Maandelijks archief: oktober 2013

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Nicolaas (17)

Sinterklaas en Père Noël

menselijke aspecten van twee kindervrienden

Elk jaar gaan er in de maand december twee gerenommeerde mannen op stap, die ’s nachts, in het geheim, geschenken uitdelen aan slapende kindertjes. Ze doen het overigens alleen maar, als de zo vredig sluimerende jeugd voldaan heeft aan twee belangrijke voorwaarden, waarvan nooit of te nimmer door hen kàn en zàl worden afgeweken:
1. ieder van de gelukkigen moet het hele 
jaar door braaf geweest zijn.
2. ze moeten op de bewus
te avond hun schoentjes hebben klaargezet.
Dàn pas 
en niet eerder komen de twee al zo lang verbeide weldoeners.
Elk jaar opnieuw en steeds overal tegelijker
tijd.
Dan pas brengen ze de cadeautjes mee, die de tal
rijke kinderschare door middel van een verlanglijstje al zo dikwijls en zo nadrukkelijk gevraagd heeft.
Intussen heeft u natuurlijk al lang begrepen, wie deze twee legendarische, nooit meer weg te denken kindervrienden zijn.
Inderdaad, we hebben hier duidelijk te 
maken – voor wat Nederland betreft – met „Sinterklaas” oftewel „Sint Nicolaas” en – in Frankrijk – met de daar
sinds jaar en dag bekende ,,Vader Kerstmis”, beter bekend onder de naam van „Père Noël”.
Twee door nie
mand te vervangen bejaarden die, ieder afzonderlijk, tijdens donkere nachten in de weer zijn om zich toegang te verschaffen tot de behuizingen, waar hun vriendjes na heel wat onrustig woelen tenslotte toch nog de slaap van de rechtvaardigen gevonden hebben.
Dat slapen is overigens de derde, subtiele, eveneens noodzakelijke voorwaarde vooraleer kan worden overgegaan tot het deponeren van de zo vurig verlangde cadeautjes. Geschenken, die tijdens de bewuste nacht
uitgedeeld worden aan bijna alle kindertjes van de twee genoemde landen.
Bijna ja, want er zijn nu eenmaal behalve bráve kinderen óók nog eens stóúte kindertjes!

En dié krijgen niets! Helemaal niets! „Sinterklaas” en „Père Noël” moeten, zo lang ze bestaan, niets van deze akelige soort kinderen hebben. Zulke kinderen
worden ieder jaar, zonder pardon, door hen overgeslagen! Wie wérkelijk stout is, krijgt alleen maar een roe!
En dat gebeurt dan in sommige gevallen lijnrecht in tegen de welgemeende raad van enkele kinderpsychologen, die beweren, dat door genoemde, grievende handelwijze het toch al zo uiterst gevoelige kind andermaal gedreven zal worden in de frustrerende hoek van de minderwaardigheidscomplexen ………………….
Nóch „Sinter
klaas”, noch „Père Noël” zijn ooit ondersteboven geweest van deze oprecht verontruste zielkundigen. Ze hebben zich nooit iets aangetrokken van nieuwe theorieën over de misdragingen van het jonge kind en de daartoe voortaan gewenste correctiemogelijkheden.
De eeuwen door hebben ze zich bediend van de ouderwetse, degelijke roe. Daarbij steeds geholpen door de Nederlandse knecht: „Zwarte Piet” en zijn evenknie in Frankrijk: „Vader Zweepslager”, alias „Père Fouettard”.
Zijn de beide heren er iets mee opgeschoten? Zijn de twee weldoeners geslaagd in hun opzet? Het antwoord:
Wis en waarachtig! De resultaten, die ze met deze gedragstherapie bereikt hebben, zijn nog steeds en in alle opzichten verbluffend te noemen. In Nederland hoeft men de naam van „Zwarte Piet” maar over de lip­pen te laten glijden, of een complete, rumoerige kinder­schare zwijgt vanaf het ogenblik, dat de knecht van de goede Sint in levende lijve voor hen staat. In Frankrijk ligt deze zaak al niet anders. Alleen het effect is nóg gro­ter! „Père Fouettard” blijkt in „la douce France” alleen al door het noemen van zijn naam in staat te zijn om de meest onverbeterlijke, opvliegende Gallische deugniet het klamme angstzweet in zijn kleverige handjes te doen krijgen!

„Sinterklaas” en „Père Noël”:
In heel veel opzichten lijken ze op elkaar: het zijn kinder­vrienden, ze zijn alle twee voorzien van een indrukwek­kende, witte baard, die „in het seizoen” als een pas gepermanente paardenstaart gezapig om hun kin speelt. En voor wat hun leeftijd betreft: de heren zijn geen van beide heel erg jong meer. Ze hebben een achtens­waardige leeftijd bereikt.

Natuurlijk is dat allemaal waar, maar al die zaken zijn eigenlijk maar heel gewone dingen te noemen. En nu we het tóch over gewone dingen hebben, zullen we toch ook nog even moeten praten over dingen, die helemáál niet zo „gewoon” zijn. Heel belangrijke dingen, die te maken hebben met „Sinterklaas” en „Père Noël” en waarvoor nog nooit iemand een redelijke verklaring heeft kunnen vinden! Want wat denkt u eigenlijk van het feit, dat de beide weldoeners tijdens hun onverwachte, nachtelijke bezoek plotseling overal tegelijkertijd zijn? Hoe komen de beide heren er achter, wat alle kindertjes aan hen gevraagd hebben? En hoe krijgen ze al dat moois ter bestemde plaatse zonder, dat ze door iemand worden opgemerkt? En dat allemaal zon­der een enkele vergissing! Wie ’s morgens opstaat, vindt de trein of de poppenwinkel. Verwarring ontstaat alleen, als volwassenen wat achteloos, wat nonchalant met de „gereden” geschenken hebben omgesprongen!

Grote overeenkomsten dus tussen „Sint Nicolaas” en „Père Noël”. Maar er zijn óók verschillen! Grote ver­schillen zelfs! Neem bijvoorbeeld het verschil in ont­staan van de twee kindervrienden. Hun verschil in oorsprong.

Op dat punt liggen de twee uitzonderlijke figuren nogal een eindje uit elkaar. Van „Sinterklaas” weet iedereen zo zachtjesaan wel, dat de man vroeger, heel lang gele­den, bisschop moet zijn geweest. En óók, dat hij niet heel veel later, na zijn dood, heilig is verklaard.
Hoe heel anders, hoe veel wereldser manifesteert zich in deze de rondborstige ietwat corpulente figuur, die men  „Père Noël” noemt! De goede man is nooit van zijn leven bisschop geweest! Laat staan, dat hij in de loop der tijden heilig verklaard zou zijn. Dat laatste zou overigens wel heel moeilijk gekund hebben, want „Père Noël” is vanaf het begin van zijn loopbaan een zoge­naamde dwalende broeder geweest. Een heiden, die destijds, in de dagen van de wat ruwe, zwoele zonne­wendefeesten een bijzonder geheimzinnige rol moet hebben gespeeld. Een duistere figuur, waarvan de oor­sprong iets te maken moet hebben gehad met de god Saturnus, de Romeinse god van de vruchtbaarheid. Vandaar misschien ook het feit, dat de Franse kerstman aangeduid wordt met “Père”, de aanduiding van een levenverwekkende persoon van de mannelijke kunne: „Vader”.
Het is jammer, dat de geschiedenis van „Père Noël”, voor zover het dit zo specifieke onderdeel betreft, vanaf het allereerste begin in dichte nevelen gehuld is ge­bleven. Nergens wordt verwezen naar zijn vrouw en het aantal kinderen! Men spreekt daarom enkel een vermoeden uit, als men beweert, dat „Père” en „Mère Noël” wel degelijk gezegend zijn geworden met een
talrijke kinderschare. Het zijn enkele bekende historici van de laatste tijd geweest, die de Gordiaanse knoop van de vruchtbaarheid hebben doorgehakt. Zij geloven perti­nent in de potentiële krachten van „Père Noël”. Ze zien er ook de allervoornaamste reden in, waarom deze figuur tenslotte is uitgegroeid tot een ware kinder­vriend, die in heel Frankrijk en zelfs ver daar buiten, zijns gelijke nog nooit gevonden heeft!

,,Sint Nicolaas” dus de heilige bisschop en „Père Noël” waarschijnlijk iemand, die bepaalde geneugten des levens niet zonder meer naast zich neer heeft willen leggen.

Vanzelfsprekend moet er dan ook verschil in kleding hebben bestaan! Al was het alleen maar, omdat een bisschop de eeuwen door onderscheiden is geworden door een mijter en een tabbaard. Attributen, die voor de vader van een talrijke kroost nu niet direct kenmerkend hoeven te zijn.

Laten we daarom vanwege het verschil in kleding, eens wat gedetailleerder ingaan op die van de goedheilig man. Laten we een wat serieuzer blik werpen op het schoeisel van deze eerbiedwaardige, tot ascese geneig­de kindervriend. Wat zien we dan? We constateren onmiddellijk, dat de schoenen van „Sint Nicolaas” eigenlijk helemaal geen schoenen zijn! Het zijn eerder een soort onhandige, bijzonder onpraktische muilen! Meestal paars van kleur, modieus van snit en met een gouden kruisje boven op de magere tenen. Prachtig om te zien, dat wel. Net als de zogenaamde tabbaard, het bovenkleed, dat men zonder overdrijving het summum van onberispelijkheid zou kunnen noemen. Evenals trouwens de rest van de kleding. Tot en met de mijter.
En ……..  vooral ook niet te vergeten de hyperlange, katoenen, witte, waarlijk smetteloze kousen, waarvan ik in mijn jonge jaren een keer het genoegen heb mogen smaken om ze tot in hun uiterste lengte te mogen aan­schouwen, toen een wat onzekere Sint verwoede pogingen aanwendde om zijn geduldig wachtende ros met veel vallen en opstaan tenslotte te bestijgen …. Hoe héél anders komt de goedmoedige, onbezorgde, van levenslust blakende „Père Noël” voor ons aller ogen uit de verf! Voor hem geen kledingstukken, die ten allen tijde door een ringetje gehaald kunnen worden. Voor hem geen nepschoenen van een model en een kwaliteit, die geen enkele forse beweging toelaten. Niets van dat alles! Maar voor hem wèl een paar onver­valste, rendierharen sokken, waarin de goed ontwikkel­de voeten en benen van „Père Noël” een goed heenko­men hebben gezocht en gevonden. Zo is het ook gesteld met de leren, zeer solide lieslaarzen, waarmee in het allerslechtste weer zonder veel strubbelingen geopereerd kan worden.

