VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over vertellen (GA 294)

.

De tekst in blauw is van mij, cursief en vet eveneens

Op de vrijescholen neemt het vak ‘vertellen’, de vertelstof, een belangrijke plaats in.
In zijn pedagogische voordrachten sprak Steiner er herhaaldelijk over.

RUDOLF STEINER OVER VERTELLEN

GA 294

Steiner behandelt hier de krachten die in de mens werken: die vanuit het hoofd naar de ledematen toe en vanuit de ledematen naar het hoofd, het denken, naar het hart, het gevoel – hier astraal lichaam genoemd.

blz. 20   vert. blz. 31-32

Und wenn er viel erzählt bekommt, woran er sich freut oder auch woran er Schmerzen hat, dann bildet das von dem unteren Menschen aus den astralischen Leib aus. Bitte, reflektieren Sie da einmal auf Ihre eigenen Erlebnisse etwas intimer. Ich glaube, Sie werden alle eine Erfahrung gemacht haben: Wenn Sie auf der Straße gegangen sind und durch irgend etwas erschrocken sind, dann sind Sie nicht nur mit dem Kopfe und mit dem Herzen erschrocken, sondern dann sind Sie auch mit den Gliedern erschrocken und haben in ihnen den Schreck nachgefühlt. Daraus werden Sie den Schluß ziehen können, daß die Hingabe an etwas, was Gefühle und Affekte auslöst, den ganzen Menschen ergreift, nicht bloß Herz und Kopf. Das ist eine Wahrheit, die der Erziehende und Unterrichtende ganz besonders ins Auge fassen muß. Er muß darauf sehen, daß der ganze Mensch ergriffen werden muß. Daher denken Sie von diesem Gesichts­punkte aus ans Legenden- und Märchenerzählen, und haben Sie ein richtiges Gefühl dafür, so daß Sie aus Ihrer eigenen Stimmung heraus dem Kinde Märchen erzählen, dann werden Sie so erzählen, daß das Kind etwas nachfühlt an dem Erzählten im ganzen Leibe. Sie wenden sich dann wirklich dabei an den astralischen Leib des Kindes. Von dem

En wanneer u een kind veel vertelt waar het vreugde aan beleeft of ook verdriet, dan vormt dat vanuit de on­derste mens het astrale lichaam. Gaat u maar eens wat intiemer op uw eigen belevenissen in. Ik denk dat u dit allemaal wel eens hebt meegemaakt: u liep over straat en bent van iets geschrokken. Dan bent u niet alleen met uw hoofd en hart geschrokken, maar ook met uw ledematen. U hebt de schrik in de benen gehad. Daaruit kunt u de conclusie trekken: wanneer we ons wijden aan iets wat gevoelens en affecten oproept, dan werkt dat op de hele mens en niet alleen op hart en hoofd. Dat is een waarheid die we in opvoeding en onderwijs vooral voor ogen moeten houden. We moeten erop toezien dat de hele mens aangesproken wordt. Denkt u daarom van dit gezichtspunt uit aan het vertellen van legenden en sprookjes. Probeert u hier gevoel voor te krijgen, zodat u vanuit uw eigen stemming sprook­jes kunt vertellen, dan zult u zo vertellen dat een kind in zijn he­le lichaam iets navoelt van wat er verteld wordt. U richt zich dan werkelijk tot het astrale lichaam van het kind. Vanuit het

blz. 21    vert. blz. 32

astralischen Leib strahlt etwas herauf in den Kopf, was das Kind dort erfühlen soll. Man muß das Gefühl haben, das ganze Kind zu ergreifen und daß erst aus den Gefühlen, aus den Affekten, die man erregt, das Verständnis für das Erzählte kommen müsse. Betrachten Sie es daher als ein Ideal, daß Sie, wenn Sie dem Kinde Märchen oder Legenden erzählen, oder wenn Sie mit ihm Malerisches, Zeichnerisches treiben, daß Sie dann nicht erklären, daß Sie nicht begriffsmäßig wirken, son­dern den ganzen Menschen ergreifen lassen, und daß dann das Kind von Ihnen weggeht und erst nachher von sich selbst aus zum Verstehen der Dinge kommt. Versuchen Sie also, das Ich und den astralischen Leib von unten herauf zu erziehen, so daß dann Kopf und Herz erst nachkommen. Versuchen Sie nie so zu erzählen, daß Sie auf Kopf und Verstand reflektieren, sondern so zu erzählen, daß Sie in dem Kinde gewisse stille Schauer – in gewissen Grenzen – hervorrufen, daß Sie den ganzen Menschen ergreifende Lüste oder Unlüste hervorrufen, daß dies noch nachklingt, wenn das Kind weggegangen ist und daß es dann zu dem Verständnisse davon und zu dem Interesse daran erst übergeht. Versuchen Sie zu wirken durch Ihr ganzes Verbundensein mit den Kindern. Versuchen Sie nicht künstlich das Interesse zu erregen, in­dem Sie auf die Sensationen rechnen, sondern versuchen Sie dadurch, daß Sie eine innere Verbindung zu den Kindern herstellen, das Interesse aus der eigenen Wesenheit des Kindes entstehen zu lassen.

