Tagarchief: inktvis

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (23)

.

Frans de Waal heeft veel geschreven over mens- en diergedrag. Zijn boeken zijn bestsellers.

In Trouw van 23-04-2016 staat een interview met hem.

Het blijkt dat hij niet veel op heeft met dieren vergelijken om te zeggen welke het meest bijzonder is. Maar als hij een prijs zou moeten uitreiken voor uniciteit, zou die naar de octopus gaan.

‘Dat is een heel vreemd beest. Hij heeft ongewoon grote centrale hersenen, zeker voor een weekdier. Maar hij heeft ook nog eens zenuwknopen in al zijn acht armen en elk van zijn tweeduizend zuignappen. Die zijn allemaal verbonden, als een soort servers, waardoor hij op het internet lijkt. De octopus denkt met zijn hele lichaam, en dan kan hij ook nog licht waarnemen met zijn huid en communiceren door van kleur te veranderen.’

De mens zou de prijs zeker niet winnen.

‘Wij lijken qua lichaamsbouw en hersenen op een heleboel andere landzoogdieren.’

Steiner over de inktvis:
‘Beschrijft u de inktvis dus zo, dat het kind door de manier waarop u hem beschrijft de sensi­tiviteit van de inktvis voelt, zijn fijne waarnemingsvermogen voor de dingen om hem heen. U zult een kunstzinnige beschrijving van de inktvis moeten ontwikkelen, opdat de kinderen het wezen van de inktvis daarin kunnen herkennen. (  )  De inktvis daarentegen, die in feite geheel en al hoofd is en ver­der niets, beweegt zich vrij in het water. U moet eigenlijk bewerkstel­ligen dat de kinderen het gevoel krijgen dat de lagere dieren hoofden zijn die zich vrij kunnen bewegen, maar nog niet zulke volmaakte hoofden zijn als het menselijk hoofd.

‘(  ) Ons hoofd is het in de hoogste mate gevormde lagere dier. We moeten – als we het menselijk hoofd, met name de ze­nuworganisatie gaan waarnemen – niet naar de zoogdieren kijken, niet naar de apen, maar we moeten teruggaan juist tot de laagste dieren.’

En wat de lichaamsbouw betreft: in de dierkunde wordt de mens o.a. vergeleken met de leeuw, de koe, de muis, het paard.

Uit de uitspraken van de Waal kun je concluderen dat de dierkunde op de vrijeschool gebaseerd is op inzichten, door Steiner verwoord, die zeer van deze tijd zijn.

Rudolf Steiner over dierkunde

Dierkunde: alle artikelen
over inktvis, leeuw, koe enz. En hoe het in de praktijk wordt gegeven

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas – dierkunde

Opspattend grind: alle artikelen

1030

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (3-1/1)

.

DE OCTOPUS

De naam ‘octopus’ betekent ‘acht voeten’ en het dier heeft inderdaad acht armen die aan hun basis een soort valscherm vormen en die samen een gesnavelde bek omgeven.

Octopussen verschillen duidelijk van de pijlinktvissen en de sepia’s, de andere bekende vertegenwoordigers van de koppotigen, doordat bij hen het extra paar lange armen ontbreekt.
Bovendien zijn hun zuignappen, waarmee de armen bezet zijn, niet verstevigd door hoornringen, zoals de zuignappen van de pijlinktvissen.

Andere verschilpunten zijn, dat octopussen geen inwendige schelp hebben en dat hun lichaam kort en rond is in plaats van gestroomlijnd. De 150 soorten octopussen zijn verspreid over alle wereldzeeën, maar ze zijn vooral talrijk in warme wateren. De kleinste, minder dan 5 cm lang, is de octopus arborescens. De grootste is de Pacifische octopus, o. hongkongensis, die in totaal bijna 10 m is, ofschoon zijn bekervormig lichaam slechts 0,5 m groot is. De blinde diepzeesoort cirrothauma uit de noordelijke Atlantische Oceaan heeft twee grote vinnen aan zijn lichaam. De vliezen tussen zijn armen reiken bijna tot aan de uiteinden en hij zwemt door deze ‘paraplu’ open en dicht te doen. behalve de zuignappen aan de onderzijde van zijn armen heeft hij nog rijen uitsteeksels die waarschijnlijk dienen om voedsel te vangen.

