Maandelijks archief: oktober 2013

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (4)

.

SINT-MAARTEN, NABIJHEID VAN EEN WERELD OVER DE DREMPEL

Het Sint-Maartensfeest valt in de  novembermaand. Met Allerheiligen en Allerzielen op 1 en 2 november begint er een periode waarin de wereld van de doden heel dichtbij komt. Dat sluit aan bij uiterlijke ervaringen in de natuur. Het plantaardige en dierlijke leven trekt zich terug en laat ons een herinnering, maar ook een verre toekomstverwachting.

Haarlem in de jaren vijftig.
Het is november en ge­meen koud. Met een vriendje loop ik op straat en ik houd een lampionnetje in de hand. Het kaarsje dat er middenin zit blijft moeilijk aan, want het waait nogal en ik kan van de kou het stokje niet stil houden. We spreken af dat ik als tweede zal gaan, zodat hij mag aanbellen. Het is bij mensen waar al­tijd zo’n muffe geur uit huis komt en het idee om daar nu juist snoep van te krijgen trekt me niet echt aan. Maar kom, het is voor het goede doel, na­melijk de snoeptrommel en braaf zingen we ons liedje. We blijken de tweede aanbellers die avond en dat ontmoedigt toch tijdens het zingen. Geluk­kig duurt het niet lang, want mevrouw vindt het al­lang best en maakt duidelijk dat het ‘écht prachtig’ was en dat ze gauw iets zal halen. Omdat het zo koud is komt het wel goed uit dat we verder mo­gen en het gevoel van concurrentie doet onze snelheid aanzienlijk toenemen. In draf rennen we langs de huizen, zingen snel ons deuntje en in mijn herinnering was dat niet anders dan ‘Sint-Maarten, Sint -Maarten, de koeien hebben staarten, de meis­jes hebben rokjes aan, daar komt Sinte-Maarten aan’. Daarna begon het weer van voorafaan, en de tekst heeft me nooit volledig bevredigd. Ik miste de diepgang, maar ik begreep ook eigenlijk niet waar het op sloeg. Het was meer een soort bezwe­ringsformule, waarmee je buurtgenoten snoep en fruit uit de zak trommelde. Toch was het steeds spannend, want het lopen met een lichtje in de donkere avond heeft iets ongewoons en je moest steeds slikken als de deur openging en het liedje opnieuw ingezet werd. Iets om bang voor te zijn blijkbaar, een soort zenuwen, direct lijkend op plankenkoorts. Ik herinner me ook een keer dat ik niet durfde, omdat ik er te oud voor werd en niet meer met een lampion voor gek wilde lopen, en dat de concurrentie bij ons aanbelde. Zelden heb ik kinderen zo benijd als toen, omdat zij het snoep van mijn eigen moeder kregen en ik niet. Het werd ineens nog kinderachtiger dan ik al vond. De laatste keer heb ik vol overtuiging gelopen en gezongen, maar toen had ik me als Zwarte Piet vermomd, een opzettelijk abuis dat mijn ouders me nogal kwalijk namen maar ik voelde me veilig achter de façade van een ander jaarfeest. Sint-Maarten verdween achter de horizon om pas weer tevoorschijn te komen toen mijn kinderen zover waren dat ze met een lam­pion of uitgeholde voederbiet over straat mochten lopen. Het was pas in die tijd dat ik ontdekte dat deze manier van Sint-Maarten vieren in Nederland niet algemeen gebruikelijk was en dat ik het geluk had gehad in Haarlem op te groeien, waar het als traditie nog leefde.

Eerste heilige
Er zijn nogal wat liedjes over Sint-Maarten, maar daaruit wordt niet duidelijk wat hij voor een mens geweest is. Een volksheilige wordt Martinus van Tours genoemd, omdat hij zo tot de verbeelding sprak door een ogenschijnlijk eenvoudige daad van barmhartigheid en naastenliefde. Hij leefde ongeveer van 316 tot 400 en op zestienjarige leef­tijd ontmoette hij voor de stadspoort van Amiens een halfnaakte en totaal verkleumde bedelaar. Met zijn zwaard sneed hij zijn rode soldatenmantel in tweeën en gaf de arme, die een aalmoes vroeg, de helft. Hoewel niet gedoopt, was Martinus leerling in het christelijk geloof en ’s nachts zag hij Christus met zijn weggeschonken mantelhelft, die tot hem sprak: ‘Wat je aan de bedelaar gaf, heb je aan mij ge­geven. ‘
Voor deze sterfelijke daad werd hij als eer­ste heilige in de historie vereerd. Het was in die tijd kennelijk iets volkomen nieuws om zo’n daad van liefde voor de medemens te stellen. Het duurt nog lang voordat Martinus na intensieve innerlijke scholing tenslotte de bisschopsmantel ontvangt.

In de sprookjeswereld kom je het motief van schenken in deze zin tegen in Grimms Sterren­daalders. Een arm klein meisje, dat niets meer be­zat op deze wereld dan haar kleren en een stuk brood, trekt vol vertrouwen het veld in. Ze ontmoet vijf mensen die haar om een gunst vragen: een arme hongerige man schenkt ze de helft van het brood, een verkleumd kind krijgt haar mutsje, een volgend kind mag haar borstrok aan, weer een kind ontvangt haar rokje en tenslot­te in een donker bos wordt door een laatste kind haar hemdje gevraagd. Toen ze helemaal niets meer had, stond ze open en bloot onder de hemel en de sterren vielen als zilveren daalders op haar neer. In een nieuw linnen hemdje, dat ze plotse­ling ontving, kon ze de daalders verzamelen en in rijkdom de rest van haar leven slijten.
Dergelijke legenden en sprookjesbeelden spreken een taal die dieper is dan het beeld in eerste instan­tie doet vermoeden. De mantel en hemdjes zijn di­recte omhullingen voor de mens en je kunt ze als beeld opvatten voor lagen van de ziel. Je moet vaak veel afleggen en jasjes uittrekken voordat er iets zichtbaar wordt van de echte mens in je, de wezen­lijke kern waar het om gaat. Pas na het volledig wegschenken van alle schijnlagen kom je helemaal op jezelf te staan en kan een ontlediging, om met de middeleeuwse mystici te spreken, plaatsvin­den. Hierin kan dan een binnenwereld ontstaan die ons weer verbindt met een oorspronkelijke wereld. In zo’n situatie bevinden zich Martinus en het sprookjesmeisje en het goddelijke openbaart zich aan hen op verschillende wijzen, als visioen of als geschenk uit de hemel.

In ons dagelijks leven zullen we niet gauw jassen halveren en wegschenken, of anderszins funda­mentele offers brengen. Toch kun je in de situatie verkeren, aan de grens van je bestaan gekomen, dat je even een inspiratie ‘van boven’ ontvangt en een soort hulp of beloning krijgt waarmee je weer verder kunt. Dat kan in een ernstige crisis zijn, waardoor je gedwongen wordt bijna alle zekerheden die je hebt, op te geven. Op het aller­laatst kan je die kern van jezelf te pakken krijgen, waardoor je weer levenszekerheid hervindt. Of dat kan zijn als je voor een stervensmoment komt en je op het punt staat je leven te offeren. Op zulke momenten (zie het werk van onder andere Elisabeth Kübler-Ross) wordt de ervaring van een an­dere wereld heel tastbaar en reëel. Achter ons ge­wone bestaan blijkt dan een wereld te verschijnen, waarin licht en goedheid een overweldigende ge­nadekracht schenken. Wellicht moeten we eerst sterven, zoals het sprookje van de Sterrendaalders doet vermoeden, om de volledige ervaring van een inspiratieve wereld te ondergaan. Martinus krijgt een stukje daarvan te pakken door zijn daad, waardoor kennelijk een kracht wordt losgemaakt die bijzondere vermogens schenkt.

Vergankelijk
Het is in dit licht niet verwonderlijk dat het Sint-Maartensfeest valt in de novembermaand, die van­ouds als doods- of slachtmaand bekend staat.
Al­lerheiligen op 1 november en Allerzielen op 2 no­vember luiden een periode in waarin de wereld van de doden heel dichtbij komt en vaak bewust wordt herdacht. De innerlijke ervaring van de na­bijheid van de dood en dus de nabijheid van een wereld die over de drempel van het gewone leven gaat, sluit aan op de uiterlijke ervaringen in de na­tuur. Het stervensproces is in volle gang, al het plantaardige en dierlijke leven trekt zich terug in de aarde, die in al zijn contouren voor ons ver­schijnt: boomskeletten, een kalende grond temid­den van vergevorderde rottingsprocessen, een wegstervende kleurenwereld na de laatste herfstopbloei, dieren in winterslaap, zaden en poppen. Alles wordt weer in de kiem en tot de kern terug­gebracht en alles laat in ons enerzijds herinnering en anderzijds verre toekomstverwachting achter.

