VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (54)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.193, hoofdstuk 54                                                                            alle hoofdstukken

 

OVER HET AANGEZICHT VAN DE AARDE
Het plantenleven moet wel anders zijn, waar de zon niet zoals bij ons op de aarde schijnt, waar ook maan en sterren andere banen volgen, zomer en winter, dag en nacht anders verlopen en waar tropische hitte of poolkoude de overhand krijgen.

De zon stijgt in onze streken schuin omhoog. Ze beschrijft een boog aan de hemel die in de zomer groter, in de winter kleiner is, nooit echter, staat ze, zelfs niet in de tijd van de hoogste zonnestand, loodrecht boven ons in het zenit.

Een heel ander beeld wordt de bewoners van de meer equatoriaal gelegen landen geboden. In de tropen zie je de zon ’s morgens loodrecht omhoog gaan en ’s avonds verwijnt ze weer loodrecht achter de horizon. Op de tijd van de hoogste zonnestand loopt ze midden langs de hemel, zodat een loodrecht in de aarde gestoken stok ’s middags helemaal geen schaduw werpt, omdat de zon precies in het verlengde ervan staat. Maar ook in de andere jaargetijden stijgt ze hoger dan bij ons en daarom moet haar leven brengende kracht op aarde ook wel groter zijn.

het oerwoud*
Waar voldoende water voorhanden is of dit nu komt door regelmatige regenval of aan de oevers van rivieren of in moerasgebieden, kan zij een plantengroei tevoorschijn roepen waarvan de weelderigheid alles ver te boven gaat van wat er bij ons is te vinden, zelfs in de vruchtbaarste streken. De grondslag  van het tropische oerwoud vormen de machtige bomen. Reusachtige kruinen waarin natuurlijk ook een zeer gevarieerde dierenwereld  voorkomt, verdringen zich naast elkaar en raken met hun takken verstrikt. Alleen de sterkste kunnen het volhouden en wanneer er eens zo’n boomreus omvalt of breekt, sleept hij krakend alles wat naast en onder hem staat, mee naar beneden. Iedere boom is ook als een tuin, want van onder tot boven is hij bedekt met andere planten, zodat je soms z’n bast niet eens te zien krijgt. Klimplanten trekken zich aan de stammen omhoog. Tussen de stammen heerst de schemer, want nog voor de zon door de bladeren heen gedrongen is, hebben de planten het licht al bijna geabsorbeerd. Daarbij komt nog dat het erg warm en ook heel vochtig is in het oerwoudonderhout zoals in een kas waar je nauwelijks kan ademen wanneer je er nog niet aan gewend bent.

Planten die van de schaduw houden, vormen het onderhout, maar boven in de boomkruin is een tweede plantenwereld ontstaan. De slingerplanten die nog beneden in de grond wortelen, trekken zich rond de boomstammen als touwen omhoog, slingeren zich van tak tot tak en vormen wanneer ze bloeien wonderbaarlijke bloemenslingers. Andere klimmen tot in het hoogste topje waar ze bij het felle zonlicht gekomen een bloemenzee uitstorten van een verkwistende hoeveelheid en kleurigheid. Weer andere tropische oerwoudgewassen wortelen meteen  bovenin de boomkruinen, waar zich in hoeken van takken of holle stammen enz. humus, verzameld heeft. Daar waar bij ons hoogstens mos en paardenstaarten willen groeien, vind je bloeiende planten en grote varens door elkaar. De zon is in staat ook heel andersoortige en veel meer bloemen tevoorschijn te toveren.

Tropische orchideeën zien er vaak als dieren uit. Hun kleuren zijn doordringend en soms eng. Dat komt door de moerasachtige hitte.

