Tagarchief: 11e klas Parzival

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parzifal (7)

.
lngeborg Sehröder, Erziehungskunst jrg. 25 nr. 5 1961
.

van zwivel tot saelde
.

Over het hoofdthema van de elfde klas: Wolfram von Eschenbachs *Parzival*

   Zelfs na jarenlange bestudering van *Parzival* kan het inzicht in wat nu precies het slot van dit gedicht vormt, ontoereikend blijven. De vraag wat uiteindelijk de doorslag geeft voor Parzivals tweede roeping tot de Graal, lijkt – alles bij elkaar genomen – onopgelost. We bevinden ons in de positie van Trevrizent, die weliswaar erkent dat hij zich had vergist toen hij meende te weten

daz den grâl ze keinen zîten
iemen möhte erstriten
(dat niemand ooit de Graal zou kunnen verwerven)

die zich niettemin gedwongen ziet erover te spreken als over een ondoorgrondelijk wonder. “Nooit heeft een groter wonder plaatsgevonden dan dat jij van God de gunst hebt afgedwongen dat Hij – in Zijn eeuwige Drie-eenheid – een medestrijder voor jouw wil werd.” Het feit dat Parzival de Graalburcht een tweede maal betreedt, en wel na een doelbewuste zoektocht, bewijst dat Trevrizent ongelijk had. Toch biedt dit feit geen verklaring. Op welke wijze verwierf Parzival de Graal? Hoe kwam het dat de woorden van Sigune over de burcht Munsalvaesche.

swer die suochet flîzeclîche
leider der envint ir niht
(wie ze ijverig zoekt, kan ze niet vinden)

zijn kracht verloor?

   De gebeurtenissen in Boek IX – de hereniging met Sigune, het gevecht met de Tempelridder, de onderrichting door de Grijze Ridder, het paasgesprek met Trevrizent – ​​markeren stuk voor stuk een cruciaal keerpunt in Parzivals leven; ze brengen hem tot inzicht in de toestand van *zwivel* (spirituele twijfel en innerlijke verscheurdheid) die hij voorheen zonder begrip had doorstaan. Toch leiden het pijnlijke, heldere besef van zijn eigen schuld en de ontdekking van het mysterie van de Graalburcht – die hem met ontzag vervult – op zichzelf niet tot *saelde*: die staat van volmaakte gelukzaligheid en de rust van de ziel in God. Door de gebeurtenissen in de vijf daaropvolgende boeken laat Wolfram hem een ​​weg afleggen die onzeker, vreugdeloos en onvervuld blijft. Op het eerste gezicht lijkt het er zelfs op dat de gevechten die vlak voor zijn tweede roeping plaatsvonden – gevechten tegen een vriend en tegen zijn eigen broer – hem door hun volstrekte zinloosheid verder dan ooit van zijn doel zouden verwijderen. Dat juist deze ‘zinloze’ gevechten de voorwaarden scheppen voor de tweede roeping tot de Graal, lijkt aanvankelijk een feit dat net zo raadselachtig is als de roeping zelf.
   Wat is er aan deze gevechten waardoor we ze kunnen zien als Parzivals laatste, noodzakelijke stap vooruit – die zelfs de inzichten van het negende boek overstijgt – van *zwivel* (twijfel) naar *saelde* (gelukzaligheid/heil), als de voorwaarde die hij zelf schiep voor zijn uiteindelijke roeping tot de Graal?
   Laten we alles wat volgt op het afscheid van Trevrizent eens nader bekijken. Om te beginnen zet Wolfram Parzivals verhaal niet direct voort – zoals hij dat wel deed na het zesde boek en de vloek van Kundry. Parzival rijdt over wegen waarover niets te vertellen valt. In plaats daarvan vergezellen we Gawan op zijn avontuurlijke tocht naar Klinschors bolwerk, het magische kasteel Schastelmarveile. Samen met Gawan zijn we getuige van de greep van magische krachten; we zien hoe standvastigheid en onbevreesdheid de macht van de boze betovering breken. Samen met de bevrijde vrouwen van Schastelmarveile en de ridders van de Ronde Tafel zien we Gawan “in geluk” – in *saelde*.
   Maar waar is de man wiens taak het is om de heilige magie van Munsalvaesche te bewaken? Waar is degene die *saelde* zo pijnlijk ontbeert? We vernemen dat ook hij op het terrein van Schastelmarveile heeft gestreden, maar er niet is gebleven; hij zocht niet, zoals Gawan, de weg naar het binnenste heiligdom van het betoverde kasteel.
Uiteindelijk, dagen later, vroeg in de ochtend, komen we hem opnieuw tegen, al herkennen we hem niet direct. Hij verschijnt voor ons – en voor zijn vriend Gawan – als een vreemdeling. Zijn gehavende schild verraadt hem als een man die al lange tijd op avontuur uit is. De rijke krans van de boom van koning Gramoflanz zet Gawan op het verkeerde been wanneer hij op de vreemdeling afstormt; hij waant zich tegenover de trotse koning Gramoflanz zelf, die bij de rivier de Sahins wacht op het afgesproken beslissende tweegevecht. Zo begint de strijd tussen de vrienden die elkaar niet herkennen – een gevecht “waarin de overwinnaar weinig kon winnen, maar veel kon verliezen.” In de hevige botsing stoten ze elkaar uit het zadel; scherven van schilden vermengen zich met het groene gras. Maar voordat Gawans nederlaag een feit is, herkent Parzival zijn tegenstander. Ontdaan werpt hij zijn zwaard weg en vervalt in zelfverwijt: “Ellendig en onwaardig ben ik,” zegt hij huilend; “ik heb alle genade, alle geluk, alle zaligheid verspeeld! Dat ik mijn vriend in zulk gevaar heb gebracht – dat was een zware dwaasheid, een zinloze daad. De schuld ligt volledig bij mij; want het is mijn ongelukkige noodlot dat zich hier opnieuw heeft gemanifesteerd, de draden van het lot heeft verward en mij voorgoed van de genade heeft afgesneden; ach, dat ik gedwongen was te strijden tegen mijn edele vriend Gawan!”

