VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Linnaeus

Vivat Linnaeus

Linnaeus

De historische figuur waar mijn voorkeur naar uitgaat — een man die ik mijn vriend durf noemen, ondanks de tijdruimte die ons scheidt — is Carolus Linnaeus. Aan het begin van de eeuw waarin hij leefde — de 18de — was de natuur­lijke historie nog niet veel meer dan een allegaartje van
schijnge­leerdheid. Deze rommelkamer van obscure vaagheden is de kor­date jonge reus overmoedig binnengedrongen om er de vensters van de geest wijd open te gooien. In de natuur zelf had hij orde en planmatigheid gevonden, en uit chaos schiep hij een organisch opgebouwd systeem. Zijn wetenschappelijke arbeid was een lofzang op de harmonie van Gods schepping.

Toen Linnaeus in 1707 in het eenkamerhuisje van een dorps­predikant het levenslicht aanschouwde, was Zweden nog groten­deels woest land, met dun gezaaide boerderijen, kleine ontginnin­gen en glinsterende eenzame meren. Zodra de jongen er oud genoeg voor was zwierf hij door bossen en velden met zijn vader, die een hartstochtelijk natuurvriend was, hem de bloemen
aan­wees, hun wortels en zaden liet zien, en het kind de Latijnse naam van elke plant inprentte. Met deze methode om zijn zoon in de geheimen der flora in te wijden toonde dominee Linnaeus zich een oorspronkelijk man. Want in die dagen plachten nog slechts weinig geleerden de natuur zelf te observeren om hun kennis van plant of dier te verrijken; zij diepten die liever op uit een boek, bij voorkeur een dat 2000 jaar eerder was geschreven door een Griek.

Zodat de oude professor Celsius, van de theologische faculteit der universiteit van Uppsala — zelf een verdienstelijk amateur botanicus — enigszins verrast opkeek toen hij op een dag in 1729 een student enige bloemen in de halfvergeten botanische tuin met aandacht zag bekijken. Kennelijk een arme jongen, te oordelen naar zijn kale plunje en magerte. Maar zijn bruine ogen schitter­den toen de professor een gesprek met hem aanknoopte, waarin de jonge man blijk gaf van een verbazingwekkende botanische kennis. Daardoor geïmponeerd, nodigde de vriendelijke oude theoloog hem bij zich aan huis, bezorgde hem een behoorlijk stel kleren, liet hem flink eten en stelde zijn bibliotheek voor hem open.

De dank voor de betoonde gastvrijheid was de aanbieding van een geschrift van de hand van de 21-jarige jongeman, het resul­taat van een langdurige en nauwgezette studie van bloemen. Hij had het een ietwat zonderlinge titel gegeven: Bloemenbruiloft. De oude professor las het manuscript met stijgende belangstelling door. Want hier werd klaar en duidelijk gesteld dat planten een geslachtsleven hebben — een simpel, maar nauwelijks onderkend feit. Er was tot die tijd heel wat nonsens over uitgekraamd, bij­voorbeeld dat planten “zich van hun stuifmeel ontdoen om hun sappen te zuiveren”. Linnaeus leerde dat de stamper het vrouwe­lijke orgaan van de bloem is, dat het vruchtbeginsel bevat met een buikvormige holte om het zaad vast te houden na bevruchting door het stuifmeel dat door de meeldraden, de mannelijke or­ganen, wordt uitgestrooid. En hij legde, de bloem bekijkend met de ogen van een bij, in poëtische maar veel waarheid bevattende bewoordingen uit dat “de mooie bloembladen zelf niets tot de voortplanting bijdragen, doch slechts dienst doen als het bruids­bed, door de Schepper zo schitterend opgemaakt, gedrapeerd met prachtige gordijnen en doordrenkt van zoete geuren.” Met het vaststellen van dit feit, de geslachtelijkheid der planten, is een nieuw tijdperk in de wetenschap ingeluid. De “Eeuw van Lin­naeus” noemen wij het — een gouden tijd van ontdekkingen en het opdoen van nieuwe kennis, waarvan wij nog heden de vruch­ten plukken.

