Tagarchief: 11e klas Parcival

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parzival (6)

.

Inleiding voor de V.P.C.-overlegkring op 30 april 1988.

De weg van Parzival en de weg van Lohengrin

wat betekenen ze voor ons in deze tijd

Het is met een mengeling van vreugde en schroomden ook gewoon zenuwachtigheid,dat ik* hier voor u sta om deze inleiding te houden. Vreugde over het feit dat dit Parzivalepos hier vandaag vanuit deze tweeheid: Parzival-Lohcngrin behandeld mag worden.
Ik meen dat juist deze tweeheid, die we in dit verhaal terugvinden, voor de antroposofische beweging en voor onze schoolbeweging van groot belang is.

Schroom, omdat het een veelomvattend thema is wat met het allerhoogste in de mensheidsontwikkeling, het vinden van de Graal, te maken heeft. Daarom wil ik zo veel mogelijk in plaats van zelf aan het woord te zijn, in mijn verhaal de beelden van het Lohengrinverhaal en Steiner aan het woord laten.

Stellen wij ons voor dat hier, in deze ruimte, waar we bij elkaar zijn, dat hier in ons midden een grote, mooie kristallen klok zou hangen. In dit kristallen glas zouden de kleuren dooreenweven in een bont spel. En dan, plotseling, zou de klok gaan klinken : een toon zou zij voortbrengen. Tegelijkertijd zouden de kleuren die zo dooreengeweven hebben, die zouden zich verdichten tot letters. Deze letters zouden zich vormen tot een naam, en zo zou daar de naam verschijnen van’Gijs Langeslag’! En daarachter zou een opdracht verschijnen: “Parzivalschool, Arnhem”. Dan zou het weer vervagen, het zou weer stil zijn.

Op een zeker moment zou opnieuw die klok klinken: weer zouden de kleuren elkaar vinden in letters en de naam vormen van “Attie Lichthart”, met daarachter : “Vrijeschool Zutphen”. Allemaal klinkende namen zouden op deze klok verschijnen van degenen die hier, vandaag, bij elkaar zijn.

Mischien zou het ook kunnen gebeuren dat, wanneer wij straks de grote deur, de voordeur van deze school, zouden verlaten en op weg zijn naar onze auto of naar de trein, dat daar plotseling uit hemelhoogten een zwaan zou neerdalen. En dan in het water, wat daar plotseling aanwezig zou zijn, zou neerstrijken. Dat deze zwaan een klein schuitje zou voorttrekken, en ons zou uitnodigen in dit schuitje plaats te nemen, om op die manier naar huis te gaan.
Milieuvriendelijk, dat in ieder geval. Is het een onwaarheid? Is het fantasterij? Die vraag wil ik meenemen in deze inleiding, om er aan het eind op terug te komen.

In ieder geval verging het zo Lohengrin. Deze beelden zijn de beelden van het Lohengrinverhaal. Aan de meesten van ons zal het verhaal bekend zijn. We weten ook dat er meerdere versies zijn en dat er versies zijn waarin de hoofdfiguur Helias heet. Alle hebben zij gemeen dat deze beelden centraal staan en in alle versies terug komen.

Voor vandaag wil ik mij bepalen tot het Lohengrinverhaal van Wolfram von Eschenbach, Lohengrin de zoon van Parzival.

In het zestiende hoofdstuk, het laatste hoofdstuk van het Parzivalepos, komt Parzival ten tweede male op de Graalsburcht. Het is dan, dat hij de vraag weet te stellen die Amfortas verlost van zijn pijnen. Daardoor wordt hij zelf Graalskoning. Het is in dit zestiende hoofdstuk dat ook over Lohengrin wordt gesproken; in het allerlaatste hoofdstuk van het Parzivalverhaal, Er wordt dan verteld, door Wolfram, hoe er op de Graal opdrachten verschijnen voor graalsridders,om overal naar vreemde volkeren te gaan. Wanneer zij daar op hun missie zijn, zo vermeldt Wolfram, mogen zij hun naam en hun geslacht niet noemen. Hij vermeldt dan ook nog dat, voor Parzival kwam, er een tijdlang geen ridders weggezonden werden, zolang het leed van Amfortas duurde.

En dan wordt er over Lohengrin gesproken. Kerst wordt nog van hem gezegd dat hij wordt gevraagd door Feirefiz, de gevlekte broeder van Parzival, wordt gevraagd om mee naar het oosten te gaan. De moeder van Lohengrin en ook Parzival, zijn vader, zijn er echter op tegen. Zij zeggen: “Het leven van onze kleine zoon zal gewijd zijn aan de Graal.” Blijkbaar was dit een opdracht die niet voor Lohengrin was weggelegd.

We zullen straks zien dat Lohengrin een andere opdracht krijgt. Maar eerst vernemen we nog hoe na twaalf dagen Feirefiz met zijn vrouw, Repanse de Schoye, wegreist; een lange reis maakt naar India. Het verhaal vermeldt dan nog dat daar in India hun zoon geboren wordt: Johannes, die de priester Johannes wordt genoemd. Een geheimzinnige figuur, die in de middeleeuwen , en ook nog in de tijd van de ontdekkingstochten, een belangrijke, maar verborgen rol speelde. De priester Johannes die een taak heeft in de verdere toekomst van de mensheid. En dan volgt het verhaal over Lohengrin.

Wolfram vertelt hoe er in Brabant een vorstin leeft, in andere versies wordt zij Elsa genoemd, en hoe dat deze vorstin kuis en rein is.
En hoe dat er vele vorsten zijn die dingen naar haar hand. Maar de vorstin van Brabant is niet erg onder de indruk van al deze mannen. Als zij uiteindelijk maar blijft weigeren, worden zij vertoornd op haar. Zij zegt: “Wie God mij zal zenden, die wordt mijn man”. Als dan juist deze ridders zo kwaad dreigen te worden dat zij haar kwaad aan zullen doen, verschijnt er een witte zwaan die een scheepje voorttrekt, en in dat scheepje bevindt zich een ridder: Lohengrin. Zij weet meteen dat zij met hem trouwen wil. Hij zegt haar: “Vraag mij niet naar mijn naam en naar mijn koningkrijk”, en zij belooft het.

Dan weidt Wolfram uit over de kwaliteiten van Lohengrin, als hij eenmaal de vorst van Brabant is geworden door het huwelijk dat hij met deze vorstin is aangegaan. Hij zegt: “Iedere heer ontvangt zijn leengeld; er is een voorspoedige heerschappij; hij is een rechtvaardig rechter; de bloem der ridderstand; hij verbreidde de zegen alom; hij had een gelukkig huwelijk en schone kinderen “.

Na verloop van jaren vraagt Elsa toch aan hem waar hij vandaan komt. Wolfram vertelt niet na hoeveel tijd dat gebeurde, in andere versies wordt meestal de tijdspanne van tien jaar vermeld, en hij vermeldt ook niet waardoor het nu precies gebeurde dat zij nu juist die vraag stelt. Maar die vraag wordt gesteld en op hetzelfde moment bijna dat die vraag gesteld wordt, verschijnt de zwaan, Lohengrin zal moeten vertrekken. Hij laat slechts een zwaard, een hoorn en een ring achter als herinnering. En natuurlijk zijn kinderen. Dat, beste mensen, is bijna het einde van het Parzivalepos. Dan volgen nog slechts ruim dertig regels, waarin Wolfram een soort slotbeschouwing houdt en dan is het Parzivalepos voorbij.

We mogen wel stellen dat het verhaal van Lohengrin zich in een grote vernieuwde belangstelling mag verheugen de laatste tijd. Er zijn scholen in ons land, maar ook daarbuiten, die zich naar de Zwaanridder of naar Lohengrin gaan noemen. In Nijmegen hebben we het afgelopen jaar een aantal werkbijeenkomsten gehouden rond het thema van de zwaanridder.
Mensen als Hans-Peter van Maanen, Fred Beekers en Ignaz Anderson hebben er over dit thema gesproken. In Den Bosch, op de Rudolf Steinerschool hebben wij het thema van de zwaan opgepakt, een thema dat al.sinds eeuwen in onze stad leeft; we kennen daar de zogenaamde Zwanenbroederschap. De leraren van de school zoeken nu naar de nieuwe inhoud die het zwanenthema heeft in deze tijd.

Het feit dat er zoveel mensen zijn die in deze tijd een drang hebben om zich met dit zwanenthema en dit Lohengrinthema uiteen te zetten zegt iets over de tijdssituatie. Blijkbaar is het een drang van mensen die juist nu geincarneerd zijn, om zich daarmee uiteen te zetten. Wellicht is het van belang hierbij te vermelden dat wij ongeveer duizend jaar leven na de tijd die Rudolf Steiner aangeeft als de tijd waarin de Lohengrinimpuls voor de mensheid heeft gewerkt, n.l. de tiende eeuw.

Vanuit de beelden die het verhaal geeft, wil ik nu graag overstappen naar hetgeen Rudolf Steiner in een zestal voordrachten over Lohengrin heeft gezegd. De voordrachten vindt u op het lijstje dat u allemaal hebt ontvangen. Naast de zes voordrachten van Rudolf Steiner over dit thema vindt u nog het boek van Max Stibbe vermeld, ‘Van zwaneridder tot vliegende Hollander”. Stibbe brengt in dit vrij uitgebreide werk het zwaneriddermotief in verband met de Nederlandse volksziel. Hij werkt eigenlijk helemaal uit hoe dat in de historische ontwikkeling van het Nederlandse volk, hoe dat zwaneriddermotief eigenlijk de gang van dit volk door de geschiedenis begeleidt.
Walter Johannes Stein en Isabel Wyatt die u ook in de literatuurlijst vindt, werken met name een belangrijke opmerking van Rudolf Steiner uit over Lohengrin, datgene wat hij heeft gezegd, dat Lohengrin eigenlijk staat voor de stedenstichtingsimpuls in de tiende eeuw. Dit gegeven weten zij in verhand te brengen met historische personen die in de tiende eeuw en daarna hebben geleefd.

Rudolf Meyer schreef een zeer veelzijdig boek over de graal en in het tiende hoofdstuk vindt u het een en ander over Lohengrin,

Ik wil mij nu verder bepalen tot de zes voordrachten die u op uw lijst vindt en vanuit die zes voordrachten proberen de beelden van het verhaal te benaderen.

Wij weten dat Parzivai aan het begin van het Parzivalverhaal een kleine jongen is, bij zijn moeder Herzeleide woont in een natuurlijke omgeving. Hoe hij als een kleine, we mogen wel zeggen simpele, jongen, die als hij ridders ziet denkt dat het engelen zijn; hoe hij als een kleine jongen de wereld ingaat, weg van zijn moeder en dan eigenlijk door het hele Parzivalepos heen een ontwikkelingsweg gaat, tot hij uiteindelijk bij de Graal komt. Hoe hij daar eenmaal onrijp wordt bevonden, weer terugkomt in de wereld en opnieuw die weg moet gaan.

Het is een weg die door de twijfel gaat. Van dofheid via de twijfel, dan uiteindelijk voert tot de Graal, dat is de trap van de saelde.

Wat is nu eigenlijk die weg naar de Graal? Rudolf Steiner heeft het in een van deze voordrachten heel eenvoudig gezegd: “De weg naar de Heilige Graal is niets anders dan de weg naar het diepste innerlijk van de menselijke natuur”. Ook zegt hij ergens, in 1906: “Het is de weg van ieder mens naar zijn hoger zelf” Het gaat hier om een innerlijke menselijke weg, vandaar dat dit verhaal ons ook zo kan ontroeren en ook zo kan aanspreken, dat wij ons zelf daar allemaal in kunnen herkennen. Zoals gezegd van dofheid via twijfel naar saelde. En wat is nu saelde? Saelde, zegt Rudolf Steiner, dat is de inwijdingstrap van de Zwaan. En het is door Trevrezent, dat Parzival in deze trap wordt ingewijd. Wat is dan wel die trap van de zwaan? In een van die voordrachten zegt Steiner het wel op een heel eenvoudige manier. Hij zegt: “De zwanentrap wil zeggen dat men zich niet hoger acht dan anderen”.

Maar in alle andere beschrijvingen die ik in deze voordrachten tegenkwam, wordt zijn beschrijving van de zwanentrap dichterlijk, lyrisch, bijna muzikaal. Hij spreekt dan over het uitvloeien over alle wezens; vreemde smart is onze smart; medelijden; we begeven ons in de sfeer van de hemelse sferenharmonie; we komen in de hogere regionen van het devachan; de stemmen van alle wezens klinken daar in een grandioze harmonie. Alle wezens, ook de stenen, planten en de dieren (we kennen het als sprookjesmotief ) die spreken tot ons en we horen ze niet buiten ons maar in onszelf. Dat is de trap van de Zwaan.

Men ervaart, zegt Rudolf Steiner, de bron van het universumen van de Logos.

Daar, vanuit die staat van zijn, vanuit die trap moeten we dan het verhaal verder denken. Daar is het dat het verhaal van Lohengrin begint. Want Lohengrin is een zwanenridder. En als het verhaal zegt dat Lohengrin de zoon van Parzival is, dan betekent dat niets anders dan dat Lohengrin verder gaat in de ontwikkeling waar Parzival gekomen is. En we weten het uit het verhaal, hij gaat de weg de wereld in; er is nood in de wereld .

En in dit geval gaat het om de nood van Elsa van Brabant. Maar wie is dan Elsa van Brabant? Zij staat, zegt Rudolf Steiner, voor het middeleeuwse bewustzijn. Het vrouwelijke, zegt hij, duidt steeds op een staat van bewustzijn.

Wat wil er opkomen in dit bewustzijn? Wat wil er opkomen in de middeleeuwen? Het materialisme wil opkomen. Maar daarvoor is het nodig dat het strevende menselijke bewustzijn, het vrouwelijk principe, Elsa, vanuit de buitenwereld, de Heilige Graal wordt bevrucht. En deze bevruchting is de stedenstichtingsimpuls.

Steiner zegt: Het gaat hier om een historisch-sociale missie, in het midden van de middeleeuwen, tiende eeuw. En hij stelt deze historisch sociale missie in een van die voordrachten direct tegenover de innerlijke menselijke weg van Parzival. Door de steden heeft er een grote ruk voorwaarts plaatsgevonden in de mensheidsontwikkeling. Dankzij de steden ontstonden boekdrukkunst, moderne wetenschap, universiteiten en nog veel meer, maar ook een werk als Dante’s Divina Comedia, zegt Steiner, had nooit geschreven kunnen worden als er geen steden waren geweest. En hetzelfde zegt hij over de schilders van de Renaissance.

