Tagarchief: sympathie-antipathie

VRIJESCHOOL – kinderbespreking (1-4/2)

.
In het vorige artikel (1-4/1) werd een opsomming gegeven van de gezichtspunten die Rudolf Steiner gaf over het zich te sterk en het zich te zwak manifesterende Ik in de ontwikkeling van een kind. 
Dit thema werd door wijlen Kim Lapré verder uitgewerkt in zijn boek ‘De menselijke ziel’ [1] 
De schrijver behandelt voornamelijk de ‘twee stromen’ die in de Algemene menskunde in voordracht 2 aan de orde komen.
Hij vat ze op blz. 17 samen in de polariteiten ‘denken – en willen. Hij geeft deze de letters A en B mee, die hij later bij de verschillende typen kinderen zal plaatsen, in dit geval bij de te sterke en te zwakke incarnatie van het Ik:

A                                                                         B
Denken                                                             Willen

   Antipathie                                                            Sympathie
   Geheugen                                                               Fantasie
      Begrip                                                               Waarneming
      Zenuw                                                                     Bloed
Incarnerende stroming                                    Excarnerende stroming

Hoe werken de lessen in op de verhouding van het Ik tot het lichaam.

Het Ik kan niet diep genoeg geïncarneerd zijn, of het Ik is juist te diep in het lichaam geïncarneerd.

Het Ik is niet diep genoeg geïncarneerd

B    Wanneer het Ik de gelegenheid geboden wordt om op aarde geboren te worden, dan daalt het met behulp van astrale vleugels naar de aarde. Vandaar dat kleine cherubijntjes altijd met vleugels afgebeeld worden. Zo schildert Raphael hen in zijn prachtige Sixtijnse Madonna. De beide engeltjes aan de benedenkant van het schilderij, voor de Madonna, kijken naar de aarde en wachten totdat de conceptie bij de ouders, die ze uitgekozen hebben plaats vindt. Zodra het hun tijd is en hun toekomstige moeder hen ontvangen wil, dalen ze als een soort vlinder af. Wat daalt af? Dat is het Ik, dat stapsgewijs de lichamelijkheid zal doordringen. Tussen 0 en 7 jaar organiseert het Ik het fysieke lichaam. Je voelt gewoon in de intense warmte en de heerlijke geur van het kinderhoofdje hoe het Ik daar werkzaam is. Het is de tijd van de nabootsing. In de geestelijke wereld heeft het kind alles in zich opgenomen en nagedaan, wat de goden hem voorleefden. De overgave en het blindelings vertrouwen in de wereld is een herhaling van de toestand, waarin het kind voor de geboorte verkeerde. Aan het kleine kind kunnen wij zien, hoe het leven voor de geboorte in de geestelijke wereld was.

A   Met het zevende jaar wordt het etherlichaam geboren, en etherkrachten [2] komen vrij om in bezit genomen te worden door het Ik. Tussen het zevende en veertiende jaar wordt het etherlichaam [3] doorwerkt. Men kan ook zeggen dat vanaf het zevende jaar het voorstellingsleven in bezit genomen wordt, want het voorstellingsleven speelt zich af in het etherlichaam. Wij denken met etherkrachten. Het zijn als het ware twee woorden voor één en het zelfde beginsel.

Vanaf het zevende jaar worden muzikale krachten opgenomen.

Speciaal vanaf de helft van de eerste maanknoop (de helft van ± 18 jaar en 7 maanden = ± 9 jaar en 3,5 maanden) werken de muzikale krachten sterker in. De muzikale krachten komen vanuit de wereld en dringen in het kind binnen. Het moment rondom het negende jaar wordt ook wel de rubicon [4]genoemd, naar een veldslag die de Romeinen moesten leveren en waarbij het overtrekken van de rivier de Rubicon onherroepelijk was; een terugtocht was niet meer mogelijk. Zo is vanaf dit moment de terugkeer naar de vroege kinderjaren, waarin de wereld en het sprookje innig verwant waren, niet meer mogelijk. Het astraallichaam doorwerkt de muzikale krachten en diens geboorte vindt rondom het veertiende jaar plaats. Na het veertiende jaar doorwerkt het Ik het astraallichaam, totdat rondom het eenentwintigste jaar het Ik vrij wordt om een eigen plaats op aarde te veroveren, om ook de aarde te doorwerken. De leraar kan, als hij de kinderen lang genoeg mag begeleiden een gevoel krijgen of het Ik zich op de juiste wijze met de wezensdelen verbindt. Dit pleit nog eens voor de oorspronkelijke opzet van de Vrije Scholen, waarbij een leraarschap van klas 1 tot en met klas 8 behoort, en waardoor de kinderen gedurende langere tijd waargenomen kunnen worden.

Opvoeden is een kunst. Alleen door een langdurige verbinding met de kinderen, is zo’n moeilijke opgave, om het Ik op de juiste wijze met het lichaam te verbinden, mogelijk.

Als het Ik zich onvoldoende met het lichaam verbindt neigt het kind naar dromerigheid. Het kan zelfs een dweper worden. De juiste maat is weg.

