VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (10)

.

MICHAËLSVERHALEN:

 

de sprookjes van Grimm:
de twee broeders
de wilde man

van Raaphorst: Van Sinterklaas tot Sintemaarten

Udo de Haes: Zonnegeheimen deel 4

von Baditz: Aus Michaels Wirken

Friedel Lenz: Die keltische Drachenmythe

Hieronder staan:

Sint Michaël op de maansikkel (2x)
Het verhaal van een vlieger
Franse Michaëllegende
Kalo Dant en de zevende wereld

verhalen

Sint-Michaël op de maansikkel

Het Michaëlsfeest luidt de herfsttijd in. Uiterlijk wordt de strijd tussen licht en donker in het voordeel van de duisternis beslecht. Of het innerlijk licht in ons ontstoken kan worden is niet afhankelijk van het natuurgebeuren buiten ons; de wijze waarop wij met onze innerlijke ruimte omgaan is bepalend. Daaraan wil het Michaels­feest ons herinneren.

Niet alleen in het jaarverloop, de op­eenvolging van de seizoenen, neemt de Michaëlstijd een plaats in. Men zou kunnen zeggen dat de Michaëlstijd zo­als we die in de herfst kennen, een tijd is die in verhevigde mate de signatuur van een veel groter tijdsbestek draagt: de periode waarin zich onze huidigecultuur afspeelt, waarin Michaël als tijdgeest de mensheid inspireert. Ook hier is sprake van strijd tussen licht en duisternis.

De draak die wij uit zovele verhalen kennen, wordt door Michael verslagen. Voor ons, in de twintigste eeuw, wordt die slag opnieuw werkelijkheid. Maar wie kan strijden als hij niet weet waar het slagveld is of de kleuren van de vijand niet kent?
Onderstaand verhaal begint met de woorden ‘Zag je…?’ Als we dit prach­tige beeld in ons opgenomen hebben, waar zowel de jaarfeest-Michaëlstijd als de huidige mensheids-Michaëlstijd doorklinken, kunnen we om ons heen kijken en ons afvragen: ‘Zie je werke­lijk de tijdsfenomenen, ontdek je de camouflage van de vijand en versta je de gecodeerde boodschappen die rondgaan?’

En lees dan dit verhaal nog eens.
Zag je in heldere, hoge herfstnachten de sterrenvonken aan de hemel spatten? Als de hoop van een mensenziel gaan ze op: als het besluit van een mensen­hart duiken ze onder, lichtend in kracht.
De mensen noemen het vallende ster­ren.

Maar wie zijn engel liefheeft en van kind af aan geen angst in zijn hart bin­nenliet, weet het beter. Hij ziet in klare herfstnachten daarbo­ven in de sterren de grote strijd, Sint-Joris op aarde genoemd, Sint-Michaël in de hemel. En hij ziet zijn gelaat over­straald door gouden wijsheid, die, zichzelf niet wetend, het hart van de hoogste godheid weerspiegelt. En ziet zijn arm glanzend in het wapen, dat sterk en zuiver is, als uit hemelse ge­rechtigheid gehard.

En met de weerbare hand heft Michaël het zwaard op, dat de kruipende en begerende, wroetende en stukvretende onreinheid treffen zal. En de sterren beven en vonken als dia­manten, springen op, als Sint-Michaël zijn zwaard opheft.
Zag je in donkere wintertijd de tere maansikkel boven de fijne witte wolken wegglijden? Het ruist om haar heen als het fluisteren van grassen van verre, schone hemelweiden. Een ver­langen, verder, verder weg te zijn, grijpt de harten van de mensen aan, die opkijken naar de sikkel aan de winterhemel.

Maar wie zijn engel liefheeft en van kind af aan de reinheid in zijn hart be­waart, weet het beter. Hij ziet daar boven op de smalle zil­veren sikkel de hemelse jonkvrouw Maria staan. En hij weet, dat zij een koningin is. Want zij lacht naar bene­den tot diegenen, die op aarde vurig verlangen en gebrek lijden. En schenkt uit haar rozige handen hemelse tarwe­korrels, die zegenend op de aarde val­len. Zij schenkt uit biddende gebogen handen. Zij bidt voor de diepten, dat ze verzadigd mogen worden en goed en vervuld met het wonder, dat het hoge nog bergt.

