Tagarchief: sepia

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (3-1/2)

,

DE SEPIA

De sepia is een weekdier dat verwant is met de octopus en de pijlinktvis. Hij heeft een ovaal lichaam waarvan de randen twee dunne smalle vinnen vormen. De betrekkelijk kleine kop draagt acht armen. Bovendien heeft hij nog twee lange tentakels, die in rust teruggetrokken zijn in een holte naast ieder oog. De armen liggen dan tegen elkaar aan, zodat zij een kegel vormen, waarvan de punt naar voren wijst. De armen zijn geheel bedekt met zuignappen op de knotsvormige uiteinden van de tentakels. Iedere zuignap zit op een kort gespierd steeltje en hun rand wordt verstevigd door een hoornig ringetje dat eveneens een gekartelde rand heeft. De schelp is inwendig. Hij is bijna even lang als het lichaam, ovaal met een hoornige rand en het midden bestaat uit kalk, waarin zich holten bevinden die met gas gevuld zijn (‘zeeschuim’).
De gewone sepia, de bekendste van de 80 soorten, werd voor het eerst nauwkeurig beschreven door Aristoteles, meer dan 2000 jaar geleden.
Hij komt voor in het oostelijk deel van de Atlantische Oceaan, van de Noordzee tot de Middellandse Zee. Zijn totale lengte is maximaal 1 m, het lichaam is dan niet meer dan ca. 40 cm. De kleinste sepia is in totaal 4 cm en de grootste 1.50m.

weekdier met straalaandrijving

Sepia’s kunnen verschillende kleuren aannemen, waarin hij elk ander dier de baas is. Een sepia die over een rots zwemt die bedekt is met wier en vastzittende dieren van verschillende kleuren, kan van grijs in roodbruin veranderen, dan weer in lichtbruin of groenachtig, al naar gelang de kleurpatronen waar hij overheen zwemt. Zijn eigenlijke kleur is vuil-grijs, maar in de huid liggen blaasjes gevuld met pigment, bekend als chromatoforen. Deze blaasjes zijn zeer elastisch en kunnen met behulp van spiervezels worden samengetrokken of uitgespreid. Het pigment is in hoofdzaak geel, oranje, bruin, rood en zwart waardoor een heel scala van kleuren gevormd kan worden. Kleurveranderingen ontstaan in minder dan een seconde, in een oogwenk kan een sepia veranderen van dodelijk bleek in pikzwart.
Sepia’s zwemmen in scholen. Zij zwemmen tegelijk en veranderen ook tegelijk van kleur, de prikkel voor de kleurveranderingen ontvangen zij door de ogen. Sepia’s bewegen zich langzamer dan de octopussen, maar zij blijven meer in beweging. Door hun inwendige schelp hebben zij een zeker drijfvermogen. Zij zwemmen door golvende bewegingen van de vinnen aan de zijkanten, terwijl zij de trechter aan de onderkant van hun lichaam gebruiken, wanneer zij meer snelheid moeten ontwikkelen. De trechter kan met kracht een straal water uitstoten, waardoor het dier naar achteren gaat door een soort straalaandrijving. De trechter kan naar iedere richting wijzen en het dier gaat dus in een richting tegenovergesteld aan die waarin het water gespoten wordt. Hij kan de trechteer ook gebruiken om op dezelfde plaats te blijven. Een sepia die zo te zien stilstaat vlak onder de oppervlakte van het water, ziet men zijn trechter voortdurend heen en weer draaien, eerst de ene kant op, dan de andere, waarbij hij iedere keer een beetje water uitstoot. Samen met de golvende vinnen blijft de sepia hierdoor min of meer op dezelfde plaats. Het dier kan ook om zijn eigen as draaien door de vin aan de ene kant naar voren te laten golven en de vin aan de andere kant in tegenovergestelde richting, waarbij hij tegelijkerijd zijn trechter gebruikt om zichzelf rond te draaien. De trechter wordt gebruikt om blauw-zwarte ‘inkt’ uit te stoten. Sepia’s kunnen hun voorraad hiervan zo snel aanvullen dat zij in een paar minuten door herhaald spuiten 20 m3 water gekleurd hebben. Zelfs kleine sepia’s, net uit het ei, stoten inkt uit wanneer zij geprikkeld worden.

