen mensen van hetzelfde geslacht zoekt in de grond van de zaak nooit het eigen geslacht in de zin van zonder onderscheid, maar toont duidelijk het streven naar het andere, ook als dit andere qua kenmerken tot hetzelfde geslacht behoort. Juist hier wordt het geheel andere nog duidelijker als het oereigene ervaren, dat men in zichzelf draagt. Homoseksualiteit behoort tot het normale, niet tot het ziektebeeld, als men de norm niet getalsmatig bepaalt. Homoseksualiteit – door de samenleving lange tijd verguisd en als misdaad afgedaan -levert het bewijs voor de predominantie van de liefde boven het ‘doel’ nageslacht voort te brengen’.

.

René de Winter, Jonas 20, 25-05-1984

.

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1593

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.