De toverspiegel van de zomer die de natuur ons voorhield, is verdwenen, waardoor de essentie overblijft. Door dit uiterlijke gebeuren worden we in onze binnenwereld ook naar de essentie ge­bracht en niets is beter geschikt om dat op te spo­ren dan de vergelijking tussen de vergankelijkheid van je eigen bestaan en de eeuwigheid van de ge­storvenen. Op zulke momenten kun je vaak scher­per doorzien wat wezenlijk en onwezenlijk aan je eigen leven is dan op andere momenten van het jaar. Op een interessante manier worden de doodskrachten in de natuur zichtbaar gemaakt door kiemproeven met granen. Ik heb aan roggeplanten kunnen zien hoe de kiemkracht in de maand november opvallend lager is dan in de maanden ervoor en erna. Zo kun je een proefreeks opstellen, waarbij percelen ingezaaid worden in de maanden van het dalende licht, vanaf augustus tot december en de daaropvolgende maanden met stijgend licht, vanaf de winterzonnewende op 22 december. Met name de novemberplanten blij­ven wat kieming en ontwikkeling betreft opval­lend achter bij de overige. Op het eerste gezicht zou je verwachten dat de donkerste december­maand of de koudste maanden januari en februari een dergelijk resultaat opleveren, maar kennelijk is voor november in het natuurlijke jaarverloop een speciale plaats ingeruimd.

Verwachting
Het beeld van de uitgeholde voederbiet met een lichtje erin sluit aan bij de stemming en kwaliteit van de novembertijd. Diep verborgen in de aarde, in de kern van een biet, wordt gewezen op een teer licht dat voorzichtig behoed moet worden waar een kiemachtige verwachting van uitgaat. In de zielenwereld komt nu de ruimte om tot een ontluikende essentie te komen. Bij Martinus is het de naastenliefde als jonge en nieuwe kracht, die nog zo onzegbaar is, dat je er nog geen duidelijke begripsmatige invulling voor weet.
Met advent begint er een duidelijker vorm voor die verwachting te komen en gaandeweg neemt het licht in duidelijkheid en sterkte toe. De enkele kaars op de eerste advent brandt niet in het onderaardse wortelgebied, maar staat in de open ruimte hoog in de adventskrans. Het wekelijks toenemende kaarslicht vindt zijn hoogtepunt in de kerstboom, waarin plotseling een zee van licht is opgenomen in de totale gestalte van een boom. Een ritmische ordening wordt daarin zichtbaar van de strenge laagsgewijze takopbouw van de conifeer. Net zoals Sint-Maarten veertig dagen* voor Kerstmis valt, is veertig dagen erna als een soort symmetrische spiegeling het laatste lichtfeest te vinden in de vorm van Maria Lichtmis (‘candlemas’ bij de Engelsen), een wat onbekende vertegenwoordiger uit de kringloop van jaarfeesten. Daar worden dan de kaarsresten verbrand op het water buiten, of drijvend in schalen in huis. Een gebruik daarbij is dan het springen over de zee van vlammetjes om een soort overwinningsgevoel te krijgen over het licht dat nu in de volle openbaarheid is gekomen.

Drie stappen zie je zo verschijnen, die met drie verschillende aspecten van onszelf in verband staan. Eerst het omhulde, verborgen lichtje, te vergelijken met ons denkleven waarin je op zoek bent naar het lichtje dat ineens ‘opgaat’ en waarin je alleen nog maar kunt vermoeden dat er iets diepers achter zit. Dan het op ritmische wijze geordende licht van de kersttijd waarin duidelijk is geworden waarop het zich richt, het Christuskind als toekomstwezen, waarin met name ons gevoelsleven wordt aangesproken in de innigheid van het kerstfeest. En ten slotte het open en uitbundige licht op 2 februari waarin deze lichtperiode wordt afgesloten en het voorafgaande in daden kan overgaan.
Het wilsmatige daarvan, de bewegingsdynamiek uit zich dan in het springen over het vuur.
Daar komt nog bij dat deze drie gebeurtenissen met verschillende dagdelen samenhangen. Sint-Maarten is een typisch avondfeest, wanneer de duisternis net is ingevallen, op een moment dat de dag tot bezinning uitnodigt.
Kerstmis is een nacht
feest gezien de nachtelijke geboorte en de oorspronkelijke ervaringen van de herders.
Maria 
Lichtmis is traditioneel een morgenfeest waarin juist geen bezinning, maar daadkracht wordt gevraagd.
Zo bezien breekt er met Sint-Maarten een 
tijd aan die het begin is van een lange groeiperiode van innerlijk licht, terwijl het uiterlijke zonlicht  steeds sterker afneemt.                  

(Willem Beekman, Jonas nr. 5, 31-10-1986)

*ongeveer: 11 november en 25 december niet meegerekend: 42 dagen en tot Maria Lichtmis, 25 dec. en 2 febr. niet meegerekend: 37 dagen
.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten voorbeelden van lichtjes

.

343-322

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (5)

.

Voor knutsels en St.-Maartensliedjes: Tineke’s doehoek en Antroposofie en het kind   vrijeschoolliederen

lampion

Werkwijze:
Snijd de top van de knol af en hol hem uit met een lepel of mesje. Maak de schil dun, zodat het licht er goed door kan schijnen en de lampion niet te zwaar is.
Snijd ogen, een neus en een mond uit de lampion. Maak de spijker heet en druk hem door de onderkant van de lampion en het waxinelichtje heen. Bevestig het ijzerdraad aan de boven­kant van de lampion. Sla twee kleine spijkertjes of punaises aan een van de uiteinden van de stok, zodat de lam­pion er niet af kan glijden. Draag de lampion aan de stok.

Benodigdheden
1 voederbiet, pompoen of knol
stukje ijzerdraad
stok
waxinelichtje spijker

sint Maarten 1

(Jonas nr.5, 03-11-1978)

Enkele tips voor lampions:
Papieren
. Goed stevig papier, tekeningen maken met bijenwaskrijt, achterkant insmeren met lijnolie. Dit geeft een perkamentachtig effect.

Leeg conservenblik vullen met water. Dit in het vrieslaatje van de koelkast laten invriezen.
Met een spijker en hamer mooie figuurtjes erin timmeren. Dan het ijs weer laten ontdooien, blik leeggieten en goed afdrogen.
Stok met ijzerdraadje erin om mee te lopen of zonder indien u deze lampion als tafelversiering maakt.

Winterwortel uithollen, kaarsje erin
suikerbiet uitholen,                                  ”
koolraap uithollen                                     ”
grote rode biet uithollen     ”   (dit geeft een prachtig rood lichtl)
pompoen uithollen, waxinelichtje erin
kalebassen: (te koop bij bloemenzaken) uithollen en lichtje erin doen

Papieren lampion
Neem stevig gekleurd papier. Snijd hierin figuurtjes, bijv. zon, maan en sterren of voor de handige knutselaars: tafereeltjes van Sint Maarten en de bedelaar. Plak hierachter gekleurd vliegerpapier of zijdevloei. Maak een ronde of vierkante lampion. Lichtje erin en klaar is uw lampion.

Denkt u eraan dat indien u een waxinelichtje gebruikt u er altijd een neemt met een ijzeren huisje eromheen. Anders loopt het waxinelichtje meteen uit en brandt niet meer zo goed. Ook bestaat er dan meer kans op brandgevaar.

(nadere gegevens onbekend)

zie ook St.Maarten 18

lampion van papier

st.maarten 2

SCHIMMENSPEL

Bij het maken van dit schimmenspel ben ik uitgegaan van het kleine eenpersoons schimmentheater. Het staat beschreven in Jonas 19 van 10 mei jongstleden. Wie geen puf heeft om dat te maken is ook geholpen met een grote kartonnen doos. Maak in de bodem een venster en plak overtrekpapier over deze opening. Een klein bureaulampje of nacht­lampje dient als verlichting. Voor wie het schimmentheater wél heeft gemaakt geldt de volgende aanvulling: de kartonnen schuifrail die in deze beschrijving voorkomt (waartussen de schimmen geklemd kunnen worden), bleek na een aantal keren niet stevig genoeg meer te zijn. Ik ben overgestapt op een simpeler systeem. De schim­men zijn vastgelijmd aan lange ‘poten’ waar­mee ze op de grond rusten. Hierdoor zijn ze makkelijker te hanteren; twee personages kunnen elkaar soepel passeren en als ze moe­ten stilstaan leunen ze gewoon tegen het scherm.

Het verhaal van Sint-Maarten en de bedelaar is uitstekend geschikt voor een schimmen­spel voor één speler. Er zijn om te beginnen maar twee scènes: de poort en de slaapka­mer. Voor mijn versie heb ik maar twee schimmen gemaakt: de bedelaar en Sint-Maarten te paard. Ik houd er niet van Christus al te nadrukkelijk in een context als deze (dus als zwarte schim) uit te beel­den. Ik koos er voor alle handelingen te concentreren in de eerste scène en de twee­de, de verschijning van Christus aan het bed van Maarten, slechts als begeleidend beeld van het slot van het verhaal te geven. Het zingen van een Sint-Maartensliedje aan het eind geeft deze wel heel korte scène wat meer cachet.

