Tagarchief: St.Maarten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – seizoenen – herfst (4)

HERFST – ST- MICHAEL – ST – MAARTEN – ST – NICOLAAS – HERFST

De herfsttijd is duidelijk zichtbaar aangebroken. Het afstervingsprcoes buiten, maakt wat melancholiek. Het is mooi al dit kleuren en die bessen en die paddenstoelen en die fijne vogelgeluidjes, maar ja…… Drie heiligen doen in deze herfsttijd van zich spreken. Drie heiligen in hetzelfde jaargetijdemaar onderling toch verschillend.

St-Michaël, 29 september, in de natuur vinden we vruchten en een uitbun­dige kleurenpracht. Het blad valt al. De zon schenkt haar laatste warmte als de ochtendnevel is opgelost. Er is veel te zien buiten. Nu maken we onze herfstwandeling.

St-Maarten, 11 november, de avonden zijn koud en winderig (het kaarsvlammetje in de knol waait steeds uit). Wanten aan en mutsen      op. Het is al vroeg donker. De voeten gaan door het bladerenpak op de grond. De vogels hebben zich tegoed gedaan aan de bessen en trekken zuidwaarts.

St-Nicolaas, 5 dec, zijn naamdag is eigenlijk 6 december. Kaal zijn de bomen. De eerste sneeuw, de eerste nachtvorst, er is nog maar weinig te beleven buiten. We eten s avonds met het licht op. St-Nicolaas valt samen met het begin van de advent. De eerste kaarsen branden. Alles speelt zich binnen af.

In de herfsttijd zien we het proces van verinnerlijking, we zijn op weg naar de Kerst.

Hebben deze drie heiligen iets gemeenschappelijk? Als we ze eens nader bekijken, dan, zien we dat ze als overeenkomst hebben: GEVEN.

St-Michaël, meestal afgebeeld met zwaard of weegschaal. Het zwaard voor de strijd geeft ons de strijdlust en de weegschaal herinnert ons aan
het onontbeerlijke evenwicht: Michaëls gift is voor de geest, dus immaterieel.
St- Maarten geeft de helft van zijn mantel aan de bedelaar ondanks de
spottende woorden van zijn kameraden. De bedelaar wordt in zijn droom Christus. De knol die de kinderen meedragen is een gift van de aarde.
Het kaarsje in de hand duidt al op Kerst, maar het licht is nog buiten. Het rondlopen en zingen is vragen om een gift bij bepaalde huizen. Vroeger gaven de welgestelden met St-Maarten de armen een gift.
St-Nicolaas is ogenschijnlijk een feest van de middenstand. Als we ons aan dit idee onttrekken en eens fris naar het feest kijken, dan zien we veel symboliek: het paard is wilskracht, de gekrulde staf duidt op inkeer, het zwart van Piet is het aardse element en het wit van de Sint – het hemelse, de schoorsteen is de verbinding tussen aarde en hemel enz.
Centraal staat bij dit feest de gift. Maar deze gift is anoniem, is voorzien van levenswijsheden en heeft moraliserende bedoelingen. Sint vindt steeds tekortkomingen bij onze levenswandel die met gift en rijmwoorden gesigna­leerd worden. Dan geeft de Sint ons weer een jaar de tijd- om met zwaard en weegschaal aan de slag te gaan. Wij geloven in Sint Nicolaas, hij moet blijven bestaan, ter leringe ende vermaeck!

Drie heiligen begeleiden ons in deze melancholieke tijd. Zij komen vanuit de Middeleeuwen tot ons. En in de Middeleeuwen werden de mensen dagelijks begeleid door de heiligen. In de Middeleeuwen waren engelen en heiligen voor de mensen binnen handbereik. Deze drie heiligen hebben de beeldenstorm overleefd. Zij begeleiden heden ten dage nog steeds het belangrijke proces van de verinnerlijking.

(schoolkrant, nadere gegevens onbekend)

alle jaarfeesten

Advertenties

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – seizoenen – herfst (3)

Michaël – Sint Maarten – sinterklaas.

In de herfst vieren wij op school 3 feesten, nl.

op 29 september     – Michaël
op 11 november      ~ Sint Maarten
op  5 december      ~  Sint Nicolaas.

We kunnen dit als een trits van drie herfstfeesten beschouwen, waarvan sinterklaas duidelijk is uitgegroeid tot een nationaal feest. Twee vragen doemen dan op:
Hebben deze herfstfeesten iets met elkaar van doen?
Hoeveel feesten zijn er eigenlijk?

Eerst even ingaan op de 2e vraag.
Voor het kleine kind, kleuter en onderbouwer lijkt het wel of we van feest naar feest gaan. Zo beleeft hij het. De feesten zijn inderdaad de hoogtepunten van het jaar, denk maar eens aan de verjaardag; hoe geweldig belangrijk is dat toch! De jaarfeesten zijn voor het kind, maar toch eigenlijk ook voor de volwassen mens, wat de maaltijden zijn in de dag. De maaltijden, of ze nu iets feestelijks hebben of niet, vormen toch de vaste punten van onse da^ihdeiing, en hoe jonger het kind, hoe belangrijker dat is. En zoals de maaaltijden er zijn om ons lichaam te voeden, zo zijn de jaarfeesten het voedsel voor onze ziel. Het zijn er 9 in totaal.

In de 1e klas kun ja bij d e kwaliteiten van de getallen, voor het getal 9 (nog geschreven als Vllll of lX zeggen: DE 9 FEESTEN VAN HET JAAR. Eigenlijk merkwaardig. Je zou er misschien minder verwachten, 4 of 5, of veel meer: eerder 12 dan 9. Hoe zit dat? En welke feesten zijn het? Eerst maar de 9 feesten:
1.Michaël
2.Sint-Maarten
3. sinterklaas
4.Kerstmis
5.Driekoningen
6.Pasen
7.Hemelvaart
8.Pinksteren
9.Sint-Jan

Er ontbreken dus in deze rij bv. advent, nieuwjaarsdag, carnaval, Palmpasen. Daar wil ik nu niet op ingaan. Wel wil ik deze NEGEN FEESTEN VAN HET JAAR nog aanvullen tot twaalf, maar met dien verstande dat dat voor ieder kind individueel geldt:
10.IK ben jarig.
11.De meester/juf is jarig.
12.De koning(in) is jarig.

Het is duidelijk dat deze van een andere orde zijn dan de 9 feesten van het jaar.
Laten we nu nog even naar de eerste vraag kijken. Hebben de eerste 3 feesten iets met elkaar te maken? Inderdaad, het zijn feesten van 3 heiligen: Sint-Michaël, Sint-Maarten en Sint-Nicolaas (Michaël is een aartsengel, maar wordt als een heilige beschouwd). De feesten vallen in de herfst en zijn feesten van het lichaam.

De 2e groep van 3 feesten : Kerstmis, Driekoningen en Pasen zijn de feesten van de ziel, dwz.: feesten van het heden, feesten van de gemeenschap. De 3e groep van 3 feesten tenslotte: Hemelvaart, Pinksteren en Sint-Jan zijn de feesten van de geest, dus waarin nog veel meer het bovenzinnelijke beleefd wordt en waardoor ze ook des te moeilijker te vieren zijn; maar daarover een andere keer.

Wat de eerste 3 feesten betreft zien we ook iets merkwaardigs:
MICHAËL – Strijd met de Hemelse Draak die hij niet doodt maar uit de hemel werpt, niet op maar onder de aarde verbant. Het is het beeld van het DENKEN. Een heldere, zuivere gedachte is als een scherp zwaard en krachtiger dan het fysieke gebruik van het zwaard.
ST.MAARTEN – In alle St. Maartenslegenden valt op dat hij, die zoon was van een Romeinse legerofficier, het zwaard niét wilde gebruiken om mee te strijden; ook gebruikt hij dit niet om het als een ploegijzer te gebruiken, hij gebruikt het om zijn mantel ermee door te snijden. Het is het feest van het MEDEDOGEN, van het voelen. Deze kracht is zo sterk dat hij indertijd het Christendom over heel Europa heeft verspreid, getuige de tal van St.Maarten – of St. Martinuskerken, van Amiëns tot de Domkerk in Utrecht, de St. Martinuskerk in Groningen, als ook  , die in Cuyck.
NICOLAAS – Zijn naamdag is 6 december, zoals we vroeger tot onze verbazing ineens ontdekten, toen we voor het eerst een agenda inkeken. Maar slechts in Nederland en Vlaanderen wordt sinterklaas hoofdzakelijk gevierd op de vooravond van de naamdag, evenals de avond van 24 december kerstavond heet.