jagen met tentakels

Sepia’s voeden zich overdag met garnalen, steurkrabben, krabben en vissen. De prooi wordt beslopen en wanneer hij dicht genoeg genaderd is, worden de twee tentakels bliksemsnel uitgestoken en gebruikt als een paar levende tongen, om het voedsel naar de mond te brengen. Deze is gewapend met een hoornige snavel en een raspachtige tong of radula. Een krab wordt heel voorzichtig van achteren gegrepen en wanneer hij zijn scharen nog kan gebruiken, laat de sepia hem vallen.
Ook grote dode vissen worden gegeten. De sepia scheurt ze open met zijn snavwel voordat hij zijn tentakels erin stopt om er stukken vlees af te halen. Het duurt twaalf uur voordat deze verteerd zijn.
Garnalen worden door de sepia opgejaagd doordat hij het zand opdwarrelt met waterstralen van zijn trechter. Wanneer de garnalen te voorschijn komen, worden ze door de tentakels gegrepen.
Zijn voornaamste vijanden zijn: haaien, dolfijnen en bruinvissen. Een sepia kan een verloren arm weer laten aangroeien, maar het is heel gewoon dat hele scholen de zee bevolken of op het strand worden geworpen die allemaal ernstig verminkt zijn. Het is niet bekend waardoor dit veroorzaakt wordt.

hofmakerij vol kleur

De voortplanting heeft plaats in het voorjaar en in de zomer. Dan trekt de sepia zijn bruiloftskleed aan, een soort zebrapatroon dat bij de mannetjes duidelijker van tekening is dan bij de vrouwtjes. Nu verandert een van de armen aan de linkerzijde van het mannetje. Sommige van de zuignappen aan de basis verdwijnen en worden dan gebruikt om sperma naar het wijfje over te brengen. men zegt dat de wijfjes licht geven tijdens de broedtijd. De eieren worden een voor een gelegd. Zij komen door de trechter naar buiten, worden daar bevrucht en omgeven door een rubberachtige stof die gekleurd is met een straaltje inkt. Ieder kapsel dat gevormd wordt doordat de stof hard wordt, draagt een lange steel. De steeltjes van de eieren worden door de wijfjes samengevlochten op een vaste ondergrond of zij maakt de steeltjes van een reeks eieren aan elkaar vast, zodat het een bundeltje kapseltjes wordt. Deze gaan vaak drijven en men ziet ze dan als ze op het strand geworpen zijn als een trosje druiven. ieder wijfje legt niet meer dan 300 eieren in groepjes van 20-30. Wanneer de jonge sepia uit het ei komt, is hij ruim 1 cm lang en lijkt op zijn ouders, alleen heeft hij een grotere kop.

In de liefde en bij het vissen is alles geoorloofd

Drie duizend jaar geleden werden sepia’s in de Middellandse Zee gevangen met dans- en fakkellicht. Dat gebeurt nu nog. Drie duizend jaar geleden lokte men de vrouwelijke sepia’s om hun eieren te leggen op planken die men even buiten de kust in het water gelegd had. Bijna dezelfde methode wordt nu nog gebruikt. De mannetjes volgen de eierleggende wijfjes en wanneer de eieren gelegd zijn, grijpen de vissers hen.
Dit lijkt oneerlijk, maar het kan nog anders. Een van de methoden die bestaat om sepia’s te vangen voor de consumptie, bestaat hierin dat men een haak door de huid van het wijfje steekt en haar dan door het water sleept, zodat zij ongeveer 2 m onder de oppervlakte drijft. De mannetjes komen de een na de ander naar haar toe gezwommen. Nauwelijks hebben zij elkaar omhelsd of zij worden beide met een net uit het water gehaald. Hij wordt losgemaakt en bewaard, zij wordt weer teruggedaan in het water om een volgende minnaar te verleiden en naar zijn ondergang te voeren.

.

dierkundealle artikelen

4e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld – 4e klasinktvis

.

1561

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (3-1/1)

.

DE OCTOPUS

De naam ‘octopus’ betekent ‘acht voeten’ en het dier heeft inderdaad acht armen die aan hun basis een soort valscherm vormen en die samen een gesnavelde bek omgeven.

Octopussen verschillen duidelijk van de pijlinktvissen en de sepia’s, de andere bekende vertegenwoordigers van de koppotigen, doordat bij hen het extra paar lange armen ontbreekt.
Bovendien zijn hun zuignappen, waarmee de armen bezet zijn, niet verstevigd door hoornringen, zoals de zuignappen van de pijlinktvissen.

