VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. – Maarten (6)

.

HET FEEST VAN SINT-MAARTEN

Knollen en rommelpotten

Bij ons om de hoek woonde een notaris. Echt zo’n notabel, een man waar je als kind bang voor bent. Als we rovertje of verstoppertje speelden, slopen we stiekem door zijn tuin, met het gevoel van spanning dat half prettig en half beangstigend is.
Maar op elf novem­ber, met Sint-Maarten, deden we wat we an­ders nooit durfden. Met onze lampionnen beklommen we de statige trappen naar de enorme voordeur. Als we op onze tenen gingen staan konden we met gestrekte armen net bij de glimmende koperen bel. Aan het heldere, echorijke geklingel konden we ho­ren dat de hal achter de deur groot en ruim was. In spanning wachtten we af. Hoe zou de notaris reageren? Zou hij wel open doen? En dan zwaaide de deur open. De deur die voor ons altijd gesloten was en waarachter wij een wereld vermoedden die geheel anders was dan de onze. Díe deur ging open. Voor ons. Dan zongen we vlug het liedje van Sint-Maar­ten, terwijl we ons verscholen achter de rug­gen van hen die naar voren waren geduwd. Met bange ogen gluurden we naar die glim­lachende notaris, die zich na het zingen om­draaide en door de lange gang het dienstmeis­je riep en opdracht gaf ons snoep te geven. Met een opgelucht gevoel struikelden we de trappen weer af. In onze handen de buit.

Sint-Maarten is een oud feest. Misschien dat sommigen het beeld herkennen van de onbe­reikbare notaris, die op de avond van elf november zijn deur wijd open zwaait en luistert naar het zingen van een groepje kinderen. Het moet een wezenlijke ervaring geweest zijn voor kinderen: het feest van Sint-Maar­ten overbrugde even, op een donkere winde­rige novemberavond, de kloof tussen het kind en de volwassene, in dit geval een nota­ris.
Aanvankelijk was het een feest dat de kloof tussen arm en rijk overbrugde. De kinderen van de armen liepen met hun zelfgemaakte lampionnetjes langs de huizen van de welgestelden en kregen voedsel, dat een vaak noodzakelijke aanvulling was op het karige maal dat de armen zichzelf konden voorzet­ten. Al in de legende van Sint-Martinus, die leefde in de vierde eeuw na Christus, vind je dit element terug. Het bekende verhaal luidt:
‘Eens, op een koude winteravond, reed een troep Romeinse soldaten naar de stad Amiens. Zij reden in draf, want zij wilden voor het vallen van de nacht binnen de mu­ren van de stad zijn. Toen zij bij de stads­poort kwamen, trad een gestalte uit de don­kere schaduw tevoorschijn, een half naakte man in lompen gehuld en bevend van de kou.
Hij strekte zijn hand uit voor een aalmoes. Een van de ruiters, een jonge officier, hield zijn paard in. Hij wist dat hij geen geld bij zich had, maar de ellende van die verkleum­de bedelaar trof hem diep. Wat kon hij hem geven in plaats van geld? Ineens wist hij wat hij doen moest. Hij trok zijn zwaard, greep zijn warme ruime mantel vast die naar bin­nen toe rood was, sneed hem in tweeën en gaf de ene helft aan de bedelaar, zonder te letten op het spottend lachen van zijn kame­raden.
In de nacht daarop verscheen hem Christus in een droomgezicht, bekleed met het afgesneden stuk van zijn mantel, en Hij zei tot de engelen die met Hem waren: ‘Ziet, Martinus, die nog niet gedoopt is, heeft mij met een kleed omhuld’.
Tot Martinus sprak hij: ‘Wat je aan de bedelaar gedaan hebt, heb je aan Christus gedaan’.
Dit visioen maakte zo’n indruk op de jongeman, dat hij zich kort daarop liet dopen’.