St. Nicolaas werkt op het WILLEN van de mens. Hij staat er om bekend dat hij vrijgevig was, maar niet willekeurig vrijgevig, geen kostbare zaken die een bevrediging geven van je verlangen. Een typerend sinterklaasgeschenk was (en is nog steeds) de ‘vrijer’ of ‘vrijster’, een grote speculaaspop. Maar die werd alleen gegeven aan jonge mannen en vrouwen die nog vrij waren en dus nodig een vrijer of vrijster moesten vinden.

In de overlevering hoort St. Nicolaas geweeklaag uit een openstaand venster. Hij blijft stilstaan en luistert, en begrijpt dat de man zijn 3 dochters publiekelijk moet verkopen, als slavin of aan een bordeel, omdat hij te arm is voor hen een bruidschat te geven, die nodig was voor een ordentelijk huwelijk. Drie maal achtereen vindt de vader nu een zakje met goud in de schoenen van zijn dochters, waardoor het lot van deze meisjes wel een totaal andere loop neemt.
Daarom is het ook onze opgave de kinderen niet zozeer te overladen met geschenken, maar ieder die geschenken geeft moet op zoek gaan naar datgene wat de ander nodig heeft om zijn weg goed te vervolgen. In de klas kan dit bijvoorbeeld zijn: een eigen puntenslijper, omdat hij of zij die altijd komt lenen. Daarom kennen we ook de surprises en de sinterklaasgedichten, waarmee de maker tracht ‘iets van dat moeilijke gebied van het lot te ontdekken. Tenslotte is interessant om op te merken dat bij St. Nicolaas het zwaard ontbreekt, en de pen de plaats van het zwaard heeft ingenomen, zodat we een soort metamorfose hebben van: ~ Michaël ~ denken door te doen. – St. Maarten – voelen door invoelen en te delen. ~ sinterklaas – willen door zich in te denken in de ander.

Daarom is het goed deze 3 herfstfeesten, de 3 feesten van het LOTt intensief te vieren en het wezenlijke van het feest daarin tot zijn recht te laten komen.

(Hans ter Beek, Steinerschool – nadere gegevens ontbreken)

jaarfeesten – alle artikelen 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (1)

.

VERBORGEN LICHTJES

Sint-Maarten staat niet op zichzelf. Het donker jaargetijde wordt ingeluid door Michaël, om via Martinus en Sint-Nicolaas uiteindelijk tot het kerstlicht te komen.

Hoe het u vergaat weet ik niet, maar ik word elk jaar weer verrast door het Michaëlsfeest. Nog nazinderend van de zomer lukt het me nog net om de voorbereidingen te treffen. Het is alsof je met een schok wakker wordt; ongeveer het gevoel dat je hebt als je na het aflopen van de wekker nog even blijft liggen en dan ineens ziet dat het kwart voor acht is in plaats van kwart voor zeven. Je bent nog net op tijd op je werk, maar vraag niet hoe. Soms nog tijdens de dag zelf, maar anders in ieder geval in de dagen erna hoor je om je heen dezelfde geluiden: de plannen die we voor de zomer hadden, moeten nu maar eens worden uitgevoerd. Voor een Michaëlsfeest op school, kunnen spelen en opdrachten die moed en slagvaar­digheid oproepen, worden gemaakt en be­dacht. Met mikspelletjes, zoals in zijn een­voudigste vorm de spijker op de kop slaan, boogschieten of het moeilijke speerwerpen, wordt gericht op het gestelde doel. Ook op­drachten en speurtochten waarbij de rich­ting en de goede weg zelf moeten worden ge­vonden en waarbij moeilijkheden worden overwonnen, vormen een goed motief voor zo’n feest.

Moeilijkheden de baas worden en zuiver­heid van richting en doel te pakken krijgen, is nodig om de draak te bestrijden. Nauw verweven met Michaël is namelijk het beeld van de draak die zieltogend het onderspit zal delven. In veel verhalen is het de jonkvrouw die ten offer valt aan de draak, als een moe­deloos, berustend volk de kracht niet bezit om zich tegen deze donkere onheilsmacht te verweren. De kracht om nieuw leven te ba­ren, ontwikkelingskrachten te schenken, droogt dan op, wat tot uitdrukking komt in de opgedroogde bron of de verdorrende ap­pelbomen in deze legendes.

Metamorfose
Van 29 september naar 11 november, het sintmaartensfeest, lijkt een hele sprong. Tijdens de uitvoering van al die gerijpte plannen, komt een feest waarin een heel an­dere stemming ontstaat. Toch is er een rela­tie te ontdekken. Deze reikt echter verder en wordt zichtbaar door de daaropvolgende feesten Sint-Nicolaas, advent en Kerstmis erbij te betrekken.

We kennen het verhaal van Sint-Maarten: een groep Romeinse soldaten komt voor de poort van de stad Amiens. De soldaten heb­ben een lange rit achter de rug en verlangen ongetwijfeld naar eten en een bed. Naast de poort zit een man, een bedelaar, half naakt en hongerig. Hoewel de kans klein is dat hij wat krijgt, vraagt hij toch om een aalmoes. Maarten wordt getroffen door de aanblik van deze mens. Hij houdt zijn paard in en trekt zijn zwaard. Hij snijdt zijn mantel doormidden en reikt de helft aan de bede­laar.

Die nacht verschijnt Christus in zijn droom. Hij draagt het afgesneden stuk van de man­tel om zijn schouder en spreekt tot de enge­len die bij hem zijn: ‘Martinus, de onge­doopte, heeft mij met een kleed omhuld.’ Maarten laat zich hierna dopen en stelt zijn leven in dienst van Christus. Zoals Maarten deelde, moeten wij ook de­len. Het is de kunst om onze ideeën en plan­nen met anderen te delen, niet om hen voor onze plannen te winnen, maar om daadwer­kelijk te delen. Ook al worden de plannen dan anders dan wij hadden gedacht, of mis­schien wel juist daarom. De kleinsten doen het ons voor, uiteraard in het gebied waar zij zich thuis voelen: de na­tuur. Een knol of grote winterpeen wordt uit­gehold. Van deze vrucht, tot wasdom geko­men in de donkere aarde, wordt de buiten­kant, de huid of schil, bewerkt zodat de uit­gesneden zon, maan en sterren transparant oplichten door het licht van het kaarsje dat er binnenin is geplaatst.

Wie ooit zelf als kind met zo’n lichtje langs de deuren van het dorp of de hele stadswijk heeft gelopen, kan zich – naast de pret – het bedelaarsgevoel dat je kreeg zodra er werd aangebeld nog levendig herinneren. Lopen met zo’n lichtje over straat is spannend en feestelijk, maar jezelf als arme tentoonstellen en zingend vragen om een appel of een peer is wel een hele drastische metamorfose van moed en besluitkracht. Toch komt het bij Sint-Maarten daarop aan. Uiterlijke kracht werkt in het sociale leven al­leen maar vruchtbaar in samenhang met in­nerlijke moed. Het liedje heeft in al zijn een­voud ook een verborgen wijsheid:

Sint-Martinus bisschop
Vriend van verre landen
Dat wij hier met lichtjes lopen is geen schande
Hier woont een rijk man
Die ons heel wat geven kan
Geef een appel of een peer
Komen we ’t hele jaar niet meer

De rijke man kan van zijn oogst schenken aan de kinderen; een appel die met zijn ster­vormig hart en ronde vorm de verbinding met de hemel representeert of een peer die door zijn zwaar uithangende vorm en over­rijpe smaak meer met de aardse krachten is verbonden.

