Tagarchief: biografieën

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Pico della Mirandola

.

Bron: Ewald Vanvugt,Volksrant, 10-12-1988*

.

Het is zo’n vijf eeuwen geleden dat niemand in Europa openlijk de roomse kerk kon kritiseren, op straffe van excommunicatie of brandstapel.

Een belangrijke figuur in de geschiedenis van de mensenrechten is Giovanni Pico della Mirandola, schrijver van de oratie „Over de menselijke waardigheid”. Ook Pico, de Columbus van de „globus intellectualis”, vond Rome tegenover zich.

.
Pico, PRINS VAN DE MENSENRECHTEN

.

De geschiedenis van de mensenrechten moet in het Westen aanvangen met de tijdgenoten Plato en Aristoteles. Plato was de leerling van Socrates, de oervader van de Europese wijsbegeerte (rond 400 voor Christus), en Aristoteles was de leerling van Plato. Hun boeken inspireerden massa’s andere schrijvers, ook onder de christenen. Maar wie op dogma’s steunt, staat vijandig tegenover filosofisch onderzoek. Meer dan van Goten en Barbaren had de Griekse wijsbegeerte in de Middeleeuwen te lijden van de priesters die iedere vraag beantwoordden met een geloofsartikel.

Na vele eeuwen van politiek en theologisch geharrewar viel in de elfde eeuw Christus’ Kerk uiteen in een westers en een oosters deel (en dit schisma tussen katholieken en orthodoxen is nooit geheeld). Tijdens de lange strijd tussen de paus van Rome en de keizer van Constantinopel (nu Istanbul) zijn in het Westen veel klassieke Griekse papyri en perkamenten in kloosterfornuizen gegooid. De kennis van het klassieke Grieks raakte vrijwel uitgestorven. Veel Griekse schrijvers waren vergeten, of werden uitsluitend in het Latijn gelezen, en dan vaak in een vertaling uit het Arabisch. Vooral Plato en zijn volgelingen hadden het vroeg moeten ontgelden. Toen Plato was verjaagd, werd Aristoteles de hogepriester van het Intellect en de steunpilaar van de Middeleeuwse wijsgeren, de scholastici.

Plato gaf zijn naam aan de richting die het Intellect openlijk van de troon stoot, en daarvoor in de plaats niets minder dan de Extase stelt. Volgens de neoplatonisten kunnen in de „goddelijke dronkenschap” genot en deugd heel goed samengaan. Zij beweren dat ook wie met volle teugen van de zinnenwereld geniet, de eeuwige zaligheid kan bereiken. In deze traditie dansen mensen wel eens letterlijk en figuurlijk een godenbeeld, bv. dat van Dionysus. De Kerk zag üe klassieke goden liefst morsdood, maar ondanks voortdurende forse inspanningen is het de roomse kerk nooit gelukt de Griekse goden te vermoorden. Zoals bij goden past bleken Zeus en Hera en Venus (en veel anderen) over tal van vermommingen te beschikken waarin ze voortleefden — bijvoorbeeld in de afbeeldingen van sterrenbeelden.

Indertijd bezaten christenmensen zeer beperkte rechten tegenover God en zijn vertegenwoordigers op aarde. De macht van de Kerk bepaalde al duizend jaar dat de gelovigen moesten geloven en niet nadenken: de mensen waren immers schapen en de Kerk zou hen leiden. Deze oude geschiedenis rakel ik beknopt op om te laten zien dat vijf eeuwen terug het begrip „mensenrechten” een revolutionair concept was.

Onder voortgaande druk van de islam werd op initiatief en op kosten van Cosimo de Medici in 1438 in Florence een concilie gehouden — met massaspectakels en praalfestijnen — over de mogelijke hereniging van de orthodoxe en de katholieke kerk. Vijftien jaar later werd Constantinopel door de moslims ingenomen. Nu vertrokken nog meer Griekse geleerden met delen van hun bibliotheken naar Italië. In de halve eeuw tussen 1450 en 1500 beleefde Italië een ongekende bloei. De anonieme geborgenheid van de Middeleeuwen brak open, de wereld kreeg meer kleuren, de persoonsgebonden rijkdommen van de Renaissance ontwikkelden zich in een adembenemend tempo.

Met de nieuwe boekdrukkunst groeide het geletterd publiek explosief. In alle kringen leken de kinderen voortaan altijd veel meer te weten dan hun ouders. Binnen een generatie kon de wereld extreem zijn veranderd: zoals in de kwart eeuw waarin Amerika werd ontdekt (1492) en in Duitsland een massaopstand tegen Rome op gang kwam (1517). Toen Columbus in de Nieuwe Wereld aan land ging en voorgoed vaststelde dat niemand over de rand van de aarde kon vallen, was dat een gigantische stap voor de mensheid. Maar voordat Columbus de geografische globe durfde bezeilen, hadden andere durfals de globus intellectualis in kaart gebracht. Als de aarde werkelijk rond was, stond veel oude wijsheid niet langer vast — bijvoorbeeld niet zoiets simpels als wat „onder” en wat „boven” was.

De strijd om de mensenrechten heeft 502 jaar geleden* een heldere stem gevonden in de beroemde oratie van Giovanni Pico della Mirandola: Over de menselijke waardigheid (1486; door zijn tijdgenoten in handschrift gelezen, later gedrukt in zijn Opera). Door dit geschrift, zijn andere vele werken en zijn bevlogen optreden is deze Pico door de eeuwen heen de belichaming gebleven van de traditie waaruit de mensenrechten voortkomen. Pico is de Prins der harmonie genoemd, de grondlegger van de tolerantie. Hij was ook echt van adel (een graaf), in 1463 geboren in het familie-castello in het Noorditaliaanse stadje Mirandola, destijds in het deel van het hertogdom Modena waar zijn clan al eeuwen de feodale macht bezat. (In Mirandola herinnert tegenwoordig weinig aan de grote zoon. Er staat een buste van van hem. Een straat en een café dr4agen de familienaam. In het kasteel is nu een pizzeria gehuisvest. 

Giovanni (loannes) was de jongste van het gezin. Veertien jaar oud ging hij naar de universiteit van Bologna. Hij studeerde aan vijf hogescholen in Italië, steeds ongeveer een jaar, tot hij in 1484 opnieuw naar Florence ging. De heerser van de stad, de steenrijke cultuurminnaar Cosimo de Medici, had hier al tientallen jaren eerder — na het concilie met de Grieken — een academie gesticht, die vaak als de belangrijkste denktank van de Renaissance is aangewezen. Cosimo had de geleerde dokter-priester Marsilio Ficino aan het hoofd van de Platonische Academie gesteld, en hem een landgoed met villa bij het plaatsje Careggi geschonken. Vele jaren vertaalde Ficino de boeken van Plato (en anderen) uit het Grieks in het Latijn, zodat Cosimo ze kon lezen. In Ficino’s studeervertrek moet een buste van Plato hebben gestaan, waarbij altijd een kaars brandde als bij een echte heilige. Inmiddels was Cosimo gestorven, en stond de groep geleerden en kunstenaars onder bescherming van Cosimo’s niet minder machtige kleinzoon Lorenzo. Juist op de dag dat Ficino zijn grote Plato-vertaling had voltooid, is Pico voor de eerste keer bij hem op bezoek gekomen. De magistrale student was nu ruim twintig jaar, de studieuze magister dertig jaar ouder. Pico was een jongeman met een knap voorkomen, een waardige houding, zijn vlees teer en zacht, zijn gelaat lieflijk en licht, zijn huidskleur blank met bevallige tinten rood, zijn ogen grijs en alert, zijn tanden wit en regelmatig, zijn haar blond en overvloedig” – volgens Thomas More in zijn vertaling van Pico’s oudste biografie.

Tijdens dit eerste gesprek met Pico besloot Ficino de boeken van Plotinus te gaan vertalen, een schrijver uit de derde eeuw, die Plato’s passages over de hoogste wijsheid en de extase verder heeft uitgewerkt. In de Opdracht aan Lorenzo de Medici bij zijn Plotinus-vertaling heeft Ficino de inspirerende ontmoeting met de jonge Pico beschreven.

Pico bleef in Florence een vaste bezoeker van de academie. Het volgende jaar bezoekt hij de universiteit van Parijs, waar hij de op Aristoteles stoelende scholastiek  naer bestudeerde. In 1486 terug in Florence raakt hij verwikkeld in een geheimzinnige liefdesaffaire. Hij verhuist naar Perugia, waar hij Hebreeuws en Arabisch leert. Uit de intensieve studie van het begrippenapparaat van de kerkelijke filosofie en van de neoplatonische ideeën raakt Pico overtuigd van de innerlijke overeenkomst van Aristoteles en Plato. Nu ontstaat een grandioos project: Pico gaat alle theologische en wijsgerige kennis van de hele bekende wereld beknopt samenvatten. Aan het eind van 1486 heeft hij het verbluffende werk af.

Hij noemt het: 900 Conclusiones (moderne editie B. Kieszkowski, Genéve 1973). Alle 900 stellingen zijn niet langer dan één zin of een paar zinnen. In 404 stellingen behandelt hij de acht belangrijkste wijsgerige scholen uit de oudheid en de Middeleeuwen, te weten Romeinen, Arabieren, peripatetische Grieken, platonische Grieken, Pythagoreeërs, Egyptenaren en Hebreeërs. En hij bekeek alle met dezelfde onpartijdigheid.

Pico is de uomo universalis bij uitstek: hij brengt uit alle bekende godsdiensten en filosofieën dezelfde waarheid tevoorschijn. De crux van zijn methode noemt hij coincidentia oppositorum — het samenvallen van de tegenstellingen. Het Intellect kan de strijdigheden constateren, maar alleen de Liefde kan de tegenstellingen verenigen. Pico licht Plato’s ideeën toe. Maar hij verdedigt ook de in zijn kringen algemeen vermaledijde Middeleeuwse scholastiek van de „grammatici”. In de Conclusiones bestrijdt hij geen enkele denkrichting — hij wil juist van alle het waardevolle opnemen. Nauwelijks 23 jaar, en met de kennis van de hele wereld op zak toog hij welgemoed naar Rome. Zijn vrienden noemden hem Princeps Concordiae, een woordspel dat zowel „Prins van Concordia” (een stadje in het feodale erfgoed van zijn familie) betekende, als „Prins van de Eendracht” omdat hij alle mensen en hun denkwijzen wilde verzoenen. Al voor zijn tijdgenoten was hij een befaamd harmonieus mens, zowel innerlijk als uiterlijk. (Zijn mooiste, in de traditie meest gebruikte en ook hierbij afgedrukte portret hangt in het Louvre, maar dit is ver na zijn dood gemaakt.)

Pico nodigde geleerden uit heel Europa uit op zijn kosten naar Rome te komen, waar hij zijn Conclusiones zou verdedigen in een groots openbaar debat. De jonge prins had nog nooit zijn hoofd gestoten, en zijn ambities leken mateloos. In deze stemming schreef hij zijn Oratio die later de titel Over de menselijke waardigheid kreeg. De toespraak was bedoeld als inleiding bij het publieke debat over zijn 900 thesen.

„Eerwaarde vaders”, zou Pico het grotendeels clericale publiek toeroepen, „ik heb begrepen waarom de mens het gelukkigste wezen in het heelal is.”

Maar paus Innocentius VIII gelastte het toernooi van de denkers af. Dertien van Pico’s thesen werden als ketterijen aangeklaagd. Pico moest uit Rome vluchten. Eerst ging hij naar Parijs, later terug naar Florence. Zijn ambitieuze, allen met allen verzoenende boek werd verboden als een vorm van „syncretisme” — waarin christelijke en heidense waarden werden gelijkgesteld. Een van de verboden thesen luidt: „Geen wetenschap overtuigt ons meer van Christus’ godheid dan magie en kabbala.” In 1491 is Pico’s legendarisch tolerante geschrift nog tijdens een Romeinse boekverbranding officieel in het vuur gegooid. Rome begreep kennelijk goed dat de hocus-pocus van Pico’s kabbala aan het begin stond van de moderne onkerkelijke wetenschap.

Pico’s pleidooi voor tolerantie werd gecensureerd. Nu het hoofdwerk met de 900 thesen was verboden, kreeg de inleidende Oratio over de menselijke vrijheid vanzelf een extra hartstochtelijke bijklank. (De tekst is ongeveer vier keer zo lang als dit artikel. Nederlandse vertaling J. Hemelrijk, 1968.) In de toespraak worden de grenzen tussen mensen naar geloof en landsaard opgeheven. Pico heeft uit oude boeken een versie van het ontstaan van de mens opgediept, die het hart van zijn betoog vormt. In zijn meest geciteerde passage oreert hij: „Toen de Schepper alles voltooid had, wenste Hij dat er iemand was die de wetten van het heeal zou erkennen, zijn schoonheid bewonderen. Daarom schiep Hij ten slotte de mens. Maar alle plaatsen waren vol, alles was uitgedeeld aan de hoogste, de. middelste en de laagste rangen. Daarom bond de Schepper de mens aan geen vaste woonplaats, aan geen vaste bezigheid, aan geen dwang, maar hij gaf hem bewegingsvrijheid en een vrije wil. ‘Midden in het heelal heb ik je gezet’, spreekt God tot Adam, ’opdat je van daaruit gemakkelijker alles rondom je kunt zien en aanschouwen wat in de wereld is. Ik schiep je als een wezen dat niet hemels is noch aards, noch louter sterfelijk of onsterfelijk, opdat je vrijelijk jezelf kunt vormen. Je kunt tot een dier ontaarden en jezelf herscheppen tot een godgelijk wezen. De dieren brengen uit de moederschoot alles mee wat ze nodig hebben; de hogere wezens zijn van het begin af (of toch spoedig daarna) wat zij tot in de eeuwigheid zullen blijven. Jij alleen kunt je ontwikkelen, groeien naar eigen vrije wil, jij hebt de kiem van alzijdig leven in je’.”

Zijn pleidooi voor ieders eigen verantwoordelijkheid heeft Pico gemaakt tot de heraut van het nieuwe ideaal: de menselijke vrijheid. De botte weigering van de Kerk om zijn discussiestuk te bespreken, heeft Pico zwaar geraakt. In twintig dagen en nachten schreef hij zijn verdedigingsrede of Apologia, die binnen een maand nadat het Vaticaan hem van ketterij had beschuldigd in druk verscheen. Hij betuigde zijn onderdanigheid aan het gezag, maar nam geen woord terug van de aangeklaagde stellingen. Hij schrijft bijvoorbeeld over het woord magiër: „Dit woord komt uit het Perzisch en staat volstrekt gelijk aan het Griekse ‘filosoof, zodat magiër zoveel als ’wijze’ betekent. De Galliërs noemen hun wijzen Druïden, de Hebreeërs Profeten, Farizeeërs of Kabbalisten. In India heten zij Gymnosofisten en in Egypte eenvoudig Priesters.” De paus werd nu eerst goed woedend: hij verbood alle 900 stellingen en dreigde Pico te excommuniceren. Lorenzo de Medici waarschuwde Rome schriftelijk voor een groot schandaal.

Pico ging op zoek naar bondgenoten tegen de leiding van de kerk. Hij herinnert zich een fanatieke Dominicaanse predikheer die de weelde van Rome verafschuwt, en hij vraagt Lorenzo de monnik naar Florence te ontbieden. In 1489 komt Savonarola terug in Florence, de vrolijke stad die door de geselprediker tot een van de somberste oorden in de geschiedenis zou worden herschapen. Bewaard gebleven brieven laten zien dat Savonarola op Pico’s verzoek de stad werd binnengehaald.

In deze jaren schrijft Pico Tegen de astrologie, zijn omvangrijkste bewaard gebleven werk. Hierin kritiseert hij de astrologie als wartaal en bijgeloof. Het kernthema van de Oratio geldt ook hier: niemand wordt geregeerd door de sterren, maar ieder door de eigen vrije wil. In 1493 trok paus Alexander VI de beschuldigingen van ketterij in. Wanneer in 1499 het Vaticaan de eerste Index (of lijst van verboden boeken) publiceert, komt Pico’s werk daarop niet voor.

Toen de samenstellers van de Universele verklaring van de mensenrechten veertig jaar* geleden in weinig weken de tekst formuleerden, konden zij teruggrijpen op de traditie.
Artikel 1 van de verklaring begint met de woorden: „Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren.” Van dit begrip „menselijke waardigheid” — het uitgangspunt van de verklaring — is Pico in de geschiedenis de eerste woordvoerder. Een paar voorbeelden van zijn roem. Al in 1525 heeft Thomas More, de schrijver van Utopia, Pico’s levensverhaal uit het Latijn in het Engels vertaald. In zijn beroemde De Cultuur der Renaissance in Italië (1860) noemt Jacob Burckhardt de Oratie van Pico „een van de nobelste erfstukken uit deze cultuurperiode”. Voor de Engelstaligen schreef Walter Pater over Pico een veelgelezen hoofdstuk in zijn Renaissance (1873). In de vijf eeuwen sinds zijn optreden is in het Nederlands zover ik weet niet dan terloops over hem geschreven. In onze tijd is Pico bewonderd als een sleutelfiguur in de iconografie van de Renaissance, zoals in de rijke studie Pagan Mysteries in the Renaissance (1967) van Edgar Wind.

Veel geschriften van de neo-platonisten gaan over het voor hen vaststaande feit dat de hoogste kennis die een mens kan opdoen, komt in de vorm van een geweldige vreugde. De vreugde brengt een dieper inzicht dan het begrip. Woorden schieten voor deze vreugde en dit inzicht te kort — het onbevattelijke (ook dit woord zegt het) is alleen te beschrijven in ontkenningen. Deze onuitsprekelijke denkbeelden vonden in Pico’s kring uitdrukking in een nieuwe beeldtaal.

In zijn korte leven schreef Pico een haast onvoorstelbare hoeveelheid werk — veel is verloren gegaan, veel bewaard gebleven Hii was ook op de Egyptische hiëroglyfen gestuit, waarvan de betekenis voor iedereen in die tijd een raadsel was ( de hiëroglyfen werden pas drie eeuwen later ontcijferd) In de Renaissance kende men aan het half-abstracte, half-beeldende schrift diepgaande betekenissen toe door de reeksen figuurtjes te lezen als rebussen. Ook de klassieke góden en godinnen met hun vele gedaanten en attributen vormden een soort beeldtaal: Orfeus met de lier, Cupido met de blinddoek.

In de Florentijnse Academie speelden schilders, tekenaars en beeldhouwers rechtstreeks samen met dichters en schrijvers in een poging het onzegbare zichtbaar te maken. Men zocht naar een frappante afbeelding, soms met weinig woorden ondersteund, die een diepzinnige gedachte onvergetelijk in het geheugen kon prenten. In de schilderkunst en de emblemataliteratuur ontstonden honderden afbeeldingen die levenswijsheden van allerlei soorten illustreerden. Een favoriet bij velen: de dolfijn en het anker —festina lente (haast u langzaam).

Aforismen werden uit de klassieken gesprokkeld en door vernuftige geesten voorzien van bijpassende illustraties — de beeldende kunst van de volgende eeuwen is doordrenkt met de wijsheden uit de emblemataliteratuur. Op Pico’s zegel staan de drie Gratiën, door hem genoemd Pulchritudo, Amor, Voluptas (Schoonheid, Liefde en Plezier).

Als eind 1494 Piero de Medici uit Florence is verjaagd, en de bevolking in wanhoop de komst van het Franse leger afwacht, krijgt de boeteprediker Savonarola de macht. De fanatieke monnik wilde memento mori („gedenk uw dood”) tot nationale bezigheid maken. Vroeger had Pico de studie van alle wijsheid ondernomen in een geslaagde poging de hele mensheid te omhelzen. Nu hoorde hij Savonarola preken: „Een oude vrouw weet meer van het geloof dan Plato. Het zou het geloof ten goede komen als er veel schijnbaar nuttige boeken werden vernietigd. Toen er nog niet zoveel boeken waren, groeide het geloof sneller dan sindsdien.”

Pico had vaak overwogen bij de Dominicanen in te treden, maar hij had het steeds uitgesteld. De laatste jaren lijkt Pico van uomo universalis veranderd in de pupil van een godsdienstfanaat. Maar hoe vroom hij ook was, hij is nooit monnik geworden. In het najaar van 1494 werd hij door koorts geveld, en op zijn sterfbed vroeg hij Savonarola hem te begraven in het witte habijt van de Dominicanen. Is Pico vredig gestorven? Of deden visioenen van de hel hem in zijn laatste uitblazing nog klappertanden? De vriendschap tussen Pico de vrijdenker en Savonarola de bekrompen theocraat is een historisch raadsel. Pico lijkt in Savonarola de tegenpool van zijn levensvreugde te hebben opgezocht. Veertien november 1494 stierf Giovanni Pico, 31 jaar oud. Dichtbij zijn vrienden Poliziano en Benivenius werd zijn gebeente ingemetseld in de linker kerkmuur van het San Marco-klooster. Daar ligt de Prins van de Levensvreugde al eeuwen bewaakt door het levensgrote standbeeld van de sombere Savonarola, alsof de tolerantie nog altijd wordt gevangengehouden door de fanaat.

.

Biografieën: alle artikelen

.

1807

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Willem van Oranje (2)

.

Arnold Henny, Jonas 22, 24-06-1983

.

Willem van Oranje 1533-1584
.

Er is al dikwijls op gewezen dat de levensloop van Willem van Oranje zich in twee verschillende fasen voltrekt. De eerste helft – 1533-1559 – is een periode van voorspoed, waarin hij door het lot in stijgende mate wordt begunstigd met rijkdom en aanzien in de wereld.
Daarna – vanaf 1559 -komen de tegenslagen. Niet alleen in zijn werk naar buiten, ook in zijn privéleven. Ten slotte komt hij door een aanslag – 1584 – om het leven.

