Tagarchief: gerst

VRIJESCHOOL – Heb je straks een 4e klas?

.

AARDRIJKSKUNDE 4e KLAS

In de vrijeschoolpedagogie speelt de leeftijdsovergang van vóór het 9e naar na het 9e levensjaar een belangrijke rol. Grofweg kun je zeggen dat ervoor, de kinderen vrijwel allemaal nog een groot fantasieleven hebben, waarin het niet vreemd is, dat bv. planten en/of dieren met elkaar spreken.

Op zeker ogenblik komt in hen het ‘weten’ op dat dit niet kan. Er ontstaat een bepaalde afstand tot de wereld.

Het is niet eenvoudig te beschrijven, maar aan de blik van het kind zie je dat er iets in hem of haar is veranderd. Na het 9e /10e jaar is de blik meer vorsend, onderzoekend; er straalt wat meer persoonlijkheid doorheen.

Als je er goed op let, merk je dat dit gepaard gaat met een andere houding tegenover de volwassene: afwachtender, bv. meer vorsend, monsterend.

Ik droeg zelden een stropdas. Nooit had een kind daarover iets gezegd – het werd simpelweg niet opgemerkt.

Maar op een dag in de 4e klas – zij was 10 – stond er een leerlinge voor me om iets te vragen. Vóór ze haar vraag stelde, keek ze aandachtig naar mijn kleren en zei: ‘U draagt nooit een stropdas, hè.’

Aan deze veranderende houding t.o.v. de wereld kwam Steiner tegemoet door op deze leeftijd de zaakvakken te introduceren, waaronder aardrijkskunde.

Zodanig dat aan de behoefte om de wereld objectiever te bekijken tegemoet wordt gekomen. Dat betekent vooral weer, zo over de omgeving vertellen dat deze voor de kinderen tot leven komt. Dat betekent, dat deze de kinderen iets moet zeggen – nu niet als een ‘bezield wezen’, maar vanuit dit ‘iets’ zelf.

Concreet: waarom heet de straat waarin je woont ‘Bleekveld’ of ‘Schapenmarkt’. Hier doet geschiedenis even mee. Maar ook ‘Papaverstraat’ of ‘Gruttolaan’ vragen om een antwoord.
Waarom  ‘Groningen’ of ‘Hoogmade’.
Aan Steiners gezichtspunt: de kinderen niet vervreemden van het leven – hier hun omgeving – maar juist dieper verbinden, meer interesse wekken voor de omgeving, kan een ruime invulling worden gegeven.

Hoogstwaarschijnlijk is er in de heemkundeperiode van de 3e klas aandacht besteed aan het brood, het bakken.

Wanneer je school in een streek staat waar veel graan verbouwd wordt, kan het zijn dat de kinderen iedere dag langs een akker met tarwe of een ander graan fietsen.

In de 4e klas kunnen deze gegevens ertoe leiden opnieuw aandacht te besteden aan het graan – het is goed om het ene vak met het andere te verbinden, ook door de jaren heen – je kunt hier al vooruitlopen op de geschiedenis wanneer in het oude Mesopotamië de grassen veredeld worden tot graan – ‘dat krijgen jullie volgend jaar te horen’ – aandacht te besteden aan het graan, dus en wel zo dat de kinderen de verschillende graansoorten leren kennen.

Het is wel belangrijk dat je ze dan kan laten zien.

Daarom moet je ze in de zomer al verzamelen!

Tarwe, haver, gerst, rogge.

Hoe zien ze eruit.
Kun je ze benoemen wanneer ze daar voor je liggen. Beschrijf de verschillen.
Hoe smaken ze – als rauwe korrel – als pap, wat kun je ervan bakken.
Vanzelfsprekend heb je dan voor iedere kind een handje van deze granen om eens lekker op te kauwen; kook je er pap van in de klas; moet je met de blinddoek voor,  de halmen kunnen onderscheiden, de pap, het koekje kunnen onderscheiden, enz. enz.

Ook in de 5e klas kom je nog op de granen terug in de plantkundeperiode. Het is dus wel belangrijk om te kijken wat je het ene en wat je het andere jaar wil doen.