B   Denk bv. aan de rol van het paard of de muziek in het kinderleven. Er is een verschil tussen het bewonderen van een paard en dwepen met een paard. Het zelfde geldt voor muzieksterren. Ook daar is een verschil tussen bewonderen en dwepen. De kamer hangt vol met posters van het paard of van de held of heldin. In de tijd dat het Ik zijn heerschappij over de ziel bevestigt, zo tussen veertien en achttien jaar, is de jonge mens vanzelfsprekend bij tijd en wijle een dweper en de kunst is om het verschil te zien tussen een normaal groeiverschijnsel en een afwijking.

Speciaal is de “afwezigheid” van het Ik te zien aan de tragiek van de jonge mens, die zijn plaats in het leven niet vinden kan. Ze kunnen Intelligent of kunstzinnig zijn, ze zijn lichamelijk gezond, er lijkt niets mis en toch dwalen ze door het leven, zonder zich echt te kunnen verbinden. Zij weten niet welk beroep ze zullen kiezen en als ze gekozen hebben is het vaak het verkeerde beroep.

De leraar kan het ook waarnemen aan het periodeschrift. Kan de leerling zich verbinden met de stof, ook al staat de lesstof wat buiten het belangstellingsgebied van de leerling. Is het Ik niet voldoende verankerd in het lichaam en/of is het gezin niet omhullend genoeg, dan dreigen op steeds jongere leeftijd onze kinderen slachtoffer te worden van de verleidingen van de wereld omdat ze geen weerstand kunnen bieden.

Alleen het Ik kan nee zeggen, en alleen het Ik moet de verbinding met zijn eigen lot vinden. Het veroorzaken van verwarring in het lot, is een van de ingrepen van Ahriman in de cultuur.

De leraar kan helpen om het Ik dieper te laten indalen, door beschouwelijk met het kind te werken. Dit is de sleutel tot het vraagstuk!

De vakken meetkunde en algebra maken gebruik van ruimtelijke en getalsmatige voorstellingen, waarbij de meetkunde meer het voorstellende vermogen aanspreekt en de algebra meer het begripsmatige inzicht vereist. Als deze vakken aan de orde zijn, zou de leraar speciale aandacht aan de kinderen met incarnatieproblemen kunnen geven. Hij kan hen helpen door hen mee te nemen in het beschouwelijke, door extra aandacht aan het beschouwelijke te geven. In de muzieklessen kan het geheugen, het zich herinneren van de muziek meer aangesproken worden.

In de geschiedenislessen kunnen grote samenhangen behandeld worden. Welke ideeën worden bevochten door historische persoonlijkheden? De leraar besteedt even geen aandacht aan het feitelijke, maar richt zich op een persoon, die voor een idee in de geschiedenis gestaan heeft.

Ook als er getekend is laten wij de kinderen iets denken over het werk. Bespreek aan het einde van de les het gemaakte werk. Het beschouwelijke na het doen werkt incarnerend. Het beschouwelijke in de aardrijkskundelessen komt als het ware vanzelf aan de orde. Is niet de cartografieperiode in klas elf ideaal in dit opzicht? Maar in elke les kan plaats ingeruimd worden voor het beschouwelijke. Het gaat dus steeds om de antipathiekrachten van de incarnerende stroom. Het is een kunst om die te gebruiken. Welke krachten zijn dat? Het zijn de krachten van de voorstellingen, van het geheugen en van het begrip. De reusachtige krachten vanuit de Vaderwereld zijn in staat om het zielegeesteswezen naar de aarde te leiden en daar maken wij met de antipathiekrachten, gebruik van.

Ook al sterft de geest in het begrip, ook al zijn de begrippen schadelijk voor het jonge kind, de doodskrachten zijn, mits op de juiste wijze aangewend, een geneesmiddel voor het dwalende Ik. Het blijft een precair onderwerp, want ik ken meerdere kinderen, die in de achtste klas eigenlijk nog droomden, ja zelfs zaten te slapen, om in de hogere klassen plotseling te ontwaken, waarna zeer goede prestaties geleverd werden. Een jongen zei, toen hij de school al verlaten had, dat hij in de achtste klas hooguit Mavo-niveau3 had. Na school studeerde hij medicijnen en tegelijkertijd muziek op het conservatorium, om vier jaar later te promoveren. Heeft niet elk kind een eigen levensloop?

De vraag is dus, hoe en wanneer probeer je een kind wakker te schudden? Met het grootste respect voor het kind moet naar mijn mening met dergelijk soort maatregelen omgesprongen worden.

Het Ik is te diep geïncarneerd

A + B   Is het Ik te diep geïncarneerd, dan dreigt het kind te materieel te worden. De aardekant overheerst. Het Ik wordt te diep in het organisme ingezogen en het kan dan geen weerstand bieden aan de sterke aardekrachten. In de diepte van het organisme leven sterke wilskrachten, die zich tonen als instincten, driften en begeerten. Het omgaan met deze krachten vereist een goed gevormd innerlijk onder leiding van een bewuste persoonlijkheid. Wordt het Ik in de maalstroom van de driften c.s. als het ware ingezogen, dan dreigt het als maar over de schreef te gaan. Als wij weten dat de benadrukking van de krachten uit de antipathiestroom het Ik dieper in het lichaam doet indalen, dan kan een mens bij het zien van de huidige onderwijsmethoden, zich afvragen of het onderwijssysteem niet vraagt om ongelukken. Veel te veel abstracte, begripsmatige kennis drukt het kind te diep in het organisme. Is het kind in dit geval door het onderwijssysteem beschadigd dan toont het de beschadiging door sociaal storend gedrag. Zou dit verschijnsel iets te maken hebben met de verharding in de omgangsvormen? Niemand weet zich raad en men klaagt over normen en waarden, vergetend dat het moment om in te grijpen ongezien voorbij is gegaan. Misschien moet een onderwijssysteem, dat vooral door de politiek en andere deskundigen aangestuurd wordt in het beklaagdenbankje staan, in plaats van de ontspoorde jongeren.