1559: Oranje beschrijft zelf in zijn ‘Apologie’ welk een beslissend moment zich in het midden van zijn leven heeft voorgedaan: het moment waarop hij tijdens de vredesonderhandelingen van Cateau-Cambrésis tussen Spanje en Frankrijk, door de Franse koning Hendrik II in vertrouwen wordt genomen en hoort dat in een geheime clausule van het verdrag sprake is van het voornemen in Europa de ketterij uit te roeien. Oranje neemt dan het besluit zich daartegen te verzetten. Kort daarvoor was hij door Filips II nog naar Frankfort afgevaardigd om hem te vertegenwoordigen bij de kroning van zijn oom Ferdinand tot keizer van het Heilige Roomse Rijk. Hij kwam daar in aanraking met de belangrijkste protestantse Duitse vorsten. Hij hoort tijdens de feestelijkheden dat zijn vrouw, Anna van Buren, zwaar ziek ligt in Breda. Hij haast zich daarheen te gaan, en vindt haar stervende: de eerste grote tegenslag in zijn privéleven, waarop er nog vele zullen volgen: de gijzeling van zijn zoon Filips Willem, het wangedrag van zijn tweede vrouw, Anna van Saksen, de dood van zijn derde vrouw, Charlotte de Bourbon.

Zo is dit midden te bezien als een scharnier in zijn levensloop: uiterlijke glans vanuit de buitenwereld slaat om in innerlijke geesteskracht. Deze zal zich steeds meer gaan verdiepen: eerst tijdens het ‘voorspel van de opstand’ – 1559-1568 -daarna tijdens de oorlog; 1568-1584. Het is de kracht die wordt uitgedrukt in zijn, later door hem gekozen levensspreuk: saevis tranquillus in undis (kalm temidden van de ruwe golven). Voor Oranje betekende het – naar binnen toe – de krachten van het ik in een zich steeds vernieuwend godsvertrouwen. Naar buiten toe: staatsmansinzicht voor het scheppen van een nieuwe republikeinse staatsvorm, gebaseerd op gewetensvrijheid, in een tijd waarin Europa werd verscheurd door godsdienstoorlogen. Ook de aan hem toegeschreven woorden ‘Point n’est besoin d’espérer pour entreprendre, ni de réussir pour perséverer’ (Men heeft geen grote verwachtingen nodig om iets te ondernemen, evenmin behoeft men succes om vol te houden) zijn tekenend voor deze levenshouding.

Eerste levenshelft

Bij de geboorte in 1533 liet de vader, Willem van Nassau, de kerkhervormer Melanchton naar Dillenburg komen om de horoscoop van zijn zoon te trekken. Deze luidde dat de jonge Willem grote macht en rijkdom zou verwerven. Midden in zijn leven zou hij tegenslagen ondervinden. Een gewelddadige dood zou dit leven beëindigen.

Dat klonk allemaal nog al ongeloofwaardig, althans de voorspelling van het verkrijgen van macht en rijkdom. Men had het daar in Dillenburg niet breed. Graaf Willem had uit zijn vorig huwelijk twee kinderen meegebracht en zijn tweede vrouw, zijn nicht Juliana van Stolberg, bracht uit haar eerste huwelijk vier kinderen mee. Later zou de familie met nog elf kinderen worden verrijkt. In totaal achttien kinderen. Een jaar na de geboorte van zijn zoon gaat Willem van Nassau over tot de Lutherse kerk. Daarbij heeft zeker niet – zoals bij zoveel tijdgenoten – het motief gegolden, zich te kunnen verrijken met kloostergoederen. Enkele jaren daarvóór had hij het aanbod afgeslagen te worden opgenomen in de orde van het Gulden Vlies. Soberheid en eenvoud kenmerken de omgeving waarin Willem van Oranje is opgevoed.

Dat wordt anders wanneer in 1544 deze beslotenheid van het leven in Dillenburg wordt opengebroken. In dat jaar sneuvelt bij St. Dezier zijn neef René van Chalon, erfgenaam van de prinsen van Oranje, die zetelend in hun burcht Les Baux in de Provence, hun geslacht terugvoerde tot Balthazar, een van de drie koningen uit het Mattheusevangelie … Uit het testament van René van Chalon bleek dat alle bezittingen overgingen op de oudste zoon van zijn oom Willem van Nassau. Even ontstonden hierdoor in Brussel aan het hof van Karei V moeilijkheden. Zijn raadsman, Van Schoore, beriep zich op een rechtsregel: de zoon van een ketter mag niet erven. De keizer beriep zich daarentegen op een andere rechtsregel: de onaantastbaarheid van de laatste wil van een krijgsman; ook al is deze met bloed op het schild geschreven of met de punt van de laars in het zand van het slagveld getekend, zijn wil is heilig. ‘Maar,’… voegde de keizer hieraan toe, ‘wij weten hier aan het hof wel hoe een knaap van elf jaar goed katholiek kan worden opgevoed.’

Zo verhuisde Willem van een stille hoek van Europa naar het centrum, Brussel. Niet zonder rede heeft Juliana van Stolberg zich over deze verhuizing bezorgd gemaakt. De nieuwe katholieke omgeving was niet alleen vol valkuilen voor het geloof, ook aan tal van wereldse verleidingen werd een jonge man daar blootgesteld. Vergelijk maar eens de boeken die in Dillenburg werden gelezen met die, welke in de Brusselse paleizen in de boekerij stonden: naast Ovidius en Petrarca, lichtzinnige ridderromans zoals ‘Miroir des dames’ of de ‘Amadis de Gaul’ en de onafscheidelijke leidraad voor het hofleven van Castiglione. Alles overgewaaid uit de vroege barok van Italië.

Oranje groeide nu op in de onmiddellijke omgeving van de keizer. Als page en kamerheer van Zijne Majesteit viel hem de eer te beurt ’s ochtends bij het ontwaken van de monarch zijn hemd aan te reiken. Later werden hem belangrijker functies toe vertrouwd; zo was hij reeds op achttienjarige leeftijd legercommandant in de rang van kapitein-generaal. Daarbij behoorde het ophouden van een omvangrijke status. De middelen hiervoor vloeiden hem toe uit de bezittingen zijner erfenis. Bovendien werden deze aangevuld door hetgeen zijn vrouw, Anna van Buren, met wie hij op achttienjarige leeftijd trouwde, meebracht. Naast het prinsdom Orange in de Provence, beschikte hij over een vierde deel van Brabant, landerijen in Luxemburg en Vlaanderen, Franche Comté en kon aanspraak maken op het koninkrijk Arles, het hertogdom Gravina, twee markgraafschappen, vijftig baronieën en nog driehonderd kleine staatjes.

Men schat het inkomen van Oranje op 170.000 ponden per jaar. Daardoor behoorde hij tot de rijkste edellieden van Europa. Wat hij, hiertegenover, krachtens zijn functie van kapitein-generaal verdiende was nauwelijks genoeg om het voetvolk dat zijn tenten opzette te salariëren.

In 1555 doet Karei V als koning van Spanje en Heer der Nederlanden afstand van de regering. Het keizerschap over het Duitse rijk werd aan zijn broer Ferdinand overgedragen. Het tafereel is overbekend: de vorst, 55 jaar oud, in het zwart, strompelend met een stok, en leunend op de schouder van de prins van Oranje. Daarachter zijn zoon Filips, begeleid door Maria van Hongarije, de landvoogdes. Een veertigjarige regeerperiode (1515-1555) wordt hiermee afgesloten. Wat heeft zich daarin niet allemaal afgespeeld.
1517, Het jaar waarop Luther aan de slotkerk te Wittenburg zijn 95 stellingen aanplakt. 1521, De Rijksdag te Worms. Tegenover de macht van Habsburg, een rijk ‘waar de zon niet onderging’, het ‘hier sta ik, ik kan niet anders’ van Maarten Luther. Drie letters van het Duitse ICH tegenover vijf let
ters van het AEIOU, Austria Est Imperare Orbem Universam, Alles Erdreich Ist Oesterreich Untertan.

Het Habsburgse Rijk, gebaseerd, enerzijds op het saamhorigheidsverband van bloedsbanden, anderzijds op het saamhorigheidsverband van het geloof. Bloedsbanden, dank zij de Habsburgse huwelijkspolitiek waardoor het Rijk door ‘wiegen en doodkisten’ zich had kunnen uitbreiden. Het geloof, dank zij het gezag van de katholieke kerk, bestuurd vanuit Rome. Daartegen richt zich het verzet van de Reformatie en het opkomende nationalisme. In 1513 schrijft Machiavelli als balling op zijn buitenverblijf bij Florence het boek II Principe. Daarin ligt reeds het geestelijk dynamiet dat de eenheid van Europa zal ondermijnen, wanneer vorsten zich zullen onttrekken aan het bindend gezag van de moederkerk. In Frankrijk gebeurt dit in het belang van een onafhankelijke rechtsorde. In het Duitse Rijk doordat de vorsten de Reformatie gebruiken als een wig in de eenheid van Rome en Habsburg. Zo komt Midden Europa te liggen op een breukvlak tussen Noord en Zuid en op een breukvlak tussen West en Oost, wanneer de Franse koningen als ‘allerchristelijkste Majesteit’, zich niet ontzien een verdrag te sluiten met de Sultan van Turkije, waardoor het Habsburgse Rijk in de tang geraakt van twee vijandige machten.

Veertig jaar Europese geschiedenis… tijd van moeizaam weerstand bieden tegen de afbrokkeling van de Europese eenheid. Wat de keizer als afscheidsrede voorleest, is een triest en ietwat beschamend relaas van feiten. Na het einde van het verhaal, lijkt het of de afgevaardigden van de Staten Generaal nog iets anders verwachten van de keizer dan deze afrekening met het verleden. De keizer lijkt even te aarzelen. Dan klinkt uit zijn mond een verontschuldiging: ‘Messieurs… je regrette, messieurs, j’en demande pardon…’. Een Engelse ooggetuige tekent hierbij aan: daarna brak hij in tranen uit, waarbij hij, denk ik, te eerder bewogen werd, doordat allen eveneens weenden.

Nu moet Filips zijn regeringsverklaring voorlezen; nadat hij geknield heeft voor zijn vader, stamelt hij dat hij het Frans zo moeilijk vindt en hij geeft het perkament met zijn aanvaardingsrede aan de bisschop van Atrecht, de latere kardinaal Granvelle. Deze leest de regeringsverklaring voor. Het scenario werpt reeds zijn schaduw vooruit op de komende jaren. Oranje, tussén Granvelle en Filips, tussen kerk en staat, aaneengesloten tegenover hem. Het wordt zijn
levensopgave, déze aaneengeslotenheid te verbreken. Dat betekende: tegenover de oude staatkundige orde, gebaseerd op de uiterlijke zekerheid van kerk en staat, een nieuwe staatkundige orde te vestigen, gebaseerd op de innerlijke zekerheid van gewetenskracht.

Maar eerst moet de oorlog met Frankrijk tot een goed einde worden gebracht. In de veldslagen bij St. Quentin en Grevelingen worden, vooral dank zij Egmont, grote overwinningen op Frankrijk behaald. Dat leidt tot de vrede van Cateau Cambrésis in 1559, waardoor de kaart van Europa nogal wordt gewijzigd. Een jaar tevoren is in Engeland door de dood van Mary Tudor, koningin Elisabeth op de troon gekomen, waardoor Filips zijn aanspraak op de Engelse troon voorlopig moet laten varen. In plaats daarvan wordt, tijdens de vredesonderhandelingen, het huwelijk voorbereid tussen Filips en Elisabeth van Valois, dochter van de Franse koning, waardoor Frankrijk in de invloedssfeer van Habsburg komt te liggen. Voor Willem van Oranje betekent de vrede van Cateau-Cambrésis een nieuwe levensinzet. Wij zagen reeds hoe hij als intimus van Karel V werd ingelicht betreffende een geheime overeenkomst om met behulp van Alva de ketterij in Europa uit te roeien. Dit gebeurde tijdens een jachtrit in de bossen van Vincennes. ‘Wij willen gheerne bekennen’ – aldus Oranje in zijn later geschreven Apologie – ‘dat wij doe ter tijdt uut der maten seere sijn beweeght worden tot compassie ende medelijden over so veel luyden van eeren, die tot der dood geschickt ende overgegeven waren, metgaders in ’t ghemeyne over alle deze landen den welcken wij ons hielden so grootelick verbonden te wezen’.

1559-1568

Het is duidelijk dat vanaf dit ogenblik het konflict tussen Oranje en Filips vaste vorm krijgt. Dat treedt aan het licht wanneer kort daarop Filips de Nederlanden verlaat waarbij Oranje hem uitgeleide doet. Wéér zo’n overbekend tafereel: Filips beklaagt zich over de halsstarrige houding van de Nederlanders. Oranje beroept zich op de Staten. Filips bijt hem toe: ‘Niet de Staten, maar gij, gij, gij…’. Filips zal niet meer terugkeren, trekt zich terug in Spanje. Van daaruit zal hij zich bezig houden met het bouwwerk Europa: in het westen, via huwelijkspolitiek, Engeland en Frankrijk terugbrengen tot de katholiciteit. In Oost-Europa een katholieke koning, Sigismund, met hulp van de jezuïetenorde op de troon in Polen, dat zoals meermaals sluitsteen van de Europese eenheid was. Wat betekent, in deze constellatie, de opstand in de Nederlanden? Een gebeurtenis, die nog steeds in de Spaanse geschiedenisboekjes met een halve bladzijde wordt afgedaan. Vanaf 1559 werkt Filips tevens aan de tot standkoming van een ander bouwwerk: El Escurial. Tijdens de slag bij St. Quentin op 10 augustus 1557, de dag gewijd aan de Heilige Laurentius, had de Spaanse artillerie een Frans klooster vernietigd. Als boetedoening hiervoor werd het rooster, waarop eens deze martelaar was verbrand, als grondplan genomen voor een mausoleum voor de overleden Habsburgers, waarvan de urnen met de as in de grafkelder telkens zouden worden bijgezet. Het gebouw diende tevens als klooster, universiteit, bibliotheek, museum en ten slotte als paleis. Vijf en twintig jaar duurde de bouw, van 1559 tot 1584. Nog steeds staat het daar op een hoogvlakte van 1000 meter, met zijn Dom van 92 meter hoog, zijn 9 torens, zijn 16 patio’s, zijn 88 fonteinen, 86 trappen, 1200 deuren en 2600 ramen. Indrukwekkend bouwwerk, verrijzend uit een vlakte van steen, als model van theocratie: de eenheid van Staat en Kerk in een heilsplan, voor alle volkeren, voor alle eeuwen…

Dat is de wereld, waartegen Oranje nu tijdens het verder verloop van zijn leven – eveneens van 1559 tot 1584 – zich zal afzetten. Ook zijn leven ontwikkelt zich uit een bouwimpuls: gericht op de totstandkoming van een staatsvorm, met als kern de individuele gewetenskracht van de burgers. Later zal dit in Nederland als een inzet ter ere Gods worden verheerlijkt.

Niet alleen vanaf de kansel, ook in het leslokaal zal het leven van Willem van Oranje en zijn nakomelingen als een mythe voortleven, in beelden uit het Oude Testament. Willem de Zwijger, als Mozes, die het uitverkoren volk voert uit het heidendom van Egypte. Maurits, als Jozua de veldheer, die Kanaän veroverde. Willem III als Gideon de Richter, die streed voor Gods eer. Weliswaar wordt het aandeel dat het katholieke volksdeel in de opstand heeft gehad, hierbij volledig miskend. Als gevolg hiervan heeft zich, min of meer uit rancune, nog een ander oordeel over Willem van Oranje vastgezet. De Nederlandse geschiedschrijver Nuyens constateerde: ‘Godsdienst was voor Willem van Oranje niets anders dan een zaak van welgevoeglijkheid en van gewoonte. Hij werd beheerst door eerzucht en egoïsme… Hij, die in zovele opzichten zich een volksman betoonde, was misschien meer dan iemand van adeltrots doortrokken. Hij kon niemand naast zich, ternauwernood de koning boven zich gedogen. Tegenover zijn vijanden deinsde Oranje voor geen middel terug: verdachtmaking, hoon, laster.

Dit oordeel, van katholieke kant, is even eenzijdig als de ‘mythe’ die vanuit protestantse kant gegroeid is. Oranje stond tussen deze beide partijen: hij voerde de strijd zowel ‘religionis causa’ als ‘libertatis causa’, terwille van de godsdienst en terwille van de vrijheid. Wat hem voor ogen heeft gestaan, was een staatsvorm waarin noord en zuid, waarin protestant en katholiek konden samenleven met behoud van gewetensvrijheid. Maar dat vereiste wel een nieuwe maatschappijstructuur, waarin het rechtsleven zich kon vrijmaken uit de overheersende macht van de kerk. De strijd hiervoor is gecompliceerder dan meestal in de geschiedenisboekjes is voorgesteld. In de eerste fase – het voorspel, van 1559 tot 1567 – gaat het, in samenwerking met de katholieke hoge adel, voornamelijk nog om het behoud van de privileges tégen het Bourgondisch-Habsburgs centralisme. Met de komst van Alva in 1567 – door Filips gestuurd om de Nederlanders te straffen voor de beeldenstorm – verandert dit. De tirannie leidt dan niet alleen tot ‘slavernije in den lichame’ maar ook ‘inder consciëntie’. Oranje besluit dan de Nederlanden te verlaten om met behulp van de Duitse vorsten een leger samen te stellen. Voor de financiering van het bevrijdingsleger betaalde Oranje f 1.225.000 uit eigen zak. Van de Duitse vorsten kwam f 262.500. Van de Nederlanders, die bevrijd moesten worden f 12.500…

Pro lege, rege et grege

Met twee legers vond de inval plaats; eerst in het noorden onder Lodewijk en Adolf van Nassau. Later in het zuid-oosten, onder Oranje zelf. In de geschiedenisboekjes kreeg de overwinning bij Heiligerlee doorgaans meer aandacht dan de nederlaag kort daarop bij Jemmingen waarbij aan de Spaanse kant in deze slag zes of zeven man zouden zijn gesneuveld, terwijl de drie duizend slachtoffers onder Lodewijks volgelingen naakt en uitgeschud op het slagveld bleven liggen, weken lang…

In deze noodlottige pinkstertijd vond ook de terechtstelling plaats in Brussel van Egmont en Hoorne. ‘De Franse gezant, aanschouwend uit een heimelijke plaats dus deerlijk een vertoning, liet naar men zegt, zich horen, dat hij daar het hoofd zag vallen hetwelk tot tweemaal toe heel Frankrijk had doen beven, aldus P.C. Hooft in zijn ‘Nederlandse Historiën’. .. Met terreur wilde Alva de inval in het noorden beantwoorden, de plakkaten tegen de ketters werden verscherpt, de ‘Bloedraad’ had, dank zij de Inquisitie, zijn handen vol.

In oktober daarop trok Oranje vanuit het zuid-oosten de Nederlanden binnen, en vond een minder beslist optreden van Alva tegenover zich. Deze speelde de Fabius Cunctator rol, de Romeinse veldheer die de troepen van Hannibal wilde afmatten, door zich voortdurend terug te trekken. Voor Oranje werd deze afmattingsmanoeuvre noodlottig. Met elke dag uitstel van slag leveren, werd de bodem van de krijgskas meer zichtbaar, totdat Oranje gedwongen werd zijn troepen naar huis te sturen, en zelf een goed heenkomen te zoeken in Frankrijk, vanwaar hij, als boer verkleed, de terugtocht naar Dillenburg ondernam.

In deze tijd ligt ook de geboorte van het Wilhelmus. De strekking van dit lied weerspiegelt de opvatting van het, door Oranje in april uitgegeven staatsstuk ‘Justificatie ofte Verantwoordingh’. Daarin wordt zijn verzet tegen de regering gerechtvaardigd. Zijn opvatting – vóór de koning, maar tegen de tirannie van de landvoogd, – staat duidelijk in de eerste strofe van het Wilhelmus: ‘Den Coninck van Hispaengien Heb ick altijd gheeert’ Men vindt haar ook uitgedrukt in de opschriften van de vaandels van de troepen die het land zijn binnengevallen: pro lege, rege et grege (vóór de wet, vóór de koning, vóór het volk).

In de spanning van zoeken naar evenwicht tussen gehoorzaamheid aan het wettig gezag en vrijheid, ligt ook de strijd waarin langzamerhand de nieuwe staatsvorm – de Republiek – gestalte krijgt. Voor Oranje betekent dit steeds leven met twee loyaliteiten, enerzijds, jegens het door God gevestigd gezag van de koning, anderzijds jegens de belangen van de burgers. Vanuit deze loyaliteit is ook de wapenspreuk ‘Je maintiendrai, Nassau’ te bezien. Bij het afleggen van de leeneed, legde de leenman de handen in die van de leenheer en vond een wederzijdse belofte van trouw plaats: je maintiendrai… In 1567 had, met een beroep op het geweten, Oranje geweigerd de eed van trouw af te leggen aan het gezag van de landvoogdes, Margaretha van Parma. Dat ontsloeg hem niet van de eed van trouw aan de koning, in wie nog de personificatie van de rechtsorde werd gezien. Dat leidde soms tot merkwaardige situaties. Zo is de stichting van de Leidse Hogeschool – als geschenk van de prins aan de stad Leiden het doorgestane beleg van 1575 – krachtens het gezag van koning Filips tot stand gekomen, notabene als een bolwerk van vrijheid, onder andere bestemd voor de opleiding van Calvinistische predikanten.

Maar dat is dan al de tijd waarin – na de inneming van Den Briel in 1572 – de noordelijke Nederlanden zich hebben vrijgemaakt. Daarheen heeft Oranje zich begeven. Hij zal daar ‘zijn graf vinden’, maar niet dan na vele pogingen het evenwicht te vinden tussen de belangen van het zuiden en die van het noorden.