Zie bv, voor de 5e klas: Grohmann  

In een (openlucht)museum vind je meestal de veel wat voor de kinderen heel interessant is en een aantal zaken nog duidelijker maakt.

(In onderstaande informatie is niet zo veel te vinden wat voor de kinderen interessant is – het is meer bedoeld voor de leerkracht. Let op de waarneming en de beschrijving!)

tarwe
Deze eenjarige plant (winterannuel=wintertarwe, zomerannuel=zomertarwe) is 70 tot 160 cm hoog, heeft een holle halm, spaarzaam behaarde tot kale bladeren en van wimpers voorziene bladoortjes. De twee- tot vijfbloemige aartjes, waarvan er slechts twee tot vier vruchtbaar zijn, zijn iets afgeplat en vormen een lange, opgerichte, zwak afgeplatte aar. De kelkkafjes zijn eivormig, vaak asymmetrisch, het onderste kroonkafje is gewelfd, drienervig en al of niet genaald; het zaad is naakt.
Deze, momenteel in de gehele wereld de meest ver­bouwde graansoort, stamt, evenals sommige andere tarwesoorten uit Armenië, waar nog heden een reeks wilde en gecultiveerde Triticumsoorten groeien. Momenteel worden er meer dan 4000 Triticumsoorten en variëteiten verbouwd, in de eerste plaats de gewone of broodtarwe ( Triticum aestivum) die gedijt van Zuid-Afrika tot Noord-Scandinavië en ook in het gebied van Werchojansk in Siberië ten noorden van de poolcirkel; in de Andes groeit ze tot 4000 m hoogte.

Tarwekorrels bevatten ongeveer 64% zetmeel, veel stikstofverbindingen, koolhydraten en – vooral in de kiemplanten – vet. Vroeger werd de tarwe geroosterd, eerst later tot meel vermalen en behalve als voedingsgraan wordt ze ook gebruikt voor de bereiding van zetmeel. kleefstoffen, spiritus en mout. De halmen worden als strooisel, op sommige plaatsen ook als droogvoeder gebruikt. Vroeger werd het ook gebruikt voor dakbedekking, voor de vervaardiging van matten, hier en daar voor bijenkorven, broodschalen, diverse gevlochten gebruiks- en siervoorwerpen en tenslotte voor papier. De als “florentijners” bekend staande strohutten zijn vervaardigd uit de halmen van de in Zuid-Europa gekweekte harde tarwe.

tarwe

 

 

Rogge 
Deze eenjarige soort (winterannuel=winterrogge, winterannuel=zomerrogge) is 60 tot 160 cm hoog en in alle delen grauwgroen. De halmen zijn opgericht, de bladschijven vlak en wat berijpt, het tongetje met lichte oortjes kort en fijn getand
De tweebloemige, vlakke, met de brede zijde naar de aarspil gekeerde aartjes vormen een tot 20 cm lange aar, die soms overhangt. De kelkkafjes zijn priemvormig en eennervig, soms met een korte naald; het onderste kroonkafje loopt uit in een tot 3 cm lange naald. De korrels zijn naakt en grijsgroen of geelachtig bruin.
Rogge bloeit van mei tot juni en wordt momenteel als broodgraan in alle delen van de wereld verbouwd; ze gedijt tot een hoogte van 2000 m en gaat noordelijk tot 69c N.B.
Momenteel zijn ongeveer twintig wilde roggesoorten bekend en a angenomen wordt Segale (rogge) segetale de stam­vorm is van onze rogge. Dit was eigenlijk een onkruid van de tarwe- en gerstakkers in de bergstreken en voorgebergten van de Kaukasus en Klein-Azië. Slechts deze soort heeft een taaie aarspil evenals onze rogge. In de gebieden met minder gunstige klimaats­omstandigheden zou deze de overhand hebben gekre­gen op de gekweekte tarwe- en gerstsoorten en zich door natuurlijke selectie tot cultuurplant hebben ont­wikkeld. Een andere opvatting is dat onze rogge in Klein-Azië is ontstaan door kruising van S. segetale met S. ancestrale.

