VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (39)

.

OUDE PAASGEBRUIKEN

Het paasvuur
Wanneer eind maart of begin april de invloed van de koude vorstwinter steeds verder teruggedrongen wordt en de prille, frisse natuurkrachten van de ‘jongeling’ lente niet meer tegen te houden zijn, is de tijd gekomen waarin de christenen het paasfeest vieren.
De precieze datum van het beweeglijke paasfeest hangt, zoals bekend, samen met de eerste volle maan na het begin van de lente.

Wij weten dat de Germanen hun heilig lentefeest, zoals veel andere volken, al lang vóór hun bekering tot het christendom, vierden; het was het tijdstip van de dag-nachtevening.
In de ziel van de mens begon weer hoop te gloren, dat de bittere wintertijd met de ontberingen eindelijk voorbij zou zijn en dat de lauwe lentewind ijs en sneeuw zouden doen smelten en de groene knoppen tevoorschijn zou laten komen; de ommekeer ten goede voor iedereen zichtbaar en voelbaar zou maken.

Deze ommekeer werd ook in de natuur zichtbaar: de kiem- en groeikrachten waren niet meer tegen te houden; overal botte het uit en de beekjes begonnen weer te stromen, de trekvogels kwamen weer terug, hun bruilofts- en jubelgezangen deden de dankbare mensen veel plezier.
De ‘vorstreuzen’ hadden hun laatste strijd verloren; ze stuurden nog een krachteloze storm over het land – maar Ostara, de lentegodin, was toch met haar levensbrengende heerschappij begonnen.

De verbranding van de winter
Om de gebeurtenissen in de natuur a.h.w. nog een laatste zetje in de rug te geven, werden bv. bij de Germaanse volken de duistere, wrede wintermachten, liefst op een zo groot mogelijk vuur, symbolisch verbrand.
Dat is één van de oorsprongen van dergelijke vuurgebruiken in de lente- later in de paastijd.
Zulke lentevuren waren bij de Germanen een zeer heilige cultus, die alleen door de priesters van de Germanen, door de druïden uitgevoerd mochten worden.
Later ontstonden daaruit de meer algemene vreugdevuren, waarbij tenslotte ieder dorp of zelfs groter gehucht zijn eigen vuur ontstak.

Nog altijd zijn er in vele streken en dorpen met Pasen, maar ook met Sint-Jan jaarlijks terugkerende wedstrijden wie de grootste brandstapel bouwen kan. De vaak zeer vernuftig opgebouwde stapels moeten vóór Pasen dag en nacht bewaakt worden, omdat de jongeren uit de buurdorpen erop uit zijn ze voortijdig in de fik in te steken. Wanneer dat lukte, was het leedvermaak buitengewoon groot; werden ze betrapt, dan konden ze met een flink pak slaag of erger teruggejaagd worden.

Heksenverbranding
Toen de gewoonte om met de lente of Pasen een vuur aan te steken onder de bevolking algemeen werd en zich uitbreidde, ontstonden daaruit allerlei vormen en gebruiken. In sommige streken werden van stro ‘heksen’ gemaakt of andere wezens en die werden dan op het grote vuur verbrand. Daarmee moesten dus of de levensbedreigende, boze wintermachten of in het algemeen het ‘kwaad’ van huis en boerderij, van mens en vee weggehouden worden.

We kennen dit motief ook uit een oud sprookje van de gebroeders Grimm: “Hans en Grietje”, waarin de boze heks die de mens Hans om wil brengen, in het vuur van de bakoven aan haar einde komt.

(Het gebruik mensen te verbranden, namen zoals bekend, later de ‘vrome’ christenen over toen zij arme, onschuldige mensen die zij ‘heksen’ of  ‘slecht’ noemden, na ondervraging en foltering verbrandden).

Behalve heksen werden er in de christelijke tijd met Pasen ook mannelijke stropoppen verbrand; zij stelden de verrader Judas voor; vandaar dat deze ceremonie ook het ‘Judasverbranden‘ werd genoemd.

De Germanen wilden door deze symboolverbranding van boze geesten hun land, huizen en boerderijen, vee en oogst en de mensen voor de duistere, boze machten en hun invloed, beschermen, zoals gezegd.