Eén ogenblik schijnt dit te gelukken, bij de Pacificatie van Gent (1576), wanneer het zuiden onder invloed van muiterij der Spaanse troepen tijdens een gezagsvacuüm, onderhandelingen opent met het noorden voor het sluiten van een overeenkomst. Maar spoedig blijkt dat de hoge verwachtingen doorkruist worden door de harde werkelijkheid. Enerzijds door de intolerantie van de fanatieke Calvinistische predikanten in Vlaanderen, voor wie ‘godsdienstvrijheid’ betekent hun eigen geloof aan andersdenkenden te mogen opleggen. Anderzijds door het optreden van Farnese, de hertog van Parma, die als de nieuwe landvoogd, veldheer en diplomaat de zuidelijke katholieke adel voor zich weet te winnen en de Unie van Atrecht sluit. Het antwoord van het noorden is de Unie van Utrecht (1579), enigszins tégen de wil van Oranje, door zijn broer Jan van Nassau doorgedrukt. Ook hierin is de Godsdienstvrijheid vastgelegd. Toch leidt dit niet tot het door Oranje beoogde doel.

Unie van Utrecht 

In deze Unie – met haar, voor ons volk, zo kenschetsend devies, ‘Res parvae Concordia crescunt’ (in eensgezindheid groeien de kleine dingen) – ligt de kiem van de Republiek die pas in 1588 tot stand is gekomen. Want eerst moest de gehoorzaamheid aan de koning van Spanje worden opgezegd. De aanleiding daartoe was de door Filips uitgesproken ban, waarin Oranje vogelvrij wordt verklaard en aan zijn moordenaar een beloning van 25.000 kronen en verheffing in de adelstand in het vooruitzicht wordt gesteld.

Op 26 juli 1581 besloten de bij de Unie van Utrecht verbonden provincies en steden, Filips als koning af te zweren daar hij als tiran misbruik had gemaakt van zijn bevoegdheid, hem door God verleend. Immers, zoals in het Plakkaat van Verlatinghe staat uitgedrukt, ‘de ondersaten en sijn niet van Gode geschapen tot behoef van den prince om hem in alles, wat hij beveelt, onderdanig te wesen en als slaven te dienen, maar den prince om d’ondersaten wille, sonder de welke hij geen prince is’.
De kern hiervan is de gewetensvrijheid. Wanneer de macht des konings indruist tegen het geweten van de enkeling, tégen de gehoorzaamheid jegens God, is verzet geoorloofd. Niet het volk heeft het recht de gehoorzaamheid op te zeggen, maar de Staten als ‘magistratus populares’, de volksvertegenwoordigers. Niettemin wijzen de laatste woorden van de Apologie, ‘Je maintiendrai, Nassau’ op een nieuwe betekenis van Oranjes wapenspreuk. De oorspronkelijke belofte tussen leenman en leenheer wordt nu een belofte van trouw tussen Oranje en het volk. Daarmee wordt gewezen op een middenweg: tussen enerzijds theocratie en anderzijds volkssouvereiniteit.

Toch is er in 1581 nog geen sprake van een Republiek. Tussen 1581 en 1588 ligt eerst nog een periode van moeizaam experimenteren met buitenlandse machthebbers aan wie de souvereiniteit wordt aangeboden; eerst, nog tijdens het leven van Oranje, de Fransman Anjou, na Oranjes dood, de Engelsman Leicester.
De hertog van Anjou, broer van de Franse koning, is vooral op aandringen van Oranje hier binnengehaald. Het was geen gelukkige keus. Deze laatste dégénéré van de Valois was allerminst aantrekkelijk, noch wat uiterlijk betreft, noch wat karakter betreft,

Reeds tijdens de onderhandelingen over zijn aanstelling, bleek hij ‘koortsig van de kliergezwellen, het gehemelte weggeteerd van de etterige zweren die zijn uitspattingen hem hadden bezorgd’… Omringd door zijn ‘mignons’ viel hij op door zijn gewaagde kleding, door pommade, poeder en schmink, door een geverfd gezicht en een zijde-achtige fantastische pruik. Weldra bleek dat zijn aspiraties veel verder gingen dan men zich in de Nederlanden had voorgesteld. Naar Engeland overgestoken, maakte hij het hof aan koninggin Elisabeth, die hem een tijd lang aan het lijntje hield van haar staatkundige aspiraties, ook al noemde zij hem ‘haar kleine kikvors’…

Teruggekeerd trachtte hij plotseling zich meester te maken van de stad Antwerpen met de Franse troepen, die ons land tegen de Spanjaarden moesten beschermen. Zijn bedoelingen kwamen daarmee abrupt aan het licht: mettertijd van de Nederlanden een Franse provincie te maken.

Oranje geraakte hierdoor in een gezagscrisis ten opzichte van de Staten, omdat hij volhield dat zonder Franse steun de oorlog tegen Spanje kansloos was. Ook in zijn privéleven was sprake van een crisis, eerst door het verlies van zijn derde vrouw, Charlotte de Bourbon – zij bezweek onder de zorgen voor het behoud van zijn leven, na de eerste aanslag door Jean Jauréguy – daarna, doordat zijn vierde huwelijk met Louise de Coligny – wier vader en eerste man waren omgekomen tijdens de Bartholomeusnacht te Parijs – bij de Staten geen onverdeelde instemming vond tijdens het bewind van Anjou. Ondertussen was Parma vanuit het zuiden naar het noorden opgetrokken. Na de val van Duinkerken maakte hij zich op Antwerpen te veroveren. Tijdens dit dieptepunt van zijn leven, trof hem op 10 juli 1584 de kogel van Balthazar Gerards in het Prinsenhof te Delft. Twee dagen later, zouden de Staten, na langdurig geharrewar, hem als Graaf van Holland inhuldigen.

Republiek

Ten slotte is in 1588 de Republiek uitgeroepen, zij het met een vrij wankele rechtsorde als basis. Spoedig zou blijken dat de twee motieven van waaruit door Oranje de strijd tegen Spanje gevoerd is – terwille van de gosdienst, én terwille van de vrijheid – eeuwen lang ons volk verdeeld hebben gehouden in ‘facties’ (van partijen is in deze tijd nog geen sprake). Twee verschillende gezindheden, die teruggrijpen op het verleden, met als voorbeeld, enerzijds Israël, als het door God uitverkoren volk, anderzijds de Res Publica, de rechtsorde van het Romeinse volk. Beide gezindheden staan afgebeeld aan de wanden van de vergaderzalen van het Amsterdamse stadhuis (thans het Paleis op de Dam). Naast afbeeldingen uit het Oude Testament, afbeeldingen ontleend aan de beschrijvingen van Livius, waarbij steeds de burgerdeugd (Virtus) de vergaderende magistraten maant het belang van de enkeling achter te stellen bij het belang van de gemeenschap.

In de Republiek leidt deze ‘onderscheiding’ steeds sterker tot een ‘scheiding’, naarmate theologische geschillen tussen ‘rekkelijken’ en ‘preciezen’ – tijdens het Twaalfjarig Bestand – escaleren tot sociologische en staatkundige geschillen. Aan de ene kant staan dan de Oranjes, steunend op de predikanten, het leger en het volk. Aan de andere kant staan de regenten uit het stedelijk patriciaat met zijn handelsbelangen.

In de Staten-Generaal krijgt deze laatste factie een overwicht, naarmate handelsbelangen ook hun invloed gaan uitoefenen op de buitenlandse politiek. Speciaal in de Staten van het gewest Holland overweegt de invloed van de stedelijke vroedschappen en in het bijzonder de vroedschap van de stad Amsterdam, waarvan de burgemeesters wel eens de ‘ongekroonde koningen van de Republiek’ zijn genoemd. Zij hebben zich’ althans daar dikwijls naar gedragen. Daartegenover hadden de Oranjes als stadhouder slechts een ondergeschikte positie.

Hoe stond Willem van Oranje zelf ten opzichte van deze twee stromingen? In een magistraal artikel, geschreven ter gelegenheid van de geboorte van prinses Beatrix in 1938, wijst Huizinga op Oranje als drager van de republikeinse traditie in ons land. ‘Oranje is in en uit de Republiek omhoog gestegen, gevoed door al de krachten die ons volk levend maakten.’ Daarmee in overeenstemming is een in januari 1983 verschenen doctoraal-scriptie van Ellen Huidekoper aan de Utrechtse Universiteit.

Het verzet van Oranje moet niet eenzijdig worden gezien, terwille van de godsdienst óf terwille van de vrijheid. Het verzet tegen de ‘slavernije so in den lichame als inder consciëntie’, moet men zien tegen de achtergrond van de zestiende eeuw, waarin het rechtsleven zich met vallen en opstaan, vrij ging maken uit de theocratische staat die nog geheel werd beheerst door de gedachte van eenheid op godsdienstig gebied. Daartegenover tekende zich af het streven naar verscheidenheid van geloofsovertuiging, waarbij de ‘rechtvaardigheid’ boven de godsdienstige tegenstellingen komt te staan. Het was niet alleen een aangelegenheid van gewetensvrijheid, waarvoor men streed, maar ook een aangelegenheid van een nieuwe republikeinse orde. Met deze gezagscrisis worden de grenzen aangegeven tussen het rechtsgebied van de overheid en het geloofsgebied van de kerk. Niet dat, tijdens de Republiek, deze gezagscrisis is opgelost. Voortdurend vindt hierin een grensoverschrijding plaats, dank zij de onverdraagzaamheid van het calvinisme, dat ‘godsdienstvrijheid’ uitlegt als het recht de uitoefening van het geloof door andersdenkenden te verbieden en te eisen dat ieder die een staatsambt bekleedt, lid moet zijn van de gereformeerde kerk.

Wanneer men tegenwoordig zegt, dat Willem van Oranje zijn leven heeft geofferd voor de verdraagzaamheid op godsdienstig gebied, is dat juist. Men moet dan echter niet vergeten dat hij – omstreeks 1573 overgegaan tot de gereformeerde kerk – hierbij even goed heeft moeten strijden tegen de onverdraagzaamheid van zijn geloofsgenoten als tegen die van de katholieken. Zijn verdraagzaamheid was nog zeer onconventioneel christelijk voor de 16e eeuwse verhoudingen, waarbij godsdienstoorlog voornamelijk a-sociale hartstochten wakker riep. Het ‘in Christus sterven’ ging bij hem gepaard met het ‘cognaistre Dieu’ als ‘ung don especial du Sain Esprit’: God leren kennen als een bijzondere gave van de Heilige Geest… Als zodanig is dan ook de laatste strofe van het Wilhelmus tevens te bezien als het sluitstuk van het leven van Willem van Oranje:

Voor Godt wil ick belijden
End Zijner grooter Macht,

Dat ick tot gheenen tijden
Den Coninck heb veracht:

Dan dat ick God den Heere
Der Hoochster Majesteyt
Heb moeten obediëren
Inder gherechticheyt.

.

Willem van Oranje

Een liedtekst van Claudia de Breij, muziek op ‘Andermans veren’ v.a. min. 6.30

alle biografieën

8e klas: alle artikelen

.

1800

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Fokker

 

Anthony Fokker

De beroemde vliegtuigbouwer

In 1890 werd te Kediri op Java een jongen geboren, Anthony Herman Gérard Fokker. Zijn vader had in Indië een koffieplantage, maar keerde toen Anthony vier jaar oud was naar zijn vaderland terug en vestigde zich in Haarlem. Hier bezocht de jonge Fokker de lagere en daarna de middelbare school. Op school blonk hij in het geheel niet uit, met het gevolg dat zijn vader hem maar van school nam. Nu kwam het grote levensprobleem voor Fokker Sr., het probleem waar zovele ouders mee te kampen hebben: op school gaat het niet met mijn zoon, wat moet ik toch met hem beginnen en wat zal ervan terecht komen.
Maar voor Anthony was het helemaal geen probleem, want vanaf zijn prilste jeugd had hij zich altijd sterk aangetrokken gevoeld tot knutselen. Hij bedacht en maakte allerlei speelgoed en toen hij wat ouder was ging zijn interesse vooral uit naar alles wat mechanisch voortbewogen werd, hoewel natuurlijk op dit gebied alles nog in zijn kinderschoenen stond. Hij maakte al spelend papieren vliegtuigmodellen en liet die van boven uit het huis naar beneden vliegen. Hoeveel kinderen spelen heden ten dage nog altijd ditzelfde spelletje? Fokker was zich op zulke momenten zeker niet bewust dat hij al bouwde aan de grondslagen van zijn carrière.
Toen hij van school afging, stond zijn plan voor de toekomst volkomen vast, hij zou wat er ook gebeuren mocht in de vliegerij gaan. Zijn vader was hier tegen en wilde dat hij een vak leerde, hij stuurde hem daarom naar een der grootste fabrieken in Duitsland. In plaats van hieraan te voldoen, ging Anthony op eigen risico naar een school voor auto- en vliegtuigbouw in Salbach bij Mainz. Fokker Sr., die er eerst niets van wilde weten, gaf later zijn toestemming. Door zijn handigheid en kennis der aviatiek werd op deze school spoedig de aandacht op hem gevestigd. In 1910 kwam de eerste grote mijlpaal in zijn leven, hij bouwde een geheel volgens eigen plannen ontworpen en een totaal van de bestaande modellen afwijkend vliegtuig. Het was een bouwwerk van hout en doek, voorzien van één motor. Deze eerste door hem gebouwde machine doopte hij de Spin.

Met dit vliegtuig maakte hij zijn eerste vlucht en het was ook dit vliegtuig waarin hij op 7 juli 1911 zijn brevet voor piloot van een eendekker verwierf. Verder heeft hij er nog vaak demonstraties mee gegeven, zo ook zijn eerste succesvolle optreden in zijn vroegere woonplaats Haarlem, waarbij hij om de toren van de St. Bavo heen vloog. Fokker ontwierp, bouwde en vloog, om daarna weer opnieuw te beginnen nadat hij de nodige verbeteringen aangebracht had. Zo had Pégoud in 1911 te Johannesburg een demonstratie van ‘loopings’ gegeven, Fokker deed hem dit na, maar begreep terstond dat de automatische stabiliteit, waarvan hij tot op dat ogenblik gebruik had gemaakt, een groot bezwaar was voor de snelle wendingen, en de manoeuvreerbaarheid van zijn machine sterk verminderde. Het gevolg was dat hij dwarsbesturing invoerde. Om de hechtheid der constructie te verbeteren, stapte hij allengs af van zijn houten latten en spanten en ging er toe over een romp te construeren, geheel bestaande uit gelaste metalen buizen. Al deze experimenten kostten schatten geld, langzamerhand waren reeds een deel der reserves van zijn ouders er aangegaan, maar tot zijn geluk werden hem door enige vooraanstaande Nederlanders grote geldmiddelen ter beschikking gesteld. Het leek echter een bodemloze put en in 1914 zag het er somber voor de geniale constructeur uit. Toen kwam eensklaps een verandering: de wereldoorlog 1914-1918 brak uit en in Duitsland, waar hij altijd gewerkt en gevlogen had, maakte men gretig van zijn aanbod gebruik om oorlogsvliegtuigen te gaan bouwen. Hierbij werd Fokkers grote roem gevestigd. Want zijn aangeboren uitvindersgave liet hem ook bij het bouwen van legervliegtuigen niet in de steek. In het begin was het niet mogelijk door de schroef heen te schieten. Hierop vond hij iets, door een gesynchroniseerde mitrailleur in het vliegtuig te bouwen, waarbij de kogel juist op dat moment de loop verliet waarop het schroefblad de loop gepasseerd was.

Volgens officieuze gegevens moeten door Fokker tijdens de wereldoorlog 7600 vliegmachines zijn gebouwd. In 1918 kwam het einde van de oorlog, de volkeren waren oorlogsmoe en hadden voorlopig weinig belangstelling meer voor gevechtsvliegtuigen.

Op dit moment voelde Fokker dat hij zich moest omschakelen op de burgerluchtvaart en niet ten onrechte zag hij hierin een grote toekomst. Hij verhuisde daartoe naar Nederland, waar hij zijn fabrieken vestigde in de gebouwen van de E.L.T.A., waarin voor kort een luchtvaarttentoonstelling had plaats gevonden. Hier begint hij verkeersvliegtuigen te bouwen, het eerst de F II, deze kon. vier personen vervoeren. In deze periode ontstaat het contact met Plesman, de directeur der K.L.M. Het gevolg van dit contact is eensdeels het ontstaan van grote botsingen tussen deze twee krachtige figuren, anderzijds echter de bloei van het Nederlandse vliegtuigwezen, met in het bijzonder de K.L.M. aan het hoofd.

De fabrieken breidden zich steeds uit, de F-serie kreeg steeds hogere nummers, enkele dezer nummers zullen voor altijd in de annalen bewaard blijven, zoals de F VII, waarmee in 1924 Van der Hoop de eerste Indiëtocht volbracht. Over de hele wereld werd zijn naam bekend, waartoe niet in het minst bijgedragen hebben de oceaanvlucht van Sir Kingsford Smith en van de Nederlandse vlieger Evert van Dijk, die beide uitgevoerd werden in fokkermachines. Ook van Lear Black, de grote Amerikaanse krantenmagnaat, maakte zijn wereldvluchten met een fokkertoestel en de K.L.M. begon zijn geregelde Indiëvluchten eveneens met fokkertoestellen. Nederland was voor Fokker te klein, zijn zwerversgeest bracht hem naar de overkant van de oceaan; daar in Amerika zag hij grotere commerciële mogelijkheden, want Fokker was niet alleen een bekwaam constructeur, maar ook een knap en handig zakenman. De laatste jaren van zijn leven vertoefde hij veel in Amerika, afgewisseld door kortere en langere perioden in St. Moritz.

In Amerika is hij op 23 december 1939 gestorven. Later is zijn stoffelijk overschot overgebracht naar Nederland en vindt thans een laatste rustplaats te Westerveld, dicht bij Duin en Kruidberg, het grote buiten waar hij in zijn jeugd veel vertoefd heeft.

Ook anderen heeft hij willen laten delen in zijn liefde voor de aviatiek. Hij stichtte het Fokkerfonds, waarvan de baten ten goede komen aan de opleiding van jonge Nederlanders tot vliegtuigbestuurder.

(geschreven omstreeks 1950)

Alle biografieën

 

 

873

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Cugnot, Daimler, Ford

Cugnot, Daimler en Ford

Ontwerpers van de eerste automobielen
‘Wat ben je daar aan ’t maken?’ vroegen de vrienden van Nicholas Cugnot hem in het jaar 1770 in Frankrijk.
‘Een machine op wielen.’ ‘Waarom zitten er geen vier wielen aan?’
‘Ik heb er maar drie nodig. De machine is zwaar en die monteer ik op twee sterke achterwielen; die draaien door de machine en duwen zo het kleine voorwiel.’
Toen klom hij erin, maakte de machine op gang en stoomde met veel lawaai de weg op met de snelheid van een voetganger, die op z’n dooie gemak kuiert; vier kilometer per uur. Zijn vrienden liepen ernaast, maar hadden ze een paar kilometer gewoon doorgelopen en dan omgekeerd, dan kwamen ze hun vriend Nicholas weer tegen. ‘Waarom hield je op?’ ‘Ik had geen stoom genoeg; de machine gebruikte de stoom op en ik moest dus wachten tot ik nieuwe stoom had.’ ‘Maar waarom stop je zo dikwijls; elke kilometer een heleboel keren?’ ‘Dat is niet zoveel. Hoogstens een keer of veertig per kilometer. Misschien maak ik later een betere machine en hoef ik niet meer te stoppen dan een keer of zes, zeven per kilometer.’De wagen zonder paard, die Nicholas Cugnot demonstreerde, is nu te zien in het Conservatoire des Arts et Métiers in Parijs, en wordt met eerbied aanschouwd door de huidige autotoeristen.

Een jaar nadat Cugnot zijn stoomwagen had gedemonstreerd, werd Trevithick geboren en we hebben gezien, dat hij in 1801 ook met een stoomwagen te voorschijn kwam, maar de voetgangers kregen er last van en in Engeland werd zelfs een wet gemaakt, waarin bepaald werd dat een man met een rode vlag voor de machine uit moest lopen, om de mensen te waarschuwen; dit werd pas in 1896 afgeschaft.

Toen men in de dertiende en veertiende eeuw het buskruit begon te gebruiken, begreep men, dat dit een bron van geweldige kracht zou worden, als men er goed mee om kon gaan. Drie- of vierhonderd jaar later, toen men profijt begon te trekken van de druk, door stoom veroorzaakt, liepen sommige mensen met het plan rond buskruit te gebruiken in machines en niet alleen om ermee te schieten. In de zeventiende eeuw slaagde men daarin inderdaad, in Frankrijk en Nederland. Later gebruikte men gas of een combinatie van lucht en gas.

Onder de duizenden mensen in Duitsland, die machines maakten, was Daimler een van de eersten (1834-1900). Hij was een uitstekend mecanicien en ging naar Engeland om zich verder in zijn vak te bekwamen, maar kreeg heimwee en ging weer terug naar Duitsland. Daar aangekomen maakte hij zulke uitstekende gasmachines, dat hij aan het hoofd kwam te staan van een fabriek, die groot succes had. Op zijn achtenveertigste jaar had hij er genoeg van voor anderen te werken en wilde voor zichzelf beginnen en een lichte wagen construeren, die op gas liep, zo licht, dat je er overal mee naar toe kon en zo snel, dat je de spaken haast niet kon zien, als hij met zijn grootste snelheid liep.

Nu was Daimler in zijn element; hij werkte met lust en ijver en produceerde de lichtste, snelste en krachtigste machine van zijn tijd. Hij bracht het aantal omwentelingen per minuut van tweehonderd op achthonderd en reduceerde het gewicht van vijfhonderd kilogram per paardenkracht tot vierenveertig kilogram. Hoe verkreeg hij zo’n enorm verschil? Door gebruik te maken van een gevaarlijke stof, die zeer ontplofbaar was – benzine.