Vergeleken met tarwe is rogge een zeer ‘jonge’ graan­soort, want in Europa stammen de eerste vondsten van roggekorrels pas uit de bronstijd, d.i. ongeveer 2500 tot 900 jaar v.Chr. In tegenstelling tot de meeste andere cultuurplanten kenden noch de Assyriërs, noch de Ba­byloniërs en Egyptenaren dit gewas. De Grieken en Romeinen kenden de rogge wel, de laatsten leerden het kennen op hun tochten naar de Germaanse gebieden. Vaak wordt de verdienste de rogge te hebben verbreid, toegeschreven aan de Sla­ven, ofschoon in Europa reeds voor de komst der Slaven rogge werd verbouwd. De oude Romeinen schatten de rogge niet hoog omdat de aartjes te klein en het uit roggemeel gebakken brood te zwart was! Het roggemeel levert weliswaar een donkere, maar gezonde broodsoort, verder mout, moutkoffie en spiri­tus. Jonge rogge is een zeer goed veevoeder, het stro wordt als strooisel, als vulling voor strozakken enz. gebruikt en werd ook als dakbedekking gebruikt.

rogge

 

Tweerijige gerst
Deze eenjarige soort (bijna uitsluitend zomerannuel = zomergerst) wordt 60 tot 130 cm hoog en heeft een-bloemige aartjes waarvan er steeds drie bijeen op elke tand van de aarspil staan. Bij de tweerijige gerst zijn de zijaartjes rudimentair en het middelste van elk drietal vruchtbaar. De aar is tot 15 cm lang, opgericht of knikkend en sterk zijdelings afgeplat. De onderste kroonkafjes lopen uit in tot 15 cm lange naalden, de korrels zijn innig met de kroonkafjes vergroeid. Tweerijige gerst wordt momenteel in de gematigde zone overal ter wereld verbouwd, in het noorden tot 70° N.B. en tot 2000 m hoogte. Bepaalde soorten worden nog boven de poolcirkel verbouwd, in China tot 4000 m, in het Himalajagebied zelfs tot 5000 m hoogte.
De momenteel in talrijke soorten en vormen gekweekte gerst ontstond uit de tweerijige soort Hordeum (gerst).spontaneum, die in Noord-Afrika, in de Oriënt en in Midden-Azië groeit en uit de zesrijige H.agricriton met een behaarde en broze aarspil, die in het stroomgebied van de boven­loop van de Jangtse-kiang in Zuidoostelijk Tibet en in China voorkomt. In Azië werd de gerst reeds voor 7000 jaar verbouwd; ze was niet alleen bekend bij de Assyriërs, Babyloniërs en Egyptenaren, maar was daar reeds 4000 tot 5000 jaar geleden de grondstof voor de bierbereiding. Volgens opgegraven documenten had een Egyptische koningin dagelijks recht op vier krui­ken bier, de gehele koninklijke hofhouding mocht 130 kruiken per dag gebruiken. Oorspronkelijk werd gerst alleen geroosterd of tot gepelde gerst bewerkt, eerst later werd ze vermalen. Gerstemeel moet voor de broodbereiding van slechte kwaliteit geweest zijn, want Romeinse soldaten werden wegens slechte pres­taties of vergrijpen tegen de krijgstucht bestraft met broodrantsoenen van gerstemeel. Gerstekorrels bevatten meer dan 60% zetmeel, kool­hydraten, eiwitachtige stoffen en wat vet. In Tibet en Noord-Europa dient gerst overwegend als broodgraan; Midden-Europa dient het voornamelijk als grondstof voor de bierbrouwerij. In Noord-Afrika en Zuidwest-Azië wordt ze vooral aan het vee gevoerd. Behalve de tweerijige gerst kent men nog de vier- en de zesrijïge gerst waarvan talrijke rassen in cultuur zijn.

haver gerst

 

Haver
Dit eenjarige gras (in ons land uitsluitend zomerannuel=zomerhaver) met gladde, 60 tot 150 cm lange halmen, met grijsgroene bladscheden, een duidelijkk tongetje maar zonder oortjes, heeft tweebloemige, door brede kelkkafjes omsloten aartjes. Deze aartjes vormen een 30 cm lange pluim met ruwe takken. De kroonkafjes zijn genaald of slechts spits. Haver bloeit van juli tot augustus en wordt zowel voor menselijke consumptie als voor veevoeder ver­bouwd. Ze groeit ook nog in de hogere gebieden van de gematigde zone en is een gewas dat niet zulke hoge eisen stelt en voorkomt tot 69° N. B. en 1600 m hoogte, Alle in ons land geteelde rassen hebben uitstaande pluimen en naar beneden gekromde naalden. Onze haver stamt waarschijnlijk af van de Oosteuropese tot Middenaziatische oot door de Slaven werd verbouwd.