Wanneer er plagen heersten, wat vaak voorkwam, dreef men het vee door het vuur en hoopte dat de reinigende kracht van het vuur de plaag zou vernietigen en doen verdwijnen.

Dat is altijd de taak van het vuur geweest: door het oude te verbranden, het nieuwe laten ontstaan. Als beeld- en sprookjesmotief kennen we het verhaal van de vogel Phoenix die iedere keer wanneer hij oud en zwak geworden is, zichzelf in het vuur verbrandt om dan uit de as weer jong, mooi en opnieuw geboren te verrijzen.

Dat is het oude paasmotief van dood en opstanding.

De boeren staken vroeger grote stukken weiland of velderijen aan opdat het afgestorven, verbrande gras plaats zou maken, licht zou geven voor de nieuw op te schieten sprieten.

De springende zon
In delen van Oostenrijk hield men nachtelijke pelgrimstochten om de opkomende zon op paaszondag te begroeten.

Een oude legende verhaalt, dat de zon op paasmorgen uit vreugde over de opstanding van Jezus drie sprongen maakte; die wilden de mensen zien.
In andere streken werd de opkomende  paasmorgenzon vanaf een heuvel door gelovigen begroet en zij smeekten dat zij het hele jaar door het goede zou brengen en het boze, de droogte, zonnesteek en brand verre van hen zou houden.

Heilig zonnerad
In andere streken, vooral waar het landschap heuvel- bergachtig was, ontstond het lang in ere gehouden gebruik grote wagenwielen kunstig met stro te omvlechten en er veel wensen in te stoppen. Dan werd met Pasen – in sommige gebieden overdag, in andere ’s nachts* – het stro om de wielen aangestoken en deze werden brandend naar het dal gerold. De velden, akkers en weiden waarover de brandende wielen waren gerold, golden als gezegend en beschermd tegen kwade natuurmachten en weersinvloeden.

Uit dit, toen zeer ernstig genomen gebruik, ontstond later een wedstrijd en sport: wiens wiel rolt het verst en brandt het langst. Wanneer een wiel te vroeg omviel, wat niet zelden op de ongelijke vlakten gebeurde, hoefde de bezitter van het wiel niet verlegen te zitten om gelach en leedvermaak.

De zon als oorsprong van al het vuur
De zonnewielen vinden hun oorsprong in een zeer oude traditie en waren lang het symbool van het wezen en de kracht van de zon aan wie alle levende wezens op aarde hun bestaan danken.

Aan bijna alle oude heidense vuurplechtigheden, als mede offer- en dankvuren lag een diep-religieuze zin ten grondslag. De mensen offerden, ons nog goed bekend uit de Grieks-Romeinse geschiedenis, hun goden regelmatig aardse goederen bij een offervuur; als regel geslachte dieren en/of veld- of bosvruchten. Deze offergaven werden op heilige vuren verbrand om ze zo onaards, opgelost, dus in hun oervorm terug te sturen opdat de goden deze in hun onstoffelijke vorm tot zich zouden kunnen nemen. De mensen wilden op deze manier de barmhartigheid en de zegen van hun goden verkrijgen. Het was zeker ook mogelijk dat de goden of een god zo’n offer zou weigeren. De geschiedenis zit vol met deze offergebruiken. In sommige natuurgodsdiensten werden zelfs mensen aan de goden geofferd. Verlangde ook de god van Abraham niet, dat deze hem zijn eigen zoon zou offeren?

Dank aan de zon
De oorspronkelijke, geestelijke achtergrond van vrijwel alle offervuren van de mens en ook de jaarlijkse paas- en johannesvuren, was de diep doorleefde dank van de mens aan de zon. Die oorsprong kwam tot uitdrukking en werd door de mens beleefd wanneer het vuur  de zonnekracht die in het natuurmateriaal hout, stro enz.  aanwezig was, bevrijdde. Dit vuur werd steeds als dankoffer aan de zon, of aan de zonnegod aangestoken en het door de zon geschonken licht en de warmte werd weer tot haar gezonden in het vuurproces met de dankgebeden en dankoffers.
De mens van toen was zich veel meer bewust dat hij en met hem heel de levende natuur, zijn leven te danken had aan de offerbereidheid van de onzelfzuchtige zon. Het licht en de kracht van de zon, tegenwoordig spreken we wetenschappelijk – natuurkundig alleen nog van de zonne-energie – maakt planten- en dierengroei mogelijk en het gedijen van de mens. Zonder zonlicht zou er geen aards leven mogelijk zijn. Door de zon is er o.a ook wind en is er een waterkringloop (wolken – regen – zeestroming, bronnen- en riviervorming). Met haar hulp vormen de planten de zuurstof van de lucht. Ze is – modern uitgedrukt – de motor van alle natuurcirculaties. Of wij mensen nu hout, kolen, aardgas of aardolie verbranden, deze stoffen stellen niets anders voor dan de opgeslagen zonne-energie uit vroegere, geologische tijden.