Toen Gottlieb Daimler in het jaar 1886 zijn nieuwe motor maakte, was hij tweeënvijftig. Daarna leefde hij nog veertien jaar en in die tijd werd zijn uitvinding toegepast op rijwielen en boten. Het is eigenaardig, dat hij er niets voor voelde zijn motor te gebruiken voor het construeren van snellopende wagens; hij volgde de experimenten in Duitsland en Engeland, maar vond, dat ze te zwaar, lomp en rumoerig waren en niet in de smaak van het publiek vielen. Ook dacht hij, dat er niet veel vraag zou zijn naar wat wij een automobiel noemen.

Niettemin heeft Gottlieb Daimler als uitvinder van de lichte, krachtige benzinemotor met zijn grote aantal toeren de eerste stoot gegeven aan de reusachtige industriële ontwikkeling over de hele wereld. Door zijn uitvinding ontstond er een internationale jacht op oliehoudende landen en een grote vraag naar rubber, waardoor hele streken in de tropen, die vroeger oerbos waren, werden ontgonnen. Door hem ontstonden allerlei nieuwe beroepen, werden er ontzaglijke fortuinen verdiend en miljoenen mensen hebben aan hem het genot van het autorijden te danken. Zijn uitvinding werd toegepast onder water, op het water, op het land en in de lucht. Er bestonden geen afstanden en geen afgelegen landstreken meer.

Nicholas Cugnot en anderen, die stoomwagens maakten die op de weg liepen, brachten honderden anderen ertoe te experimenteren met gasmachines en leidden op hun beurt het werk van Gottlieb Daimler en vele anderen in, die de benzinemotor perfectioneerden. Wie de automobiel eigenlijk heeft uitgevonden, weet niemand precies. Duizenden personen hebben er eeuwen lang aan gewerkt, hebben hun bijdragen geleverd en verbeteringen aangebracht. Al lang geleden zeiden de mensen: ‘Als we eens een wagen konden maken, die zichzelf voortbewoog, en die voor ons werkte! Dat zou een ideaaltoestand zijn!’

Reeds in 1791 maakte John Barber in Engeland een ontplofbaar mengsel van gas en lucht, waarmee hij van plan was een machine te laten lopen. In Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk vond zijn idee bijval en construeerde men allerhande machines, die op gas liepen, maar ze waren allemaal te zwaar en liepen te langzaam. Toen kwam Gottlieb Daimler in 1886 met zijn nieuwe snelle en lichte motor. Onder de eerste automobielfabrikanten heeft Henry Ford, geboren in 1863, grote naam gemaakt.

Omstreeks 1876 of 1877 kon men op de landwegen in de buurt van Detroit, Michigan, een magere opgeschoten jongen van een jaar of twaalf, dertien achter de koeien zien lopen. Zijn gezicht was bruin verbrand en hij zat sjofel in de kleren; zijn moeder was gestorven, toen hij nog jong was en hij wist niet beter, of hij zou zijn vader op het land blijven helpen.
Omstreeks twaalf jaar, stond hij op een goeie keer met de grootste aandacht te kijken naar een zware stoomtractor op de weg, geheel onder de indruk van het wonderdier en bekeek het van alle kanten. Hij stelde allerlei vragen aan de machinist en kreeg toen tot zijn verbazing te horen, dat de machine een koppeling had, waardoor de kracht de ene keer kon worden gebruikt om de wielen in beweging te brengen, zodat de tractor reed, en dan weer om een drijfriem in beweging te brengen, die allerlei machinerieën op de boerderij aan de gang kon brengen. Van dat ogenblik af had Henry Ford maar één wens: zelf een machine te bezitten, die op de weg kon lopen.
Een van de liefhebberijen van de jeugdige Ford was een werkbank met gereedschap, dat hij zelf had gemaakt; hij begon nu te proberen, of hij zelf zo’n machine in elkaar kon zetten. Zijn vader was in zekere zin trots op hem: ‘Die jongen is lang niet stom en zijn handen staan niet verkeerd, want hij knutselt van alles in elkaar. Maar ik wou liever, dat hij het liet, want hij verdoet zijn tijd aan wieltjes en veren in plaats van zijn werk op het land te doen.’
Als jongen haalde hij ook graag horloges en klokken uit elkaar en zette ze daarna weer netjes in elkaar; later legde hij zich toe op het schoonmaken en reguleren van precisieuurwerken.
Op zijn zeventiende jaar ging Ford van school en werd hij leerjongen in de Dry Doek Engine Works, waar hij de beginselen van de machinebouw leerde tegen een salaris van $ 2.50 per week, en werkte daar dikwijls veertien uur per dag. Na twee jaar kreeg hij een baantje, bestaande in het monteren van landbouwmachines. Hij reisde veel rond in de landbouwdistricten maar had vaak gelegenheid thuis te komen. In zijn vrije tijd maakte hij plannen en ontwerpen voor een betere landbouwmachine en was overtuigd van de noodzakelijkheid van tractoren om de Amerikaanse landbouw tot bloei te brengen.

In 1884, toen Henry Ford al eenentwintig was, bezwoer zijn vader hem dat gepruts op te geven; dat was allemaal tijd verknoeien. ‘De machines zijn goed genoeg en jij kunt ze in ieder geval niet verbeteren. Ik zal je een stuk grond voor jezelf geven, dan kun je de bomen omhakken en een flinke duit verdienen. Wat denk je ervan?’ Henry ging op het voorstel in, want het lukte niet met zijn nieuwe landbouwmachine. Hij verdiende inderdaad wat geld, trouwde en bouwde zelf een huis met gereedschap, dat hij ook zelf gemaakt had en was nu een onafhankelijk man.

Hij hielp de andere farmers aldoor met hun machines en werd op die manier een erkend expert. Eindelijk kon hij het niet meer uithouden en ging weer naar Detroit, waar hij werk vond als machinist en monteur in dienst van de Detroit Edison Company. Hij was een zo uitstekend vakman, dat men hem na een poosje aanstelde als hoofdingenieur. Evenals vroeger werkte hij ’s avonds weer aan zijn werkbank met het vaste voornemen een machine te ontwerpen, die tegelijk sterk en licht was, als beweegkracht voor tractoren of lichte wagens.
Eerst maakte hij een krachtige machine, door petroleum te gebruiken om er water mee te verhitten en zo stoom te verkrijgen. Toen kreeg hij op een goeie dag een ottogasmotor te repareren. Hij had gezien, dat stoommachines altijd zwaar geconstrueerd moesten worden en dat er altijd het gevaar van ontploffing bleef. Onmiddellijk begreep hij het voordeel van inwendige verbranding, waardoor zowel het grote gewicht als het gevaar te vermijden was. Hij nam daarop de constructie van een lichte benzinemotor ter hand voor het gebruik op de weg.
In 1892, op zijn negenentwintigste jaar, was de eerste ford klaar: een tweecilinder auto van vier p.k. Daarna bracht hij er allerlei verbeteringen in aan en richtte een maatschappij op. Iedereen moet een ford hebben, was zijn slagwoord. Daarom ontwierp hij een model, dat licht en goedkoop was en dat overal dienst kon doen, met gestandaardiseerde onderdelen; de auto moest binnen het bereik van ieders beurs zijn.

Tien jaar, nadat hij zijn eerste auto had gemaakt, trok Henry Ford zich terug uit de oorspronkelijke maatschappij, om de gelegenheid te hebben andere en betere plannen, die hij op het oog had, uit te voeren. Nu maakte hij een motor van tachtig p.k. met vier cilinders. Maar hoe zou hij er op de beste manier reclame voor maken, dat was de vraag. Natuurlijk op autoraces, want dat was de sensatie van de dag. Overal won hij de eerste prijs en nu was zijn naam voorgoed gemaakt. Het viel hem niet moeilijk geld bijeen te krijgen voor een nieuwe maatschappij. Hij was toen veertig jaar. De maatschappij begon met een kapitaal van $ 14.000,-, maar vijf jaar later bracht de Ford Motor Company al de beroemde ford ‘Model T’ op de markt. De verkoop daarvan was binnenkort zo enorm, dat de Ford Motor Company een van de grootste maatschappijen van de wereld werd, met een heel leger van arbeiders, agenturen in alle landen, fabricage van eigen materialen enz.; de winst was overstelpend. Henry Ford bleef ondanks zijn buitengewone maatschappelijke, industriële en financiële successen een eenvoudig en rustig man, die zijn arbeiders een goed loon betaalde en zorgde voor uitstekende arbeidsvoorwaarden; bij stond altijd klaar om zijn medemensen te helpen.

Door het universele gebruik van fordautomobielen werden de grenzen van de beschaafde wereld overal uitgebreid. In China, in de Afrikaanse wildernis, op de Zuidzeeëilanden, werden nieuwe wegen aangelegd.

Door het steeds toenemende autoverkeer kon men niet langer volstaan met de ouderwetse modder- en grintwegen en zo werd een net van asfalt- en gewapend-betonwegen over de hele wereld gespannen. Auto’s zorgden voor goede verbindingen en een snel transport van goederen op alle uren van de dag; aan de auto’s is het te danken, dat mensen met een klein inkomen veel meer dan vroeger van de wereld konden zien. De produktie en distributie der automobielen deden duizenden nieuwe zaken ontstaan, maakten een groot aantal mensen rijk en brachten een grote verandering teweeg in industrie en financiën. Het was het begin van een nieuw tijdperk: het Tijdperk van de motor, waardoor het gehele maatschappelijke leven en zelfs de oorlogvoering werden veranderd.

meer over Ford

alle biografieën

864

VRIJESCHOOL- Vertelstof – biografieën – Hudson

.

DE KAPITEIN VAN DE ‘HALVE MAEN’
.

Van het verleden van Henry Hudson, de ontdekker van de Hudsonbaai, de Hudsonstraat en de eveneens naar hem genoemde rivier, is niets bekend. Het is echter niet waar dat hij een Nederlander was, al noemden de Nederlanders hem “Hendrick”. Hij schreef zijn naam gewoon Henry en hij kon de taal van zijn Amsterdamse broodheren lezen noch schrijven.

Hij komt voor de eerste maal in de geschiedenis voor wanneer hij en zijn bemanning — 10 man en een jongen — te Bishopsgate in Engeland de heilige communie doen, alvorens zich in te schepen op de Hopewell om recht over de Noordpool heen naar het verre, fabelachtige land Cathay (China) te varen. Deze reis, die werd georganiseerd door een handelmaatschappij, de Muscovy Company, werd een mislukking. Hudson ervoer dat het onmogelijk was om door de ijsbarrière tussen Groenland en Spitsbergen heen te breken en hij keerde naar Londen terug. Hij werd het volgende jaar wederom door de Muscovy Company uitgezonden om het nogmaals te proberen. Nu poogde hij door het ten noorden van Rusland gelegen Nova Zembla een vaargeul te vinden naar de tot de Poolzee behorende Kara-Zee, om vandaar, na de legen­darische Kaap Tabin omzeild te hebben, het rijke Oosten te bereiken via een warme zee die naar “wierook-dragende bomen” moest geuren.

Ook deze reis mislukte, maar al kreeg hij de legendarische kaap nimmer in zicht, ten minste twee leden van zijn bemanning vingen een glimp op van iets nog veel merkwaardigers. Terwijl ze vlak na een poolstorm aan dek stonden, zagen ze een meermin. Ze waren niet de eerste menselijke wezens die dit voorrecht hadden.

De Nederlanders zagen bij Borneo ook zo’n wezen dat ze bijna een week lang in een groot vat in leven hielden. “Nu en dan slaakte ze kreetjes als een muis. Ze wilde niet eten, al bood men haar vis, kreeft en zo voort aan.”

Omstandig beschrijft Henry Hudson de gedaante van het vismeisje. “Ze kwam dicht bij het schip en zag de mannen ernstig aan” — toen werd ze door een golf omgeworpen en verdween. “Tot de navel was haar rug, en waren hare borsten, als die van een vrouw; haar huid was zeer blank, en heur lange haar viel op haar rug; toen ze onderdook zagen ze haar staart, gelijk die van een bruinvis en gespikkeld als van een makreel.”

Hoezeer de Londense kooplieden ook door zijn relaas geboeid mogen zijn geweest, ze waren diep ontmoedigd door Hudsons tweede mislukking, en hij was alras zonder werk. De Nederlanders hadden evenwel van zijn daden vernomen, namen hem in dienst, en hij vertrok opnieuw, stak in de Halve Maen de Atlantische Oceaan over, en kreeg op 2 september 1609 de blinkende zand­banken van Sandy Hook in zicht. Toen de zeelui de tegenwoordige haven van New York opvoeren, “drong hun een zoete geur in de neus”. Indianen in kano’s kwamen hun oesters en bessen brengen. Aan alle kanten groeiden prachtige wouden tot aan de waterkant.

Hudson voer in de Halve Maen de rivier op tot aan het tegen­woordige Albany en verliet het schip om de Indianen in hun eigen huis op te zoeken. “Met een oude man die aan het hoofd stond van een stam van 40 mannen en 17 vrouwen ging ik de oever op; deze mensen woonden in een goedgebouwde hut van eikenschors, rond van vorm, met een gewelfd dak. Bij onze komst kregen we onbekende spijzen aangeboden in grote houten kommen. Ook werd er een gemeste hond geslacht, en in grote haast met schelpen gevild. Ze dachten dat ik bij hen zou overnachten, maar ik keerde terug naar het schip. De inboorlingen zijn een vriendelijk volkje, want toen zij zagen dat ik niet wilde blijven, meenden zij dat ik bevreesd was voor hun bogen; ze namen hun pijlen, braken ze in stukken en wierpen die op het vuur.”

Bij Albany stootte Hudson op ondiepten en keerde terug. Er deed zich toen een ongelukkig incident voor. Op een middag, toen de Halve Maen, omgeven door kano’s, voor anker lag, klom er een Indiaan op het roer en stal uit een patrijspoort een hemd en een hartsvanger. Het hemd behoorde toe aan een boosaardige Engelse zeeman uit de sloppen van Londen, Robert Juet geheten.

Het ware beter geweest indien de inboorling van een mensenetend dier had gestolen dan van deze middeleeuwse vechtersbaas. Er werd alarm geslagen, en de Nederlandse stuurman schoot op de dief en doodde hem. Er ontstond grote verwarring, en de Indianen vluchtten in paniek overboord. Die avond voer de Halve Maen zo ver mogelijk de rivier af. De volgende dag zag men meer dan honderd Indianen zich verzamelen op een landtong, en ze probeerden de Halve Maen te praaien. Juet “vuurde een falkonet op hen af en doodde er twee”. Twee dagen later voeren ze de riviermonding uit en de open zee op, zulks tot hun grote op­luchting. Wellicht had de gezagvoerder deze barbaarse geweld­daden niet kunnen voorkomen; het is bekend dat hij toen reeds te lijden had van ongehoorzaamheid onder de bemanning.

De laatste reis van Hudson werd geldelijk gesteund door de prins van Wales, samen met de Londense kooplieden, en in 1610 voer hij uit in de bark Discovery op zoek naar Cathay. Er heerste vanaf het begin van de reis een slechte, ontevreden stemming onder het scheepsvolk. Robert Juet sloeg oproerige taal uit en gaf twee schepelingen de raad, hun musketten geladen en wel in hun verblijf gereed te houden omdat hij “doodslag, en voor sommigen bloedvergieten” verwachtte.

Eindelijk voeren ze de Hudsonstraat binnen. Vanwege de grote ijsmassa’s duurde het vijf weken voor ze erdoorheen waren. Eens weigerde de bemanning om verder te varen, maar Hudson toonde hun zijn zeekaarten en haalde hen over, door te zetten. Ze voeren maar door, en onderweg verzamelden ze uit poelen op voorbij­drijvende ijsbergen vers water. Toen ze de ingang van de grote baai bereikten, moet Hudson wel gedacht hebben, dat het zwaar­ste gedeelte van de reis achter de rug was en dat hij de lang gezochte noordwestelijke doorvaart had gevonden. Met heen en weer varen werd echter veel tijd verloren, en tegen 1 november was de Discovery ingevroren aan de zuidpunt van de Jamesbaai. De kanonnier stierf, de bemanning kreeg scheurbuik, en het voedsel werd schaars.

Aanvankelijk leefden ze van sneeuwhoenders, en in de vroege lente aten ze trekvogels die op doortocht waren haar hun broed­plaatsen in het hoge noorden. Nog later raakten de mannen zo uitgehongerd dat ze de bossen introkken, de heuvels op en de dalen in, om gelijk vossen te zoeken naar “Alles wat maar enigs­zins eetbaar was, walgelijk of niet”. Ze aten mos en kikkers, “de dood door de kogel ware beter”. Eindelijk was het ijs zo ver gesmolten dat ze het schip los konden krijgen. Hun enige hoop was, vanaf de Jamesbaai koers te zetten naar het noorden, naar Kaap Digges, waar ze het jaar tevoren wild gevogelte hadden zien broeden. Met zijn eigen handen verdeelde Hudson de laatste korsten brood onder het scheepsvolk, “en hij weende toen hij het hun gaf”

Na een poos raakten ze door het ijs van de open zee afgesneden, en op een zaterdagnacht begonnen de mannen onder aanvoering van Juet te muiten. Drie man overmeesterden Hudson en dwon­gen hem, zijn zoon en de zieke schepelingen in de kleine boot te gaan. De muiters waren niet van zins, de scheepstimmerman te laten gaan, maar toen de eerlijke zeebonk zag wat er gebeurde, wilde hij van blijven niet horen. Tierend dat het een aard had verdween hij om zijn timmerkist en zijn ijzeren pot te gaan halen — “wat hem betrof, hij wilde op het schip niet blijven, en, eerder dan er waarschijnlijk bij die schurken het leven af te brengen, be­gaf hij zich in Gods hoede omwille van de schipper in de sloep”.

Toen stootten de muiters het huikje af en zeilden weg: ze zagen de sloep kleiner en kleiner worden, totdat Henry Hudson niet meer dan een stip was op de golven van de grote middellandse Poolzee die hijzelf had ontdekt. Dat is het laatste wat we van hem weten. Zijn einde is in raadselen gehuld.

.

alle biografieën

vertelstofalle biografieën
.
vertelstofalle artikelen
.
557-511

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Confucius

.

De wijsheid van Confucius

 

Als hij in eigen persoon vóór ons kwam staan, zou hij er, in onze ogen, nogal vreemd uitzien, met zijn grote, naar buiten staande neusgaten, zijn spleetogen en grote bult boven op zijn hoofd. Zijn baard en snor hingen in drie strengen omlaag, en zijn gewaad leek op een Japanse kimono. Maar hij was groot en sterk, een hartstochtelijk jager, een begaafd musicus en een intellectueel genie. Zijn grote en subtiele wijsheid wordt in het Westen niet erg gewaardeerd, en toch neemt hij in de hele wereld een unieke plaats in. Hij staat in de geschiedenis geheel op zichzelf als de man die de geest en de gewoonten van een heel volk heeft gevormd.

Confucius

Confucius leefde in China meer dan 500 jaar voor Christus’ geboorte. Hij was een van de grootste leermeesters der levenskunst en meer dan een van de anderen alleen maar leermeester. Hij was geen heilige en geen profeet. Hij had geen sleutel die paste op alle geheimen van het heelal. Hoewel men over zijn leer dikwijls spreekt als over de godsdienst van China, had hij weinig belang­stelling voor godsdienst of voor de idee van een eeuwig leven. Maar hij bekommerde zich zeer om het goed-zijn. Hij was de uit­vinder van die toverformule, de gulden regel, een van de heiligste schatten van ons eigen evangelie, namelijk de samenvatting van zijn leer: “Doet een ander niet aan wat gij niet wilt dat anderen u aandoen.”

Confucius is soms zo dicht bij het Evangelie van Christus, dat er een heel boek geschreven is over de overeenkomsten en verschillen van deze twee. Overeenkomstig de christelijke leer “Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt” is bijvoorbeeld zijn waarschuwing dat wij bij het beoordelen van anderen, “ons innerlijkste zelf”‘ als maatstaf moeten nemen. Is het niet denkbaar dat wij dezelfde zonde zouden hebben begaan? Maar in tegenstelling tot het christelijk geloof was zijn antwoord, toen iemand hem vroeg wat hij vond van de gedachte dat wij onrecht met vriendelijkheid moesten vergelden: “Waarmee wil je dan vriendelijkheid ver­gelden? Vergeld onrecht met recht, vriendelijkheid met vriende­lijkheid.”

Als jongen had Confucius een levendige belangstelling voor alle soorten ritueel en ceremoniën. Van muziek hield hij ook, en hij leerde zingen en luit en citer spelen. Op middelbare leeftijd reisde hij van zijn geboorteplaats in de kleine provincie Lu naar de hoofdstad, om “de regels van de muziek en het decorum” te bestu­deren en een deskundige te worden in alle vormen van ceremo­nieel gedrag.

Toen Confucius volwassen werd, voorzag hij in zijn levens­onderhoud door leerlingen in huis te nemen. Er was geen vast­gesteld lesgeld, en als de leerling zowel behoeftig als begaafd was, hoefde hij helemaal niets te betalen. De leer van Confucius is tot ons gekomen in de vorm van een uitgebreide verzameling losse opmerkingen en fragmenten van gesprekken die door zijn leer­lingen zijn vastgelegd. Helaas zijn ze niet verbonden met zijn levensgeschiedenis, zoals het geval is met die van Jezus, en dat maakt ze minder leesbaar. Ze zijn ook niet zo welsprekend als de evangeliën. Confucius wantrouwde welsprekendheid. “Het enige dat de taal moet doen,” zei hij, “is een betekenis overdragen.” Hijzelf deed dat met eenvoudige proza-gezegden, zoals:

“Waarheen u ook gaat, ga met uw ganse hart.”
“De ernstige fout is: fouten hebben en niet proberen die te ver­beteren.”
“Acht uzelf niet zo groot, dat andere mensen klein lijken.”