En voor wat de „bedrijfskleding” van „Père Noël” betreft: de goede man voelt zich pas écht in zijn knollen­tuin, als hij tijdens zijn menslievende werk gekleed is in een forse, vooral in het kruis niet te krap zittende, rood fluwelen, broek. Hij is pas helemaal zichzelf, als hij zich omgeven weet door een ruime, dikke jas van dezelfde kleur, afgezet met echt, handdik, wit bont, dat hem
vol­doende bescherming biedt tijdens een nacht van ein­deloos ploeteren, als het kwik een heel eind onder het vriespunt gedaald is.

Tenslotte is de onhandige, gruwelijk in de weg zittende mijter van „Sinterklaas” bijzonder doeltreffend ver­vangen door een warme soort slaapmuts. De punt daar­van is – zoals duidelijk in de kleine lettertjes van de gebruiksaanwijzing staat vermeld – uitermate geschikt om op discrete wijze een heupflacon Franse cognac te verbergen ….

De zo pontificale staf van de Sint is vervangen door een dikke, knoestige stok die wérkelijk steun geeft, als de vermoeidheid na het eeuwige opdraven met cadeautjes en de slaperigheid na het consumeren van enkele behoorlijke neuten een ongewoon belangrijke rol is gaan spelen.

Is het dus iedereen duidelijk geworden, dat de kleding van de twee fenomenen nogal wat van elkaar verschilt, hun optreden wordt eveneens gekenmerkt door gedra­gingen, die voor ieder van hen afzonderlijk, voor wat hun persoon en voorkomen betreft, bepalend zijn. Zo weet bijvoorbeeld iedereen in de Franse hoofdstad, dat ,,Père Noël” zich in de warenhuizen van Parijs voortbeweegt met een ongedwongenheid, die men nooit of te nimmer bij de toch al tot ascese geneigde „Sint Nicolaas” zal aantreffen. Bij dezelfde gelegenheid zal de Franse „Père” er ook volstrekt geen been in zien om, tussen de bedrijven door, enkele goede glazen wijn tot zich te nemen.

Integendeel! Bovendien is deze drank hèt aangewezen middel gebleken om hem in een stemming te brengen, die hem tenslotte zal doen belanden in een soort uitge­latenheid, die warenhuisdirecteuren zo zeer op prijs stellen. Want juist dié voor deze feestelijke gelegenheid zo aangepaste vrolijkheid van ,,Père Noël”, blijkt de ver­borgen verleider te zijn, die er de talrijke clientèle toe doet overgaan om met volle beurs en gulle hand alsnog de geschenken te kopen, waarover ze enkele ogenblik­ken geleden nog geen enkele beslissing hadden durven nemen!

Stelt u zich voor, dat „Sint Nicolaas” op déze, geheide manier voor het zo besluiteloze publiek zou moeten optreden! Zoiets is, laten we het maar gerust zeggen, de voormalige, heilige bisschop ten enenmale niet gegeven! Het is eigenlijk zó, dat zijn stem in de meest onverwachte omstandigheden vlak en ingehouden blijft klinken. Het is, zo menen velen, vooral het ontbreken van elk gevoel voor humor, dat aan „Sinterklaas” een bepaalde, kenmerkende kleurloosheid in zijn optreden heeft gegeven. Een reageren op gebeurtenissen, waar­aan een bepaalde bloedeloosheid in gedachten bepaald niet te ontkennen valt. Veelzeggend is, voor wat dit betreft, het verhaal, dat iemand mij niet zo lang geleden verteld heeft. Het is de tekenende geschiedenis van wat een man in zijn prille jaren daarvan heeft meegemaakt. „Op een avond in december, toen ik nog een kind was”, zo zei hij mij, „werd ik door iemand naar de Sint geleid. Niet, omdat ik het hele jaar door zo braaf was geweest. Neen, veel meer, omdat ik bij herhaling dingen gedaan had, die mijn ouders niet zo prettig vonden. Toen ik bij „Sinterklaas” was aangekomen, zette iemand mij op de knokige schoot van een man, die de heilige bisschop moest zijn. Voor de eerste keer in mijn leven bevond ik mij heel dicht bij het hoofd van de goede Sint. Ik keek naar zijn prachtige mijter en zijn gezicht met de roodomrande, wat vochtige ogen. Toen ik nog wat later keek, in de buurt van zijn smalle, door een plukje baardharen wat verborgen mond, zag ik tot mijn grenzeloze verbazing, dat de baard van „Sinter­klaas” nog maar voor de helft aan zijn kin vastzat! Hoe het gekomen is, zou ik niet precies kunnen zeggen, maar om de een of andere reden kon ik niet nalaten om aan de gedeeltelijk losgeraakte baard vlak vóór me te trekken. Wat ik tóén zag, was voor mij bijna niet meer te geloven: de baard was helemaal losgeraakt en ik had enkel nog een gespannen elastiekje in mijn hand, waar­aan de hele baard en zelfs ook nog de snor was vastge­maakt!

Van schrik liet ik alles los! Met een kort kletsend geluid zwiepte het witte haarstuk tegen de konen en de kin van de Sint! Ik dacht: O, wat zal dié direct beginnen te lachen! Want zoiets heeft ie beslist nog nooit meegemaakt!
Maar het pakte allemaal anders uit! Schielijk en wat boos duwde de Sint mij van zich af. Het leek, of hij nog vlug iets heel onnets wilde zeggen, maar hij hield zich in. Daarna zat hij daar met bijna toeë ogen en keek en deed, alsof hij aan twee kanten tegelijk kiespijn had gekregen_____ “

Ikzelf kan jammer genoeg niet bogen op dergelijke, aangrijpende jeugdherinneringen. Wél kan ik u iets ver­tellen over iets, wat mij als jongetje toch wel enigszins is bijgebleven. De gebeurtenis, waarmee ik u wil bekend maken, heeft zich eveneens jaren geleden voor­gedaan, toen ik „Sinterklaas” ontmoette op de „cour” van een café, nadat hij van het toilet gebruik had gemaakt. Overigens wist ik dat nog niet op het ogen­blik, dat hij mij passeerde. Maar op het moment, dat hij langs me kwam, keek hij mij aan, alsof hij iets te ver­bergen had. Of beter gezegd: hij wilde om de een of andere reden niet laten merken, wat hij zo juist gedaan had. Maar toen ik hem nakeek, zag ik tóch, wat hij nog niet zo heel lang geleden gedaan moest hebben, want een gedeelte van zijn mantel was achter als een frot in een oude, opgelapte broek gestopt! Ik moet bekennen, dat ik van zo juist aanschouwde tafereel erg geschrokken was! Zoiets had ik nog nooit gezien!

Vlug liep ik daarom terug naar de Sint en vertelde hem, wat ik zo juist gezien had. En ook hier weer: geen sprake van gevoel voor humor van de kant van „Sinterklaas”!.
Integendeel! De Sint keek me, naar ik zeker meen te weten, even verbijsterd aan en ging daarna zó staan, dat ik het gedeelte van de in zijn broek verzeild geraakte bisschopsmantel niet meer kon zien! Terwijl zijn wangen en neus steeds roder werden, gaf hij mij meerdere malen de zegen en zei, dat ik maar heel vlug de groeten moest gaan doen aan mijn lieve ouders……

Hoe héél anders, hoe véél menselijker gedroeg zich de „Père Noël”, die ik dezer dagen ’s avonds in de „Rue Séveste” („Montmartre”) mocht aantreffen. Ik zag hem, kennelijk nogal gehaast, voortspoeden in het don­kere straatje, waar verder niemand te bespeuren viel. Met ongeschoeide hand torste hij met enig gesteun een zak over zijn rechterschouder, waaruit een pop en een speelgoedkonijntje bengelden. Een ontroerend gezicht, ware het niet, dat ik plotseling bemerkte, dat het konijn­tje met een korte zwiep over de straat gesmeten werd. Ik raapte het op, wendde me tot „Père Noël” en wilde hem het stuk speelgoed overhandigen. Maar met een gespannen trek op zijn gezicht zei hij: „Een ogenblik, alstublieft! Un moment, s’il vous plaît” Daarop spoedde hij zich naar een donkere hoek tussen twee huizen. Ofschoon ik me uiteraard vanaf dit moment discreet teruggetrokken had, hoorde ik hem rechtop staande vanuit de duisternis meerdere malen opgelucht zeggen: „Hèh! Hèh! Net op tijd! Wat een opluchting!”

Enkele ogenblikken later kwam hij totaal ontspannen en zelfs glimlachend mijn kant op. Hij verontschuldigde zich, dat hij mij enige tijd in de steek had moeten laten.

Het konijntje wilde hij niet terughebben. Ik mocht het houden. Bovendien kreeg ik ook nog een flinke neut uit het flesje, dat hij zonder dralen en met van pret twinke­lende ogen uit de punt van zijn slaapmuts viste! Wat een verschil van benaderen van een zo menselijk probleem! Wat een ontwapende openheid aangaande een noodzakelijke, onvermijdelijke sanitaire stop! Wat een fijn nuanceverschil tussen „Sint Nicolaas” en “Perè Noël” om zich na dit buitengebeuren weer frank en vrij onder de mensheid te begeven!

Verschillende aspecten in het optreden van „Sint Nico­laas” en „Père Noël” dus. Niemand van ons zal het wil­len of kunnen ontkennen. Maar hoe dan ook: de beide heren zijn en blijven wel allebei wonderdoeners! Het jonge kind blijft daar onvoorwaardelijk in geloven! „Sin­terklaas” en „Père Noël” kunnen alles! En dat is ook zo! Want welk sterfelijk wezen kan, om maar iets te noe­men, net als „Sinterklaas” met een paard over de daken rijden? En wie kan, net als „Père Noël”, per arreslee met een duizelingwekkende vaart door de donkere met ster­ren bezaaide hemel koersen? En wie van de grote men­sen brengt elk jaar cadeautjes voor de kinderen mee? Elk jaar opnieuw, alsof het de gewoonste zaak van de wereld zou zijn?