De gewone octopus, de soort waar het hier in hoofdzaak om gaat, leeft aan de kusten van tropisch en subtropisch Afrika en de Atlantische kusten van Amerika en is vooral talrijk in de Middellandse Zee. Hij kan bij wijze van uitzondering een grootte bereiken van 3 m, maar is gewoonlijk veel kleiner. De kleine o. komt voor van Noorwegen tot de Middellandse Zee. Hij is zelden groter dan 75 cm en heeft een enkele rij zuignappen op zijn armen, i.p.v de dubbele rij van de gewone octopus.

Een meester in het vermommen
De gewone o. leeft tussen rotsen in ondiep water, terwijl hij de meeste tijd doorbrengt in een hol in de rotsen of in een ‘villa’ opgebouwd uit stenen. Wanneer hij buiten zijn woning is, kruipt hij de meeste tijd rond op zijn armen, waarbij hij de zuignappen gebruikt om zich vast te grijpen, ofschoon hij ook kan zwemmen. Gewoonlijk zwemt hij achteruit, zijn armen achter zich aanslepend, doordat hij water door de trechter naar buiten spuit. Evenals bij de sepia en de pijlinktvis wordt dit water uitgestoten uit de mantelholte, waarin de kieuwen liggen en waarin de nieren, de einddarm, de voortplantingsorganen en de inktzak uitmonden. Ook kan hij een inktwolk uitstoten om achtervolgers op een dwaalspoor te brengen. Er is geen bewijs dat octopussen reageren op geluid. De armen reageren op aanraking en smaakstoffen en de ogen zijn goed ontwikkeld. Dat het zien belangrijk is, blijkt ook uit het feit dat ze uitstekend in staat zijn van kleur te veranderen. Dat wordt gedaan met 2 soorten chromatoforen of pigmentcellen in de huid, die van kleur verschillen al naar gelang ze zijn uitgespreid of samengebald. Een soort varieert van zwart tot roodbruin en een andere van rood tot bleek oranjegeel. Onder deze chromatoforen ligt een laag kleine deeltjes, zgn. iridocyten die wit licht weerkaatsen of een blauwe of groene structuurkleur veroorzaken. Het verschil in verschijningsvorm is echter niet alleen een kwestie van kleur, maar ook van houding en bouw. De armen kunnen uitgestrekt zijn, ingetrokken of stijf opgerold over het lichaam ter verdediging. De zuignappen kunnen onzichtbaar zijn of vooruitgestoken om de armen een golvend aanzien te geven. Wanneer kleur, houding en bouw nauwkeurig op elkaar zijn afgestemd, kan een octopus volledig samensmelten met zijn omgeving, zodat het buitengewoon moeilijk is om hem te ontdekken. O. verraden zich soms aan vissers die naar hen zoeken door het zgn. dymantisch gedrag, dat optreedt wanneer o. schrikken van grote objecten. Het dier wordt platter, rolt zijn armen op naast zijn lichaam en spreidt het vlees dat de armen verbindt er overheen. Het lichaam wordt lichter van kleur, maar rond de ogen staan donkere kringen en de rand van het valscherm wordt ook donker. Het doel van dit gedrag is waarschijnlijk om roofvijanden zolang af te schrikken dat de o. de tijd heeft om van kleur te veranderen, inkt uit te stoten en weg te schieten. Met hun grote hersenen en hun aanpassingsvermogen zijn o. het onderwerp geweest van een aantal interessante onderzoekingen omtrent leervermogen en hersenfunctie bij lagere dieren. In gevangenschap raken ze spoedig op hun gemak en wennen aan hun oppassers.

