VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Confucius

.

De wijsheid van Confucius

 

Als hij in eigen persoon vóór ons kwam staan, zou hij er, in onze ogen, nogal vreemd uitzien, met zijn grote, naar buiten staande neusgaten, zijn spleetogen en grote bult boven op zijn hoofd. Zijn baard en snor hingen in drie strengen omlaag, en zijn gewaad leek op een Japanse kimono. Maar hij was groot en sterk, een hartstochtelijk jager, een begaafd musicus en een intellectueel genie. Zijn grote en subtiele wijsheid wordt in het Westen niet erg gewaardeerd, en toch neemt hij in de hele wereld een unieke plaats in. Hij staat in de geschiedenis geheel op zichzelf als de man die de geest en de gewoonten van een heel volk heeft gevormd.

Confucius

Confucius leefde in China meer dan 500 jaar voor Christus’ geboorte. Hij was een van de grootste leermeesters der levenskunst en meer dan een van de anderen alleen maar leermeester. Hij was geen heilige en geen profeet. Hij had geen sleutel die paste op alle geheimen van het heelal. Hoewel men over zijn leer dikwijls spreekt als over de godsdienst van China, had hij weinig belang­stelling voor godsdienst of voor de idee van een eeuwig leven. Maar hij bekommerde zich zeer om het goed-zijn. Hij was de uit­vinder van die toverformule, de gulden regel, een van de heiligste schatten van ons eigen evangelie, namelijk de samenvatting van zijn leer: “Doet een ander niet aan wat gij niet wilt dat anderen u aandoen.”

Confucius is soms zo dicht bij het Evangelie van Christus, dat er een heel boek geschreven is over de overeenkomsten en verschillen van deze twee. Overeenkomstig de christelijke leer “Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt” is bijvoorbeeld zijn waarschuwing dat wij bij het beoordelen van anderen, “ons innerlijkste zelf”‘ als maatstaf moeten nemen. Is het niet denkbaar dat wij dezelfde zonde zouden hebben begaan? Maar in tegenstelling tot het christelijk geloof was zijn antwoord, toen iemand hem vroeg wat hij vond van de gedachte dat wij onrecht met vriendelijkheid moesten vergelden: “Waarmee wil je dan vriendelijkheid ver­gelden? Vergeld onrecht met recht, vriendelijkheid met vriende­lijkheid.”

Als jongen had Confucius een levendige belangstelling voor alle soorten ritueel en ceremoniën. Van muziek hield hij ook, en hij leerde zingen en luit en citer spelen. Op middelbare leeftijd reisde hij van zijn geboorteplaats in de kleine provincie Lu naar de hoofdstad, om “de regels van de muziek en het decorum” te bestu­deren en een deskundige te worden in alle vormen van ceremo­nieel gedrag.

Toen Confucius volwassen werd, voorzag hij in zijn levens­onderhoud door leerlingen in huis te nemen. Er was geen vast­gesteld lesgeld, en als de leerling zowel behoeftig als begaafd was, hoefde hij helemaal niets te betalen. De leer van Confucius is tot ons gekomen in de vorm van een uitgebreide verzameling losse opmerkingen en fragmenten van gesprekken die door zijn leer­lingen zijn vastgelegd. Helaas zijn ze niet verbonden met zijn levensgeschiedenis, zoals het geval is met die van Jezus, en dat maakt ze minder leesbaar. Ze zijn ook niet zo welsprekend als de evangeliën. Confucius wantrouwde welsprekendheid. “Het enige dat de taal moet doen,” zei hij, “is een betekenis overdragen.” Hijzelf deed dat met eenvoudige proza-gezegden, zoals:

“Waarheen u ook gaat, ga met uw ganse hart.”
“De ernstige fout is: fouten hebben en niet proberen die te ver­beteren.”
“Acht uzelf niet zo groot, dat andere mensen klein lijken.”

Zijn geest neigde naar het wetenschappelijke. Doordien hij de nadruk legde op de geestelijke lenigheid, de vervanging van het dogma door het feitenonderzoek en het opschorten van een oor­deel was hij zijn tijd 2000 jaar vooruit. Hij heeft als eerste onder woorden gebracht wat men de gulden regel der wetenschap zou kunnen noemen: “Als men iets niet kent, is de erkenning dat men het niet kent, kennis.”
Zo rekende hij af met de verleidingen van bijgeloof en een manier van “denken” waarbij de wens de vader is van de gedachte. Tot hetzelfde doel legde hij grote nadruk op oprechtheid — niet alleen in woorden, maar ook in de persoon­lijke meditatie. Er mag geen innerlijk zelfbedrog bestaan als men op reis gaat langs wat hij noemde “het pad der waarheid”.