De huidige fase van het Christendom werd door Lohengrin ingeleid en heeft geleid tot de fase van de dienstbaarheid. De mens is bevrijd uit zijn oude verbanden. Het burgerdom is bevrijd onder invloed van het Christendom. Als het verhaal zegt dat Lohengrin een zoon van Parzival is, dan geeft dat aan dat de impuls die Lohengrin bracht een christelijke impuls was. De stedenstichtingsimpuls is een christelijke impuls.

Toen ik in een van deze voordrachten aan het eind las hoe Steiner zegt dat de antroposofie de opvolger wil zijn van bewegingen zoals de Parzivalbeweging en de beweging die van de ingewijde Lohengrin uitging, heeft dit mij aan het denken gezet, en ik heb mij afgevraagd waar wij de Parzivalweg en de Lohengrinweg in de antroposofie terugvinden. En ik meen daar een antwoord op gevonden te hebben, ik meen dat er in de antroposofie sprake is van twee wegen. De ene weg is de innerlijke ontwikkelingsweg : “Je ontwikkelt je rot”, zeggen we in deze tijd; de andere weg is de sociale weg.

De eerste weg, de innerlijke ontwikkelingsweg, komt van binnen uit. Het is een innerlijke menselijke weg die Parzival gaat, en waar je in je eentje bezig bent om alsmaar verder jezelf te vervolmaken. Het is de weg die door de twijfèl gaat, met vallen en opstaan. In de zin van hoe Steiner spreekt over het sociale in zijn voordracht “Sociale en anti-sociale impulsen in de mens” is dit een anti-sociale weg. En hij zegt daarbij (citaat):” Tot in het tijdperk van het derde millennium moeten de anti-sociale driften zich nog ontwikkelen.”

En wat is dan die sociale weg, de tweede weg die de antroposofie wijst ? Dat zegt hij meteen daarop in diezelfde voordracht: We moeten daar, zegt hij, sociale structuren tegenover zetten, die ervoor zorgen dat de mens niet de andere mens verliest in het sociale leven”.

Het anti-sociale bestaat en moet bestaan. Het heeft te maken met mensen die hun ontwikkelingsweg gaan vanuit de krachten van hun Ik in deze bewustzijnszielentijd. Het mag beslist niet bestreden worden, maar deze staat van bewustzijn van de mensen moet met iets anders verbonden worden, iets dat van buitenaf bevruchtend daaraan wordt toegevoegd.

En dan zegt Steiner in deze zelfde voordracht het volgende: Het gaat er om de inrichting van de maatschappij, de stuctuur, de organisatie van datgene wat niet in de menselijke natuur besloten ligt, maar zich daarbuiten afspeelt, op een zódanige manier vorm te geven en in te richten dat er een tegenwicht ontstaat voor datgene wat in het innerlijk van de mens werkt als anti-sociale drift. Alleen datgene wat buiten de mens is wordt sociaal ingedeeld.

Beste mensen, toen Rudolf Steiner zijn sociale driegeleding aan de wereld bracht, heeft hij niets anders gedaan dan een vorm gegeven; een ordeningsprincipe gegeven. Zoals de ingewijde Lohengrin de stedenstichtingsimpuls in de wereld heeft gebracht, van buitenaf vormend.

De sociale driegeleding heeft geen inhoud, maar is een ordenings-principe.

Zelfs zo’n wet die Rudolf Steiner geeft als de “sociale hoofdwet”, we kennen hem uit het in het Nederlands vertaalde boekje: “Antroposofie en het sociale vraagstuk”. Daarin vinden we op blz.36 en 37 de vertaling van de sociale hoofdwet. Daar blijkt heel duidelijk hoe Steiner deze sociale hoofdwet niet heeft bedoeld als een moreel iets, maar als een wet die tot in de vorm, tot in inrichtingen zich zou moeten uitdrukken.
Luistert u maar, eerst de wet: ”Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter, naarmate de enkeling minder aanspraak maakt op de opbrengsten van zijn prestaties, dat wil zeggen, naarmate hij meer van deze opbrengsten aan zijn medewerkers afstaat en naarmate meer van zijn eigen behoeften niet door zijn eigen prestaties maar door de prestaties van de anderen worden bevredigd”.

Daar zouden we nog kunnen denken dat het om zo’n morele aansporing van Rudolf Steiner zou kunnen gaan, maar om daar alle twijfel uit te bannen, wil ik nog voorlezen wat hij dan even verderop zegt. “Men moet echter niet denken dat het voldoende is om deze wet als algemene morele wet op te vatten; ook moet men haar geenszins in zo’n gezindheid om willen zetten dat iedereen in dienst van zijn medemensen zou moeten werken. Nee, in werkelijkheid is deze wet alleen van kracht wanneer het een gemeenschap van mensen gelukt om zodanige inrichtingen in het leven te roepen, dat niemand de vruchten van zijn werkzaamheden voor zichzelf kan opeisen, maar dat deze, zo mogelijk in hun geheel, aan de gemeenschap ten goede komen.”

Het anti-sociale dat samenhangt met het feit dat mensen in onze scholen en in de schoolbeweging zich ontwikkelen vanuit de krachten, vanuit het vuur van hun Ik, wordt niet voldoende in evenwicht gehouden door onze sociale structuren. Het is overmoedig van ons om te denken dat we het met onze persoonlijke scholingswegen wel redden. Zolang wij nog geen zwanen zijn, is het anti-sociale overal in en om ons. Toch kunnen wij iets van een zwanenridderschap aan de wereld laten zien als we er voor durven kiezen om deze sociale structuren in school en schoolbeweging werkelijk vorm te geven. Sociale strukturen die onszelf en de ander voor de negatieve kanten van de ontwikkelingsdrang beschermen. Als we daarvoor durven kiezen is het beeld aan het begin van deze inleiding beslist niet onwaar geweest.

LITERATUURLIJST LERARENFEDERATIE 1988.

VERSCHILLENDE VERSIES VAN HET LOHENGRIN/HELIAS-VERHAAL(onvolledig).
Leonard Beuger (bew). Parzival-Christofoor
D.L. Daalder: Mythen en sagen uit het oude Europa-Utrecht/Antwerpen (Bol)
H.A.Guerber: Mythen en legenden uit de middeleeuwen-Zutphen
Jaap ter Haar: Sagen uit de donkere middeleeuwen
H.R.Niederhauser: Ritter, Reiter, Gottesstreiter-Verlag Freies Geistesleben.
Joh. Vorrink: Een schone en wonderlijke historie van den Zwaanridder-N.V. Servire, ‘ s-Gravenhage 1930.
Werner Greub: Willem van Oranje, Parzival en de Graal
Wolfram von Eschenbach als historicus”
Deel I is te lezen op www.willehalm.nl.

ACHTERGRONDLITERATUUR BIJ HET LOHENGRIN-THEMA (onvolledig).
Rudolf Meyer: Het mysterie van de Graal ; Christofoor.
R.Steiner: Negende voordracht (4-10-1905) GA 93A .
R.Steiner: Parzival en Lohengrin (3-12-1905) GA 92 en “Graalschrift”2 .
R.Steiner: Parzival und Lohengrin (29-3-1906); GA 54
R.Steiner: Twaalfde voordracht (8-6-1906); GA 92
R.Steiner: De Europese mysteriën en hun ingewijden (6-5-1909) GA 57 
en ”Graalschrift”
R.Steiner: Eerste voordracht (23-7-1922); GA 214
W.J.Stein: England as the nucleus of the foundation of commercial towns; “The Present Age” februari 1936.
*Max Stibbe: Zwanenridder en vliegende Hollander-Utrecht z.j.
Isabel Wyatt: De stedenstichters-“Graalschrift“3 en 4.

ACHTERGRONDLITERATUUR OVER DE ANTRPOSOFISCHE SOCIALE IMPULS (onvolledig).
Dieter Brull: De sociale impuls van de antroposofie-Christofoor Zeist.
Dieter Brull: De structuur van de Geert Groote School; artikel in; “Maatschappijstructuren in beweging“-Christofoor, Zeist.
Bernard Lievegoed: Over instituties van het geestesleven-Vereniging ter bevordering van de heilpedagogie, Zeist.
R.Steiner: Antroposofie en het sociale vraagstuk GA 34 (blz 191, 1905)-Christofoor, Zeist.
R.Steiner: Hoe werken de engelen in ons astrale lichaam; GA 182 (1918)-Christofoor, Zeist.
R.Steiner: Sociale en anti-sociale impulsen in de mens GA 186 (1918)-Christofoor, Zeist.
R.Steiner: Die Kernpunkte der sozialen Frage (1919) GA 23
R.Steiner: Die Erziehungsfrage als soziale Frage (1919) GA 296
Gieljan Vingerhoets: Sociale driegeleding in de vrijeschool-eigen uitgave
.

Dit is de letterlijke weergave van een gesproken tekst. Daardoor lopen niet alle zinnen even vlot. Een omwerken van de tekst was op zo’n korte termijn niet mogelijk.

Gieljan Vingerhoets.
Inleiding voor de V.P.C.-overlegkring op 30 april 1988.

 

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [2]   [3]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival

11e klas – Parcival: over de 3 bloeddruppels in de sneeuw

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

.

1065

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parzival (5)

.

PARZIVAL, MIDDELEEUWS GEDICHT MET MODERNE STREKKING

Wolfram von Eschenbach schreef rond 1200 Parzival, een ridderverhaal, dat zich afspeelt rond het hof van koning Arthur.
Peter de Beer stelt zich de vraag of de Parzival past in de huidige belangstelling voor de middeleeuwen. Ook sprak hij met professor Lievegoed over het beeld dat de Parzival geeft van de ontwikkelingsweg van de mens.

De middeleeuwen staan al geruime tijd sterk in de belangstelling en de geschiedschrijving van deze periode, al dan niet in geromantiseerde vorm, trekt een breed publiek. Namen als George Duby, Umberto Eco, Barbara Tuchman en Johan Huizinga zijn algemeen bekend. De historische romans geven van de middeleeuwen zowel een spectaculair beeld als een ideaalbeeld. Maar hoewel de populaire schrijvers boeiend kunnen vertellen, kan (kunst-)geschiedenis ook droog zijn. De belangstelling is waarschijnlijk eerder gelegen in het gangbare ideaalbeeld van de middeleeuwen. De middeleeuwse maatschappij wordt vaak voorgesteld als een duidelijk gestructureerde, stabiele samenleving, waarin mensen hun plaats kennen en weten wat en hoe zij moeten denken. De samenlevingsverbanden zijn klein, de natuur is dichtbij en er is nog ruimte voor hartstocht. Dat dit beeld niet helemaal overeenkomt met de werkelijkheid van toen, is niet belangrijk. Het schept de mogelijkheid de huidige maatschappij te ontvluchten. Deze is immers, technisch-mechanisch, geordend volgens onduidelijke structuren en regelingen. Bovenal zijn mensen hun richtsnoer, dat vroeger vooral was gelegen in het geloof, kwijtgeraakt. Waarden en normen liggen niet meer vast en het gezag van de overheid en de wet is niet meer onaantastbaar. Anders dan de middeleeuwen is men nu vrij te denken wat men wil, maar het blijkt allerminst eenvoudig te zijn, op grond van eigen ideeën, een individueel standpunt te bepalen en daarnaar te handelen. Door te lezen over de middeleeuwen kan de moderne mens even terugkeren naar een tijd waarin de individuele verantwoordelijkheid nog niet zo zwaar woog. Bovendien kan hij of zij het huidige sociale rechtvaardigheidsgevoel botvieren op misstanden in de middeleeuwen, zonder vervolgens tot actie te hoeven overgaan.

Ridderschap
Onlangs* is bij uitgeverij Vrij Geestesleven de Nederlandse prozavertaling verschenen van Wolfram von Eschenbachs Parzival. [1]

Het verhaal begint met de beschrijving van de avonturen, zowel in het oosten als in het westen, van de vader van Parzival, Gahmuret. Diens weduwe, Herzeloyde voedt Parzival op in de bossen om te voorkomen dat ook hij ridder wordt en in de strijd zal sneuvelen. Parzival besluit echter toch ridder te worden en in dienst te treden van koning Arthur, wat hem na vele avonturen lukt. Daarvóór is hij door Gurnemanz onderwezen in het ridderschap en gehuwd met koningin Condwiramurs. Hij is in de graalburcht van de zieke koning Anfortas geweest, waar hij de vraag die de koning van zijn lijden kan verlossen, niet heeft gesteld. Omdat hem dit naderhand wordt verweten, gaat hij op zoek naar de graal. Na door Trevrizent te zijn onderwezen in het geesteliike, innerlijke leven, vindt hij die uiteindelijk.

Het verhaal van Parzival wordt in het boek afgewisseld met de avonturen van Gawan, de beste ridder van de Ronde Tafel. Deze gaat op avontuur uit om zich te zuiveren van de beschuldiging een lage, laffe moord te hebben gepleegd. Hij vertrekt, tegelijk met Parzival, van het hof en beleeft drie grote avonturen die hij tot een goed einde brengt.
Ten slotte handelt de roman nog over de jongste zoon van Parzival, Loherangrin.

Koning Arthur
Wolfram heeft dit boek geschreven tussen 1200 en 1210. Het past in de ‘matière de Bretagne’, waarbij het hof van Arthur als context dient. De literatuurhistorici zijn het er niet over eens of Arthur een historische persoonlijkheid is geweest. Als hij heeft bestaan, dan heeft hij geleefd op de grens van de vijfde en de zesde eeuw. Maar hij is ofwel een door de Kelten verzonnen heldenfiguur, die het volk in benauwde tijden eens zal redden, ofwel een historische aanvoerder, aan wie de volksvertellingen een mythisch karakter hebben verleend. Historische bronnen maken wel melding van zo’n legendarische aanvoerder. Slechts enkele daarvan geven zijn naam: Arthur. Pas in het historische epos Historia regum Brittanniae (± 1137) van Geoffrey van Monmouth wordt het hele levensverhaal van Arthur verteld. Dit boek kende een grote populariteit en is door Wace vertaald in de volkstaal. Diens navolgers gebruikten de gegevens slechts als achtergrond voor hun eigen stof, waarin steeds meer fantastische elementen slopen. Een van hen is Chrétien de Troyes. De geschiedenis van Arthur is voor hem slechts een vindplaats van literaire thema’s, zoals de liefde en het hoofse gedrag. Het hof is daarmee tijdloos geworden. Eén van Chrétiens romans is Perceval ou le conté du graal. Deze heeft zeker als basis gediend voor Wolframs Parzival. De Parzival kan worden beschouwd als het hoogtepunt in de graaloverlevering.

