Tagarchief: gewaarwordingsziel

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-2/6)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In een vorige artikel dat beschouwd kan worden als een inleiding op wat hier volgt, werd erop gewezen dat ‘schematiseren’ eigenlijk niet kan; en dat het willen verklaren en definiëren steeds weer het gevaar in zich draagt de werkelijkheid tekort te doen.
En toch kunnen we, wanneer we niet het helderziende vermogen hebben zoals Steiner kennelijk had, niet zonder een zoektocht met ‘het gezonde verstand’. Daartoe is dit een poging.

Op blz. 24 is sprake van de ‘bewustzijnsziel.’ Wat valt daar o.a. over te zeggen:

BEWUSTZIJNSZIEL

Eerst nog even terug naar de verstands-gemoedsziel:

Toen ik bij de bakker een ogenblik in dubio stond of ik de gevulde speculaas wel zou kopen, was daar in mij de controverse tussen „begeren“ en „beheersen“.

Uit eigen ervaring kan ieder hierover meepraten: wij kunnen, met name in het sociale leven, niet blindelings onze driften, begeerten, neigingen volgen. Wij wikken en wegen, motiveren en we nemen een besluit: dit kunnen we onder een vorm van denken rangschikken. Een denken dat nog sterk verbonden is met ons voelen, maar toch een ander voelen is dan de gevoelens die rondom de gewaarwording voelbaar zijn.
Het is niet moeilijk bij je zelf na te gaan waar bepaalde gevoelens vandaan komen.
Honger, dorst, slaap enz.: gewaarwordingen. Ze worden gevoeld, ervaren met de gewaarwordingsziel.

We onderscheiden deze gevoelens als vanzelfsprekend van vrolijk of verdrietig zijn; boos of blij zijn enz.
Met deze gevoelens raken we verder weg van die gevoelens die meer met het vitale verbonden zijn.
We komen meer bij ons “gevoel”; bij ons gemoed – onze  gemoedsgesteldheid.

Vandaar: gemoedsziel.
Dit is meer de ziel van het “dagelijkse leven”. We worden met iets geconfronteerd: een bericht in de krant, of via een tv-programma. Het grijpt ons aan: we worden er vrolijk(er) of verdrietig(er) van.
Maar, we vinden er ook iets van. We stemmen in of spreken onze afkeer erover uit. We begeleiden deze gevoelens ook met onze mening: wat we ervan vinden.

Vandaar: verstandsziel.
Het is het Engelse to think, dat zowel denken als voelen betekent. Dit is het gebied waaruit wij spreken, wanneer we ergens iets van vinden. Hier bewegen we ons tussen alle vormen van sympathie en antipathie.

Het is nog sterk aan onze eigen beleving gebonden; het is het subjective denken; hiermee spreken we ons gemoed uit, spreken we vanuit ons gevoel. Naarmate we bozer zijn, wordt onze stem scherper, harder, consonantischer; de andere kant is een warme, rustige, kalme stem, waarin juist het vocale overheerst.

De sympahtie en antipathie op het weiland: de vreugde over de paardenbloemen; of de afkeer.

BEWUSTZIJNSZIEL
Zo gauw ik echter op zoek ga naar wat een paardenbloem is, moet ik los zien te komen van mijn „wat ik er van vind“. Als de essentie van iets in mij tot klaarheid komt, heb ik daarmee iets in mij opgenomen dat buiten mij om als essentie bestaat. Dat niet afhankelijk is van mijn smaak en of ik het mooi of lelijk, fijn of niet fijn vind, graag mag of verafschuw enz. Dat wordt bij de beschouwing van de mens geest genoemd.

Om deze kwaliteit van het denken onder woorden te brengen, noemde Steiner dit de bewustzijnsziel. Hoe meer we in staat zijn de wereld met al zijn essenties zich in ons te laten uitspreken, des te meer nemen we de wereld van de geest in ons op. Als essentie betekent dat het waar is, neem ik dus de waarheid in me op.
Wie zegt mij echter, dat het waar is. En wie het zegt. zegt die ook de waarheid of is het uiteindelijk toch alleen zíjn waarheid of die van een grote groep. ‘De waarheid in pacht hebben’ klinkt niet zo positief. We laten hem liever in het midden liggen.
Velen streven er naar ‘de waarheid’ te vinden, die te benaderen op z’n minst. En daarbij blijkt altijd, dat hoe meer je het eigen gevoel, het eigen (voor)oordeel terughoudt, het ‘andere’ meer kans krijgt zich te laten zien, heel deftig: ‘zich te openbaren’.
Wel een mooi woord, overigens. Er moet iets ‘open’ gaan en worden geboren.
We ervaren daarbij ook sterk dat de ‘wereld van de waarheid’ zo openligt, dat we over ‘grenzenloos’ spreken.

Er is ook de wereld van de idee(ën). Steiner geeft hier een mooi voorbeeld over ‘de’ driehoek. De idee driehoek die je je denkend! voor kan stellen, je denkt hem uiteindelijk na. Interessant is dan natuurlijk om door te filosoferen over de vraag wie of wat deze idee dan als eerste gedacht heeft, zoals we bijv. Einsteins theoretische ideeën kunnen nadenken (als we daartoe intelligent genoeg zijn!).
Maar we zullen er snel genoeg achterkomen dat er vele ideeën zijn die niet terug te voeren zijn op mensen die ze als eerste gedacht hebben. Wie of wat is dan de ontwerper van deze ideeën.

En zoals onze lichamelijkheid de begrenzing vormt voor de ene kant van de ziel: de gewaarwordingsziel; zo zijn er aan de andere kant, door de bewustzijnsziel onbegrensde mogelijkheden om de geest – de wereld van het ware, de wereld van de ideeën, Steiner noemt er ook de wereld van het goede bij –  te leren kennen.

Zoals de gewaarwordingsziel ziel is, maar nauw verbonden met het stoffelijk-levende, zo is de bewustzijnsziel nauw verbonden met wat ik als geest in me kan opnemen. Als verstands – gemoedsziel pendel ik daar tussenin.

Hoewel Steiner in deze voordracht nog niet spreekt over ‘slapen, dromen, wakker’ i.v.m. lichaam, ziel, geest, kun je hier al iets gaan vermoeden van wat hij daarmee bedoelt.
In ons vitale leven, bijv. in onze stofwisseling, weten we niet wat er gebeurt. Voor ons bewustzijn eigenlijk helemaal ontoegankelijk. We krijgen er pas ‘weet’ van, als er iets mis is en de pijnsignalen ons waarschuwingen. Maar dan nog weten we lang niet altijd wat er dan mis is, of gebeurt of niet gebeurt. Heel vreemd eigenlijk: je hebt het allemaal heel dicht bij je en toch tast je volledig in het duister.
Vanuit het standpunt van bewustzijn bekeken, slaap je hier dus.
In het voelen van de verstands – gemoedsziel is ook nog niet die helderheid dat we precies weten waar bepaalde gevoelens vandaan komen of ontstaan. We weten wel dat ‘we daar nou net niet tegen kunnen’; of dat ‘we daar altijd heel blij van worden’. We kunnen een beginnende antipathie voelen aanwakkeren tot boosheid enz.
Je zou hier van een meer dromend bewustzijn mogen spreken.

Pas in het denken worden we echt wakker. Als we met onze gedachten licht hebben gebracht over of in een zaak, tasten we niet meer in het duister. Om te kunnen denken moeten we (er) wakker (bij) zijn.

we zijn:
slapend voor wat betreft ons bewustzijn voor ons fysiek-vitale leven
dromend voor wat betreft ons bewustzijn voor het komen en gaan van onze gevoelens tussen antipathie en sympathie
wakker bij het heldere denken

Ook ligt hier een kiem voor het begrijpen van wat vrijheid en onvrijheid, gebondenheid is.

Het fysiek-vitale leven dwingt ons de vitaliteit in stand te houden: we moeten eten, drinken, slapen, ons voortplanten e.d. We hebben geen keus als we willen doorleven. We worden gedwongen. We moeten, zoals een dier doet wat het moet!

Ons fysiek-vitale dwingt ons niet de waarheid te zoeken. Als we dat doen, doen we het zelf. We kunnen het ook nalaten. Er is geen dwang of drift. Er kan wel ‘geest’drift zijn! Je sterke verlangen de waarheid te leren kennen; je open te stellen voor de geest. Dit openstellen voor de geest is een vrije keus.

Het ‘instrument’ waarmee je je tot ‘de geest’ richt, is je bewustzijnsziel.

Natuurlijk is al allang de vraag opgekomen: waar ben Ik(zelf). Daarover wordt iets gezegd bij ‘geestzelf’ (nog niet oproepbaar).

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1332

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-2/3)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In een vorige artikel dat beschouwd kan worden als een inleiding op wat hier volgt, werd erop gewezen dat ‘schematiseren’ eigenlijk niet kan; en dat het willen verklaren en definiëren steeds weer het gevaar in zich draagt de werkelijkheid tekort te doen.
En toch kunnen we, wanneer we niet het helderziende vermogen hebben zoals Steiner kennelijk had, niet zonder een zoektocht met ‘het gezonde verstand’. Daartoe is dit een poging.

Op blz. 24 is sprake van het ‘gewaarwordingslichaam’  en de ‘gewaarwordingsziel’. Wat valt daar o.a. over te zeggen:

HET GEWAARWORDINGSLIJF EN DE GEWAARWORDINGSZIEL

Gewaarwordingslijf
Nadat we het verschil tussen fysiek lichaam en etherlijf hebben vastgesteld en gekarakteriseerd met allerlei aspecten, is er nog een ‘lijf’ dat Steiner noemt, wanneer het over de drieheid gaat die op drieërlei manier verbonden is met de ons omringende wereld.

‘Weten’ dat je leeft, is m.i. afstandelijker dan ‘voelen’ dat je leeft. Meestal wordt gezegd: ‘dan voel je pas dat je leeft’, uitgesproken wanneer je je ‘lekker’ voelt, goed in je vel zit; iets beleefd hebt wat fijn was, kortom iets in de sfeer van de gevoelens die dicht bij genotservaringen liggen. Wanneer je die gevoelens nader bij je zelf onderzoekt, merk je dat ze veelal ‘primair’ zijn: ze hebben direct te maken met je welbevinden. Maar ook dat ze sterk verbonden zijn met elementaire levensbehoeften. De taal is ook hier weer een rijke ondersteuning om het gebied in ons te leren kennen, waar deze belevingen zich afspelen. Bij ‘levens’ ‘behoefte’ voel je dat je het om te kunnen leven, nodig hebt, er is een verlangen naar, of als dit sterker wordt: een begeerte, je hebt ‘zin in’, ‘trek in’, ‘lust om’ enz. Honger, dorst, ze moeten als gevoel bevredigd worden; om te (over)leven ontstaat er een drang, een dwang om aan voedsel te komen – om jezelf in stand te houden moet je wel. In die sfeer van overlevingskrachten liggen ook de primaire seksuele krachten – om de soort in stand te houden moet er voortplanting zijn.

Dan merk je dat hier nauwelijks vrijheid heerst. De natuur(wetten) overheersen nog.
Dit is, zoals net gezegd, niet het gebied van het weten, maar van het voelen, beleven. Dit laatste woord, met als hoofdwoord ‘leven’ wijst ons in de richting van het leven, ‘be’ geeft vaak een intensivering aan, dikwijls naar een ander niveau: grijpen/be-grijpen; staan/be-staan; leren/be-leren, enz.
Gevoelens van drift, drang, dwang, zin, lust, begeerte, trek, hartstocht hebben alle een direct verband met ‘leven’.