Verheugd met het verrassende eerbetoon, door zijn bescherme­ling aan Gods wijsheid gebracht, haastte de oude Celsius zich naar zijn vriend professor Rudbeck, Uppsala’s grootste geleerde. En Rudbeck, onmiddellijk beseffend dat hier het genie zich aan­meldde, stond erop dat Linnaeus bij hem kwam inwonen. Aan de jongere gaf de oudere al de in een lang leven vergaarde kennis door, verruimde Carls blik en stimuleerde zijn verbeeldings­kracht. Samen ontwierpen zij het plan voor wat later een van de belangrijkste wetenschappelijke expedities zou blijken die ooit zijn ondernomen.

Ze bestond weliswaar slechts uit die ene jongeman, die op een dag in mei van het jaar 1732 te paard uittrok naar de maagdelijke wildernissen van Zwedens noordelijkste provincie, Lapland. Maar het was de eerste omvangrijke onderzoekingstocht in de vrije natuur in de geschiedenis der wetenschap. Linnaeus’ uitrusting bestond uit een meetstok, verrekijker, vergrootglas, mes, jacht­geweer, papier om er planten in te drogen — maar bovenal uit een geest, even wijd open en even sprankelend als die meimorgen, die de jeugdige avonturier als volgt heeft beschreven: “De natuur was op haar bekoorlijkst. Het winterkoren stond een halve voet hoog. Berken, elzen en espen hadden zich met het eerste jonge groen getooid. De leeuwerik begeleidde mij, hoog in de lucht, met zijn getureluur.”

Een half jaar later stapte een pezige jonge kerel, gebruind en verweerd door poolwind en middernachtszon, de vertrekken van Uppsala’s Wetenschappelijk Genootschap binnen. Linnaeus had honger en kou getrotseerd op ijzige kale vlakten, had halfbedorven vis gegeten, verraderlijke rotshellingen beklommen, was schuimende bergstromen afgezakt en beschoten door argwanende Lappen. Maar hij had de wijdgeopende kelken van de wilde
noordpoolbloemen gezien die laag bij de grond van de toendra moeten blijven om niet door de snijdende poolwind te worden afgemaaid. Hij had de vogels van het hoge noorden kunnen gade­slaan bij het nestelen, gezien hoe hun gevederte de bruidstooi aannam, en had hun eieren en jongen gevonden. Hij had zich verdiept in het leven van het rendier, waarvan de Lappen af­hankelijk waren voor hun eten en drinken, kleding en onderdak. Hij had zijn dagboek moeten bijhouden bij het licht van flakkerende kampvuren, in de stinkende hutten van wilde nomaden, onder de beschutting van zijn op de oever getrokken boot. En hij had van de levende natuur meer kennis uit de eerste hand op­gedaan dan enige andere geleerde vóór hem.

De monsters van mineralen die hij meebracht openden Zweden de ogen voor de rijkdommen, die zijn bodem in het noorden des lands bevatte. Hij vestigde de aandacht op de verwaarloosde toestand van de kroondomeinen, waar branden, plantenziekten en insecten de bossen met ondergang bedreigden. (Tegenwoordig kent Zweden een modelbosbeheer, echter pas sinds Linnaeus zijn land had wakkergeschud voor de dreigende gevaren.) Hij was ook achter de oorzaak gekomen van de ziekte, die toentertijd in het noorden een grote slachting onder het vee aanrichtte: een giftige plant, en hij raadde aan zich daarvan te bevrijden door “meisjes aan het werk te zetten om hem met wortel en tak uit te roeien”. Er waren drie jaren van hard werken nodig om uit zijn aantekeningen en geheugen deze rijke oogst aan gegevens binnen te halen. Middelerwijl was zijn naam op veler lippen gekomen en was Zweden gaan beseffen welk een grote zoon het in Linnaeus bezat. Hij werd uitgenodigd een dergelijke onderzoekingstocht te ondernemen in de provincie Dalecarlië; ditmaal echter werden er medewerkers te zijner beschikking gesteld en werden de kosten betaald.

De nieuwjaarsklokken luidden 1735 in toen de 28-jarige Lin­naeus, na beëindiging van zijn exploratie in Dalecarlië, als gast het huis betrad van dr. Moraeus, een van de plaatselijke notabe­len. Hij danste er met de dochter des huizes, Sara Lisa, en het werd hem daarbij prompt duidelijk dat hij in haar de vrouw van zijn hart had gevonden. Maar hij was arm, en de rijke dr. Moraeus stelde zijn voorwaarden: Carl moest in Nederland medicijnen gaan studeren en na het behalen van het artsendiploma trachten in eigen land een goede praktijk op te bouwen. Van zijn kant gaf de dokter de belofte voor eventuele aanzoeken van andere mannen om de hand van Sara Lisa doof te blijven; en intussen zette hij een groot bedrag als bruidsschat vast dat de nodige rente zou op­brengen.