astra­le lichaam straalt iets omhoog naar het hoofd, iets wat het kind daar moet voelen. We moeten het gevoel hebben dat we het he­le kind aanspreken en dat pas uit de gevoelens, uit de affecten die we oproepen, het begrip moet komen voor wat verteld is. Laat het daarom een ideaal zijn om, wanneer u een kind sprookjes of le­genden vertelt of met hem schildert of tekent, niets te verklaren, niet begripsmatig te werken, maar de hele mens aan te spreken. Dan gaat liet kind naar huis en komt het achteraf uit zichzelf tot begrip van de dingen. Probeert u dus het ik en het astrale lichaam van onderop op te voeden, zodat hoofd en hart er pas later bij te pas komen. Probeert u nooit zo te vertellen dat u het hoofd en het verstand aanspreekt, maar zo dat u in het kind een soort stille hui­vering – binnen bepaalde grenzen – oproept, dat u lust- of onlust­gevoelens oproept die de hele mens aangrijpen. Die klinken dan nog na wanneer het kind weer naar huis gaat, en van daaruit kan het dan de stap tot begrip en interesse zetten. Probeert u te werken doordat u geheel en al verbonden bent met de kinderen. Probeert u niet kunstmatig interesse op te wekken door middel van sensa­ties, maar probeert u, door een innerlijke verbinding met de kin­deren te leggen, de interesse uit het eigen wezen van het kind te la­ten ontstaan.
GA 294/20-21
vertaald/31-32

blz. 175  vert. blz. 176

Dann müssen wir aber vor allen Dingen suchen, daß im 1. Schuljahr viel von dem getrieben wird, was einfaches Sprechen mit den Kindern ist. Wir lesen ihnen womöglich wenig vor, sondern bereiten uns so gut vor, daß wir ihnen alles, was wir an sie heranbringen wollen, erzählen können. Wir versuchen dann zu erreichen, daß die Kinder nach dem von uns Erzählten, Gehörten nacherzählen können. Wir verwenden aber nicht Lesestücke, die die Phantasie nicht anregen, sondern wir ver­wenden möglichst Lesestücke, die recht stark die Phantasie anregen, namentlich Märchenerzählungen. Möglichst viel Märchenerzählungen. Und wir versuchen, indem wir lange mit dem Kinde dieses Erzählen und Nacherzählen getrieben haben, es dann ein wenig dahin zu bringen, in kurzer Art Selbsterlebtes nachzuerzählen. Wir lassen uns zum Bei­spiel irgend etwas, was das Kind gern selbst erzählt, von dem Kinde erzählen. Bei all diesem Erzählen, Nacherzählen, Erzählen von Selbst­erlebtem entwickeln wir ohne Pedanterie die Überleitung des Dialekts in die gebildete Umgangssprache, indem wir einfach die Fehler, die das Kind macht – zuerst macht es ja lauter Fehler, nachher wohl immer weniger -, korrigieren. Wir entwickeln beim Kind im Erzählen und im Nacherzählen den Übergang von dem Sprechen des Dialektes zur ge­bildeten Umgangssprache. Das können wir machen, und trotzdem wird das Kind am Ende des 1. Schuljahres das Lehrziel erreicht haben, das heute von ihm verlangt wird.

Verder moeten we in het eerste schooljaar vooral veel tijd inruimen voor eenvoudige gesprekken met de kinderen. We lezen zo min mogelijk voor, maar we bereiden ons zo goed voor, dat we alles wat we willen overdragen vertellend kunnen brengen. Dan proberen we de kinderen te laten navertellen wat wij verteld hebben, wat zij gehoord hebben. We kiezen echter geen stof die de fantasie niet stimuleert, maar we gebruiken zoveel mogelijk vertelstof die de fantasie juist sterk stimuleert, vooral sprookjes. Zoveel mogelijk sprookjes. En als we dit vertellen en navertellen lang geoefend hebben, proberen we de kinderen ertoe te brengen om kort iets na te vertellen van wat ze zelf hebben beleefd. We laten ze bijvoorbeeld iets kiezen waar ze zelf graag over vertellen. Bij al dit vertellen, navertellen en vertellen van belevenissen helpen we de kinderen zonder pietluttig te zijn de stap te maken van het dialect naar de gewone omgangstaal. We doen dat door eenvoudigweg de fouten die ze maken*- eerst maken ze bijna alleen maar fouten, later minder – te corrigeren. We laten de kinderen tijdens dat vertellen en navertellen de overgang maken van het dialect naar de omgangstaal. Dat kunnen we zo doen, en toch zullen de leerlingen aan het eind van het eerste schooljaar het leerdoel bereikt hebben dat tegenwoordig vereist is.
GA 294/175
vertaald/176

*De foute woorden die een kind spreekt – bijv. voltooide deelwoorden – moet je verbeteren. Het werkt heel goed als je de manier waarop dit woord uitgesproken moet worden, in een zinnetje nog eens herhaalt. ‘Ik ben zo gevalt’ – ‘Ach, ben je zo gevallen?’ Vanuit de nabootsing leren de kinderen veel. Dan hoef je niet zo schoolmeesterachtig te corrigeren.
In het dialect zitten soms elementen die het juiste schrijven in de weg zitten. Zo had ik eens een meisje in de klas dat uit een streek kwam waar men de eind t/d in het voltooid deelwoord bijna niet uitsprak. Zij bleek later veel moeite te hebben deze ook te schrijven. Ze hoorde ze a.h.w. niet. 

.

Rudolf Steiner over vertellen: alle artikelen

Vertellen: alle artikelen

.

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1353

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over vertellen (GA 294)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over vertellen – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s