Drift, drang, dwang, zin, lust, begeerte, trek, hartstocht ‘zijn’ van het etherlijf, ‘zitten’ daarin en worden daar ‘opgemerkt’ door een ander soort ‘lijf’ – lijf in de zin van ‘een vermogen om te’ –ze worden daar ervaren, waargenomen, ze worden ons daar op een bepaald ogenblik bewust, ‘gewaar’.( ‘Zijn’ en ‘zitten’ kun je als woorden eigenlijk hier niet gebruiken: dat suggereert een statische aanwezigheid, terwijl het etherlijf een ‘stromend’, een bewegend iets in ons is.)

Van het deel van het etherlijf waarin dit’opmerken’ plaatsvindt, zegt hij, dat het ‘fijner’ is dan het andere deel, dat weer sterker met het fysieke lichaam verbonden is. Dus op die grens van ‘leven’ en ‘beleven’ worden wij ons deze ‘levensgevoelens’ gewaar.

Toen het ging om ‘lijf’ kon er gezegd worden: het is een krachtencomplex, een kracht(en)veld. Dit zou je dus, omdat je hier ‘gewaar wordt’  ‘gewaarwordingslijf’ kunnen noemen.
(Het moge duidelijk zijn dat je dit in vertalingen ook weer tegenkomt als ‘gewaarwordingslichaam’)

Wanneer je de mens beschrijft vanuit meer fysiek-etherisch gezichtspunt en wanneer je vandaar verder wil gaan naar minder direct lichamelijke sensaties, naar gevoelens die meer gevoelskwaliteit hebben, zoals sympathie, medelijden, liefde enz., moet je dit complex van gewaarwordingen nog gewaarwordingslijf noemen.

Gewaarwordingsziel
Op blz. 23 in de voordracht noemt Steiner de ziel en verdeelt deze in bewustzijnsziel, verstands- of gemoedsziel en gewaarwordingsziel.

‘Ziel’ beschrijft hij als ‘een vermogen om de buitenwereld tot je eigen wereld te maken en je eigen binnenwereld te manifesteren in de buitenwereld. Bij ‘tot je eigen wereld’ kun je denken aan, dat je bijv. over gebeurtenissen in de wereld nadenkt en er een eigen oordeel aan verbindt: dan is dat stukje wereld jouw wereld geworden: de ziel als een kennend vermogen. Je kunt ook plannen hebben, ideeën, die je ten uitvoer wil brengen. Dan zet je a.h.w. jouw binnenwereld in de buitenwereld: je concretiseert je plannen. Dat wilde je nu eenmaal. Hier zie je dat de andere kant van de ziel, het willend vermogen is.
Vanuit deze zielenoptiek zijn gewaarwordingen die je hebt, vanuit de buitenwereld komend o.a. licht- en geluidsindrukken. Om deze indrukken te kunnen hebben, moet je beschikken over de zintuigen die ze kunnen registreren en hier zie je voor het eerst de relatie tussen je iets bewust kunnen worden en de zintuigen.

In dem, was rot, grün, hell, dunkel, hart, weich, warm, kalt ist, erkennt man die Offenbarungen der körperlichen Welt. Diese Offenbarung heiβt Empfindung.

In wat rood, groen, helder, donker, hard, zacht, warm, koud is, leer je de stoffelijke wereld kennen zoals die zich aan ons voordoet. Bewustzijn daarvan heet gewaarwording.
GA 9/52
Eigen vertaling

Man stelle sich den Menschen vor, wie er von allen Seiten Eindrücke empfängt. (  ) Die Empfindungen antworten auf die Eindrücke. Dieser Tätigkeit soll Empfindungsseele heiβen.

Neem de mens hoe die van alle kanten indrukken ontvangt. Die word je je gewaar. Ze komen bij je binnen – worden van jou – dat is de activiteit van de gewaarwordingsziel.
GA 9/40
Eigen vertaling

Ein Teil des Ätherleibes sei feiner als der übrige und dieser feinere Teil des Ätherleibes bildet eine Einheit mit der Empfindungsseele, während der gröbere Teil eine Art Einheit mit dem physischen Leib bildet.

Een deel van het etherlijf is fijner dan de rest en dit fijnere deel vormt een eenheid met de gewaarwordingsziel – het grovere deel vormt een zekere eenheid met het fysieke lijf (het van leven doortrokken lichaam).
GA 9/42
Eigen vertaling

Maar wanneer het oog als zintuigorgaan niet goed of helemaal niet functioneert, is een kleurindruk op jou niet mogelijk. Je gewaarwordingsziel kan daarop niet reageren en daarom kun je zeggen dat je lichamelijkheid bepalend is voor hoe je gewaarwordingsziel functioneert. Dat begrensde krachtenveld noemt Steiner gewaarwordingslijf, maar omdat zich daarin de gevoelens afspelen die bij het gewaarworden horen, is dit tevens de gewaarwordingsziel. Ze vormen een eenheid.

Nur bei richtig lebendem, wohl gebautem Auge sind entsprechende Farbempfindungen möglich: dadurch wirkt die Leiblichkeit auf die Empfindungsseele. Diese ist also durch den Leib in ihrer Wirksamkeit bestimmt und begrenzt.

Slechts door middel van goed functionerende goed gebouwde ogen is het mogelijk de kleuren volledig waar te nemen. Zo uit zich de invloed van het lichamelijke op de gewaarwordingsziel. Het lichaam bepaalt en begrenst zoddoende haar activiteit. Ze leeft binnen de door het fysieke lichaam getrokken grenzen.
GA 9/41
Vertaald/40

Enerzijds hebben we dus onze gewaarwordingen van wat zich in ons afspeelt in de levenssfeer; anderzijds opent onze ziel als gewaarwordingsziel zich middels de zintuigen voor de buitenwereld, zodat deze ‘bij ons binnenkomt’ en van ons wordt. Vele indrukken! worden we wel gewaar, maar dat is nog iets anders, dan ‘worden waargenomen’. In het taalgebruik gaan de betekenissen nog weleens in elkaar over; maar je kan hier een gevoel krijgen voor het feit dat ‘waarnemen’ een veel bewustere activiteit is, terwijl ‘gewaarworden’ je a.h.w. meer overkomt, onbewuster, verloopt. Het Duits heeft ‘empfinden’, waarbij het gaat om ‘ zintuigprikkeling’, om ‘(be)merken, ‘bespeuren’, ‘aanvoelen’.

We kennen allemaal het verschijnsel dat wanneer het buiten nat is, vele bloemen hun knoppen niet openen. Begint de zon te schijnen, gaan ze open. We kunnen dat zien als een beweging, maar niet een van binnenuit, want dan zou de plant de mogelijkheid hebben, ondanks dat de zon begint te schijnen, tóch de knop gesloten te houden.

Een wandelende tak lijkt bedrieglijk veel op een gewoon takje. Wanneer ze beide stil liggen, zie je geen verschil. Om te weten of het takje ‘wandelend’ is, moet je het aanraken. Bij aanraking beweegt de wandelende tak. Hij reageert met beweging of……houdt zich doodstil. Dat is al een groot verschil tussen plant en dier. Het laatste kan van binnenuit reageren. De knop moet opengaan; het dier hoeft niet per se weg te lopen; integendeel: het kan ook op je toekomen, je aanvallen zelfs.
Dieren leven sterk in hun gewaarwordingen. Dat is het allereerste wat wij met de dieren gemeen hebben: de gewaarwordingsziel.

Dat is de verbinding van de gewaarwordingsziel met het dierenrijk.

De drievoudige verbondenheid waarvan sprake is op blz. 24 is dus zo weer te geven:

Stoffelijke wereld, de wereld van de gesteenten;
ons fysieke lichaam
Plantenwereld, de wereld van het vegetatieve leven:
ons etherlijf
Dierenrijk, de wereld van de (lichamelijk gebonden) gevoelens, de gewaarwordeningen:
onze gewaarwordingsziel
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1302

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parzival (5)

.

PARZIVAL, MIDDELEEUWS GEDICHT MET MODERNE STREKKING

Wolfram von Eschenbach schreef rond 1200 Parzival, een ridderverhaal, dat zich afspeelt rond het hof van koning Arthur.
Peter de Beer stelt zich de vraag of de Parzival past in de huidige belangstelling voor de middeleeuwen. Ook sprak hij met professor Lievegoed over het beeld dat de Parzival geeft van de ontwikkelingsweg van de mens.

De middeleeuwen staan al geruime tijd sterk in de belangstelling en de geschiedschrijving van deze periode, al dan niet in geromantiseerde vorm, trekt een breed publiek. Namen als George Duby, Umberto Eco, Barbara Tuchman en Johan Huizinga zijn algemeen bekend. De historische romans geven van de middeleeuwen zowel een spectaculair beeld als een ideaalbeeld. Maar hoewel de populaire schrijvers boeiend kunnen vertellen, kan (kunst-)geschiedenis ook droog zijn. De belangstelling is waarschijnlijk eerder gelegen in het gangbare ideaalbeeld van de middeleeuwen. De middeleeuwse maatschappij wordt vaak voorgesteld als een duidelijk gestructureerde, stabiele samenleving, waarin mensen hun plaats kennen en weten wat en hoe zij moeten denken. De samenlevingsverbanden zijn klein, de natuur is dichtbij en er is nog ruimte voor hartstocht. Dat dit beeld niet helemaal overeenkomt met de werkelijkheid van toen, is niet belangrijk. Het schept de mogelijkheid de huidige maatschappij te ontvluchten. Deze is immers, technisch-mechanisch, geordend volgens onduidelijke structuren en regelingen. Bovenal zijn mensen hun richtsnoer, dat vroeger vooral was gelegen in het geloof, kwijtgeraakt. Waarden en normen liggen niet meer vast en het gezag van de overheid en de wet is niet meer onaantastbaar. Anders dan de middeleeuwen is men nu vrij te denken wat men wil, maar het blijkt allerminst eenvoudig te zijn, op grond van eigen ideeën, een individueel standpunt te bepalen en daarnaar te handelen. Door te lezen over de middeleeuwen kan de moderne mens even terugkeren naar een tijd waarin de individuele verantwoordelijkheid nog niet zo zwaar woog. Bovendien kan hij of zij het huidige sociale rechtvaardigheidsgevoel botvieren op misstanden in de middeleeuwen, zonder vervolgens tot actie te hoeven overgaan.

Ridderschap
Onlangs* is bij uitgeverij Vrij Geestesleven de Nederlandse prozavertaling verschenen van Wolfram von Eschenbachs Parzival. [1]

Het verhaal begint met de beschrijving van de avonturen, zowel in het oosten als in het westen, van de vader van Parzival, Gahmuret. Diens weduwe, Herzeloyde voedt Parzival op in de bossen om te voorkomen dat ook hij ridder wordt en in de strijd zal sneuvelen. Parzival besluit echter toch ridder te worden en in dienst te treden van koning Arthur, wat hem na vele avonturen lukt. Daarvóór is hij door Gurnemanz onderwezen in het ridderschap en gehuwd met koningin Condwiramurs. Hij is in de graalburcht van de zieke koning Anfortas geweest, waar hij de vraag die de koning van zijn lijden kan verlossen, niet heeft gesteld. Omdat hem dit naderhand wordt verweten, gaat hij op zoek naar de graal. Na door Trevrizent te zijn onderwezen in het geesteliike, innerlijke leven, vindt hij die uiteindelijk.

Het verhaal van Parzival wordt in het boek afgewisseld met de avonturen van Gawan, de beste ridder van de Ronde Tafel. Deze gaat op avontuur uit om zich te zuiveren van de beschuldiging een lage, laffe moord te hebben gepleegd. Hij vertrekt, tegelijk met Parzival, van het hof en beleeft drie grote avonturen die hij tot een goed einde brengt.
Ten slotte handelt de roman nog over de jongste zoon van Parzival, Loherangrin.