Drie en een half jaar heeft Sara Lisa op de terugkomst van haar aanbidder moeten wachten, en het moeten saaie jaren voor haar zijn geweest. Intussen werkte Linnaeus als een paard. Hij was naar Nederland gekomen met de manuscripten van acht ver­handelingen in portefeuille. Het werk, waarover de Nederlanders het meest in verbazing geraakten, was het door Linnaeus ont­worpen “geslachtelijke systeem” om elke plant te kunnen deter­mineren naar het aantal en de plaats van zijn mannelijke meel­draden en vrouwelijke stampers. Tot die tijd had men planten gerubriceerd in doornige en vlezige, of alfabetisch gerangschikt, of geclassificeerd naar hun vermeende uitwerking op het mense­lijk lichaam. Al deze “systemen” zijn natuurlijk van nul en gener waarde gebleken. Maar het door Linnaeus ontworpen systeem, dat in de bloem zelf ligt opgesloten, wordt ook thans nog, zij het aangepast aan nieuwe inzichten, door botanici toegepast.

Dit systeem was zo opgezet, dat het voor de flora op ieder plek­je van de aardbodem te gebruiken moest zijn. Voor Goethe was het werken ermee een van de plezierigste oefeningen voor zijn geweldig intellect. Toen Linnaeus Oxford bezocht bleek professor Dillenius zo opgetogen over het Linnaeus-systeem, dat hij de Zweed de helft van zijn eigen salaris aanbood als hij in Oxford wilde blijven om aan de universiteit te doceren. Het aanbod werd afgeslagen, evenals nog vele andere aanbiedingen. Linnaeus had als gast van de Hollanders naar Kaap de Goede Hoop of naar Suriname kunnen gaan, met de unieke gelegenheid om als eerste een schat van onbekende plant- en diersoorten te verzamelen en te beschrijven. Maar Sara Lisa was nooit uit zijn gedachten, en hij spande al zijn krachten in om zijn manuscripten uitgegeven te krijgen en zijn medische studie te voltooien.

Eindelijk kon Linnaeus dan, met zijn diploma op zak en zijn gepubliceerde boeken onder de arm, naar Zweden terugkeren om in Stockholm een praktijk op te zetten — een man, als medicus onbekend en weinig gezocht. Hij trok de sloppen in en bond de strijd aan tegen die wrede kwalen die zo vaak samengaan met armoede — tuberculose en geslachtsziekten —, behandelde “hopeloze” gevallen en wist dikwijls genezing te brengen. Hij zag er niet tegenop achttien uur per dag in touw te zijn. Al spoedig kreeg hij een aanstelling als chef-arts bij de Zweedse Marine, later werd hij lijfarts van de koningin. Hij werd gekozen tot voorzitter van de Academie van Wetenschappen. Zijn Sara Lisa had hij zich met ere verworven, en in juni 1739 leidde hij haar naar het altaar. Spoedig daarna kon hij terugkeren naar de andere grote liefde van zijn leven, toen hem de leerstoel in de botanie en de medicijnen in Uppsala werd aangeboden.

Zo maakte Linnaeus zijn rentree in wat eens het huis van pro­fessor Rudbeck was geweest. Maar nu was hij er de heer en mees­ter van, evenals van de botanische tuin er omheen — tot op de huidige dag door Zweden als een heiligdom in ere gehouden. Met de volgens zijn eigen systeem geclassificeerde bloemen, levend studiemateriaal voor zijn leerlingen, werd de tuin de rijkste bota­nische schatkamer van Europa. Bewonderaars uit de verste uit­hoeken der aarde stuurden hem planten; sommige bloeien nog steeds, zoals de gouden weelde van een Siberische plant, gekweekt uit zaad dat de tsarina van Rusland hem had gezonden. Want het behaagde de groten der aarde Linnaeus te eren. De Zweedse koning schonk hem een prachtige collectie uit tropisch Azië. Reizigers stuurden hem van overal exotische plantensoorten. Lord Baltimore liet zich bij Linnaeus voorrijden in een pompeuze karos, zo breed dat men de poortposten uit de grond moest trek­ken om hem door te laten.