En eenmaal zal het gebeuren. In een herfst, waar de berk niet schreit om haar bladeren; waar het berkenloof vrolijk ter aarde valt. Dan zal op een dag boven de maan een trap verschij­nen waarvan de treden zijn als melk­achtig steen. En op deze witte treden, met zegenende handen verlossing wenkend, zal Maria omhoog schreiden naar de gouden hemelse oogstdanktafel, alsof haar voet op een zich sprei­dende duivenvleugel treedt. De sikkel van de maan zal dan niet verlaten zijn. Daar zal dan een lied klinken, dat in de hemel en op de aarde nog niet werd gehoord. Sint- Michael zal dan op de maansikkel staan. Als hemelse smid heeft hij zijn zwaard omgesmeed tot het raam van een lier en uit de mensengedachten van moed worden de snaren daarop gespannen. De draakoverwinnaar zal zingen en spelen en als hemelse luit­speler zijn ambt uitoefenen. Er is kracht in zijn lied. Van de vertroosting en vervulling van een oude tijd zal hij zingen en van het nabije neerstromen van het hoogste licht, waarin het la­chen van Maria verdween. En de berk zal tot in haar diepste wezen huiveren vol vreugde, als dit lied weerklinkt. En de herfst zal zijn als voorjaar.

Vele mensen zullen het niet zien, velen niet horen. Maar wie zijn engel
lief ­heeft en trouw in zijn hart draagt: die weet het goed en wil het beter.

(Rinke Visser, naar een Poolse legende, Jonas nr.2, 28-09-1977)
>

Sint-Michaël op de maansikkel

Heb je wel eens op een heldere, verheven herfstnacht sterren aan de hemel uitéén zien spatten? Zij gaan op als de hoop in een mensenziel, als het be­sluit van een mensenhart gaan zij onder, krachtig stralend. De mensen noe­men het sterrenregen. Wie echter zijn engel liefheeft en van kind af aan geen vrees in zijn hart binnenliet, weet wel heter. Hij ziet in de heldere herfstnachten daarboven de grote strijder, die Sint-Joris wordt genoemd op aarde en Sint-Michaël in de hemel. En hij ziet zijn aangezicht dat in een glans van gouden wijsheid stralend, zichzelve niet bewust, het hart van de godheid weerspiegelt. En hij ziet zijn arm schitteren in de wapenrusting die sterk is en rein, als gesmeed van hemelse gerechtigheid. En zijn rechterhand slaat St. -Michaël aan zijn zwaard, dat de sluipende, begerige, krioelende, verscheurende onreinheid treffen zal. En de sterren beven en diamanten vonken spatten als Michaël zijn hand aan zijn zwaard slaat .

Heb je wel eens in de donkere wintertijd de tere sikkel van de maan over de fijne witte wolken zien glijden? Het ruist om haar, als het fluisteren van de grasvelden van verre hemelse weiden, een verlangen om ver, ver weg te zijn grijpt het hart van de mensen aan, die opzien naar de maan aan de winterhemel. Wie echter zijn engel liefheeft en van kind af aan reinheid in zijn hart be­waarde, weet wel beter. Hij  ziet daarboven op de smalle sikkel van de maan de hemelse maagd Maria staan, en hij weet, dat zij koningin is. Zij  zendt haar glimlach naar de aarde, naar hen, die geplaagd worden door verlangen en ontbering. En zij laat uit haar tere handen hemelse graankorrels neerdalen, die zegenend op aarde vallen. Zij schenkt uit haar tot gebed gevouwen handen. Ze bidt voor de diepten, dat ze verzadigd mogen worden en goed gevuld met het wonder, dat de hoogten nog in zich bergen.