Tegelijkertijd wijst dat nog verborgen lichtje ons op het grote licht dat gaat komen. In de steeds donker wordende tijd van het jaar kan ons dat tot troost zijn.

Kindervriend
In de daarop volgende adventstijd beleven we het korter worden van de dagen en de steeds lager staande zon. Het lijkt of de maan aan invloed wint en de zon zich terugtrekt. De eerste adventzondag (dit jaar* op 2 decem­ber) wordt volgens oud gebruik de eerste kaars van de adventskrans aangestoken. In Nederland lijkt deze eerste week overvleu­geld te worden door het feest van Sint-Nico­laas.

Van deze goede bisschop van Myra, een Arabische stad**, geeft de geschiedenis weinig of geen feiten***. Er wordt zelfs getwijfeld of hij in de vierde of de zesde eeuw leefde. Pas na het jaar 1000 komen de legendes en verhalen over de beschermheilige van zeevaarders, jonkvrouwen en kinderen ook in de streken ten noorden van de Alpen voor. De goedheilig man brengt degenen die in moeilijkheden verkeren tot nieuw leven. Zo­als in het verhaal van de kindertjes die bij een slager om onderdak vragen, maar wreed worden weggestuurd. De slagersvrouw is echter belust op het geld dat ze bij zich zou­den hebben en biedt hen toch een slaap­plaats aan. Als zij en haar man ’s nachts ont­dekken dat er niets van rijkdom bij de arme wichten is te bespeuren, brengen ze de kin­deren om, hakken ze in stukjes om ze vervol­gens in een pastei te verwerken. Nicolaas in een droom gewaarschuwd door een engel, gaat naar de markt waar de vlees­waren liggen, slaat een kruis boven hen en brengt ze terug in het leven. Dit is een legende die ver af staat van de wijze waarop we thans het sinterklaasfeest bele­ven. Sinterklaas heeft in deze moderne tijd een aantal feestaspecten die zowel eigentijds zijn als hun wortels in het verleden hebben. Overgebleven is in elk geval de kindervriend. Met Sinterklaas verras je de ander. Door het delen, het samen werken en leven, hebben wij elkaar zo goed leren kennen dat er ruimte is gekomen om de ander te verrassen. Eerst met een gedicht waarin we de ander een spiegel voor mogen houden, hem of haar iets van zichzelf mogen laten zien. Goedmoedig, vriendelijk en met humor, maar wel duide­lijk, glashelder. Als pleister op de wonde volgt dan een geschenk, met zorg en liefde voor de ander uitgekozen. Het is altijd weer spannend of je het gevoel van gewaardeerd worden kunt oproepen.

Edelsteen
Met Sint-Maarten krijgt ieder een geschenk dat hetzelfde is. Met Sint-Nicolaas is het juist de kunst iets persoonlijks voor ieder apart te vinden. Het gebaar is bij Michael doelge­richt, bij het Sint-Maartensfeest ontvangend en bij Sint-Nicolaas schenkend. In de weg van het licht door deze drie feesten is waar te nemen dat waar de uiterlijke zon afneemt – en niet alleen in het kinderlied ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ – de invloed van de nacht toeneemt en het licht binnen juist aan kracht wint.

Tijdens de adventstijd bereiden wij ons voor op de komst van het Zonnekind. Het is een tijd van bezinning; hoe werken de uitgevoer­de plannen, zijn ze in overeenstemming met onze idealen of moeten ze meer doorwarmd, meer doorlicht worden? Uiterlijk wordt die voorbereiding zichtbaar door de kerststal. Op de eerste adventzon­dag wordt een tafel met behulp van mooie stenen en hout een landschap gemaakt met daarop het stalletje. De weg er naar toe voert langs edelstenen en Jozef en Maria komen met hun ezeltje elke dag een beetje dichterbij.

Op de tweede adventzondag wordt de tafel versierd met bloemen. Het is elk jaar weer een feest om te zien hoe kleurrijk het geheel daarvan wordt.

Op de derde adventzondag verschijnen de schapen en de os in de stal; ook de dierenwe­reld bereidt zich voor. Ten slotte komen op de vierde adventzondag de herders. Als dan ook nog de kerstboom in huis wordt gehaald, versierd met kaarsen, tekens en dertig rode en drie witte rozen, is alles klaar om het Kind te ontvangen.

(Marcel de Leuw, Jonas nr 5, 02-11-1990)*

**Myra was een stad in Turkije; *** er is meer bekend dan hier wordt verondersteld: zie o.a. de sintnicolaasartikelen 4,  7,  12

.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten voorbeelden van lichtjes

.

346-325

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St-Maarten (2)

.

EEN KRITISCHE DAG

Binnenkort zullen in de avondsche­mering weer rijen kinderen zingend langs de huizen gaan, hun lantaarntjes in de hand:

‘Met honderddui­zend lichtjes aan, daar komt Sinte-Maarten aan’.

Een kaarsje in een uit­geholde koolraap of peen werpt de fi­guurtjes die daarin zijn uitgesneden flakkerend in het rond.

‘Goe’ vrouw, geef wat.’ en:
‘Hier woont een rijk man, die ons best wat geven kan…’
En steeds weer klinkt het refrein:
‘Geef wat, houd wat, ’t naaste jaar wel weer wat.’

In weerwil van het feit dat vooral te­genwoordig 11 november in het zuiden van ons land te boek staat als 11/11-avond, waarin de carnavalsverenigingen on­der rumoer en feestgedruis hun voornemens voor het aanstaande carnaval ‘optuigen’, wordt nu toch ook steeds vaker Sint-Maar­ten weer op oude wijze gevierd.

‘Geef wat, houd wat.’  Sint-Maarten was een belangrijke dag voor alle mensen die van het land leefden. De oogst was binnen en ieder­een mocht van de overvloed genieten. Een korf, de schuddekorf, hing die avond boven het vuur. Met appels en noten, kastanjes en mispels. Kinderen grabbelden naar de ge­roosterde vruchten als de korf werd geschud. De slacht was begonnen, de most werd wijn. Op deze dag werd ook de pacht betaald en nieuw volk in dienst genomen. De elfde november was een van de kritische dagen (een merkeldag of lotdag) in de loop van het jaar, waarop je in de natuur kunt\af­lezen hoe het weer de komende tijd zal zijn. Het duurt daarna nog veertig dagen tot de kortste dag is aangebroken. Sint-Maarten ligt ook precies tussen het feest van Michaël en kerstavond in.

Allerlei oude weerspreuken verwoorden de ervaringen, die men op zo’n kritische dag door de jaren heen kon hebben.

‘Is ’t donke­re lucht op Sint Martijn, zo zal ’t een zachte winter zijn; maar is die dag het weder helder, de vorst dringt door in menig kelder’,

zegt een daarvan. En een andere:

‘Een donkere Sint-Maarten, een lichte Kerstmis’.

Het feest van Sint-Maarten valt op een van die dagen, waarop het gebeuren in de natuur en in het leven van de mensen een verbond lijken te hebben gesloten, elkaar aanvullen. De ge­stalte van de heilige Martinus voegt hieraan nog een extra dimensie toe.

Op 11 november 397 werd Martinus, bis­schop van Tours, in zijn stad begraven, drie dagen na zijn dood. Hij werd een van de meest vereerde heiligen. Vele oude kerken, ook in ons land, dragen daarom zijn naam. Martinus leeft in de herinnering voort als de jonge Romeinse soldaat, die in Amiens een halfnaakte bedelaar zag zitten en zonder veel nadenken zijn zwaard trok, zijn mantel doormidden sneed en de bedelaar de helft gaf. Dan, in de nacht, verschijnt Christus aan hem, met de mantel bekleed, in een droom. En zegt tot Martinus: ‘Wat je voor de bede­laar deed, heb je voor mij gedaan.’ Martinus bekeerde zich tot het christendom, werd monnik en stichtte later het eer­ste klooster in Gallië. Hij werd — aan­vankelijk tegen zijn wil — bisschop van Tours en stichtte nog vele kloos­ters, om ook de landelijke bevolking tot het christendom te brengen. Want tot dan toe was het christendom voor­al tot de stedelijke bevolking doorge­drongen.