Toch was het geen recht en nauw, of onmogelijk moeilijk pad, dat hij wees. “De weg der waarheid,” zei hij, “is als een grote weg. Hij is niet moeilijk te vinden. De kwestie is alleen, dat de mensen er niet naar willen zoeken.” Dit betekent niet dat hij laksheid of toegeeflijkheid jegens onszelf aanried. Confucius was een strenge, veeleisende leermeester. Vergeleken met de lijst met hoedanighe­den waarnaar zijn leerlingen moesten streven, lijken onze zeven hoofddeugden meer op een cursus voor beginners. Onder andere dienden zijn leerlingen te zijn “vlug van begrip, helder van oor­deel, van verreikende intelligentie en alomvattende kennis, ge­schikt om gezag uit te oefenen, grootmoedig en verdraagzaam.” Ze moesten ook “plechtigheid”, “ernst”, “trouw”, “vriendelijk­heid” en “eerbiedige aandacht voor zaken” leren. Zijn gezegden geven mij de indruk dat daaraan de gedachte ten grondslag ligt dat alle mensen zich in een groeiproces bevinden. Hij geloofde dat er in ons allen een stuwkracht werkzaam is, een verlangen om zo al niet anderen, dan toch onszelf te overtreffen.

Evenals Plato 200 jaar later, ontwierp ook Confucius het bouw­plan van een ideale republiek, maar de zijne was zeer verschillend van de streng geordende die Plato bedacht heeft. Confucius’ plan kwam namelijk voort uit zijn verlangen dat de maatschappij zou functioneren als een liefhebbend gezin. Die idee was met name in China nogal utopisch, omdat de familiebanden daar hechter en sterker zijn dan waar ook ter wereld; Chinezen te vragen, alle mensen als hun familieleden te beschouwen, ging wel wat ver. Confucius wist dit, maar hij wilde de wereld althans in de richting van het ideaal zien gaan. En de enige manier om een begin te maken, zo meende hij, was goede en wijze mannen in
machtsposities te krijgen. En ook evenals Plato heeft hij zich zijn hele leven naarstig beijverd om door een van de feodale vorsten in een hoge ambtelijke positie benoemd te worden. Dat viel wel verscheidene van zijn beste leerlingen ten deel, maar hijzelf schijnt nooit veel verder gekomen te zijn dan de positie van hooggeschat leermeester voor dergelijke ambtenaren.

Hoewel hij jarenlang door China rondgetrokken is met een kleine groep leerlingen, op zoek naar een machthebber die hem een kans wilde geven om de wereld te hervormen, stonden bepaal­de karaktertrekken de verwezenlijking van zijn ambities in de weg. Hij schijnt te openhartig geweest te zijn om als politicus te slagen. Tot een onstuimig heerser die hem onderricht vroeg in de kunst van het regeren, zei hij: “Leer eerst uzelf regeren.” Bovendien geloofde Confucius niet werkelijk in erfelijke aristocratie. “Van nature zijn de mensen bijna gelijk,” zei hij. En hoewel de demo­cratie toen nog niet was uitgevonden, verklaarde Confucius — wellicht voor het eerst in de geschiedenis — dat het ware doel van het regeren niet slechts de welvaart, maar het geluk van het volk is.

Ten slotte keerde hij terug naar zijn vaderstad, als een oude ver­moeide man — niet geestelijk gebroken, maar wel overtuigd dat hij mislukt was. Na een paar jaar van rustig onderwijzen stierf hij in die overtuiging. Zijn leerlingen rouwden om hem alsof hij hun vader was geweest. En aangezien het toentertijd in China ge­bruikelijk was dat kinderen drie jaar lang rouwden om een ge­storven vader, hadden ze ruim de tijd. Die brachten ze door met elkaar aan alle belangrijke dingen te herinneren die hij onderwe­zen had, en die op te schrijven. Het boek van hun herinneringen werd de bijbel van het Chinese volk. Meer dan dat: het werd hun boek der etiquette, de geest van hun wetten, de politieke begin­selen die hun goede heersers voorstonden.

Toen in de derde eeuw vóór Christus zekere wrede despoten het confucianisme verboden, zijn geschriften verbrandden en zijn aanhangers doodden, verbreidde deze filosofie zich als een geheim lopend vuurtje — evenals het christendom zich later onder de vervolging zou verbreiden. En eveneens als met het christendom gebeurde, kwam er daarna een bedachtzamer keizer, die het confucianisme aannam en het van staatswege sanctioneerde.

Boek na boek is sindsdien over het confucianisme geschreven, zodat iemand die er in zijn jeugd aan zou beginnen en dan een heel mensenleven zou doorlezen, er niet doorheen zou kunnen komen. Maar door al die boeken straalt de zuivere, hoge, gema­tigde en eenvoudige levenskunst die Confucius zelf onderwezen heeft, en die zal blijven stralen, ongeacht hoevele communistische volksopvoeders hun best doen om haar te vervangen door hun religie van staatstirannie en hun leer dat het doel de middelen heiligt, hoe bloedig en slecht die middelen ook zijn.
.

alle biografieën

vertelstofalle biografieën
.
vertelstofalle artikelen

.

556-510

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

./

 

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.