Zijn geest neigde naar het wetenschappelijke. Doordien hij de nadruk legde op de geestelijke lenigheid, de vervanging van het dogma door het feitenonderzoek en het opschorten van een oor­deel was hij zijn tijd 2000 jaar vooruit. Hij heeft als eerste onder woorden gebracht wat men de gulden regel der wetenschap zou kunnen noemen: “Als men iets niet kent, is de erkenning dat men het niet kent, kennis.”
Zo rekende hij af met de verleidingen van bijgeloof en een manier van “denken” waarbij de wens de vader is van de gedachte. Tot hetzelfde doel legde hij grote nadruk op oprechtheid — niet alleen in woorden, maar ook in de persoon­lijke meditatie. Er mag geen innerlijk zelfbedrog bestaan als men op reis gaat langs wat hij noemde “het pad der waarheid”.

Toch was het geen recht en nauw, of onmogelijk moeilijk pad, dat hij wees. “De weg der waarheid,” zei hij, “is als een grote weg. Hij is niet moeilijk te vinden. De kwestie is alleen, dat de mensen er niet naar willen zoeken.” Dit betekent niet dat hij laksheid of toegeeflijkheid jegens onszelf aanried. Confucius was een strenge, veeleisende leermeester. Vergeleken met de lijst met hoedanighe­den waarnaar zijn leerlingen moesten streven, lijken onze zeven hoofddeugden meer op een cursus voor beginners. Onder andere dienden zijn leerlingen te zijn “vlug van begrip, helder van oor­deel, van verreikende intelligentie en alomvattende kennis, ge­schikt om gezag uit te oefenen, grootmoedig en verdraagzaam.” Ze moesten ook “plechtigheid”, “ernst”, “trouw”, “vriendelijk­heid” en “eerbiedige aandacht voor zaken” leren. Zijn gezegden geven mij de indruk dat daaraan de gedachte ten grondslag ligt dat alle mensen zich in een groeiproces bevinden. Hij geloofde dat er in ons allen een stuwkracht werkzaam is, een verlangen om zo al niet anderen, dan toch onszelf te overtreffen.

Evenals Plato 200 jaar later, ontwierp ook Confucius het bouw­plan van een ideale republiek, maar de zijne was zeer verschillend van de streng geordende die Plato bedacht heeft. Confucius’ plan kwam namelijk voort uit zijn verlangen dat de maatschappij zou functioneren als een liefhebbend gezin. Die idee was met name in China nogal utopisch, omdat de familiebanden daar hechter en sterker zijn dan waar ook ter wereld; Chinezen te vragen, alle mensen als hun familieleden te beschouwen, ging wel wat ver. Confucius wist dit, maar hij wilde de wereld althans in de richting van het ideaal zien gaan. En de enige manier om een begin te maken, zo meende hij, was goede en wijze mannen in
machtsposities te krijgen. En ook evenals Plato heeft hij zich zijn hele leven naarstig beijverd om door een van de feodale vorsten in een hoge ambtelijke positie benoemd te worden. Dat viel wel verscheidene van zijn beste leerlingen ten deel, maar hijzelf schijnt nooit veel verder gekomen te zijn dan de positie van hooggeschat leermeester voor dergelijke ambtenaren.

Hoewel hij jarenlang door China rondgetrokken is met een kleine groep leerlingen, op zoek naar een machthebber die hem een kans wilde geven om de wereld te hervormen, stonden bepaal­de karaktertrekken de verwezenlijking van zijn ambities in de weg. Hij schijnt te openhartig geweest te zijn om als politicus te slagen. Tot een onstuimig heerser die hem onderricht vroeg in de kunst van het regeren, zei hij: “Leer eerst uzelf regeren.” Bovendien geloofde Confucius niet werkelijk in erfelijke aristocratie. “Van nature zijn de mensen bijna gelijk,” zei hij. En hoewel de demo­cratie toen nog niet was uitgevonden, verklaarde Confucius — wellicht voor het eerst in de geschiedenis — dat het ware doel van het regeren niet slechts de welvaart, maar het geluk van het volk is.

Ten slotte keerde hij terug naar zijn vaderstad, als een oude ver­moeide man — niet geestelijk gebroken, maar wel overtuigd dat hij mislukt was. Na een paar jaar van rustig onderwijzen stierf hij in die overtuiging. Zijn leerlingen rouwden om hem alsof hij hun vader was geweest. En aangezien het toentertijd in China ge­bruikelijk was dat kinderen drie jaar lang rouwden om een ge­storven vader, hadden ze ruim de tijd. Die brachten ze door met elkaar aan alle belangrijke dingen te herinneren die hij onderwe­zen had, en die op te schrijven. Het boek van hun herinneringen werd de bijbel van het Chinese volk. Meer dan dat: het werd hun boek der etiquette, de geest van hun wetten, de politieke begin­selen die hun goede heersers voorstonden.

Toen in de derde eeuw vóór Christus zekere wrede despoten het confucianisme verboden, zijn geschriften verbrandden en zijn aanhangers doodden, verbreidde deze filosofie zich als een geheim lopend vuurtje — evenals het christendom zich later onder de vervolging zou verbreiden. En eveneens als met het christendom gebeurde, kwam er daarna een bedachtzamer keizer, die het confucianisme aannam en het van staatswege sanctioneerde.

Boek na boek is sindsdien over het confucianisme geschreven, zodat iemand die er in zijn jeugd aan zou beginnen en dan een heel mensenleven zou doorlezen, er niet doorheen zou kunnen komen. Maar door al die boeken straalt de zuivere, hoge, gema­tigde en eenvoudige levenskunst die Confucius zelf onderwezen heeft, en die zal blijven stralen, ongeacht hoevele communistische volksopvoeders hun best doen om haar te vervangen door hun religie van staatstirannie en hun leer dat het doel de middelen heiligt, hoe bloedig en slecht die middelen ook zijn.
.

alle biografieën

vertelstofalle biografieën
.
vertelstofalle artikelen

.

556-510

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

./

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Linnaeus

.

VIVAT LINNAEUS

 

Linnaeus

 

De historische figuur waar mijn voorkeur naar uitgaat — een man die ik mijn vriend durf noemen, ondanks de tijdruimte die ons scheidt — is Carolus Linnaeus. Aan het begin van de eeuw waarin hij leefde — de 18de — was de natuur­lijke historie nog niet veel meer dan een allegaartje van schijnge­leerdheid. Deze rommelkamer van obscure vaagheden is de kor­date jonge reus overmoedig binnengedrongen om er de vensters van de geest wijd open te gooien. In de natuur zelf had hij orde en planmatigheid gevonden, en uit chaos schiep hij een organisch opgebouwd systeem. Zijn wetenschappelijke arbeid was een lofzang op de harmonie van Gods schepping.

Toen Linnaeus in 1707 in het eenkamerhuisje van een dorps­predikant het levenslicht aanschouwde, was Zweden nog groten­deels woest land, met dun gezaaide boerderijen, kleine ontginnin­gen en glinsterende eenzame meren. Zodra de jongen er oud genoeg voor was zwierf hij door bossen en velden met zijn vader, die een hartstochtelijk natuurvriend was, hem de bloemen aan­wees, hun wortels en zaden liet zien, en het kind de Latijnse naam van elke plant inprentte. Met deze methode om zijn zoon in de geheimen der flora in te wijden toonde dominee Linnaeus zich een oorspronkelijk man. Want in die dagen plachten nog slechts weinig geleerden de natuur zelf te observeren om hun kennis van plant of dier te verrijken; zij diepten die liever op uit een boek, bij voorkeur een dat 2000 jaar eerder was geschreven door een Griek. Zodat de oude professor Celsius, van de theologische faculteit der universiteit van Uppsala — zelf een verdienstelijk amateur botanicus — enigszins verrast opkeek toen hij op een dag in 1729 een student enige bloemen in de halfvergeten botanische tuin met aandacht zag bekijken. Kennelijk een arme jongen, te oordelen naar zijn kale plunje en magerte. Maar zijn bruine ogen schitter­den toen de professor een gesprek met hem aanknoopte, waarin de jonge man blijk gaf van een verbazingwekkende botanische kennis. Daardoor geïmponeerd, nodigde de vriendelijke oude theoloog hem bij zich aan huis, bezorgde hem een behoorlijk stel kleren, liet hem flink eten en stelde zijn bibliotheek voor hem open.

De dank voor de betoonde gastvrijheid was de aanbieding van een geschrift van de hand van de 21-jarige jongeman, het resul­taat van een langdurige en nauwgezette studie van bloemen. Hij had het een ietwat zonderlinge titel gegeven: Bloemenbruiloft. De oude professor las het manuscript met stijgende belangstelling door. Want hier werd klaar en duidelijk gesteld dat planten een geslachtsleven hebben — een simpel, maar nauwelijks onderkend feit. Er was tot die tijd heel wat nonsens over uitgekraamd, bij­voorbeeld dat planten “zich van hun stuifmeel ontdoen om hun sappen te zuiveren”. Linnaeus leerde dat de stamper het vrouwe­lijke orgaan van de bloem is, dat het vruchtbeginsel bevat met een buikvormige holte om het zaad vast te houden na bevruchting door het stuifmeel dat door de meeldraden, de mannelijke or­ganen, wordt uitgestrooid. En hij legde, de bloem bekijkend met de ogen van een bij, in poëtische maar veel waarheid bevattende bewoordingen uit dat “de mooie bloembladen zelf niets tot de voortplanting bijdragen, doch slechts dienst doen als het bruids­bed, door de Schepper zo schitterend opgemaakt, gedrapeerd met prachtige gordijnen en doordrenkt van zoete geuren.” Met het vaststellen van dit feit, de geslachtelijkheid der planten, is een nieuw tijdperk in de wetenschap ingeluid. De “Eeuw van Lin­naeus” noemen wij het — een gouden tijd van ontdekkingen en het opdoen van nieuwe kennis, waarvan wij nog heden de vruch­ten plukken.

Verheugd met het verrassende eerbetoon, door zijn bescherme­ling aan Gods wijsheid gebracht, haastte de oude Celsius zich naar zijn vriend professor Rudbeck, Uppsala’s grootste geleerde. En Rudbeck, onmiddellijk beseffend dat hier het genie zich aan­meldde, stond erop dat Linnaeus bij hem kwam inwonen. Aan de jongere gaf de oudere al de in een lang leven vergaarde kennis door, verruimde Carls blik en stimuleerde zijn verbeeldings­kracht. Samen ontwierpen zij het plan voor wat later een van de belangrijkste wetenschappelijke expedities zou blijken die ooit zijn ondernomen.

Ze bestond weliswaar slechts uit die ene jongeman, die op een dag in mei van het jaar 1732 te paard uittrok naar de maagdelijke wildernissen van Zwedens noordelijkste provincie, Lapland. Maar het was de eerste omvangrijke onderzoekingstocht in de vrije natuur in de geschiedenis der wetenschap. Linnaeus’ uitrusting bestond uit een meetstok, verrekijker, vergrootglas, mes, jacht­geweer, papier om er planten in te drogen — maar bovenal uit een geest, even wijd open en even sprankelend als die meimorgen, die de jeugdige avonturier als volgt heeft beschreven: “De natuur was op haar bekoorlijkst. Het winterkoren stond een halve voet hoog. Berken, elzen en espen hadden zich met het eerste jonge groen getooid. De leeuwerik begeleidde mij, hoog in de lucht, met zijn getureluur.”

Een half jaar later stapte een pezige jonge kerel, gebruind en verweerd door poolwind en middernachtszon, de vertrekken van Uppsala’s Wetenschappelijk Genootschap binnen. Linnaeus had honger en kou getrotseerd op ijzige kale vlakten, had halfbedorven vis gegeten, verraderlijke rotshellingen beklommen, was schuimende bergstromen afgezakt en beschoten door argwanende Lappen. Maar hij had de wijdgeopende kelken van de wilde noordpoolbloemen gezien die laag bij de grond van de toendra moeten blijven om niet door de snijdende poolwind te worden afgemaaid. Hij had de vogels van het hoge noorden kunnen gade­slaan bij het nestelen, gezien hoe hun gevederte de bruidstooi aannam, en had hun eieren en jongen gevonden. Hij had zich verdiept in het leven van het rendier, waarvan de Lappen af­hankelijk waren voor hun eten en drinken, kleding en onderdak. Hij had zijn dagboek moeten bijhouden bij het licht van flakkerende kampvuren, in de stinkende hutten van wilde nomaden, onder de beschutting van zijn op de oever getrokken boot. En hij had van de levende natuur meer kennis uit de eerste hand op­gedaan dan enige andere geleerde vóór hem.

De monsters van mineralen die hij meebracht openden Zweden de ogen voor de rijkdommen, die zijn bodem in het noorden des lands bevatte. Hij vestigde de aandacht op de verwaarloosde toestand van de kroondomeinen, waar branden, plantenziekten en insecten de bossen met ondergang bedreigden. (Tegenwoordig kent Zweden een modelbosbeheer, echter pas sinds Linnaeus zijn land had wakkergeschud voor de dreigende gevaren.) Hij was ook achter de oorzaak gekomen van de ziekte, die toentertijd in het noorden een grote slachting onder het vee aanrichtte: een giftige plant, en hij raadde aan zich daarvan te bevrijden door “meisjes aan het werk te zetten om hem met wortel en tak uit te roeien”. Er waren drie jaren van hard werken nodig om uit zijn aantekeningen en geheugen deze rijke oogst aan gegevens binnen te halen. Middelerwijl was zijn naam op veler lippen gekomen en was Zweden gaan beseffen welk een grote zoon het in Linnaeus bezat. Hij werd uitgenodigd een dergelijke onderzoekingstocht te ondernemen in de provincie Dalecarlië; ditmaal echter werden er medewerkers te zijner beschikking gesteld en werden de kosten betaald.

De nieuwjaarsklokken luidden 1735 in toen de 28-jarige Lin­naeus, na beëindiging van zijn exploratie in Dalecarlië, als gast het huis betrad van dr. Moraeus, een van de plaatselijke notabe­len. Hij danste er met de dochter des huizes, Sara Lisa, en het werd hem daarbij prompt duidelijk dat hij in haar de vrouw van zijn hart had gevonden. Maar hij was arm, en de rijke dr. Moraeus stelde zijn voorwaarden: Carl moest in Nederland medicijnen gaan studeren en na het behalen van het artsendiploma trachten in eigen land een goede praktijk op te bouwen. Van zijn kant gaf de dokter de belofte voor eventuele aanzoeken van andere mannen om de hand van Sara Lisa doof te blijven; en intussen zette hij een groot bedrag als bruidsschat vast dat de nodige rente zou op­brengen.

Drie en een half jaar heeft Sara Lisa op de terugkomst van haar aanbidder moeten wachten, en het moeten saaie jaren voor haar zijn geweest. Intussen werkte Linnaeus als een paard. Hij was naar Nederland gekomen met de manuscripten van acht ver­handelingen in portefeuille. Het werk, waarover de Nederlanders het meest in verbazing geraakten, was het door Linnaeus ont­worpen “geslachtelijke systeem” om elke plant te kunnen deter­mineren naar het aantal en de plaats van zijn mannelijke meel­draden en vrouwelijke stampers. Tot die tijd had men planten gerubriceerd in doornige en vlezige, of alfabetisch gerangschikt, of geclassificeerd naar hun vermeende uitwerking op het mense­lijk lichaam. Al deze “systemen” zijn natuurlijk van nul en gener waarde gebleken. Maar het door Linnaeus ontworpen systeem, dat in de bloem zelf ligt opgesloten, wordt ook thans nog, zij het aangepast aan nieuwe inzichten, door botanici toegepast.

Dit systeem was zo opgezet, dat het voor de flora op ieder plek­je van de aardbodem te gebruiken moest zijn. Voor Goethe was het werken ermee een van de plezierigste oefeningen voor zijn geweldig intellect. Toen Linnaeus Oxford bezocht bleek professor Dillenius zo opgetogen over het Linnaeus-systeem, dat hij de Zweed de helft van zijn eigen salaris aanbood als hij in Oxford wilde blijven om aan de universiteit te doceren. Het aanbod werd afgeslagen, evenals nog vele andere aanbiedingen. Linnaeus had als gast van de Hollanders naar Kaap de Goede Hoop of naar Suriname kunnen gaan, met de unieke gelegenheid om als eerste een schat van onbekende plant- en diersoorten te verzamelen en te beschrijven. Maar Sara Lisa was nooit uit zijn gedachten, en hij spande al zijn krachten in om zijn manuscripten uitgegeven te krijgen en zijn medische studie te voltooien.

Eindelijk kon Linnaeus dan, met zijn diploma op zak en zijn gepubliceerde boeken onder de arm, naar Zweden terugkeren om in Stockholm een praktijk op te zetten — een man, als medicus onbekend en weinig gezocht. Hij trok de sloppen in en bond de strijd aan tegen die wrede kwalen die zo vaak samengaan met armoede — tuberculose en geslachtsziekten —, behandelde “hopeloze” gevallen en wist dikwijls genezing te brengen. Hij zag er niet tegenop achttien uur per dag in touw te zijn. Al spoedig kreeg hij een aanstelling als chef-arts bij de Zweedse Marine, later werd hij lijfarts van de koningin. Hij werd gekozen tot voorzitter van de Academie van Wetenschappen. Zijn Sara Lisa had hij zich met ere verworven, en in juni 1739 leidde hij haar naar het altaar. Spoedig daarna kon hij terugkeren naar de andere grote liefde van zijn leven, toen hem de leerstoel in de botanie en de medicijnen in Uppsala werd aangeboden.

Zo maakte Linnaeus zijn rentree in wat eens het huis van pro­fessor Rudbeck was geweest. Maar nu was hij er de heer en mees­ter van, evenals van de botanische tuin eromheen — tot op de huidige dag door Zweden als een heiligdom in ere gehouden. Met de volgens zijn eigen systeem geclassificeerde bloemen, levend studiemateriaal voor zijn leerlingen, werd de tuin de rijkste bota­nische schatkamer van Europa. Bewonderaars uit de verste uit­hoeken der aarde stuurden hem planten; sommige bloeien nog steeds, zoals de gouden weelde van een Siberische plant, gekweekt uit zaad dat de tsarina van Rusland hem had gezonden. Want het behaagde de groten der aarde Linnaeus te eren. De Zweedse koning schonk hem een prachtige collectie uit tropisch Azië. Reizigers stuurden hem van overal exotische plantensoorten. Lord Baltimore liet zich bij Linnaeus voorrijden in een pompeuze karos, zo breed dat men de poortposten uit de grond moest trek­ken om hem door te laten.

Dat was in Hammerby, het lieflijk gelegen landgoed waar Lin­naeus ’s zomers met zijn gezin placht heen te trekken. Hier, in dit landelijke buiten, dat ook thans nog de geest van zijn rustig, ge­lukkig leven ademt, gaf Linnaeus privéles aan leerlingen uit vele landen. Wie geen geld had mocht er gratis vertoeven. Velen hunner hebben zich in latere jaren een eigen faam verworven. De planten, die zij hun vroegere leermeester toezonden, verrijkten gestadig de collecties in het herbarium, waar Linnaeus probeerde achter de geheimen te komen van de bloemen die in verre streken in­heems waren. Want hij werkte aan een boek, dat alle te dien tijde bekende dieren en planten van de gehele wereld zou beschrijven. Zoals eens Adam in de Hof van Eden, zo was nu Linnaeus uit­verkoren om namen — de wetenschappelijke — te geven aan elk levend wezen, de bloemen des velds, het gevogelte des hemels, het gedierte des wouds.

Het dubbelnamige systeem dat hij heeft uitgedacht is zeer een­voudig. Alle rozen, bijvoorbeeld, heten Rosa de gezusters wer­den onderscheidenlijk Rosa gallica (Franse roos) of Rosa odorata (de zoetgeurende theeroos) genoemd, en zo voort. Linnaeus gaf alles een naam, tot Homo sapiens toe, alles keurig rangschikkend in klassen en onderklassen. Hij onthulde, beseffend hoe voor elk levend wezen de lijn consequent werd doorgetrokken naar het volgende op de ranglijst, de verheven en schone orde die in de natuur heerst. Het boek, waarin hij als zeer jonge man voor het eerst had getracht dit grootse en heldere systeem vast te leggen, be­sloeg 14 bladzijden; de 12de druk, die in 1768 uitkwam, telde er 2500.

Maar het was aan de natuur zelf, niet aan een dor schema, dat Linnaeus zijn hart had verpand. Weliswaar heeft hij, eenmaal in Uppsala gevestigd, Zweden nooit meer verlaten, maar hij zwierf nog veel met een open oog voor al het schone in de natuur door de bossen en velden van het nabije Hammerby. De jaren hadden zijn gretige nieuwsgierigheid en geniale opmerkingsgave niet aan­getast. Menige dierbare herinnering aan hem leeft nog voort — Linnaeus docerend met zijn dochtertje op de knie, zijn hond met zich meenemend in de kerkbank, krekels vangend omdat hun gesjirp hem, de aan slapeloosheid lijdende, deed inslapen. Of met vlugge, ferme stap de botaniseertochten leidend die zo’n toeloop vonden, dat ouderejaars een beetje orde in de troep moesten hou­den. Het kon vrolijk toegaan bij deze gelegenheden, en de met hem door de straten van het grauwe Uppsala terugmarcherende studenten plachten de muren te laten daveren van jachthoorngetoeter en ketelmuziek, om bij het ontbinden van de stoet voor zijn deur afscheid te nemen met een schallend “Vivat scientia!” (Leve de wetenschap!) en “Vivat Linnaeus!”