Vijfentwintig jaar lang werkte hij on­vermoeibaar in zijn bisdom en kreeg de naam, een wonderdoener, genezer en zelfs opwekker van gestorvenen te zijn. Zo wordt verteld dat hij, zoals eens de profeet Elia, de gestorvenen met zijn eigen lichaamswarmte weer tot leven wekte. De mensen beleefden hoe hij, dankzij zijn verbinding met Christus, ziekte en dood grenzen kon stellen. Zijn daad van mensenliefde, aan de bedelaar bewezen, kreeg zijn vervulling in wat hij mensen kon geven, doordat hij van over de grenzen, die het leven op aarde stelt, kon handelen. Sint-Maarten riep het vermoeden van een nieuw begin in de mensen wakker. Zijn spontaan volvoerde daad jegens de bedelaar bracht dit tot uitdrukking. Wat aan één mens ten goede kwam, vermenigvuldigde zich door de glans van het medelijden. Men­sen kunnen het gevoel krijgen dat voortaan, over de grens van het hier en nu heen, iets van die glans ook hun kan toevallen. In de wisselwerking van de natuur om ons heen en de intimiteit van de eigen binnenwe­reld, kan iets ontstoken worden, dat een vooruitblik biedt op toekomstige gebeurte­nissen en handelingen.

‘Met honderdduizend lichtjes aan, daar komt Sinte Maarten aan.’

Sint-Maarten brengt in de donkere novembermaand het licht van vrijgevigheid en naastenliefde, en de zekerheid van een glans, die het aardse le­ven overstijgt.

(Arie Boogert, Jonas nr. 5, 30-10-1987)

.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten voorbeelden van lichtjes

.

345-324

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (3)

 .

HET LICHT VAN SINT-MAARTEN

November, maand van nevelsluiers, van koude regenvlagen, van stormen die de laatste dorre bladeren van de bomen blazen. Scherp steken de kale takken af tegen de lucht. Het netwerk van kleine twijgjes is als kunstig kantwerk. De bomenlanen worden weer licht en je kunt de vogels weer goed zien, nu het beschermende bladerdek is weggedwarreld op de herfstwind. Het afsterven van het plantenleven wordt weerspiegeld in de herdenkings­dagen voor de doden, de feestdagen van Allerzielen en Allerheiligen. Wij richten onze aandacht op het rijk van de gestorvenen, maar dat betekent te­gelijk voor ons zelf een ‘memento mori’.

Daarbij is het een hoopvolle gedachte, dat in de natuur geen enkel blad los­laat, voordat de knop voor het nieuwe blad is gevormd. Aan al dat schijnbaar dode hout is de belofte van nieuw le­ven zichtbaar.

Iets van dat tere, nieuwe begin is terug te vinden in de wijze waarop in deze weken het sintmaartensfeest wordt gevierd.

In de eerste week van november wordt op de vrijescholen, en misschien ook wel elders, het verhaal van Sint-Martinus verteld als voorbereiding op de eigenlijke viering op 11 november:
‘Eens, op een koude winteravond, reed een troep Romeinse soldaten naar de stad Amiens. Zij reden in draf, want zij wilden voor het vallen van de nacht binnen de muren van de stad zijn. Toen zij bij de stadspoort kwamen, trad een gestalte uit de don­kere schaduwen tevoorschijn, een man in lompen gehuld en bevend van de kou. Hij strekte zijn hand uit voor een aalmoes. Een van de ruiters, een jong officier, hield zijn paard in. Hij wist dat hij geen geld bij zich had, maar de ellende van die verkleumde bedelaar trof hem diep. Wat kon hij hem geven in plaats van geld?

Ineens wist hij wat hij doen moest. Hij trok zijn zwaard, greep zijn warme ruime mantel vast, sneed er een stuk af en gaf dat aan de bedelaar, zonder te letten op het spottend lachen van zijn kameraden.

In de nacht daarop verscheen hem Christus in een droomgezicht, bekleed met het afgesneden stuk van zijn man­tel, en Hij zei tot de engelen die met Hem waren: ‘Ziet: Martinus, die nog niet gedoopt is, heeft mij met een kleed omhuld’.
Dit visioen maakte zo’n indruk op de jongeman, dat hij zich kort daarna liet dopen.’

Op de avond van 11 november zelf lo­pen de kinderen met hun dansende lichtjes langs de huizen in een lange, lange stoet. En dan kan het zijn dat zij hem ontmoeten, die geheimzinnige ruiter met de wijde, waaiende mantel op zijn hoog wit paard… Ook in vroeger tijden liepen de kinde­ren met hun lantarens langs de straten.

De liederen die ze zingen, zijn vaak heel oud. Maar toen lag de nadruk op het bedelen bij de welgestelden. Wat de kinderen ontvingen aan vruchten en noten of koek was een welkome aanvulling op het karig rantsoen van het eigen huis.

In deze tijd heeft het lopen met de lampjes een ander karakter gekregen. Het bedelen is geen noodzaak meer, al hoort het er wel bij, maar meer als ge­baar, als beeld van geven en ontvangen. De mand met rode appeltjes die een vriendelijke moeder meegeeft om uit te delen in de klas, is afgesproken werk. En toch, het hoort erbij: die ge­stalte in de lichte deuropening, de schaal met lekkernijen waar ieder kind langs mag lopen en wat uit mag kiezen. Het is het licht dat ieder kind mee­draagt, dat in deze tijd de volle aan­dacht krijgt. Dagen van tevoren wordt geknutseld aan de lampion. De oudere kinderen lepelen zorgzaam een voeder­biet uit of een koolraap. Mooie sterfi­guren worden erin uitgesneden, en het lichtje daarbinnen maakt die harde knol ineens doorschijnend en stralend, zodat je er steeds weer naar kijken moet. Als het op 11 november waaierig en regenachtig weer is, dan beleef je het sintmaartensfeest het beste. Want dan kost het de meesten moeite om dat kleine lichtje in je lantaren brandende te houden!

Waarom wordt ons juist deze gebeur­tenis uit het lange, werkzame leven van Sint-Martinus verteld? Hij was im­mers pas 18 jaar oud, toen hij de bede­laar ontmoette. Hij stond nog aan het begin van zijn leven. Waarom heeft juist dit verhaal zo tot de verbeelding gesproken, dat er vele schilderijen, reliëfs en beeldhouwwerken zijn die deze ontmoeting bij de stadspoort in beeld brengen? Tot drie keer toe dat woord ‘beeld’, en ik meen dat daar ook een antwoord te vinden is.
Deze ontmoeting op de drempel van het ene gebied naar het andere spreekt ook ons aan als beeld, als oerbeeld dat uitstijgt boven de zintuigelijk waar­neembare handeling. Ook het feit dat de mantel van Sint-Maarten door de Frankische koningen als rijksrelikwie werd vereerd en bewaard, wijst in diezelfde richting. Dat het waarschijnlijk niet meer de oorspronkelijke mantel was, maakt in we­zen geen verschil. Er was een aparte kleine ruimte gebouwd waar de cultusdienst gehouden kon worden, en waar de mantel (Lat. cappa) werd be­waard. Die ruimte werd de ‘capella’ genoemd, waar ons woord ‘kapel’ van­af stamt.

Voor Martinus, de jonge Romeinse of­ficier, betekende deze ontmoeting bij de poort en de droom daarna de grote ommekeer, het inslaan van een totaal andere richting, een nieuw begin. Dat blijkt uit het verdere verloop van zijn leven. Hij kiest voor Christus, zoals eens die andere legeroverste deed, Sint -Joris. En om dat tere, nieuwe begin wat meer stevigheid te geven, trekt Martinus zich terug uit de wereld. Ja­renlang leeft hij als kluizenaar op een eiland in de rivier. Ook later woont hij nog eens vele jaren in een stil klooster in de wouden van Gallië, totdat hij ge­roepen wordt naar de hoge post van bisschop van Tours.