Koning Arthur
Wolfram heeft dit boek geschreven tussen 1200 en 1210. Het past in de ‘matière de Bretagne’, waarbij het hof van Arthur als context dient. De literatuurhistorici zijn het er niet over eens of Arthur een historische persoonlijkheid is geweest. Als hij heeft bestaan, dan heeft hij geleefd op de grens van de vijfde en de zesde eeuw. Maar hij is ofwel een door de Kelten verzonnen heldenfiguur, die het volk in benauwde tijden eens zal redden, ofwel een historische aanvoerder, aan wie de volksvertellingen een mythisch karakter hebben verleend. Historische bronnen maken wel melding van zo’n legendarische aanvoerder. Slechts enkele daarvan geven zijn naam: Arthur. Pas in het historische epos Historia regum Brittanniae (± 1137) van Geoffrey van Monmouth wordt het hele levensverhaal van Arthur verteld. Dit boek kende een grote populariteit en is door Wace vertaald in de volkstaal. Diens navolgers gebruikten de gegevens slechts als achtergrond voor hun eigen stof, waarin steeds meer fantastische elementen slopen. Een van hen is Chrétien de Troyes. De geschiedenis van Arthur is voor hem slechts een vindplaats van literaire thema’s, zoals de liefde en het hoofse gedrag. Het hof is daarmee tijdloos geworden. Eén van Chrétiens romans is Perceval ou le conté du graal. Deze heeft zeker als basis gediend voor Wolframs Parzival. De Parzival kan worden beschouwd als het hoogtepunt in de graaloverlevering.

Tot 1200 zijn de Arthurromans geschreven in de versvorm. In de dertiende eeuw wordt, althans in Frankrijk, het proza de normale vorm. Behalve door erop te wijzen dat er een lezend publiek was ontstaan, wordt dit verklaard aan de hand van het verschil in toegeschreven waarheidsgehalte. Verzen zouden een leugenachtige inhoud hebben, terwijl proza werd beschouwd als een waarmerk van de historische betrouwbaarheid van het geschrevene. In die tijd ontstond weer de behoefte de stof in te passen in een ‘historisch’ relaas. Het is onwaarschijnlijk dat ook in het dertiende-eeuwse Duitsland de versvorm werd vervangen door de prozavorm. Zou dit wel het geval zijn geweest, dan is het mogelijk dat Wolfram in verband met de diepere, esoterische betekenis van zijn Parzival met opzet in rijm heeft geschreven.

Dit taalkundige uitstapje brengt mij op de zojuist verschenen vertaling, de eerste volledige die in het Nederlands is verschenen. De vertaler, Leonard Beuger, heeft — naar zijn zeggen — getracht zo dicht mogelijk bij het origineel te blijven zonder concessies aan de inhoud te doen. De Parzival levert voor iedere vertaler of hertaler grote moei;ijkheden op. Het uitgangspunt van deze vertaler is prijzenswaardig. Behoudens enige inconsequenties heeft hij zich hieraan gehouden, en met succes. Een nadeel van zijn werkwijze is dat een deel van de vertaal- en interpretatieproblemen wordt afgeschoven op de lezer. Specifieke, middeleeuwse uitdrukkingen en begrippen waarvan de betekenis soms van de context afhankelijk is, worden nu met een modern Nederlands ‘equivalent’ vertaald. Hoewel zijn keuze van de ‘equivalenten’ (bijvoorbeeld trouw voor ‘triuwe’) meestal niet slecht is, moet de lezer zelfde nuances aanbrengen of invoelen. Dit geldt ook voor woorden die niet precies te vertalen zijn. Hier en bij vele beeldspraken en zinswendingen geeft de vertaler geen interpretatie (bijvoorbeeld bij liebe en minne = liefde en minne). Het voordeel is, dat de lezer voor zichzelf de schoonheid, de inhoud en de stijl van het werk kan (leren) bepalen en waarderen. Hoewel Beuger bij de keuze van zijn woorden en uitdrukkingen, die soms onnodig ouderwets of ingewikkeld zijn, niet altijd even gelukkig is geweest, heeft hij een uitstekende, goed leesbare vertaling afgeleverd, die de beeldende kracht en de bizarre, soms duistere stijl van het origineel vaak dicht benadert. De aantekeningen zijn overeenkomstig zijn uitgangspunt sober, dat wil zeggen bijna alleen encyclopedisch, maar verhelderend. Het staat buiten kijf, dat Wolframs Parzival een bijzonder kunstwerk is. Deze nieuwe vertaling doet daar alle recht aan: de lezer kan in de eigen taal genieten van de literaire procedés die Wolfram hanteert en die in een moderne roman niet zouden misstaan, van het beeldende taalgebruik, het gevoel voor nuances, de humor, de sublieme compositie en de contrasten tussen de stof en het commentaar daarop van de verteller.

Dubbele bodem
Past de Parzival in de huidige belangstelling voor de middeleeuwen? Het boek biedt zonder twijfel sensatie. Het is immers een spannend ridderverhaal met sprookjesachtige en gewelddadige elementen. Liefde, trouw en eer spelen een grote rol De betekenis van de religie en de familie is voor de moderne lezer acceptabel. Het hoofse gedrag en de riddercode geven aan de waarden en normen een duidelijke inhoud. Bovendien is het een literair werk uit de middeleeuwen, waardoor een nieuwe dimensie wordt toegevoegd aan een
bestaande belangstelling. In deze opzichten heeft het werk betekenis voor de moderne lezer. Een modern aandoend aspect is de ontwikkeling van de romanfiguren, waardoor het boek een extra waarde, een dubbele bodem krijgt. Wolfram heeft verscheidene ‘dubbele bodems’ ingebouwd. Ergenlijk kan men beter spreken van een ‘drie- of meervoudige gelaagdheid’ want de roman laat zich op veel niveaus lezen. Eén daarvan heb ik al genoemd: een spannend ridderverhaal.

In een gesprek met professor Lievegoed, die zich al sinds het eind van de jaren twintig met de Paizival bezighoudt, komt een tweede niveau aan de orde, namelijk het beeld dat de Parzival geeft van de ontwikkelingsweg van de mens. Hieronder heb ik getracht de opvattingen van Lievegoed zo goed mogelijk weer te geven.

Lievegoed meent dat de Parzival historische gebeurtenissen beschrijft uit de negende eeuw, toen pas een einde was gekomen aan de regering van Karel de Grote. Natuurlijk stammen het  taalgebruik, de gewoontes en het verhaal over Gahmuret uit de dertiende eeuw. In de dertiende eeuw was de verhouding oost-west echter heel anders dan in de negende eeuw, zodat een historische inleiding noodzakelijk was. Bovendien was de betekenis van de roman, zeker met betrekking tot de Ronde Tafelridders en de graal, ketterij. Daar rond 1200 de inquisitie zeer actief was, moest Wolfram in beelden en imaginaties schrijven, zodat de achterliggende ideeën slechts door ingewijden konden worden begrepen. Maar, zo meent Lievegoed, uit de beschrijving van de constellatie der planeten is te berekenen wanneer het verhaal zich in werkelijkheid heeft afgespeeld. Een mondelinge overlevering van 400 jaar is volgens hem geen   uitzondering. Pas wanneer een verhaal verloren dreigt te gaan, wordt het opgetekend. Arthur is niet de naam van een persoon, maar de naam voor een functie, namelijk die van koning van de Kelten.

Lievegoed vindt dat het boek deel moet gaan uitmaken van onze cultuur. De eerste reden hiervoor is dar Wolfram elementen uit een bestaande materie op een geheel eigen wijze heeft samengevoegd en enkele nieuwe elementen daaraan heeft toegevoegd. Inhoud en compositie zijn daardoor verrassend, nieuw rn goed op elkaar afgestemd. Hij doelt vooral op de ontwikkelingen van Gawan en Parzival. De tweede reden is, dat de Parzival een voorbode was van een toen toekomstige cultuur met een voorspellende waarde, zoals de Odyssee dat op een ander niveau is geweest.

Voorbode
Lievegoed begint meteen te vertellen over het belang van de Odyssee. In de ontwikkelingsfase waarin de mens zich bevond tot de tijd waarin Homerus schreef, beleefde hij de wereld op een bepaalde manier. Hij kon alleen primair reageren op wat hij waarnam: de reactie was spontaan, zintuiglijk en gericht op de waargenomen werkelijkheid. Concrete gebeurtenissen en personen, en zijn reacties daarop, kon hij zich achteraf wel voor de geest halen, maar met abstracte denkbeelden ging dat moeilijker. Tot in de tijd der Pythagoreeërs (zesde eeuw voor Christus) gold het zich voorstellen van een driehoek als een topprestatie in het abstracte denken. In een nog eerdere ontwikkelingsfase van de mens was hij niet eens in staat zich gebeurtenissen te herinneren.

De Odyssee is de voorbode van het einde van die ontwikkelingsfase. De mens betreedt hier de volgende trede op de psychische ontwikkelingsladder, en wel in de persoon van Odysseus. Na tien jaar oorlog waren de Grieken de strijd moe. Odysseus bedenkt echter een list. Met behulp van het paard van Troje wordt de overwinning behaald. Niet de overwinning, maar de list is een teken van de nieuwe ontwikkelingen. De voorafgaande fase was, zoals Lievegoed het noemt, die der gewaarwordingsziel, de nieuwe is die der verstandsziel. De bewoners van Troje doorzien de list niet. Even zijn ze wantrouwend, maar ze beoordelen het paard slechts op het uiterlijk: groot en onschuldig. Odysseus is de eerste die zijn verstand op deze wijze creatief gebruikt. Daardoor is ook een list of leugen mogelijk geworden. Men gaat inzien dat de werkelijkheid zich anders aan de mens kan voordoen dan zij in feite is. De beschrijving van de overgang van gewaarwordingsziel naar verstandsziel heeft de Odyssee tot een tijdloos boek gemaakt. Het vormt een mijlpaal in de ontwikkelingsgeschiedenis van de mens. Door de eeuwen heen is het gewaardeerd en het is een deel geworden van onze cultuur.

De nieuwe ontwikkelingsfase, waarin de verstandszielemens heerst, loopt volgens Lievegoed door tot de vijftiende eeuw. De Parzival is een voorbode van de daaropvolgende ontwikkelingsfase, die der bewustzijnsziel, en is zijn tijd dus driehonderd jaar vooruit. Tussen 1200 en 1500 is de verstandszielemens op zijn hoogtepunt. Wat houdt de eigen manier van denken en doen in die fase precies in? Men reageert niet meer spontaan en primair, maar ontwikkelt het abstracte denken. Onder invloed van de Arabieren, die de klassieken kennen en bewerken, krijgt het intellect meer aandacht. De werkelijkheid wordt niet meer als zodanig beschouwd, maar via voorstellingen erover. Men stelt dogma’s tegenover elkaar en discussieert daarover, bijvoorbeeld in de vorm van een ‘disputatio’, waarbij de opponenten van rol wisselen. Men probeert uit te vinden wat waar is, wat juist en wat fout is. Argumenteren is van groot belang, maar men mag de heersende dogma’s, die immers waar zijn, niet afvallen. Dus in het denken is men niet vrij. Non-conformisten worden gestraft. Vanaf 1200 teistert de inquisitie vooral Frankrijk. Het is ook de tijd van de grote verstandszielemensen als Albertus Magnus en Thomas van Aquino.

Zoals gezegd, kondigt de Parzival een nieuwe ontwikkelingsfase aan, die van de bewustzijnszielemens.