Het ophalen van snoepgoed door de kinde­ren is een laatste echo van het schenken van de helft van de mantel aan de bedelaar.
Er is echter nog een belangrijk aspect van het Sint-Maartenfeest, zoals dat vanouds in aller­lei plaatsen wordt gevierd. Gebruikelijk is dat kinderen een knol (koolraap, biet, kale­bas, winterwortel) uithollen, er kleine ster­vormige vensters in uitsnijden en in het bin­nenste ervan een waxinelichtje zetten. Dat lichtje nemen ze die novemberavond met zich mee als ze door de duistere straten trek­ken.
In de legende van Sint-Martinus kun je de herkomst van dat lichtje niet vinden. Het lichtje verraadt dat het feest een oorsprong heeft die verder terug gaat dan de tijd van Sint-Maarten. De legende van Martinus is sa­mengegroeid met een feestelijk gebruik dat daarvoor al bestond. Om het voor-christelij­ke, waarschijnlijk Germaanse, element van Sint-Maarten terug te vinden, moet je het feest plaatsen tegen de achtergrond van de andere jaarfeesten en het verloop van de sei­zoenen.

In de novembermaand beleven we de overgang van de herfst naar de echte winter. Het stralende zonlicht is verdwenen. De dagen zijn korter, het weer is winderig en guur. In de zomermaanden leven we sterk in de zon­beschenen buitenwereld. We beleven de geu­ren, de kleuren en richten ons op de naar buiten tredende natuur. In de wintermaan­den trekken we ons terug in onze huizen. Vroeger was het de tijd in het jaar dat de ou­de verhalen en legenden werden verteld. Ook nu nog kun je merken dat in de winter de mens tot zichzelf komt, tot het eigen inner­lijk. Het herfstfeest van Michaël geeft de moed om innerlijk ‘sterk’ te zijn, terwijl je om je heen ziet hoe de zomerpracht nog een laatste maal in een uitbundige, herfstige kleu­renpracht zichtbaar wordt, voordat het voor­goed afsterft. Op het dieptepunt van de win­ter, als de dagen het kortst zijn, wordt het Kerstkind geboren, dat het beeld is van een beginnende eigenheid, van het opbloeien van de eerste Ik-kracht temidden van de donkere wereld. Sint-Maarten staat tussen het Michaëlfeest en Kerstfeest. Het kleine lichtje, vei­lig beschermd door de knol als symbool van de aarde, is een eerste voorverkondiging van het licht dat met Kerst wordt geboren. Vroeger hingen de boeren op elf november een uitgeholde knol met een kaarslichtje erin aan de staldeur, als teken dat het werk op het land klaar was. Het graan was binnen, de slacht gedaan en het winterkoren was gezaaid. Op elf november moest de boer klaar zijn met de aarde. Hij had de vruchten ervan ge­nomen (het uithollen van de knol); het licht­je in de knol wilde zeggen dat de tijd was aangebroken om in de donkere maanden het licht niet langer buiten je te zoeken, maar in het eigen innerlijk.

In voor-christelijke tijden moet men nog hebben waargenomen hoe het verdwijnen van het uiterlijke licht vroeg om een ontwa­ken van een licht in de eigen ziel. Pas in de Romeinse tijd is er het element van Sint-Mar­tinus bijgekomen, die de bedelaar deelgenoot maakt van zijn eigen welvaart.
Het huidige Sint-Maarten is vaak niet meer dan een karikatuur van wat je als oerbeeld ervan kunt vermoeden. In grote steden zoals Haarlem kun je jaarlijks zien hoe drommen kinderen van deur tot deur gaan met gekoch­te lampions en hun liedje afraffelen in ruil voor wat snoepgoed. Een kind, gevraagd naar de figuur van Sint-Maarten, antwoordde: ‘Hij was een man’. Toen hem gevraagd werd wat voor een man hij was, zei het kind: ‘Nou, ge­woon een man’. Feesten als Sinterklaas en Kerstfeest zijn gouden knooppunten gewor­den, niet van het geestelijke, maar van het economische leven. Dit lot dreigt ook Sint-Maarten. Lampionnen worden al geruime tijd ter beschikking gesteld door de feest-stimulerende industrie. Speciaal sintmaarten­snoepgoed kan al gekocht worden in plastic puntzakjes. Misschien dat er – als een soort voorproefje op Sinterklaas – ooit nog eens martinussen van chocolade verkrijgbaar zul­len zijn.

Hier en daar zie je pogingen om het Sint-Maartenfeest zo te vieren, dat de kinderen (en de ouderen) er weer iets in kunnen vinden dat dichter bij het oerbeeld staat. Op veel vrijescholen, maar ook in huisgezinnen, wordt gezocht naar vormen om het Sint-Maartenfeest op een nieuwe manier te bele­ven.