De bovenmatig woekerende kracht van de aarde en een veel sterker werkende zon dan bij ons, laten het plantenleven als een vloedgolf naar buiten stromen, zodat een deel tot hoog in de toppen opgetild wordt, daar een tweede overvloedige groene wereld vormend. Deze planten komen met hun wortels niet meer tot op de aardbodem. Zulke planten die als klimplanten van de grond tot in de hoogste boomtoppen opklimmen, noem je lianen. Een natuuronderzoeker heeft de lianen van het tropische oerwoud als volgt beschreven:

‘Wanneer dat mooie woord ‘liaan’ klinkt, licht uit de schemering van de jeugdherinneringen een hele reeks prachtige beelden op, in krachtige lijnen en bonte kleurenpracht. Boven de reusachtige stammen van het oerwoud, die net als pijlers van een grote hal oprijzen, welft zich een loofdak waardoorheen hier en daar ijle zonnestralen breken. Op de woudbodem weelderig groen van varens die van de schaduw houden en de dode stammen van de omgevallen bomen begroeien of machtige struiken en verder nog een woest bruin netwerk van wortels, dat het bijna onmogelijk maakt dat je op die stille duistere bodem nog vooruitkomt. In tegenstelling tot het griezelige midden van het bos, geeft de zoom van het oerwoud een bont beeld van licht. Een wirwar van alle denkbare plantenvormen groeit glooiend omhoog langs het dichtste struikgewas, zich nog verder in de hoogte verheffend, hoger en hoger tot in de kruinen van de woudreuzen, zodat je eigenlijk niets meer ziet van wat zich in die grote hal bevindt. Dat is de echte wereld van de lianen.

Alles slingert, rankt en klimt door elkaar en het oog doet een vergeefse poging erachter te komen welke stammen, welke bladeren, welke bloemen en welke vruchten bij elkaar horen. Hier vlechten en vormen de lianen groene muren en tapijten, daar hangen ze als schommelende slingers of als gordijnen aan de takken die er verstrikt in zitten, naar beneden en op weer andere plaatsen hangen ze gespannen als gevlochten draden tussen de takken, van boom naar boom, gebouwd als zwevende bruggen, ja zelfs als deftige galerijen met spits- en rondbogen. Alleenstaande bomen worden door de ineengevlochten lianen omhuld tot ze een groene zuil zijn en wat nog meer voorkomt: tot het midden van een groene piramide waarboven de kruin zich als een paraplu uitspreidt. Zijn de lianen samen met de bomen die hen tot steun dienden, oud geworden en zijn het loof en het groen verdwenen dan lijken ze wel touwen die tussen aarde en boomkruin gespannen zijn en dan komen die zeldzame vormen tevoorschijn die we aanduiden met de naam ‘bostouw’. Nu eens strak getrokken, dan weer slap en schommelend, richten ze zich op uit de wirwar van woudgroen en gaan door elkaar kruipend, hoog bovenin op in de boomtakken. Sommige van deze bostouwen zien eruit als kurkentrekkers en weer andere zijn als de vingers van een hand uitgespreid, uitgehold, soms tot sierlijke trappen, de beroemde ‘apenladder’ gevormd. De groene slingers, de loofslingers van de lianen zijn hoog bovenaan gesierd met de meest bonte bloemen. En waar bloemen bloeien en vruchten rijpen, ontbreekt het ook niet aan de gasten die deze bezoeken, aan het bonte volk van de vlinders en aan de woudzangers die het liefst verblijven aan de woudzoom met de dooreengevlochten lianen.’

Omdat de zon zich zo zeer aan de woekerende aarde opdringt, worden ook de plantendelen met elkaar verwisseld. De bloeikracht komt tot in de bladeren, wortels, stammen en basten en maakt ze aromatisch. Maar ook bloemen en vruchten hebben heel ander vuur en kostelijk aroma. We krijgen immers de vurigste specerijen uit de tropen.

Dat het beeld van begroeiing van de warme zones van de aarde volkomen verandert, ja zelfs in het tegendeel verandert, als het water ontbreekt dat voor het plantenleven beslist noodzakelijk is, is geheel vanzelfsprekend. De opborrelende krachten trekken zich terug en de zon werkt door haar onbarmhartige kracht verdorrend, verhardend op de aarde. In plaats van de weelderigheid treedt de dorheid, i.p.v. het oerwoud komt de steppe of zelfs de woestijn.

de woestijn
Een woestijn is een gebied waarin zo goed als geen plant meer groeien kan, ongeacht of het een steen- of  zandwoestijn is. In de steppe groeit tenminste nog gras dat tijdens de korte regenperioden toch telkens weer opfrist.