Maar hoe valt dat alles te rijmen met dat kleine, flakkerende vlammetje in die uitgeholde aardeknol? Misschien kunnen we een vermoeden krijgen van de samenhang, als we het Sint-Maartensfeest plaatsen in het gro­te geheel van jaarfeesten. Aan het be­gin van de zomer klonk de roep van Johannes de Doper: ‘Verander uw ge­zindheid! Het rijk der hemelen is na­bij!’ – De consequentie daarvan kon­den we in de Michaëlstijd beleven: de strijd met de draak. We zouden alles wel eens even anders aanpakken. We wilden zoveel, maar er bleek zoveel tegenstand te zijn. En langzamerhand moesten we een evenwicht zien te vin­den in die stormachtige zieleroerselen. De wil om dingen te doen en recht te zetten, blijkt bij nader inzien eerst nodig om naar onszelf te kijken. De blik wordt naar binnen gericht. ‘Ver­ander de wereld, maar begin bij uzelf!’ En dat begin is zo teer en kwetsbaar als een vlammetje dat flakkert bij het minste zuchtje wind.

Als we echter kans zien dat vlammetje brandend te houden, dan zal dat licht­je drie weken later terugkeren in een andere vorm. Op de eerste Advents­zondag staat daar die ene kaars te branden, hoog en stil, in de omhulling van ons huis. Dat licht wordt iedere volgende adventszondag sterker, tot­dat met Kerstmis een wijd, warm lichtkleed geweven is waarin het Kerstkind ontvangen kan worden.

(Marieke Anschütz, Jonas nr. 5, 03-11-1978)

 

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten voorbeelden van lichtjes

.

344-323

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (4)

.

SINT-MAARTEN, NABIJHEID VAN EEN WERELD OVER DE DREMPEL

Het Sint-Maartensfeest valt in de  novembermaand. Met Allerheiligen en Allerzielen op 1 en 2 november begint er een periode waarin de wereld van de doden heel dichtbij komt. Dat sluit aan bij uiterlijke ervaringen in de natuur. Het plantaardige en dierlijke leven trekt zich terug en laat ons een herinnering, maar ook een verre toekomstverwachting.

Haarlem in de jaren vijftig.
Het is november en ge­meen koud. Met een vriendje loop ik op straat en ik houd een lampionnetje in de hand. Het kaarsje dat er middenin zit blijft moeilijk aan, want het waait nogal en ik kan van de kou het stokje niet stil houden. We spreken af dat ik als tweede zal gaan, zodat hij mag aanbellen. Het is bij mensen waar al­tijd zo’n muffe geur uit huis komt en het idee om daar nu juist snoep van te krijgen trekt me niet echt aan. Maar kom, het is voor het goede doel, na­melijk de snoeptrommel en braaf zingen we ons liedje. We blijken de tweede aanbellers die avond en dat ontmoedigt toch tijdens het zingen. Geluk­kig duurt het niet lang, want mevrouw vindt het al­lang best en maakt duidelijk dat het ‘écht prachtig’ was en dat ze gauw iets zal halen. Omdat het zo koud is komt het wel goed uit dat we verder mo­gen en het gevoel van concurrentie doet onze snelheid aanzienlijk toenemen. In draf rennen we langs de huizen, zingen snel ons deuntje en in mijn herinnering was dat niet anders dan ‘Sint-Maarten, Sint -Maarten, de koeien hebben staarten, de meis­jes hebben rokjes aan, daar komt Sinte-Maarten aan’. Daarna begon het weer van voorafaan, en de tekst heeft me nooit volledig bevredigd. Ik miste de diepgang, maar ik begreep ook eigenlijk niet waar het op sloeg. Het was meer een soort bezwe­ringsformule, waarmee je buurtgenoten snoep en fruit uit de zak trommelde. Toch was het steeds spannend, want het lopen met een lichtje in de donkere avond heeft iets ongewoons en je moest steeds slikken als de deur openging en het liedje opnieuw ingezet werd. Iets om bang voor te zijn blijkbaar, een soort zenuwen, direct lijkend op plankenkoorts. Ik herinner me ook een keer dat ik niet durfde, omdat ik er te oud voor werd en niet meer met een lampion voor gek wilde lopen, en dat de concurrentie bij ons aanbelde. Zelden heb ik kinderen zo benijd als toen, omdat zij het snoep van mijn eigen moeder kregen en ik niet. Het werd ineens nog kinderachtiger dan ik al vond. De laatste keer heb ik vol overtuiging gelopen en gezongen, maar toen had ik me als Zwarte Piet vermomd, een opzettelijk abuis dat mijn ouders me nogal kwalijk namen maar ik voelde me veilig achter de façade van een ander jaarfeest. Sint-Maarten verdween achter de horizon om pas weer tevoorschijn te komen toen mijn kinderen zover waren dat ze met een lam­pion of uitgeholde voederbiet over straat mochten lopen. Het was pas in die tijd dat ik ontdekte dat deze manier van Sint-Maarten vieren in Nederland niet algemeen gebruikelijk was en dat ik het geluk had gehad in Haarlem op te groeien, waar het als traditie nog leefde.

Eerste heilige
Er zijn nogal wat liedjes over Sint-Maarten, maar daaruit wordt niet duidelijk wat hij voor een mens geweest is. Een volksheilige wordt Martinus van Tours genoemd, omdat hij zo tot de verbeelding sprak door een ogenschijnlijk eenvoudige daad van barmhartigheid en naastenliefde. Hij leefde ongeveer van 316 tot 400 en op zestienjarige leef­tijd ontmoette hij voor de stadspoort van Amiens een halfnaakte en totaal verkleumde bedelaar. Met zijn zwaard sneed hij zijn rode soldatenmantel in tweeën en gaf de arme, die een aalmoes vroeg, de helft. Hoewel niet gedoopt, was Martinus leerling in het christelijk geloof en ’s nachts zag hij Christus met zijn weggeschonken mantelhelft, die tot hem sprak: ‘Wat je aan de bedelaar gaf, heb je aan mij ge­geven. ‘
Voor deze sterfelijke daad werd hij als eer­ste heilige in de historie vereerd. Het was in die tijd kennelijk iets volkomen nieuws om zo’n daad van liefde voor de medemens te stellen. Het duurt nog lang voordat Martinus na intensieve innerlijke scholing tenslotte de bisschopsmantel ontvangt.

In de sprookjeswereld kom je het motief van schenken in deze zin tegen in Grimms Sterren­daalders. Een arm klein meisje, dat niets meer be­zat op deze wereld dan haar kleren en een stuk brood, trekt vol vertrouwen het veld in. Ze ontmoet vijf mensen die haar om een gunst vragen: een arme hongerige man schenkt ze de helft van het brood, een verkleumd kind krijgt haar mutsje, een volgend kind mag haar borstrok aan, weer een kind ontvangt haar rokje en tenslot­te in een donker bos wordt door een laatste kind haar hemdje gevraagd. Toen ze helemaal niets meer had, stond ze open en bloot onder de hemel en de sterren vielen als zilveren daalders op haar neer. In een nieuw linnen hemdje, dat ze plotse­ling ontving, kon ze de daalders verzamelen en in rijkdom de rest van haar leven slijten.
Dergelijke legenden en sprookjesbeelden spreken een taal die dieper is dan het beeld in eerste instan­tie doet vermoeden. De mantel en hemdjes zijn di­recte omhullingen voor de mens en je kunt ze als beeld opvatten voor lagen van de ziel. Je moet vaak veel afleggen en jasjes uittrekken voordat er iets zichtbaar wordt van de echte mens in je, de wezen­lijke kern waar het om gaat. Pas na het volledig wegschenken van alle schijnlagen kom je helemaal op jezelf te staan en kan een ontlediging, om met de middeleeuwse mystici te spreken, plaatsvin­den. Hierin kan dan een binnenwereld ontstaan die ons weer verbindt met een oorspronkelijke wereld. In zo’n situatie bevinden zich Martinus en het sprookjesmeisje en het goddelijke openbaart zich aan hen op verschillende wijzen, als visioen of als geschenk uit de hemel.