Het gebruik van kleur in de decors vond ik hier gerechtvaardigd. Eenvoudige voorstellingen van gescheurd zijdevloeipapier, een poort met een kille winterse lucht en de figuur van Christus bekleed met de mantel van Maarten en omringd door engelen. Neem een vel overtrekpapier dat zo groot is dat het het venster van uw schimmentheatertje (al of niet geïmproviseerd) bedekt en rondom nog twee centimeter uit­steekt zodat het opgehangen of vastgeplakt kan worden. Maak hierop van het zijdevloei een achtergrondvoorstelling. Let op! Bij het stadspoortdecor mag deze achtergrond niet in de baan komen waarin de schimmen van Maarten en de bedelaar zich bewegen. Het gekleurde papier is dan zichtbaar vóór de schimmen, wat lelijk is. Van zwart of blauw ivoorkarton snijdt u ver­volgens de coulissen uit: voor de eerste scène een boom met kale takken en een verbrok­keld muurtje en voor de tweede het bed van Maarten onder een balkenplafond met aan de wand zijn zwaard. Deze donkere coulissen voor de achtergrond van zijdevloei geeft wat meer diepte aan het decor. Rest ons nog de twee schimmen van Maarten en de bedelaar. Doordat de schimmen zelfstandig kunnen staan, houden we onze handen vrij om bewe­gende onderdelen te bedienen. De bedelaar kan een arm smekend opheffen en Maarten beantwoordt dat gebaar door zijn zwaard te heffen en zijn mantel door midden te snij­den. Snijd beide schimmen uit zwart ivoor­karton, maak de armen die straks moeten be­wegen apart. Maak het gedeelte dat aan de romp bevestigd moet worden lang genoeg. Splitpennen zijn te groot om deze kleine on­derdelen aan elkaar te bevestigen, ik naaide ze aan elkaar. Steek met een fijne naald met dun zwart garen door de kartonnen delen, steek dan door een klein zwart kraaltje en weer terug, door het karton, door een twee­de kraaltje en knoop de draad af. Als leidstaafje gebruik ik acrylglas. Dat is in veel schilder- en hobbywinkels verkrijgbaar. Het wordt gebruikt als onbreekbare vervanging van glas in voorzetramen en schilderijlijsten. Met een stanleymes kunt u het in reepjes snij­den, brand er met een hete naald een gaatje in en bevestig het op de bovenbeschreven manier aan de arm. De bedelaar en het paard worden aan lange smalle stokjes geplakt. Maarten kreeg van mij een mantel van rood zijdevloei. Het stuk dat hij afstaat aan de be­delaar is op een stukje acrylglas gelijmd. Tij­dens het spel voert u het mee, geklemd tus­sen uw vinger en het pootje dat u vasthoudt. Als het zwaard zijn werk heeft gedaan laat u de mantel langzaam zakken tot hij de bede­laar bedekt. De bedelaar met mantel gaat nu langzaam naar achteren af en Sint Maarten vervolgt zijn weg. De handelingen in een schimmenspel voltrekken zich traag; vertel het verhaal rustig en zing er af en toe een liedje tussen door. Bijvoorbeeld als Maarten de poort nadert.

Mijn schimmentheatertje heeft geen gordijn. Ik laat een doek, die tijdens het spel om de bovenkant van de kast gedrapeerd ligt, bij decorwisselingen eenvoudig voorover over het venster zakken. Mijn kinderen zijn nog klein, het is niet erg als ik zichtbaar blijf ach­ter de kast. Wanneer u een professioneler ge­heel wilt, kunt u een flinke poppenkast om­bouwen door het venster af te plakken met papier. Toneelgordijnen zijn op zo’n houten kast makkelijk te bevestigen. Aanwijzingen voor het spel kan ik u verder niet geven. Het verhaal is zo eenvoudig en kort, vertel het tij­dens het spel uit uw hoofd. Om te oefenen raad ik aan met het theater voor een spiegel te gaan zitten zodat u het spel zelf gade kunt slaan. Van belang is vooral dat de schimmen niet ongemerkt te ver van het scherm af komen te staan. Houd ze er goed tegen aan, dan zijn ze het duidelijkst zichtbaar.

st.maarten 7

st.maarten 6

st.maarten 8. jpg

(Nicole karrèr, Jonas nr.5, 01-11-1985)

HERFSTTRANSPARANT

Materiaal:

herfstbladeren
dun karton
transparantpapier
schaar
hobbylijm

Er zijn bomen die prachtig gevormde bla­deren hebben. Die nemen we tijdens onze herfstwandeling mee naar huis om ze te drogen.
In twee stukken dun karton knippen we twee gelijke gaten, bij voorbeeld in de vorm van een ovaal. De buitenkant kunnen we iedere gewenste vorm geven. Naarmate we de transparant groter willen maken, moet ook het karton steviger zijn zodat het niet krom trekt. Voor kinderen is een transpa­rant waar één herfstblad in past heel geschikt.
De binnenkanten van de twee stukken karton beplakken we met transparantpapier, waarna we één of meer gedroogde bladeren op het transparantpapier van één van de kartonnetjes met een beetje lijm aan de punten vastmaken. Als het blad op z’n plaats ligt plakken we het tweede karton­netje er met de transparantpapier-kant bovenop en bevestigen aan de bovenkant een draadje om de transparant te kunnen ophangen.

herfstknutsel 9

broodmannetjes, broodhoorntjes

Sinte marten fleugeltsje
drie, dra, dreugeltsje,
drie, dra, drokje
Sinte Marten, op ’t stokje.
Hier woont een rijke man,
die ons wel wat geven kan,
veel zal hij geven,
lang zal hij leven.
zalig zal hij sterven,
koninkrijk beërven.
Job* zal hem lonen
met honderdduizend kronen,
met honderdduizend lichtjes an,
daar komt Sinte Marten an.
Sint Martinus bisschop
loopt door alle landen,
dat wij hier met lichtjes lopen
is voor ons geen schande.

*zou dat niet ‘god’ moeten zijn?

SINTE  MARTEN OP EEN STOKSKE  en ST. MARTENHORENTJES.

Deze laatste herinneren ons er aan dat St.-Maarten ook de patroon is van het gehoornde vee.

Hier een recept voor het maken van brooddeeg:                                                       500 gr. bloem
30 gr   gist
250 cl melk
10 gr  zout
30 gr boter
10 gr suiker

Doe de bloem in een kom
maak een kuiltje voor de lauwe melk
kruimel daar gist in        
roer het voorzichtig door elkaar
voeg zout,  suiker en boter toe
kneed alles tot het zacht en soepel is

Laat het op een warme plaats ongeveer 15 min. rijzen.
Vorm een mannetje of een horentje en laat het daarna weer 15 min. rijzen.
Leg het in de oven, ongeveer 10 min. op stand 7.

De oogjes en de knoopjes zijn van krenten.
Het stokje kan je versieren met mooie herfstkleurige bladeren, de bolletjes maak je bijv. van kastanjes die je eerst doorboort.

Voor het maken van de horentjes ga je uit van een driehoekig stukje deeg, dat je oprolt zoals in de figuurtjes staat aangegeven.

St. maarten 8St. maarten 9

(bron onbekend)

Recepten voor het Sint-Maartenfeest

Ik heb wat recepten opgezocht met groenten erin die typisch bij het Sin-t Maartenfeest horen, nl. knollen, bieten, pompoenen.

Rode bietencoctail  (hier heeft u een sapcentrifuge voor nodig)

100 g. appelsap
50 g.   wortelsap
25 g.   bietnesap.

 Wortelsalade
2 winterwortelen
sap van een 1/2 citroen
sap van 1 sinaasappel
1 eetlepel honing
zonnebloempitten of wat hazelnoten
’n snufje zout

Wortelen: raspen, citroensap en sinaasappelsap en honing erbij doen, noten en het kruidenzout eroverheen doen

Ovenschotel van koolraapjes
1/2  kg geschilde en gesneden koolraap
3/4 kg  geschilde aardappelen
3 flinke tomaten
zout
boter
1/4  kg  gebraden schapenvlees in stukjes
wat vleesjus
paneermeel.

Kook koolraap en aardappelen met wat zout gaar.
Pureer de tomaten in de mixer en voeg er wat vleesjus bij.
Doe dit mengsel bij de koolraap en aardappelen.
Roer de blokjes vlees erdoor en maak het op smaak af.
Vul er een beboterde ovenschotel mee, strooi er paneermeel over en leg hier en daar een klontje boter.
Geef de schotel een bruin korstje in ongeveer 25 minuten in een vrij hete oven

Knolselderij met tomatensaus
4  kleine of 2 grote selderijknollen
1/4 l tomatensaus
fijn geknipte peterselie

Schil de selderijknol en snijd hem in blokjes.
Kook deze in weinig water met zout gaar in ca. 20 minuten
Maak op de gewone wijze tomatensaus en laat hierin de blokjes selderie nog 10 minuten stoven.
Meng er vlak voor het opdoen de fijngeknipte peterselie door

Gebakken knolselderij
2 flinke selderijknollen
bloem
water
paneermeel
zout
50 g boter

Snijd de selderijknollen in niet te dikke plakken, schil ze en was ze.
Kook de plakken bijna gaar in water met zout in ca. 20 minuten.
Neem de selderijplakken uit het water en laat ze goed uitlekken
Roer wat bloem met water aan tot een dik papje zonder klontjes.
Wentel hier de plakken selderij aan alle kanten doorheen en haal ze dan door het paneermeel.
Bak ze in de boter aan beide kanten mooi bruin en gaar.

Pompoentaart met fruit (recept voor 6 personen)
De pompoen is een eetbare kalebas die ten onrechte nog niet zo erg bekend is in onze streek. Hij groeit op de koude grond en is in deze tijd van het jaar verkrijgbaar. Kan gestoofd als groente worden gegeten maar ook in gebak worden verwerkt. De Amerikanen maken er, behalve de bekende “pumpkin-pie” ook de maskers en lampionnen van op “Haloween”, hun versie van ons Sint-Maartenfeest»

100 gram tarwemeel
50 gram boekweitmeel
1 kg. pompoen
4 peren en/of appels
een handvol rozijnen (avond tevoren in de week met wat zout)
snuifje kaneel
theelepel zout
enkele ontpitte en ontvelde pruimen (daar deze in dit jaargetijde niet meer te koop zijn heb ik zelf wat bramenjam erop gedaan)

Kook de pompoen gaar en zacht met de rozijnen en hun weekwater en meng
deze massa met het tarwe- en boekweitmeel.
Plet goed met een vork en doe er 
het zout en de kaneel bij.
Meng alles tot een deegachtige massa.
Smeer een 
vuurvaste schotel met boter of olie in
doe er het deeg in
bedek de 
bovenkant met stukjes appel, peer en pruim.
Bak in een hete oven.
Is warm of koud erg lekker.