En eens zal het geschieden. In een herfst, wanneer de berkenboom zijn blade­ren niet meer zal betreuren; wanneer het berkenblad vrolijk ter aarde zal vallen. Dan zal op een goede dag een trap boven de maan verschijnen, waarvan de treden zullen zijn als van melkwitte steen. En langs deze witte treden zal Maria omhoogschrijden naar de gouden hemelse oogstdanktafel, met haar handen zegenend verlossing wenkend, als gingen haar voeten over gespreide dui­venvleugels.

Maar de maansikkel zal niet leeg achterblijven. Een lied zal van haar
weer­klinken, dat noch in de hemelen, noch op aarde ooit werd gehoord.
Sint-Mi­chaël zal dan op de maansikkel staan. Als hemelse smid heeft hij dan zijn zwaard tot lier omgesmeed en snaren erop gespannen van moedgedachten van de mensen. De overwinnaar van de draak zal spelen en zingen, en zijn ambt ver­vullen als hemelse luitspeler. Er is kracht in zijn lied. Van vertroosting zal hij zingen en van vervulling van een oude tijd en het nabije nederdalen van het hoogste licht waarin Maria’ s glimlach verdween.

En vreugde zal de berk tot in zijn diepste merg doorhuiveren als dit lied weerklinkt. En de herfst zal als voorjaar zijn.
Vele mensen zullen het niet zien, vele mensen zullen het niet horen. Wie
ech­ter zijn engel liefheeft en trouw in zijn hart draagt, die kent het goede en schaart zich met zijn wil erachter.
.
(Naar een Poolse legende, in het Duits bewerkt door Herbert Hahn, nadere gegevens onbekend)
.

Het verhaal van een vlieger

Een jongen had met zijn vader een vlieger gemaakt. Dat was een waar kunstwerk geworden, waar zij de hele winter aan gewerkt hadden. Het lichte houten kruis was omgeven door mooie doorzichtige kleuren die in levendige vormen omhoog golfden. Toen de jongen de vlieger in de zomer opliet, had de zon zoveel plezier in die heldere tinten, dat hij het niet kon laten, er voortdurend naar te kijken en er zijn lichtste stralen heen te zenden. Het allermeest genoot hij van het rood en het geel en dat liet hij ook helderder dan alle andere kleuren oplichten en zo kwam het dat de vlieger wel een vlammend kruis leek dat daar boven aan de hemel stond. De jongen genoot niet minder van de zon en hij liet zijn vlieger zo hoog opstijgen als maar enigszins mogelijk was. Helaas was het touw al gauw afgewikkeld en de vlieger kon niet verder.
Wat jammer was dat!
De jongen keek en keek en in zijn gedachten liet hij de vlieger steeds hoger gaan. Maar ach, dat was immers alleen maar verbeelding. Hoesch… ! kwam daar een grote windvlaag! Die brak het touw en… daar dwarrelde de vlieger werkelijk de hemel in! De jongen tuurde hem na en hij zag hoe hij aldoor maar hoger ging. Al spoedig was hij zo hoog gestegen dat de jongen niet goed kon zien wat er met hem gebeurde; maar voor de vlieger viel daar heel wat te beleven!

Het eerst ontmoette hij een kraai en er ontstond dadelijk een gesprek. ‘Goedemorgen!’,  kraste de kraait. ‘Goedemorgen!, antwoordde de vlieger.
‘Ben jij ook een vogel met je vlammende vleugels en je lange staart?’
‘Nee, ik ben geen vogel!’
‘Wat ben je dan en waar kom je vandaan?’
‘Ik kom van dat jongetje dat daar staat te kijken; die heeft me geloof ik zelf gemaakt.’
‘Zo, zo en waar ga je naar toe?’
‘Dat weet ik niet. Ik wil alleen maar de hemel invliegen! ‘Dan hoor je hier niet thuis. Hier boven weten alle wezens precies waar zij vandaan komen en waar zij naar toe gaan. Ik trek zelf elke winter naar het Zuiden en elke zomer naar het Noorden. Ik zou je raden weer naar de mensen terug te gaan, want als je niet weet waar je heen moet, verdwaal je in de hemel.’