Biografie
Ieder individu, zo zegt Lievegoed, maakt in zijn biografie de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid door. Oudere fases dan die waarin iemand zich in een bepaalde tijd bevindt, worden als het ware eigenschappen die ontwikkeld kunnen worden. Daarom is het bijvoorbeeld mogelijk een kind tot op zeker niveau waarnemen en abstract denken te leren. Hij licht dit aan de hand van het volgende toe:

Gawan is vanaf zijn vierde jaar aan het hof van Artus, de Duitse benaming voor Arthur, die de broer is van zijn moeder, en krijgt daar een goede opvoeding. Hij is dé vertegenwoordiger en exponent van de cultuur van dat moment: de modelridder. Hij weet precies hoe hij zich moet gedragen en wat hij moet denken, hij weet met vrouwen om te gaan en is erudiet. Met de riddercode kan Gawan de werkelijkheid aan. Hij denkt en handelt altijd volgens het hoofse ideaal. Hij wordt echter van een lage moord beschuldigd. Dit is een nieuwe ervaring voor Gawan, het begin van een veranderingsproces. Uiteraard wil hij in een duel zijn gelijk bewijzen. Op weg daarnaartoe komt hij langs een belegerde burcht. Wegens zijn belofte het duel aan te gaan en zijn naam van blaam te zuiveren, houdt hij zich afzijdig van de strijd. De oudste dochter van de koning bespot hem en twijfelt aan zijn stand: ridder of koopman. Voor het eerst twijfelt iemand aan zijn maatschappelijke status, maar tegelijk stelt iemand anders, namelijk de jongste, twaalfjarige dochter Obilotte, alle vertrouwen in hem als
persoon en vraagt hem in haar naam te strijden. Gawan wijkt van zijn gedragscode af. Daarmee helpt hij weliswaar een vrouw, of liever gezegd een jong meisje van ongeveer twaalf jaar, in nood, maar hij doet dat ook voor zichzelf. Als hij de strijd in zijn voordeel en dat van de burcht heeft afgesloten, is hij edelmoedig tegenover de oudste dochter. Op het aanzoek van Obilotte gaat hij niet in: zij is nog veel te jong. Hij trekt verder en bereikt een andere burcht, waar hij uitstekend wordt ontvangen. Antikonie houdt hem aangenaam gezelschap. De burchtbewoners herkennen in hem de vermeende moordenaar van hun koning, de vader van Antikonie. In strijd met het gastrecht vallen ze hem aan. Hij en Antikonie verschansen zich in haar hoogste torenkamer en verdedigen zich met behulp van een schaakbord en -stukken. Net op tijd wordt hij ontzet. Ter compensatie voor het uitstellen van het duel moet hij de graal zoeken. Het aanzoek van Antikonie wijst hij af, omdat hij nog verder moet. Onderweg ontmoet hij Orgeluse, voor wie hij onmiddellijk in vuur en vlam staat. Zij
behandelt hem lomp, scheldt hem uit en bespot hem. Bovendien geeft ze hem steeds weer zware opdrachten, waarbij hij telkenmale bijna zijn leven verliest. Pas als hij de vierhonderd jonkvrouwen uit het ‘Schastel Merveile’ heeft bevrijd en een krans heeft bemachtigd, houdt Orgeluse op hen te beproeven. Ze bekent dan, dat ze doodsangsten heeft uitgestaan, maar dat ze hem de beproevingen moest opleggen. Gawan moest zijn ziele-ontwikkeling doormaken door ontmoetingen.

In het eerste avontuur wordt de gewaarwordingsziel in kinderlijke vorm uitgebeeld. Obilotte heeft meteen vertrouwen in Gawan. Zij vertegenwoordigt de gewaarwordingsziel. De liefde is kinderlijk en rein. In het tweede avontuur wordt de verstandsziel uitgebeeld. De hoogste kamer in de toren is op te vatten als de sfeer van het denkende hoofd. Een vrouw met een schaakspel is het beeld bij uitstek van de verstandsziel. In dit avontuur is er bovendien sprake van verraad. Gawan wijst Antikonie, die ongeveer dertig jaar zal zijn, af omdat hij verder moet. Hij begint te zien en te begrijpen. In het derde avontuur staan de beproevingen en de slechte behandeling centraal. Steeds weer moet Gawan zich met moed en tegenwoordigheid van geest redden uit levensgevaarlijke situaties. Orgeluse is een vrouw van rond de veertig jaar. Uit liefde voor haar houdt hij vol. Hij zet zich niet in als ridder, maar als Gawan. Hij beziet de werkelijkheid niet vanuit zijn ridderscode. Hij neemt zelf een standpunt in tegenover de code en zijn gedrag. Hii gooit als het ware zijn ‘ik’ in de strijd.
Daarmee is het wezen van de bewustzijnszielemens aangegeven. Deze neemt zelf een standpunt in en neemt een beslissing. Hij wordt geplaatst voor situaties die hij wellicht niet overziet, maar waar hij handelend mee om moet gaan. Moed en tegenwoordigheid van geest zijn nodig om die situaties aan te kunnen. Twijfel aan dogma’s en ideeën is daartoe een voorwaarde. (Het tweede woord van de proloog is ‘zwïfel’ (twijfel)! Een proloog neemt in de middeleeuwen een belangrijke plaats in in een boek.) De bewustzijnszielemens vergelijkt niet meer ideeën met elkaar, maar neemt zelf stelling tegenover die ideeën. De mens brengt zichzelf in de discussie in en draagt de verantwoordelijkheid daarvoor. De leeftijden komen ongeveer overeen met de overgangen in de moderne mens van de ene fase naar de andere, zo stelt Lievegoed.

Verschillende wegen
Gawan en Parzival gaan ieder een eigen ontwikkelingsweg. Gawan volgt de uiterlijke weg, de weg naar buiten. Hij ontwikkelt zich in het sociale leven, aan de ontmoetingen met vrouwen. Twijfel aan zijn persoon ervaart hij als kwetsend. Wanneer hij met Orgeluse is gehuwd, laat hij de zieleproblemen achter zich. Hij heeft in de beproevingen die hem door Orgeluse werden opgelegd,
bewustzijnszielekrachten veroverd. Hij eindigt zijn ontwikkeling waar Parzival is begonnen. Gawan heeft de Graal niet echt gezocht.

Parzival, die overal is geweest waar Gawan komt, heeft niets met de avonturen van Gawan te maken. Die behoren niet tot zijn ontwikkelingsweg. Na zijn wereldlijke opvoeding door Gurnemanz is hij op de hoogte van de cultuur van zijn tijd. Hij kan als wereldlijk ridder Conwiramurs redden. Maar innerlijk is hij nog ontwetend. Zijn tweede opvoeding krijgt hij op een andere manier: de graalweg. De graalburcht ligt verborgen in een bos waarin iedereen verdwaalt. Alleen diegenen die rijp zijn om de graal te beleven, kunnen hem vinden. Parzival komt ’s avonds bij de burcht en vertrekt ’s morgens. Hij beleeft die nacht het graalavontuur. De hele graalburcht is een nachtbeleven. Is het droom of werkelijkheid? De graalburcht, een objectieve innerlijke beleving. Parzival gaat die innerlijke weg, de weg van de geest. Hij ontwikkelt zich van dwaas tot ingewijde, niet aan de ontmoetingen in het sociale leven, maar aan innerlijke probleemstellingen: wat is het wezen van de graal? Wat betekent het dat Anfortas ziek is? Enzovoort.
Lievegoed bewondert Wolfram omdat deze de twee geschetste ontwikkelingslijnen in een uitgekiende compositie heeft uitgebeeld. Het resultaat hiervan is, dat duidelijk wordt dat Gawan en Parzival twee gelijktijdig optredende aspecten van één ontwikkelingsweg zijn, namelijk het ziels- en het geestesaspect. Gawan en Parzival vertrekken tegelijk van het hof, ze zijn praktisch op hetzelfde moment bij verschillende burchten. Ze komen tenslotte weer samen: buiten het hof, als onbekenden. Ze strijden. Wanneer Parzival dreigt te winnen, waarschuwt een schildknaap Gawan. Parzival maakt zich ook bekend. Ze staken de strijd en verzoenen zich uiteraard. ‘Ik heb miizélf verslagen’, zo zegt Parzival dan. En Gawan zegt: ‘Jouw hand heeft ons beiden verslagen.’

Wat mij niet helemaal duidelijk is geworden tijdens het gesprek is de verhouding tussen de ontwikkelingsfasen en het soort problemen waarmee men te maken krijgt. Volgen zij elkaar in de individuele, moderne mens op, overeenkomstig de genoemde leeftijden? En: kent iedere fase haar eigen problemen of loopt het onderscheid ziele- en geestesproblemen niet parallel aan de ontwikkelingsweg? Wellicht worden geestesproblemen in de verstandszielefase of in de vroege bewustzijns-zielefase ‘vertaald’ als zieleproblemen. Een dertigjarige denkt aan stress te lijden omdat hij ruzie heeft met zijn vrouw, maar in werkelijkheid twijfelt hij aan de zin van zijn bestaan. Voor een antwoord op deze vragen verwees Lievegoed me naar zijn boek De levensloop van de mens.

Het is volgens Lievegoed eigen aan de bewustzijnszielemens zich met morele zaken bezig te houden. Niet: is iets juist of fout, maar wat is het Goede of het Slechte. Daarin schuilt de basis voor de eigen verantwoordelijkheid. Dergelijke vragen worden tegenwoordig gesteld, bijvoorbeeld in de euthanasiekwestie. Deze stap, namelijk die van persoonlijke stellingname tot morele standpuntbepaling, kan in de Parzival mijns inziens niet los worden gezien van het graalmotief Parzival staat twee keer voor de keuze: Artus of Anfortas, uiterlijk of innerlijk. De eerste keer kiest Parzival (onbewust) voor het uiterlijk, namelijk voor Artus. Deze misstap maakt hii later goed door toch de graalweg te volgen. dit betekent dat het niet eigen is aan de bewustzijnszielemens om zich moreel in dogmata op te stellen (zo hoort het), maar wel om via een persoonlijke stellingname uiteindelijk, als hij zich ook innerlijk en ethisch ontwikkelt, op morele vragen uit te komen (hoort het wel zo?).

Inzicht
Lievegoed ziet in de Parzival een aanwijzing voor de moderne mens. De Parzival geeft geen eenduidige oplossingen, maar kan inzicht geven in de problematiek van de moderne mens. Gewelddaden, zoals de moord op de directeur van Renault, worden gepleegd om sociaal iets te bereiken. Als de moderne mens, de mens van de twintigste en eenentwintigste eeuw, niet een moreel standpunt zal nastreven dan zullen wij een strijd van allen tegen allen krijgen. Wij moeten leren het goede te doen vanuit een persoonlijk inzicht.

Ieder, zo zegt Lievegoed, heeft een lotsbestemming en is in het bezit van mogelijkheden of talenten. Ieder heeft de taak deze talenten als uitgangspunten te ontwikkelen. Indien men niet overeenkomstig zijn talenten handelt, dan raakt de lotsbestemming gefrustreerd, het ‘karma’ raakt in de war, men is ziek. Dit is Anfortas overkomen. Hij was voorbestemd graalkoning te worden, iemand die anderen te allen tijde onzelfzuchtig moet helpen. Eén keer kwam hij een vrouw, Orgeluse, niet onzelfzuchtig te hulp, maar uit begeerte. Hij raakte gewond aan zijn genitaalstreek. De ziekte treft hem in het kwetsbare deel van zijn persoonlijkheid. De Parzival leert dat een ander een zieke kan helpen. Niet via de bekende geneeswijzen, maar door het stellen van een vraag die een nieuw proces op gang kan brengen. Niet het antwoord, maar de vraag is het belangrijkste. Zij is de sleutel tot genezing, want zij getuigt van het juiste inzicht in de problematiek. De vraag was: ‘Oom, waz wir-ret dir?’, wat is er met jou, is jouw karma in de war? Parzival doorziet dat Anfortas niet gewoon ziek is, maar zijn geestelijke taak tekort heeft gedaan. In de moderne tijd is van ieder van ons het karma in de war. Allemaal hebben we het gevoel dat we niet datgene doen wat we zouden moeten kunnen. We leven beneden onze standaard. Pas als men tot een dergelijk inzicht is gekomen bij zichzelf, kan men werkelijk een eigen standpunt innemen en verantwoordelijkheid dragen voor het handelen dat daarop is gebaseerd. Dan pas is men een echte bewustzienszielemens: bevrijd van het eigen karma. Men heeft dan zoveel inzicht in het eigen kunnen en functioneren, dat men echte keuzes kan maken. Het proces van het herkennen van zowel de eigen problemen als de eigen mogelijkheden kan dus door een ander door middel van een vraag in werking worden gezet. Wellicht ook door een boek: de Parzival.