Andere verschilpunten zijn, dat octopussen geen inwendige schelp hebben en dat hun lichaam kort en rond is in plaats van gestroomlijnd. De 150 soorten octopussen zijn verspreid over alle wereldzeeën, maar ze zijn vooral talrijk in warme wateren. De kleinste, minder dan 5 cm lang, is de octopus arborescens. De grootste is de Pacifische octopus, o. hongkongensis, die in totaal bijna 10 m is, ofschoon zijn bekervormig lichaam slechts 0,5 m groot is. De blinde diepzeesoort cirrothauma uit de noordelijke Atlantische Oceaan heeft twee grote vinnen aan zijn lichaam. De vliezen tussen zijn armen reiken bijna tot aan de uiteinden en hij zwemt door deze ‘paraplu’ open en dicht te doen. behalve de zuignappen aan de onderzijde van zijn armen heeft hij nog rijen uitsteeksels die waarschijnlijk dienen om voedsel te vangen.

De gewone octopus, de soort waar het hier in hoofdzaak om gaat, leeft aan de kusten van tropisch en subtropisch Afrika en de Atlantische kusten van Amerika en is vooral talrijk in de Middellandse Zee. Hij kan bij wijze van uitzondering een grootte bereiken van 3 m, maar is gewoonlijk veel kleiner. De kleine o. komt voor van Noorwegen tot de Middellandse Zee. Hij is zelden groter dan 75 cm en heeft een enkele rij zuignappen op zijn armen, i.p.v de dubbele rij van de gewone octopus.

Een meester in het vermommen
De gewone o. leeft tussen rotsen in ondiep water, terwijl hij de meeste tijd doorbrengt in een hol in de rotsen of in een ‘villa’ opgebouwd uit stenen. Wanneer hij buiten zijn woning is, kruipt hij de meeste tijd rond op zijn armen, waarbij hij de zuignappen gebruikt om zich vast te grijpen, ofschoon hij ook kan zwemmen. Gewoonlijk zwemt hij achteruit, zijn armen achter zich aanslepend, doordat hij water door de trechter naar buiten spuit. Evenals bij de sepia en de pijlinktvis wordt dit water uitgestoten uit de mantelholte, waarin de kieuwen liggen en waarin de nieren, de einddarm, de voortplantingsorganen en de inktzak uitmonden. Ook kan hij een inktwolk uitstoten om achtervolgers op een dwaalspoor te brengen. Er is geen bewijs dat octopussen reageren op geluid. De armen reageren op aanraking en smaakstoffen en de ogen zijn goed ontwikkeld. Dat het zien belangrijk is, blijkt ook uit het feit dat ze uitstekend in staat zijn van kleur te veranderen. Dat wordt gedaan met 2 soorten chromatoforen of pigmentcellen in de huid, die van kleur verschillen al naar gelang ze zijn uitgespreid of samengebald. Een soort varieert van zwart tot roodbruin en een andere van rood tot bleek oranjegeel. Onder deze chromatoforen ligt een laag kleine deeltjes, zgn. iridocyten die wit licht weerkaatsen of een blauwe of groene structuurkleur veroorzaken. Het verschil in verschijningsvorm is echter niet alleen een kwestie van kleur, maar ook van houding en bouw. De armen kunnen uitgestrekt zijn, ingetrokken of stijf opgerold over het lichaam ter verdediging. De zuignappen kunnen onzichtbaar zijn of vooruitgestoken om de armen een golvend aanzien te geven. Wanneer kleur, houding en bouw nauwkeurig op elkaar zijn afgestemd, kan een octopus volledig samensmelten met zijn omgeving, zodat het buitengewoon moeilijk is om hem te ontdekken. O. verraden zich soms aan vissers die naar hen zoeken door het zgn. dymantisch gedrag, dat optreedt wanneer o. schrikken van grote objecten. Het dier wordt platter, rolt zijn armen op naast zijn lichaam en spreidt het vlees dat de armen verbindt er overheen. Het lichaam wordt lichter van kleur, maar rond de ogen staan donkere kringen en de rand van het valscherm wordt ook donker. Het doel van dit gedrag is waarschijnlijk om roofvijanden zolang af te schrikken dat de o. de tijd heeft om van kleur te veranderen, inkt uit te stoten en weg te schieten. Met hun grote hersenen en hun aanpassingsvermogen zijn o. het onderwerp geweest van een aantal interessante onderzoekingen omtrent leervermogen en hersenfunctie bij lagere dieren. In gevangenschap raken ze spoedig op hun gemak en wennen aan hun oppassers.