Niemand natuurlijk! Oók al wordt de laatste jaren in Frankrijk zonder blikken of blozen beweerd, dat het nu echt maar eens afgelopen moet zijn met die comedie van „Père Noël”! Dat er zachtjesaan een einde dient te komen aan al die flauwe kul in de kersttijd! En mocht het voorlopig echt nog niet anders kunnen, zorg er dan voor, dat het werk van „Père Noël” kan worden overge­nomen door een of andere romantische leek, die daar toevallig zin in heeft!

Zo’n verfoeilijke gedachtengang is niet alleen een grove misvatting te noemen, maar vooral een schandelijke manier om het werk van „Père Noël” in een puur men­selijk vlak te trekken!

Maakt u zich daar overigens maar niet al te ongerust over, want het kind kijkt bliksemsnel door deze bijzon­dere onsmakelijke gang van zaken heen. Het doorziet onmiddellijk en feilloos het slinkse werk van de snode dubbelganger, die verwoede pogingen aanwendt om een gebied, dat niet tot het zijne behoort, tot zich te trekken, De kinderziel onderkent zelfs het geval, waar­uit zou moeten blijken, dat de mens erin geslaagd is om zichzelf op dit gebied te overtreffen! Maar ook dan blijkt alles alleen maar pure tragiek te zijn! Net als de held van het klassieke drama is hij ook hiér weer de mens, die bezig is aan zijn ondergang op een tijdstip, waarvan hij dacht, dat het grootste geluk hem zo juist in zijn schoot was gevallen …
Een  typisch voorbeeld  hiervan  is de noodlottige geschiedenis, die zich verleden jaar heeft voorgedaan in een dorpje niet ver van de plaats „Clermont-Ferrand”, gelegen in het hoogland van Auvergne.

Tegen Kerstmis schrijft een jongetje daar aan „Père Noël”:
„Beste „Père Noël”, papa heeft geen werk meer en mama is heel ziek. Mijn broer en mijn zusters hebben geen kleren meer om aan te trekken. U merkt dus, dat we allemaal heel ongelukkig zijn. Als u mij echter 200 francs zou willen sturen, zou u ons een groot plezier doen. Dank je wel „Père Noël”.”

Het jongetje doet daarna het briefje in een enveloppe en adresseert die aan: „Père Noël”. Op de achterkant zet hij zijn adres en doet daarna de brief op de bus. De postbeambte, die de brief in zijn handen krijgt, meent, dat de brief nooit bij „Père Noël” zal aankomen! Daarom maakt hij de brief open en leest daarin, wat het knaapje in het volste vertrouwen aan de kindervriend gevraagd heeft. Hij besluit – in zijn verregaande roeke­loosheid! – om met enkele van zijn collega’s voor „Père Noël” te gaan spelen !
Ze houden daarom een collecte en als het geld geteld wordt, blijkt, dat ze met zijn allen 100 francs bij elkaar gekregen hebben. Het geld wordt in een enveloppe gedaan, waarbij ingesloten een briefje, dat ondertekend is door „Père Noël”! Daarna wordt de brief verstuurd naar het arme jongetje.

Drie dagen later vinden de postbeambten een andere brief van het jongetje in de postbus, die eveneens ge­adresseerd is aan „Père Noël”. Met grote
nieuws­gierigheid wordt de enveloppe open gemaakt. Met z’n allen lezen ze:

„Dank je wel, beste „Père Noël”. Ik ben blij met het geld, dat ik van u ontvangen heb. Maar ik moet er wèl iets bij vertellen. Ik vind het erg vervelend, dat die smeerlappen van postbeambten de helft van het bedrag in hun eigen zak gestoken hebben!”

(Bertrand Verhelst, De Vacature, 24-11-1077)

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Nicolaas (16)

Sinterklaas bestond écht

Al zeggen ze het honderd keer, „Sinterklaas bestaat niet”, ze hebben het allemaal fout. Goed, de man zelf is allang dood, maar hij bestónd wél en was een dermate goed mens dat hij tot op de dag van vandaag in tal van landen vereerd wordt. Ondanks de legen­den en verhalen die rond zijn persoon geweven werden (omdat be­trouwbare historische bronnen ontbreken) is het zeker dat onze Sinterklaas in de vierde eeuw de bisschop was van Myra, in Klein-Azië.
Een volksheilige, die vereerd werd om zijn weldadigheid. Een gul mens, gezien de verhalen die over hem de ronde deden en nog doen.  Zo gaf hij drie arme, trouwlustige meisjes eens geld zodat zij konden trouwen. Al­thans dat zegt het levensverhaal over de heilige, geschreven door de diaken Johannes van Napels. In 1087 brach­ten kooplieden het gebeente van de goedheiligman naar Bari in Zuid-Italië en daar begon dan ook het vieren van het Sinterklaasfeest op de ma­nier, zoals wij dat nu kennen. Sinter­klaas werd daar beschouwd als de heilige van de onverwachte goede ga­ven en van de kinderen. Die lof dank­te hij aan de legende dat hij drie jon­gens tot leven zou hebben gewekt.

Door de herbergier van een dorp zou­den zij zijn vermoord en in een ton met pekel zijn geconserveerd. Een ge­bed van Sint Nicolaas boven de ton was voldoende om de drie weer springlevend te maken.

Spanje
Misschien, omdat Zuid-Italië een poosje Spaans bezit is geweest, mis­schien om een andere reden. Maar de Nederlanders veranderen wat aan de legende en lieten de Sint uit Spanje komen. We kozen ook hier zes december als zijn feestdag en het gebruik ontstond dat een als bisschop geklede  persoon kort voor of op Sinterklaasvond kleine kinderen bezocht, naar hun gedrag informeerde en ze vervolgens al dan niet overlaadde cadeaus. Stoute kinderen gingen in de zak of kregen een paar tikken met de  roe. Voor de kinderen van nu hangt er nog steeds een dergelijk idee rond magische zesde december. Temeer ook omdat veel ouders dit feest als „zoethoudertje” aangrijpen om hun kroost een paar weken per jaar in toom te houden. “Doe lief, anders ga je in de zak”, is het veel gehoorde liedje.

Piet
De verhalen rond Zwarte Piet zijn wat minder betrouwbaar dan die rond Sinterklaas zelf. Wel is uit de overle­vering bekend, dat de Sint altijd ver­gezeld was van een helper. Maar wie die helper was, daarover doen ver­schillende verhalen de ronde. In som­mige streken was de knecht een eng monster, dat Klaubauf, Krampus of Bartel heette. Elders weer was het een man die in een dierenhuid gehuld was. Die figuren echter hebben het hier nooit „gemaakt”. Bij ons wordt de Sint vergezeld door een zwarte knecht. Dit omdat Spanje in de acht­ste eeuw overstroomd werd door Mo­ren uit Noord-Afrika. Geen negers, maar een islamitische bevolking van Arabieren en Berbers.

Feest
Het Sinterklaasfeest, op de avond van vijf december of op het échte feest van Nicolaas van Myra, is in Ne­derland het meest populaire feest. Een katholiek feest, dat dan ook voor­al in de eerste eeuw na de reformatie heftig bestreden werd door de protestantse kerkelijke overheid. De wereldlijke overheid zag het feest toenevenmin zitten, omdat het aanleiding  gaf tot wanordelijkheden. De plattelandsbevolking had ook geen hoge pet  op van het feest en tot in het begin  van deze eeuw werd Sinterklaas eigenlijk alleen in de steden gevierd. Tegenwoordig echter is het een écht familiefeest en zijn er maar weinig gezinnen waar rond de vijfde december geen pepernoten door de kamer vliegen of cadeautjes uitgewisseld worden.
Ieder land zijn eigen “cadeautjesleverancier”
Sinterklaas, de ver­trouwde goedheiligman,gehuld in een wijde, rode mantel, de mijter op het hoofd en zijn gerimpeld gezicht verborgen achter een dikke bos wit baard­haar, is niet overal in de wereld even gevierd als in Nederland.
Na de Reformatie, in de zestiende eeuw, schaften landen als Duitsland en Zwitserland de viering rond Sint-Nicolaas af, om­dat dit feest te rooms zou zijn. In de protestantse de­len van Duitsland kwam het Christkind daarvoor in de plaats. Een soort engel-boodschapper of vertegen­woordiger van het Kindje Jezus. Soms was het een jongen, soms een in wit ge­kleed meisje. Het
Christ­kind bracht cadeautjes op de vooravond van Kerst­mis en dat Weihnachtenfeest wordt nog steeds ge­vierd. In de achttiende eeuw werd het Duitse en Zwitserse Christkind in Amerika bekend en verward met Santa Claus, oftewel Sint-Nicolaas.

Kerstman
De uiteindelijke transformatie van de heilige rechtvaardige bisschop van Myra in de huidige commerciële kerstman-  althans in landen als Amerika, want bij ons geldt nog steeds de enige échte Sinterklaas — begon bij dr. Clement Clarke Moore. Deze   professor in de Griekse en Hebreeuwse literatuur aan een universiteit in New York las op 22 december 1822 zijn kinderen voor uit eigen verzen die hij “Bezoek van Sint Nicolaas”  genoemd had. Een bezoekster die avond genoot zo van het gedicht dat zij dit een jaar anoniem  opstuurde naar een krant die het verhaal publiceerde. En van de ene op de andere dag werd de waardige Sint-Nicolaas een sprookjesfiguur.

Tekenaars haalden hun hart op aan zijn verschij­ning en zo ontstond de dikbuikige Kerstman, met rode muts en jas, maar zonder enige religieuze
be­tekenis. Toen deze Santa de Atlantische Oceaan overstak naar Engeland, vermengde hij zich daar met de Engelse Kerstman, een heidens overblijfsel uit de tijd van de kerstspelen en traditioneel afgebeeld met een baard, een hoge rug, een knuppel in de hand en een krans hulst op zijn hoofd. Hulst is van oudsher een plant die be­schermt tegen heksen en het boze oog. Het is het symbool voor het branden­de braambos, waarin God aan Mozes verscheen en voor de doornenkroon.

Of het nu de Kerstman is in Engeland, Sinterklaas bij ons, de Gnomen in de Noordeuropese landen of de heks La Befana in Ita­lië, ieder land kent wel zijn eigen figuur die jaarlijks, tegen het einde van het jaar, cadeautjes geeft en zijn of haar gulle hand leegstrooit boven de hui­zen.