Geleefd heeft Linnaeus, zeventig gelukkige jaren, waarna hij ten laatste onder klokgelui en bij vlammend toortslicht ter ruste werd gelegd in de sombere kathedraal van Uppsala. Maar hij leefde voort, zoals de melkeppe voortleeft in haar drijvende zaden, in zijn studenten, die zich over de aarde verspreidden om zijn kennis verder te dragen en zijn levensblijheid aan anderen door te geven. Hij leeft nog voort, voor u en voor mij, in die grootse reliëfkaart die hij voor ons van de natuur heeft getekend, opdat wij, wanneer wij ’s ochtends de deur achter ons dichttrekken, in haar met nieuwe ogen aanschouwde wonderen ons eigen stralende Lapland mogen ontdekken.
.

Linnaeus

alle biografieën

.

549-503

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Schweizer

.

De wijsgeer van het oerwoud

Het dorp Lambarene ligt aan de rivier de Ogowe, vieren­zestig kilometer ten zuiden van de evenaar in Gabon, het voormalige Frans Equatoriaal Afrika. De streek weerspiegelt ’s werelds begin — wolken, rivier en woud voegen zich er samen tot een oerlandschap, dat er onwaarschijnlijk antiek uitziet. Het grootste deel van het jaar gelijkt de lucht op stoom, oprijzend uit een waas van groen. Dat is het decor voor een van de beroemdste zendingsinitiatieven ter wereld — het veelbesproken oerwoudziekenhuis van dr. Albert Schweitzer.

Schweitzer was onbetwistbaar een groot man — een van de grootste van deze en van alle tijden. Hij had vier verschillende loopbanen: in de wijsbegeerte, medicijnen, theologie en muziek. Hij schreef doorwrochte boeken over Bach, over Jezus en over de geschiedenis der beschaving, en hij was de grootste autoriteit ter wereld op het gebied van de orgelbouw en eveneens een vermaard organist.
Ook wist dr. Schweitzer bijzonder veel — meer dan velen die hun leven aan deze speciale vakken gewijd hebben — van schoonheidsleer, tropische dierkunde, antropologie en landbouw; verder was hij een bekwaam timmerman, metselaar, dierenarts, botenbouwer, tandarts, tekenaar, monteur, apotheker en tuinman.

Schweizer

Albert Schweitzer, geboren in 1875 te Kaysersberg in de Elzas, was een ziekelijk kind, wat men de sterke, gezonde man van later niet zou aanzien. Hij was ook — en dat is nog vreemder — laat met lezen schrijven, en hij kon slecht leren. Daarom dwong hij zichzelf, toen hij opgroeide, om juist die onderwerpen te leren beheersen, die hem moeilijk afgingen, zoals Hebreeuws. In de muziek was hij een wonderkind. Hij componeerde een psalm toen hij zeven was, begon orgel te spelen op zijn achtste, toen zijn benen nog maar net tot aan de pedalen reikten, en als jongen van negen viel hij in voor de organist tijdens een kerkdienst.

Hij studeerde wijsbegeerte aan de universiteit van Straatsburg en een proefschrift over Kant bezorgde hem zijn eerste doctors­graad. Hij studeerde theologie en werd in 1900, dus op zijn vijf­entwintigste, hulppredikant van de Sint-Nicolaaskerk in Straats­burg. Hij studeerde muziekleer en begon zijn loopbaan als con­certorganist. Toen hij zesentwintig jaar was, bezat hij doctorstitels in de wijsbegeerte, de theologie en de muziek. Intussen begon een stroom van boeken van zijn hand het licht te zien, die nooit op­gehouden is. Toen, op zijn dertigste, liet hij plotseling zijn drie loopbanen varen om geneesheer te worden en voorgoed naar Lambarene te trekken als zendingsarts.

Waarom geneeskunde? Omdat hij genoeg had van woorden en iets wilde gaan doen. Waarom Lambarene? Omdat het een van de ontoegankelijkste en primitiefste plekken van heel Afrika is, een van de gevaarlijkste ook, en omdat daar geen arts was. Familie en vrienden trachtten hem ervan af te brengen, maar hij zei dat hij voelde “iets te moeten terugdoen” voor het geluk, dat hem ten deel was gevallen. Hij gehoorzaamde letterlijk aan het gebod van Jezus: “Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven zal verliezen om mijnentwil . . . die zal het behouden.”

Schweitzer werkte van 1905 tot 1912 aan zijn medische studie en op achtendertigjarige leeftijd werd hij arts. Deze jaren waren de moeilijkste en ook de vermoeiendste van zijn leven. Een me­dische opleiding is op zichzelf al afmattend genoeg; toch speelde hij het klaar om wijsbegeerte te blijven doceren, om zijn werk­zaamheden als hulppredikant van de Sint-Nicolaaskerk voort te zetten, om een begin te maken met de definitieve uitgave van Bachs orgelmuziek, en om al die jaren geregeld orgelconcerten te geven!

Hij trouwde in 1912. Zijn vrouw, dochter van een bekende historicus te Straatsburg, volgde een verpleegstersopleiding om hem in Afrika te kunnen helpen. Toen zij in 1913 in Lambarene aankwamen, bleken de omstandigheden geducht moeilijk — wat ze trouwens nog zijn. Elke meter bouwgrond in dat gebied moet uitgekrabd worden in het onmetelijke oerwoud, dat dicht bevolkt is met allerlei onvriendelijke dieren als pythons en gorilla’s, terwijl de rivieren vol krokodillen zitten.
Albert Schweitzer bouwde zijn hospitaal uit het niets op, vrijwel met zijn blote handen. Eenmaal moest hij de hele nederzetting afbreken en verhuizen, omdat de oude hutten te klein waren geworden om zijn groeiende praktijk te herbergen. Afrikaanse patiënten, lijdende aan alle soorten ziekten, van lepra tot elefantiasis, waren niet altijd gemakkelijk te behandelen.
Een van de levensbeschrijvingen van Schweitzer vermeldt, dat ze soms de zalf opaten die hij voorgeschreven had voor een huidaandoening, in één teug een fles medicijn opdronken, waarmee ze enige weken hadden moeten toekomen, of dat ze probeerden andere patiënten te vergiftigen. Na de dood van een van zijn patiënten, die te laat bij hem was gekomen om nog gered te kunnen worden, verdachten ze een tijd lang Schweitzer ervan een vermomde luipaard te zijn die met opzet mensen doodde.

In 1954 brachten mijn vrouw en ik een bezoek aan dr. Schweitzer. Op het vliegveld werden we afgehaald door juffrouw Emma Hausknecht, een verpleegster uit de Elzas, die Schweitzer sedert 1925 had bijgestaan. Ze was een soort algemeen bedrijfsleidster van de hele nederzetting en trad op als Frans-Engelse of Duits-Engelse tolk voor de dokter. Toen wij ons onderdak bezichtigd hadden, ging juffrouw Haussknecht ons voor langs een modderpad tussen de struiken en vruchtbomen naar het nieuwe leprozendorp, dat Schweitzer aan het bouwen was. Ten slotte kwam, dichtbij een open plek, de dokter zelf te voorschijn. Hij had een grote arendsneus, een grijze hangsnor en ogen, die werkelijk door je heen keken. Hij was krachtig gebouwd en hij droeg die dag een zonnehelm, een open wit overhemd, een versleten broek en zware, zwarte schoenen.
Schweitzer bracht ons naar het leprozendorp, waar de ernstigste leprapatiënten woonden. Hier begon de oude dokter onmiddellijk een ploeg werklui achter de vodden te zitten. Zelf nam hij een schop en zong een soort deun op de maat van het graafwerk: “Allez-vous OPP! Allez-vous OPP-upp-OPP ! ! Hupp, upp, OPP!” Bezoekers verbaasden zich soms over het hospitaal omdat het eruit zag als wat het is — een inboorlingendorp. De patiënten kwamen van heinde en ver en brachten soms hun hele gezin mee.
Er waren geen geplaveide paden of wegen. Er was geen stromend water, geen elektriciteit, behalve voor de operatiekamer.

Er leken meer dieren dan mensen rond te lopen. Het ziekenhuis had ongeveer honderdvijftig geiten en er waren allerlei andere beesten, zoals parkieten en een jonge mandril. Dicht bij de eet­zaal zat een wild zwijn achter gaas en een aap met een touw aan een boom. Vier gracieuze antilopen stonden in een ruwe, met ijzerdraad omgeven hertenkamp en werden elke avond na het eten door de dokter gevoerd.

De hoofdafdeling van het ziekenhuis was ondergebracht in een lang gebouw zonder verdieping, verdeeld in smalle, donkere kamertjes die alle op een binnenplaats uitkwamen. De patiënten lagen op houten, met vlechtwerk overtrokken britsen. Buiten elke deur brandde een rokerig vuurtje: daar kookte het gezin van de patiënt. Als een man geen familie had en te ziek was om zelf te koken, vormde hij een ernstig probleem. De meeste patiënten wilden namelijk geen voedsel aannemen van iemand buiten hun stam uit angst voor vergiftiging.

Er was, voor zover ik kon zien, geen apparaat om verband onder hoge druk te steriliseren; water moest gekookt worden in ketels boven open houtvuren. Jarenlang waren de medicijnen en verbandmiddelen schaars. Iedere veiligheidsspeld was kost­baar. Dingen die in de meeste ziekenhuizen heel gewoon zijn, wer­den hier met eerbied behandeld — als ze er tenminste waren. Iemand vertelde me dat Schweitzer niet van ingewikkelde, moderne hulpmiddelen hield. Ten eerste is het onderhoud lastig in een tropisch klimaat. Wat heb je aan rubberkruiken, als ze binnen een week wegrotten? Ten tweede wilde hij dat de Afrikanen zich prettig voelden, in omstandigheden die hen aan thuis deden denken.

Op een ochtend keken we de operatiekamer binnen; we schrok­ken eigenlijk wel even, dat dit zomaar vanaf de binnenplaats mogelijk was. Op de tafel lag een ontklede patiënt, zijn buik droop van de mercurochroom. De arts die de operatie had ver­richt — een normale breuk — kwam een uur later aan de koffie­tafel. Hij had nog geen tijd gehad zich grondig te wassen en ging in zijn hemdsmouwen aan tafel, terwijl zijn armen nog vuurrood van de mercurochroom waren.

Een druk gebruikte open ruimte dicht bij de eetzaal vormde het middelpunt van het ziekenhuisleven. Afrikanen kwamen en gingen met producten uit de tuin in hun onbeholpen kruiwagens. Vrouwen zaten gehurkt op de grond en bonden palmbladeren bij­een voor de dakbedekking; anderen waren druk in de weer met naaimachines op een veranda boven, en weer anderen streken de was met primitieve strijkijzers, gevuld met houtskool. Tussen deze ordelijke bedrijvigheid door liep de dokter en zag toe dat iedereen werkte. De drukte en het geraas deden denken aan een pionierskamp.
Ten tijde van ons bezoek was de eerste geneesheer in Lambarene (Schweizer was toen 79 en in het medische werk niet meer zo actief ) een Hongaar; een der andere artsen was een neef van de oude baas. De verpleegsters, allen Europese vrouwen, leken ons zo teruggetrokken, zo vroom en zo onwerelds als nonnen.
Bij de maaltijden zat Schweitzer aan het midden van een lange tafel, en eventuele eregasten er tegenover. Vlak voor elke maaltijd zei hij een kort gebed in het Frans; direct na het avondeten (geen enkele maaltijd duurde langer dan een half uur) kondigde hij met stentorstem een psalm af en er werden gezangboeken doorgegeven. Hij stapte naar een blikkige piano aan het eind van de zaal en speelde zonder franje maar krachtig en precies de begeleiding, terwijl het gezelschap zong. Dan liep hij naar zijn plaats terug, keek in de lijst van bijbelteksten, klapte een bijbel open en las een paar regels.

Wij vonden Schweitzer een bijzonder gezaghebbende, waakzame en scherpzinnige prater, maar aan tafel sprak hij zelden. De verklaring, die heel aannemelijk lijkt, is dat hij te moe was. Toen hij de eetzaal uitging, vulde hij zijn zakken met etensrestjes om aan de antilopen te geven.
Wanneer de avondrust over de rest van het kamp was gekomen, zat Schweitzer nog tot middernacht of later te werken, brieven te schrijven of post te beantwoorden.
Het is een keer voorgekomen, dat hij tot verbazing van de douane-ambtenaren in Bordeaux aan boord ging met zijn onbeantwoorde post – vier aardappelzakken vol.

Toen hij naar Afrika vertrok, dacht Schweitzer dat hij voorgoed opgaf wat hem het naast aan het hart lag — de kunst en het leraarschap. Maar hij heeft altijd een piano bij zich gehad in Afrika en heeft zo zijn muziek kunnen bijhouden.
Na de Tweede Wereldoorlog hebben zijn orgelvertolkingen van Bach, op grammofoonplaten vastgelegd toen hij met vakantie in Europa was, grote artistieke waardering gevonden. Hij hield overal lezingen als hij in de beschaving terugkeerde en is door talloze universiteiten geëerd. Bovendien is hij er, door ’s nachts te werken, in geslaagd geregeld nieuwe boeken te doen verschijnen.
In 1952 werd hem de Nobelprijs voor de vrede toegekend.

Hij heeft altijd een scherp gevoel gehad voor wat belangrijk is en wat niet, en hij bezat een fijn, ironisch gevoel voor humor. In 1949, toen hij voor de eerste (en enige) keer in de Verenigde Staten was om het Goethe-Festival in Aspen, in Colorado, bij te wonen, toonde hij zich bijzonder gestreeld door de aandacht, die de pers­fotografen aan hem besteedden. “Lieve help,” riep hij uit, “ik geloof waarachtig, dat jullie me net zo belangrijk vinden als een bokskampioen!”

Op onze laatste avond in het ziekenhuis werden we na het eten uitgenodigd om met Schweitzer mee te gaan naar zijn kamers. Hij had een kleine slaapkamer en een kantoortje ernaast. Het was daar een warwinkel van boeken, papieren, voorraden, gereed­schappen — er lag een zaag dwars over een stapel manuscripten — lege blikjes, stapels muziek en timmermanswerkstukken. Als hij een hoofdstuk voor een boek klaar had, haalde hij een touwtje door de bladzijden en hing ze achter zijn schrijftafel — “Net een trofee van de fazantenjacht.” (Metalen klemmen zijn onbruikbaar in Lambarene: ze roesten dadelijk.)

Schweitzer bracht ons naar zijn beroemde piano met de orgel­pedalen, een geschenk van de Parijse Bachvereniging. Het in­strument was met zink bekleed tegen het vocht en tegen de witte mieren, en woog drie ton. Het was geweldig ontstemd. Schweitzer, mijn vrouw en ik zaten met ons drieën op de kleine houten bank — er was trouwens geen andere zitplaats — en hij speelde wat Bach. De volgende dag deed hij ons uitgeleide, maar dit korte, nachte­lijke concert was de laatste aanraking, een afscheidsplechtigheid, die Schweitzer typeerde. Het is dit beeld van hem, zittend aan dat gehavende oude wrak van een piano in het hart van het stille, sluipende oerwoud, dat ik mij het liefst voor de geest zal halen.
.

Albert Schweizer
.

alle biografieën

.

470-436

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Cleopatra

.

DE LEGENDARISCHE KONINGIN

Cleopatra wordt veelal gezien als een Egyptische sirene, die zelfmoord pleegde uit liefde voor de Romeinse veldheer Marcus Antonius. Ten onrechte. Hoewel Cleopatra als vorstin heerste over dat oude koninkrijk, had zij geen druppel Egyptisch bloed.
Zij was van Macedonisch-Griekse afkomst; haar hoofdstad, Alexandrië, was een Griekse stad en de taal die aan haar hof werd gesproken was Grieks. Haar dynastie was gevestigd door Ptolemaeus, een Macedonische veldheer van Alexander de Grote, die zich na diens dood van Egypte meester maakte en zichzelf tot koning uitriep.
Er is geen spoor van bewijs dat in het leven van Cleopatra enige man een rol zou hebben gespeeld behalve dan Julius Caesar en, drie jaar na zijn dood, Marcus Antonius. En dit waren geen frivole liaisons, maar verbintenissen, goedgekeurd door haar priesters en in Egypte als huwelijken erkend. De veronderstelling dat zij een wellustige vrouw was, die al haar kunstgrepen in het vuur bracht om deze mannen te veroveren is absurd. Toch heeft die legende 2000 jaar hardnekkig standgehouden, voornamelijk omdat dichters en toneelschrijvers, Shakespeare incluis, meer de nadruk hebben gelegd op haar fysieke bekoorlijkheden en hartstochten dan op haar verstand en moed. Haar daden bewijzen echter dat zij een briljante, schrandere vrouw was, die haar leven lang heeft gevochten om haar land ervoor te behoeden dat het door de Romeinen werd opgeslokt.
Cleopatra

Cleopatra werd in 68 of 69 v. Chr. geboren, en zij groeide op te midden van hofintriges en geweld. Haar vader, Ptolemaeus XI, stierf toen Cleopatra 18 was, en zij werd toen koningin, waarbij zij de troon moest delen met haar tienjarige broer Ptolemaeus XII. Twee jaar later verbande de jeugdige Ptolemaeus, die geheel werd overheerst door een drietal hofintriganten, zijn zuster naar Syrië. Cleopatra echter, die al dadelijk de moed toonde die haar hele leven zou kenmerken, bracht onmiddellijk een leger op de been en rukte weldra dwars door de woestijn op naar Alexandrië om de strijd om haar troon aan te binden. Het was deze Cleopatra, die Caesar in de herfst van het jaar 48 v. Chr. ontmoette. Hij was naar Egypte gekomen om de Romeinse veldheer Pompeius, zijn tegenstander in een strijd om politieke macht — het soort strijd die Rome bijna een eeuw lang in beroering zou houden, te achtervolgen.

Hoe zag Cleopatra eruit? De enige aanwijzingen die wij bezit­ten, zijn een paar munten waarop haar profiel staat afgebeeld, en een buste die zo’n 1800 jaar na haar dood bij opgravingen in een Romeinse ruïne werd gevonden. Zij vertonen een adelaarsneus en een mooi gevormde mond met fijn besneden lippen. Een aantal historici uit de oudheid hebben haar “verrukkelijke schoonheid” vermeld, maar deze mannen hadden haar niet zelf gezien. De betrouwbaarste beschrijving is misschien die van Plutarchus, wiens grootvader verhalen over Cleopatra had gehoord van een dokter die een van de koks uit de koninklijke hofhouding kende. Plutar­chus wist te vertellen dat haar feitelijke schoonheid “op zichzelf niet zo opmerkelijk was dat zij elke andere vrouw in de schaduw stelde”.

Alle vroege geschiedschrijvers waren het echter eens over haar “boeiende” conversatie, haar welluidende stem, haar “behendig en geraffineerd taalgebruik”. Zij sprak zes talen, was goed thuis in de Griekse geschiedenis, literatuur en filosofie, toonde zich een sluw onderhandelaarster en was klaarblijkelijk een bekwaam stratege. Zij had ook veel gevoel voor dramatische effecten. Toen Caesar haar sommeerde om haar troepen te verlaten en naar het koninklijk paleis in Alexandrië te komen, waar hij na het te be­zetten zijn intrek had genomen, glipte Cleopatra onder dekking van de avondschemering de stad binnen, liet zichzelf in een tapijt rollen en werd zo, voor ieders oog verborgen, op de rug van een vertrouwde dienaar door de poort tot in Caesars vertrekken ge­dragen.

Of deze list nu bedoeld was om te ontsnappen aan door haar broer gehuurde sluipmoordenaars of om indruk op Caesar te ma­ken, het was stellig een indrukwekkende entree, die in de wereldgeschiedenis nauwelijks haar weerga heeft. Haar moed en haar bekoorlijkheid deden de rest om Caesar te overtuigen dat hij er goed aan zou doen haar weer op de troon te zetten.

Het daaropvolgende voorjaar organiseerde Cleopatra een groots opgezette expeditie, waarbij zij een eindweegs de Nijl opvoeren. Wekenlang dreven zij en Caesar voort op een statieschip met kolossale afmetingen, begeleid door 400 andere vaartuigen, die troepen en voorraden meevoerden. Kort daarna, in juni, bracht Cleopatra een zoon ter wereld, Caesarion – wat in het Grieks Kleine Caesar betekent. Het kind, de enige zoon van zijn vader, schijnt de basis geweest te zijn voor een ambitieus plan van Caesar en Cleopatra om Rome en Egypte samen te smelten tot één ge­weldig rijk, dat door hen en hun nakomelingen zou worden gere­geerd. Meteen na de geboorte van de jongen vertrok Caesar uit Alexandrië ten einde krijgstochten te ondernemen in Klein-Azië en Noord-Afrika, waarbij hij alle tegenstand die hij ondervond snel de kop indrukte. Binnen een jaar keerde hij als overwinnaar naar Rome terug — de onbetwiste dictator. En daar waren ook Cleopatra en Caesarion, die door Caesar in een schitterende villa werden geïnstalleerd.

Als koningin met een koninklijke hofhouding begon Cleopatra op het leven der Romeinen invloed uit te oefenen. Zij liet munters uit Alexandrië overkomen om de Romeinse munt te verbeteren, en financiers om Caesars belastingprogramma op te stellen. Haar sterrenkundigen ontwierpen een kalenderhervorming, en zo kwam de Juliaanse kalender tot stand, waarop onze huidige tijdrekening nog steeds is gebaseerd. Caesar liet haar beeld plaatsen in een nieuwe tempel die hij had laten bouwen voor de eredienst van Venus en hij liet een munt slaan, waarop Venus en Amor herken­baar waren als Cleopatra met Caesarion in haar armen. Zijn macht scheen absoluut. Toen plotseling, 20 maanden nadat Cleo­patra naar Rome was gekomen, was Julius Caesar dood — ver­moord op de Idus van maart, 44 v. Chr. Was Cleopatra door smart overmand? Niemand weet het. Een maand nadien scheepte zij zich in en voer naar Egypte terug.