Maar de vlieger was eigenwijs en ging verder omhoog. Toen ontmoette hij een zaadpluisje. Dat was nog hoger gezweefd dan de kraai. ‘Goedemiddag’, fluisterde het zaadpluisje. ‘Goedemiddag’, antwoordde de vlieger. ‘Ben jij ook een zaadpluis met al die wonderlijke uitsteeksels en kleuren?’ ‘Nee, ik ben iets dat door de mensen is gemaakt en ik kom van dat jongetje dat daar staat te kijken.’ ‘Waar moet je dan heen?’ ‘Dat weet ik niet. Ik wil zo maar de hemel in!’
‘Dan hoor je hier niet thuis! Iedereen weet hier wat het doel is van zijn tocht. Ik ga de lucht in om op te vangen wat van Oost naar West gaat: dat is de zonnewarmte. En als ik die gekregen heb, daal ik weer neer om hem aan de aarde te brengen en dan laat de aarde daaruit een nieuwe bloem groeien. Maar als jij niet weet wat je te doen hebt, zou ik maar liever weer omlaag gaan, want anders verlies je de koers in deze hoge werelden!’ Maar de vlieger bleef eigenwijs en steeg nog hoger. Toen kwam hij voorbij een wolk gezweefd. ‘Goedenavond! zoemde de wolk. ‘Ook goedenavond!’, zei de vlieger. ‘Ben jij een wolk met al je vlammende avondrood?’, vroeg de eerste weer. ‘Nee ik ben van de mensen. Ik kom van dat kleine jongetje daar beneden.’ ‘Waar ga je heen?’ ‘ Zomaar de hemel in.’ ‘Dan hoor je hier niet thuis. Iedereen kent hier zijn bestemming. Ik ver­zamel het laatste avondrood; dat maak ik in de nacht tot morgenrood; dat geeft water in de sloot! Daar regen ik zelf mee neer om de aarde te zegenen en als ik dat gedaan heb, draagt de zon me weer omhoog om nieuw avondrood te maken. En zo ga ik maar steeds op en neer. Maar jou geef ik de goede raad, terug te gaan naar dat jongetje, want zonder doel verdwaal je hierboven!’
Maar de vlieger liet zich niet van zijn stuk brengen en steeg nog hoger. Toen kwam hij bij de sterren. ‘Goedenacht!’, zongen de sterren in koor met klare hoge stemmen. Goedenacht!”,  zong de vlieger mee.
Wat voor konde kom je ons brengen, staartster van de aarde?’ zongen de sterren weer. ‘Ik ben geen staartster, ik kom van dat jongetje, dat daar op de aarde ligt te slapen, zong de vlieger. ‘Dat heeft mij laten opstijgen, maar ik ben van hem weggevlogen. Toen wachtte hij tot ik terug zou komen, maar ondertussen is hij in slaap gevallen en nu droomt hij van mij.’
‘Dan zullen we je onze zegen meegeven voor die jongen’, zeiden de sterren en elk van hen gaf hem iets van zijn heldere glans.

Maar toen kwam daar de engel Michaël uit de hemel.

Die nam een grote ster in zijn handen, wierp die suizend op de vreemde  indringer neer. De ster trof de vlieger en op hetzelfde ogenblik sloegen de vlammen eruit en brandende stortte hij omlaag!