Pompoen op Spaanse wijze
1 Pompoen
2 grote tomaten
40 g. boter
1 grote ui
paprika
zout
aroma
arrow-root (of aardappelmeel)

Snijd de tomaten in plakjes en bak ze met de gesnipperde ui en de paprika in de boter.
Snijd de geschilde pompoen in stukken van ca. 5 cm
Voeg ze met zout en aroma bij het tomatenmengsel en laat ze zachtjes gaar stoven.
Bind zo nodig het vocht met wat arrow-root (of aardappelmeel).

Natuurlijk zorgt u ervoor dat de tafel extra feestelijk gedekt is met het Sint- Maartenfeest. Lampions met kaarsjes.

Natuurlijk komt er ook een mooi herfststukje op tafel, zelfgemaakt door moeder of vader met de kinderen. Wat chrysanten, mooie bladeren, eikels, kastanjes en mos.

(nadere gegevens onbekend)
.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten voorbeelden van lichtjes

.

342-321

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. – Maarten (6)

.

HET FEEST VAN SINT-MAARTEN

Knollen en rommelpotten

Bij ons om de hoek woonde een notaris. Echt zo’n notabel, een man waar je als kind bang voor bent. Als we rovertje of verstoppertje speelden, slopen we stiekem door zijn tuin, met het gevoel van spanning dat half prettig en half beangstigend is.
Maar op elf novem­ber, met Sint-Maarten, deden we wat we an­ders nooit durfden. Met onze lampionnen beklommen we de statige trappen naar de enorme voordeur. Als we op onze tenen gingen staan konden we met gestrekte armen net bij de glimmende koperen bel. Aan het heldere, echorijke geklingel konden we ho­ren dat de hal achter de deur groot en ruim was. In spanning wachtten we af. Hoe zou de notaris reageren? Zou hij wel open doen? En dan zwaaide de deur open. De deur die voor ons altijd gesloten was en waarachter wij een wereld vermoedden die geheel anders was dan de onze. Díe deur ging open. Voor ons. Dan zongen we vlug het liedje van Sint-Maar­ten, terwijl we ons verscholen achter de rug­gen van hen die naar voren waren geduwd. Met bange ogen gluurden we naar die glim­lachende notaris, die zich na het zingen om­draaide en door de lange gang het dienstmeis­je riep en opdracht gaf ons snoep te geven. Met een opgelucht gevoel struikelden we de trappen weer af. In onze handen de buit.

Sint-Maarten is een oud feest. Misschien dat sommigen het beeld herkennen van de onbe­reikbare notaris, die op de avond van elf november zijn deur wijd open zwaait en luistert naar het zingen van een groepje kinderen. Het moet een wezenlijke ervaring geweest zijn voor kinderen: het feest van Sint-Maar­ten overbrugde even, op een donkere winde­rige novemberavond, de kloof tussen het kind en de volwassene, in dit geval een nota­ris.
Aanvankelijk was het een feest dat de kloof tussen arm en rijk overbrugde. De kinderen van de armen liepen met hun zelfgemaakte lampionnetjes langs de huizen van de welgestelden en kregen voedsel, dat een vaak noodzakelijke aanvulling was op het karige maal dat de armen zichzelf konden voorzet­ten. Al in de legende van Sint-Martinus, die leefde in de vierde eeuw na Christus, vind je dit element terug. Het bekende verhaal luidt:
‘Eens, op een koude winteravond, reed een troep Romeinse soldaten naar de stad Amiens. Zij reden in draf, want zij wilden voor het vallen van de nacht binnen de mu­ren van de stad zijn. Toen zij bij de stads­poort kwamen, trad een gestalte uit de don­kere schaduw tevoorschijn, een half naakte man in lompen gehuld en bevend van de kou.
Hij strekte zijn hand uit voor een aalmoes. Een van de ruiters, een jonge officier, hield zijn paard in. Hij wist dat hij geen geld bij zich had, maar de ellende van die verkleum­de bedelaar trof hem diep. Wat kon hij hem geven in plaats van geld? Ineens wist hij wat hij doen moest. Hij trok zijn zwaard, greep zijn warme ruime mantel vast die naar bin­nen toe rood was, sneed hem in tweeën en gaf de ene helft aan de bedelaar, zonder te letten op het spottend lachen van zijn kame­raden.
In de nacht daarop verscheen hem Christus in een droomgezicht, bekleed met het afgesneden stuk van zijn mantel, en Hij zei tot de engelen die met Hem waren: ‘Ziet, Martinus, die nog niet gedoopt is, heeft mij met een kleed omhuld’.
Tot Martinus sprak hij: ‘Wat je aan de bedelaar gedaan hebt, heb je aan Christus gedaan’.
Dit visioen maakte zo’n indruk op de jongeman, dat hij zich kort daarop liet dopen’.

Het ophalen van snoepgoed door de kinde­ren is een laatste echo van het schenken van de helft van de mantel aan de bedelaar.
Er is echter nog een belangrijk aspect van het Sint-Maartenfeest, zoals dat vanouds in aller­lei plaatsen wordt gevierd. Gebruikelijk is dat kinderen een knol (koolraap, biet, kale­bas, winterwortel) uithollen, er kleine ster­vormige vensters in uitsnijden en in het bin­nenste ervan een waxinelichtje zetten. Dat lichtje nemen ze die novemberavond met zich mee als ze door de duistere straten trek­ken.
In de legende van Sint-Martinus kun je de herkomst van dat lichtje niet vinden. Het lichtje verraadt dat het feest een oorsprong heeft die verder terug gaat dan de tijd van Sint-Maarten. De legende van Martinus is sa­mengegroeid met een feestelijk gebruik dat daarvoor al bestond. Om het voor-christelij­ke, waarschijnlijk Germaanse, element van Sint-Maarten terug te vinden, moet je het feest plaatsen tegen de achtergrond van de andere jaarfeesten en het verloop van de sei­zoenen.

In de novembermaand beleven we de overgang van de herfst naar de echte winter. Het stralende zonlicht is verdwenen. De dagen zijn korter, het weer is winderig en guur. In de zomermaanden leven we sterk in de zon­beschenen buitenwereld. We beleven de geu­ren, de kleuren en richten ons op de naar buiten tredende natuur. In de wintermaan­den trekken we ons terug in onze huizen. Vroeger was het de tijd in het jaar dat de ou­de verhalen en legenden werden verteld. Ook nu nog kun je merken dat in de winter de mens tot zichzelf komt, tot het eigen inner­lijk. Het herfstfeest van Michaël geeft de moed om innerlijk ‘sterk’ te zijn, terwijl je om je heen ziet hoe de zomerpracht nog een laatste maal in een uitbundige, herfstige kleu­renpracht zichtbaar wordt, voordat het voor­goed afsterft. Op het dieptepunt van de win­ter, als de dagen het kortst zijn, wordt het Kerstkind geboren, dat het beeld is van een beginnende eigenheid, van het opbloeien van de eerste Ik-kracht temidden van de donkere wereld. Sint-Maarten staat tussen het Michaëlfeest en Kerstfeest. Het kleine lichtje, vei­lig beschermd door de knol als symbool van de aarde, is een eerste voorverkondiging van het licht dat met Kerst wordt geboren. Vroeger hingen de boeren op elf november een uitgeholde knol met een kaarslichtje erin aan de staldeur, als teken dat het werk op het land klaar was. Het graan was binnen, de slacht gedaan en het winterkoren was gezaaid. Op elf november moest de boer klaar zijn met de aarde. Hij had de vruchten ervan ge­nomen (het uithollen van de knol); het licht­je in de knol wilde zeggen dat de tijd was aangebroken om in de donkere maanden het licht niet langer buiten je te zoeken, maar in het eigen innerlijk.

In voor-christelijke tijden moet men nog hebben waargenomen hoe het verdwijnen van het uiterlijke licht vroeg om een ontwa­ken van een licht in de eigen ziel. Pas in de Romeinse tijd is er het element van Sint-Mar­tinus bijgekomen, die de bedelaar deelgenoot maakt van zijn eigen welvaart.
Het huidige Sint-Maarten is vaak niet meer dan een karikatuur van wat je als oerbeeld ervan kunt vermoeden. In grote steden zoals Haarlem kun je jaarlijks zien hoe drommen kinderen van deur tot deur gaan met gekoch­te lampions en hun liedje afraffelen in ruil voor wat snoepgoed. Een kind, gevraagd naar de figuur van Sint-Maarten, antwoordde: ‘Hij was een man’. Toen hem gevraagd werd wat voor een man hij was, zei het kind: ‘Nou, ge­woon een man’. Feesten als Sinterklaas en Kerstfeest zijn gouden knooppunten gewor­den, niet van het geestelijke, maar van het economische leven. Dit lot dreigt ook Sint-Maarten. Lampionnen worden al geruime tijd ter beschikking gesteld door de feest-stimulerende industrie. Speciaal sintmaarten­snoepgoed kan al gekocht worden in plastic puntzakjes. Misschien dat er – als een soort voorproefje op Sinterklaas – ooit nog eens martinussen van chocolade verkrijgbaar zul­len zijn.