Het geven van geschen­ken is een gewoonte die al ten tijde van de Romeinen gebruikt werd. Tijdens de Januaria Kalendae wissel­den zij cadeautjes uit en offerden aan de keizer. Eerst waren die geschen­ken takken uit de boom­gaard van de godin Stre­nia. Later werden die tak­jes vervangen door meer kostbare, blijvende ge­schenken. Ieder cadeau had een eigen betekenis. Honinggebak voor de zoetheid van het leven, lampen verzinnebeeldden het licht, goud betekende rijkdom. Terwijl de Ro­meinen elkaar cadeautjes gaven, ging de Noorse god Odin langs de winterse he­mel en bestrafte het kwaad en  beloonde  het  goede.
Heidense gebruiken, die door de kerk „overgeno­men” werden, simpelweg omdat het niet lukte ze uit te bannen. Sinterklaas en de Drie Koningen in Span­je werden de geschenkenbrengers en deden dit, in vroeger tijden, uit naam van Jezus, Gods geschenk aan de mensheid.

Goud door de schoorsteen en een heidens offerbrood
Met de verering en het feest van Sint-Nicolaas, ontstonden tal­loze gebruiken. Een groot deel daarvan is terug te voeren naar ge­bruiken die vroeger al bekend waren, zij het meestal gegoten in een andere vorm.
In ons land zetten kinderen een schoen voor de schoorsteen “in de hoop dat Hij hem vol doet met ja. wist ik het maar”.
Dit gebruik komt moge­lijk voort uit een van de verhalen die over Sinterklaas bekend werden. Zo zou hij eens goud door de schoorsteen hebben gegooid naar drie dochters van een verarmde edelman als bruids­schat. Dit goud kwam terecht in een schoen of in een kous die daar toeval­lig bij de schoorsteen stond. Vandaar ook, dat in Engeland en Amerika de kinderen zo groot mogelijke kousen bij de schoorsteen hangen, zodat de kerstman die kan vullen tijdens zijn sledetocht in de nacht voor Kerstmis.

Ook wordt de schoorsteen vaak gezien als de verbindingsweg tussen de -mensen en hogere wezens. Het eten van taai-taai en speculaas wordt wel beschouwd als de verchristelijking van het vroegere heidense offerbrood.

Het Germaanse hooioffer herleeft in het leggen van haver en hooi in de schoen. In Nederland is dat bestemd voor de schimmel van de Sint. In Spanje doen de kinderen dit voor de kamelen van de Drie Koningen,
de cadeautjesleveranciers in dit land.

(stad en streek, 16-11-1993)

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Nicolaas (15)

Een heilige om van te snoepen

Hij is er weer.*
Als veel oudere Nederlanders in Spanje gaan overwinteren komt de oudste Spanjaard naar Nederland.
Naar de kou, om in het donker samen met zijn knecht en op zijn schimmel rondjes op gladde daken te draaien. In nachten als de maan door de bomen schijnt. Trippel, trappel, trippel, trap: het teken dat de makkers hun wild
ge­raas moeten staken.
Vol verwachting kloppen kinderhartjes, jeuken handjes om pakjes open te scheuren.
St. Nicolaas.

Maar het had niet veel gescheeld of onze oude trouwe makker had zelf het onderspit moeten delven.
Want makkelijk heeft de goedheiligman het de afgelopen eeuwen ondanks zakken vol cadeautjes niet gehad. Diverse aanslagen zijn op zijn leven gepleegd. Hij werd in een hoek gedrukt, hij kreeg de zwarte piet toegeschoven, er werd aan zijn standbeeld gemorreld.  En wat het ergste was: er werd vaak niet m hem geloofd:

„Geen kind gelooft meer aan die Vent,
Die nergens leeft, die niemand kent”

De geschiedenis van een man uit Myra, die alleen al heilig verklaard zou moeten worden, omdat hij het zolang heeft volgehouden en alle aanslagen beeft overwonnen.

Over Wodan, chocoladeletters, protestanten, beeldenstorm, rijmpjes,
secularisatie en anti-autoritaire sinterklaasverhaaltjes in een of an-
dere hoek.
K…… k.

Een Belgische professor en haar liefde voor Sinterklaas
Om maar via de schoor­steen in huis te vallen: Sin­terklaas bestaat niet. Natuurlijk hebben we geroe­pen: „Hé, kijk: zie ginds komt de stoomboot.
En natuurlijk zat hij er ook dit jaar weer op: „Ik zie hem al staan.” Gehoord hebben we hem ook: „Stil, hij roept ons iets toe.”

Maar waar het om gaat is dat hij ook wetenschappelijk bestaat. Met bewijs en aL
En daar zit de kneep. De Sint bestaat niet helemaal, eigenlijk maar een beetje.

De heilige Nicolaas van My­ra.

Het probleem is dat die hei­lige Nicolaas geen boeken of brieven heeft achtergelaten, er tijdens zijn leven weinig over hem geschreven is, er geen plaatjes van hem zijn geschoten of schilderijen gemaakt.

Wat bekend is, is dat de de bisschop van Myra rond het jaar 340 na Christus stierf. Waar­schijnlijk op 6 december.

Daarna volgt een gat van 200 jaar en dan pas duiken de legen­den en de verhalen over de le­gendarische bisschop van Myra in Klein-Azië op.
Bij zo’ gat van twee eeuwen knijpen weten­schappers de tenen samen.

Ook Rita Chesquiere deed het een beetje. Mevrouw professor Rita Chesquiere. Ze is* doccente filologie aan de K.U. in het Belgi­sche Leuven.

Liefde
En ze heeft wat met Sin­terklaas. Als kind al hield ze van de geheimzinnigheid en de huise­lijke sfeer. Hield ze van Sin­terklaas: „Misschien heb ik wel zo van Sinterklaas gehouden, omdat hij al mijn dromen res­pecteerde en mij tal van kinder­boeken bezorgde.”

Maar ze verloor hem uit het oog, tot de geboorte van haar jongste zoon: Nicolas.

Ze dook samen met studenten in het leven van de patroonhei­lige van haar zoontje en kwam terecht in de wondere wereld van legenden. Maar ze vond op haar rit nog meer: naast de diep religieuze betekenis en  invloed van Sinterklaas in de Middeleeuwen ontdekte Rita Chesquiere dat de sinterklaasfiguur in de teksten voor kinderen als een soort seismograaf van de onder­liggende pedagogische trends fungeerde.

Rita Chesquiere schreef er een schitterend boek over:
‘Van Nicolaas van Myra tot Sin­terklaas’.
Geschiedenis, verha­len, gedichten, legendes en prachtige illustraties. Een must voor Sinterklazen, die het willen worden en iedereen die inhoud aan een kinderdroom wil geven.

Mengen
De heilige die met niets be­gon. Twee eeuwen na zijn dood werd er niets van de bisschop van Myra gehoord. Dan komt hij op. Hij wordt verhalenderwijs geboren, zegt Rita Chesquiere. In een liefdes­nacht met een beetje fictie en wat feitelijkheden. Er ontstaat een beeld van een diepgelovige en rechtschapen man, die on­recht en ongeloof aanklaagt.  Die zich het lot van de armen
aan­trekt Hij brengt het kwade aan het licht maar straft niet.
Een heilige uit het oosten die in het westen een legende werd.

Sinterklaas. Hij wordt met de eeuw belangrijker en rond de bisschop gonzen zoveel verhalen dat er in de Middeleeuwen altijd wel een gilde of een groep iets ín vindt om de bisschop tot pa­troonheilige te bombarderen: de schippers, scheepbouwers en vissers voorop, maar ook advo­caten, deurwaarders, vrijers en gevangenen zagen heil in deze beroemde man. De heilige is in de Middeleeuwen zo bekend als Jan, Piet en’Klaas’.

Storm
Het Sinterklaasfeest deed op­gang. Een groot feest buiten. Een markt waar werd gegeten, gedronken en gedanst.  Leuke feestjes waren het, zo leuk dat eind 16e en begin 17e eeuw van­uit de protestante hoek tegengas werd gegeven. Die moesten niets van dat volkse gefeest heb­ben, die wilden niets te maken hebben met heiligen. In Tiel werd de rem in 1618 aangetrok­ken, in Grave in 1614 en in Arn­hem in 1622. Historisch gezien een belangrijk moment. In die beeldenstorm vlucht het Sin­terklaasfeest in Nederland van de straat naar de huiskamers en wordt van een feest van volwas­senen een feest voor kinderen.
In andere protestante landen als bijvoorbeeld Duitsland komt de Sint helemaal niet meer aan de bak en wordt het vervangen door het kerstfeest: ‘goede ga­ven komen alleen van God en niet van een heilige’. Zo was ook de dennenboom oorspronkelijk verbonden met 6 december en Sinterklaas. Wanneer de heilige in protestante landen verbannen wordt en het Kerstkind de spitspositie inneemt, gaat de dennenboom mee en wordt beroepen tot kerstboom.
Pas in 1934 verschijnt Sin­terklaas in Nederland weer op straat bij de eerste intocht in Amsterdam.

Wodan
Sinterklaas. Plaatjes waren er niet van hem dus fantaseerde men er in het westen op los en waren vrijages met het beeld van Wodan niet vreemd. Wodan verplaatst zich op Sleipnir, een achtvoetig paard dat zich sneller dan de wind door de lucht voort­beweegt (de schimmel over de daken?). Een teken van Wodan is de speer (des taf?)

Chocolade-, boter- en banket­letters worden gezien als runete­kens van Wodan, terwijl koeken en marsepein in gedaanten van dieren en mensen zouden
kun­nen wijzen naar vroegere hei­dense offergaven. En alles komt via de schoorsteen.  De schoor­steen, die pas in de elfde eeuw wordt uitgevonden en het gat in het dak vervangt dat eeuwen­lang in de mythologie de snel­weg was tussen de geesten en de mensen.

Sinterklaas. Een historisch fi­guur. Ook in de kinderharten van ouderen. In het tweede deel van haar boek is Rita Chesquiere (41) samen met haar studenten bijna verdronken in de enorme hoeveelheid sinterklaasverhalen die geschreven zijn. Verhalen die een beeld geven van de de betekenis die Sinterklaas hon­derdenjaren heeft en nog  heeft. Telkens in een andere
ge­daante, want ook de bejaarde heilige kon niet ontkomen aan veranderende pedagogische ontwikelingen. van de strenge, maar rechtvaardige heilige, tot de een wat machteloze oude speelgoedbrenger in de alterna­tieve verhalen.