Toen de jongen ontwaakte, vond hij dat hij een wonderlijke droom had gehad en hij was met een schok wakker geworden. Maar toen hij om zich heen keek, merkte hij dat zijn droom geen gewone droom was geweest, want naast hem lag het kruis van zijn vlieger, waarvan het papier was verbrand. Dat kruis was echter niet meer van hout, het was van lichtend hemelijzer! Hoe verbaasd was de jongen dat te zien! Maar hij was toch ook een beetje verdrietig….Nu was hij immers zijn mooie vlieger kwijt!
Maar toen hij met zijn kruis thuis kwam, sprak zijn vader: ‘Mijn jongen, laten we blij zijn! Als je vlieger niet verbrand was, had je nooit dit kruis van hemelijzer gekregen. Dit ijzer is sterker dan het hardste staal. We maken hieruit een vlieger die nog veel mooier is dan de vorige.’
Dat deden zij in de winter en toen de nieuwe vlieger werd opgelaten in de volgende zomer, ontmoette hij in de hemel opnieuw wat daar ging van Noord
naar Zuid, van Oost naar West en van de hemel naar de aarde. En toen hij bij
de sterren kwam, werd hij opnieuw door Michaël getroffen, waardoor hij
brandend ter aarde stortte. Maar het kruis van het hemelijzer dat de jongen vond, was nog glanzender dan tevoren.

Zo ging het vele jaren achtereen en ieder jaar werd het kruis stralender en sterker. Maar toen de jongen groot geworden was, veranderde het kruis van gedaante en werd tot een machtig zwaard, dat nog glinsterde van het sterrenlicht. Daarmee trok de jongeling door de wereld en hij werd een dappere ridder. Maar hij was geen gewone ridder, want zelfs bij de grootste overwinningen die hij behaalde vloeide er geen bloed. Andere ridders die hij ontmoette, bewonderden zijn zwaard en zijn daden en zij wilden zich tot hem scharen. Maar de jongeling sprak: ‘Het zwaard dat gij aan uw zijde draagt, is niet het zwaard, waarmee gij met mij door de wereld kunt gaan. Daartoe moet gij u een ander zwaard verwerven. Laat alles wat ge op aarde gemaakt en geleerd hebt verbranden door de sterren die uit de hemel vallen. Uit de as kan het zwaard groeien, waarmee gij mij volgen kunt.’
De jonge ridders verbaasden zich. ‘Tot welke orde behoort gij dan?’

De jongeling toonde het gevest van zijn zwaard. Daarin glinsterde een naam.
De ridders moesten zich inspannen om de lichte letters ter lezen.
Toen herkenden zij de naam:…..Michaël.
.

(Uit: Zonnegeheimen. D.Udo de Haes)
.

Een Franse Michaëllegende

Aubert, de vrome en bij God geliefde bisschop van Avranches, verscheen een engel toen hij sliep en gaf hem opdracht op de berg Tumba een kerk te bouwen, die aan Michaël gewijd moest worden. Michaëls naam moest niet alleen geëerd worden op de berg Gargano, maar ook midden in zee!

De bisschop kende het woord van de apostel Johannes – “onder­zoek of de aan U verschenen geesten wel uit God zijn!” – en overwoog dit in zijn ziel. Toen juist verscheen de engel hem ten tweede male en beval hem te doen wat hij hem had opgedragen. Nog aarzelde de bisschop. Wie bouwt er nu een kerk op een rots in zee? Tenslotte wierp hij zich op de knieën en bad vurig tot onze Heer Jezus Christus en ook tot de heilige aartsengel Michaël zelf. Hij vroeg in zijn gebed of zij hem hun wil zouden willen openbaren.

Juist in die tijd steelt een man een stier en verstopt die op de berg. Hij wil hem verkopen, zodra de eigenaar berust in het verlies van het dier.

Onderwijl werd de eerwaarde bisschop voor de derde keer op zeer dringende wijze aangemaand om niet langer ongehoorzaam te zijn, maar dadelijk naar de aangeduide plaats te gaan en die niet meer te verlaten voordat het werk zou zijn voltooid. Op de vraag van de bisschop waar de meest geschikte plaats zou zijn om de kerk te bouwen antwoordde de engel: “Daar, waar je een gebonden stier zal vinden.” Op de vraag, hoe groot de plaats moest zijn, antwoordde de engel:  “Gebruik de bodem die door de stier is omgewoeld en geef het beest daarna aan zijn baas terug!”