Hier en daar zie je pogingen om het Sint-Maartenfeest zo te vieren, dat de kinderen (en de ouderen) er weer iets in kunnen vinden dat dichter bij het oerbeeld staat. Op veel vrijescholen, maar ook in huisgezinnen, wordt gezocht naar vormen om het Sint-Maartenfeest op een nieuwe manier te bele­ven.

Ik ging naar de Vrije School Kennemerland in Haarlem om te vragen hoe daar het feest van Sint-Maarten wordt gevierd. Gerda Jan­maat en Irma Vonk wilden er graag over ver­tellen. Beiden zijn leerkrachten aan de school. De eerste als vakleerkracht, de tweede als leidster van een kleuterklas. Wat hieronder volgt is een samenvatting van een gesprek dat we hadden.
Voor alles willen deze twee leerkrachten dui­delijk maken dat het vieren van een jaarfeest, en dus ook Sint-Maarten, niet volgens een re­cept kan gebeuren. Waar het om gaat is dat ieder jaar opnieuw en wellicht voor iedere groep kinderen ook anders, gezocht moet worden naar een vorm. Het bewust zoeken naar een vorm is ieder jaar weer een toeleven naar het feest. Gerda en Irma willen dan ook wel vertellen hoe zij het feest vieren, maar hopen niet dat het wordt opgevat als een model. Zo’n model (zoals dat met Sinterklaas het geval is: altijd pakjes met rijmpjes) is een sta-in-de-weg voor een actief innerlijk toegroeien en beleven van het feest. De legende van Sint-Maarten wordt niet aan kleuters verteld. Een legende heeft altijd een historische oorsprong. Kinderen krijgen pas op latere leeftijd een historisch besef, zo­dat een legende niet geschikt is voor kleuters. Zij kunnen op een andere manier op het feest worden voorbereid. In het traditionele ge­bruik speelt de knol een belangrijke rol. Dat is een echte aardevrucht; het komt uit het binnenste van de aarde. Er zijn allerlei spel­letjes en verhalen voor kleuters die daarbij aansluiten, zoals bijvoorbeeld het volgende verhaal:
‘Moeder Aarde zegt als de zomer voorbij is:  ‘Wat is alles toch donker geworden. En wat is alles donker in mijzelf. Ik zie ner­gens licht.’ Moeder Aarde denkt erover na hoe ze voor licht zou kunnen zorgen en denkt dan aan de kabouters. Misschien kunnen zij een lichtje vinden.
De kabouters gaan op pad en horen onder­weg een sprookje dat hen op een idee brengt.
‘Een grootvader had een enorme knol in zijn tuin. Die knol groeide maar en groeide maar en werd steeds groter. Zo groot, dat hij maar niet uit de grond gehaald kon worden. Groot­vader haalde de dieren er bij. Misschien kon­den zij helpen. Maar geen van de dieren lukte het de knol uit de aarde los te werken. Tot de kleine muis kwam, die thuis is in alle hol­letjes en gangetjes van de aarde. Ineens sprong de knol eruit. Grootvader was zo blij, dat hij de knol uitholde en alle dieren wat gaf van het binnenste ervan. In de holle ruim­te zette hij een kaarslichtje. De glanzende bol plaatste hij voor het raam, zodat alle mensen konden zien dat de knol uiteindelijk uit de aarde was gekomen.’
De kabouters, die dit verhaal hebben gehoord, gaan op zoek naar een knol en brengen die naar Moeder Aarde. Zij doet er een lichtje in en zegt:’ Laat nu de winter maar komen. Laat het maar donker zijn. Wij hebben een lichtje.’
Aan de vooravond van Sint-Maarten maken de ouders een lantaarn voor hun kinderen. Terwijl de kleuters zich gereed maken om de ommegang te maken, staan de oudere kinde­ren op ze te wachten. Irma en Gerda vertellen dat dat voor hen een feestelijk moment is: te zien hoe de oudere kinderen kijken naar de kleineren, die helemaal vervuld van het lichtje dat ze dragen, naar buiten komen. Het is voor kleuters een heel feestelijk gebeu­ren. Kinderen kunnen er helemaal van ver­vuld zijn. Als ze met het lichtje lopen, lijkt het alsof ze helemaal in die glanzende knol kruipen, alsof ze er één mee geworden zijn. Zo’n ervaring blijft voor een heel leven be­waard. Het blijft een warm plekje dat een mens altijd met zich meedraagt. Tot en met de vijfde klas is het zingen van Sint-Maartensliederen natuurlijk een goede voorbereidigng op het feest. Er zijn een hele­boel liedjes, oude en nieuwe. Een voorbeeld van een oud lied is:
‘Rommelpotterij, rommelpotterij,
geef me een centje, dan ga ik voorbij.
Ik heb geen geld om een broodje te kopen,
daarom moet ik met mijn rommelpot lopen.
Rommelpotterij, rommelpotterij,
geef me een centje, dan ga ik voorbij’.
Een rommelpot is een opgeblazen varkens­blaas, waar een cent of een takje in werd ge­daan, zodat het rammelde. Het is net als de knol, iets dat met de aarde en het boerenbe­drijf samenhangt. Een varkensblaas blijft over als de slachttijd voorbij is in november. Dit liedje knoopt aan bij het Romeinse ele­ment van het feest: de overbrugging van arm en rijk. Een ander liedje, dat nog niet zo oud is en uit het Duits is vertaald, vertelt over het licht dat bij het feest hoort. Alhoewel het lied jonger is dan het vorige, spreekt er iets in, dat op zich ouder is en stamt uit de tijd dat de mensen de samenhang met de kosmos nog intensief beleefden.
‘Ik wandel met mijn lantaren.
Lantaren wandelt met mij.
Daarboven stralen de sterren.
Beneden stralen wij.
Mijn licht is uit.
Ik ga naar huis.
Labimmel labammel la bom’.
Als kinderen ouder worden, staan ze heel an­ders tegenover het feest van Sint- Maarten dan de jongere kinderen. Zij geven zich niet meer zo onvoorwaardelijk over aan het feest als de kleuters. Dat is ook juist. Dat hoort bij hun leeftijd. Voor hen kun je dan de figuur van Sint-Maarten meer vanuit een historisch oogpunt behandelen. Je kunt vertellen wie hij was, wat hij gedaan heeft, wanneer hij leefde, enzovoort. Zo kunnen de kinderen er vanuit hun leeftijdsfase een verbinding mee krijgen.
Oudere kinderen kunnen het heel fijn vinden om met Sint-Maarten de jongeren te helpen. Ze kunnen lantarens maken, appels (in plaats van snoep) meenemen en – zoals hier en daar gebeurt – een sintmaartenspel opvoeren.
Kleuters ‘ondergaan’ het feest, gaan er geheel in op. Oudere kinderen willen graag een actievere rol spelen. De hulpvaardigheid past dan goed bij Sint-Maarten.Het volgende verhaal van een ouder is teke­nend voor hoe oudere kinderen, zo aan het begin van de puberteitswoelingen, een vie­ring van een jaarfeest kunnen beleven.
De dochter was dan toch meegegaan om sintmaartensliedjes te zingen. Een grote kring stond onder de donkere avondhemel. Ze stond naast haar vader, die uit volle borst meezong. Plots zei ze, zich wendend naar haar vader die haar lichtelijk verbaasd en iet­wat geamuseerd aanhoorde: ‘Pap, je moet niet zo hard zingen. Je zingt het hardst. Zelfs nog harder dan meester’.

Even later stond het meisje een flink eind bij haar vader van­daan.

Irma en Gerda vinden dat je voor dit soort ‘problemen’ al helemaal geen pasklare oplos­singen kunt aanbieden. Het vieren van jaar­feesten is iets heel individueels, wat sterker wordt naarmate de kinderen ouder zijn.
Op de Vrije School Kennemerland blijkt het ieder jaar weer een spannend avontuur te zijn. De gehele groep leerkrachten staat en­thousiast achter de viering van de jaarfeesten. In de pedagogische vergadering wordt er ie­der jaar voorbereidend over gesproken. Ook ouders werken wel mee. Het Michaëlfeest is dit jaar geheel door ouders georganiseerd. De leerkrachten zijn daar blij mee. Niet alleen omdat daardoor een stuk werk uit handen wordt genomen. Meer omdat daardoor een jaarfeest iets wordt van leerkrachten, kinde­ren én ouders.
Jaarfeesten geven in een sociale samenhang, of dat nu een school, een instituut, een kan­toor of een gezin is, een ritme, waardoor je je bewust kunt worden van de door het jaar steeds wisselende verhouding tussen het in­nerlijke leven, en het leven in de natuur met de seizoenen.
 (Jelle v.d. Meulen, Jonas nr. 5, 31-10-1980)

.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten voorbeelden van lichtjes

.

341-320

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Maarten (7)

.