 

Letter voor letter stript Rita Chesqulere Sinterklaas tot de naakte heilige waarheid en ont­dekte ze misschien niet het we­tenschappelijke bewijs dat hij bestaat maar wel iets anders: de man die de beeldenstorm overleefde, het protestantisme, de secularisatie en zelfs welliswaar met kleerscheuren, de commercie.

 

Blijft over het sinterklaaswonder, het sinterklaasgeheim. De verhalen en rituelen die ge­neraties bij elkaar brengen. Elke generatie vertellers heeft haar stempel gedrukt op de tra­ditie, haar eigen accenten ge­legd. De sinterklaasverhalen zijn hiervan de sporen, de af­drukken. Ze vormen op hun beurt, een netwerk van teksten en tekens, een verhaal van gene­raties.”

 

En als morgenavond zelfs een echte professor haar schoen zet, moet er een kern van waarheid schuilen in de figuur van Sin­terklaas.
En Rita Chesquiere hoeft er geen wortel in te stop­pen. Haar schoen zal na dit boek gretig gevuld worden.

 

Ergens op de hoge, hoge da­ken zal een vreemdeling zeker, die verdwaald is zeker, zachtjes uit een schoorsteen in Leuven horen:

 

Sint Nicolaas, Goedheilig Man,
die oud is, maar niet sterven kan
zolang nog ergens op aarde
een menskind zijn droom bewaarde                                     

 

‘Van Nicolaas van Myra tot Sinterklaas’,
Rita Ghesquiere. Uit­gever Acco Amersfoort

(Hans Jacobs in De Gelderlander, *04-12-1989)

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (14)

de psychologische achtergrond van Sinterklaas

Ons land leeft weer* in de ban van Sinterklaas,  het grote feest voor alle kinderen en…volwassenen, want deze gedragen zich ten opzichte van het
sinterklaasfestijn weer als kinderen. Velen hebben zich dit ook wel eens gerealiseerd, zonder er echter dieper over na te denken. De psychologie van het sinterklaasgebeuren zal dan ook voor menigeen een verrassing betekenen, boeiend en moeilijk als zij tege­lijk is. Onze medische medewerker dr. Kater beschrijft deze psychologische achtergronden, terwijl Han Wielick,  in de (vreemde) geschiedenis van Sinterklaas duikt.

Al wekenlang zetten de kinderen in ons land hun schoen onder de schoorsteen, bij een radiator van de centrale ver­warming of in de douchecel, zoals de Amerikaanse kinde­ren hun kousen op deze plekken hangen rond Kerstmis. Van het moment dat de goedheiligman — als schutspatroon van de stad — door de burgemeester van Amsterdam offi­cieel is begroet, neemt hij bezit van ons landje en gaat hij — zoals de legende dat zegt op zijn schimmel over de daken rijden, vergezeld van een zwarte knecht, die op zijn bevel goede gaven — vooral pepernoten — door de schoorsteen gooit.

Iedere kenner van symbolen erkent hier de reminiscenties aan oude vruchtbaarheids- en bevruchtingsriten. Niet zo vreemd, want in de goedheiligman is veel verenigd: zo is het wel zeker dat hij in de plaats kwam van mythische figuren als Donar, Fro en vooral Wodan. Figuren die in de tijd van het vroegste christendom en daar­voor eigenschappen werden
toe­geschreven en voorwerpen bij zich droegen die onze sint nu nog steeds heeft. Bij voorbeeld de pepernoten en de roede, zin­nebeelden van  vruchtbaarheid, de vrijers en vrijsters, de magi­sche koeken, die tot liefde en huwelijk aanspoorden en uiter­aard het witte paard, dat door het luchtruim kan rijden.

Frappant
De overeenkomst met bijvoor­beeld Wodan is frappant. Bereed de mystieke god een wit paard Sleipnir, onze Sint zit op een naamloze schimmel**, had Wodan een lange stok in de hand, onze sint heeft altijd een staf bij zich en droeg Wodan een lange cape, onze  goedheiligman heeft  een rode lange mantel aan. Voor Wodan offerden de mensen huiverend vlees, koeken en veel vruchten, nu eeuwen later zetten onze kinderen een schoen gevuld met wortelen, brood — op het platteland hooi — voor sints paard klaar.

Eén en ander wil niet zeggen dat St. Nicolaas niet zou hebben geleefd. Dit is onbetwistbaar be­wezen, al zal hij wel niet de door een slechte herbergier ge­slachte jongetjes weer tot leven hebben gewekt. Hij kan best, zoals aan hem wordt toegeschre­ven, iedere nacht een klompje goud door het venster van drie adellijke, doch zeer verarmde zusters — die geen bruidschat bezaten, niet konden huwen en onkuis verder moesten leven — hebben gegooid. Hij was name­lijk de enige zoon van zeer wel­gestelde ouders, door de broer van zijn moeder — die aartsbis­schop van Myra was — tot de geestelijke stand gevormd. Later — toen hij het vermogen van zijn ouders had geërfd — volgde hij zijn oom op en stond hij be­kend als een bisschop die een­voudig leefde — een uitzondering in de derde eeuw na Chr. bij geestelijk
hoogwaardigheids­bekleders — en veel van zijn vermogen  weggaf aan
maat­schappelijk zwakken. Ook een opmerkelijk feit in die tijd, en daarom verbreidde zijn goedheid zich ver over de grenzen van Lycië (in Klein-Azië).

Glans
Zijn openlijke afkeer voor keizer Diocletianus, die de christenen gruwelijk vervolgde, liet marte­len en ter dood brengen, waarte­gen hij predikte, gaf Nicolaas nog  meer glans,   terwijl  zijn sprekerscapaciteiten — hij be­heerste bijvoorbeeld de kerkver­gadering in Nicaea in 325 volko­men — hem beroemd maakten bij zijn geestelijke broeders. Toen hij in 342 stierf werd hij begraven in de kathedraal van Myra,   maar  zijn   bekendheid was en bleef zo groot dat Ita­liaanse  vissers  omstreeks  800 zijn gebeente uit de inmiddels door  de  Mohammedanen ver­woeste kerk haalden en naar Bari brachten, waar hij in de St.-Nicolaasbasiliek werd bijge­zet.

In de zesde eeuw was St. Nico­laas al beroemd als heilige en waren in hem heidense riten verenigd.

In verschillende sinterklaaslied­jes komt men nog steeds de overblijfselen van die voor-chris­telijke riten tegen. In het stadje Sint-Nicolaas in Vlaanderen
zin­gen de meisjes nog:
„Help ons lieve Sinterklaas”
„ik ben al achttien en in volle bloei”
„waarom wachten, vervul mijn wensen”
„anders   verkommer   ik   mijn hele leven”

of:

„dit sintenbiertje, blond en hel­der”
„doet mirakels in de Kelder”.

Wij vinden dezelfde symboliek aangeduid in de dromen van jonge meisjes die hun prins ver­wachten, schrijft prof. dr. J. A. M. Meerloo in zijn essay over „Sint-Nicolaas en de psychologie van het geven”.

’t Is een vroeger gepubliceerd uit­treksel van zijn boek „Sinter­klaas op Broadway”, dat bin­nenkort zal verschijnen en waar­aan de psychologische beschou­wing in dit artikel ten dele werd ontleend.

Bijna nooit wordt symboliek zo duidelijk unaniem gehanteerd als in de sinterklaasperiode. Het ritueel van geven en ontvangen, dat onbewust deel schijnt te zijn van de alom gevierde midwin­terfeesten, is voor velen heel moeilijk. Dat openbaart zich bij het uitkiezen en kopen van ge­schenken en de verborgen frus­traties waarmee zij vaak ge­paard gaan. De grappen en grol­len van sinterklaasavond bren­gen die spanning gewoonlijk wel tot ontlading.

Dat is moeilijker in die landen waar Santa Claus om praktische (commerciële) redenen naar Kerstmis werd verschoven. Het geven en ontvangen staat daar veel meer onder spanning en de oude „heidense” motieven die in het sinterklaasfeest meespelen zijn daar meer naar het onder­bewuste verdreven. Daarom moeten wij onze Hollandse Sin­terklaas goed in ere houden, raadt prof. Meerloo aan.

Het midwinterfeest is bijna uni­verseel. Het juulfeest was het voorchristelijk feest van het licht dat terugkeert, het feest van de rijzende hoop en verwach­ting dat het jaar herboren zou worden. De 25ste december was oorspronkelijk de geboortedag van de zonnegod Mithras. De Ro­meinen vierden hun Saturnalia omstreeks deze tijd.

Al die oude mythische feesten hebben betrekking op wat eens in voorhistorische tijden werd gevierd als de zonnewende, de terugkeer van het licht en daar­mee de vruchtbaarheid van de grond. Op een hoger niveau
be­tekenen Sinterklaas en Kerstmis de overwinning van goed op kwaad, zoals verschillende reli­gies dat op hun eigen wijze uit­drukken. In het joodse chanoeka­feest wordt dit ook duidelijk.

Alle prehistorische midwinterfes­tijnen waren bekend als gewijd aan de vruchtbaarheid van de mens en moeder aarde. Kaars­licht, dennengroen, mistletoe en het vrije zoenen zijn deel van de zorgenloze libidineuze feesten. In Amerika staan de kantoorfees­ten voor kerst bekend om hun te vele drinken en hun ritualisti­sche ongeremdheid.
Het rijden over daken en het laten vallen van goede gaven zijn deel van een universeel vruchtbaarheids­symbool. Gods goede gaven wor­den verwacht ter wille van de continuïteit der mensheid.
Dit toevallige samenvallen van oude   diepgewortelde   heidense midwinterriten en de Sint-Nicolaassage verklaart volgens prof. Meerloo waarom de (universele libidineuze) drang die achter die riten schuilt, veroorzaakt heeft dat de twee belangrijkste protes­tantse landen na de 16e eeuw, Holland en Hongarije, alle refor­matie en beeldenstorm ten spijt, toch  die  ene  roomse  heilige trouw bleven.

