VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (1)

.

DE KWALITEITEN VAN GELD

In Jonas* 23[ artikel niet op deze blog] werd het een en ander weergegeven omtrent het onderwerp ‘zakgeld’. Omdat ik met vier kinderen daaraan ook zo het een en ander meegemaakt heb voel ik mij gelukkig daarover in het kader van dit artikel niet te hoeven schrijven. Dat terrein is naar mijn ervaring vol voetangels en klemmen – voor de ouders wel te verstaan. Of zou het ook voor de kinderen het geval zijn? Wanneer we in die richting wat dieper willen graven lijkt het een goede zaak om enerzijds bij het kind, anderzijds bij het geld een aantal kenmerken naar voren te halen, die bij deze aangelegenheden niet zo vaak aan de orde komen. Wanneer we het opgroeiende kind waarnemen kunnen we daarbij de volgende fasen van ontwikkeling onderscheiden, die elkaar ten dele opvolgen, maar ook ten dele overlappen.

0-7 jr
De vroegste fase – tot ongeveer het zevende jaar – is die van het kennismaken met, het zich oriënteren op de ruimte om je heen.
Het is als het ware een voortdurend geven en nemen – vaak met de nadruk op het laatste – een bijzonder actieve wisselwerking. Alles is in beweging, nog open voor indrukken, aftastend, verkennend maar ook verwerkend, je eigen makend.

7 – 14 jr
Daarna komt een fase, waarbij de andere mens zich meer vanuit de omgeving gaat aftekenen. Het omgaan met je leeftijdsgenoten maar ook met ouderen en jongeren ga je als een nieuwe te verkennen wereld ervaren. Dat gaat dan gepaard met veel botsingen en ook de eerste genegenheid, liefde voor die andere mens.
Rond de puberteitsjaren komt dan de vraag bij je op naar jezelf, wie je bent of wilt zijn en welke idealen in jezelf leven, wat je je van het leven straks gaat voorstellen. Al veranderen die idealen vaak nog aanmerkelijk, ze zijn toch, als je jaren later op die periode terugkijkt de voedingsbodem geweest voor vele impulsen, die in je levensloop naderhand opduiken en je handel en wandel in het leven bepalen.

GELD
Wanneer we nu naar het geld kijken en ons afvragen wat dat voorstelt, welke rol het in ons leven speelt dan stoten we alras op een drietal kwaliteiten, die we in ons taalgebruik met betrekking tot geld min of meer bewust hanteren.

De eerste kwaliteit is die van het stromen. In onze taal spreken we van geld dat stroomt. Je hebt ook geld als water en als je geluk hebt, weet je een geldbron aan te boren.

Een tweede kwaliteit is die van het uitdrukken van een verhouding. We spreken dan van iets dat tot gelding komt, zich laten gelden. Het zelfstandig naamwoord geld wordt dan een werkwoord! Het heeft dan ook een sociaal, juridisch karakter: je kunt zeggen dat iets niet geldt, geldig is.

Een derde kwaliteit vinden we in een aantal zegswijzen, maar vooral ook sprookjes, waarin wordt geduid op het (a)morele aspect van geld, afhankelijk van degeen, die er mee omgaat. Het geld dat stom is, maakt recht wat krom is. Geld-goud-geweten. In vele sprookjes wordt dat thema uitvoerig behandeld. Het is de moeite waard aandacht te schenken aan het feit dat veelvuldig in sprookjes, mythen en legenden waar zeer diepe spirituele zaken aan de orde zijn als een welhaast onafscheidelijke dubbelganger het geld, het goud of de schat genoemd worden.

Grimm: de sterrendaalders (153)

Ook in het Nieuwe Testament in de Evangeliën speelt het geld – men denke aan de tollenaars, het geld van de keizer, de wisselaars in de tempel en de dertig zilverlingen van Judas – voortdurend mee.

Wanneer we deze drie kwaliteiten van geld naar het dagelijks leven toe vertalen kan het volgende beeld ontstaan.