Aanval van een octopus
Een o. valt meestal alleen bewegende voorwerpen aan. Hij glijdt geruisloos naar zijn prooi toe, staat even stil en springt dan naar voren door plotseling een krachtige straal water naar achteren uit te stoten. Kleine prooien, hoofdzakelijk vis en schaaldieren worden gevangen onder het uitgespannen net tussen de armen en dan gegrepen met de papegaaiensnavelachtige hoornige kaken rond de mondopening. Tegelijkertijd scheidt hij een gif af, dat de prooi verlamt. Een gemiddelde o. eet ongeveer 25 kleine krabben per dag. Men leest vaak dat mensen door o. gegrepen worden en vastgehouden. Waarschijnlijk gebeurt dit ook wel eens en vooral in warme zeeën; het schijnt echter dat dit geen opzettelijke aanvallen zijn, maar meer het onderzoeken van een bewegend voorwerp en men heeft ondervonden dat, wanneer men zich rustig houdt, de o. het slachtoffer korte tijd aftast en dan laat gaan.

Koele hofmakerij
Bij de paring, welke verscheidene uren kan duren, zitten wijfje en mannetje apart. Er is bijna geen paringsspel, ofschoon het mannetje soms enige buitengewoon grote zuignappen aan de basis van het 2e paar armen laat zien, alsof hij avances wil maken bij het wijfje. Het enige contact dat hij met haar heeft, geschiedt door één enkele arm, die hij uitsteekt om haar te liefkozen. Deze arm is altijd de 3e arm aan de achterkant, die speciaal voor dit doel is gevormd  en een lepelvormig uiteinde heeft. Hij wordt de hectocotylusarm genoemd. Het uiteinde wordt in de mantelholte van het wijfje gebracht en de zaadcellen worden bij de opening van haar eileider afgezet in keurige pakketjes, spermatoforen genaamd. Een wijfje legt ca 150.000 eieren in ongeveer een week, ieder in een ovaal kapsel ter grootte van een rijstkorrel. Zij worden met korte stelen samengevoegd tot langere snoeren, die het hol van de moeder versieren. De moeder waakt gedurende een aantal weken over de eieren, maakt ze vaak schoon met haar armen of spuit er water over d.m.v. haar trechter. Gedurende deze tijd eet ze weinig. Ze kan weken vasten, bij één soort zelfs 4 maanden en bij een broedend wijfje in een aquarium zag men dat zij het voedsel dat bij haar gebracht werd, verplaatste en ver wegwierp. De kortarmige jongen zijn ca 3 mm lang wanneer ze uitkomen en zij zweven enige tijd rond voor zij hun eigen leven op de bodem beginnen; dan zijn ze 1,5 cm groot en enige weken oud. De gewone o. broedt zelden aan onze kust, wel worden er ieder jaar larven voor de Belgische kust waargenomen en in ongeveer een week trekken ze van Zeeland naar Den Helder.

Waar of niet waar
Er wordt soms beweerd dat de o. zich voeden met schelpdieren door stenen tussen de kleppen te steken, zodat ze niet meer dicht kunnen. Biologen uit vroeger eeuwen meenden dat een o. die een grote mossel niet open kon krijgen, in zo’n geval van een steen gebruik maakte. Dat is een aardig verhaal en hoeft niet onmiddellijk naar het rijk der fabelen te worden verwezen, maar toch hebben verschillende zoölogen tevergeefs getracht dit gedrag waar te nemen. Sommigen hebben daartoe met o. in aquaria geëxperimenteerd, maar zonder succes. Bovendien is het niet waarschijnlijk dat de o. ooit zulke ingewikkelde bewegingen kan uitvoeren. De moeilijkheid is dat de vorm van het lichaam te veranderlijk is, zodat het zenuwstelsel  zeer complex zou moeten zijn om rekening te houden met alle buigingen en krommingen in de armen en tegelijkertijd zo’n intelligente handeling te controleren en te beheersen.

De goed ontwikkelde ogen van de o. hebben een groot netvlies, waardoor zij een gezichtsveld hebben van 180’.