In ons dagelijks leven zullen we niet gauw jassen halveren en wegschenken, of anderszins funda­mentele offers brengen. Toch kun je in de situatie verkeren, aan de grens van je bestaan gekomen, dat je even een inspiratie ‘van boven’ ontvangt en een soort hulp of beloning krijgt waarmee je weer verder kunt. Dat kan in een ernstige crisis zijn, waardoor je gedwongen wordt bijna alle zekerheden die je hebt, op te geven. Op het aller­laatst kan je die kern van jezelf te pakken krijgen, waardoor je weer levenszekerheid hervindt. Of dat kan zijn als je voor een stervensmoment komt en je op het punt staat je leven te offeren. Op zulke momenten (zie het werk van onder andere Elisabeth Kübler-Ross) wordt de ervaring van een an­dere wereld heel tastbaar en reëel. Achter ons ge­wone bestaan blijkt dan een wereld te verschijnen, waarin licht en goedheid een overweldigende ge­nadekracht schenken. Wellicht moeten we eerst sterven, zoals het sprookje van de Sterrendaalders doet vermoeden, om de volledige ervaring van een inspiratieve wereld te ondergaan. Martinus krijgt een stukje daarvan te pakken door zijn daad, waardoor kennelijk een kracht wordt losgemaakt die bijzondere vermogens schenkt.

Vergankelijk
Het is in dit licht niet verwonderlijk dat het Sint-Maartensfeest valt in de novembermaand, die van­ouds als doods- of slachtmaand bekend staat.
Al­lerheiligen op 1 november en Allerzielen op 2 no­vember luiden een periode in waarin de wereld van de doden heel dichtbij komt en vaak bewust wordt herdacht. De innerlijke ervaring van de na­bijheid van de dood en dus de nabijheid van een wereld die over de drempel van het gewone leven gaat, sluit aan op de uiterlijke ervaringen in de na­tuur. Het stervensproces is in volle gang, al het plantaardige en dierlijke leven trekt zich terug in de aarde, die in al zijn contouren voor ons ver­schijnt: boomskeletten, een kalende grond temid­den van vergevorderde rottingsprocessen, een wegstervende kleurenwereld na de laatste herfstopbloei, dieren in winterslaap, zaden en poppen. Alles wordt weer in de kiem en tot de kern terug­gebracht en alles laat in ons enerzijds herinnering en anderzijds verre toekomstverwachting achter.

De toverspiegel van de zomer die de natuur ons voorhield, is verdwenen, waardoor de essentie overblijft. Door dit uiterlijke gebeuren worden we in onze binnenwereld ook naar de essentie ge­bracht en niets is beter geschikt om dat op te spo­ren dan de vergelijking tussen de vergankelijkheid van je eigen bestaan en de eeuwigheid van de ge­storvenen. Op zulke momenten kun je vaak scher­per doorzien wat wezenlijk en onwezenlijk aan je eigen leven is dan op andere momenten van het jaar. Op een interessante manier worden de doodskrachten in de natuur zichtbaar gemaakt door kiemproeven met granen. Ik heb aan roggeplanten kunnen zien hoe de kiemkracht in de maand november opvallend lager is dan in de maanden ervoor en erna. Zo kun je een proefreeks opstellen, waarbij percelen ingezaaid worden in de maanden van het dalende licht, vanaf augustus tot december en de daaropvolgende maanden met stijgend licht, vanaf de winterzonnewende op 22 december. Met name de novemberplanten blij­ven wat kieming en ontwikkeling betreft opval­lend achter bij de overige. Op het eerste gezicht zou je verwachten dat de donkerste december­maand of de koudste maanden januari en februari een dergelijk resultaat opleveren, maar kennelijk is voor november in het natuurlijke jaarverloop een speciale plaats ingeruimd.

Verwachting
Het beeld van de uitgeholde voederbiet met een lichtje erin sluit aan bij de stemming en kwaliteit van de novembertijd. Diep verborgen in de aarde, in de kern van een biet, wordt gewezen op een teer licht dat voorzichtig behoed moet worden waar een kiemachtige verwachting van uitgaat. In de zielenwereld komt nu de ruimte om tot een ontluikende essentie te komen. Bij Martinus is het de naastenliefde als jonge en nieuwe kracht, die nog zo onzegbaar is, dat je er nog geen duidelijke begripsmatige invulling voor weet.
Met advent begint er een duidelijker vorm voor die verwachting te komen en gaandeweg neemt het licht in duidelijkheid en sterkte toe. De enkele kaars op de eerste advent brandt niet in het onderaardse wortelgebied, maar staat in de open ruimte hoog in de adventskrans. Het wekelijks toenemende kaarslicht vindt zijn hoogtepunt in de kerstboom, waarin plotseling een zee van licht is opgenomen in de totale gestalte van een boom. Een ritmische ordening wordt daarin zichtbaar van de strenge laagsgewijze takopbouw van de conifeer. Net zoals Sint-Maarten veertig dagen* voor Kerstmis valt, is veertig dagen erna als een soort symmetrische spiegeling het laatste lichtfeest te vinden in de vorm van Maria Lichtmis (‘candlemas’ bij de Engelsen), een wat onbekende vertegenwoordiger uit de kringloop van jaarfeesten. Daar worden dan de kaarsresten verbrand op het water buiten, of drijvend in schalen in huis. Een gebruik daarbij is dan het springen over de zee van vlammetjes om een soort overwinningsgevoel te krijgen over het licht dat nu in de volle openbaarheid is gekomen.

Drie stappen zie je zo verschijnen, die met drie verschillende aspecten van onszelf in verband staan. Eerst het omhulde, verborgen lichtje, te vergelijken met ons denkleven waarin je op zoek bent naar het lichtje dat ineens ‘opgaat’ en waarin je alleen nog maar kunt vermoeden dat er iets diepers achter zit. Dan het op ritmische wijze geordende licht van de kersttijd waarin duidelijk is geworden waarop het zich richt, het Christuskind als toekomstwezen, waarin met name ons gevoelsleven wordt aangesproken in de innigheid van het kerstfeest. En ten slotte het open en uitbundige licht op 2 februari waarin deze lichtperiode wordt afgesloten en het voorafgaande in daden kan overgaan.
Het wilsmatige daarvan, de bewegingsdynamiek uit zich dan in het springen over het vuur.
Daar komt nog bij dat deze drie gebeurtenissen met verschillende dagdelen samenhangen. Sint-Maarten is een typisch avondfeest, wanneer de duisternis net is ingevallen, op een moment dat de dag tot bezinning uitnodigt.
Kerstmis is een nacht
feest gezien de nachtelijke geboorte en de oorspronkelijke ervaringen van de herders.
Maria 
Lichtmis is traditioneel een morgenfeest waarin juist geen bezinning, maar daadkracht wordt gevraagd.
Zo bezien breekt er met Sint-Maarten een 
tijd aan die het begin is van een lange groeiperiode van innerlijk licht, terwijl het uiterlijke zonlicht  steeds sterker afneemt.                  

(Willem Beekman, Jonas nr. 5, 31-10-1986)

*ongeveer: 11 november en 25 december niet meegerekend: 42 dagen en tot Maria Lichtmis, 25 dec. en 2 febr. niet meegerekend: 37 dagen
.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten voorbeelden van lichtjes

.

343-322

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (5)

.