Kwaad en goed
Lievegoed heeft in zijn praktijk onder meer dit boek gebruikt als een hulpmiddel bij therapieën die zijn gericht op geestesproblemen. De beelden uit de Parzival kunnen duidelijk maken dat men een specifieke geestesproblematiek doormaakt en kunnen bovendien bij dragen aan de verheldering daarvan. Meer in het algemeen kan men zeggen dat beelden objectiverend werken, wat een van de redenen is dat ook psychologen als Jung en Assagioli er in hun praktijk gebruik van maakten. Afgezien van de rijkdom aan beelden die de Parzival bezit, kan het boek bij dragen aan het inzicht dat iedereen, vroeg of laat, dezelfde ontwikkeling doormaakt en moet doormaken.

Verder illustreert de Parzival dat uit het kwade het goede kan voortkomen. Lievegoed citeert in dit verband een middeleeuwse spreuk: ‘Es ist das königliche Recht des Bösen, dass es immer das Gute gebirt’. In de verstandszielefase mocht men geen verkeerde gedachte hebben. De brandstapel kon het gevolg zijn. Vandaar de strijd om definities van de feiten. Nu mag men wel andere gedachten hebben dan alleen de gangbare. Het gaat nu om andere dingen, om morele zaken. Als je verkeerd heb gehandeld, dan is dat nog goed te maken. Parzival bijvoorbeeld, behandelt Ieschute, wanneer hij haar voor het eerst ziet, niet erg ridderlijk, eigenlijk onheus. Haar echtgenoot, Orilus, komt later thuis, vertrouwt haar en haar relaas van de gebeurtenissen niet en behandelt haar slecht. Bij de tweede ontmoeting is Orilus ook aanwezig. Parzival verslaat hem en stuurt hem naar het hof van Arthur. Zonder de eerste wandaad en het goedmaken daarvan zou Orilus nooit tot het hof van Arthur, het culturele centrum van de wereld, zijn toegelaten. Je kunt alleen het goede doen als je kwadc kent. Zo is de graalweg het beeld voor de ontwakende nachtmens. In de middeleeuwen was het verschil tussen de dag- en nachtwereld veel kleiner, de nachtwereld was net zo reëel als onze dagwereld. Onze nachtwereld is: wat heb ik vannach gedroomd. Maar het nachtleven is geen subjectieve flauwekul. Het moet wakker worden in de
bewustzijnszielemens. Wij mogen niet meer slaper ons nachtbewustzijn moet zo worden, dat we daarin een stuk van onze ontwikkeling kunnen gaan.

Dit brengt mij weer bij de oorspronkelijke vraagstelling: past de Parzival in de huidige belangstellingssfeer? Het lijkt mij van wel. Hij biedt een vluchtweg, maar hij kan de eventuele vluchteling wellicht ook weer in de huidige tijd terugbrengen.
Lievegoed vindt dat het boek een cultuurvormende taak heeft: het geeft een dieper inzicht in de centrale problemen van deze tijd.

Het moge duidelijk zijn dat het boek zoveel mooie en diepe beelden bevat dat iedereen er wel iets van zijn gading in kan vinden.
Laffrée, Beuger en de schrijver van het heldere en informatieve voorwoord, professor Van der Lee, zeggen het respectievelijk als volgt: ‘De vertelling zelf is een graalschaal: onuitputtelijk stromen daaruit ideeën ei inspiraties. Daarom is zij (…) van alle tijden’; ‘Deze hele vertaling is erop gericht de lezer zélf het boek, schoon en duister als het is, te laten ontdekken’ en ‘Om de plaats van Wolframs Parzival in de geschiedenis van de westerse cultuur te bepalen is tot op heden nog niet gelukt. (…) Men heeft hem wel een voorloper van Luther genoemd, vergeleken met de Faust-figuur van Goethe. Maar zulks kan het poly-interpretabele werk van de dichter meer schaden dan baten, het doet deze hoofse-ridderroman onrecht (_).’

Peter de Beer, Jonas *10, 09-01-1987

[1] L.Beuger ‘Parzival’

 

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [2]   [3]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival

11e klas – Parcival: over de 3 bloeddruppels in de sneeuw

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

1045

 

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (2-4)

.

Vervolg van ‘menskunde en pedagogie 2-12-1/22-2; 2-3

(voor een begrip van het onderstaande is lezen van het bovenstaande zeer aan te raden)

Aan de ontwikkeling van het kind rond de overgang kleuter – schoolkind zijn opvallende gedragsveranderingen waarneembaar.

Ik wijs nogmaals op het uitstekende artikel van arts Aart van der Stel over  ‘schoolrijpheid’

In 1907 verschijnt Steiners ‘De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’. (te vinden in GA 34) [1]

Dat is meer dan  100 jaar geleden! Dit feit is voor sommigen identiek aan ‘achterhaald’.
Wie echter het jaartal van verschijnen even opzij zet en zich met de inhoud bezig houdt, zoals hier o.a. gebeurt, kan niet anders dan de conclusie trekken dat de inhoud ‘van deze tijd’ is; sterker nog: over 100 jaar nog niet ‘verouderd’ is: er is hier sprake van menskundige inzichten, beschrijvingen van de mens die voorlopig niet zullen veranderen.

Wie de vorige artikelen bestudeerd heeft, zal geen moeite meer hebben met Steiners opmerkingen:

‘Diesen Äther- oder Lebensleib hat der Mensch mit Pflanzen und Tieren gemeinsam. Er bewirkt, daß die Stoffe und Kräfte des physischen Leibes sich zu den Erscheinungen des Wachs­tums, der Fortpflanzung, der inneren Bewegung der Säfte usw. gestalten. Er ist also der Erbauer und Bildner des physischen Leibes, dessen Bewohner und Architekt.( )
Das dritte Glied der menschlichen Wesenheit ist der soge­nannte Empfindungs- oder Astralleib. Er ist der Träger von Schmerz und Lust, von Trieb, Begierde und Leidenschaft usw. Alles dies hat ein Wesen nicht, welches bloß aus physischem Leib und Ätherleib besteht. Man kann alles das Genannte zusammenfassen unter dem Ausdrucke : Empfindung.’ 

‘Dit ether- of levenslichaam* heeft de mens met planten en dieren gemeen. Het bewerkstelligt, dat de stoffen en krachten van het fysieke lichaam zo tot een orga­nisch geheel gevormd worden, dat de verschijnselen van groei, voortplanting, inwendige vloeistofbeweging enzovoort optreden. Het etherlichaam bouwt dus het fysieke lichaam op en geeft het zijn plastische vorm, het is zijn bewoner en tevens zijn architect. ( )
Het derde complex van werkingen, dat van de twee voorafgaande ‘lichamen’ onderscheiden moet worden, is het zogenaamde gewaarwordings-of astrale lichaam. Het is de drager van pijn en welbehagen, van driften, begeerte, hartstochten enzovoort. Dit alles ontbreekt bij een wezen, dat slechts uit een fysiek en een ethe­risch lichaam bestaat. Men kan alles wat hier genoemd wordt als behorend tot het astrale complex samenvatten met het woord: gewaarwording.’

‘Sein Äther- oder Lebensleib ist lediglich der Träger der lebendigen Bildungskräfte, des Wachstums und der Fortpflanzung. Sein Empfindungsleib drückt nur solche Triebe, Begierden und Leidenschaften aus, welche durch die äußere Natur angeregt werden.’ 

‘Zijn ether- of levenslichaam is enkel en alleen nog maar de drager van de vitale vormkrachten, van groei en voortplanting. Zijn gewaarwordingslichaam brengt slechts zulke driften, begeerten en hartstochten tot uiting, die door de buitenwereld worden opgewekt.’

Nun hat der Mensch ein viertes Glied seiner Wesenheit, das er nicht mit anderen Erdenwesen teilt. Dieses ist der Träger des menschlichen «Ich». Das Wörtchen «Ich», wie es zum Bei­spiel in der deutschen Sprache angewendet wird, ist ein Name, der sich von allen anderen Namen unterscheidet. Wer über die Natur dieses Namens in zutreffender Weise nachdenkt, der er­öffnet sich damit zugleich den Zugang zur Erkenntnis der menschlichen Natur. Jeden anderen Namen können alle Men­schen in der gleichen Art auf das ihm entsprechende Ding an­wenden. Den Tisch kann jeder «Tisch», den Stuhl ein jeder «Stuhl» nennen. Bei dem Namen «Ich»ist dies nicht der Fall. Es kann ihn keiner anwenden zur Bezeichnung eines anderen; jeder kann nur sich selbst «Ich» nennen. Niemals kann der Name «Ich» an mein Ohr klingen als Bezeichnung für mich. Indem der Mensch sich als «Ich» bezeichnet, muß er in sich selbst sich benennen. Ein Wesen, das zu sich «Ich» sagen kann, ist eine Welt für sich. ( ) 

Dieser «Ich-Leib» ist der Träger der höheren Menschenseele.’

‘Nu is er in de opklimmende reeks geledingen van ’s mensen natuur nog een vierde lid te onderscheiden, dat hij met andere aardse wezens niet gemeen heeft. Dit is de drager van het menselijke ‘ik’. Het woordje ‘ik’ is in onze taal een benaming, die zich van alle andere naamwoorden onderscheidt. Wie over de aard van dit woord nadenkt, zo, dat hij het wezen van de zaak raakt, die verschaft zich daarmee tegelijkertijd een toegang tot dieper inzicht in de menselijke natuur. Ieder ander naamwoord kan door alle mensen op precies dezelfde wijze gebruikt worden om er een overeenkomstig ding mee aan te duiden. Een tafel kan iedereen tafel, een stoel, stoel noemen. Bij het naamwoord ‘ik’ is dat niet het geval. Niemand kan dat woordje gebruiken om er een ander mee aan te dui­den; ieder kan slechts zichzelf met ‘ik’ aanspreken. Nooit kan mij het voornaamwoord ‘ik’ in de oren klinken als een aanduiding van mij. Door het feit, dat de mens ‘ik’ zegt, alleen met betrekking tot zichzelf, moet hij in zichzelf zich deze naam geven. Een wezen, dat dit innerlijk ‘ik’-woord uitspreken kan, is een we­reld op zichzelf.

De drager van het hier beschreven vermogen is het ‘ik-lichaam’,* het vier­de lid in de totale geleding van het mensenwezen.’
GA 34/315 e.v.

ETHERLIJF IS VOORAL ‘NATUUR’
Tot nog toe is er eigenlijk alleen sprake geweest van een ‘natuurlijke’ ontwikkeling. Dat is niet verwonderlijk: spreken over etherlijf is in hoge mate spreken over de meer stoffelijke kant van het bestaan; over erfelijkheid, groei en lichamelijke ontwikkeling.

IK: GEEN NATUUR
Maar tegelijkertijd is daar ook het Ik van het kind – je bent bijna geneigd te zeggen: het wezen van het kind. Langzaam maar zeker neemt dit Ik bezit van het lichaam waarin het ‘wonen’ kan. En omdat bij ‘Ik’ ‘wakkerheid’ hoort, zie je dan ook dat het kind steeds iets minder slaap nodig heeft, terwijl tegelijkertijd steeds iets meer van het ‘Ik’ zichtbaar wordt, tevoorschijn komt.

Tot het ogenblik dat het kind het woordje ‘Ik’ op zichzelf gaat betrekken.