Bioloog Frans de Waal over de octopus:

‘Dat is een heel vreemd beest. Hij heeft ongewoon grote centrale hersenen, zeker voor een weekdier. Maar hij heeft ook nog eens zenuwknopen in al zijn acht armen en elk van zijn tweeduizend zuignappen. Die zijn allemaal verbonden, als een soort servers, waardoor hij op het internet lijkt. De octopus denkt met zijn hele lichaam, en dan kan hij ook nog licht waarnemen met zijn huid en communiceren door van kleur te veranderen.’

Bron: Trouw, 23-04-2016

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld 4e klas: inktvis

 

.

 

225-213

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (2-1/4)

.

MENS- EN DIERKUNDE IN DE 4E KLAS

Fier rechtop, het hoofd omhoog
de rug gestrekt, staat de mens op aard.
Hij kan denken en voelen en handelen
Doordacht, doorvoeld, bedaard.
De dieren zwoegen moeizaam
de koppen naar omlaag
en streven heel hun leven
naar het vullen van hun maag.

Een gedichtje uit de mens- en dierkundeperiode waarmee in een groot gebaar de echte verschillen tussen mens en dier in dich­terlijke vrijheid worden weergegeven.
Er heerst in de klas aan het begin van de periode een zekere opwinding. Vele kinderen hebben al een boek meegenomen, bv. ‘De wereld der zoogdieren’; ‘de diepzee’; ‘Voorwereldlijke dieren’ enz. Er is wat het vak dierkunde betreft werkelijk een ‘mer à boire” om te behandelen.

Maar waar te beginnen? Enige systematiek in de aanpak is toch de ruggengraat voor elk vak.

Rudolf Steiner geeft de aanwijzingen om vanuit de mens te beginnen. Natuurlijk, dat is bekend terrein voor de kinderen. En algauw spreken we over hoofd, romp en ledematen. Hoe ver­schillend die in hun bouw en uiterlijk zijn; hoe verschillend in hun activiteit vooral.
Er worden verrassende ontdekkingen gedaan, bv. dat de mens een “gestrekt” wezen is en daarnaast het enige gestrekte wezen op aarde. De lijn knie-ruggengraat-hoofd is een verticale. De kinderen noemen andere rechtop­lopers; bv. pinguïn, kangoeroe, maar worden er zich op het­zelfde ogenblik van bewust, dat deze dieren op hun hurken zitten.
Het begin van een levensvraag is er even als er een met stelligheid zegt: “We stammen van de apen” en de ander, met enige twijfel in de stem: “Nee, toch meester. God heeft ons toch geschapen?”

Ze worden groot, de 4e-klassers. Niet alleen aan hun verder reikende interesse is dat te merken; de gesprekken over de dieren, de ijver waarmee er in de boeken gezocht en gesnuffeld wordt, de stukjes die erover geschreven worden, al deze dingen geven aan welke groei er in enkele maanden heeft plaatsgevonden.

Het is dan ook mogelijk om de inktvis te behandelen (als dat dier, dat “het hoofd” het meest nabij komt, kop met ingewanden zonder romp of ledematen: z’n tentakels zijn geen armen, maar “lippen”; en tevens zijn omgeving, voedsel, vijanden, voort­planting; terwijl we enkele dagen later het jachtgedrag van de leeuw in de brandende hitte van de Afrikaanse steppe be­schrijven.

Grote sprongen maken we van het ene klimaat naar het andere, van het ene werelddeel naar het andere.

Natuurlijk komen ook de ons meest bekende viervoeters aan de beurt: de hond, in zijn rol als heldhaftig mensenredder en vieze snuffelaar tegelijk, de hand likkend die hem slaat en de kat, die u de eer aandoet om bij u te wonen. In dit stadium komen de verhalen pas goed los: We besluiten de periode met een “verzoekdier”, het werd de pinguïn, wonderlijke vogel in zijn deftig pakje, vliegend door het water.

Er is veel geleerd in die paar weken, veel geschreven, ge­tekend en geschilderd. Ook de beroepskeuze werd bepaald. Veel kinderen worden nu dierenarts of dierenverzorger. (Ouders, hoedt u voor de periode Geld-rekenen! )

(M.v.d.Made, nadere gegevens ontbreken)

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw 

 

223-211

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (2-1/2)

.