Voor knutsels en St.-Maartensliedjes: Tineke’s doehoek en Antroposofie en het kind   vrijeschoolliederen

lampion

Werkwijze:
Snijd de top van de knol af en hol hem uit met een lepel of mesje. Maak de schil dun, zodat het licht er goed door kan schijnen en de lampion niet te zwaar is.
Snijd ogen, een neus en een mond uit de lampion. Maak de spijker heet en druk hem door de onderkant van de lampion en het waxinelichtje heen. Bevestig het ijzerdraad aan de boven­kant van de lampion. Sla twee kleine spijkertjes of punaises aan een van de uiteinden van de stok, zodat de lam­pion er niet af kan glijden. Draag de lampion aan de stok.

Benodigdheden
1 voederbiet, pompoen of knol
stukje ijzerdraad
stok
waxinelichtje spijker

sint Maarten 1

(Jonas nr.5, 03-11-1978)

Enkele tips voor lampions:
Papieren
. Goed stevig papier, tekeningen maken met bijenwaskrijt, achterkant insmeren met lijnolie. Dit geeft een perkamentachtig effect.

Leeg conservenblik vullen met water. Dit in het vrieslaatje van de koelkast laten invriezen.
Met een spijker en hamer mooie figuurtjes erin timmeren. Dan het ijs weer laten ontdooien, blik leeggieten en goed afdrogen.
Stok met ijzerdraadje erin om mee te lopen of zonder indien u deze lampion als tafelversiering maakt.

Winterwortel uithollen, kaarsje erin
suikerbiet uitholen,                                  ”
koolraap uithollen                                     ”
grote rode biet uithollen     ”   (dit geeft een prachtig rood lichtl)
pompoen uithollen, waxinelichtje erin
kalebassen: (te koop bij bloemenzaken) uithollen en lichtje erin doen

Papieren lampion
Neem stevig gekleurd papier. Snijd hierin figuurtjes, bijv. zon, maan en sterren of voor de handige knutselaars: tafereeltjes van Sint Maarten en de bedelaar. Plak hierachter gekleurd vliegerpapier of zijdevloei. Maak een ronde of vierkante lampion. Lichtje erin en klaar is uw lampion.

Denkt u eraan dat indien u een waxinelichtje gebruikt u er altijd een neemt met een ijzeren huisje eromheen. Anders loopt het waxinelichtje meteen uit en brandt niet meer zo goed. Ook bestaat er dan meer kans op brandgevaar.

(nadere gegevens onbekend)

zie ook St.Maarten 18

lampion van papier

st.maarten 2

SCHIMMENSPEL

Bij het maken van dit schimmenspel ben ik uitgegaan van het kleine eenpersoons schimmentheater. Het staat beschreven in Jonas 19 van 10 mei jongstleden. Wie geen puf heeft om dat te maken is ook geholpen met een grote kartonnen doos. Maak in de bodem een venster en plak overtrekpapier over deze opening. Een klein bureaulampje of nacht­lampje dient als verlichting. Voor wie het schimmentheater wél heeft gemaakt geldt de volgende aanvulling: de kartonnen schuifrail die in deze beschrijving voorkomt (waartussen de schimmen geklemd kunnen worden), bleek na een aantal keren niet stevig genoeg meer te zijn. Ik ben overgestapt op een simpeler systeem. De schim­men zijn vastgelijmd aan lange ‘poten’ waar­mee ze op de grond rusten. Hierdoor zijn ze makkelijker te hanteren; twee personages kunnen elkaar soepel passeren en als ze moe­ten stilstaan leunen ze gewoon tegen het scherm.

Het verhaal van Sint-Maarten en de bedelaar is uitstekend geschikt voor een schimmen­spel voor één speler. Er zijn om te beginnen maar twee scènes: de poort en de slaapka­mer. Voor mijn versie heb ik maar twee schimmen gemaakt: de bedelaar en Sint-Maarten te paard. Ik houd er niet van Christus al te nadrukkelijk in een context als deze (dus als zwarte schim) uit te beel­den. Ik koos er voor alle handelingen te concentreren in de eerste scène en de twee­de, de verschijning van Christus aan het bed van Maarten, slechts als begeleidend beeld van het slot van het verhaal te geven. Het zingen van een Sint-Maartensliedje aan het eind geeft deze wel heel korte scène wat meer cachet.

Het gebruik van kleur in de decors vond ik hier gerechtvaardigd. Eenvoudige voorstellingen van gescheurd zijdevloeipapier, een poort met een kille winterse lucht en de figuur van Christus bekleed met de mantel van Maarten en omringd door engelen. Neem een vel overtrekpapier dat zo groot is dat het het venster van uw schimmentheatertje (al of niet geïmproviseerd) bedekt en rondom nog twee centimeter uit­steekt zodat het opgehangen of vastgeplakt kan worden. Maak hierop van het zijdevloei een achtergrondvoorstelling. Let op! Bij het stadspoortdecor mag deze achtergrond niet in de baan komen waarin de schimmen van Maarten en de bedelaar zich bewegen. Het gekleurde papier is dan zichtbaar vóór de schimmen, wat lelijk is. Van zwart of blauw ivoorkarton snijdt u ver­volgens de coulissen uit: voor de eerste scène een boom met kale takken en een verbrok­keld muurtje en voor de tweede het bed van Maarten onder een balkenplafond met aan de wand zijn zwaard. Deze donkere coulissen voor de achtergrond van zijdevloei geeft wat meer diepte aan het decor. Rest ons nog de twee schimmen van Maarten en de bedelaar. Doordat de schimmen zelfstandig kunnen staan, houden we onze handen vrij om bewe­gende onderdelen te bedienen. De bedelaar kan een arm smekend opheffen en Maarten beantwoordt dat gebaar door zijn zwaard te heffen en zijn mantel door midden te snij­den. Snijd beide schimmen uit zwart ivoor­karton, maak de armen die straks moeten be­wegen apart. Maak het gedeelte dat aan de romp bevestigd moet worden lang genoeg. Splitpennen zijn te groot om deze kleine on­derdelen aan elkaar te bevestigen, ik naaide ze aan elkaar. Steek met een fijne naald met dun zwart garen door de kartonnen delen, steek dan door een klein zwart kraaltje en weer terug, door het karton, door een twee­de kraaltje en knoop de draad af. Als leidstaafje gebruik ik acrylglas. Dat is in veel schilder- en hobbywinkels verkrijgbaar. Het wordt gebruikt als onbreekbare vervanging van glas in voorzetramen en schilderijlijsten. Met een stanleymes kunt u het in reepjes snij­den, brand er met een hete naald een gaatje in en bevestig het op de bovenbeschreven manier aan de arm. De bedelaar en het paard worden aan lange smalle stokjes geplakt. Maarten kreeg van mij een mantel van rood zijdevloei. Het stuk dat hij afstaat aan de be­delaar is op een stukje acrylglas gelijmd. Tij­dens het spel voert u het mee, geklemd tus­sen uw vinger en het pootje dat u vasthoudt. Als het zwaard zijn werk heeft gedaan laat u de mantel langzaam zakken tot hij de bede­laar bedekt. De bedelaar met mantel gaat nu langzaam naar achteren af en Sint Maarten vervolgt zijn weg. De handelingen in een schimmenspel voltrekken zich traag; vertel het verhaal rustig en zing er af en toe een liedje tussen door. Bijvoorbeeld als Maarten de poort nadert.