NEE!!! IKKE ZELF DOEN!!!!
Dat is meestal in de buurt van het 3e jaar. In de ontwikkelingspsychologie leerde ik al dat dit de ‘koppigheidsfase’ is. Het kind gaat ook ‘nee’ zeggen. Voor de ouder of opvoeder buitengewoon lastig. Wil jij rechtsaf: het kind links. ‘Ikke kom niet!’

‘Ik’ kunnen zeggen, houdt volgens mij in, dat je eigenlijk uitdrukking geeft aan het feit dat je beleeft: ‘ik ben hier’ en daar is de rest. Opgaan in die rest is het opgaan van je persoonlijkheid in die rest: dat is geen onderscheid. Je onderscheiden is juist: niet opgaan in het geheel. Als dat vermogen nog maar net ontstaan is, kun je niet verwachten dat je hiermee meteen coöperatief in de wereld staat (dat duurt nog heel lang, voor we dat kunnen: dat we bewust onze ik-kwaliteiten voor het geheel inzetten).

Ergo: voor een ‘ja’ (voor ‘in het geheel) is het veel te vroeg. Er blijft niets anders over dan: ‘nee’ en ‘ikke zelf doen’.

FEEST
Het mag dan lastig zijn voor jou als ouder, maar eigenlijk is het een feestogenblik: ‘mijn kind is een ‘Ik’.

HERINNERINGEN
Meestal zijn er van vóór de tijd van het Ik-zeggen geen herinneringen. Vanaf die tijd kunnen mensen zich herinneren.

Dan zijn deze woorden van Steiner begrijpelijk:

‘Ein Mensch, dessen Ich noch nicht gearbeitet hat an seinem Lebensleib, hat keine Erinnerung an die Erlebnisse, die er macht. Er lebt sich so aus, wie es die Natur ihm eingepflanzt hat.

Een mens, wiens ‘ik’ nog niet aan zijn levenslichaam gewerkt heeft, be­houdt geen herinnering aan zijn belevenissen. Hij leeft slechts van moment tot moment, de drang volgend, die de natuur in hem heeft gelegd.
GA 34/315 e.v.

JONGE KIND NIET OP TE VOEDEN
En daarmee wordt weer begrijpelijk waarom het zeer jonge kind eigenlijk nog niet op te voeden is. Het is vooral een verzorgen, in die eerste jaren. En zonder dat we het ons al te bewust zijn, gehoorzamen we daarmee aan bepaalde ‘wetten’ van de natuur.

TIJD
Opvallend is echter, dat bijna alles gedicteerd lijkt te worden door de tijd. Om de zoveel tijd: drinken, slapen, wakker-zijn.

Ritme is het toverwoord.
Ik moest tijdens mijn studie nog leren: voor deze fase gelden de 3 of 4 ‘erren’: rust, ritme, regelmaat – reinheid werd er nog weleens aan toegevoegd

Maar wie ‘verloopt in de tijd’ zegt, zegt dus eigenlijk ‘etherlijf’. Vanuit een bepaalde optiek kan dit ook ons ’‘tijdlijf worden genoemd..

Tijd is ritme: dag/nacht; wakker/slapen; opbloei/vergaan enz. En wanneer we ons daarnaar gedragen, dan brengen we in ons gedrag dus iets naar buiten van wat in het etherlijf ligt besloten: daarmee is het o.a. eigenlijk de drager van de gewoonten, zoals al eerder beschreven.

INVLOED VAN HET IK
Als volwassene kunnen we goed begrijpen dat wanneer een bepaalde gewaarwording een begeerte naar iets oproept, we daar niet aan toe hoeven te geven. Ook al heb je nog zo’n trek in een lekkere koek, vooral wanneer je de baklucht daarvan ruikt, je hóeft hem niet te kopen. Je kunt aan die be-hoef-te weerstand bieden. A.h.w. heerser zijn over deze behoefte: je beheersen.

Dat is een activiteit van het Ik: je overlegt a.h.w. met jezelf en besluit geen koek te kopen. In zekere zin oefen je hiermee invloed uit op je ‘behoefte- je begeerteleven’.
Je kunt van ‘schranser’ ‘fijnproever’ worden.

IK EN TIJD
Je Ik staat dus in een zekere verhouding tot je gewaarwordingsziel en daarmee tot je etherlijf. Die verhouding is er ook bij het kinder-ik. Alleen is daar alles nog lang niet zo bewust – het ‘Ik’ is nog lang niet in zijn volle werkzaamheid aanwezig.

Wanneer we nu naar het aspect ‘tijd’ kijken, komt die verhouding tot uitdrukking in hoe het ‘Ik’ vooralsnog ingebed is in de tijdstroom van het etherlijf.

Tijd: verleden, heden, toekomst.
In de gewaarwordingsziel geeft de verbinding Ik-etherlijf een bepaalde stemming, een stemmingsgevoel. En dus ook een bepaald gedrag.

Steiner gaf deze stemmingen de namen uit de oudere temperamentenleer.

TIJD EN TEMPERAMENT
Wanneer het Ik in een bepaalde verhouding staat tot het verleden: melancholische stemming; tot de toekomst: cholerische stemming; tot het heden: (als een soort midden) naar de verleden kant: flegmatisch, naar de toekomstkant: sanguinisch.

Ik ben me ervan bewust dat het nog wel wat gecompliceerder is: de mens is geen eenvoudig te kennen wezen; maar om aan te geven dat het etherlijf ook de drager is van de temperamenten, geeft het wellicht houvast.

GEHEUGEN
Dat het etherlijf ook drager van het geheugen genoemd wordt, is daarmee misschien ook minder onbegrijpelijk. Het gaat bij het zich herinneren toch om ‘gisteren’.
Wat je daar meemaakte, deed, in je opnam enz.
Gewaarwordingen die tot waarneming zijn geworden door de wakkere aanwezigheid van het Ik.

Wanneer rond de tandenwisseling het etherlijf voor een deel vrij wordt van de werkzaamheden aan het fysieke lichaam, is het ook begrijpelijk dat het ‘leren’ nu mogelijk is geworden; naast het vele andere dat in het artikel ‘schoolrijpheid’ wordt genoemd.
Leren is dan: je dingen eigen maken, tot iets blijvends maken: weten, maar ook kunnen.

Als we de conclusie mogen trekken dat dit ‘blijvends’ samenhangt met het etherlijf die dit ‘blijvende’ draagt, dan wordt de vraag interessant of het uitmaakt hoe je iets leert en wanneer.

O.a. op dit gezichtspunt stoelt de vrijeschoolpedagogie.

Wanneer kleuters nog volop bezig zijn hun fysieke lichaam op te bouwen, moet je ‘de architect’ ongestoord zijn gang laten gaan; dus geen krachten weg nemen die pas bij de tandenwisseling vrijkomen.
Kleuters intellectueel werk laten doen, is hun de krachten ontnemen die eigenlijk nog aan de fysieke opbouw zouden moeten werken: dat heet: roofbouw.

Op grond van wat ik tot nog toe in de artikelen 2-1 t/m 2-4 naar voren heb gebracht, kan duidelijk worden waarom het vrijeschoolonderwijs steeds zal zoeken naar het ‘wanneer en hoe’.
De fantasiekracht als scheppende kracht (eigenlijk een soort etherische kracht) – en daarmee het beeld – worden daarmee wezenlijke opvoedkundige krachten; evenals het ritme (dagindeling, periodenonderwijs).

Hoe het kind zich als ‘tijdwezen’ gedraagt, laat iets zien van zijn temperamentswezen.

Maar als je het etherlijf met bepaalde maatregelen kunt ondersteunen – je sluit a.h.w. aan bij de natuur; kun je ook dingen doen die het etherlijf verzwakken (de roofbouw dus); hoe behoed je het kind ervoor ‘dat horen en zien hem vergaan’, m.a.w. aan hoeveel mechanisch geluid en beeld stellen we het bloot; welke voeding geven we, enz. enz.

Nur durch ein deutliches Bewußtsein davon, wie die einzel­nen Erziehungsmaßnahmen auf den jungen Menschen wirken, kann der Erzieher immer den richtigen Takt finden, um im ein­zelnen Falle das Richtige zu treffen.’ (GA 34)

‘Slechts door een duidelijk besef van de uitwerking, die elke opvoedingsmaatregel op het kind heeft, kan de opvoeder steeds de juiste tact vinden om in ieder afzonderlijk geval de goede maatregel te treffen.’
GA 34/315 e.v.
.

*Ik spreek liever over ‚lijf‘ dan over ‚lichaam‘, omdat ‚lichaam‘ zo fysiek aandoet, terwijl het gaat om een ‚krachtencomplex‘, een vermogen om….;
.

pieter ha witvliet
.

[1] De opvoeding van het kind

kind en etherlijfalle artikelen

Algemene menskundeetherijf    gewaarwordingsziel

Antroposofie een inspiratieetherlijf

menskunde en pedagogiealle artikelen

.

441-410

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (2-3)

.

Vervolg van ‘menskunde en pedagogie 2-1/; 2-1/1; 2-2

(voor een begrip van het onderstaande is lezen van het bovenstaande zeer aan te raden)

Na vele jaren ‘bezig’ te zijn geweest met antroposofische gezichtspunten over o.a. ‘het’ leven, ben ik er zeker van dat het voor mij niet mogelijk is ‘alles’ te doorgronden. Om uit helderziende waarnemingen tot dezelfde conclusies te moeten komen als Steiner, ontbreekt het aan ‘zekere vermogens’.

Steiner:
‘Man braucht gewisse Fähigkeiten, um die Dinge, um die es sich handelt, aufzufinden: werden sie aber, nachdem sie aufgefunden sind, mitgeteilt, dann kann jeder Mensch sie verstehen, der unbefangene Logik und gesundes Wahrheitsgefühl anwenden will.’

‘Je hebt bepaalde vermogens nodig om de dingen waar het om gaat te ontdekken; maar als ze, wanneer ze ontdekt zijn, worden medegedeeld, dan kan ieder mens ze begrijpen, als hij maar onbevangen logisch nadenkt en op zijn gezond waarnemingsgevoel afgaat.
GA 9/20
Vertaald/21

Dat ‘willen begrijpen’ – hier van ‘het’ etherlijf – vindt zijn weergave in de vorige bijdragen en in de artikelen op mijn blog: ‘antroposofie, een inspiratie’.

7-jaars ritme

Als vrijeschoolleerkracht die zich verdiept in de achtergronden van dit onderwijs, kun je niet om de zg. 7-jaarsfasen heen.

Dat die door ‘de’ wetenschap nauwelijks gezien worden, is nog geen bewijs voor de niet-realiteit ervan.

‘Was in gegenwärtiger Zeit oft die «alleinige» Wissenschaft genannt wird, kann für dieses Ziel oft sogar eher hinderlich als fördernd sein. Denn diese Wissenschaft läßt naturgemäß nur dasjenige als «wirklich» gelten, was den gewöhnlichen Sinnen zugänglich ist. Und so groß auch ihre Verdienste um die Erkenntnis dieser Wirklichkeit sind: sie schafft, wenn sie, was für ihre Wissenschaft notwendig und segenbringend ist, für alles menschliche Wissen als maßgebend erklärt, zugleich eine Fülle von Vorurteilen, die den Zugang zu höheren Wirklichkeiten verschließen.’ [2]

Wat tegenwoordig veelal de ‘enig ware’ wetenschap wordt genoemd, kan voor dit doel vaak zelfs eer­der belemmerend dan bevorderlijk zijn. Want voor deze
weten­schap geldt overeenkomstig haar aard alleen datgene als ‘werke­lijk’ wat voor de gewone zintuigen toegankelijk is. En hoe groot haar verdiensten voor de kennis van deze werkelijkheid ook zijn: zij schept als ze datgene wat voor haar doel noodzakelijk en zegenrijk is tot norm verheft voor al het menselijk weten, tegelijkertijd een massa voorooordelen die de toegang tot de hogere werkelijkheifd afsluiten.
GA 9/19
Vertaald/21

‘Weegschaal wetenschap’

In deze beschouwingen gaat het over ‘het’ etherlijf van het zich ontwikkelende kind vanaf de geboorte.
Groei en slaap. De etherkrachten als groeikrachten.
De etherkrachten sterk werkend in het fysieke, daaraan bouwend en vormend. Vanaf de conceptie.