Tot 1200 zijn de Arthurromans geschreven in de versvorm. In de dertiende eeuw wordt, althans in Frankrijk, het proza de normale vorm. Behalve door erop te wijzen dat er een lezend publiek was ontstaan, wordt dit verklaard aan de hand van het verschil in toegeschreven waarheidsgehalte. Verzen zouden een leugenachtige inhoud hebben, terwijl proza werd beschouwd als een waarmerk van de historische betrouwbaarheid van het geschrevene. In die tijd ontstond weer de behoefte de stof in te passen in een ‘historisch’ relaas. Het is onwaarschijnlijk dat ook in het dertiende-eeuwse Duitsland de versvorm werd vervangen door de prozavorm. Zou dit wel het geval zijn geweest, dan is het mogelijk dat Wolfram in verband met de diepere, esoterische betekenis van zijn Parzival met opzet in rijm heeft geschreven.

Dit taalkundige uitstapje brengt mij op de zojuist verschenen vertaling, de eerste volledige die in het Nederlands is verschenen. De vertaler, Leonard Beuger, heeft — naar zijn zeggen — getracht zo dicht mogelijk bij het origineel te blijven zonder concessies aan de inhoud te doen. De Parzival levert voor iedere vertaler of hertaler grote moei;ijkheden op. Het uitgangspunt van deze vertaler is prijzenswaardig. Behoudens enige inconsequenties heeft hij zich hieraan gehouden, en met succes. Een nadeel van zijn werkwijze is dat een deel van de vertaal- en interpretatieproblemen wordt afgeschoven op de lezer. Specifieke, middeleeuwse uitdrukkingen en begrippen waarvan de betekenis soms van de context afhankelijk is, worden nu met een modern Nederlands ‘equivalent’ vertaald. Hoewel zijn keuze van de ‘equivalenten’ (bijvoorbeeld trouw voor ‘triuwe’) meestal niet slecht is, moet de lezer zelfde nuances aanbrengen of invoelen. Dit geldt ook voor woorden die niet precies te vertalen zijn. Hier en bij vele beeldspraken en zinswendingen geeft de vertaler geen interpretatie (bijvoorbeeld bij liebe en minne = liefde en minne). Het voordeel is, dat de lezer voor zichzelf de schoonheid, de inhoud en de stijl van het werk kan (leren) bepalen en waarderen. Hoewel Beuger bij de keuze van zijn woorden en uitdrukkingen, die soms onnodig ouderwets of ingewikkeld zijn, niet altijd even gelukkig is geweest, heeft hij een uitstekende, goed leesbare vertaling afgeleverd, die de beeldende kracht en de bizarre, soms duistere stijl van het origineel vaak dicht benadert. De aantekeningen zijn overeenkomstig zijn uitgangspunt sober, dat wil zeggen bijna alleen encyclopedisch, maar verhelderend. Het staat buiten kijf, dat Wolframs Parzival een bijzonder kunstwerk is. Deze nieuwe vertaling doet daar alle recht aan: de lezer kan in de eigen taal genieten van de literaire procedés die Wolfram hanteert en die in een moderne roman niet zouden misstaan, van het beeldende taalgebruik, het gevoel voor nuances, de humor, de sublieme compositie en de contrasten tussen de stof en het commentaar daarop van de verteller.

Dubbele bodem
Past de Parzival in de huidige belangstelling voor de middeleeuwen? Het boek biedt zonder twijfel sensatie. Het is immers een spannend ridderverhaal met sprookjesachtige en gewelddadige elementen. Liefde, trouw en eer spelen een grote rol De betekenis van de religie en de familie is voor de moderne lezer acceptabel. Het hoofse gedrag en de riddercode geven aan de waarden en normen een duidelijke inhoud. Bovendien is het een literair werk uit de middeleeuwen, waardoor een nieuwe dimensie wordt toegevoegd aan een
bestaande belangstelling. In deze opzichten heeft het werk betekenis voor de moderne lezer. Een modern aandoend aspect is de ontwikkeling van de romanfiguren, waardoor het boek een extra waarde, een dubbele bodem krijgt. Wolfram heeft verscheidene ‘dubbele bodems’ ingebouwd. Ergenlijk kan men beter spreken van een ‘drie- of meervoudige gelaagdheid’ want de roman laat zich op veel niveaus lezen. Eén daarvan heb ik al genoemd: een spannend ridderverhaal.

In een gesprek met professor Lievegoed, die zich al sinds het eind van de jaren twintig met de Paizival bezighoudt, komt een tweede niveau aan de orde, namelijk het beeld dat de Parzival geeft van de ontwikkelingsweg van de mens. Hieronder heb ik getracht de opvattingen van Lievegoed zo goed mogelijk weer te geven.

Lievegoed meent dat de Parzival historische gebeurtenissen beschrijft uit de negende eeuw, toen pas een einde was gekomen aan de regering van Karel de Grote. Natuurlijk stammen het  taalgebruik, de gewoontes en het verhaal over Gahmuret uit de dertiende eeuw. In de dertiende eeuw was de verhouding oost-west echter heel anders dan in de negende eeuw, zodat een historische inleiding noodzakelijk was. Bovendien was de betekenis van de roman, zeker met betrekking tot de Ronde Tafelridders en de graal, ketterij. Daar rond 1200 de inquisitie zeer actief was, moest Wolfram in beelden en imaginaties schrijven, zodat de achterliggende ideeën slechts door ingewijden konden worden begrepen. Maar, zo meent Lievegoed, uit de beschrijving van de constellatie der planeten is te berekenen wanneer het verhaal zich in werkelijkheid heeft afgespeeld. Een mondelinge overlevering van 400 jaar is volgens hem geen   uitzondering. Pas wanneer een verhaal verloren dreigt te gaan, wordt het opgetekend. Arthur is niet de naam van een persoon, maar de naam voor een functie, namelijk die van koning van de Kelten.

Lievegoed vindt dat het boek deel moet gaan uitmaken van onze cultuur. De eerste reden hiervoor is dar Wolfram elementen uit een bestaande materie op een geheel eigen wijze heeft samengevoegd en enkele nieuwe elementen daaraan heeft toegevoegd. Inhoud en compositie zijn daardoor verrassend, nieuw rn goed op elkaar afgestemd. Hij doelt vooral op de ontwikkelingen van Gawan en Parzival. De tweede reden is, dat de Parzival een voorbode was van een toen toekomstige cultuur met een voorspellende waarde, zoals de Odyssee dat op een ander niveau is geweest.

Voorbode
Lievegoed begint meteen te vertellen over het belang van de Odyssee. In de ontwikkelingsfase waarin de mens zich bevond tot de tijd waarin Homerus schreef, beleefde hij de wereld op een bepaalde manier. Hij kon alleen primair reageren op wat hij waarnam: de reactie was spontaan, zintuiglijk en gericht op de waargenomen werkelijkheid. Concrete gebeurtenissen en personen, en zijn reacties daarop, kon hij zich achteraf wel voor de geest halen, maar met abstracte denkbeelden ging dat moeilijker. Tot in de tijd der Pythagoreeërs (zesde eeuw voor Christus) gold het zich voorstellen van een driehoek als een topprestatie in het abstracte denken. In een nog eerdere ontwikkelingsfase van de mens was hij niet eens in staat zich gebeurtenissen te herinneren.

De Odyssee is de voorbode van het einde van die ontwikkelingsfase. De mens betreedt hier de volgende trede op de psychische ontwikkelingsladder, en wel in de persoon van Odysseus. Na tien jaar oorlog waren de Grieken de strijd moe. Odysseus bedenkt echter een list. Met behulp van het paard van Troje wordt de overwinning behaald. Niet de overwinning, maar de list is een teken van de nieuwe ontwikkelingen. De voorafgaande fase was, zoals Lievegoed het noemt, die der gewaarwordingsziel, de nieuwe is die der verstandsziel. De bewoners van Troje doorzien de list niet. Even zijn ze wantrouwend, maar ze beoordelen het paard slechts op het uiterlijk: groot en onschuldig. Odysseus is de eerste die zijn verstand op deze wijze creatief gebruikt. Daardoor is ook een list of leugen mogelijk geworden. Men gaat inzien dat de werkelijkheid zich anders aan de mens kan voordoen dan zij in feite is. De beschrijving van de overgang van gewaarwordingsziel naar verstandsziel heeft de Odyssee tot een tijdloos boek gemaakt. Het vormt een mijlpaal in de ontwikkelingsgeschiedenis van de mens. Door de eeuwen heen is het gewaardeerd en het is een deel geworden van onze cultuur.

De nieuwe ontwikkelingsfase, waarin de verstandszielemens heerst, loopt volgens Lievegoed door tot de vijftiende eeuw. De Parzival is een voorbode van de daaropvolgende ontwikkelingsfase, die der bewustzijnsziel, en is zijn tijd dus driehonderd jaar vooruit. Tussen 1200 en 1500 is de verstandszielemens op zijn hoogtepunt. Wat houdt de eigen manier van denken en doen in die fase precies in? Men reageert niet meer spontaan en primair, maar ontwikkelt het abstracte denken. Onder invloed van de Arabieren, die de klassieken kennen en bewerken, krijgt het intellect meer aandacht. De werkelijkheid wordt niet meer als zodanig beschouwd, maar via voorstellingen erover. Men stelt dogma’s tegenover elkaar en discussieert daarover, bijvoorbeeld in de vorm van een ‘disputatio’, waarbij de opponenten van rol wisselen. Men probeert uit te vinden wat waar is, wat juist en wat fout is. Argumenteren is van groot belang, maar men mag de heersende dogma’s, die immers waar zijn, niet afvallen. Dus in het denken is men niet vrij. Non-conformisten worden gestraft. Vanaf 1200 teistert de inquisitie vooral Frankrijk. Het is ook de tijd van de grote verstandszielemensen als Albertus Magnus en Thomas van Aquino.

Zoals gezegd, kondigt de Parzival een nieuwe ontwikkelingsfase aan, die van de bewustzijnszielemens.

Biografie
Ieder individu, zo zegt Lievegoed, maakt in zijn biografie de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid door. Oudere fases dan die waarin iemand zich in een bepaalde tijd bevindt, worden als het ware eigenschappen die ontwikkeld kunnen worden. Daarom is het bijvoorbeeld mogelijk een kind tot op zeker niveau waarnemen en abstract denken te leren. Hij licht dit aan de hand van het volgende toe:

Gawan is vanaf zijn vierde jaar aan het hof van Artus, de Duitse benaming voor Arthur, die de broer is van zijn moeder, en krijgt daar een goede opvoeding. Hij is dé vertegenwoordiger en exponent van de cultuur van dat moment: de modelridder. Hij weet precies hoe hij zich moet gedragen en wat hij moet denken, hij weet met vrouwen om te gaan en is erudiet. Met de riddercode kan Gawan de werkelijkheid aan. Hij denkt en handelt altijd volgens het hoofse ideaal. Hij wordt echter van een lage moord beschuldigd. Dit is een nieuwe ervaring voor Gawan, het begin van een veranderingsproces. Uiteraard wil hij in een duel zijn gelijk bewijzen. Op weg daarnaartoe komt hij langs een belegerde burcht. Wegens zijn belofte het duel aan te gaan en zijn naam van blaam te zuiveren, houdt hij zich afzijdig van de strijd. De oudste dochter van de koning bespot hem en twijfelt aan zijn stand: ridder of koopman. Voor het eerst twijfelt iemand aan zijn maatschappelijke status, maar tegelijk stelt iemand anders, namelijk de jongste, twaalfjarige dochter Obilotte, alle vertrouwen in hem als
persoon en vraagt hem in haar naam te strijden. Gawan wijkt van zijn gedragscode af. Daarmee helpt hij weliswaar een vrouw, of liever gezegd een jong meisje van ongeveer twaalf jaar, in nood, maar hij doet dat ook voor zichzelf. Als hij de strijd in zijn voordeel en dat van de burcht heeft afgesloten, is hij edelmoedig tegenover de oudste dochter. Op het aanzoek van Obilotte gaat hij niet in: zij is nog veel te jong. Hij trekt verder en bereikt een andere burcht, waar hij uitstekend wordt ontvangen. Antikonie houdt hem aangenaam gezelschap. De burchtbewoners herkennen in hem de vermeende moordenaar van hun koning, de vader van Antikonie. In strijd met het gastrecht vallen ze hem aan. Hij en Antikonie verschansen zich in haar hoogste torenkamer en verdedigen zich met behulp van een schaakbord en -stukken. Net op tijd wordt hij ontzet. Ter compensatie voor het uitstellen van het duel moet hij de graal zoeken. Het aanzoek van Antikonie wijst hij af, omdat hij nog verder moet. Onderweg ontmoet hij Orgeluse, voor wie hij onmiddellijk in vuur en vlam staat. Zij
behandelt hem lomp, scheldt hem uit en bespot hem. Bovendien geeft ze hem steeds weer zware opdrachten, waarbij hij telkenmale bijna zijn leven verliest. Pas als hij de vierhonderd jonkvrouwen uit het ‘Schastel Merveile’ heeft bevrijd en een krans heeft bemachtigd, houdt Orgeluse op hen te beproeven. Ze bekent dan, dat ze doodsangsten heeft uitgestaan, maar dat ze hem de beproevingen moest opleggen. Gawan moest zijn ziele-ontwikkeling doormaken door ontmoetingen.

In het eerste avontuur wordt de gewaarwordingsziel in kinderlijke vorm uitgebeeld. Obilotte heeft meteen vertrouwen in Gawan. Zij vertegenwoordigt de gewaarwordingsziel. De liefde is kinderlijk en rein. In het tweede avontuur wordt de verstandsziel uitgebeeld. De hoogste kamer in de toren is op te vatten als de sfeer van het denkende hoofd. Een vrouw met een schaakspel is het beeld bij uitstek van de verstandsziel. In dit avontuur is er bovendien sprake van verraad. Gawan wijst Antikonie, die ongeveer dertig jaar zal zijn, af omdat hij verder moet. Hij begint te zien en te begrijpen. In het derde avontuur staan de beproevingen en de slechte behandeling centraal. Steeds weer moet Gawan zich met moed en tegenwoordigheid van geest redden uit levensgevaarlijke situaties. Orgeluse is een vrouw van rond de veertig jaar. Uit liefde voor haar houdt hij vol. Hij zet zich niet in als ridder, maar als Gawan. Hij beziet de werkelijkheid niet vanuit zijn ridderscode. Hij neemt zelf een standpunt in tegenover de code en zijn gedrag. Hii gooit als het ware zijn ‘ik’ in de strijd.
Daarmee is het wezen van de bewustzijnszielemens aangegeven. Deze neemt zelf een standpunt in en neemt een beslissing. Hij wordt geplaatst voor situaties die hij wellicht niet overziet, maar waar hij handelend mee om moet gaan. Moed en tegenwoordigheid van geest zijn nodig om die situaties aan te kunnen. Twijfel aan dogma’s en ideeën is daartoe een voorwaarde. (Het tweede woord van de proloog is ‘zwïfel’ (twijfel)! Een proloog neemt in de middeleeuwen een belangrijke plaats in in een boek.) De bewustzijnszielemens vergelijkt niet meer ideeën met elkaar, maar neemt zelf stelling tegenover die ideeën. De mens brengt zichzelf in de discussie in en draagt de verantwoordelijkheid daarvoor. De leeftijden komen ongeveer overeen met de overgangen in de moderne mens van de ene fase naar de andere, zo stelt Lievegoed.