Haver was oorspronkelijk waarschijnlijk slechts een in roggeculturen optredend onkruid en was als cultuur­plant onbekend bij de oude volken van Mesopotamië, Egypte, Palestina en Syrië. Groene haver is een voor­treffelijk voeder voor paarden, gevogelte; bij paarden verhoogt het de glans van de huid. In arme streken in de berggebieden wordt ze tot meel vermalen. Tot in de 16e eeuw werd uit haver een soort bier gebrouwen; nog heden wordt in België dit speciale bier gemaakt. Havervlokken bevatten saponine, glucokininen en ei­witstoffen, veel zetmeel, suiker, dextrine, vitamine B en K, lecitine, fosforverbindingen. Haver wordt als artsenijplant gebruikt voor aftreksels bij uitputtingstoe­standen, zenuwzwakte, tegen slapeloosheid, gebrek aan eetlust enz. Het doet ook de bloeddruk dalen. Soepen met havervlokken vormen een versterkende voeding voor herstellenden en bij maagcatarren, als brij worden havervlokken toegediend bij suikerziekte. De korrels (haverrijst) zijn in de vorm van grutten of gries een zeer waardevolle dieetvoeding. Haver-grutten-porridge is in Groot-Brittannië een zeer ge­liefde en algemeen gebruikte spijs.

haver

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (3)

.

Van zoet tot brood.

Wat moet er niet een werk verricht worden, hoeveel handen zijn er nodig, hoeveel zweetdruppels worden er gezweet om te maken, dat wij iedere dag opnieuw ons dagelijks brood kunnen nuttigen.
Dit is in het kort de strekking geweest van een periode ‘zaakonderwijs over het brood’ die de 2e en 3e  klas net heeft ge­consumeerd.
We begonnen met te spreken over het geschikt maken van de grond door bemesten,  ploegen en eggen. Al deze bewer­kingen werden door middel van gebaar en beweging, aan de hand van verschillende versjes, zo goed mogelijk ingeleefd en nage­bootst. Daarna werd er gezaaid en toen trad er een wachttijd in, waarin het zaad ontkiemde en tot koren kon gaan groeien en rijpen. Deze wachttijd voor de boer is niet een tijd waarin niets ge­beurt, nu is het de taak van de elementen, om in te grijpen en van zon, wind en regen zal het afhangen hoe tenslotte de oogst zal uitvallen. Over deze periode heeft de boer nog altijd geen zeggenschap.

Jan Ligthart heeft dit afhankelijk zijn van de natuur uitgedrukt in het kleine spreukje:

Wij ploegen, wij  eggen, wij zaaien op het land,
Maar wasdom en gedijen ligt in Gods hand.

De klas heeft deze wachttijd gebruikt om vier verschillende korensoorten,  die men hier in ons land op de velden kan ont­moeten,  beter te leren kennen.  Het waren de tarwe, de rogge, de gerst en de haver. Zij werden zo behandeld als of ieder van hen een eigen karakter bezat,  een eigen persoonlijkheid was.

De haver met zijn speelse beweeglijke pluimen, was de vrolijk­ste van de vier.  De gerst met zijn lange baardnaalden en om­laag knikkende aren maakte een beetje een droefgeestige, kla­gerige indruk.  De tarwe wat stijf,  zonder naalden en zich als het ware helemaal concentrerend op het maken van dikke, voedzame korrels, leek daarnaast nogal prozaïsch. En tenslotte was daar dan nog de strijdlustige rogge, die er prat opging dat hij het best aandurfde om op de schrale zandgrond te tonen wat hij waard was.

Na dit meer beschouwelijke intermezzo, waarin over iedere korensoort een kleinigheid werd opgeschreven en waarbij veel werd getekend, brak de oogsttijd aan. Nu was er wel weer veel werk aan de winkel.  Het maaien,  dorsen, wannen, malen en bakken zijn allemaal aan de orde geweest.