Door in de meetkundelessen te construeren, door dus de wil te gebruiken in plaats van in de voorstelling te blijven, wordt het Ik in een excarnerende bewegingsrichting gebracht. Waar wordt nog uitgebreid getekend en geconstrueerd in de meetkundelessen? Wat vroeger de beschrijvende meetkunde heette, was een les op een tekenplank met trekpen en Oost-Indische inkt. Alles moest heel precies gebeuren en een perfect snijpunt van meer dan twee lijnen was een succes. In de jaren 70 hielden wij op de Rotterdamse Vrije School constructiewedstrijden voor o.a. klas acht. Het knippen en plakken van alle platonische lichamen in klas acht is ook een voorbeeld van een meetkundeles, waarbij de les excarnerend op het Ik werkt, want er wordt vanuit de wil gewerkt.

Als de leraar merkt, dat het zingen van een kind te zwaar wordt is het goed om het kind te laten luisteren. Waarnemen is immers een wilsactiviteit. En het toepassen van de wil werkt genezend op het Ik dat te diep dreigt te verzinken in het lichaam.

In de geschiedenisles is het vertellen van verhalen met een sterke gevoelsnuance heilzaam. In de aardrijkskundeles benadrukken we het beeldende en het tekenen.

Natuurlijk zijn de vakken tekenen, schilderen en schrijven vakken, die vanuit de wil in hoofdzaak geschieden en voorkomen, dat het Ik te diep incarneert.

Een bijzondere positie neemt de spraak in. Het muzikale in het ritmisch-recitatieve werkt incarnerend, terwijl het nagaan van de inhoud en de betekenis van de taal excarnerend werkt. Waarom bijzonder? Omdat ingaan op de betekenis van een gedicht, vanuit het beschouwelijke element gedaan wordt, en het beschouwende juist incarnerend werkt.

In de beschouwelijke kant van het onderwijs werken wij met de kosmisch-plastische krachten, die bij het fysiek-etherische deel van de mens horen. In de wilsmatige kant van het onderwijs werken wij met de sympathiekrachten of muzikale krachten die behoren bij het Ik en astraallichaam.

Bijzonder is nog het feit dat sympathie een wat neutrale uitdrukking is voor wat in de wilskant leeft. Het zijn liefdeskrachten waar de mens mee werkt, als hij de wil aanspreekt. Dit geldt natuurlijk in het bijzonder voor de lessen aan het kleinere kind. Een complicatie blijft overigens het feit, dat de wil ook destructief ingezet kan worden. Is het Ik als het ware niet thuis, dan maken andere krachten zich meester van de wil van het kind. Maar daar betreden wij het gebied van de vrijheid, die alleen verworven kan worden door ons in de strijd tussen goed en kwaad te mengen. Bovendien is dat pas nat het eenentwintigste jaar aan de orde. In wezen blijft de wil de drager van de warmte, de liefde voor de geest.
Overzien wij het voorgaande, dan blijkt de leraar diegene te zijn, die een aanleg van het kind kan ombuigen, en dat appel aan ons mogen wij niet negeren!

[1] De menselijke ziel -en de twee stromen uit het tweede hoofdstuk van de ‘Allgemeine Menschenkunde’, 2009. ISBN 978-90-9024451-8

[2] Menskunde en pedagogie: kind en etherlijf
[3] Over het etherlijf: Algemene menskunde voordracht 1 [1-7-2/2]
[4] Steiner over deze rubicon o.a. in GA 306/202, vertaald op deze blog
En bij Julius Caesar

Kinderbespreking: alle artikelen

.

1929

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-2/6)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In een vorige artikel dat beschouwd kan worden als een inleiding op wat hier volgt, werd erop gewezen dat ‘schematiseren’ eigenlijk niet kan; en dat het willen verklaren en definiëren steeds weer het gevaar in zich draagt de werkelijkheid tekort te doen.
En toch kunnen we, wanneer we niet het helderziende vermogen hebben zoals Steiner kennelijk had, niet zonder een zoektocht met ‘het gezonde verstand’. Daartoe is dit een poging.

Op blz. 24 is sprake van de ‘bewustzijnsziel.’ Wat valt daar o.a. over te zeggen:

BEWUSTZIJNSZIEL

Eerst nog even terug naar de verstands-gemoedsziel:

Toen ik bij de bakker een ogenblik in dubio stond of ik de gevulde speculaas wel zou kopen, was daar in mij de controverse tussen „begeren“ en „beheersen“.

Uit eigen ervaring kan ieder hierover meepraten: wij kunnen, met name in het sociale leven, niet blindelings onze driften, begeerten, neigingen volgen. Wij wikken en wegen, motiveren en we nemen een besluit: dit kunnen we onder een vorm van denken rangschikken. Een denken dat nog sterk verbonden is met ons voelen, maar toch een ander voelen is dan de gevoelens die rondom de gewaarwording voelbaar zijn.
Het is niet moeilijk bij je zelf na te gaan waar bepaalde gevoelens vandaan komen.
Honger, dorst, slaap enz.: gewaarwordingen. Ze worden gevoeld, ervaren met de gewaarwordingsziel.