Verschillende wegen
Gawan en Parzival gaan ieder een eigen ontwikkelingsweg. Gawan volgt de uiterlijke weg, de weg naar buiten. Hij ontwikkelt zich in het sociale leven, aan de ontmoetingen met vrouwen. Twijfel aan zijn persoon ervaart hij als kwetsend. Wanneer hij met Orgeluse is gehuwd, laat hij de zieleproblemen achter zich. Hij heeft in de beproevingen die hem door Orgeluse werden opgelegd,
bewustzijnszielekrachten veroverd. Hij eindigt zijn ontwikkeling waar Parzival is begonnen. Gawan heeft de Graal niet echt gezocht.

Parzival, die overal is geweest waar Gawan komt, heeft niets met de avonturen van Gawan te maken. Die behoren niet tot zijn ontwikkelingsweg. Na zijn wereldlijke opvoeding door Gurnemanz is hij op de hoogte van de cultuur van zijn tijd. Hij kan als wereldlijk ridder Conwiramurs redden. Maar innerlijk is hij nog ontwetend. Zijn tweede opvoeding krijgt hij op een andere manier: de graalweg. De graalburcht ligt verborgen in een bos waarin iedereen verdwaalt. Alleen diegenen die rijp zijn om de graal te beleven, kunnen hem vinden. Parzival komt ’s avonds bij de burcht en vertrekt ’s morgens. Hij beleeft die nacht het graalavontuur. De hele graalburcht is een nachtbeleven. Is het droom of werkelijkheid? De graalburcht, een objectieve innerlijke beleving. Parzival gaat die innerlijke weg, de weg van de geest. Hij ontwikkelt zich van dwaas tot ingewijde, niet aan de ontmoetingen in het sociale leven, maar aan innerlijke probleemstellingen: wat is het wezen van de graal? Wat betekent het dat Anfortas ziek is? Enzovoort.
Lievegoed bewondert Wolfram omdat deze de twee geschetste ontwikkelingslijnen in een uitgekiende compositie heeft uitgebeeld. Het resultaat hiervan is, dat duidelijk wordt dat Gawan en Parzival twee gelijktijdig optredende aspecten van één ontwikkelingsweg zijn, namelijk het ziels- en het geestesaspect. Gawan en Parzival vertrekken tegelijk van het hof, ze zijn praktisch op hetzelfde moment bij verschillende burchten. Ze komen tenslotte weer samen: buiten het hof, als onbekenden. Ze strijden. Wanneer Parzival dreigt te winnen, waarschuwt een schildknaap Gawan. Parzival maakt zich ook bekend. Ze staken de strijd en verzoenen zich uiteraard. ‘Ik heb miizélf verslagen’, zo zegt Parzival dan. En Gawan zegt: ‘Jouw hand heeft ons beiden verslagen.’

Wat mij niet helemaal duidelijk is geworden tijdens het gesprek is de verhouding tussen de ontwikkelingsfasen en het soort problemen waarmee men te maken krijgt. Volgen zij elkaar in de individuele, moderne mens op, overeenkomstig de genoemde leeftijden? En: kent iedere fase haar eigen problemen of loopt het onderscheid ziele- en geestesproblemen niet parallel aan de ontwikkelingsweg? Wellicht worden geestesproblemen in de verstandszielefase of in de vroege bewustzijns-zielefase ‘vertaald’ als zieleproblemen. Een dertigjarige denkt aan stress te lijden omdat hij ruzie heeft met zijn vrouw, maar in werkelijkheid twijfelt hij aan de zin van zijn bestaan. Voor een antwoord op deze vragen verwees Lievegoed me naar zijn boek De levensloop van de mens.

Het is volgens Lievegoed eigen aan de bewustzijnszielemens zich met morele zaken bezig te houden. Niet: is iets juist of fout, maar wat is het Goede of het Slechte. Daarin schuilt de basis voor de eigen verantwoordelijkheid. Dergelijke vragen worden tegenwoordig gesteld, bijvoorbeeld in de euthanasiekwestie. Deze stap, namelijk die van persoonlijke stellingname tot morele standpuntbepaling, kan in de Parzival mijns inziens niet los worden gezien van het graalmotief Parzival staat twee keer voor de keuze: Artus of Anfortas, uiterlijk of innerlijk. De eerste keer kiest Parzival (onbewust) voor het uiterlijk, namelijk voor Artus. Deze misstap maakt hii later goed door toch de graalweg te volgen. dit betekent dat het niet eigen is aan de bewustzijnszielemens om zich moreel in dogmata op te stellen (zo hoort het), maar wel om via een persoonlijke stellingname uiteindelijk, als hij zich ook innerlijk en ethisch ontwikkelt, op morele vragen uit te komen (hoort het wel zo?).

Inzicht
Lievegoed ziet in de Parzival een aanwijzing voor de moderne mens. De Parzival geeft geen eenduidige oplossingen, maar kan inzicht geven in de problematiek van de moderne mens. Gewelddaden, zoals de moord op de directeur van Renault, worden gepleegd om sociaal iets te bereiken. Als de moderne mens, de mens van de twintigste en eenentwintigste eeuw, niet een moreel standpunt zal nastreven dan zullen wij een strijd van allen tegen allen krijgen. Wij moeten leren het goede te doen vanuit een persoonlijk inzicht.

Ieder, zo zegt Lievegoed, heeft een lotsbestemming en is in het bezit van mogelijkheden of talenten. Ieder heeft de taak deze talenten als uitgangspunten te ontwikkelen. Indien men niet overeenkomstig zijn talenten handelt, dan raakt de lotsbestemming gefrustreerd, het ‘karma’ raakt in de war, men is ziek. Dit is Anfortas overkomen. Hij was voorbestemd graalkoning te worden, iemand die anderen te allen tijde onzelfzuchtig moet helpen. Eén keer kwam hij een vrouw, Orgeluse, niet onzelfzuchtig te hulp, maar uit begeerte. Hij raakte gewond aan zijn genitaalstreek. De ziekte treft hem in het kwetsbare deel van zijn persoonlijkheid. De Parzival leert dat een ander een zieke kan helpen. Niet via de bekende geneeswijzen, maar door het stellen van een vraag die een nieuw proces op gang kan brengen. Niet het antwoord, maar de vraag is het belangrijkste. Zij is de sleutel tot genezing, want zij getuigt van het juiste inzicht in de problematiek. De vraag was: ‘Oom, waz wir-ret dir?’, wat is er met jou, is jouw karma in de war? Parzival doorziet dat Anfortas niet gewoon ziek is, maar zijn geestelijke taak tekort heeft gedaan. In de moderne tijd is van ieder van ons het karma in de war. Allemaal hebben we het gevoel dat we niet datgene doen wat we zouden moeten kunnen. We leven beneden onze standaard. Pas als men tot een dergelijk inzicht is gekomen bij zichzelf, kan men werkelijk een eigen standpunt innemen en verantwoordelijkheid dragen voor het handelen dat daarop is gebaseerd. Dan pas is men een echte bewustzienszielemens: bevrijd van het eigen karma. Men heeft dan zoveel inzicht in het eigen kunnen en functioneren, dat men echte keuzes kan maken. Het proces van het herkennen van zowel de eigen problemen als de eigen mogelijkheden kan dus door een ander door middel van een vraag in werking worden gezet. Wellicht ook door een boek: de Parzival.

Kwaad en goed
Lievegoed heeft in zijn praktijk onder meer dit boek gebruikt als een hulpmiddel bij therapieën die zijn gericht op geestesproblemen. De beelden uit de Parzival kunnen duidelijk maken dat men een specifieke geestesproblematiek doormaakt en kunnen bovendien bij dragen aan de verheldering daarvan. Meer in het algemeen kan men zeggen dat beelden objectiverend werken, wat een van de redenen is dat ook psychologen als Jung en Assagioli er in hun praktijk gebruik van maakten. Afgezien van de rijkdom aan beelden die de Parzival bezit, kan het boek bij dragen aan het inzicht dat iedereen, vroeg of laat, dezelfde ontwikkeling doormaakt en moet doormaken.

Verder illustreert de Parzival dat uit het kwade het goede kan voortkomen. Lievegoed citeert in dit verband een middeleeuwse spreuk: ‘Es ist das königliche Recht des Bösen, dass es immer das Gute gebirt’. In de verstandszielefase mocht men geen verkeerde gedachte hebben. De brandstapel kon het gevolg zijn. Vandaar de strijd om definities van de feiten. Nu mag men wel andere gedachten hebben dan alleen de gangbare. Het gaat nu om andere dingen, om morele zaken. Als je verkeerd heb gehandeld, dan is dat nog goed te maken. Parzival bijvoorbeeld, behandelt Ieschute, wanneer hij haar voor het eerst ziet, niet erg ridderlijk, eigenlijk onheus. Haar echtgenoot, Orilus, komt later thuis, vertrouwt haar en haar relaas van de gebeurtenissen niet en behandelt haar slecht. Bij de tweede ontmoeting is Orilus ook aanwezig. Parzival verslaat hem en stuurt hem naar het hof van Arthur. Zonder de eerste wandaad en het goedmaken daarvan zou Orilus nooit tot het hof van Arthur, het culturele centrum van de wereld, zijn toegelaten. Je kunt alleen het goede doen als je kwadc kent. Zo is de graalweg het beeld voor de ontwakende nachtmens. In de middeleeuwen was het verschil tussen de dag- en nachtwereld veel kleiner, de nachtwereld was net zo reëel als onze dagwereld. Onze nachtwereld is: wat heb ik vannach gedroomd. Maar het nachtleven is geen subjectieve flauwekul. Het moet wakker worden in de
bewustzijnszielemens. Wij mogen niet meer slaper ons nachtbewustzijn moet zo worden, dat we daarin een stuk van onze ontwikkeling kunnen gaan.

Dit brengt mij weer bij de oorspronkelijke vraagstelling: past de Parzival in de huidige belangstellingssfeer? Het lijkt mij van wel. Hij biedt een vluchtweg, maar hij kan de eventuele vluchteling wellicht ook weer in de huidige tijd terugbrengen.
Lievegoed vindt dat het boek een cultuurvormende taak heeft: het geeft een dieper inzicht in de centrale problemen van deze tijd.

Het moge duidelijk zijn dat het boek zoveel mooie en diepe beelden bevat dat iedereen er wel iets van zijn gading in kan vinden.
Laffrée, Beuger en de schrijver van het heldere en informatieve voorwoord, professor Van der Lee, zeggen het respectievelijk als volgt: ‘De vertelling zelf is een graalschaal: onuitputtelijk stromen daaruit ideeën ei inspiraties. Daarom is zij (…) van alle tijden’; ‘Deze hele vertaling is erop gericht de lezer zélf het boek, schoon en duister als het is, te laten ontdekken’ en ‘Om de plaats van Wolframs Parzival in de geschiedenis van de westerse cultuur te bepalen is tot op heden nog niet gelukt. (…) Men heeft hem wel een voorloper van Luther genoemd, vergeleken met de Faust-figuur van Goethe. Maar zulks kan het poly-interpretabele werk van de dichter meer schaden dan baten, het doet deze hoofse-ridderroman onrecht (_).’

Peter de Beer, Jonas *10, 09-01-1987

[1] L.Beuger ‘Parzival’

 

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [2]   [3]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival

11e klas – Parcival: over de 3 bloeddruppels in de sneeuw

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

1045

 

 

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parcival (4)

.

De drie bloeddruppels in de sneeuw

Reeds eeuwen lang hebben de beelden uit het Parcivalepos de mensen geboeid. Eén speciaal beeld, dat van de bloeddruppels in de sneeuw, heeft ook schilders meermalen geïnspireerd. Geïmponeerd door de wijze waarop dit deel van het verhaal uitgewerkt is, heb ik mij afgevraagd wat zich in dit beeld onthult.

Op het ogenblik dat Parcival de Graalsburcht onvoorbereid voor het eerst betreedt, heeft hij al een heel aantal avonturen achter zich. Hij heeft zijn moeder verlaten, bij wie hij zijn jeugd doorgebracht heeft, hij heeft kennis gemaakt met het raadsel van de dood en kennis gemaakt met de ridders van het hof van Koning Arthur. Hij is daarop de wereld ingetrokken met zijn oude paard en zijn ongevaarlijke houten speer, omdat zijn moeder hem immers beschermen wilde voor ernstige avonturen. Hij raakt al spoedig in moeilijkheden verwikkeld, waarvan de eerste is de ontmoeting met Jeschute in de tent. Hij vindt hier een slapende jonkvrouw. Zijn moeder had hem verteld dat men van een jonkvrouw proberen moest een ring te ontvangen en haar daarvoor een kus moest geven. Hij trekt dus voorzichtig een ring van haar vinger, geeft haar een zoen en sluipt ongemerkt weg. Als de jonkvrouw daardoor ontwaakt, is zij zeer onthutst over hetgeen haar gebeurd is. Als haar man Orilus thuiskomt gelooft hij van haar hele verhaal niets en denkt dat zij hem ontrouw geweest is. Dit kleine avontuur is later van groot belang, zoals we zullen zien. We zouden het zo kunnen karakteriseren dat Parcival hier onschuldig schuldig is. Hij bedoelt het goed, maar richt toch onheil aan.

Daarna komt hij aan bij het hof van Koning Arthur, hij vecht met Ither, de rode ridder, die hij met meer geluk dan wijsheid doodt door zijn houten lansje door een oogspleet van het harnas naar binnen te steken en Ither zo de schedel te doorboren. Vervolgens begint zijn leertijd bij Gurnemanz, in welke tijd hij ook voor het eerst Kondwiramur, zijn toekomstige geliefde, zijn ‘minne’ ontmoet. Al deze dingen zijn hier kort weergegeven in de veronderstelling dat ze min of meer bekend zijn.