OVER MENS- EN DIERKUNDE IN DE VIERDE KLAS

” De wereld en ik “, zo gaat het kind zich rond het negen­de jaar voelen.  Eerst was het met de wereld en alles wat daarop leeft één geheel, het maakte nog geen onderscheid. Nu komt het kind steeds meer tegenover de wereld te staan en is daardoor in staat de dingen exacter waar te nemen. Daarom kan er nu ook meer een beroep op zijn begrip gedaan worden. Het kind is echter nog steeds op een gevoelsmatige manier met het dierenrijk verbonden. Vandaar dat het van belang is, in dit jaar een begin te maken met mens- en dierkunde.
We gaan uit van de mens. We maken een onder­scheid tussen het hoofd, de romp en de ledematen. Vanuit de vorm van het menselijk lichaam gaan we over naar dier­kunde. We onderscheiden “kopdieren” en “rompdieren”, de mens is een ledematenwezen.
Steeds vergelijken we het dier met de mens en kijken naar verschillen en overeen­komsten.
Een voorbeeld van een kopdier is een inktvis. Uit de beschrijving van de leraar moet duidelijk worden, dat dit dier waarneemt met z!n gehele lichaam, terwijl het bij de mens vooral het hoofd is dat ruikt, ziet, proeft, hoort enz. De meeste dieren zijn rompdieren. We beschrijven het dier zo in zijn omgeving met zijn vrienden en vijanden, dat het kind een beeld krijgt van de geaardheid van het dier. De bedoeling is dat de kinde­ren inzien dat de poten of vleugels in dienst staan van de romp en het in stand houden van de eigen soort. Bij het kijken naar de vorm en functie van onder andere ogen, oren, neus, tanden, poten en staart valt op, dat ieder dier ergens in gespecialiseerd is. De mens daaren­tegen is veelzijdig. De mens gaat rechtop, zodat zijn handen vrijgemaakt zijn om te werken, niet alleen voor zichzelf maar ook voor anderen. Het is van groot belang dat de kinderen zich tijdens deze periode bewust worden dat de mens zijn handen vrij kan gebruiken. Ook heeft hij de vrijheid zelf te kiezen waarheen zijn benen hem dragen zullen. De mens is niet gebonden aan één plek maar heeft in feite de hele wereld tot zijn beschikking.
Het kind kan tot de conclusie komen, dat hij mens is door zijn handen en daarom een ledematenwezen is. Het is voor de klas een bijzondere belevenis het verschil tussen mens en dier in deze vorm gepresenteerd te krijgen.

 

Een dierkundeperiode in de vierde klas.
De dierkundeperiode begint met menskunde. Eerst wordt het hoofd onder de loep genomen. ” Wat doe je met je hoofd?” vraagt de lerares.
‘Denken, zien, horen, ruiken, proeven, praten. ‘Het lijkt of je hoofd veel doet, maar in werkelijkheid is het erg “lui”.  Dat is misschien maar goed ook. Stel je voor dat je hoofd aldoor moet bewegen. Kun je dan nog goed zien wat er om je heen gebeurt? Dat willen de kinderen wel eens uitproberen. Alle hoof­den wiebelen, draaien, schudden en giebelen. Nee, dat gaat niet. Een “lui” hoofd merkt meer op. Het gesprek gaat over naar de romp.
“Als je bang bent in het donker, waar voel je dat dan?” Daar heeft ieder kind wel een antwoord op. De een voelt een steen in zijn buik, de ander hoort zijn hart bonken, bij een derde stokt de adem en de vierde heeft het gevoel van “vlinders­ in je buik”, dat wordt door velen herkend. “Kijk maar eens of jij het ook wel eens zo voelt”,  zegt de juf en zij noemt een aan­tal bekende zegswijzen:

Mijn hart klopte in mijn keel.
Mijn hart trilt van blijdschap.
De schrik slaat mij om het hart.
Dat is een pak van mijn hart.
Mijn hart breekt.
Zij  luisteren met ingehouden adem.
Hij haalde opgelucht adem.
Het is een adembenemend verhaal.