Mijn schimmentheatertje heeft geen gordijn. Ik laat een doek, die tijdens het spel om de bovenkant van de kast gedrapeerd ligt, bij decorwisselingen eenvoudig voorover over het venster zakken. Mijn kinderen zijn nog klein, het is niet erg als ik zichtbaar blijf ach­ter de kast. Wanneer u een professioneler ge­heel wilt, kunt u een flinke poppenkast om­bouwen door het venster af te plakken met papier. Toneelgordijnen zijn op zo’n houten kast makkelijk te bevestigen. Aanwijzingen voor het spel kan ik u verder niet geven. Het verhaal is zo eenvoudig en kort, vertel het tij­dens het spel uit uw hoofd. Om te oefenen raad ik aan met het theater voor een spiegel te gaan zitten zodat u het spel zelf gade kunt slaan. Van belang is vooral dat de schimmen niet ongemerkt te ver van het scherm af komen te staan. Houd ze er goed tegen aan, dan zijn ze het duidelijkst zichtbaar.

st.maarten 7

st.maarten 6

st.maarten 8. jpg

(Nicole karrèr, Jonas nr.5, 01-11-1985)

HERFSTTRANSPARANT

Materiaal:

herfstbladeren
dun karton
transparantpapier
schaar
hobbylijm

Er zijn bomen die prachtig gevormde bla­deren hebben. Die nemen we tijdens onze herfstwandeling mee naar huis om ze te drogen.
In twee stukken dun karton knippen we twee gelijke gaten, bij voorbeeld in de vorm van een ovaal. De buitenkant kunnen we iedere gewenste vorm geven. Naarmate we de transparant groter willen maken, moet ook het karton steviger zijn zodat het niet krom trekt. Voor kinderen is een transpa­rant waar één herfstblad in past heel geschikt.
De binnenkanten van de twee stukken karton beplakken we met transparantpapier, waarna we één of meer gedroogde bladeren op het transparantpapier van één van de kartonnetjes met een beetje lijm aan de punten vastmaken. Als het blad op z’n plaats ligt plakken we het tweede karton­netje er met de transparantpapier-kant bovenop en bevestigen aan de bovenkant een draadje om de transparant te kunnen ophangen.

herfstknutsel 9

broodmannetjes, broodhoorntjes

Sinte marten fleugeltsje
drie, dra, dreugeltsje,
drie, dra, drokje
Sinte Marten, op ’t stokje.
Hier woont een rijke man,
die ons wel wat geven kan,
veel zal hij geven,
lang zal hij leven.
zalig zal hij sterven,
koninkrijk beërven.
Job* zal hem lonen
met honderdduizend kronen,
met honderdduizend lichtjes an,
daar komt Sinte Marten an.
Sint Martinus bisschop
loopt door alle landen,
dat wij hier met lichtjes lopen
is voor ons geen schande.

*zou dat niet ‘god’ moeten zijn?

SINTE  MARTEN OP EEN STOKSKE  en ST. MARTENHORENTJES.

Deze laatste herinneren ons er aan dat St.-Maarten ook de patroon is van het gehoornde vee.

Hier een recept voor het maken van brooddeeg:                                                       500 gr. bloem
30 gr   gist
250 cl melk
10 gr  zout
30 gr boter
10 gr suiker

Doe de bloem in een kom
maak een kuiltje voor de lauwe melk
kruimel daar gist in        
roer het voorzichtig door elkaar
voeg zout,  suiker en boter toe
kneed alles tot het zacht en soepel is

Laat het op een warme plaats ongeveer 15 min. rijzen.
Vorm een mannetje of een horentje en laat het daarna weer 15 min. rijzen.
Leg het in de oven, ongeveer 10 min. op stand 7.

De oogjes en de knoopjes zijn van krenten.
Het stokje kan je versieren met mooie herfstkleurige bladeren, de bolletjes maak je bijv. van kastanjes die je eerst doorboort.

Voor het maken van de horentjes ga je uit van een driehoekig stukje deeg, dat je oprolt zoals in de figuurtjes staat aangegeven.

St. maarten 8St. maarten 9

(bron onbekend)

Recepten voor het Sint-Maartenfeest

Ik heb wat recepten opgezocht met groenten erin die typisch bij het Sin-t Maartenfeest horen, nl. knollen, bieten, pompoenen.

Rode bietencoctail  (hier heeft u een sapcentrifuge voor nodig)

100 g. appelsap
50 g.   wortelsap
25 g.   bietnesap.

 Wortelsalade
2 winterwortelen
sap van een 1/2 citroen
sap van 1 sinaasappel
1 eetlepel honing
zonnebloempitten of wat hazelnoten
’n snufje zout

Wortelen: raspen, citroensap en sinaasappelsap en honing erbij doen, noten en het kruidenzout eroverheen doen

Ovenschotel van koolraapjes
1/2  kg geschilde en gesneden koolraap
3/4 kg  geschilde aardappelen
3 flinke tomaten
zout
boter
1/4  kg  gebraden schapenvlees in stukjes
wat vleesjus
paneermeel.

Kook koolraap en aardappelen met wat zout gaar.
Pureer de tomaten in de mixer en voeg er wat vleesjus bij.
Doe dit mengsel bij de koolraap en aardappelen.
Roer de blokjes vlees erdoor en maak het op smaak af.
Vul er een beboterde ovenschotel mee, strooi er paneermeel over en leg hier en daar een klontje boter.
Geef de schotel een bruin korstje in ongeveer 25 minuten in een vrij hete oven

Knolselderij met tomatensaus
4  kleine of 2 grote selderijknollen
1/4 l tomatensaus
fijn geknipte peterselie

Schil de selderijknol en snijd hem in blokjes.
Kook deze in weinig water met zout gaar in ca. 20 minuten
Maak op de gewone wijze tomatensaus en laat hierin de blokjes selderie nog 10 minuten stoven.
Meng er vlak voor het opdoen de fijngeknipte peterselie door

Gebakken knolselderij
2 flinke selderijknollen
bloem
water
paneermeel
zout
50 g boter

Snijd de selderijknollen in niet te dikke plakken, schil ze en was ze.
Kook de plakken bijna gaar in water met zout in ca. 20 minuten.
Neem de selderijplakken uit het water en laat ze goed uitlekken
Roer wat bloem met water aan tot een dik papje zonder klontjes.
Wentel hier de plakken selderij aan alle kanten doorheen en haal ze dan door het paneermeel.
Bak ze in de boter aan beide kanten mooi bruin en gaar.

Pompoentaart met fruit (recept voor 6 personen)
De pompoen is een eetbare kalebas die ten onrechte nog niet zo erg bekend is in onze streek. Hij groeit op de koude grond en is in deze tijd van het jaar verkrijgbaar. Kan gestoofd als groente worden gegeten maar ook in gebak worden verwerkt. De Amerikanen maken er, behalve de bekende “pumpkin-pie” ook de maskers en lampionnen van op “Haloween”, hun versie van ons Sint-Maartenfeest»

100 gram tarwemeel
50 gram boekweitmeel
1 kg. pompoen
4 peren en/of appels
een handvol rozijnen (avond tevoren in de week met wat zout)
snuifje kaneel
theelepel zout
enkele ontpitte en ontvelde pruimen (daar deze in dit jaargetijde niet meer te koop zijn heb ik zelf wat bramenjam erop gedaan)

Kook de pompoen gaar en zacht met de rozijnen en hun weekwater en meng
deze massa met het tarwe- en boekweitmeel.
Plet goed met een vork en doe er 
het zout en de kaneel bij.
Meng alles tot een deegachtige massa.
Smeer een 
vuurvaste schotel met boter of olie in
doe er het deeg in
bedek de 
bovenkant met stukjes appel, peer en pruim.
Bak in een hete oven.
Is warm of koud erg lekker.

Pompoen op Spaanse wijze
1 Pompoen
2 grote tomaten
40 g. boter
1 grote ui
paprika
zout
aroma
arrow-root (of aardappelmeel)

Snijd de tomaten in plakjes en bak ze met de gesnipperde ui en de paprika in de boter.
Snijd de geschilde pompoen in stukken van ca. 5 cm
Voeg ze met zout en aroma bij het tomatenmengsel en laat ze zachtjes gaar stoven.
Bind zo nodig het vocht met wat arrow-root (of aardappelmeel).

Natuurlijk zorgt u ervoor dat de tafel extra feestelijk gedekt is met het Sint- Maartenfeest. Lampions met kaarsjes.

Natuurlijk komt er ook een mooi herfststukje op tafel, zelfgemaakt door moeder of vader met de kinderen. Wat chrysanten, mooie bladeren, eikels, kastanjes en mos.

(nadere gegevens onbekend)
.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten voorbeelden van lichtjes

.

342-321

 

 

 

 

 

 

 

 

.