Tenslotte komt hij op zekere avond in de Graalsburcht, die zeer onverwachts voor hem opdoemt in een hoog gebergte. Hij ziet hoe zijn oom Amfortas binnengedragen wordt op een rustbed, omdat hij verwond is, hij ziet de bloedende lans die eveneens binnengedragen wordt. Daarna wordt de Graal zelf binnengedragen, tal van jonkvrouwen en ridders komen binnen, scharen zich om de Graal, hij maakt het hele ceremonieel mee, ziet hoe allen door de Graal gespijzigd worden, doch begrijpt er niets van. Dat hij niet vraagt wat dit alles betekent, is de bekende vraag die men wel de Parcivalvraag pleegt te noemen, dat wil zeggen, een vraag waar iets van afhangt, dat niet zal gebeuren als zij niet gesteld wordt.

Al deze dingen moet ik, zoals gezegd, als bekend veronderstellen. Als Koning Amfortas en de lans weggedragen worden, als alle jonkvrouwen en ridders de zaal verlaten hebben, als de Graal weggedragen is, wordt hij naar zijn eigen kamer geleid waar hij een onrustige nacht doorbrengt. In de vroege ochtend wordt hij wakker, hij vindt zijn wapenuitrusting naast zijn bed, hij kleedt zich aan, gaat naar de binnenplaats, ziet geen mens, doch wel dat zijn paard gezadeld klaar staat; hij stijgt op zijn paard, rijdt de slotbrug weer over die onmiddellijk daarna omhoog klapt, hij hoort nog een verwijtend woord dat hem nageroepen wordt, hij voelt ook heel duidelijk dat hij iets verzuimd heeft, maar hij weet eenvoudig niet wat.

Bij alle verhalen over Parcival moeten we goed begrijpen dat van zijn kant uit hij geen fout gemaakt heeft. Hij had geleerd dat het onbeleefd is om vragen te stellen; dat is een van de dingen die altijd aangehaald worden om hem te verontschuldigen. Het hele verhaal krijgt echter nog een ander aspect wanneer wij het volgende in ogenschouw gaan nemen.

Als Parcival verder rijdt, ziet hij aan de kant van de weg een jonkvrouw zitten met een dode ridder, Schionatulander, op haar schoot, die zij beweent; het is Sigune. Zij kent Parcival, spreekt hem aan, spreekt over haar eigen verwantschap met hem, zij vertelt hem over zijn moeder, enz. De hoofdzaak is dat wij het beeld, de jonkvrouw met de dode ridder op haar schoot, goed in onze herinnering moeten inprenten. Het betekent namelijk een keerpunt in Parcivals leven. Wanneer hij verder trekt komt hij Orilus en Jeschute weer tegen. Omdat Orilus nog steeds gelooft dat zijn vrouw hem ontrouw geweest is, mag zij niet naast doch slechts achter hem rijden, gehuld in bedelkleren, een beeld van schande.

Wat later komt hij op een grote besneeuwde vlakte, waarbij hij een roofvogel in de lucht ontdekt, die een gans met zich meesleurt die weliswaar weet te ontkomen, doch verwond is, zodat drie bloeddruppels op de sneeuw vallen. Als Parcival deze drie bloeddruppels ziet raakt hij helemaal in trance. Hij zit op zijn paard, staart naar het bloed op de sneeuw en vergeet alles wat om hem heen gebeurt.
Dicht in de buurt is het hof van Koning Arthur gelegen. Er zijn ridders die in de omgeving rondrijden, één van hen ontdekt Parcival, die hij kent. Hij spreekt hem aan en vermaant hem mee te gaan naar Koning Arthur, doch Parcival reageert helemaal niet. Enigszins verbaasd probeert de ridder thans Parcival min of meer uitdagend te benaderen door een soort van gevechtshouding aan te nemen. Daardoor ontwaakt Parcival een ogenblik uit zijn droomachtige toestand, hij neemt zijn lans, rent op de ander in, stoot hem uit het zadel en gaat weer naar zijn oude plaats terug, starend naar de drie bloeddruppels in de sneeuw.

Om de geschiedenis niet te lang te maken is het voldoende om te zeggen dat het een andere ridder net zo vergaat, die zelfs nog ongelukkiger komt te vallen zodat hij een been en een arm breekt. Men zou kunnen zeggen dat de verontwaardiging onder de ridders van Koning Arthur steeds groter wordt, terwijl Parcival zich van alles niets aantrekt en slechts onafgebroken geheel verzonken blijft in het beeld van het bloed op de sneeuw.

Tenslotte verschijnt zijn vriend Gawan ten tonele. Hij kent Parcival goed, begrijpt wat er aan de hand is, neemt zijn mantel en bedekt daarmee de bloeddruppels. Nu pas kan Parcival ontwaken uit deze quasi hypnotische toestand, waarna hij met Gawan meegaat naar het hof van Koning Arthur.

Wat is de diepere achtergrond van deze scène met de drie bloeddruppels? Wolfram von Eschenbach geeft zelf een antwoord; hij zegt dat Parcival door deze bloeddruppels herinnerd wordt aan de blos op de koon van zijn geliefde. Hij wordt om zo te zeggen herinnerd aan zijn ‘minne’, dat wil zeggen het ideaal waarvoor hij ten strijde trekt. Ook Chréstien de Troyes geeft een soortgelijke verklaring.

Ik heb nooit helemaal begrepen hoe men bij het zien van bloed aan de kleur van de blos op iemands wangen kan denken, doch aan de andere kant komt dit beeld meer voor. Immers, bij het sprookje van Sneeuwwitje horen we ook dat haar moeder, toen zij voor het venster zat te naaien, zich in de vinger prikte en dat drie bloeddruppels op de sneeuw vielen. Bij de aanblik daarvan zegt de moeder dat ze hoopt een kind te krijgen met een huid zo wit als sneeuw en zo rood als bloed. In zoverre dekken deze twee verhalen elkaar. Doch er zijn nog meer voorbeelden van bloeddruppels die een andere taal spreken. Zo bijvoorbeeld de Ganzenhoedster, waar bloeddruppels op een wit zakdoekje gedruppeld worden door een moeder, die dit aan haar dochter meegeeft en erbij zegt: ‘bewaar het goed, je zult het op reis nodig hebben’.

Een derde voorbeeld van hetzelfde beeld is gegeven in het sprookje van ‘De drie oude mannetjes in het bos’. De overige inhoud daarvan is voor ons niet van belang. We hoeven slechts te vermelden hoe een jong meisje, in een papieren jurkje en slechts een korst brood als proviand door haar boze stiefmoeder midden in de winter, als alles besneeuwd is, het bos ingestuurd wordt om aardbeien te zoeken. Als ze bij een klein huisje komt ziet ze drie oude mannetjes uit het raam kijken, die haar vragen wat ze daar komt zoeken. ‘Ik moet van mijn moeder aardbeien zoeken in het bos’, zegt ze. ‘Maar kind’, antwoorden de drie mannetjes, ‘je kunt in de sneeuw toch geen aardbeien vinden!’. ‘Nee, dat weet ik, maar ik durf niet zonder thuis te komen’. Ze wordt daarop binnengelaten, ze mag zich warmen bij het vuur en de mannetjes vragen haar of ze iets van haar brood kunnen krijgen omdat ze honger hebben, waarop het meisje vanzelfsprekend haar brood met hen deelt. Hierop vraagt er een of ze hun nog een dienst zou willen bewijzen, waartoe ze graag bereid is. Ze geven haar een bezem en verzoeker haar de sneeuw voor de achterdeur weg te vegen. Als ze dat doet komen er van onder de sneeuw prachtige aardbeien te voorschijn.

De verdere geschiedenis hoeft, zoals reeds gezegd, niet vermeld te worden. Het gaat erom dat wij duidelijk hetzelfde beeld weer tegenkomen, een beeld dat ons onmiddellijk herinnert aan het bloed op de sneeuw.

Wij kunnen ons nu weer afvragen: wat kan dit beeld ons vertellen? Hiertoe moet men een aantal indrukken samennemen: Parcival komt uit de Graalsburcht met de vraag in zich wat dit alles te betekenen heeft. Hij ziet eerst Sigune met Schionatulander op haar schoot, dan Orilus en Jeschute. Pas daarna wordt hij geconfronteerd met het mysterie van de drie bloeddruppels in de sneeuw.

Parcival staat gefascineerd naar het bloed te kijken, zo zegt men. Ik meen echter dat er nog een andere opvatting mogelijk is, die geheel nieuwe gedachten in ons kan opwekken. Wij zouden ons kunnen vragen: waar kijkt Parcival naar? Als wij dan vanzelfsprekend zeggen: naar het bloed, meen ik dat hier een eenzijdigheid dreigt. Zeker, hij ziet dat bloed, doch ik zou willen opmerken dat bloed voor Parcival niets bijzonders is. Hij heeft veel gevechten geleverd, veel mensen gedood; bloedige avonturen zijn hem overbekend. Ik ga nu zo ver door te zeggen dat Parcival in werkelijkheid niet naar het bloed kijkt. Hij kijkt naar de sneeuw, hij is verbijsterd door het licht! Om welk licht gaat het hier? – Juist dit ligt uitgedrukt in de opeenvolging der besproken beelden.

Orilus en Jeschute, een beeld van een onschuldige schuld, een beeld van de zondeval tengevolge van een verleiding waar de mens nog niet tegen bestand was.
Rudolf Steiner gebruikte eens de uitdrukking: ‘Von Anderen erschuldete Selbstheit Schuld’ om de zondeval te karakteriseren, wijzende op de bijzondere verhouding tussen mens en Lucifer. – Eerder had Parcival Sigune en Schionatulander ontmoet, waarin wij het beeld der ‘Piëta’, Maria met de Christus op haar schoot, kunnen herkennen. Michelangelo heeft dit in zijn plastiek – in de Sint Pieters Kerk in Rome — wel onnavolgbaar schoon uitgebeeld.

Daarna krijgen wij de scène met de bloeddruppels, waarvan ik zei dat het licht hetgene is wat Parcival zo fascineert. Voor mij betekent dit niets anders dan dat Parcival voor het eerst gewaar wordt dat het bloed veranderd is, dat wil zeggen dat het bloed niet meer het bloed is wat wij kennen uit de begrippen: bloedig, bloedwraak, bloedschande, enzovoort. Het bloed is veranderd sinds het Mysterie van Golgotha en op het ogenblik dat Parcival de bloeddruppels in de sneeuw ziet wordt hij er zich voor het eerst van bewust dat dit gebeuren een totale omwenteling betekent in de menselijke evolutie. Wat er gebeurd is op Golgotha is een ‘tegengebaar’ ten opzichte van de zondeval. Vandaar de opeenvolging van de beelden: Sigune-Schionatulander en Orilus-Jeschute.

Men zou nu zeggen dat het begrijpelijk wordt dat Parcival niet vraagt naar de dingen die hij in de Graalsburcht ziet. De verwonde Amfortas, de bloedende lans, het zijn alle beelden die hem volstrekt geen verwondering inboezemen, zij behoren tot zijn dagelijkse ervaring. – Van de Graal kan gezegd worden dat hij daar inderdaad niets van kent of begrijpt, doch wij hebben reeds gezien dat vragen daarnaar voor hem een ongepastheid geweest zou zijn. Van een werkelijke achtergrond bevroedt hij nog niets.

Is het niet wonderbaarlijk dat zich direct daarna de hele reeks gebeurtenissen afwikkelt die tot het dramatische hoogtepunt van het gebeuren op het sneeuwveld leiden?

Doch het wordt nog onthullender wanneer wij de sprookjesachtige beelden die daarna besproken zijn nog eens duidelijk beschouwen. Bloeddruppels in de sneeuw bij Parcival drukken uit dat iets nieuws, een lichtkracht zich met het bloed verbonden heeft. Dezelfde bloeddruppels in het verhaal van Sneeuwwitje worden in verband gebracht met een toekomstige geboorte in de mens. De bloeddruppels op het witte lapje in het sprookje van de Ganzenhoedster betekenen een hulp in de nood waarin de mens dreigt te gaan verkeren. Het rode op het witte in het sprookje van de Drie Mannetjes wijst op een eigenschap van goedheid en bescheidenheid die in de mens leeft.

Zo ontstaat langzamerhand een geheel, een geheel waarbij meer en meer naar voren komt wat zich in de loop der tijden met de menselijke ontwikkeling met ieder mens verbonden heeft, wat in ieder mens te vinden is als een nieuw begin, als een keerpunt in zijn verhouding tot de geestelijke wereld. Het beeld van Sigune met Schionatulander richt de geest van Parcival op het gebeuren op Golgotha, op het moment in de aarde-ontwikkeling waar het Christuswezen zich met de mensheid, dit wil zeggen ook met ieder mens op aarde, verbond. Sindsdien is het bloed veranderd.

In het bloed hebben we met een wonderbaarlijke substantie te maken. In Goethe’s ‘Faust’ zegt Mephistofeles, op het ogenblik dat Faust het verdrag van hem met zijn bloed zal ondertekenen: ‘Blut ist ein ganz besonderer Saft’. Mephistofeles maakt hiermede om zo te zeggen aanspraak op het bloed. De besproken beelden uit het Parcivalepos onthullen dat voor iemand wiens aandacht daarvoor gewekt is, een nieuw element — zij het voorlopig nog verborgen – in het bloed leeft.

Pas wanneer de mensheid zich bewust gaat worden van wat er in dit bloed veranderd is door het Mysterie van Golgotha, kan zij de weg ‘omhoog’ weer terug vinden.
Rudolf Steiner heeft hierover een aantal voordrachten gehouden die samengevat zijn onder de titel: ‘Die Welt der Sinne und die Welt des Geistes’.*) Het is hier niet mogelijk daar verder op in te gaan, doch het komt er op neer dat het rode bloed de uitdrukking is van de menselijke begeerten en hartstochten, zoals ook in de meditatie van het Rozenkruis in ‘Geheimwissenschaft im Umriss’ **beschreven wordt. Door de komst van de Christus verschijnt ‘licht in de duisternis’, wordt het bloed doordrongen met een nieuwe impuls, die het begin van een opstanding betekent. De indruk die Parcival heeft van het sneeuwveld en het bloed kan ook op deze manier gezien worden.
.

L. F. C. Mees, in een mededelingenblad van de antroposofische ver. in Nederland, jaartal onbekend (maart 1981?)

.