We onderscheiden deze gevoelens als vanzelfsprekend van vrolijk of verdrietig zijn; boos of blij zijn enz.
Met deze gevoelens raken we verder weg van die gevoelens die meer met het vitale verbonden zijn.
We komen meer bij ons “gevoel”; bij ons gemoed – onze  gemoedsgesteldheid.

Vandaar: gemoedsziel.
Dit is meer de ziel van het “dagelijkse leven”. We worden met iets geconfronteerd: een bericht in de krant, of via een tv-programma. Het grijpt ons aan: we worden er vrolijk(er) of verdrietig(er) van.
Maar, we vinden er ook iets van. We stemmen in of spreken onze afkeer erover uit. We begeleiden deze gevoelens ook met onze mening: wat we ervan vinden.

Vandaar: verstandsziel.
Het is het Engelse to think, dat zowel denken als voelen betekent. Dit is het gebied waaruit wij spreken, wanneer we ergens iets van vinden. Hier bewegen we ons tussen alle vormen van sympathie en antipathie.

Het is nog sterk aan onze eigen beleving gebonden; het is het subjective denken; hiermee spreken we ons gemoed uit, spreken we vanuit ons gevoel. Naarmate we bozer zijn, wordt onze stem scherper, harder, consonantischer; de andere kant is een warme, rustige, kalme stem, waarin juist het vocale overheerst.

De sympahtie en antipathie op het weiland: de vreugde over de paardenbloemen; of de afkeer.

BEWUSTZIJNSZIEL
Zo gauw ik echter op zoek ga naar wat een paardenbloem is, moet ik los zien te komen van mijn „wat ik er van vind“. Als de essentie van iets in mij tot klaarheid komt, heb ik daarmee iets in mij opgenomen dat buiten mij om als essentie bestaat. Dat niet afhankelijk is van mijn smaak en of ik het mooi of lelijk, fijn of niet fijn vind, graag mag of verafschuw enz. Dat wordt bij de beschouwing van de mens geest genoemd.

Om deze kwaliteit van het denken onder woorden te brengen, noemde Steiner dit de bewustzijnsziel. Hoe meer we in staat zijn de wereld met al zijn essenties zich in ons te laten uitspreken, des te meer nemen we de wereld van de geest in ons op. Als essentie betekent dat het waar is, neem ik dus de waarheid in me op.
Wie zegt mij echter, dat het waar is. En wie het zegt. zegt die ook de waarheid of is het uiteindelijk toch alleen zíjn waarheid of die van een grote groep. ‘De waarheid in pacht hebben’ klinkt niet zo positief. We laten hem liever in het midden liggen.
Velen streven er naar ‘de waarheid’ te vinden, die te benaderen op z’n minst. En daarbij blijkt altijd, dat hoe meer je het eigen gevoel, het eigen (voor)oordeel terughoudt, het ‘andere’ meer kans krijgt zich te laten zien, heel deftig: ‘zich te openbaren’.
Wel een mooi woord, overigens. Er moet iets ‘open’ gaan en worden geboren.
We ervaren daarbij ook sterk dat de ‘wereld van de waarheid’ zo openligt, dat we over ‘grenzenloos’ spreken.

Er is ook de wereld van de idee(ën). Steiner geeft hier een mooi voorbeeld over ‘de’ driehoek. De idee driehoek die je je denkend! voor kan stellen, je denkt hem uiteindelijk na. Interessant is dan natuurlijk om door te filosoferen over de vraag wie of wat deze idee dan als eerste gedacht heeft, zoals we bijv. Einsteins theoretische ideeën kunnen nadenken (als we daartoe intelligent genoeg zijn!).
Maar we zullen er snel genoeg achterkomen dat er vele ideeën zijn die niet terug te voeren zijn op mensen die ze als eerste gedacht hebben. Wie of wat is dan de ontwerper van deze ideeën.

En zoals onze lichamelijkheid de begrenzing vormt voor de ene kant van de ziel: de gewaarwordingsziel; zo zijn er aan de andere kant, door de bewustzijnsziel onbegrensde mogelijkheden om de geest – de wereld van het ware, de wereld van de ideeën, Steiner noemt er ook de wereld van het goede bij –  te leren kennen.

Zoals de gewaarwordingsziel ziel is, maar nauw verbonden met het stoffelijk-levende, zo is de bewustzijnsziel nauw verbonden met wat ik als geest in me kan opnemen. Als verstands – gemoedsziel pendel ik daar tussenin.

Hoewel Steiner in deze voordracht nog niet spreekt over ‘slapen, dromen, wakker’ i.v.m. lichaam, ziel, geest, kun je hier al iets gaan vermoeden van wat hij daarmee bedoelt.
In ons vitale leven, bijv. in onze stofwisseling, weten we niet wat er gebeurt. Voor ons bewustzijn eigenlijk helemaal ontoegankelijk. We krijgen er pas ‘weet’ van, als er iets mis is en de pijnsignalen ons waarschuwingen. Maar dan nog weten we lang niet altijd wat er dan mis is, of gebeurt of niet gebeurt. Heel vreemd eigenlijk: je hebt het allemaal heel dicht bij je en toch tast je volledig in het duister.
Vanuit het standpunt van bewustzijn bekeken, slaap je hier dus.
In het voelen van de verstands – gemoedsziel is ook nog niet die helderheid dat we precies weten waar bepaalde gevoelens vandaan komen of ontstaan. We weten wel dat ‘we daar nou net niet tegen kunnen’; of dat ‘we daar altijd heel blij van worden’. We kunnen een beginnende antipathie voelen aanwakkeren tot boosheid enz.
Je zou hier van een meer dromend bewustzijn mogen spreken.