KOOPGELD
Het stromende geld neemt in onze maatschappij het karakter aan van koopgeld, geld dat als ruilmiddel en waardemeter wordt gehanteerd bij koop en verkoop van goederen en diensten. In dat proces circuleert het geld, we spreken dan ook van een geldcirculatie.

LEENGELD
Het geld gaat een verhouding weergeven wanneer er sprake is van schulden en vorderingen, die in geld worden uitgedrukt. Deze ontstaan wanneer er enerzijds geld gespaard, anderzijds geleend wordt. Boekhoudkundig verzeilen we dan in de dubbele boekhouding met een belans als staat van schulen en vorderingen. Deze ‘gestalte’ van geld ontstaat, wanneer ik besluit niet te kopen of te verkopen maar dat uitstel, in de tijd vooruitschuif. Het is boeiend, dat juist dan in het weergeven van schulden en vorderingen steeds relaties, verhoudingen tussen mensen aan de orde zijn! Je kunt hier spreken van spaar/leengeld of nog beter: leengeld.

SCHENKGELD
Ten slotte is er de mogelijkheid om geld te schenken aan anderen. Het betekent, dat een ander de vrije beschikking krijgt over wat hij of zij met dat geld wil doen of laten. Er is bij schenken geen relatie met de ander: voorzover die er nog is kan nog niet van een vrije beschikkingsmogelijkheid gesproken worden. Dat betekent echter wèl, dat wanneer je geld tot je vrije beschikking krijgt het helemaal van jezelf afhangt wat er dan kan gaan gebeuren. Er is dan een moment waarbij je helemaal op jezelf bent aangewezen. Het morele aspect zal dan een rol gaan spelen.

Terug naar het kind in ontwikkeling.
De eerste ontdekking, die een kind met geld kan doen is dat je er iets voor kunt kopen. Voorzover ik mij kan herinneren had dat vooral betrekking op toverballen, zuurstokken en dergelijke. Drop komt ook veel voor, maar ik hield daar niet van. We zullen allemaal wel met een cent, stuiver of dubbeltje in ons knuistje de eerste gang naar de winkel gemaakt hebben om iets te kopen. Ook in de geschiedenis kan worden nagegaan dat de oudste gebruiksvorm van geld die van ruilmiddel en waardemeter is geweest.

Alras komt dan de spaarpot ons leven binnen wandelen, al dan niet met ruggesteun van banken, die daar brood in zien. Vaak ervaren we, dat die spaarpot wat te vroeg komt. Het kind is nog helemaal niet in de sfeer van sparen, telt voortdurend de inhoud van het spaarvarken en vraagt zich af, wat je daarvoor zou kunnen kopen.

Naar mijn ervaring komt het echte sparen – in de zin van het appeltje voor de dorst of sparen met een bepaald doel voor ogen – pas veel later, rond de puberteit aan de orde. De spaarpot wordt dan ook al gauw vervangen door een spaarrekening bij een of andere bank. Het lenen gaat dan ook een rol spelen, vaak in de vorm van voorschotten op nog te sparen centjes. Die voorschotten hebben zoals menig ouder heeft ervaren vaak een wat wankel karakter. Bij tijd en wijle moet er gesaneerd worden en wordt er kwijtgescholden, geschonken.

Het schenken komt, voorzover ik heb kunnen waarnemen, vóór de volwassen leeftijd nog niet erg bewust aan de orde. Wel in de vorm van de eerste zélf gefinancierde cadeautjes, maar zelden in direCte overdracht, schenken van geld.