TUSSEN MAARTEN EN NICOLAAS

of de geschiedenis van de vrijgevigheid

Langzaam, want het is een mooie herfst, langzaam verdwijnen ook de mooiste blaadjes van de bomen. De grond raakt bedekt met blaadjes, takjes en modder. Regen klettert zo nu en dan snel en overvloedig neer. Met hagel net zo.
O, nu wordt het ook de tijd, dat de Schorpioen aan de hemel zijn lage staart met de giftige angel zwaait. Ook zijn er dan op aarde venijnige mensen met venijnige opmerkingen. Kortom, steeds meer duisternis, steeds minder licht, zowel binnen als buiten. Binnen ook? Ja zeker, maar daarin zit juist het verschil. Aan dat seizoen en het weer valt niets te veranderen. Maar aan de mensen wel. Ja, die wel.
Juist in deze tijd vallen de feesten van de twee grote Gevers of Schenkers: Martinus, bisschop van Tours en Nikolaas, bisschop van Myra.
Voor ons gevoel overtreft Sint-Nikolaas met zijn vele geschenken en zijn geloofskracht, waardoor hij de drie ingezouten knaapjes weer tot leven wekte – toegegeven, een heel sterk verhaal – de eerstgenoemde verre. Toch werd dat in de Middeleeuwen niet zo gevoeld.

Het verhaal van Sint-Maarten is in het geheel niet zon sterk verhaal. We zouden geneigd zijn het niet zo bijzonder te vinden: u weet wel, dat bekende verhaal met die bedelaar. Een gewone, traditioneel goede daad. Toch wekte die daad in de vierde eeuw na Christus’ geboorte veel verbazing. Het Romeinse rijk was wel op zijn retour, maar er was nog veel overgebleven van de oude, Romeinse houding tegenover bedelaars. Men had niets op met bedelaars. Vrijgevigheid, zeker, dat kende men in Rome zeer goed.
Maar de echte Romein was alleen vrijgevig tegenover zijn goede vrienden, die het minstens even goed hadden als hijzelf. Maarten was van goede familie en hij had de bedelaar dus in het geheel niet hoeven opmerken. Maar hij deed het wel. Want hij had zich al jaren daarvoor als hospitant aangemeld bij de gelovige sekte der Christenen. Hij was nog niet aangenomen als lidmaat. En toch gaf hij iets. De bedelaar was inderdaad deer­niswekkend. Soms wordt hij zelfs als invalide afgebeeld. Met gezondheidszorg, al of niet met eigen risico, hield men zich in de vierde eeuw niet op. Maar Maarten gaf iets, aan een onbekende. Maarten zelf was niet in goede doen. We moeten ons voorstellen, dat die zware, brede soldatenmantel, die hem diende tot dekking, tot deken, zelfs tot matras, bovendien zeer zwaar, dichtgeweven en duur was, voor hem een heel kostbare en onmisbare zaak mocht heten.
Toch sneed hij de dure mantel  middendoor en hij gaf één helft aan de bedelaar die zijn broodmagere karkas er geheel en al kon inwikkelen.
Maarten was, of werd een van de eerste echte heiligen. Zijn daad had een geweldige invloed. In de Middeleeuwen was de bedelaar géén verachte figuur. Hij boezemde eerbied in, want hij kon misschien de Christus zijn. Vele monniken trokken bedelend rond en gaven een goed woord, een wijze raad, of een gebed aan hun weldoener. Geven was zaliger dan ontvangen. Het is merkwaardig, hoe bij het begin van de nieuwe tijd (begin vijftiende eeuw) het warme gevoel voor de bedelaar af­nam en na de Hervorming (begin 16e eeuw) bleek dat pas goed. Het Calvinistisch geworden Nederland droeg de bedelaar geen warm hart toe. Want succes in zaken werd al spoedig gezien als een beloning des hemels voor een godvruchtig leven. Een bedelaar moest dus eigenlijk wel een zondaar zijn. Daardoor bleek, dat in het economisch proces het geld eigen­lijk niet “gekerstend” kon worden. Bedelarij werd strafbaar gesteld.
Later kwam de gulheid een beetje terug als z.g. liefdadigheid, die met veel vertoon door nette dames werd bedreven.
Terug naar Sint-Maarten. De Nederlanders van de Middeleeuwen hebben veel respect voor hem gehad. Belangrijke domkerken en kerken (o.a. Utrecht, Groningen, Arnhem) zijn naar hem genoemd. We kunnen van Maarten en Nikolaas veel leren: de bedelaar moet misschien meer innerlijk opgevat worden. Zouden er geen bedelaars om geest kunnen zijn?

Onlangs bracht op een vergadering van de Vereniging voor Vrije Opvoedkunst een oudere lerares de geschiedenis van haar school ten gehore. Zij vertelde o.a. dat de school ineens van een dame een heel, compleet gebouw kreeg.  Er zijn geen rijke mensen meer,” verzuchtte de oud-collega.

Inderdaad, er zijn nog wel rijken, maar het is de vraag of dat nog wel echte mensen zijn, dacht ik.

Nu, we wensen u goede dagen met de grote Gevers toe!

(P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens ontbreken)

 

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten voorbeelden van lichtjes \

.

340-319

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Maarten (8)

.

DE MANTEL VAN MAARTEN

Op een kille novemberavond rijdt Martinus, een jong soldaat, te paard in de richting van de stad. ’t Is koud en de wind waait net hard genoeg om de verkleurde bladeren, die hier en daar nog in de bomen hangen, los te schudden en op de grond te doen belanden. Martinus heeft geen hinder van de kou, hij is goed beschermd door zijn prachtige, wijde warme rode mantel, stevig toegegespt rond zijn hals. Bij de poort van de stad aangekomen, ontwaart hij onder een zware eik een bedelaar, die smekend zijn tot op het bot verkleumde hand naar hem uitstrekt. Martinus houdt even zijn paard in, wil dan weer doorrijden, doch stopt opeens, pakt zijn zwaard, rukt zich de mantel van de schouders en, als gedreven door een onbekende kracht, slaat met een krachtige houw van z’n zwaard zijn prach­tige rode mantel in twee helften en geeft een helft aan de bedelaar. Deze slaat, vol dankbaarheid naar hem
op­ziend, het stuk mantel om z’n smalle verkleumde schou­ders. Martinus rijdt door en zoekt een slaapplaats in de stad. Die nacht, in diepe slaap na een vermoeiende tocht, heeft Martinus een droom, een visioen en hij ziet Christus voor zich staan met de helft van de warme rode mantel om de schouders.

Dit is de legende van St.-Martinus en zijn mantel. Wat is eigenlijk de betekenis van de mantel? Waarom zou deze bijv. rood kunnen zijn. Zou het zijn, omdat rood de kleur is van de liefde, de warme genegenheid? De rode mantel om de schouders van Martinus zorgt voor warmte; de rode mantel omhult dan als ’t ware de innerlijke warmte. Martinus wordt daarin het symbool voor de drager van de innerlijke warmte, die hij met een ander deelt. Martinus is dan het symbool voor ons betere Ik, als hij zomaar iets van zichzelf, een stuk van zijn mantel, weg­geeft. Die bedelaar deelt mee in de warmte, die Martinus dan uitstraalt.

Rood, als kleur van warmte, vinden we ook terug in de eerste en de laatste zonnestralen van een heldere dag in deze novembermaand. Deze rode zonnestralen omhullen, om-mantel-en als ’t ware de dag, het daglicht, de warmte. Dit licht en deze warmte hebben we nodig om te kunnen leven, om te overleven in tijden van kou en duisternis. Planten- en dierenrijk hebben hun best gedaan om in de een of andere vorm zonnewarmte op te slaan en zo goed mogelijk beschermd, omhuld, te bewaren. Zou het dan ook toeval kunnen zijn dat we, het verhaal van Maarten lezende, daarin het woord ‘cappa’ tegenko­men, zijnde het Romeinse woord voor ‘mantel’ en we een vrijwel identiek woord in het Keltisch tegenkomen nl. cap, zijnde een vertaling voor het woord……. .kool?

Hieraan denk ik, als ik onze volkstuin bezoek en gewa­pend met hark en schoffel de balans opmaak van een ge­brek aan tuinierervaring, dat je nu eenmaal hebt als je begint met zo’n tuin: naar schatting 21 koolrapen, de één nog groter dan de ander, met hier en daar planten als bomen zo hoog, doch helaas zonder knol eronder. Maar die er zijn, zijn een bewijs voor een veelheid aan opgespaard zonlicht en warmte, veilig opgeborgen onder de geelgroene schil. Wat doen we ermee? In de tijd van verinnerlijking, als we allemaal de mantel nog eens ste­vig om de schouders slaan, om warm te blijven, zoeken we ruimte om ons eigen innerlijke licht, onze innerlijke warmte te doen ontwikkelen en te koesteren, opdat we als het moment daar is, met een ander kunnen delen. Waar anders kunnen we dat beter doen dan in een koolraap, waarvan de schil zelf al dienst doet als mantel, als om­hulsel voor opgespaarde warmte. We halen het zonlicht er uit, door hem uit te hollen en stoppen ons lichtje erin. Bij het uithollen hebben we er rekening mee ge­houden, dat het licht door de schil heen naar buiten kan stralen, zodat anderen ons kunnen zien en er van mee genieten. We zijn als t ware een lichtend voorbeeld. Daarom lopen we er, al zingende, mee rond en kloppen op iedere deur.

Wat zien we in dit alles? Met de dood van de Michaëlsdraak komt er een eind aan het uiterlijke licht en leeft de Maarten in ons op. Voor ons staat dan de mens, die steeds opnieuw een stap verder komt, ditmaal door een stuk van z’n innerlijke warmte, z’n liefde, z’n hoop weg te schenken aan z’n naaste, z’n medemens. Daar heeft hij zijn mantel graag voor over.