Wanneer er sprake is van woestijnen denk je gewoonlijk aan de Sahara, hoewel er in andere werelddelen dan Afrika genoeg gebieden zijn die deze naam verdienen. Wie zou denken dat de oorzaak van de woestijn steeds de onvruchtbare bodem is, vergist zich zeer, want het is al vaak gebleken dat het aan de mens kan liggen woestijngebied in voortreffelijk cultuurland te veranderen. Steeds kun je van Egypte met zijn kunstmatige bevloeiingssysteem het meest leren, al is het niet het enige voorbeeld in zijn soort. Aan de andere kant is ook menig vruchtbaar gebied door ondoordacht of gewetenloos ingrijpen van de mens pas echt tot woestijn geworden. Waar de mens bv. egoïstisch de wouden omhakte, kwamen wolkbreuken en zo spoelde de vruchtbare bodemlaag weg of de bodem droogde uit, omdat er geen beschermend bladerdak meer aanwezig was. Dan kwam de wind en blies alles weg tot op de kale stenen.

Een steenwoestijn bleef achter.

Veel planten zijn door het woestijnklimaat hoogst merkwaardig veranderd. Ze zijn sterk samengetrokken en hebben of helemaal geen of alleen nog heel kleine bladeren. Wanneer de korte regenperiode voorbij is, staan ze daar als een bladloze struik. Het sterke zonlicht heeft aan vele van hen doornen gegeven, zodat ze ondoordringbaar zijn (doornstruik). Ook groeien er kussenplanten in de woestijn. Ze vomen halfkogelvormige bollen en zijn dikwijls met zeer lange penwortels verankerd. De stam die boven de grond komt is zo dik vertakt en  zo verhard  dat je eerder aan koraalriffen moet denken dan aan een plant. Maar hoe zou ooit een uitgespreide plant met weke stengels en bladeren overgeleverd aan de hete wind en op een diep tot in de zandbodem uitgedroogde aarde, kunnen bestaan?

Veel leren kun je in dit opzicht van de cactussen die zoals bekend, in de steenwoestijnen van Mexico thuis zijn. Die hebben al helemaal geen bladeren meer, maar alleen nog stengeldelen die vlezig geworden zijn, met een leerachtige huid overtrokken. Een cactus heeft zijn bladeren in een verdikte stengel naarbinnen getrokken. Daarom is de stengel groen, in sommige gevallen is deze zowaar platgedrukt en heeft een bladvorm gekregen. De geurige en meestal kort levende cactusbloemen schijnen helemaal niet bij de dorre, met stekels bezette stengels te passen. Juist omdat de cactus geen bladeren heeft, moeten zijn bloemen wel meteen op de stam zitten en zo weet je gelijk, wat er tussenin ontbreekt: de bladeren.

Dus doet de cactus hetzelfde als de woestijnomgeving waarin hij leeft, waar de hete lichtdoorstroomde lucht direct op de dode steen drukt en waar geen water deze eenzijdigheid oplost. Maar de cactussen zelf hebben wel veel vocht in hun vlezige stam opgeslagen. Anders zouden ze de droogteperiode nauwelijks overleven. En bovendien heeft een cactus ook veel vuurkracht verzameld. Omdat hij zo langzaam groeit en zo hard is, merk je het nauwelijks. Wanneer dan de bloemen uitkomen zie je pas, hoe het brandt!

Veel zuidelijke planten zijn buitengewoon groot geworden. Daarbij zijn ze echter eenvoudig gebleven, wat je bv. aan de palmen kan zien. Hun machtige palmbladeren, hard als de huid van een hagedis, zijn veel minder doorwerkt dan sommige van onze inheemse planten, bv. de kleinere weidebloemen. Ook hun stam kan niet vergeleken worden met de stam van onze bomen: het zijn starre, onvertakte reusachtige bladeren. Zo kan de tropenzon haar planten groot laten worden, zonder deze zorgvuldiger op te bouwen.

de steppe
Misschien zie je de tegenstelling tussen vochtigheid en droogte wel het meest opvallend in de steppen; want die veranderen met het beginnen van de regentijd in een verbluffend korte tijd helemaal. Dan worden ze groen en overal komen prachtige bloemen uit de eerst zo troosteloze bodem tevoorschijn, zodat je je plotseling in een toverland waant. Maar dit heerlijke duurt niet lang want wanneer de regenloze tijd aanbreekt, verdwijnt alles weer en de dorheid krijgt de overhand. De bolgewassen trekken zich onder de aarde terug en het gras verdort en de zaadplanten sterven ook.