Nu blijven de ledematen nog over. “Waar gebruik je die voor?” Eerst noemen de kinderen allerlei dingen die henzelf bezig houden: spelen, rennen, zwemmen,  fietsen, springen, tekenen. Maar ten slotte beginnen zij over: werken, timmeren, metselen, schilderen, vegen. “Je benen dragen je waarheen je wilt”-. Je hebt je armen en handen vrij om er van alles mee te doen, voor jezelf maar ook voor anderen.

Dieren hebben dit niet. Die lopen ook niet de hele dag recht­op zoals de mens. Wel is elk dier ergens heel goed in. Mensen kunnen ook wat dieren kunnen, maar ze hebben er vaak gereed­schappen voor nodig.
Een mol is  “gespecialiseerd”  in graven. Jij gebruikt bij het graven een schep. Wij  snijden harde din­gen niet met onze tanden door zoals de muis, maar met een mes.
De kinderen zijn verbaasd en opgetogen tegelijk. Zo hebben ze het nog nooit bekeken.  Koortsachtig zoeken zij naar andere voorbeelden.

De klas leert nu een gedichtje over het hoofd, de romp en de ledematen. Voor het eerste couplet zit ieder­een op zijn knieën op de grond en laat de kin op het tafel­blad rusten. De eerste keer moet iedereen even om zich heen kijken om te zien hoe zo’n klas met alleen maar hoofden er­uit ziet. Maar daarna houden zij allemaal het hoofd zo stil mogelijk en reciteren zij met rustige stemmen:

In mijn hoofd rond en rustig.
Zie en hoor, ruik en proef ik van de wereld om mij heen.

Dan klimmen zij op hun tafels, knielen daarop neer, hou­den de armen op de rug en ademen een paar keer flink in en uit.  Het tweede couplet:

Ruim is mijn romp met zijn ademstroom, daar doorleef ik vreugde of pijn, moed of schroom.

Ze springen weer op de grond,  lopen “in de maat” om hun tafels heen en ieder laat op zijn eigen manier zijn armen “vrij” zijn voor het derde couplet:

Door benen gedragen waarheen ik wil, zo ga ik rechtop met mijn armen vrij, maak met mijn daden mensen en dieren blij.

Wanneer de kinderen dit gedicht uit het hoofd kennen, komt het op het bord te staan en schrijven zij het over op de eerste bladzijde van het dierkundeschrift.

Op de tekenbladzijde ernaast maken zij een tekening van een mens. Die ziet er bij ieder kind anders uit.

Het eerste dier waarover de juf vertelt is de inktvis. Zij be­schrijft zo nauwkeurig mogelijk hoe hij eruit ziet, maar toch op zo’n verhalende manier, dat de kinderen het voor zich kunnen zien. Zij vertelt over zijn  ‘papegaaiensnavel’ waarmee hij zelfs krabben kan kraken, over zijn tentakels die zich stevig om zijn prooi vastkronkelen,  over de ongelooflijke kracht van de zuignappen. Met gretigheid luisteren de kinderen naar hoe hij zich gedraagt, hoe hij bijna onbeweeglijk op de bodem van de zee zit, maar ondertussen alles in de gaten heeft van wat er in zijn omgeving gebeurt. Wanneer hij een visje ziet langszwemmen, schiet hij plotseling uit en grijpt zijn prooi met zijn vangarmen.
In een tekening op het bord zien de kinderen op de begroeide zeebodem een inktvis op weg naar zijn hol.
Nu wil de lerares een vergelijking maken tussen de inktvis en de mens. “Waarop vind je de inktvis het meeste lijken: op het hoofd, op de romp, of op de ledematen;”  “De ledematen natuur­lijk!” roepen de kinderen. Dan gaat de lerares gehurkt achter de tafel zitten en laat alleen haar hoofd op het tafelblad rusten. Het beweegt bijna niet, maar zij loert onmiskenbaar naar alle kanten. De kinderen herkennen hierin toch wel de inktvis. Zij noemen de inktvis een kopdier omdat hij met zijn hele lichaam waarneemt. Naast de tekening van de inktvis op de zeebodem schrijven de kinderen in het schrift:

 De inktvis
In rotsen,  spleten of in holen
houdt de inktvis zich verscholen.
Daar wacht hij op een vis of krab
en stuwt zichzelf dan rap
door het water naar zijn prooi.
Komt de vijand te dichtbij,
dan spuit hij inkt en is weer vrij.
Die dichte donkere wolk onttrekt
de inktvis aan het jagend oog.