Pas in het denken worden we echt wakker. Als we met onze gedachten licht hebben gebracht over of in een zaak, tasten we niet meer in het duister. Om te kunnen denken moeten we (er) wakker (bij) zijn.

we zijn:
slapend voor wat betreft ons bewustzijn voor ons fysiek-vitale leven
dromend voor wat betreft ons bewustzijn voor het komen en gaan van onze gevoelens tussen antipathie en sympathie
wakker bij het heldere denken

Ook ligt hier een kiem voor het begrijpen van wat vrijheid en onvrijheid, gebondenheid is.

Het fysiek-vitale leven dwingt ons de vitaliteit in stand te houden: we moeten eten, drinken, slapen, ons voortplanten e.d. We hebben geen keus als we willen doorleven. We worden gedwongen. We moeten, zoals een dier doet wat het moet!

Ons fysiek-vitale dwingt ons niet de waarheid te zoeken. Als we dat doen, doen we het zelf. We kunnen het ook nalaten. Er is geen dwang of drift. Er kan wel ‘geest’drift zijn! Je sterke verlangen de waarheid te leren kennen; je open te stellen voor de geest. Dit openstellen voor de geest is een vrije keus.

Het ‘instrument’ waarmee je je tot ‘de geest’ richt, is je bewustzijnsziel.

Natuurlijk is al allang de vraag opgekomen: waar ben Ik(zelf). Daarover wordt iets gezegd bij ‘geestzelf’ (nog niet oproepbaar).

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1332

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Ritme (3-7)

.

HET WARE ELEMENT VAN HET MIDDEN

Neiging tot ziekte wordt overwonnen

Het woord ritme roept in de mens verschillende voorstellingen op. Bij de
mu­sicus zullen deze anders zijn dan bij de technicus, bij de huisvrouw anders dan bij de dokter. Een gesprek over dit onderwerp eindigt dan ook vaak met de vaststelling: „het leven is tegenwoordig* zó onritmisch”.
Ritme, harmonie en gezondheid zijn begrippen, die dicht bij elkaar liggen. Een ritmische gang, het juiste ritme van bezigheid en rust, van waken en sla­pen gelden als uitdrukking van de gezondheid.
Wanneer we ons hierin verder verdiepen, zullen we langzamerhand het ritme overal in ontdekken: in de loop van de sterren aan de hemel, in het verloop van de dag, in het natuurproces – in het hele menselijke leven. Hoe meer we van de kosmos en de natuur over­stappen naar het werkelijke mensenrijk, des te meer zullen we moeten vast­stellen, dat dit element gaat ontbreken.

Hierbij wordt een principiële opmerking noodzakelijk. Wij mensen van deze tijd moeten ons steeds sterker bewust worden van onze algemene en
persoon­lijke levenssituaties, alsook van onze gewoonten. Een leven dat slechts in­stinctief de gewone banen volgt, wordt steeds minder bevredigend.
We kun­nen daaruit de conclusie trekken, dat ook het element „ritme” opnieuw door ons wakende dagbewustzijn veroverd moet worden. En daarbij kan dan een zekere vreugde aan de ontdekkingen die we maken beleefd worden: de bit­tere ernst van de huidige situatie, van de zozeer onritmische toestanden van ons leven. Als we daarover nadenken, zullen we bijna dagelijks iets nieuws kunnen vinden. Aan planten, dieren, gebruiksvoorwerpen en vele andere din­gen zullen we ritmische vormen of processen onderkennen.
Wie denkt er b.v. aan, dat bij het gebruikelijk weven van stoffen een ritmische bezigheid vol­trokken wordt en dat het weefsel, wanneer het klaar is, een vermenging van schering en inslag is, die ook weer heel verschillend gehanteerd kan worden.
Misschien zijn we op zekere dag verrukt over de harmonische vorm van kla­verzuring, met zijn hartvormige drieklank, of over het blad van een
bosaardbei.
Wie zich interesseert voor menskunde, zal het ritme van de wervelkolom of van de borstkas bewonderen.
De natuurliefhebber kijkt naar de wolken­vormen, de meander van het natuurlijk verloop van een rivier, de jaarringen aan boomstammen, ieder die belangstelling heeft voor dergelijke vragen over het bestaan zal tenslotte tot zijn verbazing leren inzien, dat men daarbij een zeer veelomvattend levenselement ontmoet.

Daarmee komen we op ons oor­spronkelijke thema terug met de vraag: hoe ontstaat ritme en wat is de bete­kenis daarvan?

Nadat we onze blikken vooral naar buiten hebben gewend, richten we onze aandacht nu naar binnen. We ontdekken ons denkende bewustzijn als „waar­nemingsorgaan” voor het rijk der ideeën. Hier kan de door Rudolf Steiner uit­gesproken idee van de drieledigheid van het menselijke organisme een licht werpen op het thema zoals dat tot nu toe is behandeld.