‘Der auf das Gehirn, als seinen Mittelpunkt, hingeordnete mineralische Bau entsteht durch Fortpflanzung und erhält seine ausgebildete Gestalt durch Wachstum’ .

‘De op de hersenen – als middelpunt – gerichte minerale opbouw komt tot stand door voortplanting en verkrijgt zijn uiteindelijke gestalte door opgroeien.’
GA 9/34
Vertaald/36

‘Die Kräfte die einen Eichbaum gestalten, müssen wir auf dem Umwege durch den Keim in Mutter-und Vaterpflanze suchen. Die Form der Eiche erhält sich bei der Fortpflanzung von den Vorfahren zu den Nachkommen. Es gibt innere, dem Lebenden angeborene Bedingungen.
Die Form des Lebenden pflanzt sich durch Vererbung fort. 
Wie ein lebendes Wesen sich entwickelt, hängt davon ab, aus welchem Vater-oder Mutterwesen es entstanden ist, oder mit anderen Worten, welcher Art es angehört.’ 

‘De krachten waardoor een eik wordt gevormd, moeten we langseen omweg zoeken via de kiem in de moeder- en vaderplant. En de vorm van de eik blijft bewaard bij deze reeks van voortplantingen. Er bestaan innerlijke voorwaarden welke alles wat leeft aangeboren zijn. ( ) De wijze waarop een levend wezen zich ontwikkelt, is afhankelijk van de ouders uit wie het is voortgekomen. Of met andere woorden, van de soort waartoe het behoort.’
GA 9/34
Vertaald/36

‘Jeder Lebensleib ist eine Wiederholung seines Vorfahren. Nur weil er dieses ist, erscheint er nicht in jeder beliebigen Gestalt, sondern in derjenigen, die ihm vererbt ist. Die Kräfte die meine Menschengestalt möglich gemacht haben lagen in meinen Vorfahren.

‘Ieder levenslijf vormt een herhaling van zijn voorgangers. Alleen omdat dit zo is, doet het zich niet in iedere willekeurige gestalte voor, maar in degene die het geërfd heeft. De krachten die mijn menselijke gestalte mogelijk gemaakt hebben, lagen in mijn voorouders.’
GA 9/68
Vertaald/71

Ziel
Van de ziel heb ik hier tot nog toe gezegd dat het een vermogen is om de buitenwereld tot binnenwereld, tot eigen aangelegenheid te maken. Maar er is meer. Vanuit onze binnenwereld reageren we ook naar de buitenwereld toe; kortom we ‘gedragen’ ons – we vertonen gedrag.

Worden we de harde knal gewaar en we schrikken, dan kan deze schrik ‘ons om het hart slaan’, – dat is nog in ons – vervolgens worden we lijkwit,- dat is al buitenkant – om daarna in elkaar te duiken – dat is zichtbaar gedrag.

De hond van onze vrienden gaat er steevast vandoor, wanneer ergens een harde knal klinkt.

Dan is er de hond van Pavlov:

Uit het experiment kan de conclusie worden getrokken dat een gewaarwording  leidt tot een reactie in het ethergebied.

Dat had ik al eerder vastgesteld, maar hier is sprake van een blijvend gedrag: de conditionering, maar je kunt ook zeggen: een bepaalde vorm van gewoonte. Als iets een gewoonte is (geworden) dan zul je ook de neiging hebben zo te reageren. En wanneer deze uiteindelijk deel van het etherlijf zijn geworden, komen ze ook in de stroom van de erfelijkheid.

De blinde grottenvis kon ooit zien, maar door in het donker terecht te komen, kregen de ogen geen lichtprikkels meer. Ze raakten a.h.w. overbodig en maakten op zeker ogenblik geen deel meer uit van de over te erven eigenschappen.

Aan het verschijnsel dat de baby begint te huilen, wanneer deze honger heeft, is af te lezen hoe de interactie tussen etherlijf: honger en gewaarwordingsziel: hongergevoel = onlust, is.

Je zou bijna zeggen: het etherlijf is hier verantwoordelijk voor het huilen, voor dit huilgedrag. A.h.w. ‘de drager’ van dit gedrag. Het driftmatige, het begeerte-achtige, zich intensiverend naar het affectieve, wordt gedragen door het etherlijf.

‘De drager van’ komen we als karakterisering van het etherlijf tegen. Maar – de mens is een gecompliceerd wezen – er is (veel) meer.

Steiner noemt het etherlijf ook ‘vormkrachtenlijf’,  ‘de architect van de opbouw’. (der ‘Plastiker’ – die boetseert, hij spreekt over de plastische krachten van het vormkrachtenlijf.

De groei: verdubbeling van het gewicht, maar ook de verdere structurering van de organen.
Nu is het interessant dat rond het 7e jaar de organen vrijwel ‘klaar’ zijn.

‘De longen hebben hun gestrekte vorm gekregen met de uitbreiding van de longkwab naar opzij.
Ook de beginvorm van de borstkas is zo ver omgevormd, dat deze nu te vergelijken is met die van de volwassene.
Ook de nieren krijgen hun uiteindelijke vorm.
Aan de maag ontstaat de volledige uitgevormde holte.
Evenzo kun je aan andere organen een ingrijpende vormontwikkeling opmerken.
In de fysieke organen werken vorm veranderende krachten, d.w.z. plastisch vormende krachten in. Door deze komt het fysieke lichaam tot in zijn uiterlijke vormen en verhoudingen op een hoger plan van doorvormd zijn. [1]

‘In de hersenschedel, in vele delen van het centraal zenuwstelsel en in de zintuigen van het hoofd houdt bijna gelijktijdig de groei zowat volledig op. Dat is ook in de tijd dat de blijvende tanden aan het verschijnen zijn. De tanden kunnen als in hoge mate gemineraliseerde en in vaste vorm verstarde bouwsel de geschetste omvorming niet ondergaan. Bij hen treedt i.p.v. omvorming, nieuwe vorming op.[1]

Ook is er een bepaalde verhouding gekomen tussen hoofd, romp en ledematen. Het kind kan nu voor het eerst zijn (linker/rechter)arm over het midden van zijn hoofd leggen en zijn (rechter/linker) oor aanraken. Bij het groter worden hierna is het niet zo dat je bv. als volwassene nu ook op deze manier je andere schouder aan kan raken, je arm is in verhouding niet langer geworden, m.a.w. de verhouding blijft.

We zijn gaan spreken over het schoolkind, de schoolkindgestalte, i.t.t. ‘de kleuter’. Over ‘schoolrijpheid’*: kan het kind nu naar de 1e klas?; we vragen eigenlijk: kan het kind nu iets ‘gericht’ gaan leren.

‘In de ontwikkelingspsychologie werd vanuit verschillende kanten een ingrijpende verandering van het kinderlijke bewustzijn op de leeftijd van 7 jaar beschreven. Het meest uitgebreid en het meest veelzijdig heeft Piaget de overgang van het ‘aanschouwelijk-symbolische denken in het logisch-concrete denken’ beschreven. Nog bij het vijfjarige kind verdwijnen voorstellingen die het bij het bekijken van dingen vormt, weer zeer snel. Herinneringsvermogen van kinderen in de voor-schoolse leeftijd is nog erg labiel.’ [2]

Het is interessant dat hier sprake is van ‘herinneringsvermogen’. Hierboven is al verschillende keren sprake geweest van de ziel als vermogen om te verinnerlijken. Maar het ‘verinnerlijkte’ moet wel ‘ergens’ vastgehouden worden. Zouden we dat ook zó mogen zeggen: moet ‘ergens’ gedragen worden, zoals de conditionering en de neiging gedragen worden. Door het etherlijf!
Je iets kunnen herinneren is een proces dat niet eenvoudig te verklaren is. Wat me wel is opgevallen, is bv. dat je je iets sneller of makkelijker herinnert naarmate je wakkerder bent, frisser; dat je ’s avonds niet de naam van iemand weet, maar ’s morgens wel.
Wakkerheid is dus ook een voorwaarde om iets te kunnen onthouden. Wakkerheid is ‘aanwezigheid van het Ik’.

Het Ik is ‘geest’ en kan zich alleen manifesteren op basis van het fysiek/etherische. Dat laatste is ‘natuur’. Dat leidt toch min of meer zijn eigen leven – al kunnen wij het door wat we doen of nalaten positief dan wel negatief beïnvloeden.

Onder ‘normale’ omstandigheden zal het etherlijf dus aan het fysieke van het kind vóór het 7e jaar – de tandenwisseling- zo werken dat het deze fysieke gestalte zijn ( afsluitende) vorm geeft.
De plastisch-architectonische krachten zijn – na die afsluiting – niet meer op die intensive manier nodig bij de opbouw en afronding van de fysieke gestalte van baby naar schoolkind.
Wat gaan die krachten dan doen; wat gebeurt er met deze krachten?

Het kan nauwelijks verbazen dat het antwoord van Steiner is, dat ze ‘vrij’ komen, vrij worden van hun ‘opdracht’ aan het fysieke. Dat ze er ‘klaar’ mee zijn en nu voor ’iets anders’ nodig zijn.

Het etherlijf heeft, zoals we gezien hebben, zijn verbinding enerzijds met het fysieke lichaam, maar anderzijds met de gewaarwordingsziel. Het ligt voor de hand dat deze gewaarwordingsziel nu de ‘steun’ gaat krijgen van het etherlijf; of: de vrijkomende etherkrachten komen nu ter beschikking van de gewaarwordingsziel. Dat betekent eigenlijk: ‘meer’ gedrag: gedifferentieerder gedrag.

Het zal dus niet verbazen dat het etherlijf steeds meer de ‘drager’ wordt van………
Aan de ontwikkeling van het kind rond de overgang kleuter-schoolkind zijn opvallende gedragsveranderingen waarneembaar.

.

[1] Antropologische Grundlagen der Waldorfpädagogik, E.M.Kranich, blz 95/96
[2] idem, blz.97

*in dit artikel o.a. veel meer lichamelijke kenmerken

.

Pieter HA Witvliet

.

kind en etherlijfalle artikelen

Algemene menskundeetherijf    gewaarwordingsziel

Antroposofie een inspiratieetherlijf

menskunde en pedagogiealle artikelen

.

436-406

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (2-2)

.

Vervolg van ‘menskunde en pedagogie 2-1 en 2-1/2

(Voor een begrip van het onderstaande is lezen van het bovenstaande zeer aan te raden)

Vóór ik een uitstapje maakte naar de praktijk van het lesgeven, maakte ik deze opmerking:

Wanneer ik met aandacht waarneem, mij met het object verbindt, is het mogelijk dat ik ‘morgen’ het object nog als voorstelling kan oproepen, het weer voor me zien. Ik herinner het me. Bijna letterlijk: alsof ik ernaar kijk en het me opnieuw tot eigen aangelegenheid maak.
Dat met ‘aandacht waarnemen’ is mijn activiteit: IK neem waar! Van wat ‘gewaarwording’ zou blijven, vluchtig aan me voorbij zou gaan, maak ik, met mijn aandacht, een waarneming. Morgen is deze waarneming – een voorstellingsbeeld van het waargenomene: een herinnering en is daarmee deel geworden van ‘de inhoud van mijn geheugen’. Ik hoef het niet opnieuw ‘in het echt’ waar te nemen; de inhoud* is er. Overdag kan ik erover beschikken; uit mijn geheugen wakker roepen, oproepen. ’s Nachts gaat het niet verloren. ’s Morgens verbind ik me er weer mee. Over de kwaliteit van het Ik in dit verband zegt Steiner:

‘Doch würde das Wissen von dem Gegenstande nur so lange dauern, als dieser gegenwärtig ist, wenn das Ich nicht das Wissen in sich aufnehmen und zu Besitztume machen würde.’ 