De geschiedschrijvers vermel­den geen feiten over de drie volgende jaren van haar regering, be­halve dat de mededingers in de strijd om de macht die Rome nu in een burgeroorlog stortte, haar steun zochten. Klaarblijkelijk volgde zij een politiek van waakzaam afwachten wie de opvolger van Caesar zou worden.

Toen Marcus Antonius uit de strijd te voorschijn kwam als de sterke man van het Oosten, ontbood hij Cleopatra naar Tarsus in Klein-Azië voor een ontmoeting met hem. Een tijdlang negeerde zij zijn oproep; toen zeilde zij uit met een schitterende vloot, waar­op zij goud, slaven, paarden en juwelen meevoerde. Ter rede van Tarsus aangekomen liet Cleopatra zich niet als smekelinge aan land brengen; ze bleef rustig aan boord van een der voor anker liggende schepen. Nadat ze de situatie listig had omgedraaid, waardoor niet Cleopatra, maar Antonius als gast ten tonele ver­scheen, vergastte ze hem op een verblindend schouwspel: de met zilver beslagen roeiriemen van haar galei bewogen op de maat van de muziek van fluiten en harpen, bespeeld door mooie, als nereïden en gratiën geklede slavinnen; wierookbranders verspreidden een exotische geur. Achterovergeleund op een rustbed onder een gou­den troonhemel lag daar Cleopatra, uitgedost als Venus, terwijl knaapjes als cupidootjes haar koelte toewuifden.

Na afloop van het daaropvolgend banket bood Cleopatra Antonius de gouden schotels, de prachtig bewerkte drinkbekers, de weelderige ligbanken en de geborduurde tapijten ten geschenke aan. De volgende avond onthaalde zij Antonius en zijn gevolg op soortgelijke wijze, terwijl ze hen bij hun vertrek wederom met geschenken overlaadde. Het was er haar niet om te doen, An­tonius’ genegenheid te winnen — ze wilde hem doordringen van de grenzeloze rijkdom van Egypte dat bijgevolg een machtig bondgenoot beloofde te zijn.

Drie maanden later kwam Antonius naar Alexandrië, waar hij de winter doorbracht. Hij vertrok weer in de lente, zes maanden voordat Cleopatra hun tweeling ter wereld bracht, en er gingen bijna vier jaar voorbij voor hij haar terugzag. In die tussentijd versterkte Cleopatra de verdediging van haar land, breidde haar vloot uit en vergaarde zoveel mogelijk goud en voorraden. Toen Antonius, in de hoop zijn macht in het Oosten uit te breiden, haar vroeg hem in Syrië te ontmoeten, ging ze met de vaste bedoeling bij de onderhandelingen het maximum te bedingen. Ze wist te bereiken dat Egypte alle uitgestrekte gebieden zou krijgen die de farao’s 1400 jaar tevoren hadden bezeten, maar die nu Romeinse provincies waren. Antonius stemde ook toe in een wettig huwelijk, en ter gelegenheid van die gebeurtenis werden er munten met hun beider beeltenis geslagen. Daarmee werd een nieuwe fase van Cleopatra’s regering ingeluid. Ze was nu drieëndertig en trok met Antonius ten oorlog tegen de Perzen, maar bij de Eufraat moest zij de veldtocht staken. Ze was weer in verwachting. Het kind werd in de herfst geboren, en die winter deed Antonius een wan­hopig beroep op haar: zijn leger was gedecimeerd en het uitge­putte, gehavende overschot had maar amper de Syrische kust kunnen bereiken. Cleopatra ging scheep met geld, voorraden en wapens, en zeilde naar hem toe om hem hulp te gaan bieden.

Het jaar daarop, 35 v. Chr., moest zij al haar listigheid aan­wenden om Antonius — een drankmisbruik van jaren had zijn geestvermogens zeer verzwakt — ervan te weerhouden voor de tweede maal een inval in Perzië te gaan doen. In het besef dat Octavianus, Caesars neef en erfgenaam, die van Rome uit het Westen beheerste, hun werkelijke vijand was, drong zij er bij Antonius op aan dat hij alles in het werk zou stellen om die ten val te brengen. In 32 v. Chr. verhaastte zij het uitbreken van de oor­log met Octavianus doordien zij Antonius tot twee dingen wist te overreden: een formele brief aan zijn andere vrouw, Octavia (de mooie zuster van Octavianus) te zenden, waarin hij haar te ken­nen gaf dat hij haar niet langer als zijn echtgenote beschouwde, en het zenden van troepen over de Aegeïsche Zee naar Griekenland. Cleopatra stond nu op het hoogtepunt van haar macht: vazallen uit het Nabije Oosten kwamen haar hulde brengen en de Atheners overlaadden haar met eerbewijzen, verafgoodden haar als Afrodite en plaatsten haar beeld in de Akropolis.

Maar zie, laat in de middag van de 2de september in het jaar 31 v. Chr. stortte alles bij het plaatsje Actium aan de westkust van Griekenland ineen. Over deze beslissende slag lopen de me­ningen van de geschiedschrijvers sterk uiteen: zoals bijvoorbeeld over de vraag waarom Antonius, die toch een voortreffelijk leger had, het tot een zeeslag liet komen; of waarom Cleopatra, toen het zeegevecht op zijn hevigst was en de afloop nog onbeslist, de zeilen liet hijsen en met haar 60 oorlogsschepen voor de wind naar Egypte vluchtte; of waarom Antonius zijn enorme leger in de steek liet, zich aan boord van haar schip begaf en met haar wegzeilde.

Na haar terugkeer in Egypte, waar het nieuws van de ramp zich als een lopend vuurtje verspreidde, begon Cleopatra meteen al het ontevreden gemor de kop in te drukken. Ze trachtte de banden met de buurlanden nauwer aan te halen. Ook begon ze oorlogsschepen van de Middellandse Zee over te brengen naar de Rode Zee — hetgeen betekende dat die vele kilometers door de woestijn moesten worden gesleept — op zichzelf al een gigantische onderneming.

Ook nadat Egypte’s grensversterkingen Octavianus’ troepen in handen waren gevallen, bleef Cleopatra in Alexandrië, gereed om met Octavianus te onderhandelen of hem te bestrijden. Maar toen het binnenvallende leger naderbij kwam, gingen haar vloot en ruiterij aan de haal. Daarop benam Antonius zich het leven. Cleopatra, die de Romeinen levend in handen viel, werd onder bewaking gesteld en gewaarschuwd dat als zij de hand aan zich­zelf sloeg, haar kinderen zouden worden gedood.

Hoewel Octavianus beloofde genadig te zullen zijn, vreesde Cleopatra dat haar hetzelfde lot te wachten stond als honderden andere gevangenen van koninklijken bloede hadden ondergaan: in ketenen door de straten van Rome gevoerd en daarna ter dood gebracht. Vindingrijk en moedig als ze tot het einde was, deed ze het voorkomen of ze elke gedachte aan zelfmoord had opgegeven. Daarop kreeg ze toestemming om Antonius’ graf te bezoeken, en tijdens die tocht door de straten, gezeten in haar draagstoel, heeft ze klaarblijkelijk kans gezien enkele trouwe aanhangers in de arm te nemen. Ze keerde terug naar haar vertrekken in het paleis, nam een bad, gebruikte de maaltijd en liet zich door haar diena­ressen als Venus kleden. Van wat er daarna is voorgevallen, weten we alleen dit: Romeinse officieren, die zich met geweld toegang tot haar vertrekken verschaften, troffen Cleopatra dood aan. De legende wil dat de koningin zich had laten bijten door een aspis-adder, die in een mandje vijgen was binnengesmokkeld.

Bij de viering in Rome van Octavianus’ verovering van Egypte werd een beeld van Cleopatra, met om haar ene arm een aspis-adder gewonden, door de straten meegevoerd. Haar drie kinderen van Antonius — Caesarion was reeds eerder ter dood gebracht — werden gedwongen in de beschamende stoet mee te lopen. En bij die gelegenheid hebben Romeinse dichters, ten einde bij de over­winnaar in het gevlij te komen, de legende in de wereld gebracht als zou Cleopatra een verdorven en losbandige Egyptische konin­gin zijn geweest — een legende die tot op de huidige dag voort­leeft.
.

alle biografieën

 

460-426

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Helen Keller

.

HET INSPIRERENDE LICHT VAN HELEN KELLER
.

Helen Keller  heeft iets tijdeloos — zelfs in haar uiterlijk — dat goed past bij haar hoogst merkwaardige levensloop. Ze werd al heel jong blind en doof en bijgevolg ook stom, maar ze overwon die drievoudige handicap en werd een van de meest bekende persoonlijkheden van onze tijd, en een inspiratie voor blinden zowel als zienden overal ter wereld.
Toen ze na de Tweede Wereldoorlog een bezoek aan Japan bracht, kwamen ook in afgelegen dorpen jongens en meisjes haar tegemoet met de kreet: “Helen Keller!” Zelfs nog vóór de tijd van radio en bio­scoop was haar naam tot in de rimboe doorgedrongen.
Ofschoon die hartelijkheid haar goed doet, wenst ze toch geen afzonderlijke behandeling voor zichzelf. Ze vindt dat blinden als volwaardige mensen met volledige verantwoordelijkheid moeten leven en werken.

Op tienjarige leeftijd las Helen al gretig braille en kon ze zich uitdrukken door middel van het handalfabet, waarbij men met de hand of vingers op een bepaalde manier de hand van de ander aanraakt om de letters aan te geven. Toen, in het voorjaar van 1890, hoorde ze van een doofstom en blind Noors meisje, dat had leren praten. Bliksemsnel spelde ze in de hand van haar onder­wijzeres, Anne Sullivan: “Ik moet spreken.”

Anne Sullivan ging met haar naar Sarah Fuller, hoofd van de Horace Mann-school voor Doven te Boston. Juffrouw Fuller be­gon onmiddellijk. Ze nam Helens hand en liet haar over het onderste deel van haar gezicht strijken. Ze bracht de vingers van het kind in haar mond, zodat ze de positie van tong en tanden kon aftasten en voelen hoe de onderkaak van haar lerares bewoog. Daarna bracht juffrouw Fuller haar tong vlak achter haar onderste snijtanden om de i-klank te vormen. Ze zette toen Helens wijsvinger tegen haar tanden, legde een andere vinger tegen haar keel en herhaalde de i-klank meermalen. Zodra ze daarmee ophield “vlogen Helens vingers naar haar eigen mond en keel, ze bracht haar tong in de juiste positie ten opzichte van haar tanden, en bracht toen een geluid uit dat zozeer op mijn i leek dat het er wel een echo van kon zijn”.

helen keller

Vervolgens oefenden ze de klinkers a en o, die Helen duidelijk kon nazeggen. Daarna probeerden ze het met de woorden mamma en pappa. Juffrouw Fuller sprak zorgvuldig het woordje mamma uit, terwijl ze tegelijk met haar vinger langs de rug van Helens hand streek om de lengte van de twee lettergrepen aan te geven. Nadat ze dit enige malen herhaald had, kwamen de woorden mamma en daarna pappa er goed uit, “met een bijna muzikale intonatie”.

Na haar zevende les keerde Helen zich in de tram op weg naar huis naar juffrouw Sullivan toe en zei op “holle hijgerige toon”: Nu ben ik niet stom. Daarmee gebruikte ze voor het eerst welbewust woorden om een gedachte uit te drukken, en wel binnen een maand na haar eerste spraakles! Dit was echt spreken als een mens, en dat van iemand die behalve het gebrabbel uit haar prilste jeugd, tot haar tiende jaar niets anders had uitgebracht dan de rauwe klanken van een doofstomme.

Helen kreeg elf lessen van juffrouw Fuller, maar dat was nog maar het begin van haar lange worsteling om te leren spreken. Week in week uit, maand in maand uit en jaar in jaar uit werkte ze aan de verbetering van haar uitspraak. Urenlang herhaalde ze woorden en zinnen, waarbij ze haar vingers gebruikte om bij Anne Sullivan de trillingen van haar keel, de bewegingen van haar tong en lippen en de uitdrukking van haar gezicht bij het spreken waar te nemen. Ze is nooit opgehouden haar stem te oefenen; ze sprak vaak in het openbaar en voerde haar gesprekken grotendeels mondeling. In haar onmiddellijke omgeving merkte men op dat haar uitspraak na haar zestigste jaar nog aanmerke­lijk beter werd. Haar beheersing van de taal is wel “de grootste individuele prestatie in de geschiedenis van het onderwijs” ge­noemd.

Na jarenlang oefenen leerde ze voortreffelijk “liplezen” via trillingen. Ze kon “horen wat anderen zeggen” door haar middel­vinger tegen iemands neus te leggen, haar wijsvinger op zijn lippen en haar duim tegen zijn strottehoofd — vooral bij mensen met een duidelijke, goed klinkende stem. In dat opzicht vond ze Franklin D. Roosevelt ideaal. Ze ving Mark Twains beste moppen op via trillingen. Enrico Caruso deed zijn gouden stem in haar hand klinken — via haar vingers, die tegen zijn lippen rustten. Feodor Chaliapin zong luidkeels het lied van de Wolgabootsman met zijn arm vast om haar heen geslagen, zodat ze elke trilling van zijn machtige stemgeluid kon voelen. Toen Jascha Heifetz haar voor­speelde, rustten haar vingers luchtig op zijn viool. Ze las Carl Sandburgs gedichten van zijn lippen af en beluisterde zijn neger­liedjes van de plantages aan de rand van zijn gitaar. Wanneer ze haar hand op een piano legde, kon ze door een licht vibreren het weergeven van een melodie waarnemen. Ook bij een radio kon ze bepaalde trillingen opvangen.

In 1886, toen Helen Keller zes jaar oud was, begonnen de eerste lichtstralen door de mist die haar omfloerste heen te dringen. Ze was op 27 juni 1880 geboren in Tuscumbia, een stadje in Alabama. Tot ze negentien maanden was leek ze een normale baby, die schijnbaar genoot van de bloemen, voorbijflitsende vogels en het spel van licht en schaduw. Toen kreeg ze “hersen- en ingewandskoortsen”. Ze was hard ziek, maar de koorts verdween bijna even plotseling als ze was opgetreden.

Al spoedig merkte haar moeder dat Helen haar ogen nooit dicht kneep, wanneer ze in haar badje gestopt werd. Ze ging met het kind naar een oogarts en vernam dat Helen blind was. Daarna viel het op dat het kind niet reageerde op hard klokgelui: Helen was ook doof. En onvermijdelijk was ze op driejarige leef­tijd ook stom geworden, en had ze alle woorden die ze anderhalf jaar geleden had gebrabbeld vergeten.

Helen groeide snel. Lichamelijk was ze sterk en goed gevormd, maar haar goede humeur maakte plaats voor felle driftbuien. Wanneer ze niet begrepen werd, kreeg ze hevige woedeaanvallen. Ze gooide zich op het gras en begon onbeheerst te gillen. Haar tafelmanieren waren abominabel. Ze weigerde haar gezicht te wassen of haar laarsjes dicht te knopen. Jaren later schreef ze: “Ik had het gevoel dat ik door onzichtbare handen werd vastge­houden. Ik probeerde wanhopig me te bevrijden.”

Haar lieve moeder was doodsbang voor haar heftigheid en gaf haar in alles toe. Helen had een grote wilskracht, in tegenstelling met de apathie waaronder de meeste meervoudig gehandicapte kinderen gebukt gaan. Mevrouw Keller was de wanhoop nabij, toen ze toevallig Charles Dickens’ boek American Notes in handen kreeg en daarin las over Laura Bridgman, het doof-blinde meisje in New England, dat door Samuel Gridley Howe, hoofd van het Perkins-Instituut, uit haar geestelijk isolement was verlost.

Tenslotte ging men met Helen naar Michael Anagnos, de op­volger van dr. Howe. Die kon als huisonderwijzeres een Iers meisje aanbevelen, dat juist haar opleiding had voltooid. Ze heette Anne Sullivan, en ze zou een halve eeuw lang Helen Kellers onaf­scheidelijke gezellin zijn. Haar ouders waren Ierse immigranten, en haar eigen jeugd leek wel een verhaal van Dickens. Haar dronken vader ranselde haar geregeld af. Ze leed honger, werd verwaarloosd en bont en blauw geslagen, en werd ten slotte op staatskosten in een armhuis grootgebracht. In 1880 werd ze in het Perkins-Instituut opgenomen, toen ze als gevolg van trachoom blind was geworden. Na twee operaties was haar gezichtsvermo­gen nagenoeg hersteld, ofschoon ze haar hele verdere leven last van haar ogen had, en op latere leeftijd opnieuw blind werd.

Bij haar aankomst in Alabama werd Anne Sullivan onmid­dellijk getroffen door Helen Kellers fiere houding en intelli­gente gezicht. Toen ze uit het rijtuig stapte, snelde Helen haar tegemoet, betastte haar kleren en gezicht, probeerde haar tas open te maken, en maakte meteen al bij de voordeur een ge­weldige scène toen haar moeder trachtte dat te beletten. Anne Sullivan gaf haar namens de kinderen van het Perkins-Instituut een pop. Toen Helen daar een poosje mee had gespeeld, spelde juffrouw Sullivan in Helens hand de letters van het woord: p-o-p. Dat was iets ongewoons, dat onmiddellijk Helens aandacht in beslag nam, en ze probeerde de vingerbewegingen na te doen. Dat was de eerste bewuste poging die ooit was gedaan om Helen Keiler iets bij te brengen.

Toen juffrouw Sullivan probeerde de pop weg te bergen, ver­zette Helen zich daar heftig tegen. Dat was het eerste van vele conflicten. De nieuwe onderwijzeres haalde Helen bij haar hevig ongeruste ouders weg en ging ergens dichtbij met haar in een huisje wonen. Dagenlang woedde er een zware strijd — lichame­lijk zowel als geestelijk — toen Helens wil in botsing kwam met die van haar onderwijzeres. Maar Anne Sullivan won, ook al moest ze het kind soms twee uur achtereen vasthouden om haar hevige verzet te breken. “Haar rusteloze geest tast in het duister,” lichtte ze toe. “Haar handen vernielen alles wat ze aanraakt, doordat ze niet heeft geleerd wat ze er anders mee moet doen en onbevredigd is.”

Ze merkte op dat het kind er al verschillende manieren op na hield om aan te geven wat ze wilde. Had ze trek in ijs, dan maakte ze een beweging of ze aan de zwengel van een ijsmachine draaide. Als ze een boterham wilde, deed ze alsof ze brood sneed en smeer­de. Om haar vader aan te duiden zette ze zogenaamd een bril op. Ze begon haar nieuwe pop te wiegen, waarbij ze haar vingers tegen haar lippen legde en een eentonig zangerig geluid maakte. Maar ze leerde ook nieuwe woorden spellen in het handalfabet: speld, hoed, beker, en werkwoorden als zitten, staan en lopen.

Binnen veertien dagen begon er iets bij haar te dagen. Anne Sullivan nam haar mee naar de pomp en begon water te pompen. Terwijl dat in de kroes gulpte en over Helens rechterhand heen liep, spelde ze in haar andere hand het woord w-a-t-e-r. “Het leek wel of ze schrok van dat woord, dat zo onmiddellijk in ver­band scheen te staan met het koude water, dat ze over haar hand voelde stromen,” schreef juffrouw Sullivan. “Ze liet de kroes vallen en stond als aan de grond genageld. Er lichtte iets op in haar gezicht.”

In Helens herinnering was er dit gebeurd: “Het geheim van de taal werd mij geopenbaard. Plotseling wist ik dat ‘water’ dat wonderlijke koele iets was, dat over mijn hand stroomde. Dat levende woord deed mijn ziel ontwaken; het schonk mij licht, hoop, vreugde; het bevrijdde mijn geest!” Helen keerde koorts­achtig opgewonden naar het huis terug en raakte onderweg alles aan — het was duidelijk dat ze probeerde te ontdekken hoe dat alles heette. De grond, het latwerk voor de klimplanten, de strui­ken, de pomp — ze besefte nu dat die allemaal een naam hadden, en die wilde ze kennen. Binnen een paar uur had ze dertig nieuwe woorden aan haar vocabulaire toegevoegd. Van dat ogenblik af leerde ze met een onwaarschijnlijke snelheid.

Juffrouw Sullivan leerde haar lezen door zinnetjes te vormen op een soort leesplankje, nadat ze elk woord daarvan — op karton — naast het betreffende voorwerp had gelegd, bijvoor­beeld: pop ligt op bed. “Als ze met haar vingers bekende woorden aantreft,” schreef Anne Sullivan, “dan schreeuwt ze het eenvou­dig uit van plezier en valt mij van vreugde om de hals. Toen ik haar mijn ‘braille-lei’ gaf om haar bezig te houden, schreef die kleine heks er al gauw letters op. Ik had geen idee dat ze wist wat een letter was!”

Na drie maanden kende Helen vierhonderd woorden en een heleboel uitdrukkingen. Die zomer ging het spelletje steeds door, binnenshuis of buiten, uren achtereen. Helen leerde laurier onder­scheiden van kamperfoelie, en een varken van een kip. Juffrouw Sullivan maakte van klei voor haar leerlinge reliëfkaarten met touwtjes en takjes ten einde de evenaar, meridianen en polen aan te geven. Ze leerde Helen tellen door kralen groepsgewijs op garen te rijgen, en gebruikte stokjes van de fröbelschool om haar te leren optellen en aftrekken. Dat was het enige vak waar het kind niet van hield. Al gauw kon ze keurig met potlood schrijven. Nog geen maand na haar eerste poging schreef ze haar nichtje een leesbaar, goed gespeld briefje.