Toen begaf de eerwaarde bisschop zich vol zekerheid en onder het spreken van heilige lofprijzing en het zingen van heilige gezangen naar de berg en begon aan het werk. Hij vond de vast­gebonden stier en liet die aan de eigenaar teruggeven. Een flinke schare boeren bracht hij bijeen. Die effenden de grond en maakten de plaats schoon. Maar, o wee, midden op de plaats bevond zich een reusachtig rotsblok, dat de sterkste, mannen ondanks hun verwoede pogingen niet van zijn plaats konden krijgen, lange tijd deden zij moeite, maar vergeefs. Niemand wist meer raad. Maar ziet! In de nacht daarop had een boer – hij heette Bain  – uit het naburige dorp Itius een droom. Hem werd het bevel gegeven zich bij de arbeiders te voegen. Met zijn twaalf zonen begaf hij zich op weg.
Zij kwamen bij de grote rots. Wat de mensen niet hadden gekund, volbracht deze man met Michaëls hulp: de rots scheen zeer licht te zijn, want Bain schoof de rots gemakkelijk terzijde. Allen prezen God en de aartsengel Michaël. Men toog met nieuwe moed aan het werk.

De bisschop aarzelde nog over de afmeting van de muren. Maar ziet! Evenals in het verhaal van Gideon viel er ’s nachts dauw op de top van de berg. De aarde bleef echter droog op de plaats waar de grondvesten gelegd moesten worden. De bisschop hoorde een stem die sprak: ‘Gaat heen en zet de stenen, zoals het U aangegeven is!’

Toen stond hij op, prees de almachtige God en ging vrolijk aan het werk, Michaëls zegen afsmekend.

Dat was het begin van de beroemde Michaëlskerk op de Mont-Saint-Michel.
>

(Uit de verzameling van Nora von Baditz  ‘Aus Michaels Wirken’)
(opgenomen in vrijeschoolkrant Leiden)
.

Kalo Dant en de zevende wereld

Kalo Dant had in de twintig jaren van zijn leven met de zigeuners van zijn stam onnoemelijk veel landen bereisd. Zoveel, dat hij dacht dat ze bijna aan het einde van de wereld waren be­land en dat er nauwelijks meer landen te ontdekken waren. Toen hij hoorde dat God zeven werelden boven elkaar had geschapen, waarvan de onze er één is, was hij erg blij. ‘Dan hoef ik tenminste niet weer al die bekende plaatsen op te zoeken’, dacht hij. Aan iedereen vroeg hij de weg naar die hogere werelden. Maar hij werd uitgelachen; de ze­ven werelden zijn immers van elkaar gescheiden door solide hemelse gewelven. Daar kom je nooit doorheen! Tot hij eens, een grassprietje tussen de tanden, in het gras lag en naar de he­mel keek. Ja, de hemel is hoog. Maar dat zijn de bergen ook. Wie weet, of je op de toppen van de bergen niet met je hoofd in de wereld boven ons steekt? Een mooie gedachte. En zo begon Kalo Dants avontuur.

Hoog in de bergen komt Kalo Dant in de mist terecht en hij durft niet verder te gaan. Boven zich voelt hij niets van een hemelgewelf. Als de mist optrekt en hij een kaal berglandschap om zich heen ziet, loopt hij verder. Dan vindt hij een slanke, rechte boom, die almaar om­hoog groeit, zo ver dat de top niet te zien is. Hij begint omhoog te klimmen. Moe geworden, rust hij na een tijdje uit. Tussen de takken door omhoogkijkend, ziet hij daar boven een, ja – wat?, een oude pantoffel. Aan een bruine blote voet. Zo ontmoet Kalo Dant zijn bescher­mengel. Hij kan duidelijk zien dat het de beschermengel van een zigeuner is. Die hebben gevleugelde voeten. Kalo Dant mag de pantoffel lenen en schiet omhoog. Waar hij weer vas­te grond onder de voeten krijgt, wordt hij gastvrij ontvangen door een menigte zigeuners, maar hun taal verstaat hij niet. Hij wordt naar een oude man gebracht. Deze is negenenne­gentig jaar oud en kent negenennegentig talen, ook die van Kalo Dant. ‘Nieuwsgierigheid’, zegt de oude, ‘is de eerste stap op de ladder die wij kennis noemen.’ En zo blijft Kalo Dant een jaar bij hem om te leren. Hij leert er de taal van de bomen om te we­ten, welke hij als houthakker kan vellen en welke niet. Na een jaar wordt de oude man hon­derd jaar oud en leert hij zijn laatste taal: die van de vogels. Nu moet Kalo Dant hem verlaten en naar huis teruggaan. Maar nee, hij wilde toch alle werelden daarboven leren kennen, en hij is er nu toch al veel dichter bij?