Ik ging naar de Vrije School Kennemerland in Haarlem om te vragen hoe daar het feest van Sint-Maarten wordt gevierd. Gerda Jan­maat en Irma Vonk wilden er graag over ver­tellen. Beiden zijn leerkrachten aan de school. De eerste als vakleerkracht, de tweede als leidster van een kleuterklas. Wat hieronder volgt is een samenvatting van een gesprek dat we hadden.
Voor alles willen deze twee leerkrachten dui­delijk maken dat het vieren van een jaarfeest, en dus ook Sint-Maarten, niet volgens een re­cept kan gebeuren. Waar het om gaat is dat ieder jaar opnieuw en wellicht voor iedere groep kinderen ook anders, gezocht moet worden naar een vorm. Het bewust zoeken naar een vorm is ieder jaar weer een toeleven naar het feest. Gerda en Irma willen dan ook wel vertellen hoe zij het feest vieren, maar hopen niet dat het wordt opgevat als een model. Zo’n model (zoals dat met Sinterklaas het geval is: altijd pakjes met rijmpjes) is een sta-in-de-weg voor een actief innerlijk toegroeien en beleven van het feest. De legende van Sint-Maarten wordt niet aan kleuters verteld. Een legende heeft altijd een historische oorsprong. Kinderen krijgen pas op latere leeftijd een historisch besef, zo­dat een legende niet geschikt is voor kleuters. Zij kunnen op een andere manier op het feest worden voorbereid. In het traditionele ge­bruik speelt de knol een belangrijke rol. Dat is een echte aardevrucht; het komt uit het binnenste van de aarde. Er zijn allerlei spel­letjes en verhalen voor kleuters die daarbij aansluiten, zoals bijvoorbeeld het volgende verhaal:
‘Moeder Aarde zegt als de zomer voorbij is:  ‘Wat is alles toch donker geworden. En wat is alles donker in mijzelf. Ik zie ner­gens licht.’ Moeder Aarde denkt erover na hoe ze voor licht zou kunnen zorgen en denkt dan aan de kabouters. Misschien kunnen zij een lichtje vinden.
De kabouters gaan op pad en horen onder­weg een sprookje dat hen op een idee brengt.
‘Een grootvader had een enorme knol in zijn tuin. Die knol groeide maar en groeide maar en werd steeds groter. Zo groot, dat hij maar niet uit de grond gehaald kon worden. Groot­vader haalde de dieren er bij. Misschien kon­den zij helpen. Maar geen van de dieren lukte het de knol uit de aarde los te werken. Tot de kleine muis kwam, die thuis is in alle hol­letjes en gangetjes van de aarde. Ineens sprong de knol eruit. Grootvader was zo blij, dat hij de knol uitholde en alle dieren wat gaf van het binnenste ervan. In de holle ruim­te zette hij een kaarslichtje. De glanzende bol plaatste hij voor het raam, zodat alle mensen konden zien dat de knol uiteindelijk uit de aarde was gekomen.’
De kabouters, die dit verhaal hebben gehoord, gaan op zoek naar een knol en brengen die naar Moeder Aarde. Zij doet er een lichtje in en zegt:’ Laat nu de winter maar komen. Laat het maar donker zijn. Wij hebben een lichtje.’
Aan de vooravond van Sint-Maarten maken de ouders een lantaarn voor hun kinderen. Terwijl de kleuters zich gereed maken om de ommegang te maken, staan de oudere kinde­ren op ze te wachten. Irma en Gerda vertellen dat dat voor hen een feestelijk moment is: te zien hoe de oudere kinderen kijken naar de kleineren, die helemaal vervuld van het lichtje dat ze dragen, naar buiten komen. Het is voor kleuters een heel feestelijk gebeu­ren. Kinderen kunnen er helemaal van ver­vuld zijn. Als ze met het lichtje lopen, lijkt het alsof ze helemaal in die glanzende knol kruipen, alsof ze er één mee geworden zijn. Zo’n ervaring blijft voor een heel leven be­waard. Het blijft een warm plekje dat een mens altijd met zich meedraagt. Tot en met de vijfde klas is het zingen van Sint-Maartensliederen natuurlijk een goede voorbereidigng op het feest. Er zijn een hele­boel liedjes, oude en nieuwe. Een voorbeeld van een oud lied is:
‘Rommelpotterij, rommelpotterij,
geef me een centje, dan ga ik voorbij.
Ik heb geen geld om een broodje te kopen,
daarom moet ik met mijn rommelpot lopen.
Rommelpotterij, rommelpotterij,
geef me een centje, dan ga ik voorbij’.
Een rommelpot is een opgeblazen varkens­blaas, waar een cent of een takje in werd ge­daan, zodat het rammelde. Het is net als de knol, iets dat met de aarde en het boerenbe­drijf samenhangt. Een varkensblaas blijft over als de slachttijd voorbij is in november. Dit liedje knoopt aan bij het Romeinse ele­ment van het feest: de overbrugging van arm en rijk. Een ander liedje, dat nog niet zo oud is en uit het Duits is vertaald, vertelt over het licht dat bij het feest hoort. Alhoewel het lied jonger is dan het vorige, spreekt er iets in, dat op zich ouder is en stamt uit de tijd dat de mensen de samenhang met de kosmos nog intensief beleefden.
‘Ik wandel met mijn lantaren.
Lantaren wandelt met mij.
Daarboven stralen de sterren.
Beneden stralen wij.
Mijn licht is uit.
Ik ga naar huis.
Labimmel labammel la bom’.
Als kinderen ouder worden, staan ze heel an­ders tegenover het feest van Sint- Maarten dan de jongere kinderen. Zij geven zich niet meer zo onvoorwaardelijk over aan het feest als de kleuters. Dat is ook juist. Dat hoort bij hun leeftijd. Voor hen kun je dan de figuur van Sint-Maarten meer vanuit een historisch oogpunt behandelen. Je kunt vertellen wie hij was, wat hij gedaan heeft, wanneer hij leefde, enzovoort. Zo kunnen de kinderen er vanuit hun leeftijdsfase een verbinding mee krijgen.
Oudere kinderen kunnen het heel fijn vinden om met Sint-Maarten de jongeren te helpen. Ze kunnen lantarens maken, appels (in plaats van snoep) meenemen en – zoals hier en daar gebeurt – een sintmaartenspel opvoeren.
Kleuters ‘ondergaan’ het feest, gaan er geheel in op. Oudere kinderen willen graag een actievere rol spelen. De hulpvaardigheid past dan goed bij Sint-Maarten.Het volgende verhaal van een ouder is teke­nend voor hoe oudere kinderen, zo aan het begin van de puberteitswoelingen, een vie­ring van een jaarfeest kunnen beleven.
De dochter was dan toch meegegaan om sintmaartensliedjes te zingen. Een grote kring stond onder de donkere avondhemel. Ze stond naast haar vader, die uit volle borst meezong. Plots zei ze, zich wendend naar haar vader die haar lichtelijk verbaasd en iet­wat geamuseerd aanhoorde: ‘Pap, je moet niet zo hard zingen. Je zingt het hardst. Zelfs nog harder dan meester’.