Na de inktvis komt er een heel andere diersoort aan de beurt: de haas.
De juf vertelt weer allerlei bijzonder­heden waarover de kinderen zich verwonderen. Met zijn lange oren, die lepels worden genoemd, hoort hij haar­scherp wanneer er onraad dreigt. Zittend op zijn achter­poten spitst hij zijn oren naar alle richtingen. Hij  snuf­felt even met zijn zachte neus of hij het hazenpad moet kiezen. Komt de vos eraan, dan zal de haas tijdens zijn vlucht steeds een grote sprong opzij maken om zijn vij­and het spoor bijster te laten raken. Ook de haas ontkomt niet aan een vergelijking met de mens. Bij dit dier kun je niet van “een en al waarneming” spreken zoals bij de inktvis. Integendeel, bij de haas zijn die lange oren er extra bovenop “gebouwd”. De haas is dus geen kopdier.
In een leestekst hebben de kinderen gelezen hoe een haas en een muis van elkaar schrokken en op de vlucht sloegen. Heeft de haas dan gevoel? Ja, hij  kan schrikken,  bang zijn, vrolijk zijn, boos worden en onraad ruiken. De lerares noemt de haas een rompdier.  “Maar hij heeft toch pootjes waarmee hij springen kan?”  “Dat zijn toch ledematen!” werpt een meisje tegen. “Juist’,  antwoordt de juf, “maar de ledematen staan in dienst van zijn romp”.  Dat kun je van de mens niet altijd zeggen. Die werkt ook met zijn handen om anderen te helpen. Het moet even doordringen. Dan knikt het meisje: ” Ja, daar zit wel iets in.”
De kinderen willen graag spreekbeurten houden over dieren. Ze spreken met de juf af wie op welke dag zijn spreek­beurt doet en de juf geeft aan op welke vragen antwoord gegeven moet worden:

Hoe ziet het dier eruit?
Hoe leeft het? In welke omgeving? Waarmee voedt het zich? Wie zijn zijn vijanden? Wat doet het in de verschillende seizoenen? Vertel iets over de jongen.

Van nu af aan begint elke dag met twee spreekbeurten.
De kinderen die luisteren krijgen de opdracht: om er thuis een korte tekst of gedichtje over te schrijven. Ze hoeven niet over elke spreekbeurt te schrijven, maar mogen een keuze maken. Het niveauverschil blijkt erg groot te zijn: sommige kinderen vertellen uitgebreid en boeiend, doen zelfs de bewegingen en de geluiden van hun dier na en laten verduidelijkende plaatjes en tekeningen zien. Andere zijn een aantal onderdelen ver­geten of hebben hele stukken uit een dierenboek overgeschreven en kunnen hun ogen niet van het spiekblaadje afhouden. Aan hun verteltoon is te horen dat ze de inhoud zelf ook niet altijd snappen. De lerares vraagt na elke spreekbeurt aan de klas wat ze ervan vonden: Wat vond je leuk?’ en ‘Wat zou je anders doen?’ Opvallend is hoeveel consideratie de kinderen met elkaar hebben. Dat bleek ook al tijdens de spreekbeurten: ze luisteren goed naar elkaar, ook al is het verhaal niet voor iedereen interes­sant.
Een van de kinderen vertelt over de chimpansee. Het spreekt de klas erg aan. De volgende dag vinden de kinderen een apenfamilie in het oerwoud op het bord getekend, geflankeerd door een gedichtje:

De chimpansee
De chimpansee loopt over stammen en takken,
Een dier met vier handen, voor ‘t lopen en voor ‘t pakken.
Zijn oren wijd uitstaand, zijn pels glanzend zwart,
Heel lang zijn z’n vingers, heel kort is z’n staart.
En zwaaiend en draaiend, heel fraai heen en weer,
Zo bungelt de slungel, ’t is feest keer op keer.
Hij voedt zich met vruchten en noten van ’t woud,
Is slim als geen ander, heel lief maar ook stout.