‘Toch zou het weten van het voorwerp slechts zo lang duren, als het aanwezig is, wanneer het ik dit weten niet in zich op zou nemen, en tot zijn bezit zou maken.’
GA13/65
Vertaald/37

Zo ‘duurt’ de waarneming in mij voort. Is in mij aanwezig.
De vraag voor ieder die er zich mee bezighoudt: waar is deze waarneming in mij dan aanwezig. In het geheugen? In mijn herinneringen? Maar waar zijn die gelokaliseerd? Of kun je of moet je dat niet vragen? Als ze ‘ergens’ op een vaste plaats zijn, waar dan? In de hersenen die als een soort ‘harde schijf’ worden beschouwd? Of, wanneer verschillende waarnemingen tot een groter geheel zijn geworden of verrijkt met andere ervaringen – kortom – wat we geleerd hebben – hebben we ‘het’ dan ‘onder de knie’ en waar is dat dan? Of als we iets uit ‘het hoofd’ weten, ‘van buiten kennen’, zit dat dan ook in het hoofd of in het hart, wanneer we de Engelsen volgen: learning by heart’. Ligt ‘het’ dan daar ‘opgeslagen’, want dat is de term die tegenwoordig vaak wordt gebruikt wanneer het om ‘geheugen’ gaat.

Het ‘geheugen’ heeft over belangstelling niet te klagen.
En uit hoe er nu over wordt gedacht, is het wel duidelijk, dat er niet iets is als ‘HET’ geheugen.

In deze artikelen zou het gaan over het etherlijf. Dat ‘de’ wetenschap met dit fenomeen nauwelijks werken wil, hoeft ons er niet van te weerhouden, er wél rekening mee te houden; niet om per se drammerig iets te bewijzen, maar simpelweg als werkhypothese – in feite zoals ‘de’ wetenschap doet met allerlei hypothesen (oerknal, mens hoger dier enz).

In het voorbeeld van de visser van Moddergat die tijdens een vliegende storm op zee door de angst dat hij zou omkomen in één nacht grijze haren kreeg, wordt iets zichtbaar van de invloed van een sterk gevoel – een heftige gewaarwording – op het gebied van de levenskrachten.
Maar er zijn meer voorbeelden:
Wanneer we hard moeten lachen: tranen in de ogen of ‘we doen het in ons broek’; ook dat kan door angst of spanning gebeuren; omgekeerd juist veel minder ‘stroming’: obstipatie. Bij hevige schrik: je voelt je bloed in je slapen kloppen; een scheut in je maag.
Een bijna ‘tastbare’ relatie tussen ziel en lichaam. Maar dat is te grof uitgedrukt wanneer je er met antroposofie naar wil kijken.

Steiner:
‘( ) ein Teil des Ätherleibes sei feiner als der übrige und dieser feinere Teil des Ätherleibes bildet eine Einheit mit der Empfindungsseele, während der gröbere Teil eine Art Einheit mit dem physischen Leib bildet.’ ( ) Was hier Empfindung genannt wird, ist nur ein Teil des seelischen Wesens. (Der Ausdruck Empfindungsseele wird der Einfachheit halber gewählt.) An die Empfindungen schließen sich die Gefühle der Lust und Unlust, die Triebe, Instinkte, Leidenschaften. All das trägt denselben Charakter des Eigenlebens wie die Empfindungen und ist, wie sie, von der Leiblichkeit abhängig. 

‘( ) een deel van het etherlichaam** is fijner van structuur dan het overige en dit fijnere deel verenigt zich met de gewaarwordingsziel. Terwijl het grovere deel met het fysieke lichaam een eenheid vormt.
Wat hier met gewaarwordingsziel wordt aangeduid, betreft slechts een deel van het zielenwezen ( de uitdrukking gewaarwordingsziel is slechts gekozen ter wille van de eenvoudigheid). Bij de gewaarwordingen sluiten zich de gevoelens van lust en afkeer, de driften, instincten en hartstochten aan. Dit alles kenmerkt zich, net als de gewaarwordingen, als behorend tot het eigen leven en is in gelijke mate van het lichaam afhankelijk. ‘
GA 9/42
Vertaald

‘Der Leib baut sich aus der physischen Stoffwelt auf, so daß dieser Bau auf das denkende Ich hingeordnet ist. Er ist von Lebenskraft durchdrungen und wird dadurch zum Ätherleib oder Lebensleib. Als solcher schließt er sich in den Sinnesorganen nach außen auf und wird zum Seelenleib. Diesen durchdringt die Empfindungsseele und wird eine Einheit mit ihm.’ 

‘Het lichaam krijgt zijn vorm uit de fysieke wereld, waarbij de bouw gericht is op het denkende ‚Ik‘. Het is doortrokken met levenskrachten. Als zodanig ontsluit het zich naar buiten door de zintuigen en wordt daardoor zielenlichaam**. Dit zielenlichaam doordringt de gewaarwordingsziel en vormt daarmee een eenheid. ‘
GA 9/42
Vertaald

(In het Duits staat hier: diesen durchdringt die enz.) ‚diesen‘ is hier geen onderwerp, maar lijdend voorwerp: wordt doordrongen door); er had m.i. moeten staan: dit zielenlichaam** wordt doordrongen door de gewaarwordingsziel en wordt daarmee een eenheid.)

Ik geloof dat we zeker mogen spreken van een interactie tussen etherlijf en gewaarwordingsziel.

Philipp Lersch onderscheidt ook bepaalde ‚lagen‘. De levensgrondslag (Lebensgrund) en de endothyme grondslag (endothymer Grund); zeker vergelijkbaar met ‚etherlijf‘ en ‚gewaarwordingsziel’. [1]

Deze endothyme laag: éndon = innerlijk, inwendig; thymos = gewaarwording, gevoel, gemoed, wordt door hem beschreven als

‘groepen van zielenbelevingen die wij affecties, gemoedsbewegingen, gevoelens en stemmingen, alsmede begeerten, driften, strevingen noemen’.

Rudolf Steiner heeft op veel plaatsen aangegeven dat antroposofie niet in het onderwijs thuishoort, maar dat ze de basis moet vormen voor het pedagogisch handelen.

Een aspect van het etherlijf is groei. Wanneer je de ontwikkeling van een baby volgt, valt de enorme groei op. (In de 1e 5 maanden verdubbelt het kind zijn gewicht; en na 2 jaar is dat nogmaals gebeurd; een derde keer vindt pas plaats rond het 8e jaar). Dat deze groei moet samenhangen met ‘slaap’ – in de stofwisseling zijn wij immers de ‘slapende mens’, ligt dan voor de hand.
Naarmate deze groeikrachten in de ontwikkeling de overhand hebben, staan ze op gespannen voet met  ‘wakkerheid’. Kinderen bij wie deze groei – deze vegetatieve krachten nog sterk aanwezig zijn wanneer ze in de basisschool komen – noemde Steiner ‘flegmatisch’, daarbij termen uit de temperamentenleer hanterend die hij echter een andere inhoud gaf.
Werden deze kinderen, omdat het leren moeilijk op gang kwam, vaak ‘dom’ genoemd, voor Steiner waren het kinderen bij wie het element ‘slaap’ teveel de overhand heeft.

Voor hun omgeving hebben deze kinderen weinig oog. Eerder worden de processen beleefd van wat uit het etherische in de gewaarwordingsziel komt, dan dat de gewaarwordingsziel van buitenaf geprikkeld wordt.

Daarom is de aanwijzing die Steiner geeft om deze kinderen te leren rekenen er een die van diepe mensenkennis getuigt en tegelijkertijd laat zien, dat zijn ‘theorie’ onmiddellijk praktijk kan worden:Rekenen en temperamenten,
(tevens in het vormtekenen)

Uit al het bovenstaande mag blijken dat het ‘IK’ aan de ziel duur verleent; m.a.w. dat het ‘ik’ erbij moet zijn. Dat is eigenlijk identiek aan’ interesse’.

Maar ook dit voorbeeld is verhelderend:

Dan wordt in een lessituatie het paard beschreven:

Die Phlegmatischen werden wenig leicht erfaßbar sein. Und es wird das nicht leicht haften, was Sie mit ihnen durchnehmen über ein bekanntes Tier. Sie haben das Pferd oft gesehen, haben daher nur wenig Interesse dafür. Solche Dinge sollen aber haf­ten. Da würde ich zu den phlegmatischen Kindern sagen: «Seht ein­mal, wie unterscheidet ihr euch denn eigentlich von einem Pferde? Wir wollen nur kleine Unterschiede nehmen. Nicht wahr, ihr habt alle einen solchen Fuß: Da sind die Zehen, da ist die Ferse, da ist der Mittelfuß. Das ist euer Fuß.
Jetzt seht euch einmal den Pferdefuß an: Das ist der Hinterfuß vom Pferde. Wo sind die Zehen? Wo ist die Ferse und wo ist der Mittelfuß? Bei euch ist dann weiter herauf das Knie. Wo ist das Knie beim Pferde? Da seht einmal: Da sind die Zehen, die Ferse ist da ganz oben, das Knie ist da noch weiter oben. Da ist das ganz anders. Nun stellt euch einmal vor, wie anders so ein Pferdefuß aussieht als euer Fuß!» Das wird das phlegmatische Kind in Spannung versetzen, und es wird das schon behalten.

‘De flegmatici zal men niet zo gemakkelijk ‘pakken’. En wat u met hen doorneemt over een bekend dier zal niet gemakkelijk blijven hangen. Ze hebben al vaak een paard gezien, daarom hebben ze er maar weinig interesse voor. Maar zulke dingen moeten nu eenmaal beklijven. Daarom zou ik tegen de flegmatische kinderen zeggen: ‘Vertel eens, wat is eigenlijk het verschil tussen jullie en een paard? Ik wil alleen maar kleine verschillen horen. Jullie hebben allemaal voeten, niet waar, die zien er zo uit: daar zitten de tenen, daar is de hiel, het midden van de voet. Zo ziet je voet eruit. Maar kijk nu eens naar de voet van een paard: dat is de achtervoet van het paard. Waar zijn de tenen? Waar is de hiel en waar is het midden van de voet? Iets verder naar boven hebben jullie dan een knie. Waar zit de knie bij een paard? Kijk eens: daar zijn de tenen, de hiel zit daar helemaal boven en de knie zit nog verder naar boven. Dat ziet er heel anders uit. Stel je toch eens voor hoe anders zo’n paardenvoet er uitziet dan jullie voet!’
Dat zal het flegmatische kind in spanning brengen en het zal dat vast wel onthouden.’

 

GA 295 blz.38

GA 295/37
vertaald 1989, blz 37
.

*Steiner maakt op blz. 65 van GA 9 nog bijzondere opmerkingen over deze voorstellingen – ik ga daaraan nu voorbij.

**Ik spreek liever over ‚lijf‘ dan over ‚lichaam‘, omdat ‚lichaam‘ zo fysiek aandoet, terwijl het gaat om een ‚krachtencomplex‘, een vermogen om….; het zielenlichaam is een soort ‚thuis‘ waar de gewaarwordingsziel in woont. Later neemt Steiner deze twee als één complex: zielenlijf en gewaarwordingsziel vormen een eenheid.
[1] Lersch: Aufbau der Person, München 1970, blz. 104
.

Pieter HA Witvliet

.

kind en etherlijfalle artikelen

Algemene menskundeetherijf    gewaarwordingsziel

Antroposofie een inspiratieetherlijf

menskunde en pedagogiealle artikelen

.

435-405

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.