(Koos Dijkstra, nadere gegevens onbekend)
.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten voorbeelden van lichtjes 

VRIJESCHOOL in beeld: St.-Maarten
bordtekeningen, transparanten

.

339-318

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Maarten (9)

.
SINT-MAARTEN

Sinte Maarten heeft een koe.
Die moet naar de slager toe.

Is-ie vet of mager,
Hij moet naar de slager’.  (St.-Maartensliedje)

De koe is ons lichaam en de slager is de dood.
Maar wie is Sint-Maarten?
Er zijn vier hoogtijden in het jaar: Kerstmis, Pasen, Sint-Jan en Sint-Michiel. Pasen heeft een voorbereidingstijd van 40 dagen. De kerk van Rome laat de advent, de voorbereiding op Jezus’ geboorte, beginnen op de vierde zondag vóór Kerstmis. Oorspronkelijk duur­de deze voorbereiding echter eveneens 40 da­gen. Als men vanaf 21 december, de midwin­ter-zonnewende, 40 dagen terugtelt, dan komt men op de 11e november, de feestdag van Sint-Maarten. De datum van 25 decem­ber was de feestdag van Mithras. De Mithradienst was in de eerste eeuwen na Christus de grootste mededingster in de strijd om de macht.

Sint-Maarten werd reeds sedert de 5e eeuw vereerd. Hij was zelfs de eerste heilige voor wie de katholieke kerk een openbare cultus heeft ingesteld. Wat wij van Sint- Maarten weten is, dat hij leefde van ca. 316 tot ca. 400, en dat hij bisschop was van Tours in het rijk der Franken. Zijn vader was officier in het Romeinse leger. Zijn zoon noemde hij Martinus, d.i. toegewijd-aan-Mars, de krijgs­god. Martinus werd dan ook voor de krijgs­dienst opgevoed. Maar reeds als jongeling leg­de hij de aardse wapens neer en verkoos de geestelijke stand. Het moment van zijn bekering wordt verhaald in de volgende legende:
‘Het was in de zeer strenge winter van het jaar 332, toen Martinus, 16 jaar oud, nog sol­daat, maar wel catechumeen (d.w.z. leerling in het christelijk geloof, maar nog niet ge­doopt), een naakte en van kou bijna bevro­ren bedelaar ontmoette bij een der poorten van Amiens. Terstond trekt hij zijn zwaard, snijdt zijn krijgsmantel in tweeën en geeft aan de bedelaar, die in Christus’ naam om een aalmoes vraagt, de ene helft. Hij bedekt zichzelf zo goed mogelijk met de andere. Diezelfde nacht zag hij in z’n slaap Christus, bekleed met de ene mantelhelft, die hij aan de bedelaar had gegeven. Christus sprak: ‘Ziet, Martinus, hoewel nog catechumeen, heeft mij met dit kleed bekleed’.

De verering van Sint-Maarten verbreidde zich vooral in het hele Frankenland, maar ook in Zwaben en in de Nederlanden tot in Gronin­gen en Friesland toe. Friesland heeft min­stens 20 kerken aan hem gewijd, (o.a. in Bolsward, Dokkum, Franeker en Sneek).  Hij is de patroon van het bisdom Utrecht. Zijn beeltenis stond op het oude stadswapen en op de bisschoppelijke banieren. Zowel de grote verering als ook de oude volksgebrui­ken en volksrijmen op Sint-Martijn zijn der­mate uitgebreid en talrijk, dat men moeilijk kan aannemen, dat Sint-Maarten geen verchristelijking is van een oeroud Germaans feest. Het meest karakteristieke van de oude maartensgebruiken is het uithollen van een koolraap, een suikerbiet of een hoornse wor­tel. Hierin wordt een brandende kaars of lichtje geplaatst en daarmee wordt, onder het zingen van vele liederen, ’s avonds een ommegang gehouden.

Oppervlakkig beschouwd is dit gebruik moei­lijk in verband te brengen met de legende. Maar evenals de sprookjes bevatten de legen­den veel beelden en symbolen. Wanneer men de St.-Maartenslegende goed beschouwt, komt er toch meer samenhang in de beelden, die de spirituele achtergond van dit feest dui­delijk maken.

Nieuwjaarsdag, 1 januari, is eigenlijk alleen maar het begin van een nieuwe telling. Bij de Romeinen ving het jaar aan op 1 maart. Bij de Germanen bij het begin van de Joeltijd, half november. De katholieke kerk begint het jaar met advent. De kalender en de klok geven echter niet de werkelijke tijd. Het wer­kelijke feestjaar, dat wij weer innerlijk willen gaan beleven, begint met de voorbereiding voor het kerstfeest.

Het koren is geoogst. De slacht heeft plaats gehad. De natuur sterft af. De winter nadert zichtbaar en voelbaar. Met de strijd tussen onszelf en onze mislukkingen, tussen ons eeuwige, hogere wezen en de dood, tussen Michaël en de draak is het oude feestjaar af­gesloten. De strijd wordt beëindigd met de overwinning behaald door ons Zelf, de oogst van het leven. Wel duurt de strijd tussen het uiterlijk christendom, dat naar overheersing streeft, en het innerlijk ontmoeten van de Christus in medeleven en medelijden en in schenkende liefde nog voort. Doch met Kerstmis wordt de nadruk gelegd op de ver­innerlijking van onze ziel, waarin Christus steeds opnieuw geboren moet worden. Met het zwaard doodde Sint-Michiel de draak, met het zwaard hakte Sint-Maarten zijn krijgsmantel in tweeën. De uiterlijke strijd verruilt hij voor innerlijk gebed. De mantel van de tijd splitst hij in verleden en toekomst. Het snijdende zwaard is het flit­sende ogenblik: het heden. De ene tijdshelft, het verleden, blijft voor onszelf. Dat is alles wat wij in onze ziel hebben geschre­ven, alles wat wij op ons zielenconto hebben staan. De toekomst, al wat wij in het ‘nieu­we jaar’ te verwachten hebben, al wat wij met hoop en vertrouwen tegemoet gaan, dat is de andere helft. Die schenken wij weg aan onze plicht tegenover onszelf en onze mede­mens, de bedelaar, onze naaste. Sint-Maarten is dus een symbool voor ons betere Ik, ons eigen Zelf. Het zwaard is het heden, dat in onze eigen hand is gelegd, waarin wij Zelf kunnen handelen en werken: het eeuwige ogenblik. Het heden in de tijd, het vergankelijke ogenblik, slaat de mens in boeien: ‘Bij de volgende toon is het 14 uur, 59 minuten en 50 seconden. Ting!’ Voor de mens is het noodzakelijk om uit dit ogenblik te kunnen uitkijken en uitleven in het eeuwige, dat verleden, heden en toe­komst omvat.
Goethe laat Faust tegen Mefistofeles zeggen:

‘Werd’ ich zum Augenblicke sagen: Verweile doch! Du bist so schön! Dann magst du mich in Fesseln schlagen, Dann will’ ich gern zu Grunde gehn!’

(Zou ik tot het ogenblik ooit zeggen: O blijf toch hier! Jij bent zo mooi! Dan mag je mij in boeien leggen, Dan wil ik graag te gronde gaan!)

Dat wil zeggen: kon ik genoegen nemen met een leven in het ogenblik alleen, dan zou dat betekenen, dat ik door de duivel van het alleen-maar-zintuiglijk bestaan geboeid was en tegelijk met de vergankelijke stof en de eindigende tijd de dood zou sterven.
Steiner noemt dit diepzinnige woord van Goethe ‘een gebedsstemming’, waar Faust om smeekt, om uit de boeien van zijn metgezel Mefistofeles los te komen.
Aan de ene kant brengt deze gebedsstem­ming ons tot een beschouwing van ons nauw begrensde, lagere ‘ik’, dat vanuit het verleden naar de toekomst heeft gewerkt. Als wij dat goed bekijken, dan zien wij duidelijk, dat we veel te kort zijn geschoten, dat er veel dingen zijn, waar we spijt van hebben, waarover we ons schamen. Maar dat toont ons juist, dat er oneindig veel meer in ons is dan wij hebben benut. Dat laat ons zien, dat er iets in ons is, dat ontevreden is als het ons begrensde ‘ikje’ beschouwt en dat een oordeel heeft over onze daden. Aan de andere kant laat deze beschouwing, als wij naar de toekomst kij­ken, ons duidelijk worden, dat er in onszelf nog oneindig veel meer uit de onbekende schoot van de toekomst kan binnenstromen dan dit ‘ikje’ tot nu toe, in dit ogenblik, heeft kunnen pakken. Dit voert ons tot ge­bed. Een Sint-Maartensgebed. Dit gebed is tweeledig. Uit het verleden leren wij: Er is meer in ons, dan wij tot stand hebben ge­bracht: o, laat dat in ons zijn. Laat dat ons vervullen met zijn tegenwoordigheid. Dat wat het lot ons in de toekomst brengen zal, zenden? wij het gebed tegemoet: Wijsheid der wereld, gij bestuurt wat allemaal op ons af­komt. Laat vrees en angst onze ontwikkeling niet afremmen. Laat ons vol vertrouwen en overgave tegemoet zien wat in onze ziel gaat binnenstromen. Dan komen wij steeds een stap verder.