*GA 134 – Die Welt der Sinne und die Welt des Geistes. Hannover 1911/12.
**GA 13
vertaald

.

L.Beuger ‘Parzival’

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [2]   [3]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

 

1038

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parcival (3-3)

.

EEN MIDDELEEUWS EPOS ALS BEGELEIDER OP EEN BEWUSTZIJNSWEG 3

Parcival kan zijn weg alleen gaan als Gawan hem innerlijk begeleidt en alles doormaakt in de sfeer van het boze, wat aan Parcival bespaard wordt.

Laster en beproeving
Gawan maakt een wonderlijke ontwikkelingsweg door. Hij ontmoet eerst een gewonde ridder met zijn vriendin. Hij leert de vriendin hoe ze het bloed uit zijn vergiftigde wonde moet zuigen en gaat dan verder om de aanvaller te zoeken. Die zal hij ook vinden maar eerst ziet hij nu een krijgshaftige edelvrouw onder een boom zitten en ‘tegen minne is Gawan een weerloos man’. Hij biedt haar zijn diensten aan, die ze spottend afwijst. Maar als hij graag wil kan hij haar paard gaan halen uit een nabije boomgaard. In de boomgaard wordt Gawan gewaarschuwd voor deze vrouw maar hij gaat met het paard toch naar haar toe. Ze staat hem toe met haar mee te gaan, maar hij moet voorop rijden. Onderweg ziet hij een kruid waarvan de wortel de gewonde ridder genezen kan. Hij graaft die uit en de vrouw spot: ach mijn ridder is slechts een dokter. Gawan verdraagt dit en als ze nu de gewonde ridder opnieuw ontmoeten, legt hij hem de wortel op de wonde. Op haar verzoek helpt hij de vriendin op het paard en van die
gelegenheid maakt de gewonde man gebruik om snel op Gawans paard te springen. Terwijl ze samen wegrijden roept hij: weet je wie ik ben, Gawan? Ik ben Urjan. Urjan was een ridder, die door Arthur ter dood veroordeeld was en door voorspraak van Gawan dat gewijzigd kreeg in vier weken met de honden uit de hondebak eten. In hun gesprek valt een merkwaardig woord:

‘Wie een ander het leven redde, die zal dat door die ander nooit vergeven worden! ’

We zijn in een wereld beland waar de allerlaagste instinkten werken. Ook dat moet de graalzoeker leren kennen.
Sinds enige tijd rijdt met hen mee een dwerg, Malcreatuur. Hij is de dienaar van de hertogin en een broer van Kundrie. Hij beledigt Gawan en Gawan tuchtigt hem maar verwondt zijn handen aan het glasharde haar van de dwerg. De hertogin spot: eerst leek je een ridder, toen een dokter en nu ben je zelfs een voetknecht geworden. Hij neemt dan het kreupele rijdier van de dwerg.

Enige tijd later ontmoeten ze de ridder die voor de hertogin strijdt, Lischois Giwellius. De strijd is onvermijdelijk en Gawan overwint Lischois. Weer doet zich iets merkwaardigs voor: het kasteel Logrois dat aan Orgeluse behoort, is omgeven door een stroom, waarover een veerman overzet. De veerman komt nu en eist van Gawan het paard waarop Lischois reed, want zo is de zede hier: winst wordt verlies. Gawan constateerde tot zijn verwondering dat Lischois op zijn eigen (Gawans! ) paard reed en hij wil dus niet anders dan zijn eigendom terug. In het land van Klingsor echter gelden andere wetten dan die van het wakkere bewustzijn. Het is de spiegelwereld van de tegenstandersmachten van de mens: het boze lijkt goed en het goede doet zich als het boze voor. Op de weg naar de Ik-wording moet deze onzekerheid worden doorgemaakt.

Gawan mag bij de veerman overnachten en als hij de volgende morgen naar de burcht omhoog ziet, ziet hij vele vrouwengezichten voor de vensters. Hij vraagt de dochter van de veerman, Bene, uit, maar die begint te huilen. Als de veerman zelf gevraagd wordt, wil hij ook eerst niet antwoorden, maar tenslotte vertelt hij hoe daar vierhonderd vrouwen en vier koninginnen gevangen worden gehouden door Klingsor en dat degene die het avontuur op het lit merveille, het wondcrbed, kan doorstaan, de vrouwen verlossen kan. Maar hij raadt hem af dit te proberen.

Gawan is dus kennelijk op Chatel Merveil, het kasteel waarvan Kundrie sprak toen ze Parcival bij Arthur wegjoeg. In een later stadium zal hem worden verteld hoe het alles in elkaar zit. Eerst moet hij nu het avontuur op het wonderbed doorstaan. Als hij het kasteel betreedt, komt hij in een zaal waarvan de bodem bestaat uit edelstenen, die zo zijn gevoegd dat de vloer spiegelglad is. Hij springt op het bed dat op vier wielen van robijn heen en weer rolt en, zodra hij erop ligt, regent een hagel van stenen en pijlen op hem neer, geworpen en geschoten door vijfhonderd steenwerpers en vijfhonderd boogschutters. Hij loopt vele wonden op ondanks het harde schild dat de veerman hem gegeven heeft. Als dit alles ophoudt, treedt een reusachtige man binnen met een knots. Als die ziet dat Gawan nog leeft, laat hij een wilde leeuw op hem los. Gawan overwint ook de leeuw door hem te doden maar valt dan bewusteloos op het dier neer.

Eén der koninginnen, die alles heeft waargenomen, komt nu binnen om zijn wonden te verzorgen. Het is de oude koningin Arnive, de moeder van koning Arthur. Zij helpt hem met een zalf die Kundrie haar heeft gebracht en die ook de pijnen van Amfortas verzacht. Weer vinden we hier de samenhang met de graalsstroming, maar ook met de Arthurstroming. Ze komen steeds dichter bij elkaar. Ook Parcival was een dag voor Gawan bij de veerman maar hij versmaadde de tocht naar de burcht nadat hij wel Lischois Giwellius overwonnen had. Ook hier weer het beeld dat Gawan de gevaren van het boze doormaakt als plaatsvervanger voor Parcival.

Wat is er met deze avonturen aan de hand? We verkeren nog steeds in de wereld waar alles omgekeerd is. Het is de wereld van de levenskrachten, die zich wild chaotisch kunnen uiten en ook de basis van de fantasie zijn. Wilde vitaliteit is het waarin Klingsor zijn macht kan uitoefenen.

Opheldering
Gawan kan de slaap niet vatten door de gedachten aan Orgeluse, de hertogin van Logrois. Hij staat vroeg op en onderzoekt de burcht. Alles is nu zijn eigendom. Hij ziet in een bovenzaal een zuil, die de gehele omgeving weerspiegelt. Daar ziet hij Orgeluse naderen met weer een andere ridder, een Turk. Hij beschouwt dit als een uitdaging, wat het ook is. Hij steekt ook deze ridder neer, maar Orgeluse blijft hem honen. Ze belooft hem echter minne als hij voor haar een krans haalt van de boom, die door Gramoflanz wordt behoed.

Gawan maakt zich op weg en moet nu te paard over een gevaarlijke stroom springen. Hij redt het bijna maar het paard blijft nog juist haken en valt terug in de wilde stroom. Gawan zelf kon de oever bereiken en geleidt nu zijn paard naar een plaats waar het de oever bestijgen kan. Hier plukt hij een krans van de boom en als hij dat gedaan heeft verschijnt koning Gramoflanz ongewapend. Hij is niet gewend met slechts één ridder tegelijk te strijden, hij strijdt alleen met twee tegelijk. Hij zegt echter één uitzondering te willen maken, n.l. voor de zoon van koning Lot van Noorwegen omdat Lot zijn vader (die van Gramoflanz) zou hebben gedood. Als Gawan zich bekend maakt als de zoon van koning Lot spreken ze een tweekamp af op het veld van Joflanze in het bijzijn van het hof van Arthur. Tegelijk bekent Gramoflanz aan Gawan zijn liefde voor één van de koninginnen op Chatel merveil, Itonje, de dochter van Lot, Gawans zuster. Eens heeft Gramoflanz de echtgenoot van Orgeluse, Cidegast verslagen en sindsdien staat zij hem naar het leven. Orgeluse verandert nu van houding en bekent Gawan dat ze hem alleen maar op de proef heeft willen stellen. Gawan, de licht ontvlambare, moet tonen de verleidingen van het gebied van Klingsor te kunnen doormaken als overwinnaar. Dan komt hem de krans der deugden toe, die Gramoflanz behoedt. Ook valt hem dan de liefde van Orgeluse ten deel, die door Parcival was versmaad.

Gawan zendt nu een bode naar koning Arthur om hem uit te nodigen voor de tweekamp. De bode krijgt de opdracht tegenover iedereen te zwijgen over wie Gawan is en ook aan Arthur niet mee te delen dat Gawan heer is van Chatel merveil. Arnive tracht tevergeefs de schildknaap uit te horen en weet nog steeds niet wie hun bevrijder is.

Wie is Klingsor?
Gawan laat zich door Arnive vertellen wie Klingsor is. Hij was oorspronkelijk een hertog van Capua in Campanië en een neef van de tovenaar Virgilius in Napels. Hij beminde een vrouw van een ander en deze castreerde hem toen hij hem met zijn vrouw in bed verraste. Uit wraak leerde Klingsor de toverkunst en kreeg van de vader van Gramoflanz het gebied geschonken waarin hij dan Chatel merveil kon bouwen. Klingsor haat man en vrouw, ‘vooral wanneer ze goed en edel zijn’. Hij probeert ze een strik te spannen zodat hij ze in zijn macht krijgt. ‘Ook beheerst hij met geweld, alle geesten die men kent tussen aarde en firmament, of ze boos zijn dan wel goed, tenzij God ze behoedt’. Zo vertelt Arnive over Klingsor. Hij is de macht die er plezier in heeft de mens ten val te brengen als zich ergens een zwakheid toont. Deze wereld behoort nu aan Gawan. Hij kent de verleidingen en kan daardoor dit rijk ten goede wenden. Hier komt duidelijk een zeer bepaalde stroming in het christendom tot uiting, die zijn grootste historische openbaring vond in het Manicheïsme, waar het er om ging het boze door liefde in het goede te metamorfoseren.
De dichter Christiaan Morgenstern drukt het zo uit: Freunde, liebt dat Böse gut!

Parcivals terugkeer
Gawan verzamelt nu alle groepen op het veld van Joflanze: het leger van Arthur, de ridders van Klingsor, de manschap van Orgeluse. Gramoflanz wordt uitgenodigd tot de tweekamp.
Gawan rijdt in de vroege morgen uit en ontmoet een ridder, die een krans van de boom der deugden draagt. Hij houdt hem voor Gramoflanz en begint de strijd. Als hij bijna het onderspit moet delven komt Gramoflanz begeleid door de ridders van Gawan. De boden roepen zijn naam en de andere ridder werpt zijn wapens weg en maakt zich bekend als Parcival. Hij jammert dat opnieuw het onheil hem vervolgt en zegt: ‘Mijn eigen geluk heb ik bestreden, voor mijzelf de nederlaag geleden’. Gawan keert dit om en zegt: ‘Jezelf heb je overwonnen’. Zo nabij zijn de beide helden elkaar, dat ze als het ware verwisselbaar zijn, ze zijn één. Parcival is dan ook bereid voor Gawan met Gramoflanz te strijden, daar Gawan uitgeput is. Maar Gramoflanz weigert, hoewel Parcival immers ook een krans van zijn boom heeft geroofd. Ook Gawan weigert echter. Parcival wordt nu in de kring van de tafelronde opgenomen en als nu ook Itonje ervaart dat er gestreden moet worden tussen haar geliefde en haar broer, smeekt ze Arthur om bijstand. Arthur weet een verzoening tot stand te brengen en des avonds vindt een reeks bruiloften plaats: Gramoflanz en Itonje, Lischois met de andere zuster van Gawan, Kundrie (niet de bode van de graal), Arnive met de Turk en Orgeluse met Gawan.

Is dit het normale, ietwat platte ‘eind goed al goed’? De bruiloft is in de middeleeuwen altijd ook symbool van de verbinding van de ziel met de hogere wereld. Gawan en Parcival hebben elkaar gevonden en daarom kunnen de bruiloften plaatsvinden. Maar het is het einde niet. Parcival is onbevredigd. Hij rijdt weg. Het symbool is niet genoeg. Er moet nog meer gebeuren.

De ontmoeting van twee werelden
Als Parcival uitgereden is ontmoet hij een heidense ridder. De strijd ontbrandt en Parcival gaat door de knieën. De kracht van de ander wordt gesterkt doordat 
strijdkreet zijn geliefde aanroept: Sekundille. Parcival vertrouwde op God maar denkt nu ook aan Kondwiramur en heft de strijdkreet ‘Belrapeire’ aan. Hij weet de ander op de knieën te krijgen maar dan breekt zijn zwaard. De ander maakt daar grootmoedig geen gebruik van en is zelfs bereid als eerste zijn naam te noemen: Feirefisz, de Anschewein (heerser over Anschauwe). Parcival zegt verontwaardigd: Heer verzin iets anders, want de Anschewein ben ik. Na enig geharrewar ontdekken ze dat ze halfbroers zijn. Feirefisz is zwart en wit als een zebra. Hier komt het oermotief van het begin terug: zwart en wit tesamen. Niet het licht alleen maar ook de duisternis. Toch is dat niet de eindoplossing, zoals we nog zullen zien. Maar wel moet hier zich oost en west met elkaar verbinden, of liever ze zijn verbonden maar ze moeten deze verbondenheid inzien en waar maken.

De terugkeer op de graalsburcht
Ook Feirefisz wordt nu in de tafelronde opgenomen. De tafelronde wordt nu verrijkt met wereldwijdheid en de vereniging der tegenstellingen.

Nu verschijnt Kundrie, de bode van de graal, opnieuw en ze verkondigt dat de vloek over Parcival en de tafelronde is opgeheven. Parcival wordt tot de graal geroepen en hij mag één andere ridder meenemen. Hij kiest niet Gawan (die heeft andere taken) maar Feirefisz.

Op de graalsburcht aangekomen, vraagt Parcival aan Amfortas: ‘Oom, wat scheelt eraan? ’ En terstond wordt Amfortas gezond en jeugdig. Parcival wordt nu tot koning van de graal gekroond. Er komt een bode die meldt dat Kondwiramur met haar twee zoons onderweg is en reeds dichtbij. Parcival trekt haar tegemoet maar gaat eerst nog bij Trevrizent langs en vindt dan zijn vrouw na vijf jaar terug met een tweeling, Kardeis en Loherangrin. Kardeis wordt gekroond tot koning van de wereldlijke rijken van Parcival en Kondwiramur, terwijl Loherangrin tot opvolger van Parcival als graalkoning is bestemd.