Aanval van een octopus
Een o. valt meestal alleen bewegende voorwerpen aan. Hij glijdt geruisloos naar zijn prooi toe, staat even stil en springt dan naar voren door plotseling een krachtige straal water naar achteren uit te stoten. Kleine prooien, hoofdzakelijk vis en schaaldieren worden gevangen onder het uitgespannen net tussen de armen en dan gegrepen met de papegaaiensnavelachtige hoornige kaken rond de mondopening. Tegelijkertijd scheidt hij een gif af, dat de prooi verlamt. Een gemiddelde o. eet ongeveer 25 kleine krabben per dag. Men leest vaak dat mensen door o. gegrepen worden en vastgehouden. Waarschijnlijk gebeurt dit ook wel eens en vooral in warme zeeën; het schijnt echter dat dit geen opzettelijke aanvallen zijn, maar meer het onderzoeken van een bewegend voorwerp en men heeft ondervonden dat, wanneer men zich rustig houdt, de o. het slachtoffer korte tijd aftast en dan laat gaan.

Koele hofmakerij
Bij de paring, welke verscheidene uren kan duren, zitten wijfje en mannetje apart. Er is bijna geen paringsspel, ofschoon het mannetje soms enige buitengewoon grote zuignappen aan de basis van het 2e paar armen laat zien, alsof hij avances wil maken bij het wijfje. Het enige contact dat hij met haar heeft, geschiedt door één enkele arm, die hij uitsteekt om haar te liefkozen. Deze arm is altijd de 3e arm aan de achterkant, die speciaal voor dit doel is gevormd  en een lepelvormig uiteinde heeft. Hij wordt de hectocotylusarm genoemd. Het uiteinde wordt in de mantelholte van het wijfje gebracht en de zaadcellen worden bij de opening van haar eileider afgezet in keurige pakketjes, spermatoforen genaamd. Een wijfje legt ca 150.000 eieren in ongeveer een week, ieder in een ovaal kapsel ter grootte van een rijstkorrel. Zij worden met korte stelen samengevoegd tot langere snoeren, die het hol van de moeder versieren. De moeder waakt gedurende een aantal weken over de eieren, maakt ze vaak schoon met haar armen of spuit er water over d.m.v. haar trechter. Gedurende deze tijd eet ze weinig. Ze kan weken vasten, bij één soort zelfs 4 maanden en bij een broedend wijfje in een aquarium zag men dat zij het voedsel dat bij haar gebracht werd, verplaatste en ver wegwierp. De kortarmige jongen zijn ca 3 mm lang wanneer ze uitkomen en zij zweven enige tijd rond voor zij hun eigen leven op de bodem beginnen; dan zijn ze 1,5 cm groot en enige weken oud. De gewone o. broedt zelden aan onze kust, wel worden er ieder jaar larven voor de Belgische kust waargenomen en in ongeveer een week trekken ze van Zeeland naar Den Helder.

Waar of niet waar
Er wordt soms beweerd dat de o. zich voeden met schelpdieren door stenen tussen de kleppen te steken, zodat ze niet meer dicht kunnen. Biologen uit vroeger eeuwen meenden dat een o. die een grote mossel niet open kon krijgen, in zo’n geval van een steen gebruik maakte. Dat is een aardig verhaal en hoeft niet onmiddellijk naar het rijk der fabelen te worden verwezen, maar toch hebben verschillende zoölogen tevergeefs getracht dit gedrag waar te nemen. Sommigen hebben daartoe met o. in aquaria geëxperimenteerd, maar zonder succes. Bovendien is het niet waarschijnlijk dat de o. ooit zulke ingewikkelde bewegingen kan uitvoeren. De moeilijkheid is dat de vorm van het lichaam te veranderlijk is, zodat het zenuwstelsel  zeer complex zou moeten zijn om rekening te houden met alle buigingen en krommingen in de armen en tegelijkertijd zo’n intelligente handeling te controleren en te beheersen.

De goed ontwikkelde ogen van de o. hebben een groot netvlies, waardoor zij een gezichtsveld hebben van 180’.

Bioloog Frans de Waal over de octopus:

‘Dat is een heel vreemd beest. Hij heeft ongewoon grote centrale hersenen, zeker voor een weekdier. Maar hij heeft ook nog eens zenuwknopen in al zijn acht armen en elk van zijn tweeduizend zuignappen. Die zijn allemaal verbonden, als een soort servers, waardoor hij op het internet lijkt. De octopus denkt met zijn hele lichaam, en dan kan hij ook nog licht waarnemen met zijn huid en communiceren door van kleur te veranderen.’

Bron: Trouw, 23-04-2016

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld 4e klas: inktvis

 

.

 

225-213

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.