De mystiek van een Meester Eckhart (1260-1327), een Johannes Tauler (1300-1361), een Angelus Silesius enz., de z.g. Duitse mys­tiek, was de eerste vorm van innerlijke ont­wikkeling die in de volkstaal werd overge­bracht en op de leken, het volk, grote in­vloed kreeg. Ook Geert Groote (1340-1383) mag men hiertoe rekenen. In deze mystiek gaat het om het beleven van de wezenlijke eenheid van de mens met God. Diep in de menselijke ziel woont een wereld op zich, een eeuwige, goddelijke wereld, die er altijd aanwezig is, maar die, zoals de sterren door het zonlicht, onzichtbaar wordt gemaakt door de uiterlijke, verblindende wereld van alledag. Dit noemden deze mystici ‘het vonkje (scintilla) of ‘het inwendige licht’. Door inkeer in zichzelf, door zich af te wenden van alle uiterlijkheid, door ‘gebed’, trachtte men God in de ziel geboren te laten worden. Men meende, dat dit ‘vonkje’ vanzelf, zoals het was, moest groeien.
Wij, mensen uit dit tijdperk van bewustzijn, wij beginnen te we­ten, dat wij dit vonkje, dit innerlijke licht moeten ontwikkelen door eigen zielenkracht en het moeten uitdragen in de we­reld buiten ons. Dit vonkje trachten wij brandend te houden binnenin onze uitgehol­de biet, terwijl wij het ronddragen, straat in, straat uit, van huis tot huis. Zingend.
Bid­dend, want je kunt ook zingend bidden. Dat weten de monniken nog. De voorbereiding op het midwinterfeest, de winterzonnewende, het feest van de geboor­te van het Christuslicht in ons en in de aard­se wereld begint met Sint- Maarten. Van oudsher hoort bij iedere voorbereiding voor een zondag of een feestdag een ommegang. De zondagsmis werd (of wordt?) voorafge­gaan door een processie, een rondgang door de kerk of de kloostergang. Als gebrekkig overblijfsel van de eerste lente-ommegang, later de vastenprocessie, hebben we nog in sommige streken het rondgaan met de foekepot of rommelpot. Als laatste rest van de nieuwjaarsommegang: het lopen met Sint-Maartenslichtjes. Natuurlijk alleen maar door de kinderen, want de volwassenen doen niet meer zo gek… Nee, ze zijn niet meer in staat om zó een nieuw Nieuwjaar te vieren. Laten wij proberen het weer te leren. Laten wij trachten zo zingend te bidden:

‘Hier (in mij) woont een Rijke Man,
die mij heel veel geven kan.
Lang zal Hij (in mij) leven,
veel zal Hij mij geven.
Zalig zal Hij sterven,
de hemel zal Hij erven.
God zal Hem lonen
met honderd-duizend Kronen,
met honderd-duizend Lichten an…
Hier komt ‘Sinte-Maarten’ an.’

(Henk Sweers, Jonas nr. 5, 05-11-1976)
.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten voorbeelden van lichtjes 

VRIJESCHOOL in beeld: St.-Maarten
bordtekeningen, transparanten

.
338-317

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (10)

.

SINT-MAARTEN EN SINT-NICOLAAS

Een kledderige, natte novemberdag, de goudkleurige bladeren zijn van de bomen geschud en tot een glibberig laagje op de grond geworden, klaar om hun waarde geheel aan de aarde af te geven. De kinderen komen uit school en op weg naar de kapstok komen natte jassen en tassen al op de grond terecht om zo snel mo­gelijk een plekje aan tafel te vinden voor de “gezellige”, “knusse”, “warme” thee met vooral “iets” lekkers. Geen taal kent zulke duidelijke sfeerwoorden voor dit herfstige moment na school dan het Nederlands. Schoolverhalen worden uitgewisseld en dan hoor ik de opmerking: “Eigenlijk vind ik de feesten die nu komen niet zo leuk, je lijkt er zo hebberig van”.

In eerste instantie komt er een soort triomfgevoel in mij op, omdat een kind zo haarscherp aangeeft dat onze door economische belangen gedreven cultuur de feesten van Sint-Maarten en vooral Sinterklaas zo sterk tot feesten van “bezit en krijgen” hebben gemaakt.
Tegenwoordig schettert zelfs Kerstmis ons vanuit winkeletalages zijn glamour- en glitterhebzucht tegemoet. Het triomfge­voel verandert snel in een bezorgd gevoel. Hoe kan je in deze tijd de feesten zo vieren, dat de diepe betekenis als bagage in de levensrugzak van onze kin­deren terecht komt, zodat ze later opgewassen zullen zijn tegen de al maar toenemende vloedgolf van uiterlijk vertoon, die mede bepaald wordt door een goedgevulde portemonnee.

Als eerste van de twee feesten van de in rode mantel gehulde bisschoppen vieren we het feest van Sint-Maarten. Elf november is de sterfdag van Martinus, de bisschop van Tours. De legende vertelt, dat hij als jong Romeins officier op een koude winteravond met zijn troep ruiters naar de stad Amiens kwam om bin­nen de veilige muren van de stad de nacht door te brengen. Bij de stadspoort zat een in weinig lompen gehulde bedelaar, die om een aalmoes vroeg. Ondanks het gehoon van zijn vrienden, hield Martinus zijn paard in en omdat hij niets had om de man te geven, sneed hij met zijn zwaard zijn rode mantel doormidden en gaf een deel aan de bedelaar. Die nacht verscheen in een droom Christus aan hem. Hij draagt het afgesneden deel van de mantel en spreekt tegen de engelen, die om Hem heen zijn: “Ziet, Martinus, die nog niet gedoopt is, heeft mij met zijn kleed omhuld.”

Dit visioen maakt zo’n indruk op Martinus dat hij zich laat dopen en als
klui­zenaar gaat leven. In het laatste deel van zijn leven wordt hij geroepen tot Bisschop van Tours.
Martinus heeft in het duister aan de poort van de stad zodanig gehandeld, dat hij later heeft kunnen kijken door de poort van de wereld van het niet-zichtbare, de wereld die voor kleine kinderen nog zo vanzelfsprekend hemel heet en stralend van licht is. Deze belevenis van licht in de duisternis kleurt al het handelen van Martinus in zijn verdere leven.

Op het feest van Sint-Maarten lopen de kinderen met hun zelfgemaakte lichtjes langs de deur. Knollen en wortels, die in de duisternis van de aarde zijn ge­groeid, worden hiervoor uitgehold en in het buitenste laagje van de wand worden zon, maan en sterren, de lichtdragers aan de hemel, uitgesneden.
’s Avonds brandt in iedere lampion een helder kwetsbaar kaarslichtje. Ieder kind dat “bedelt”, al zal dat niet meer als armoedzaaier of verstotene zijn, geeft de “rijkman” bij wie hij aanbelt de gelegenheid zich als Martinus te voelen. Het lampje symboliseert het “hemellicht” dat de goede gever zal waarnemen bij ieder ge­schenk uit zijn hart.

Als de leerlingen uit de hogere klassen er zelf voor kiezen om met hun lampjes naar bijv. een bejaardenhuis of huis voor minder valide mensen te gaan, zie je dat de kracht van het schenken het wint van het ontvangen, zelfs als de volgende morgen blijkt hoe moeilijk het is al het lekkers eerlijk te verdelen! Zo is het lichtje van Sint- Maarten ook een voorbode van het eerste kaarsje dat zal branden in de adventtijd.

Juist in de adventtijd komt ook Sint-Nikolaas aan in ons land, bijgestaan door zijn zwarte knecht. Ook zij laten zien dat licht en duister, leven en dood,
vro­lijkheid en ernst altijd samen gaan. Er is weinig bekend over de bisschop van Myra, die op zijn geboortedag aan de arme kinderen voedsel en geschenken bracht. In de oude Nicolaaslegenden uit Rusland zorgt Nicola de Barmhartige, meestal in de gedaante van een oude zwerver, dat de zelfzuchtige mens een spie­gel voorgehouden krijgt en dat de ontmoeting met Nicola een ommekeer in zijn leven veroorzaakt. Hebzucht en rijkdom maken plaats voor het offer.

In de geest van Nicola geven wij elkaar op 5 december heimelijk geschenken, vergezeld van een gedicht of surprise, waarin we elkaar een persoonlijke
spie­gel kunnen voorhouden. Niet in de laatste plaats tonen we daarmee ook onze dank­baarheid elkaar te kennen.

Met hele kleine kinderen, die nog “in Sinterklaas geloven”, kunnen we samen in het donker op pad gaan, om geschenken op de stoep te leggen bij bekenden, aan­bellen en dan hard weghollen.Want niets is heerlijker dan voor zwarte piet spelen en net als Sinterklaas bij anderen geschenken te brengen. En op de dag dat de kinderen uit school komen met de opmerking: “Ze zeggen dat Sint niet be­staat en dat het een gewone man is”, kan ik altijd met een gerust geweten zeg­gen: “Sinterklaas bestaat wel, in de hemel, niet meer bij ons op aarde, alle ge­wone mensen zorgen ervoor dat de geschenken van Sinterklaas geschonken worden”
………………En op 5 december is die oude wijze roodommantelde Sinterklaas onmiddellijk, nog jaren, zelfs voor altijd Sint-Nicolaas!!

(Annemieke Zwart, nadere gegevens onbekend)

.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten              voorbeelden van lichtjes

 

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

337-316

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.