Ook bij de vorige twee varianten – kopen en sparen – is er als het ware sprake van een oefenen in droogzwemmen. Immers de ouders besturen dit proces nog bijkans volledig. Bij kopen en sparen is daarvoor oefenstof te over. Met schenken is dat veel moeilijker. Misschien is het – zonder daarmee te moraliseren – een goede zaak om kinderen rond het volwassen worden een inzicht te geven in één van de nog steeds grootste stromen van schenkingsgeld in onze samenleving: die van de opvoeding van kinderen. Misschien kan dan ook zichtbaar worden hoe belangrijk het is, dat die schenking naar de toekomst gezien steeds meer bewust een vrije schenking moet blijven. Daarin ligt immers de mogelijkheid besloten om zich als vrij individu te ontplooien tot aan de volwassen leeftijd toe.

Zou deze mogelijkheid worden afgegrendeld en vervangen door enigerlei staatsverzorging dan gaat die vrijheid – we kunnen dat elders in de wereld waar zoiets wordt en werd geprobeerd vrij goed nagaan – per definitie verloren en wordt deze vervangen door de verzorgingsstaat die als anonieme bureaucratie op basis van al dan niet democratisch en politiek genomen meerderheidsbesluiten, vaststelt wat goed voor ons is.

Met opzet heb ik vermeden om de geschetste kwaliteiten van geld en de ontwikkelingsfasen van het kind systematisch te koppelen.

Ik geloof, dat omgaan met geld voor ieder kind samen met ouders een eigen, telkens weer nieuwe ontdekkingstocht zal zijn. Bepaalde voorschriften zijn dan ook mijns inziens niet realistisch. Slechts twee uitersten zou ik willen noemen.

In vroegere, maar ook huidige tijden kwam en komt het voor, dat bij de opvoeding geld als iets minderwaardigs, ‘vies’ wordt afgedaan. Ik meen, dat daarmee aan het kind in zijn ontwikkeling iets heel belangrijks wordt onthouden: de mogelijkheden om mede aan de hand van omgaan met geld zelf iets van zijn omgeving, van anderen en zichzelf te ontdekken.

Het spiegelbeeld komt ook voor: ‘het geld speelt geen rol’. Waar geld als het ware in de drie genoemde kwaliteiten een maatschappelijk stukje vrijheid (van keuze, van verhouding of van ideaal) betekent valt dan het fundament van die vrijheid, de verantwoordelijkheid weg. Zowel het een als het andere zijn hoekstenen van een zich evenwichtig ontwikkeld bewustzijn van een mensenkind. Juist het geld als ‘spiegelbeeld’ van je daden kan daarbij een heel belangrijke rol spelen. In onze welvaartssamenwerking is juist de verantwoordelijkheid gaandeweg naar de achtergrond geschoven. Vrijheid wordt dan willekeur en verspilling, heden ten dage vrij algemene verschijnselen.

Ten slotte: het heeft mij altijd verbaasd, dat in de school in de hoogste klassen geen of nauwelijks aandacht wordt geschonken aan het bewust omgaan met geld. Naast het aanleren van administratieve technieken en daarbij behorende inzichten zou het behandelen van kwaliteiten van geld in verband met ons handelen voor de komende levensloop van de leerling van bijzonder groot belang kunnen zijn. Hier ligt voor de leraren van vrijescholen een nog zeer belangrijk terrein open! Ik heb geprobeerd om in dit artikel geen afgeronde visies te geven. Daargelaten of dat zou kunnen en of ik daartoe in staat ben, meen ik, dat het wellicht beter is om een aantal gedachten en beelden aan te reiken waarmee iedere lezer kan doen wat in zijn of haar beleveniswereld van belang lijkt te zijn. Daarbij zou het wellicht vruchtbaar zijn om in plaats van elkander gedachten voor te schrijven of (ongevraagde) adviezen te geven, veeleer ideeën en ervaringen uit te wisselen. Dit artikel wil daarin een bijdrage zijn.

Rudolf Mees, Jonas 24, 01-08-1980

*Jonas – een tijdschrift voor sociale en individuele bewustwording – verscheen in de jaren ca 1970 – 1995.

sociale driegeleding: alle artikelen

opvoedingsvragen: alle artikelen

.

1334

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s