Op aanraden van de oude man zoekt hij een eenzame weide op. Na drie dagen in de een­zaamheid ziet hij de Schepper zelf voor zich staan, die hem eerst duchtig de les leest, maar ten slotte helpt. Hij mag de andere werelden leren kennen. Maar verder moet hij het alleen opknappen. Terugkeren naar zijn eigen wereld moet hij op eigen kracht. Zo leert Kalo Dant de ene wereld na de andere kennen; en hoe hoger ze zijn, hoe minder be­volkt. In de zevende wereld treft hij alleen maar vogels aan, zwermen en zwermen vogels. Daar beschermt hij impulsief de jongen van de vogelkoning; die wil hem vervolgens bijstaan naar zijn eigen wereld terug te keren. Want Kalo Dant heeft genoeg van zijn omzwervingen en wil naar huis. De vogelkoning kan hem echter niet helpen, maar hij kan één van zijn on­derdanen, de gevleugelde draak Sjarkan, de opdracht geven.

In onze wereld had niemand ooit een draak, zo’n vuurspuwend en onsmakelijk, onvriendelijk monster gezien. Kalo Dant schrikt van hem, maar kan hem met een veer uit de staart van de koning van de vogels gezeglijk maken. De koning beveelt de draak, al zijn vee te slachten en het vlees te zouten. Dant helpt de draak en ze raken daarbij een beetje bevriend. Met Kalo Dant, vaten gepekeld vlees en water op zijn rug begint de draak zijn reis naar de werelden beneden. De tocht duurt eindeloos, de weg door de hemelse gewelven heen is niet altijd gemakkelijk te vinden. Als vlees en water opraken, wordt de draak onwillig en moet hij met de veer in toom worden gehouden. Eindelijk ontdekt Kalo Dant de plek waar hij zijn tocht begon. Hij is thuis! Maar hoe moet de draak nu terug? Kalo Dant wil bij zijn stam raad en hulp halen en laat de draak zolang in een grot achter. Deze belooft te wachten, maar de veer moest er wel aan te pas komen.

Zo kwam de draak in onze wereld. En hij bleef er. Want hij hield zich niet aan zijn belofte en begon het land onveilig te maken, vee en zelfs kinderen te roven. Toegegeven, Kalo Dant had zoveel te vertellen dat hij de draak wat lang aan zijn lot had overgelaten. Hij liet zich overhalen het dier niet terug te sturen; als het zich maar zou gedragen! En dat gebeurde na­tuurlijk niet. De draak weet hem zelfs nog over te halen, hem gezelschap te geven: dan is hij niet meer zo alleen en zal hij zich beter gedragen. Kalo Dant geeft de draak met behulp van de veer twee koppen erbij. Hij trouwt de koningsdochter maar raakt later de veer kwijt. Er zijn mensen die zeggen, dat de draak zelfs meer dan drie koppen heeft…

(verkorte weergave door Arie Boogert in Jonas nr. 2, 18-09-1987)

Dit verhaal wordt genoemd in Michaël 37

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel

.

294-275

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

4 Reacties op “VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (10)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Michaël – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Michaël – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Michaël (37) | VRIJESCHOOL

  4. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Michaël – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s