Deze idee laat aan de lichamelijke organisatie van de mens zien, hoe daarin drie krachtprincipes werken, die de grondslag leggen voor het inwerken van denken, voelen en willen als de functies van de menselijke ziel en geest. Om­dat dit thema in de Weleda Berichten reeds vaak werd behandeld, zij hier volstaan met het volgende schema:

ritme

We kunnen het ritme zien als een evenwicht scheppend principe in de mens en de natuur, maar daar bovenuit brengt het nog een „Steigerung” tot stand. De polariteiten beweging en rust, uitzetten en samentrekken of in het zielengebied sympathie en antipathie kunnen klaarblijkelijk alleen maar tot uitersten leiden.
Onze ziel voelt een soort van uitzichtloosheid, wanneer ze zich voor­stelt dat beweging of ook rust steeds maar zouden culmineren. Op het zielengebied zou dezelfde situatie ontstaan met betrekking tot sympathie en anti­pathie. Waar zouden ze tenslotte toe moeten leiden dan tot een uiteinde­lijke oplossing of tot vernietiging? Of wanneer we dit aflezen aan het mense­lijke organisme: het eenzijdig werken van het zenuwzintuigstelsel zou tot een volledige verharding van de vorm en verstarring en het eenzijdig werkende stofwisselings-ledematenstelsel tot oplossing van het menselijke organisme moeten leiden, ware het niet, dat tussen deze beiden het ritmische stelsel met het hart en de longen onophoudelijk genezend werkzaam is.

Het ware element van het midden
Het ritme blijkt dan ook niet alleen een evenwicht scheppende,
harmoniseren­de factor te zijn, maar een genezend proces, dat als een „openbaar geheim” (Goethe) de ontwikkeling van mens en wereld doortrekt. Het overwint zelfs de in de polariteiten als mogelijkheid liggende neigingen tot ziekte, die — zoals we zagen— alleen maar tot verstarring, oplossing of vernietiging kunnen leiden en die de mens in de wereld voortdurend bedreigen.

Ritme is het ware element van het midden, dat steeds bereid is te overwin­nen, te harmoniseren en om te vormen. De mens die naar inzicht streeft ziet daarin een centrale kracht, die hem zijn menselijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar die ook als zichtbaar en tegelijk verborgen element in de hele natuur en de kosmos werkzaam is. De geboorte van een dergelijk idee in de menselijke ziel kan ervaren worden als een beleven van licht, juist in een tijd, waarin het jaarritme ons voert naar het kerstgebeuren.

(Dr. J.Kaufmann, Weledaberichten nr.88, *dec. 1970)

.

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

450-419

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-1)

.

RITME ALS FUNDAMENT VAN HET LEVEN

Met verbazing kijken wij naar een grote vogel, een raaf, die zich met regelmatige vleugelslag door de lucht voortbeweegt. De wil om te leven impulseert het ritme van dit dier en bewerkstelligt dat zijn organisme zwevend wordt gedragen.

Zo’n natuurver­schijnsel kan ons veel leren.
Het wijst erop, dat het innerlijk van elk bezield wezen door talloze ritmen wordt geregeerd; daardoor leeft het. Zonder het tegelijkertijd werkende ademritme van de “longvleugels”, die door binnenhalen en uitscheiden van de lucht een relatie met dezelfde atmosfeer bewerkstelligen, zou deze vogel, gegrepen door de zwaarte, ter aarde storten alsof hij geen enkele vleugelslag had gedaan.
In elk orga­nisme echter gaat deze uiterlijke in een naar binnen gekeerde ademhaling over, die de steeds nodige zuurstof via de circulatie van het bloed naar alle cellen van het li­chaam overbrengt. In het middelpunt van dit proces staat het hart, dat door zijn onver­moeibaar ritme onverbrekelijk is verbonden met ademhaling en bloedsomloop. Bij de mens kan verzwakking van de hartspier verlaging van de bloeddruk in de vaten tot ge­volg hebben en zich uiten in vermoeidheid en duizeligheid; verhevigd kunnen deze ver­schijnselen tot flauwvallen en collaps leiden. De rechtop gaande en staande of lopen­de mens valt dan onmiddellijk neer. De plotselinge stilstand van het hart echter, waardoor ook veroorzaakt, heeft de dood tot gevolg als er niet nog op tijd kan worden ingegrepen.

Deze beknopt beschreven verschijnselen tonen, dat – zoals de wiekslag van de vogel zijn lichaam – de belangrijke fysiologische ritmen in het organisme het fundament voor de ziel in het lichaam zijn. Die ritmen maken pas de aanwezigheid van de ziel in het lichaam, d.w.z. de bezieldheid ervan mogelijk.

Hetzelfde geldt ook voor het stofwisselings-, ledematen- en het zenuw-zintuigstelsel. De totale activiteit van de maag en van de vele meters lange dunne en dikke darm speelt zich af in subtiele ritmen van samentrekking en uitbreiding, van spannen en ontspan­nen van de gladde spieren van deze organen. Wij spreken van peristaltische bewegin­gen, die – via röntgenfoto’s – als glijdende golven de maag en de darmen doortrékken. En ook hier volgt op het doorbréken van deze ritmen bij een verlamming van de darm ten gevolge van vergiftiging of bij een totale afsluiting ervan, binnen enkele uren de dood als het euvel niet onmiddellijk kan worden verholpen.