ich hân mich selben überstrîten
(Ik leidde de dodelijke aanval op mezelf)

“Hier trof mij het ongeluk, en hier ontglipte mij het geluk voorgoed!”
Maar Gawan ziet dit gevecht anders. Hij stelt zijn wanhopige vriend gerust met de woorden: “Dan is alles goed. Dan zijn de kronkelpaden van de dwaasheid eindelijk rechtgetrokken! Want jouw hand heeft ons beiden overwonnen. Je hebt jezelf overwonnen – mits je dit gevecht beschouwt als een daad die voortkwam uit de trouw van je hart.” Wanneer de twee vrienden, na zulke beproevingen te hebben doorstaan, bij de Tafelronde aankomen, wordt Parzival hartelijk verwelkomd door alle ridders en jonkvrouwen; bij het zien van deze oprechte erkenning verdwijnen zijn ongemak en verdriet. “Hij was gelukkig en vrij van bitterheid” en vroeg om opnieuw te worden toegelaten tot de Tafelronde, waarvan een “nu onbegrijpelijk wonder” hem ooit had gescheiden.

   Gawan had een nieuwe ontmoeting met Gramoflanz geregeld.
Maar opnieuw staan ​​de verkeerde tegenstanders tegenover elkaar. Ditmaal arriveert Gramoflanz als eerste op het afgesproken strijdperk. Hij treft Parzival aan, die in alle vroegte stiekem uit het kamp is geglipt. Wederom kruisen waardige tegenstanders de degens; want Gramoflanz is zo trots dat hij zijn krachten slechts met twee tegenstanders tegelijk wil meten – afgezien van Gawan. Parzival strijdt namens zijn vriend tegen de geduchte krijger. Net wanneer Parzival op het punt staat te overwinnen, worden de strijders gescheiden. Gramoflanz erkent Parzival als overwinnaar en verzoent zich uiteindelijk met zijn vriend Gawan. Binnen de kring van het hof van Arthur worden voorbereidingen getroffen voor een feest ter ere van de huwelijken van Gawan met Orgeluse en Gramoflanz met Itonje.
   Toch voelt Parzival de vreugdeloosheid van zijn ellendige omzwervingen sterker dan ooit; een plotseling verlangen naar zijn koningin overvalt hem.