Zo komt het dat een reiziger de Zuid-Afrikaanse hoogvlakte als de meest verschrikkelijke, droogste, meest verbrande, als in een oven gebakken, meest verzengende, meest uitgeputte, meest godverlaten streek waarover de zon ooit heeft geschenen, kon beschrijven, terwijl een ander die in hetzelfde gebied reisde tijdens de regentijd het land als een wonderoord beschreef. Zo is het levenbrengende water in staat de aarde te veranderen!

In de tropen is iedere dag als een korte zomer. Een winter zoals bij ons, komt niet voor, alleen regenperioden, die – al naar gelang van welke kant de wind over zee komt-in verschillende tijden liggen. Je kunt ook zeggen, dat in de tropen het jaar in een dag is veranderd. Is de zon eenmaal achter de horizon verdwenen, wordt het heel snel volkomen nacht. De tropen hebben geen schemer. Bovendien wordt het ‘s nachts in vergelijking tot de dag veel kouder dan bij ons.

de poolstreken
Precies tegenovergesteld is het in de poolstreken, want daar gaat de zon maar eenmaal per jaar op, namelijk in de lente. Ze beschrijft haar baan, zonder onder te gaan, laag over de horizon, tot ze op het middaguur dat tegelijkertijd het midden van de zomer is, haar hoogste stand bereikt. Vanaf dit tijdstip wordt haar baan die dus toch al laag is, nog lager en ze zakt langzaam achter de horizon weg. Een poolnacht duurt zes maanden, net zo lang als de pooldag. Ook maan en sterren, die in de tropen met de zon loodrecht omhoog stijgen, trekken in de poolstreken –alleen ’s winters zichtbaar –in parallelle cirkels boven de horizon. Dat de zon onder zulke omstandheden maar heel zwak is en niet zo diep in de aarde kan dringen, zal iedereen beamen. We weten toch dat grote landen, zoals het binnenland van Groenland met eeuwig ijs, als rotsblokken bedekt blijven, omdat de zonnewarmte onvoldoend kracht heeft het ijs te doen smelten, ondanks dat de poolzomer door geen nacht onderbroken wordt. Waar het eerste plantenleven zich kan vertonen, blijft het toch heel klein; heel dicht bij de aarde. Een oppervlakkig mos- en korstmosgebied vormt het begin. Ook op de toendra’s komen slechts kleine vertakte gewassen voor. Weliswaar ontbreekt het in deze moerasgebieden niet aan water, maar noch de aarde, noch de zon zijn in staat leven te brengen. Zijn in de tropen de gewassen groot en machtig, de poolgewassen zijn klein en nietig, maar wel heel zorgvuldig gevormd. Ook al zouden ze veel groter zijn, dan zouden ze er nog steeds mooi uitzien.

Wat echter heel vreemd aandoet en het poollandschap de indruk geeft van een troosteloze leegte, is het geheel ontbreken van bomen. Geen boom, geen struik is tot ver in de omtrek te bekennen. Wat een tegenstelling als je aan de tropen denkt! De aarde is hier te zwak om ze omhoog te stuwen; ze kan alleen maar een dunne laag tevoorschijn brengen, die er op sommige plaatsen maar als een dun deklaagje uitziet. Het eerste wat als boomgroei te vinden is,  net als op de hoge bergen, is de wilg. De dwergwilg met zijn  nietige blaadjes en ontelbaar kleine katjes drukt zijn takjes zo dicht tegen de aarde aan, dat zo’n struik je doet denken aan een kussenplant.

Ook de eerste dennen hebben nog een zeer merkwaardige groei. Omdat ze steeds weer stuk vriezen en zich niet opwaarts kunnen strekken, blijven zij eveneens dicht bij de grond, omdat ze zich onmiddellijk boven de grond vanuit een middelpunt vertakken. Pas de punten van de takken komen wat omhoog en die zien er dan uit als kleine boompjes, zodat je de indruk krijgt van een kleine struik, terwijl er toch maar één plant groeit. In het volgend hoofdstuk zal dit stukje aarde nog nauwkeuriger worden beschreven.