Op de weg naar Monsalvatsch bezoekt Parcival nog de kluis van Sigune. Deze is nu gestorven. Haar taak als begeleider van Parcival op de kritieke momenten van zijn leven, telkens als hij een stap verder moest in zijn bewustzijnsontwikkeling, is nu voorbij.

Als de graal wordt binnengedragen op de burcht, ziet Feirefisz wel de draagster van de graal, Repanse de Schoie. Maar hij ziet niet de graal zelf. Hij vat een diepe liefde voor Repanse op en is bereid zich om harentwil te laten dopen. De graal zelf kan hij niet zien omdat hij niet gedoopt is. De graal is alleen te zien voor de voorbereide mensen. Maar hij heeft liefde voor wat op aarde zichtbaar is als de draagster van het hogere leven.
Als hij de volgende morgen wordt gedoopt, trouwt hij met Repanse, nadat hij ook de graal kon zien. Ze trekken naar Indiê waar hij het Christendom verbreidt. Ze krijgen ean zoon, die de naam priesterkoning Johames zal krijgen.

Nu eerst is alles voltooid. De eenheid der tegenstellingen is niet voldoende uit zichzelf. Ze moet doordrongen worden door de krachten van de graal, die de Christus op aarde vertegenwoordigt. De graal verbindt de tegenstellingen zo dat ze vruchtbaar kunnen worden. De zoon heet priesterkoning. Verbonden wordt de verhouding tot de geest (de priester) en het beheren van de uiterlijke wereld (de koning). Zijn naam is de naam van hem, die als enige de Christuskracht geheel in zich kon opnemen. Dit is echter een nieuw thema, dat hier slechts kan worden aangeduid.

J.Knijpenga, Jonas 18, 06-05-1977
.

Literatuur:
Wolfram von Eschenbach, Parcival, bew. door M. de Vries (Vrij geestesleven).
F.C.J. Los, Parcivals graaltocht (uitverkocht).
R. Meyer, Der Gral und seine Hüter (Urachhaus).
W.J. Stein, Weltgeschichte im Lichte des heiligen Gral (Stuttgart-Wien 1928).

 

L.Beuger ‘Parzival’

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [2]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival

11e klas – Parcival: over de 3 bloeddruppels in de sneeuw

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

1033

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parcival (3-1)

.

EEN MIDDELEEUWS EPOS ALS BEGELEIDER OP EEN BEWUSTZIJNSWEG 1

Wolfram von Eschenbach begint zijn Parcivalverhaal met een diepzinnige gelijkenis: wie twijfel aan zijn hart voelt knagen, kent geen zielenrust meer. Onzuiverheid en mannelijke eer leven naast elkaar als zwart en wit bij de ekster. Dit strekt de mens echter tot heil want hij weet van de hemel èn van het hellegat. Een tweede categorie mensen kent alleen de duisternis en is aan de zwarte machten overgegeven, terwijl een derde alleen het licht kent met heldere gedachten.

Daarna schildert hij het leven van een jongeman, kind eigenlijk nog in het begin, die in een paradijselijke wereld opgroeit. Maar deze paradijselijke wereld heeft een donkere achtergrond: de dood van zijn vader in het nabije Oosten. Hij wordt door zijn moeder zo opgevoed dat hij er nooit naar zal verlangen ridder te worden. Daarvoor laat ze haar koninkrijken in de steek en trekt zich met hem terug in het eenzame bos Soltane om hem daar als een ‘reine dwaas’ te laten opgroeien. Ze weet dat kennis de behoefte op zal roepen de wereld in te trekken. Maar ze weet niet dat er in de ziel van het kind, als bij ieder mens, de drang naar vragen leeft. En zo komt ook haar zoon tot vragen als hij merkt dat de vogels plotseling zwijgen wanneer hij met zijn pijl en boog er één heeft afgeschoten. De vragen gaan verder en als hij wat verder van huis afdwaalt ziet hij ridders. Uit een gesprek met hen komt bij hem het verlangen om ridder te worden en daartoe naar koning Arthur te gaan.

Tumbheit — zwifel — saelde
Dit eerste stadium van het verhaal wordt geheel en al gekenmerkt door wat Wolfram in de eerste verzen tumbheit noemt, naïeve onbevangenheid. Dat is een oorspronkelijke lichtwereld, die verbroken wordt als de mens de zwifel, de twijfel, leert kennen (als bij de ekster, zwart en wit). Dan gaat hij de duisternis in. Daarop kan echter een derde stadium volgen, de saelde, geestelijke zekerheid. Zodra Parcival zijn moeder verlaat begint eigenlijk al de twijfel, maar nog niet bewust. De tumbheit gaat langzamerhand over in de zwifel.

De duisternis komt op
Parcivals moeder, Herzeloyde, ziet dat ze hem niet kan verhinderen zijn innerlijke drang te volgen. Ze doet echter een laatste poging hem te behouden in de paradijswereld. Ze kleedt hem als een nar en geeft hem een kreupel paardje en een kinderspeertje.

Overal is hier al de duisternis op de achtergrond: de ridders zoeken een roofridder, die een jonkvrouw heeft ontvoerd, de moeder sterft als haar zoon blij wegrijdt. Maar hij zelf is zich van niets bewust. In kinderlijke onbevangenheid gaat hij zijn weg. Op die weg laat hij een spoor van ongelukken na met zware gevolgen, omdat hij de raad van zijn moeder verkeerd begrijpt. Ook hier ligt een duidelijk duisternismotief: verduistering van het bewustzijn. Hij bemerkt niet dat hij geleid wordt door onbekende en onbeheerste driften in plaats van door de wens van zijn moeder. Hij meent steeds te doen wat zijn moeder hem opdroeg. Zo wordt hij er de oorzaak van dat Jeschute door haar man, hertog Orilus, van ontrouw wordt verdacht. Want zijn moeder had hem gezegd dat hij van iedere vrouw een kus moest zien te verwerven en een sieraad. Hij vat dat zo op dat hij beide in letterlijke zin aan de edelvrouw ontworstelt. Orilus rijdt uit om de man te zoeken, die zijn vrouw bezocht heeft en doodt de eerste ridder die hij ontmoet maar die onschuldig is, Schionatulander. Schionatulander wordt plaatsvervangend gedood voor Parcival, die dan zijn nicht Sigune ontmoet, die haar dode vriend in de schoot draagt. Maar noch Parcival, noch Sigune kennen de werkelijke toedracht van de gebeurtenissen. Sigune openbaart hem zijn naam: ‘per-ce-val’, ‘door de duisternis heen’, maar de realiteit van die naam is nog voorbehouden aan een toekomstig weten van hen allebei. Parcival gaat dan op weg naar koning Arthur. Hij is nog steeds kinderlijk en volgt gehoorzaam de drie geboden op, die zijn moeder hem meegaf: iedereen te groeten, van vrouwen een sieraad en een kus te verwerven en van oude mannen een goede raad aan te nemen. Hij stelt steeds onnodige naïeve vragen en zegt bij alles: dit leerde mijn moeder mij.
Hij leeft nog geheel vanuit het voorgeboortelijke, is een moederskind zonder enige zelfstandigheid. Hij gaat daarbij met een zuivere instinctmatigheid zijn weg. Hij is een gedrevene, die door geen enkel dreigend kwaad wordt geschaad. Hij ziet de gevaren niet eens. Ook van zijn edele geboorte is hij zich niet bewust. Hij volgt eenvoudig zijn drang.

De ‘reine dwaas’ wordt schuldig
Zo komt de ‘dwaas’ bij het hof van koning Arthur te Nantes. Hier komen we in een tweede wereld van het verhaal. Koningin Herzeloyde en dus ook Parcival stammen uit een geslacht, dat de graal moet beheren op de graalsburcht. De graal heeft te maken met de werking van Christuskrachten in het bewuste voelen. We komen daar later op terug. Koning Arthur en zijn kring waken voor moraliteit in het ridderwezen. Recht en orde te handhaven door ridderlijke daden is hun taak. Christuskrachten werken hier in de wil. Later zullen we nog een derde wereld leren kennen waarmee Parcival te maken heeft, de wereld van de Arabieren en Perzen. Wolfram duidt in het begin de samenhangen daarmee reeds aan. Parcivals vader, Gahmuret, was reeds eerder getrouwd met een ‘moorse’ koningin, Belakane, en heeft bij haar ook een zoon.

Parcival ontmoet voor de poorten van Nantes een rode ridder, die er prat op gaat de beker van de tafel van de koningin te hebben geroofd omdat de koning hem zijn recht onthoudt. Het maakt diepe indruk op hem dat iemand zo over koning Arthur kan spreken.

Parcival rijdt in zijn narrepak op zijn kreupel paard de zaal binnen tot naast de troon van de koning. De terneergeslagen stemming, die ontstaan is door de daad van de rode ridder, Ither van Gaheviez, brengt Parcival tot het aanbod de beker terug te gaan halen. De wapenrustingen, die men hem aanpast, bevallen hem niet. Hij wil zijn wapenuitrusting zelf veroveren en vraagt aan de koning die van Ither ten geschenke…
Zo gaat hij terug, de poort uit, en bindt de strijd met de rode ridder aan zoals hij is, a.h.w. uit zijn moeders handen. Zij gaf hem de korte speer waarmee hij, na een naïeve woordenwisseling, de rode ridder doodt. Met behulp van een toegesnelde schildknaap ontdoet hij Ither van zijn wapenrusling, trekt die zelf aan, springt op het paard van zijn tegenstander en trekt weg als rode ridder zonder zich een ogenblik te bekommeren om de orde van het hof.

Wet en orde, maat en tucht
Volgens de orde van het hof kon alleen koning Arthur hem tot ridder slaan. Parcival onttrekt zich, nog steeds onbewust handelend, aan deze orde. Hij zal altijd gast zijn in de tafelronde van Arthur, hij zal er nooit toe behoren. Het zou te vroeg voor hem zijn geweest om zich te binden aan een kring, waar hij wel mee te maken heeft, maar waar hij niet toe behoort. Ook dit is een kenmerk van de moderne mens: verband te hebben met meerdere kringen, maar eerst langzaam de eigen kring te vinden. Bij Parcival gaat dit door een diepe eenzaamheid heen. Zijn zuivere instinkt bewaart hem voor een te vroege binding. Later zal echter blijken hoe intiem en sterk zijn verhouding tot de ridders van de ronde tafel is. Zij komen telkens in zijn leven als hij voor een beslissend moment staat.

Hij rijdt nu eerst verder, een wilde, onbeteugelde, rode ridder. En hij bereikt een burcht, waar een oude burchtheer aan de poort zit. Schild en speer draagt hij duidelijk zo dat iedere ‘deskundige’, iedere ridder, meteen ziet dat hij ‘ongeschoold’ is. Hij past niet in het schema. Als hij het voorplein van de burcht oprijdt, ontwapenen hem de schildknapen. Ze staan verbaasd als onder de uitrusting van een ridder het narrepak tevoorschijn komt. De gastheer, Gurnemanz, is een wijze oude man, die de edele gestalte weet te onderkennen verborgen in het boerse pak.

In de burcht eet en slaapt Parcival goed, onbewust van de dingen, die hij heeft aangericht. Want ook aan het hof van Arthur waren merkwaardige dingen gebeurd: een jonkvrouw, Kunneware, die beloofd had niet te zullen lachen voor de grootste held zou verschijnen, schoot in de lach toen ze Parcival zag vertrekken om de rode ridder te bestrijden. Ze werd door de hofmaarschalk, bestraft. Een ridder, Antanor, had beloofd niet te zullen spreken voor Kunneware zou lachen en nu spreekt hij woorden van kritiek tegen de hofmaarschalk. Deze woorden zijn bovendien profetisch: eens zal Key leed ervaren door Parcival. Parcival brengt de tafelronde in verlegenheid en onrust, maar hijzelf is nog steeds de naïve dwaas.

Gurnemanz besluit van hem een ridder te maken, zoals de tijd dat verlangde. Hij leert hem niet altijd over zijn moeder te spreken. Zijn belangrijkste raad is dat Parcival geen onnodige vragen mag stellen. Gurnemanz is een raadselachtige figuur. Hij vertegenwoordigt de traditie waar Parcival nu binnengeleid wordt. Hij wordt gevormd tot een ridder die weet hoe het hoort. Deze traditie berust op oeroude wetten, die zeer wezenlijk zijn. Gurnemanz leert hem maat en tucht. Het zijn alles vormkrachten, die van buiten af zo werken dat het Ik van de jonge mens wordt versterkt. Het harnas, dat van buiten beschermt en steunt, wordt hier tot beeld. Parcival is nog erg jong. De jonge mens kan zulke vormkrachten van buiten gebruiken om innerlijk sterk te worden. Deze innerlijke kracht uit zich in het zwijgen. In het terughouden van het woord wordt een kracht geoefend, die voor iets anders vrijkomt. De kracht wordt dan niet verzwetst. Bovendien uit zich in dit geen vragen stellen eerbied voor de privé-sfeer van de ander, die slechts dat hoeft te uiten wat hij kwijt wil. Weer een versterking van het Ik.

In de ridderlijke strijd leert Parcival nog wat anders. Ither van Gaheviez had hij gedood in een woede-aanval. Hij was beledigd door wat Ither hem spottend toevoegde. Nu moet hij leren doelgericht te strijden, niet uit emoties maar uit de wil. Hij moet zijn wapens leren hanteren zoals dit wapen dat zelf verlangt, speer om er mee te stoten naar een precies punt, het zwaard om er mee te slaan en bewust te splijten. Het zwaard van de geest is het oordeel, dat het volledige in delen splitst om het te kunnen begrijpen.

Maar dit sterk gevormde, dat Parcival zich nu verovert, heeft ook zijn negatieve kant. De spontaniteit van zijn wezen gaat verloren en dat zal hem heel spoedig in moeilijkheden brengen en niet alleen hemzelf.

Gurnemanz wil een sterkere binding dan Parcival kan aangaan. Hij heeft drie zonen door de dood op het slagveld verloren. Nu hoopt hij Parcival als plaatsvervanger te gewinnen door hem met zijn dochter Liase te laten trouwen. Gurnemanz klaagt ook zijn nood in dit opzicht aan Parcival, maar Parcival vindt zichzelf niet rijp genoeg en belooft terug te komen om met Liase te trouwen als hij roem en eer verworven heeft.