De kracht van de zon zit ook in iedere graankorrel, dus in het dagelijks brood.
In veel dank- of tafelgebeden komt dit weten tot uitdrukking.

Dit is bv. van de vrijeschoolleraar Martin Tittmann:

Das Brot vom Korn

Christus, de zonneheld
Tegenwoordig is het voor de materialistisch ingestelde mens vanzelfsprekend, dat de zon ons – zonder aanziens des persoons – licht, kracht en energie, eeuwigdurend en belangeloos schenkt.

Deze daad beschouwde  de christelijke mens als het wezen van de ‘zuivere liefde’. Christus was de menselijke vertegenwoordiger van deze reine liefde; zij is de basis van het ware, oorspronkelijke (esoterische) christendom.  Zoals de zon, offerde Hij zich met heel zijn bestaan en zijn lot op voor de gehele mensheid, zonder enige beperking, zonder enige tegenprestatie te verwachten! Christus werd daarom oorspronkelijk als zonneheld beschouwd die in het teken van de zon handelde en zou overwinnen; hij die uit de zonnesfeer tot ons mensen op aarde kwam.
Aan de Germanen was deze zonneheld al lang voor het christendom vertrouwd en bekend. Hij leefde in hun geloof, d.w.z. in hun verhalen als de held Siegfried (oorspronkelijk: Sigfrid), die moedig en ongedeerd door het door Wodan aangestoken vuur ging om Wodans dochter Brunhilde te bevrijden en om de oude, traditionele godenwereld te overwinnen en af te lossen (godenschemeringsmotief). Eerder had Siegfried de hoogste god Wodan al in een strijd verslagen en zijn speer vernietigd.

Achter deze gebeurtenis wat bv bij Richard Wagner in zijn ‘Ring van de Nibelungen’ getoond wordt, zit een diepe symboliek en weten verborgen, waarvan de Germanen klaarblijkelijk in het algemeen meer wisten dan wij heden ten dage. We hebben veel van hun gebruiken overgenomen, vaak zonder te weten wat hun oorspronkelijke betekenis was.

Zo begroet Brunhilde Siegfried, nadat hij haar uit de diepste slaap heeft gewekt, met de woorden: ‘O Siegfried, gezegende held! Gij verwekker van het leven! Gij overwinnend licht! Behoeder van de wereld! Leven van de aarde!’

Het zijn alle verwijzingen naar het zonnewezen van deze hogere ziel, zoals we nu zeggen: de christusziel.

Iets van deze traditie zit waarschijnlijk onbewust voor de gelovigen, verborgen achter de traditie in de katholieke kerk waar op veel altaren het ‘eeuwige licht’ brandt, oorspronkelijk bestaand uit gewijde olie, tegenwoordig veelal materialistisch elektrisch brandend.

Ook worden door de gelovigen, vaak uit louter traditie, meest op Maria-altaren, tegen een kleine vergoeding klaarliggende kaarsen aangestoken met de hoop of een gebed dat Maria hun wensen en gebeden moge vervullen.

De kerk heeft steeds goed begrepen, oude, vaak ook heidense gebruiken over te nemen, indien nodig ook aan te passen om ze daarna christelijk te noemen en ze in de reeks oude tradities op te nemen.

Deze uiteenzettingen mochten wellicht een beetje daaraan hebben bijgedragen iets meer licht te werpen op de oorspronkelijke betekenis van het mooie paasgebruik van het paasvuur.

(Hans Harress, Elternbrief 04-1993)

*vanaf minuut 4 bv.

Pasen: alle artikelen

756

 

 

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (39)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen/Pasen – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.