Hij bleef tot hun onbewuste be­hoeften spreken. Hij is voor ons allen de vriendelijke gever en betekent het voortbestaan van alle leven.

Spanningen
Juist omdat de Sinterklaasvie­ring zo diep verworteld is met de behoeften van ons instinct — de belofte om geschenken te krij­gen, de behoefte om zich voort te planten, de strijd tussen goed en kwaad — kan deze viering tot nieuwe innerlijke spanningen lei­den op het moment dat we zui­vere feestvreugde  verwachten. Maar door de manier waarop in ons land sinterklaasavond wordt gevierd, wordt dit op een pretti­ge wijze voorkomen. Het is een feest van geven van geschenken door jong en oud, onder het zingen van bijpassen­de liederen. Dat geven gebeurt weer in allerlei dikke verpakkin­gen, met duizend touwtjes en knopen eromheen. Vaak moet je lang naar het cadeau zoeken. De gever voegt meestal een stekelig gedicht bij zijn geschenk, dat de ontvanger hardop moet voorlezen.  De doopceel van de ontvanger wordt gelicht in humoristisch rijm  en  heft daardoor reeds de spanning van het ambivalente geven op.

Kannibalisme                                
De ontvanger wordt belachelijk  gemaakt maar krijgt iets daarvoor terug. En ieder geschenk  wordt gegeven uit naam van deze goedheiligman,  wiens beeltenis onderwijl in speculaasvorm, als  chocola of suikergoed wordt opgegeten.
De psycholoog ziet dit
  als een overblijfsel van oude kannibalistische     bijgedachten,  en het ‘geven’ in etymologische samenhang met ‘gif’of ‘vergeven’.
Verder drukt dit typisch Hollandse ritueel van geven en ontvangen en zo mooi de tweeslachtigheid van alle geven. Onbewust willen wij immers allen de rijke almachtige gevers zijn, en niet de arme ontvangers. Maar in gemeenschappelijke pret en gelach veroveren de sinterklaasvierders hun wederzijdse vijandigheden, want vanavond kunnen schimpscheuten met gratie worden voorgedragen.
Zelfs de eetbare chocoladeletters die onze namen voorstellen, en de eetbare vrijers, laten ons zien hoe gesublimeerde kannibalistische ­tendensen in dit oeroude feest og meespelen, concludeert de psycholoog. In de diepste zin   vertegenwoordigt Sinterklaas het symbool van het voortdurend ontstaan van nieuw leven, van het gezegend-worden met nakroost, hetgeen voor onze voorvaderen de belangrijkste investeringen voorstelden.

Opwinding
Gedurende de nacht kruipt deze heilige in ieders bloed, waar hij zowel heilige als profane opwinding veroorzaakt. En dat geldt evenzeer voor vader kerstmis of vadertje winter (zoals het in Rusland wordt genoemd), of voor de Schimmelreiter in Duitsland of  Frau Holle in Scandinavië.

Wekenlang zijn we gevangenen in de sinterklaas- en kerstdrukte. Etalages kijken, en nog eens kijken, en nog eens kijken, cadeautjes kopen of zelf maken. Leeftijd speelt geen rol, jong en oud doet eraan mee. Tot de geschenken horen ook allerlei vreemde dingen: sigaren en sigaretten van chocolade of suikergoed, munten, poppetjes, en meer. Tot en met het chocoladepotje-met-inhoud.
Als een overblijfsel van de instinctieve gewoonte van de baby die het geven van zijn lichaamsproducten als zijn eerste gave aan zijn ouders beschouwt, zo leert de psychologie verder.

Geven en ontvangen vormen de voornaamste activiteiten van de sinterklaasviering. De psycholo­gische betekenis van het geven van geschenken is voor velen niets anders dan het magisch bezitnemen van de ontvanger.

En zij voelen dat ze die weldadi­ge bedoeling van de schenker met een tegengeschenk moeten neutraliseren. Het onbewuste be­sef van wat geven psychologisch kan betekenen wekt vaak ach­terdocht bij de ontvanger, voor­al ook omdat hij eigenlijk zelf de almachtige weldoener zou willen zijn. Daarom bestaat er vaak een onwil om dankbaar te zijn, hoewel de gift goed bedoeld was.

Overheersing
Kinderen zijn zich goed bewust dat menig cadeau een vorm van nieuwe overheersing kan aan­kondigen, en voelen zich erg on­zeker als ze een cadeau krijgen, en bang dat dit weer zal worden afgenomen. Het geven wordt vaak misbruikt als omkoperij om goed op te passen en braaf te zijn. Kinderen die van alles krijgen kunnen het niet laten om dat wat ze weggeven te vergelij­ken met wat ze ontvangen. Maar ook volwassenen blijven aan die meetlat hangen, en ver­gelijken de waarde, zonder naar de bedoeling van die geschenken te vragen.

Het feit dat na Sinterklaas en Kerstmis duizenden mensen hun geschenken proberen te ruilen in de winkel waar ze gekocht zijn, bewijst dat de bedoeling van de gever minder wordt geapprecieerd dan de geldelijke waarde van het cadeau.

Gelukkig bestaat er bij de meeste mensen een vol­wassen manier van geven en ontvangen. Psycholo­gisch bewijs je iemand een goede daad wanneer je zijn geschenk in dank ontvangt, mits schenker en ontvanger dit gevoel van wederkerigheid de­len.
Mijn-plezier-is-zijn-plezier. En daarom hoort bij een sinterklaasge­schenk een gedicht, als de creatieve uiting van sym­pathie.

sint doorstond vele stormen

In ons land wordt sinterklaas al eeuwenlang gevierd. De goedheiligman was – en is nog steeds – de heilige van allerlei vereni­gingen en ambachten, schutspatroon van steden en broederschap­pen en was het van veel gilden. Reeds rond het jaar elfhonderd was hij heilige van het ambacht, in 1341 van de advocaten en daarna werd hij het van de zeelieden, bakkers, apotheken, nota­rissen, specerijhandelaren, kolendragers, voerlieden, kappers en zo kunnen wij nog even door gaan.
Kampen was de eerste stad die hem als stadspatroon aannam, daarna volgde Amsterdam.
Sint Nicolaaskerken zijn er in tientallen steden en dorpen en zelfs ziekenfondsen kozen hem als hun schutspatroon.
Gemakkelijk heeft de oude sint het niet altijd gehad, want tij­dens de Reformatie werden alle „paapse invloeden” verboden, maar ondanks strenge keuren (verordeningen) zelfs tegen het schoen zetten rond het sinterklaasfeest, bleef men sinterklaas trouw. Daarna had hij in onze tijd alleen nog een stormpje van pedagogen te doorstaan, die strijd voerden tegen alle oneerlijk­heid in de opvoeding van het kind en dus ook ten strijde trokken tegen sinterklaas. De goedhelligman deed wel een paar conces­sies: zijn knecht verbood hij te veel met de gard te zwaaien en kinderen met de zak te dreigen, terwijl hijzelf minder dan vroe­ger bestraffend optrad.

In de sinterklaasviering kwam vooral na de tweede wereldoorlog grote verandering, – om van de cadeaus maar niet te spreken -want werd 5 december (strooiavond) voor de tweede wereldbrand bijna niet gevierd – er werden in de meeste gezinnen toen geen cadeautjes uitgepakt, die vonden de kinderen pas de volgen­de morgen op de plek waar zij de avond te voren hadden gezon­gen, uitgestald op een met een wit laken gedekte tafel – nu is de viering bijna overal op 5 december en vergiste een quizkandi­daat zich hierdoor zelfs in de datum van St. Nicolaas’ verjaardag. Berend Boudewijn noemde – terwijl de kandidaat zich vertwijfeld tegen het voorhoofd sloeg – toen de volgens hem juiste datum: 6 december. De quizmaster was echter even fout als de onder­vraagde, want wanneer er één zaak zeker is in de mysteries rond sinterklaas is het wel dat 6 december niet de verjaardag was (en is) van de goede sint, maar zijn sterfdag, dit jaar* zes­tienhonderddertig jaar geleden….

(Dr. Kater en Han Wielinck in onbekend landelijk dagblad, *02-12-1972)

**deze heet nu Amerigo

                                                       

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (1)

.

verborgen lichtjes

Sint-Maarten staat niet op zichzelf. Het donker jaargetijde wordt ingeluid door Michaël, om via Martinus en Sint-Nicolaas uiteindelijk tot het kerstlicht te komen.

Hoe het u vergaat weet ik niet, maar ik word elk jaar weer verrast door het Michaëlsfeest. Nog nazinderend van de zomer lukt het me nog net om de voorbereidingen te treffen. Het is alsof je met een schok wakker wordt; ongeveer het gevoel dat je hebt als je na het aflopen van de wekker nog even blijft liggen en dan ineens ziet dat het kwart voor acht is in plaats van kwart voor zeven. Je bent nog net op tijd op je werk, maar vraag niet hoe. Soms nog tijdens de dag zelf, maar anders in ieder geval in de dagen erna hoor je om je heen dezelfde geluiden: de plannen die we voor de zomer hadden, moeten nu maar eens worden uitgevoerd. Voor een Michaëlsfeest op school, kunnen spelen en opdrachten die moed en slagvaar­digheid oproepen, worden gemaakt en be­dacht. Met mikspelletjes, zoals in zijn een­voudigste vorm de spijker op de kop slaan, boogschieten of het moeilijke speerwerpen, wordt gericht op het gestelde doel. Ook op­drachten en speurtochten waarbij de rich­ting en de goede weg zelf moeten worden ge­vonden en waarbij moeilijkheden worden overwonnen, vormen een goed motief voor zo’n feest.

Moeilijkheden de baas worden en zuiver­heid van richting en doel te pakken krijgen, is nodig om de draak te bestrijden. Nauw verweven met Michaël is namelijk het beeld van de draak die zieltogend het onderspit zal delven. In veel verhalen is het de jonkvrouw die ten offer valt aan de draak, als een moe­deloos, berustend volk de kracht niet bezit om zich tegen deze donkere onheilsmacht te verweren. De kracht om nieuw leven te ba­ren, ontwikkelingskrachten te schenken, droogt dan op, wat tot uitdrukking komt in de opgedroogde bron of de verdorrende ap­pelbomen in deze legendes.