Dat was in Hammerby, het lieflijk gelegen landgoed waar Lin­naeus ’s zomers met zijn gezin placht heen te trekken. Hier, in dit landelijke buiten, dat ook thans nog de geest van zijn rustig, ge­lukkig leven ademt, gaf Linnaeus
privéles aan leerlingen uit vele landen. Wie geen geld had mocht er gratis vertoeven. Velen hunner hebben zich in latere jaren een eigen faam verworven. De planten, die zij hun vroegere leermeester toezonden, verrijkten gestadig de collecties in het herbarium, waar Linnaeus probeerde achter de geheimen te komen van de bloemen die in verre streken in­heems waren. Want hij werkte aan een boek, dat alle te dien tijde bekende dieren en planten van de gehele wereld zou beschrijven. Zoals eens Adam in de Hof van Eden, zo was nu Linnaeus uit­verkoren om namen — de wetenschappelijke — te geven aan elk levend wezen, de bloemen des velds, het gevogelte des hemels, het gedierte des wouds.

Het dubbelnamige systeem dat hij heeft uitgedacht is zeer een­voudig. Alle rozen, bijvoorbeeld, heten Rosa de gezusters wer­den onderscheidenlijk Rosa gallica (Franse roos) of Rosa odorata (de zoetgeurende theeroos) genoemd, en zo voort. Linnaeus gaf alles een naam, tot Homo sapiens toe, alles keurig rangschikkend in klassen en onderklassen. Hij onthulde, beseffend hoe voor elk levend wezen de lijn consequent werd doorgetrokken naar het volgende op de ranglijst, de verheven en schone orde die in de natuur heerst. Het boek, waarin hij als zeer jonge man voor het eerst had getracht dit grootse en heldere systeem vast te leggen, be­sloeg 14 bladzijden; de 12de druk, die in 1768 uitkwam, telde er 2500.

Maar het was aan de natuur zelf, niet aan een dor schema, dat Linnaeus zijn hart had verpand. Weliswaar heeft hij, eenmaal in Uppsala gevestigd, Zweden nooit meer verlaten, maar hij zwierf nog veel met een open oog voor al het schone in de natuur door de bossen en velden van het nabije Hammerby. De jaren hadden zijn gretige nieuwsgierigheid en geniale opmerkingsgave niet aan­getast. Menige dierbare herinnering aan hem leeft nog voort — Linnaeus docerend met zijn dochtertje op de knie, zijn hond met zich meenemend in de kerkbank, krekels vangend omdat hun gesjirp hem, de aan slapeloosheid lijdende, deed inslapen. Of met vlugge, ferme stap de botaniseertochten leidend die zo’n toeloop vonden, dat ouderejaars een beetje orde in de troep moesten hou­den. Het kon vrolijk toegaan bij deze gelegenheden, en de met hem door de straten van het grauwe Uppsala terugmarcherende studenten plachten de muren te laten daveren van jachthoorngetoeter en ketelmuziek, om bij het ontbinden van de stoet voor zijn deur afscheid te nemen met een schallend “Vivat scientia!” (Leve de wetenschap!) en “Vivat Linnaeus!”

Geleefd heeft Linnaeus, zeventig gelukkige jaren, waarna hij ten laatste onder klokgelui en bij vlammend toortslicht ter ruste werd gelegd in de sombere kathedraal van Uppsala. Maar hij leefde voort, zoals de melkeppe voortleeft in haar drijvende zaden, in zijn studenten, die zich over de aarde verspreidden om zijn kennis verder te dragen en zijn levensblijheid aan anderen door te geven. Hij leeft nog voort, voor u en voor mij, in die grootse reliëfkaart die hij voor ons van de natuur heeft getekend, opdat wij, wanneer wij ’s ochtends de deur achter ons dichttrekken, in haar met nieuwe ogen aanschouwde wonderen ons eigen stralende Lapland mogen ontdekken.

alle biografieën

Advertenties

4 Reacties op “VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Linnaeus

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Vertelstof – Biografieën – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – Plantkunde – Klas 5 (3) | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – Plantkunde – Klas 5 (3) | VRIJESCHOOL

  4. Pingback: VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (4) de robben – de zeehond | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s