De uiterst gedifferentieerde zenuwfuncties zijn eveneens gekoppeld aan een zeer subtiele, fysiologische ritmiek, die de hersenen doortrékt. Deze verloopt zowel in de slaap als in de wakende toestand zonder dat dit bewust wordt ervaren. Maar ook hier verraadt de natuur op een andere plaats haar geheim. Wij zagen reeds dat de vlucht van de vogels kan worden beschouwd als een naar buiten gekomen metamorfose van het ademhalingsritme. Op een soortgelijke manier vertoont de natuur in het bijzonder snelle ritme van de insectenvleugels een soort afbeelding van de hersenritmiek. Wij nemen dit waar als heen en weer flitsen van vliegen, wespen, bijen e.d. Dit kan zich, hoorbaar geworden, tot het zoemen van muggen of het brommen van meikevers ver­dichten. Het zichtbaar maken van de electrische schaduw van de alfa-, beta- en ande­re golven van de hersenen en hun veranderingen in het electro-encefalogram verschaft uit­erst belangrijke gegevens voor een precieze diagnose van hersenziekten. Oorsprong en eigenlijke betekenis van deze ritmen liggen voor de medische wetenschap nog in het duister. Hun functie is echter onverbrekelijk verbonden met het oplichten van het bewustzijn; die maakt pas het ontwaken in de morgen en het zich staande houden van de ziel in het lichaam mogelijk. Dientengevolge is de stilstand van de hersenritmiek het zekerste teken van de dood; het vaststellen daarvan, dat aan elke extirpatie (wegsnijding) van orga­nen dient vooraf te gaan, geeft een veel duidelijker indicatie dan de hartstilstand.
Wij gaan nu over van het hoofd naar de ledematen, van het denken naar het willen: de doelbewust gaande of werkende mens verwerkelijkt steeds bepaalde doelstellingen die in zijn denken leven. Hij dirigeert vanuit het hoofd de ledematen en doordringt deze psychisch met zijn wil om ze van binnenuit in beweging te zetten. Daarbij zijn de z.g. dwarsgestreepte spieren de eigenlijke instrumenten van alle willekeurige handelingen. De slechts in de microscoop zichtbare “dwarsstreping” van de spiercel is een uitdruk­king van een subtiele, ritmisch gelede structuur. In tegenstelling hiermee is het primi­tievere “gladde” spierstelsel (zonder dwarsstreping) van de darmen en alle andere holte­organen (bijv. de galblaas) ontoegankelijk voor het bewustzijn; het functioneert alleen tengevolge van reflexen. De muziek die, a.h.w. gestold, in alle aan het skelet gehechte spieren doorklinkt en die in de dwarsstreping zichtbaar wordt, ligt er dus aan ten grondslag dat wij bewust ons lichaam beheersen en ons door de inzet van onze wil kun­nen be-lichamen of incarneren; incarnatie betekent immers woordelijk “vleeswording”.

Wij vinden dus niet alleen in het ritmische systeem van de borstkas zelf, maar in het hele organisme ritmische processen of structuren. Het valt buiten het bestek van dit artikel, de veelvuldigheid hiervan verder te beschrijven.

De taak van het ritme
Wat echter is de eigenlijke taak en de aard van het ritme zelf? Het is de kunstgreep van de natuur om aan elkaar tegengestelde krachtvelden en processen in evenwicht te brengen.
We bekijken nog eens het beeld van de vliegende vogel: de trek van de zwaartekracht die zijn fysieke lichaam overmeestert en de door levenswil en wiekslag opgewekte beweging zijn bij de horizontale vlucht precies in evenwicht. Het dier blijft actief in de zwevende toestand. Overal in het organisme komt het aan op een soortge­lijk evenwicht, dat de voorwaarde is van een wederzijds op elkaar afgestemd zijn van de organen en hun functies. Het is de wezenlijke grondslag van de gezondheid ervan. De ademhaling bijv. bemiddelt niet alleen tussen binnen en buiten, maar zij bewerktstelligt voortdurend het evenwicht tussen de behoefte aan zuurstof en een teveel aan koolzuur in de organen en het bloed. Talloze bemiddelende functies kenmerken het hart. Zijn activiteit impulseert het bloed zodanig, dat de zwaarte ervan wordt overwonnen. De daardoor gewonnen “lichtheid van binnen” is de basis voor het overwinnen van alle andere zwaarte van het zich bewegende organisme. De hartpatiënt voelt zich moe en zwaar en het bloedwater zakt als oedeem in de gezwollen benen omlaag. Tevens be­middelen hart en bloedsomloop tussen de stoffelijkheid van de totale voedselopname en de stof- en slakkenuitscheidingen van alle organen: al met al tussen opbouw- en af­braakprocessen. Daarbij bevinden zich de grote bloedsomloop van het lichaam en de kleine bloedsomloop van de longen net zo in evenwicht als de centrifugale, naar alle kanten middelpuntvliedende stroom van het bloed en de centripetale stroom terug in de aderen. In het sluiten en openen van de hartkleppen, in het zich vullen en leeg wor­den van de hartkamers en het spannen en ontspannen van de hartspier worden deze polariteiten in het hart zelf weerspiegeld. Iets soortgelijks geldt voor alle andere ritmi­sche functies.