Tenslotte hebben wij  een schoolreisje gemaakt naar de “Ervekots”, een oude Saksische boerderij in de Achterhoek.
(Hierover hoort U meer van een van de ouders)
Dank zij de hulp van een van de moeders, Mevr. de Veld,  hebben wij ook van alles kunnen proeven. Wij zijn begonnen met roggebrood met stroop,  daarop volgden: door enkele kinderen met Mevr. de Veld samen gemaakte
havermoutkoekjes. Iedereen was het er over eens,  dat het roggebrood naar de strijdlustige rogge smaakte en de havermoutkoekjes (die heel smakelijk en bros waren uitgevallen) naar de vrolijke haver. De gort (van gerst afkomstig) met krenten en stroop, viel niet bij iedereen in de smaak. Sommigen kregen er geen theelepel van door hun keelgat. (Herinnert U zich nog de gortepap uit Uw jeugd?) Anderen daarentegen verorberen er drie borden van, (dat moeten kinderen zijn met uitzonderlijke sterke magen).
En tenslotte als bekroning van deze periode hebben wij in de klas ieder ons eigen broodje gemaakt, dat de volgende dag bruingebakken weer terug kwam op school en heerlijk smaakte!
Nu is deze periode voorbij en men kan zich afvragen hebben de kinderen veel geleerd?
Vanuit het standpunt: weten en kennen bekeken, is het misschien niet veel geweest, maar er is wel veel beleefd en men hoopt door dit beleven de gevoelens van eerbied en dankbaarheid voor het dagelijks brood – dat wij iedere dag maar weer zo vanzelfsprekend accepteren, verdiept en versterkt zijn.

Nu nog een ander facet: in zijn boekje  “de opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie” zegt Rudolf Steiner: Het is voor de mens van onvoorstelbaar gewicht, dat hij de raadselen van het bestaan in de vorm van gelijkenissen verneemt, voordat hij ze leert kennen in de formulering van natuurwetten”.

Wanneer men met de kinderen over het koren spreekt,  biedt men hun onwillekeurig een schat van gelijkenissen aan. Hoeveel het zijn geweest, realiseer ik mij nu pas. Nu ik dit artikeltje voor U zit te schrijven. Vele daarvan vindt men terug in het Nieuwe Testament, als wij denken aan de gelijkenissen van de zaaier of de zuurdesem die het brood doortrekt. En dan wil ik eindigen met het volgende beeld uit Johannes 12: “Ik zeg U, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort”.
Hier is in een enkel beeld samen gevat, wat wij ieder jaar mee kunnen beleven in de tijd van Pasen tot Pinksteren. Met de Goede Vrijdag wordt de kruisdood herdacht- het sterven.

Maar zoals bovengenoemde gelijkenis ons zegt,  door het teniet gaan van het zaad,  dat in de aarde is gevallen,  zullen wij later veel vredige vrucht mogen ontvangen,  zoals met het eerste Pink­sterfeest, velen de openbaring van de Heilige Geest deelachtig zijn geworden. En wat speelt zich af tussen de zaaitijd en de oogsttijd? Het ontkiemen en gaan groeien van de nieuwe plant, wat met Pasen,  als lente- en Opstandingsfeest herdacht en ge­vierd wordt.

(nadere gegevens onbekend)

 

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

De grassen en ons broodgraan

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

483-446

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (41)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.143, hoofdstuk 41                                                       alle hoofdstukken

 

DE GRASSEN EN ONS BROODGRAAN
Kruiden en bloemen, bomen en struiken zouden niet voldoende zijn het lichaam van de aarde volledig te bedekken; het gras, de weide moet eroverheen liggen om haar voor kaalheid te behoeden, zoals het vel van een dier.