Toen Helen bijna acht was ging juffrouw Sullivan met haar terug naar het Perkins-Instituut, waar een volkomen nieuwe wereld voor haar openging. Ze kreeg brailleboeken te lezen en kon omgaan met andere kinderen, die het handalfabet kenden. Al gauw bleek ze over verbluffende talenten te beschikken. Ze leerde daar lezen, rekenen, aardrijkskunde, plant- en dierkunde. Het was een tijd van grote geestelijke groei voor Helen. Wanneer ze met juffrouw Sullivan op reis was, spelde deze in haar hand vlotte beschrijvingen van wat ze onderweg voorbijkwamen — bergen en rivieren, dorpen en steden, hoe de mensen eruitzagen en hoe ze gekleed waren. Ze brachten de zomer door op Cape Cod, waar Helen leerde zwemmen; maar de eerste maal dat ze in zee plonsde was wel een grote verrassing voor haar, want niemand had eraan gedacht haar te vertellen dat zeewater zout is! Ze leerde roeien en zeilen, paardrijden en fietsen op een tandem. Ze groeide op tot een slanke, bevallige jonge vrouw, die blijk gaf van charme en gevoel voor humor.

De volgende stap was een middelbare schoolopleiding, waar Helen zich met haar gewone grondigheid op voorbereidde. Ze ging naar de kostschool voor jonge dames te Cambridge in Massachusetts, waar ze intensief les kreeg, steeds met juffrouw Sullivan naast zich om alle lessen aan haar door te geven. In 1900 liet ze zich inschrijven op de Radcliffe-Academie voor Vrouwen, als eerste dubbel gehandicapte student die ooit aan een instelling van hoger onderwijs was gaan studeren. Maar de universiteit werd een teleursteling voor Helen. Haar vorderingen waren goed, maar ze kreeg niet genoeg tijd om na te denken. Tijdens de colleges kon ze geen dictaat bijhouden, doordat ze haar handen nodig had om te “luisteren”. Wat ze zich kon herinneren, schreef ze op zodra ze thuiskwam. Voor algebra, meetkunde en natuurkunde gebruikte ze een braille-schrijfmachine, maar ze had weinig aanleg voor wiskunde. De examens waren een nachtmerrie. Sommige colleges vond ze heerlijk, en zij en haar “Juffie” Anne Sullivan werkten als gewoonlijk met volledige concentratie. Ze kregen leerboeken in braille uit Duitsland en Engeland, en Helen las tot haar vingers ervan bloedden.

In 1904 behaalde Helen haar universitaire graad, met uitsteken­de cijfers voor Engels. Ze was toen vierentwintig. Ze kreeg al heel wat verzoeken om op bijeenkomsten te spreken of artikelen te schrijven. In 1904 werd ze ook uitgenodigd om op de tentoonstel­ling in St. Louis te komen om daar belangstelling te wekken voor het onderwijs aan doof-blinden. Maar op de Helen Kellerdag was de menigte niet in toom te houden. Haar japon werd gescheurd en de rozen werden haar van de hoed gerukt.

Ze bereidde zich op haar lezing voor door speciale lessen te nemen bij een zangpedagoog. Soms kon ze haar stem niet beheer­sen, dan daalde deze plotseling of schoot naar boven uit. Regen, wind, stof en emotie hadden invloed op de toonhoogte. “Mijn geest verstarde plotseling,” verklaarde Helen toentertijd. Ze bad. Er kwamen wel woorden bij haar op, maar ze kon geen letter­greep uitbrengen. Eindelijk stootte ze een klank uit die voor haar gevoel als een kanonschot klonk. Later hoorde ze dat het niet meer dan een fluistertoon was geweest.
Maar daarna traden juffrouw Keller en “Juffie” heel vaak in het openbaar op. Dan demonstreerde “Juffie” hoe ze Helen als kind had onderwezen. Daarna sprak haar leerlinge, die eindigde met de woorden: Ik ben nu niet stom. In 1914 gingen ze voor het eerst op tournee om overal in Amerika spreekbeurten te vervullen. Ze hadden toen ook al een energieke bekwame jonge Schotse vrouw, Polly Thompson, aangetrokken als secretaresse en “impresario”. Ze gingen naar Hollywood om daar de film Bevrijding te maken.

Toen begonnen ze met een beter soort vaudeville-optreden, dat in New York een sensatie veroorzaakte. Helen vond het heerlijk. Dit vaudeville-leven was opwekkend, kleurrijk en afwisselend. “Ze voelde de adem van het publiek op haar gezicht.”

Helen Keller was nu overal ter wereld beroemd. Haar boeken werden in vele talen overgezet en ook gebrailleerd. In de jaren dertig begon ze reizen buiten Amerika te ondernemen. Herhaal­delijk reisde ze naar Europa, toen naar het Verre Oosten — steeds met belangstelling voor de blinden, voor wie ze geld inzamelde met haar lezingen. Wie over haar had gelezen, wilde haar nu zelf zien. Ze was een ontwikkelde, zelfbewuste jonge vrouw geworden, die uitstekend tegen allerlei moeilijkheden opgewassen bleek. In vele landen ontving ze eredoctoraten en onderscheidingen.

Maar de gezondheid van “Juffie” ging achteruit. Ze was bijna blind. Ze kon het tempo van de gezonde energieke Helen niet meer bijhouden. In 1936 stierf ze, kort na de laatste van een lange reeks oogoperaties. In datzelfde jaar werd aan dit opmerkelijke tweetal de Roosevelt-medaille voor “Gezamenlijke prestaties van uit­zonderlijke aard en vérstrekkende betekenis” toegekend.

Helen Keller woont in een fraai ruim huis in de bossen van Connecticut, dicht bij Westport. In een hoek van het gazon staat als een symbool een stenen Japanse lantaarn van twee en een halve meter hoog, waarin onafgebroken een licht blijft branden — zo lang als Helen Keller leeft.
Langs de wanden van haar studeerkamer staan haar brailleboeken, waarin ze leest tot haar vingertoppen, die over zoveel kilometers uitstekende puntjes zijn gegaan, met zijde verbonden moeten worden. Haar brailïe-bijbel is nog steeds haar kostbaarste bezit. Hele stukken ervan kent ze uit het hoofd. Ze leest in het donker of bij daglicht, zoals alle blinden, die altijd slecht slapen en geen dag van de nacht kunnen onderscheiden.

Helen Keller is diep religieus. Haar geloof is haar tot steun in de uren dat ze zich terugtrekt in een diepe stilte, die slechts men­sen die blind en doofstom zijn ooit leren kennen. “Ik kijk verlan­gend uit naar het hiernamaals,” zegt ze, “waar alle lichamelijke beperkingen als kluisters van mij af zullen vallen, en waar ik mijn geliefde “Juffie” weer zal vinden, en mij met vreugde kan wijden aan groter dienstbetoon dan ik ooit heb gekend.”
.

Helen Keller

alle biografieën

.

458-425

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Edison

.

DE ELEKTRISERENDE EDISON

Als hij zo in zijn laboratorium in Menlo Park, New Jersey, rondscharrelde, met een slordige haarlok die boven zijn felle, schitterende blauwe ogen opzij over zijn voorhoofd viel, met zijn gekreukelde kleren vol vlekken en brandgaatjes van chemische stoffen, zag Thomas Alva Edison er allerminst uit als een man wiens uitvindingen reeds tijdens zijn leven een ommekeer in de wereld hadden teweeggebracht. In ieder geval gedroeg hij zich daar nooit naar. Toen een hooggeplaatste bezoeker hem eens vroeg of hij veel medailles en onderscheidingen had gekregen, zei hij: ‘O ja, ma heeft thuis een paar emmers vol.’ “Ma” was zijn vrouw, mijn moeder.

En toch was het voor ons die hem na stonden elke dag opnieuw duidelijk dat hij een reus was onder de mensen. Hoeveel diensten hij de mensheid ook heeft bewezen — hij nam patent op een recordaantal uitvindingen: 1093 — toch is dat niet de kant van hem die ik mij vooral herinner; veeleer denk ik aan zijn weergaloze moed, zijn verbeeldingskracht en doorzettingsvermogen, zijn bescheidenheid en humor. Soms was hij een echte kwajongen.

Doordat hij zo onvoorstelbaar hard werkte, was zijn huiselijk leven tamelijk beperkt, maar hij nam er toch tijd af om met zijn gezin autotochtjes te maken of te gaan vissen en om, toen wij nog klein waren, triktrak te spelen of op de grond met ons te stoeien.
Iets dat ik me heel goed herinner, is de viering van Onafhankelijkheidsdag in Glenmont, ons huis in West Orange met zijn drie verdiepingen en zijn puntdak, dat nu een nationaal monument is. Dit was voor vader de feestdag van het jaar, omdat de traditie wil dat de viering gepaard gaat met het afsteken van vuurwerk. Hij begon bijvoorbeeld in alle vroegte een voetzoeker in een ton te gooien, waardoor hij ons allemaal wekte, de buren incluis. Daarna staken wij de hele dag vuurwerk af, in allerlei combinaties. “Ma zal het wel niet zo leuk vinden,” zei hij dan olijk, “maar laten we er eens 20 tegelijk afschieten en kijken wat er dan gebeurt.”

Edison

Vader moedigde ons altijd aan om te onderzoeken en te experimenteren. Hij gaf ons klokken en andere mechaniekjes om mee te prutsen, plaagde ons en werkte op onze eerzucht, net zo lang tot we iets gingen uitvoeren. Toen ik zes jaar was, liet hij me in zijn chemische laboratorium bekerglazen wassen en toen ik tien was, hielp hij me een “levensgrote” auto in elkaar te zetten. Een carrosserie is er nooit op gekomen, maar er zat wel een kleine tweetakt-scheepsmotor in met riemaandrijving. Je kon er echt mee rijden en wij hadden er als kinderen geweldig veel plezier mee. Menigmaal speelden mijn broer Theo en ik “polo” op het gras, met croquethamers en auto’s — en alleen moeder en de tuinman waren daar op tegen.

Vader kon bevelen geven en deed dat ook vaak, maar bij voorkeur bezielde hij de mensen door zijn eigen voorbeeld. Daarin school een van de geheimen van zijn succes. Hij was namelijk niet, zoals velen menen, een fysicus die eenzaam in een laboratorium werkte. Toen hij goed en wel zijn eerste geslaagde uitvinding – een druktelegraaf voor beurskoersen — voor 40.000 dollar had verkocht, begon hij scheikundigen en monteurs in dienst te nemen, allemaal mensen bij wie hij gaven vermoedde die hem konden helpen bij het oplossen van een lastig probleem. Zo sloeg hij een brug tussen wetenschap en industrie door het instellen van “research in teamverband”, zoals dat tegenwoordig te doen gebruikelijk is.

Vader zelf werkte gewoonlijk 18 uur per dag of nog langer. “Iets tot stand brengen geeft in het leven de enige ware voldoening,” zei hij legen ons. Er werd alom over hem verteld dat hij genoeg had aan slechts vier uur slaap, met af en toe een dutje; dit was overdrijving. “Slaap is als een verdovend middel,” beweerde hij. “Als je een te grote dosis neemt, word je er suf van. Dat kost je tijd en fut en je mist er kansen door.”
Zijn successen zijn wereldbekend. Met de fonograaf, die hij uitvond toen hij 30 was, legde hij geluid op wasrollen vast; zijn gloeilamp verlichtte de wereld. Hij was de uitvinder van de microfoon, de mimeograaf, (kopieermachine) de fluorescoop, de accu(mulator) met ijzer- en nikkelelektroden en kaliloog, en de kinematograaf.(filmtoestel). Hij maakte de uitvindingen van anderen — de telefoon, de telegraaf en de schrijfmachine — in de praktijk bruikbaar. Hij ontwierp ons gehele systeem voor elektriciteitsvoorziening.

Mij wordt wel eens gevraagd: “Is hem nooit iets mislukt?” Het antwoord is: ja. Thomas Edison heeft herhaaldelijk mislukkingen gekend. Zijn eerste patent — toen hij vrijwel geen sou bezat — betrof een elektrisch apparaat om in de Senaat de stemmen te tellen, maar de politici voelden er niet voor het te kopen.
Hij had eens zijn gehele kapitaal belegd in een apparatuur om langs elektromagnetische weg laagwaardig ijzererts van steen te scheiden — waarna hij echter merkte dat zijn vinding verouderd en oneconomisch was geworden door het openleggen van rijke mijnen met hoogwaardig ijzererts. “Kletskoek,” zei hij gedurende een reeks teleurstellende proeven tegen een ontmoedigde medewerker, “het is ons niet mislukt. Wij kennen nu al 1000 dingen waar het niet mee lukt, dus zijn we al een heel stuk verder om te ontdekken wat wél zal lukken.”

Hij nam een soortgelijk standpunt in ten opzichte van geld (ongeacht of hij het bezat of niet). Hij beschouwde het als een grondstof, zoals metaal, veeleer om te gebruiken dan om te vergaren, en dus stak hij zijn kapitaal steeds weer in nieuwe ondermingen. Meermalen ging hij bijna failliet, maar hij vertikte het om zich de wet te laten voorschrijven door het dollarteken.

In zijn fabriek voor het verpulveren van ijzererts was vader op een dag niet te spreken over de manier waarop de steenbreker werkte. “Zet hem eens wat sneller,” gelastte hij de man die de machine bediende.
“Durf ik niet,” was het antwoord. “Dan gaat-ie kapot.” Vader wendde zich tot de opzichter. “Hoeveel heeft die machine gekost, Ed?”
Vijfentwintigduizend dollar.”
“Hebben we zoveel op de bank staan? Goed, doe er dan nog maar een schepje op.”
De arbeider voerde de snelheid op. En toen nog wat. “Hij bonkt crimineel,” waarschuwde hij. “We gaan d’r straks nog aan!”
“Dan maar d’r aan,” schreeuwde vader. “Nog harder!” Toen het bonken luider werd, gingen ze wat achteruit. Plotseling klonk er een oorverdovende slag en de brokstukken vlogen in het rond. De steenbreker was uit elkaar gesprongen.
“En wat bent u nou wijzer geworden?” vroeg de opzichter.
“Nou,” zei vader met een glimlach, “dat ik hem 40 percent meer kan belasten dan hij volgens de aannemer kan verdragen, behalve – net dat laatste streepje. Nu kan ik er eentje bouwen die precies zo goed is en waarvan het nuttig effect groter is.”
Ik herinner me in het bijzonder een zeer koude decemberavond in 1914, toen de nog niet geslaagde proeven met de accumulator, waaraan vader bijna tien jaar had besteed, er schuld aan waren dat hij financieel nauwelijks het hoofd boven water kon houden. Het laboratorium werd alleen bekostigd uit de winst van de kinematograaf en de productie van grammofoonplaten. Op die decemberavond weerklonk de kreet “brand!” door de fabriek. In de filmkamer was zelfontbranding ontstaan. Binnen enkele ogenblikken was al het verpakkingsmateriaal, het celluloid voor grammofoonplaten, films en andere brandbare goederen in een zee van vlammen opgegaan. De brandweer van acht dorpen verscheen ten tonele, maar de hitte was zo hevig en de waterdruk zo laag dat de brandslangen niets konden uitrichten.

Toen ik vader niet kon vinden, begon ik ongerust te worden Er was hem toch niets overkomen? Zou hij de moed laten zakken nu al zijn bezittingen in rook opgingen? Hij was 67, te oud om opnieuw te beginnen. Opeens zag ik hem op het fabrieksterrein vlug naar me toe komen. “Waar is ma?” riep hij. “Ga haar halen! Zeg dat ze haar kennissen moet waarschuwen! Zo’n brand zien ze van hun leven niet meer!”

De volgende ochtend om halfzes, toen de brand amper was bedwongen, riep hij zijn personeel bijeen en kondigde aan: “We gaan de zaak weer opbouwen.” Eén man kreeg opdracht alle machinewerkplaatsen in de omgeving af te huren. Een ander liet hij bij de Erie-Spoorwegen een takelwagen halen. En alsof het toen pas bij hem opkwam, vroeg hij: “Dat is waar ook. Weet iemand misschien hoe we aan wat geld kunnen komen?”

Naderhand gaf hij een toelichting. “Je kunt altijd munt slaan uit een ramp,” zei hij. “We hebben alleen maar een hoop oude rommel opgeruimd. Nu gaan we op de puinhopen iets groters en beters bouwen.”Vervolgens maakte hij een hoofdkussen van zijn jas, installeerde zich op een tafel en viel onmiddellijk in slaap.
Zijn opmerkelijke reeks uitvindingen vestigde de indruk dat hij min of meer een magische kracht bezat, zodat hij “De Tovenaar van Menlo Park” werd genoemd. Hij vond die bijnaam beurtelings grappig en ergerlijk. “Tovenaar?” vroeg hij dan. “Kletskoek. Gewoon hard werken — daar zit het hem in.”
Of zijn uitlating die zo dikwijls geciteerd wordt: “Genie is één percent inspiratie en 99 percent transpiratie.”

Na de dood van zijn eerste vrouw trouwde hij met Mina Miller, die mijn moeder zou worden. Zij vulde hem op volmaakte wijze aan. Ze was evenwichtig, vriendelijk en zelfstandig en gaarne bereid zich aan te passen bij vaders drukke leven. Ieder die hen kende werd aangenaam getroffen door de warmte die van het paar uitstraalde. Vaders dagboek, het enige dat hij heeft bijgehouden (gedurende negen dagen vóór hun huwelijk in 1885), bewees hoe dol hij op haar was. “Liep aan Mina te denken en kwam bijna onder een tram,” bekende hij. Toen hij haar ten huwelijk vroeg, deed hij dat in morsetekens, die zij had geleerd in de tijd dat hij haar het hof maakte.
Men heeft van Thomas Edison wel eens gezegd dat hij nauwelijks onderwijs heeft genoten. Inderdaad is hij maar een halfjaar werkelijk op school geweest, maar toen hij als jongen in Michigan les kreeg van zijn moeder, las hij, op acht- of negenjarige leeftijd, klassieke werken als The Decline and Fall of the Roman Empire (“Verval en ondergang van het Romeinse Rijk”) van Edward Gibbon.
Nadat hij als krantenjongen en verkoper van allerlei artikelen bij de Grand Trunk Railroad was gekomen, bracht hij hele dagen door in de Openbare Leeszaal van Detroit — die hij “van A tot Z” uitlas.
Bij ons thuis had hij altijd boeken en tijdschriften, evenals een heel stel dagbladen.

De man die zoveel tot stand zou brengen, is vanaf zijn jongensjaren bijna geheel doof geweest. Hij kon alleen de hardste geluiden en schreeuwende stemmen horen, maar dat deerde hem niet. Als mensen hem wel eens vroegen waarom hij geen gehoorapparaat uitvond, antwoordde vader altijd: “Hoeveel heb je in het afgelopen etmaal gehoord wat je niet had kunnen missen?” Hij liet hierop volgen: “Een man die moet schreeuwen, kan nooit liegen.”
Hij hield van muziek en als de compositie de nadruk op de melodie legde, kon hij “luisteren” door een potlood tussen zijn tanden te houden en het andere einde tegen de kast van een fonograaf te drukken. De trillingen en het ritme kwamen perfect over. De fonograaf lag hem trouwens na aan het hart, het meest van al zijn uitvindingen.

Vader ontving vele huldeblijken, waarvan twee hem vooral genoegen deden. Het ene kreeg hij op 21 oktober 1929, de dag van het jubileum van de gloeilamp. Dit heuglijke feit was voor Henry Ford aanleiding om in Dearborn, Michigan, vaders laboratorium van Menlo Park na te bouwen, bedoeld als een blijvend gedenkteken te zijner ere, te midden van al datgene wat Amerika dank zij Ford had gepresteerd.

Het jaar 1928 bracht de andere bijzondere onderscheiding: een speciale gouden “medaille van het Congres der Verenigde Staten” uit erkentelijkheid voor alles wat hij tot stand had gebracht.

Hij is altijd blijven doorwerken en heeft nooit opgezien tegen het oud worden. Op 80-jarige leeftijd begon hij een wetenschap te bestuderen die geheel nieuw voor hem was: de plantkunde. Hij beoogde een plant van eigen bodem te vinden die de grondstof voor rubber bevatte. Nadat hij proeven had genomen met 17000 verschillende planten en ze had geclassificeerd, slaagden zijn medewerkers en hij erin een methode te ontwikkelen om uit guldenroede aanzienlijke hoeveelheden latex te tappen.

Toen hij op zijn 83ste hoorde dat Newark Airport de drukste luchthaven van de oostkust was, troonde hij moeder mee om “te zien hoe het op een echt vliegveld toegaat”. Bij het zien van de eerste helikopter zei hij stralend: “Ik heb altijd wel gedacht dat het zó moest.” En hij begon tekeningen te maken voor verbeterin­gen aan het weinig bekende “wentelwiekje”.

Op 84-jarige leeftijd, toen hij niervergiftiging kreeg, begonnen zijn krachten hem ten slotte te begeven. Tientallen verslaggevers brachten de hele nacht bij ons huis door. Van uur tot uur werd het nieuws aan hen doorgegeven: “Het licht brandt nog.” Maar om 3 uur 24 in de vroege ochtend van 18 oktober 1931 kwam het bericht: “Het licht is uit.”

Het plan werd geopperd om op de dag van zijn begrafenis als laatste hulde de elektrische stroom in Amerika gedurende één minuut geheel uit te schakelen, maar dit werd te gevaarlijk ge­acht. In plaats daarvan werd slechts hier en daar het licht ge­deeltelijk gedoofd. Het radarwerk van de vooruitgang werd niet stilgezet. Zó zou Thomas Edison het hebben gewenst.
.

meer over Edison

alle biografieën

vertelstof: alle artikelen

451-420

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.