Daarbij is evenwel van beslissende betekenis, dat deze functies zich met voldoende souplesse aan de steeds veranderende situaties of behoeften van het organisme kun­nen aanpassen. Dit blijkt bijv. uit het feit, dat ademhaling en pols een versnelde bewe­ging of een toestand van rust met een onwillekeurige, zinrijke versnelling respectieve­lijk verlangzaming volgen, leder kent dit verschijnsel wel uit eigen ervaring.

Verstoringen van het ritme
Een ritme waaraan het gehele organisme is onderworpen en dat het sterkst ingrijpt in ons leven, is dat van slapen en waken. Dit openbaart ’t duidelijkst het in alle ritmen min of meer verborgen wisselend spel van lichaam en ziel. Het komt overeen met een ademhalingsproces van een hogere orde. Want bij het inslapen maakt de ziel zich in hoge mate los van het instrument van het lichaam om ’s ochtends het achtergelaten omhulsel weer te betrekken. De polaire levensfasen van het bewuste, met afbraakpro­cessen in het zenuw-zintuigstelsel gepaard gaande zieleleven en de onbewuste, orga­nische opbouwende en regenererende functies worden op die manier met elkaar in har­monie gebracht.

Dat bijna de helft van alle volwassen westerlingen aan slaapstoornissen lijdt, is slechts de top van de ijsberg: nervositeit is een ziekte van deze tijd, die in een veelvoudige symptomatiek ons leven steeds meer dreigt te beheersen. Vegetatieve labiliteit, dystonie en allergieën zijn daarvan een uiting.

Over de oorzaken van de nervositeit en de mogelijkheden ter voorkoming daarvan werd in de Weleda Berichten al herhaaldelijk geschreven. De bewuste hantering van de tijd in de zin van een doelgerichte verzorging van alle ritmisch gefundeerde levenspro­cessen en levensgewoonten is noodzakelijk voor de hygiëne van de ziel. Die kan be­trekking hebben op de maaltijd, het werk, de vrijetijdsbesteding enz. en ook bestaan uit het integreren van regelmatige kunstzinnige bezigheden en meditatieve bezinning.

Ten slotte nog een psychosomatische wenk: wie in de zin van ritmische vorming van het leven een tegenwicht zoekt voor de talloze uit de huidige samenleving stammende, het ritme verstorende tendenties – waaraan wel niemand kan ontkomen – mag op een positieve echo van zijn organisme rekenen. Want de gedifferentieerde ritmiek die hier­in werkt is niet de maat van een automatische, uit het psychische leven losgemaakte machine, maar staat in de hoogste mate met dat organisme in verband.

Over de oorsprong van het ritme
De krachten die uiteindelijk de ritmische processen in het dierlijke en menselijke orga­nisme impulseren leren wij kennen door de kennis van de mens zoals die door de geestes­wetenschap van Rudolf Steiner is verruimd. Deze krachten kunnen door fysiologisch uitsluitend op het stoffelijke gericht onderzoek niet worden gevonden omdat zij tot het psychische gebied behoren. Evenals de groeiende en bloeiende aan het licht verwante plant een deel van haar levenskrachten aan de wortel en de duisternis moet opofferen om zich in de aarde te kunnen verankeren, moet een gedeelte van onze zielenkrachten in aan het lichaam gebonden onbewustheid actief zijn in de organische diepten. Het is echter, hoewel onbewust, de wil om te leven die in het spierstelsel van het hart en de ademhaling tot uiting komt. Een dergelijke aan het lichaam gekluisterde doffe wil leeft echter ook in de gladde spieren van de stofwisselingsorganen en bewerkstelligt hun spanning.

Bovendien leven in bijv. elke ademteug subtiele onderbewuste sympathie-en antipathiekrachten in de in- respectievelijk de uitademing. Deze basiskrachten van de ziel werken overal met de genoemde levenswil samen. Als het erop aankomt dat wij ons min of meer vreugdevol openstellen, dat wij stoffen opnemen en opbouwen, zijn sympathiekrachten nodig. In het zich sluiten van de portier van de maag bijv. die de nog niet voldoende verteerde maaginhoud afwijst, werkt antipathie. Deze kracht is tevens nodig voor al het af- en uitscheiden van onbruikbare stoffen en slakken van de stofwisseling bijv. door de nieren en de darmen of bij de uitscheiding van koolzuur via de uitademing. In elk organisch-fysiologisch ritme is dus een verborgen levenswil sa­men met het wisselspel van sympathie- en antipathiekrachten impulserend bezig. Die aan het lichaam gebonden zielenkrachten doen echter ons bewuste zielenleven meeklinken. Wij merken dat aan ons eigen lichaam: opwinding of vreugde laat het hart snel­ler kloppen, psychische druk belemmert het ademhalingsproces. Meer hierover in de publikatie van de schrijver: “Het lichaam als instrument van de ziel” (Uitgeverij Christofoor-Zeist 1983). Iedere musicus moet zijn instrument goed verzorgen en zuiver stemmen. Een verdiepte kennis van de wijsheid en de harmonie der in het instrument van ons lichaam samenklinkende ritmen kan de eerbied voor het leven in ons opwek­ken. Die eerbied hebben wij nodig om een levenshouding te vinden die bevorderlijk is voor de gezondheid. Hier en in de volgende artikelen wordt gepoogd daartoe een bij­drage te leveren.

Dr.med.Walther Bühler, Weledaberichten 131, dec. 1983)

 

Ritme: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

442-411

 

 

 

 

 

 

 

 

.