Iedere grashalm die tevoorschijn komt, is het antwoord van de aarde op een zonnestraal. Wil je op een schilderij het gras aangeven, dan heb je al aan een paar streepjes genoeg, als ze maar naar de zon wijzen, want het gras heeft nergens een breed vlak; alleen lijnen, want het stengelachtige overheerst. Bijzonder opvallend is het dat de grassen geen bloemen hebben. Wel zie je aren en pluimen op de slanke halmen in de wind wiegen, maar niemand heeft ooit een grashalm gezien, die een kleurige bloem droeg, al was die nog zo klein. In deze eigenaardigheid van de grassen ligt een diep natuurgeheim besloten, wat voor de mens van de allergrootste betekenis is. Gras groeit onverstoorbaar. Het groeit haast het hele jaar door, zonder dat het een bijzondere verzorging nodig heeft en waar een kale plek ontstaan is, groeit het spoedig weer. Na het maaien van een weiland spruit het opnieuw uit de wortelstokken tevoorschijn. Het kweekgras heeft zelfs ondergrondse uitlopers naar alle kanten, zodat je de grond grondig moet omwerken, wanneer je het daar niet hebben wil.

Het moet wel een zeer sterke levenskracht zijn die de zon in de aarde doet stralen, wanneer zij de grassen laat ontstaan en deze kracht zou voldoende zijn om heerlijke bloemen te kunnen dragen. Maar de aarde wil niet dat er bloemen aan de grashalmen groeien; zij laat de bloemen ongevormd en gebruikt de kracht voor iets anders. Alleen wat stengelachtig is laat zij ontspruiten. Daarom zijn ook de bladeren van het gras zo smal en spits.

Hoe sterk de kracht van de stengel is, kun je aan de grasbladeren heel duidelijk zien. Probeer je er namelijk een vanaf te trekken, dan breekt deze niet waar je denkt dat hij begint, maar je trekt eerst nog de lange bladschede mee, waarin de stengel zat. Dikwijls is de bladschede veel langer dan het eigenlijke blad. Daaraan kun je zien dat het blad eerst nog een poosje bij de stengel blijft, voordat deze dan daarvan loskomt. In de bladschede is de stengel zacht en sappig gebleven. Het zachtst is hij onmiddellijk boven de knoop. Daar scheurt hij ook het makkelijkst. De grashalm heeft net zoveel bladeren als er knopen zijn, want de knoop is de plaats waar een blad ontspringt.

Grohmann 144 gras

Ook de pluimen en de aren bestaan uit louter stengeldelen. Dikwijls steken de twijgjes ver de lucht in, zoals bv. bij het trilgras; soms, zoals bv. bij het vossenstaartgras zijn deze echter tot rolletjes of in dichte kluwen samengetrokken. Ieder van de ontelbare grassen doet het iets anders.

Het geraamte van de graspluimen en –aren is eigenlijk niet anders dan een bloemsteelverzameling. Elk daarvan zou een bloem willen ontvangen. Maar daarvan komt  niets; het lijkt wel of er iets ontbreekt. Er zit alleen kaf, dat zijn de kelkblaadjes van de bloem die verkommerd is, aan de bloemsteeltjes en daartussen hangen de meeldraden aan lange en zeer dunne draadjes naar omlaag. De wind kan ze makkelijk heen en weer bewegen, zodat het stuifmeel eruit valt. De stempels van het vruchtbeginsel lijken op heel kleine veertjes. Dit alles kun je bestuderen wanneer je grassen, bekijkt wanneer ze bloeien. Natuurlijk moet de aarde de bestuiving van de grassen door de wind laten verrichten, wanneer zij wil, dat er bloemen ontstaan, want noch vlinders, noch bijen, noch andere insecten bezoeken de grasbloempjes.

Grohmann 145 gras

Verschillende grassoorten. Van links naar rechts: riet; bochtige smele, een bosgrassoort; kropaar, overal voorkomend; struisgras; boskortsteel; pijpenstrootje, op vochtige, drassige plaatsen te vinden, de lange, bladerloze halm is hier verkort; raaigras.

Voor nu het grote natuurgeheim verklapt wordt dat samenhangt met dat de grassen geen bloemen hebben, moet nog vermeld worden, dat ook onze gezamenlijke graansoorten, tarwe, rogge, gerst, haver en gierst, ja zelfs de uit het westelijke deel van de aarde stammende mais en ook de rijst, die aan zoveel miljarden mensen voedsel schenkt, tot de familie der grassen behoren. Al in oertijden zijn de graansoorten uit wilde grassen gekweekt. Dat was een grote kunst die niemand meer beheerst, omdat niemand meer zo diep in de natuurkrachten schouwen kan, als die wijzen, die de aanwijzingen hebben gegeven tot de veredeling van de grassen tot granen.