Metamorfose
Van 29 september naar 11 november, het sintmaartensfeest, lijkt een hele sprong. Tijdens de uitvoering van al die gerijpte plannen, komt een feest waarin een heel an­dere stemming ontstaat. Toch is er een rela­tie te ontdekken. Deze reikt echter verder en wordt zichtbaar door de daaropvolgende feesten Sint-Nicolaas, advent en Kerstmis erbij te betrekken.

We kennen het verhaal van Sint-Maarten: een groep Romeinse soldaten komt voor de poort van de stad Amiens. De soldaten heb­ben een lange rit achter de rug en verlangen ongetwijfeld naar eten en een bed. Naast de poort zit een man, een bedelaar, half naakt en hongerig. Hoewel de kans klein is dat hij wat krijgt, vraagt hij toch om een aalmoes. Maarten wordt getroffen door de aanblik van deze mens. Hij houdt zijn paard in en trekt zijn zwaard. Hij snijdt zijn mantel doormidden en reikt de helft aan de bede­laar.

Die nacht verschijnt Christus in zijn droom. Hij draagt het afgesneden stuk van de man­tel om zijn schouder en spreekt tot de enge­len die bij hem zijn: ‘Martinus, de onge­doopte, heeft mij met een kleed omhuld.’ Maarten laat zich hierna dopen en stelt zijn leven in dienst van Christus. Zoals Maarten deelde, moeten wij ook de­len. Het is de kunst om onze ideeën en plan­nen met anderen te delen, niet om hen voor onze plannen te winnen, maar om daadwer­kelijk te delen. Ook al worden de plannen dan anders dan wij hadden gedacht, of mis­schien wel juist daarom. De kleinsten doen het ons voor, uiteraard in het gebied waar zij zich thuis voelen: de na­tuur. Een knol of grote winterpeen wordt uit­gehold. Van deze vrucht, tot wasdom geko­men in de donkere aarde, wordt de buiten­kant, de huid of schil, bewerkt zodat de uit­gesneden zon, maan en sterren transparant oplichten door het licht van het kaarsje dat er binnenin is geplaatst.

Wie ooit zelf als kind met zo’n lichtje langs de deuren van het dorp of de hele stadswijk heeft gelopen, kan zich – naast de pret – het bedelaarsgevoel dat je kreeg zodra er werd aangebeld nog levendig herinneren. Lopen met zo’n lichtje over straat is spannend en feestelijk, maar jezelf als arme tentoonstellen en zingend vragen om een appel of een peer is wel een hele drastische metamorfose van moed en besluitkracht. Toch komt het bij Sint-Maarten daarop aan. Uiterlijke kracht werkt in het sociale leven al­leen maar vruchtbaar in samenhang met in­nerlijke moed. Het liedje heeft in al zijn een­voud ook een verborgen wijsheid:

Vriend van verre landen
Dat wij hier met lichtjes lopen is geen schande
Hier woont een rijk man
Die ons heel wat geven kan
Geef een appel of een peer
Komen we ’t hele jaar niet meer

De rijke man kan van zijn oogst schenken aan de kinderen; een appel die met zijn ster­vormig hart en ronde vorm de verbinding met de hemel representeert of een peer die door zijn zwaar uithangende vorm en over­rijpe smaak meer met de aardse krachten is verbonden.

Tegelijkertijd wijst dat nog verborgen lichtje ons op het grote licht dat gaat komen. In de steeds donker wordende tijd van het jaar kan ons dat tot troost zijn.

Kindervriend
In de daarop volgende adventstijd beleven we het korter worden van de dagen en de steeds lager staande zon. Het lijkt of de maan aan invloed wint en de zon zich terugtrekt. De eerste adventzondag (dit jaar* op 2 decem­ber) wordt volgens oud gebruik de eerste kaars van de adventskrans aangestoken. In Nederland lijkt deze eerste week overvleu­geld te worden door het feest van Sint-Nico­laas.

Van deze goede bisschop van Myra, een Arabische stad**, geeft de geschiedenis weinig of geen feiten***. Er wordt zelfs getwijfeld of hij in de vierde of de zesde eeuw leefde. Pas na het jaar 1000 komen de legendes en verhalen over de beschermheilige van zeevaarders, jonkvrouwen en kinderen ook in de streken ten noorden van de Alpen voor. De goedheilig man brengt degenen die in moeilijkheden verkeren tot nieuw leven. Zo­als in het verhaal van de kindertjes die bij een slager om onderdak vragen, maar wreed worden weggestuurd. De slagersvrouw is echter belust op het geld dat ze bij zich zou­den hebben en biedt hen toch een slaap­plaats aan. Als zij en haar man ’s nachts ont­dekken dat er niets van rijkdom bij de arme wichten is te bespeuren, brengen ze de kin­deren om, hakken ze in stukjes om ze vervol­gens in een pastei te verwerken. Nicolaas in een droom gewaarschuwd door een engel, gaat naar de markt waar de vlees­waren liggen, slaat een kruis boven hen en brengt ze terug in het leven. Dit is een legende die ver af staat van de wijze waarop we thans het sinterklaasfeest bele­ven. Sinterklaas heeft in deze moderne tijd een aantal feestaspecten die zowel eigentijds zijn als hun wortels in het verleden hebben. Overgebleven is in elk geval de kindervriend. Met Sinterklaas verras je de ander. Door het delen, het samen werken en leven, hebben wij elkaar zo goed leren kennen dat er ruimte is gekomen om de ander te verrassen. Eerst met een gedicht waarin we de ander een spiegel voor mogen houden, hem of haar iets van zichzelf mogen laten zien. Goedmoedig, vriendelijk en met humor, maar wel duide­lijk, glashelder. Als pleister op de wonde volgt dan een geschenk, met zorg en liefde voor de ander uitgekozen. Het is altijd weer spannend of je het gevoel van gewaardeerd worden kunt oproepen.

Edelsteen
Met Sint-Maarten krijgt ieder een geschenk dat hetzelfde is. Met Sint-Nicolaas is het juist de kunst iets persoonlijks voor ieder apart te vinden. Het gebaar is bij Michael doelge­richt, bij het Sint-Maartensfeest ontvangend en bij Sint-Nicolaas schenkend. In de weg van het licht door deze drie feesten is waar te nemen dat waar de uiterlijke zon afneemt -en niet alleen in het kinderlied ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ – de invloed van de nacht toeneemt en het licht binnen juist aan kracht wint.

Tijdens de adventstijd bereiden wij ons voor op de komst van het Zonnekind. Het is een tijd van bezinning; hoe werken de uitgevoer­de plannen, zijn ze in overeenstemming met onze idealen of moeten ze meer doorwarmd, meer doorlicht worden? Uiterlijk wordt die voorbereiding zichtbaar door de kerststal. Op de eerste adventzon­dag wordt een tafel met behulp van mooie stenen en hout een landschap gemaakt met daarop het stalletje. De weg er naar toe voert langs edelstenen en Jozef en Maria komen met hun ezeltje elke dag een beetje dichterbij.

Op de tweede adventzondag wordt de tafel versierd met bloemen. Het is elk jaar weer een feest om te zien hoe kleurrijk het geheel daar van wordt.

Op de derde adventzondag verschijnen de schapen en de os in de stal; ook de dierenwe­reld bereidt zich voor. Tenslotte komen op de vierde adventzondag de herders. Als dan ook nog de kerstboom in huis wordt gehaald, versierd met kaarsen, tekens en dertig rode en drie witte rozen, is alles klaar om het Kind te ontvangen.

(Marcel de Leuw, Jonas nr 5, 02-11-1990)*

**Myra was een stad in Turkije; *** er is meer bekend dan hier wordt verondersteld: zie o.a. de sintnicolaasartikelen 4,  7,  12

 

Sint-Maarten: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: St.-Maarten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St-Maarten (2)

.

Een kritische dag

Binnenkort zullen in de avondsche­mering weer rijen kinderen zingend langs de huizen gaan, hun lantaarntjes in de hand:

‘Met honderddui­zend lichtjes aan, daar komt Sinte-Maarten aan’.

Een kaarsje in een uit­geholde knolraap of peen werpt de fi­guurtjes die daarin zijn uitgesneden flakkerend in het rond.

‘Goe’ vrouw, geef wat.’ en:
‘Hier woont een rijk man, die ons best wat geven kan…’
En steeds weer klinkt het refrein:
‘Geef wat, houd wat, ’t naaste jaar wel weer wat.’

In weerwil van het feit dat vooral te­genwoordig 11 november in het zuiden van ons land te boek staat als 11/11-avond, waarin de carnavalsverenigingen on­der rumoer en feestgedruis hun voornemens voor het aanstaande carnaval ‘optuigen’, wordt nu toch ook steeds vaker Sint-Maar­ten weer op oude wijze gevierd.

‘Geef wat, houd wat.’  Sint-Maarten was een belangrijke dag voor alle mensen die van het land leefden. De oogst was binnen en ieder­een mocht van de overvloed genieten. Een korf, de schuddekorf, hing die avond boven het vuur. Met appels en noten, kastanjes en mispels. Kinderen grabbelden naar de ge­roosterde vruchten als de korf werd geschud. De slacht was begonnen, de most werd wijn. Op deze dag werd ook de pacht betaald en nieuw volk in dienst genomen. De elfde november was een van de kritische dagen (een merkeldag of lotdag) in de loop van het jaar, waarop je in de natuur kunt
af­lezen hoe het weer de komende tijd zal zijn. Het duurt daarna nog veertig dagen tot de kortste dag is aangebroken. Sint-Maarten ligt ook precies tussen het feest van Michaël en kerstavond in.

Allerlei oude weerspreuken verwoorden de ervaringen, die men op zo’n kritische dag door de jaren heen kon hebben.

‘Is ’t donke­re lucht op Sint Martijn, zo zal ’t een zachte winter zijn; maar is die dag het weder helder, de vorst dringt door in menig kelder’,

zegt een daarvan. En een andere:

‘Een donkere Sint-Maarten, een lichte Kerstmis’.

Het feest van Sint-Maarten valt op één van die dagen, waarop het gebeuren in de natuur en in het leven van de mensen een verbond lijken te hebben gesloten, elkaar aanvullen. De ge­stalte van de heilige Martinus voegt hieraan nog een extra dimensie toe.