Nog één keer leidt hem zijn juiste instinkt. Hij moet weg. Maar hij is nu een ander geworden. Hij heeft het ‘vormsel’ ontvangen. En zo trekt hij nu verder op avontuur.

Roos en lelie
Denkend aan Liase laat hij zijn paard de vrije teugel en dit voert hem in één dag naar Pelrapeire, waarin de koningin Kondwiramur belegerd wordt door koning Klamide, die haar wil trouwen. Als Parcival aan een klein poortje komt, wordt hij binnengelaten en als hij tegenover de jonge koningin zit, zwijgt hij. Maar nog wordt de te sterke vorm hem niet noodlottig. Kondwiramur zoekt hem ‘s nachts op en klaagt hem haar nood. Het is een nachtelijk beleven, niet in het volle wakkere bewustzijn. Kondwiramur (conduire à l’amour — die tot liefde geleidt) heet in de Franse versie van de sage Blanchefleur (Blanke Bloem) en zo zien we in dit nachtelijk samentreffen van de rode ridder en de blanke bloem eenzelfde gebeuren als in het verhaal van Floris en Blanchefleur. Roos en lelie vinden elkaar. Dit samentreffen van roos en lelie is in de middeleeuwen een diep symbool. De sterke roos, die steeds moet worden gesnoeid, vorm moet krijgen, maar ook hard en stekelig is, geeft zijn vele bloemen op verkwistende wijze weg. De roos offert zonder bedenken, schenkt alles, kleur geur; gezonde vruchten. Maar hij is hard en weerbarstig, hij steekt degene die op onjuiste wijze hem nadert. De lelie is een heel ander wezen. Terwijl de roos zich ondergronds met onverwoestbare levenskracht door zijn wortels voortplant, is de lelie als bolgewas éénjarig. De plant heeft weinig houvast in de aarde, groeit op met een kwetsbare stengel en een nog kwetsbaarder bloem. De bloem is van een zeldzame schoonheid, maar zodra het aardse vergaansproces haar heeft aangeraakt, stinkt ze. Terwijl een roos in zijn vergaan de heerlijkste geuren afgeeft.
Twee tegengestelde krachten: aardse offerkracht en rein hemels leven. In Parcival en Kondwiramur vinden deze twee elkaar. Het reine hemelse moet bij hem gaan vervangen als bewustzijnskracht wat eens oorspronkelijke reinheid van de moeder was maar plaats had gegeven aan wilde instinkten, maar reiner en langzamerhand tot bewustzijn rijpend.

Voordat dit gebeuren kan, gaat Parcival de stad bevrijden door eerst het leger van Klamides maarschalk te verslaan en later in een tweegevecht Klamide zelf. De maarschalk en Klamide worden naar het hof van koning Arthur gezonden om getuigen te zijn van Parcivals eer en roem en om Kunneware te dienen die terwille van hem geslagen werd. Na de overwinning op de vijanden voltrekt Parcival in de derde nacht het huwelijk met Kondwiramur. De liefde wordt nu de kracht die hem verder geleiden zal, maar voorlopig nog zo dat Paricval door heel veel moeilijkheden heen moet.

Hij wil zijn moeder gaan opzoeken ( hij weet niet van haar dood) en vraagt zijn vrouw verlof om dit te gaan doen.
De tijd waarin alles ‘vanzelf’ ging is voorbij. Het stadium van de tumbheit, de kinderlijke naïviteit, kan niet verder werken. Het heeft zijn taak volbracht. De tijd van de zwifel nadert.

J.Knijpenga, Jonas 16, 08-04-1977
.

L.Beuger ‘Parzival’

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg  [2]   [3]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival

11e klas – Parcival: over de 3 bloeddruppels in de sneeuw

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

 

1031

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parcival (2)

.

Het netwerk van Parcival

Het middeleeuwse Parcivalverhaal van Wolfram von Eschenbach kan worden gezien als een spiegel van de mens en een leerschool voor het leven.

Maar: de werkelijkheid van het leven kan nooit een exacte kopie van een middeleeuws lot zijn.

In een Arabisch land zag ik enkele malen een echte ‘graalmaan’. De ragdunne, op deze zuidelijk gelegen breedtegraad horizontaal liggende maansikkel ontving als het ware de ‘hostie’. Met dat laatste wordt de vrijwel ronde schijf van het maanoppervlak vergeleken, die niet is belicht. Je hoeft niet eens zo goed te kijken om te zien dat dat laatste niet helemaal het geval is. Dat donkere maanoppervlak wordt namelijk beschenen door de aarde. Vanaf de maan gezien is het dan vrijwel ‘volle aarde’. Daardoor licht boven de schaalvormige maansikkel de door de aarde verlichte schijf op in een zachtrode gloed. Het lijkt wel alsof de Arabische nachtelijke hemelstreken bij uitstek geschikt zijn om dit occulte teken zo indringend boven de werkelijkheid te plaatsen. In deze landen, onder dit teken, streed ook Parcivals vader, de ridder Gahmuret, vermoedelijk voor de Kalief van Baghdad. En hier werd Parcivals halfbroeder geboren, de ‘als een ekster zwart en wit gevlekte’ Feireftz.

De spil van het verhaal van Parcival wordt gevormd door de Graal. Maar, zoals de maan boven Arabië, is ook de Graal niet in één beeld te vatten. Laat staan dat je zomaar
koning wordt van de Graalburcht, gelegen op een plek, ‘zo ver, dat een vogel moeite zou hebben gehad dat helemaal te vliegen’. Behalve als maansikkel wordt de Graal beschreven als een magische steen, als een kostbare schaal, als de scheppende kracht van het woord en als een ‘zijnstoestand’. De koning van de Graalburcht heerst over ‘al wat binnen de baan der planeten valt en door hun schijnsel wordt bestreken’.

Een eenvoudige karakterisering van het verhaal van Parcival is niet te geven. Om te beginnen bestaan er meer versies. De meest uitgebreide en complete is die van Wolfram von Eschenbach uit het begin van de dertiende eeuw. Wolfram noemt op zijn beurt als bron een zekere meester Kyot, die in Toledo geheime boeken zou hebben gevonden, waarin oude joodse wijsheid te vinden was. Wolfram geeft mogelijk ook een verhulde verwijzing naar een onbekend Arabisch boek – het Felek Thani– dat het ontstaan van de wereld zou beschrijven. Richard Wagner maakte er in de vorige eeuw een bewerking van.

Wolfram formuleert de complexe structuur van zijn versie als volgt: ‘Dit verhaal zal er nimmer voor terugschrikken zowel te vluchten als op te jagen, nu eens te ontwijken en dan weer terug te keren, te honen zowel als te loven. Wie iets aan kan vangen met al deze wisselvalligheden is wel bedeeld door het verstand en zal zijn tijd niet verzitten of laten verlopen, maar zal een en ander goed verstaan.’

Dubbele bodem
Als Parcival voor de eerste maal de wereld intrekt, is hij gekleed als nar en rijdt hij op een scharminkelig muildier. Die uitrusting heeft hij te danken aan zijn moeder Herzeloyde.
Zij had hem het liefst in het stille woud Soltane willen houden, ver van de wereld, ver van de strijd tussen ridders. Haar gemaal Gahmuret was in de Oriënt gevallen. Niet alleen wilde zij haar zoon een dergelijk lot besparen, ook voor haarzelf zou een tweede verlies niet te dragen zijn.

Als Parcival uiteindelijk natuurlijk toch onstuitbaar als ridder de wereld tegemoet wil treden, hoopt Herzeloyde dat hij, aldus uitgedost, zonder zijn potsierlijke staat te beseffen en voorzien van verkeerde raadgevingen, snel op zijn schreden zal terugkeren. Maar dat gebeurt niet. Al sticht hij aanvankelijk het nodige onheil, toch overwint deze nar, geheel onverwacht, de gevreesde Rode Ridder Ither, beklimt diens paard, leert alle gevechtstactieken en ridderdeugden van een zekere slotheer Gurnemanz en maakt schone vrouwen het hof. Vervolgens komt hij op de burcht van Koning Arthur en zijn tafelronde aan.

Wat moeten we beginnen met zo’n ridderverhaal uit de gotiek, waarin de personages weliswaar dramatische belevenissen meemaken, maar toch schematisch blijven in hun hoofse etiquette en gestileerde uitweidingen over details? We kunnen ons verwonderen over de nobele en tegelijkertijd niets verhullende opvattingen over liefde en seksualiteit in de cultuur van de hoofse minne. Met enig heimwee kunnen we dit verhaal bezien als een tijdsbeeld waarin het goede, het schone en het ware nog herkenbaar waren aan fraaie gelaatstrekken, sierlijk gebouwde lichamen en nobele witte paarden. We kunnen ons verbazen over het internationale karakter van deze vertelling, die zich niet alleen over grote delen van Midden- en Zuid-Europa uitstrekt, maar ook vertakkingen heeft tot in Arabië, China en Noorwegen. Maar dan?

Naar aanleiding van enkele concrete aanwijzingen van Rudolf Steiner, heeft de historicus Walter Johannes Stein door middel van een minutieus onderzoek aannemelijk gemaakt, dat dit hoofse ridderverhaal niet op fantasie berust. De historische werkelijkheid van Parcival en de zijnen, situeert zich namelijk in een tijd die zo’n vierhonderd jaar vóór de tijd ligt, waarin het werd opgeschreven. Het betreft bepaalde lotgevallen van vooraanstaande persoonlijkheden uit het Europa van de negende eeuw. Geschiedenissen uit de dagen van Karel de Grote en de tijd daarna zijn dus door Wolfram en anderen naverteld, waarbij zij gebruik hebben gemaakt van andere namen en het verhaal hebben gekleed in de hoofse etiquette van rond het jaar 1200.

Zo’n historische dubbele bodem maakt het verhaal fascinerender, maar je moet wel een uitgesproken interesse voor geschiedenis hebben om aan de complexe netwerken van dit ‘wie-is-wie’ iets te beleven. Er zullen niet veel mensen zijn die bij het horen van namen als Hugo van Tours, Karel de Dikke of Charibert van Laon uit hun stoel opveren. De middeleeuwen zijn voor ons in mist gehuld.

Sinistere zwarte magiër
Parcival zou zonder meer in de kring van Koning Arthur en diens ridders en jonkvrouwen zijn opgenomen, als de vervloeking van een tovenares niet had ingegrepen. Cundrie la Sorcière – ‘haar ruig gelaat was niet zoals de minne het van een geliefde verlangt’ – ontmaskert Parcival in het openbaar. Tijdens zijn omzwervingen was Parcival namelijk, zonder dit ten volle te beseffen, op de Graalburcht ontvangen. Gedurende die ontvangst was hij ooggetuige geweest van een hartverscheurend ritueel. Daarbij werd een processie rond de duidelijk zwaar lijdende Graalkoning Anfortas gevoerd. De Graal zelf werd door een schone jonkvrouw gedragen. Niet alleen de Graal, maar ook een bebloede speer, die temidden van dit zwijgende gezelschap kennelijk de smart nog opvoerde, ging aan zijn oog voorbij.

Parcival, die juist geleerd had van zijn opvoeder Gurnemanz dat het niet netjes was om teveel nieuwsgierige vragen te stellen, hield in dat gezelschap dus zijn mond. En uitgerekend dit zwijgen wordt hem nu voor de voeten geworpen en zal hem met schande overladen, God doen afzweren en tot eindeloos lijkende omzwervingen en beproevingen leiden.
Er komt zelfs een andere ridder aan te pas, Gawan geheten, die zich juist onderscheidt doordat hij voortdurend vragen stelt. Hij zal het fantastische kasteel Schastel marveile verlossen van de toverkracht van Clinschor, de meest sinistere zwarte magiër die de wereld kent.

Er zijn nog vele verwikkelingen nodig voordat Parcival tenslotte, samen met zijn gevlekte halfbroeder Feirefiz, opnieuw de Graalburcht betreedt. Hij komt daar ook ditmaal onverwacht, want de Graal ‘kan men niet najagen’. Maar nu is hij rijp genoeg en voldoende door medelijden met de lijdende koning bewogen om de vraag te stellen die hij eerder verzuimde.

Binnen die hoofse ridderroman met haar historische dubbele bodem, doemt geleidelijk een laag op waarin de werkelijkheid nog een andere dimensie blijkt te bezitten. Het ‘Land Anjou’ is dan niet alleen de geografisch bepaalde streek in Frankrijk waaruit het geslacht van Parcival stamt, maar tevens de aanduiding van een bovenzinnelijk waarnemingsorgaan. Vandaar dat ‘Anjou’ evengoed vertaald kan worden met ‘aanschouwen’. Heel het verhaal wemelt van dit soort symbolieken en getalswetmatigheden. Bovendien blijkt dat diverse lotgevallen in een gemetamorfoseerde herhaling terugkomen. Daarmee worden al die ontmoetingen en beproevingen opeens herkenbaar als ‘opdrachten’. Die opdrachten zijn op hun beurt weer te beschouwen als stadia in een reeks. Wolfram schrijft, ietwat cryptisch: ‘Ook heb ik nooit een man gekend zo wijs dat hij niet gaarne zou vernemen in welke richting dit verhaal streeft en welke goede leer het biedt.’ De ‘goede leer’ die het verhaal wil aanreiken, is een algemene. Daarmee is die derde laag van het Parcivalverhaal de meest interessante en actuele. Die laag onthult iets over de menselijke levensloop en over hoe ver de vermogens van de mens uiteindelijk reiken. De mens ontwikkelt zich van een nar die niet ziet hoe potsierlijk hij is, tot het kosmische koningschap. Hoewel die richting dus is bepaald, is de gewezen weg toch ook een vrije. De werkelijkheid van het leven kan nooit een exacte kopie van een middeleeuws lot zijn en elke gebeurtenis vraagt om een nieuw soort inzicht, een nieuw soort handeling. Medelijden werkt niet, als je dankzij Parcival uit het hoofd hebt geleerd dat dat belangrijk is. Een echte vraag naar een ander die met een probleem worstelt, kan alleen verlossend zijn als die vraag ook uit het hart komt. In die zin kan de ‘goede leer’ van belang zijn als een wonderbaarlijk hulpmiddel, als oriëntatiepunt, al is het alleen maar om te beseffen hoezeer je in je eigen leven nog aan het begin staat.

Mark Mastenbroek, Jonas 1 07-09-1990

 

L.Beuger ‘Parzival’

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [2]   [3]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival: over de 3 bloeddruppels in de sneeuw

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

 

1028

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.