Bosgierstgras; gierst en rijst.

Wat is het toch mooi wanneer de wind over de weiden strijkt, zodat de halmen beven of wanneer de korenvelden heen en weer wiegen, zodat de aren neerbuigen en zich weer oprichten. Dan is het net of je aan een zee staat, waar de ene golf de andere volgt. Ook hier is het de wind die het stuifmeel uit de aren schudt en het dan over de velden draagt in de vroege morgenstond. Of je iets fijns hoort klinken. En wanneer de weiden gemaaid worden en het hooi geurt fris, wie zou daarvan niet met dankbaarheid vervuld worden! Wanneer het vee naar de stal terugkeert, ruikt het er nog naar.

De graankorrel is het zaad en eveneens ook de hele vrucht van de korensoort. Je kunt de korrels in de aarde leggen, dan groeien daaruit nieuwe planten; je kunt ze echter ook malen en brood bakken, dan voeden ze ons. Bij de wilde grassen is de vrucht maar klein en nog van weinig nut; er moesten eerst soorten met grotere en voedzamere korrels ontstaan.

Wanneer het goed tot je doorgedrongen is, wat het eigenlijk betekent dat zulke levenskrachtige planten als de grassen, met die niet klein te krijgen groeikracht, geen bloemen vormen, dan begrijp je ook, hoeveel kracht er nog over moet blijven. Die slaan ze op in hun vrucht en wij kunnen daarvan eten. Wat ons doet groeien, is dus eigenlijk kiemkracht. Wat zouden we anders als dagelijks brood moeten eten, wanneer aan de grassen niet onthouden was, de bloem te vormen, het mooiste wat de plant draagt,

Dat moet de graanplant missen, opdat wij ons kunnen voeden. Een groots geschenk van de aarde is de jaarlijkse graanoogst en wat moeten we daarvoor dankbaar zijn!

En hoeveel zegen geeft de zon wanneer gedurende de vele zomerdagen de vruchten rijp worden en de aren geelbruin. Waarlijk het past de mens dit godsgeschenk te achten en te vereren!

tafelspreuk*

aarde droeg het in haar schoot,
zonlicht bracht het rijp en groot,
zon en aarde, die ons dit schenken.
dankbaar zullen wij aan u denken

Spruch vor Tisch

Erde, die uns dies gebracht,
sonne, die es reif gemacht,
liebe Sonne, liebe Erde,
euer nie vergessen werde!

CHRISTIAN MORGENSTERN

Wij eten het brood en nemen de voedende kracht van het koren in ons bloed op. Daar wordt het veranderd. Tenslotte wordt dat toch nog tot bloemen, tot rode rozen. Die heeft de mens in zijn bloed. Hoe edeler en reiner hij is, des te mooier bloeien de rozen in zijn bloed.
In het Duits zijn Blut en Blüte=bloed en bloem, dezelfde woorden. Je kunt de bloemen in het bloed wel niet met  lichamelijke ogen zien, maar ze zijn toch aanwezig.

Tenslotte echter moet ook het gewone gras niet vergeten worden dat het vee op de wei vindt en dat ook in de voerbak gelegd kan worden. Ook de kracht hiervan wordt in het dierenlijf veranderd. Deze wordt tot melk en tot vlees, die ons tot voedsel dienen.

De natuur heeft er ook nog voor gezorgd dat onze korensoorten op de akkers niet helemaal zonder sier staan. Korenbloem, klaproos, bolderik en vele andere mooie bloemen worden bij het zaaien meegezaaid. Zo krijgt het graan tenminste als onkruid er nog bij wat het zelf moet missen. De aarde streeft ernaar de tegenstellingen uit te wissen en het nergens aan schoonheid te laten ontbreken.

Rätsel

Die Getreide stritten dereinst miteinander,
welches vor den andern seine Ähren
bräunen und reif werde lassen sollte.
Da liess sie Gottvater nacheinader
ihre Namen in den Wald hineinrufen
und sagte es ihnen durch das Echo,
welches den Angang machen sollte.

*er bestaan vertalingen met kleine afwijkingen

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen– waaronder 5-5 over tarwe

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

46-44

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.