Even later stond het meisje een flink eind bij haar vader van­daan.

Irma en Gerda vinden dat je voor dit soort ‘problemen’ al helemaal geen pasklare oplos­singen kunt aanbieden. Het vieren van jaar­feesten is iets heel individueels, wat sterker wordt naarmate de kinderen ouder zijn.
Op de Vrije School Kennemerland blijkt het ieder jaar weer een spannend avontuur te zijn. De gehele groep leerkrachten staat en­thousiast achter de viering van de jaarfeesten. In de pedagogische vergadering wordt er ie­der jaar voorbereidend over gesproken. Ook ouders werken wel mee. Het Michaëlfeest is dit jaar geheel door ouders georganiseerd. De leerkrachten zijn daar blij mee. Niet alleen omdat daardoor een stuk werk uit handen wordt genomen. Meer omdat daardoor een jaarfeest iets wordt van leerkrachten, kinde­ren én ouders.
Jaarfeesten geven in een sociale samenhang, of dat nu een school, een instituut, een kan­toor of een gezin is, een ritme, waardoor je je bewust kunt worden van de door het jaar steeds wisselende verhouding tussen het in­nerlijke leven, en het leven in de natuur met de seizoenen.
 (Jelle v.d. Meulen, Jonas nr. 5, 31-10-1980)

.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten voorbeelden van lichtjes

.

341-320

 

 

 

.

Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. – Maarten (6)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – St. Maarten – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – St. Maarten – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.