De gewassen die geen hout vormen zijn dwergachtig ineengekrompen, de delen zijn verhard, alleen aan het einde meer in de vorm gekomen. Vele vormen kussentjes en bedjes, die niet zelden de vorm van een bol hebben. De zomer tovert dan een overvloed aan bloemen tevoorschijn, waarvan de kleuren onvergelijkbaar zuiver zijn. Ook hier beleeft de reiziger die het meemaakt een wonder. De massale hoeveelheid bloemen zweeft als een tweede stralende laag boven de verharde planten. Vlinders vertonen zich en fladderen boven de in de wind trillende bloemsoorten. Net alsof ze ernaartoe geblazen zijn, komen ons deze arctische bloemen voor. Ze zijn het spiegelbeeld van de heldere poolsterrenhemel. In de verstarde sprieten treffen we de kinderen van de verharde aarde aan. Het is net alsof een scheidslijn getrokken is tussen hemel en aarde, die elkaar wel aanraken, maar niet doordringen kunnen. Ook daarin zie je de tegenstelling tussen poolplant en tropenplant.

 tropen                                                         poolstreken

warmtepool                                                                       koudepool
aarde levend                                                                     aarde dood
planten uitgebreid                                                          planten samengetrokken
plantengroei tot in de lucht opgetild                      plantengroei aan de aard-
bodem gekluisterd
bloeikracht in de plant doorgedrongen                 bloeikracht buiten de plant

gematigde zones
In de gematigde zones waar wij wonen gaan deze tegenstellingen in elkaar over. Dag en nacht, zomer en winter wisselen elkaar regelmatig af. Hier groeien weliswaar niet de meeste planten, ook niet de grootste die er zijn, maar het leven is rijk afwisselend en de mens kan daar het beste werken.

Voor dit boek ten einde is, moet nog verteld worden hoeveel je kan leren als je een hoge berg beklimt. Iedere berg doet namelijk de hele aarde na. Hoe hoger je komt, des te kouder wordt het en des te zwakker ook het aardeleven. Daarentegen staat dat de hemel met zijn krachten sterker wordt. Het is daarom ook niet zo verwonderlijk dat je op de hoge bergen vaak dezelfde planten vindt als in de poolstreken. Vooral degene die het geluk heeft een hoge berg te beklimmen die in de tropen ligt, heeft gelegenheid alle aardzones aan zijn oog voorbij te laten trekken net zo alsof hij een verkorte reis van noordpool naar evenaar maakt. Vanuit de eeuwige sneeuw komt hij in een gebied van korstmos en mos, dan betreedt hij bossen die zeer lijken op onze gemengde bossen. Al naar gelang de aard van de berg kunnen het ook naaldwouden zijn. Na elkaar komen er dan tropische delen van het plantendek bij, totdat je tenslotte in het dal aangekomen bent.

Maar ook de bergen in ons land (Duitsland) zijn grote leermeesters. Je moet ze alleen weten te bekijken. Zijn de gentianen, alpenroosjes niet net zo gebouwd als de bloeiende planten van de poolstreken? Kussen- en bedplanten tref je in grote hoeveelheden aan en ook hier ligt een tweede laag van reine bloemenpracht over de dwergachtige uitlopers. Bij bomen en struiken ontwikkelen zich de houtige delen bijzonder en deze vleien zich bijna zoals in de poolstreken tegen de bodem of tegen de rotsen.

Zo kun je de aarde met twee reusachtige bergen vergelijken die met hun grondoppervlak omgekeerd tegen elkaar zijn gezet. De toppen zijn de beide polen en op de evenaar komen ze bij elkaar.

*om dit lange hoofdstuk wat overzichtelijk te houden heb ik zelf de kopjes aangebracht

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

60-58

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

3 Reacties op “VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (54)

  1. Pingback: WAT STAAT OP DEZE BLOG | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: GROHMANN: LEESBOEK VOOR DE PLANTKUNDE-inhoud | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde – meteorologie – 6e klas | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s