Op 11 november 397 werd Martinus, bis­schop van Tours, in zijn stad begraven, drie dagen na zijn dood. Hij werd een van de meest vereerde heiligen. Vele oude kerken, ook in ons land, dragen daarom zijn naam. Martinus leeft in de herinnering voort als de jonge Romeinse soldaat, die in Amiens een halfnaakte bedelaar zag zitten en zonder veel nadenken zijn zwaard trok, zijn mantel doormidden sneed en de bedelaar de helft gaf. Dan, in de nacht, verschijnt Christus aan hem, met de mantel bekleed, in een droom. En zegt tot Martinus: ‘Wat je voor de bede­laar deed, heb je voor mij gedaan.’ Martinus bekeerde zich tot het christendom, werd monnik en stichtte later het eer­ste klooster in Gallië. Hij werd — aan­vankelijk tegen zijn wil — bisschop van Tours en stichtte nog vele kloos­ters, om ook de landelijke bevolking tot het christendom te brengen. Want tot dan toe was het christendom voor­al tot de stedelijke bevolking doorge­drongen.

Vijfentwintig jaar lang werkte hij on­vermoeibaar in zijn bisdom en kreeg de naam, een wonderdoener, genezer en zelfs opwekker van gestorvenen te zijn. Zo wordt verteld dat hij, zoals eens de profeet Elia, de gestorvenen met zijn eigen lichaamswarmte weer tot leven wekte. De mensen beleefden hoe hij, dankzij zijn verbinding met Christus, ziekte en dood grenzen kon stellen. Zijn daad van mensenliefde, aan de bedelaar bewezen, kreeg zijn vervulling in wat hij mensen kon geven, doordat hij van over de grenzen, die het leven op aarde stelt, kon handelen. Sint-Maarten riep het vermoeden van een nieuw begin in de mensen wakker. Zijn spontaan volvoerde daad jegens de bedelaar bracht dit tot uitdrukking. Wat aan één mens ten goede kwam, vermenigvuldigde zich door de glans van het medelijden. Men­sen kunnen het gevoel krijgen dat voortaan, over de grens van het hier en nu heen, iets van die glans ook hun kan toevallen. In de wisselwerking van de natuur om ons heen en de intimiteit van de eigen binnenwe­reld, kan iets ontstoken worden, dat een vooruitblik biedt op toekomstige gebeurte­nissen en handelingen.

‘Met honderdduizend lichtjes aan, daar komt Sinte Maarten aan.’

Sint-Maarten brengt in de donkere novembermaand het licht van vrijgevigheid en naastenliefde, en de zekerheid van een glans, die het aardse le­ven overstijgt.

(Arie Boogert, Jonas nr. 5, 30-10-1987)

.

Sint-Maarten: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: St.-Maarten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (3)

Het licht van Sint-Maarten

November, maand van nevelsluiers, van koude regenvlagen, van stormen die de laatste dorre bladeren van de bomen blazen. Scherp steken de kale takken af tegen de lucht. Het netwerk van kleine twijgjes is als kunstig kantwerk. De bomenlanen worden weer licht en je kunt de vogels weer goed zien, nu het beschermende bladerdek is weggedwarreld op de herfstwind. Het afsterven van het plantenleven wordt weerspiegeld in de herdenkings­dagen voor de doden, de feestdagen van Allerzielen en Allerheiligen. Wij richten onze aandacht op het rijk van de gestorvenen, maar dat betekent te­gelijk voor ons zelf een ‘memento mori’.

Daarbij is het een hoopvolle gedachte, dat in de natuur geen enkel blad los­laat, voordat de knop voor het nieuwe blad is gevormd. Aan al dat schijnbaar dode hout is de belofte van nieuw le­ven zichtbaar.

Iets van dat tere, nieuwe begin is terug te vinden in de wijze waarop in deze weken het sintmaartensfeest wordt gevierd.

In de eerste week van november wordt op de vrijescholen, en misschien ook wel elders, het verhaal van Sint-Martinus verteld als voorbereiding op de eigenlijke viering op 11 november:
‘Eens, op een koude winteravond, reed een troep Romeinse soldaten naar de stad Amiens. Zij reden in draf, want zij wilden voor het vallen van de nacht binnen de muren van de stad zijn. Toen zij bij de stadspoort kwamen, trad een gestalte uit de don­kere schaduwen tevoorschijn, een man in lompen gehuld en bevend van de kou. Hij strekte zijn hand uit voor een aalmoes. Eén van de ruiters, een jong officier, hield zijn paard in. Hij wist dat hij geen geld bij zich had, maar de ellende van die verkleumde bedelaar trof hem diep. Wat kon hij hem geven in plaats van geld?

Ineens wist hij wat hij doen moest. Hij trok zijn zwaard, greep zijn warme ruime mantel vast, sneed er een stuk af en gaf dat aan de bedelaar, zonder te letten op het spottend lachen van zijn kameraden.

In de nacht daarop verscheen hem Christus in een droomgezicht, bekleed met het afgesneden stuk van zijn man­tel, en Hij zei tot de engelen die met Hem waren: ‘Ziet: Martinus, die nog niet gedoopt is, heeft mij met een kleed omhuld’.
Dit visioen maakte zo’n indruk op de jongeman, dat hij zich kort daarna liet dopen.’

Op de avond van 11 november zelf lo­pen de kinderen met hun dansende lichtjes langs de huizen in een lange, lange stoet. En dan kan het zijn dat zij hem ontmoeten, die geheimzinnige ruiter met de wijde, waaiende mantel op zijn hoog wit paard… Ook in vroeger tijden liepen de kinde­ren met hun lantarens langs de straten.

De liederen die ze zingen, zijn vaak heel oud. Maar toen lag de nadruk op het bedelen bij de welgestelden. Wat de kinderen ontvingen aan vruchten en noten of koek was een welkome aanvulling op het karig rantsoen van het eigen huis.

In deze tijd heeft het lopen met de lampjes een ander karakter gekregen. Het bedelen is geen noodzaak meer, al hoort het er wel bij, maar meer als ge­baar, als beeld van geven en ontvangen. De mand met rode appeltjes die een vriendelijke moeder meegeeft om uit te delen in de klas, is afgesproken werk. En toch, het hoort erbij: die ge­stalte in de lichte deuropening, de schaal met lekkernijen waar ieder kind langs mag lopen en wat uit mag kiezen. Het is het licht dat ieder kind mee­draagt, dat in deze tijd de volle aan­dacht krijgt. Dagen van tevoren wordt geknutseld aan de lampion. De oudere kinderen lepelen zorgzaam een voeder­biet uit of een knolraap. Mooie sterfi­guren worden erin uitgesneden, en het lichtje daarbinnen maakt die harde knol ineens doorschijnend en stralend, zodat je er steeds weer naar kijken moet. Als het op 11 november waaierig en regenachtig weer is, dan beleef je het sintmaartensfeest het beste. Want dan kost het de meesten moeite om dat kleine lichtje in je lantaren brandende te houden!

Waarom wordt ons juist deze gebeur­tenis uit het lange, werkzame leven van Sint-Martinus verteld? Hij was im­mers pas 18 jaar oud, toen hij de bede­laar ontmoette. Hij stond nog aan het begin van zijn leven. Waarom heeft juist dit verhaal zo tot de verbeelding gesproken, dat er vele schilderijen, reliëfs en beeldhouwwerken zijn die deze ontmoeting bij de stadspoort in beeld brengen? Tot drie keer toe dat woord ‘beeld’, en ik meen dat daar ook een antwoord te vinden is.
Deze ontmoeting op de drempel van het ene gebied naar het andere spreekt ook ons aan als beeld, als oerbeeld dat uitstijgt boven de zintuigelijk waar­neembare handeling. Ook het feit dat de mantel van Sint-Maarten door de Frankische koningen als rijksrelikwie werd vereerd en bewaard, wijst in diezelfde richting. Dat het waarschijnlijk niet meer de oorspronkelijke mantel was, maakt in we­zen geen verschil. Er was een aparte kleine ruimte gebouwd waar de cultusdienst gehouden kon worden, en waar de mantel (Lat. cappa) werd be­waard. Die ruimte werd de ‘capella’ genoemd, waar ons woord ‘kapel’ van­af stamt.

Voor Martinus, de jonge Romeinse of­ficier, betekende deze ontmoeting bij de poort en de droom daarna de grote ommekeer, het inslaan van een totaal andere richting, een nieuw begin. Dat blijkt uit het verdere verloop van zijn leven. Hij kiest voor Christus, zoals eens die andere legeroverste deed, Sint -Joris. En om dat tere, nieuwe begin wat meer stevigheid te geven, trekt Martinus zich terug uit de wereld. Ja­renlang leeft hij als kluizenaar op een eiland in de rivier. Ook later woont hij nog eens vele jaren in een stil klooster in de wouden van Gallië, totdat hij ge­roepen wordt naar de hoge post van bisschop van Tours.

Maar hoe valt dat alles te rijmen met dat kleine, flakkerende vlammetje in die uitgeholde aardeknol? Misschien kunnen we een vermoeden krijgen van de samenhang, als we het Sint Maartensfeest plaatsen in het gro­te geheel van jaarfeesten. Aan het be­gin van de zomer klonk de roep van Johannes de Doper: ‘Verander uw ge­zindheid! Het rijk der hemelen is na­bij!’ – De consequentie daarvan kon­den we in de Michaëlstijd beleven: de strijd met de draak. We zouden alles wel eens even anders aanpakken. We wilden zoveel, maar er bleek zoveel tegenstand te zijn. En langzamerhand moesten we een evenwicht zien te vin­den in die stormachtige zieleroerselen. De wil om dingen te doen en recht te zetten, blijkt bij nader inzien eerst nodig om naar onszelf te kijken. De blik wordt naar binnen gericht. ‘Ver­ander de wereld, maar begin bij uzelf!’ En dat begin is zo teer en kwetsbaar als een vlammetje dat flakkert bij het minste zuchtje wind.

Als we echter kans zien dat vlammetje brandend te houden, dan zal dat licht­je drie weken later terugkeren in een andere vorm. Op de eerste Advents­zondag staat daar die ene kaars te branden, hoog en stil, in de omhulling van ons huis. Dat licht wordt iedere volgende Adventszondag sterker, tot­dat met Kerstmis een wijd, warm lichtkleed geweven is waarin het Kerstkind ontvangen kan worden.

(Marieke Anschütz, Jonas nr. 5, 03-11-1978)

 

Sint-Maarten: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: St.-Maarten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.