De lerares vertelt nog over de beer en de olifant.
Daar be­staan vele spannende en wonderlijke verhalen over. De Lappen geloven bijvoorbeeld dat beren vrouwen en kinderen niets doen. Ze doen ook niets als je “dood” op de grond ligt en je adem inhoudt. De beer snuffelt dan wel even aan je en probeert je met zijn poot heen en weer te rollen, maar als je stil blijft liggen, verliest hij zijn belangstelling voor je.

Van de kracht van de olifanten bestaan vele indrukwekkende voorbeelden. Maar dat een olifant schrikachtig is, zelfs onrustig door een muis kan worden, weten de meeste kinde­ren niet. Ook niet dat een olifant zich nog jaren later “herinnert” wie hem kwaad heeft gedaan. Prachtige teke­ningen van olifanten in het oerwoud maken de kinderen. Ze doen erg hun best om de dieren te tekenen zoals ze er­uit zien. De lerares heeft het uiterlijk van de olifant heel nauwkeurig beschreven  (het gesproken woord moet immers beeld opwekken), dus ze weten precies waarop ze moeten letten. De bordtekening mogen ze als voorbeeld gebruiken, maar de meeste kinderen tekenen toch liever hun eigen olifant. Wanneer zij de dikhuid ook nog geschilderd hebben en de schilderingen aan de muur hangen, is opvallend hoe raak zij de olifanten getypeerd hebben.
De klas heeft ge­leerd dat beren en olifanten telgangers zijn, dat wil zeggen dat zij bij het lopen de linker voor- en achter­poot tegelijk optillen en daarna de rechter voor- en achterpoot. Dat geeft een schommelend en log effect.
Na­tuurlijk willen de kinderen zelf ook even uitproberen hoe dat loopt. Ineens is het lokaal gevuld met schommelende zware beren. Op de laatste zaterdagochtend van de periode gaat de klas naar Artis. De kinderen hebben de hele dieren­tuin voor zich alleen: de stad slaapt nog uit. Zij kijken met heel andere ogen naar de dieren dan bij vorige bezoeken. “Hoe zien ze er precies uit?” willen ze weten. Ze willen met eigen ogen zien dat olifanten en beren als telgangers lopen en ze ontdekken dat kamelen en dromedarissen zich ook zo voortbewegen. Ze vinden in Artis veel van de dieren terug die in de spreekbeurten behandeld zijn.

Dan gaan ze het aquarium binnen en hopen daar de inktvis te vinden. Inderdaad, hij  is er, maar hij  zit stilletjes in elkaar gedoken. De hele klas staat vol verwachting voor het ver­lichte raam. Sommigen proberen hem wakker te maken en tikken voorzichtig tegen het glas, maar hij verroert zich niet. Een voor een druipen de kinderen af en verspreiden zich naar de andere aquaria. De vissen die daar rondzwem­men zijn ook de moeite waard van het bekijken.

“Juffie” galmt het plotseling door de lege zaal, “de inktvis is uit zijn hol gekomen.” Roffelende voetstappen van dertig paar voeten hollen er naar toe. Het behaagt de inktvis zich in volle glorie te laten bekijken. Zijn tentakels kronkelen naar alle kanten.  Met grote ogen kijken de kinderen hoe zijn grijparmen in sierlijke spiralen veranderen. Zo’n spektakel hadden ze niet verwacht. “Hij  is veel mooier dan jij hem op het bord hebt getekend,” krijgt de lerares te horen. Geen enkele afsluiting van de periode had meer indruk kunnen maken dan deze onverwacht demonstratie.

(Uit een publicatie – ‘heemkunde ‘ – van de Geert Grooteschool, Amsterdam)

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

Over de haas: zie artikelen over Pasen

 

221-209

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.