“Moeten mijn ogen hier op het vreugdevolle rusten, terwijl mijn hart slechts ellende en verlangen kent? Dat gaat niet samen. Welke plaats is er voor wie geen vreugde kent te midden van de vreugdevolle, voor de ongelukkige te midden van de gelukkige? Moge God de gelukkigen vreugde schenken. Maar ik wil van deze vreugde weggaan.”

   Hij zadelt zijn paard, bewapent zich en rijdt weg zonder afscheid te nemen. Toen hij van Trevrizent afscheid nam, brak de dag net aan.
   Hiermee eindigt het veertiende boek. Het begin van het vijftiende boek bevat een zeer korte – en gemakkelijk over het hoofd te zien – aanwijzing van Wolfram dat juist deze laatste strijd, deze ultieme beproeving die Parzival moet doorstaan, de beslissende stap vooruit vormt in zijn streven naar de Graal. Het is het tweede ‘wonder’ van Parzivals reis, en toch is het geen herhaling van het eerste. De eerste keer kwam hij bij Munsalvaesche aan zonder naar de burcht op zoek te zijn geweest. Wat betreft de tweede, zo vurig verlangde roeping tot de Graal, zegt Wolfram

Parzival daz wirbet (Parzival krijgt het voor elkaar)

maar, zo vervolgt Wolfram: “Mogen moed en zelfbeheersing hem nu standvastigheid schenken, zodat hij zijn leven kan behouden. Want op zijn onbevreesde weg treft hij iemand die een meester is in elk gevecht – een heiden.”
Parzival rijdt op een groot woud af en ontmoet op een open plek de vreemdeling, die een rijk en machtig man blijkt te zijn. De ogen van beide ridders lichten op wanneer ze elkaar zien naderen. Ze stormen met hun lansen op elkaar af, maar geen van beiden slaagt erin de ander uit het zadel te lichten. Vervolgens vechten ze te paard met hun zwaarden. De heiden zet de gedoopte ridder zwaar onder druk; de paarden raken door het zwoegen oververhit en uiteindelijk stappen beide mannen af. De heiden is sterk, en zijn heidense strijdkreet verdubbelt zijn kracht. Op dit punt merkt Wolfram op: “Hun strijd ging om niets minder dan vreugde, heil (*saelde*) en eer. Maar wie hier ook zou zegevieren, zou alle vreugde verliezen en slechts verdriet winnen.” Tot nu toe heeft Parzival in stilte gevochten. Enkele slagen van de heiden hadden hem op de knieën gedwongen, maar Wolfram spoort hem aan om de strijdkreet van de heiden te beantwoorden met een eigen kreet. Dan herinnert Parzival het zich en vindt hij zijn strijdkreet: “Pelrapeire!” roept hij als antwoord op de “Thabronit!” van de heiden. En over land en zee komt Condwiramurs haar ridder te hulp. Met een machtige slag dwingt Parzival de heiden nu op de knieën; maar zijn zwaard breekt in stukken tijdens de beslissende uithaal. Het was het zwaard dat hij ooit in zijn dwaasheid van Ither had buitgemaakt; hier viel het uiteen in scherven. Wie is de overwinnaar? De heiden werpt zijn eigen zwaard achter zich, om geen oneerlijk voordeel te hebben, en de strijdmoede krijgers gaan in het gras zitten. Dan blijkt dat de twee die hier vochten broers zijn: Feirefiz, de gevlekte zoon van Belakane, en Parzival, de zoon van Herzeloyde, die in twijfel verkeert. Beiden dragen de kleuren van de ekster. Beiden zijn zonen van Gahmuret.
   Nogmaals klinken de woorden die Gawan na het gevecht tussen vrienden had gesproken:

mit dir selben hastu hie gestritn,
gein mir selbn ich kom ûf strît geritn,
mich selben het ich gern erslagn:
dune wertest mir mîn selbes lîp.

(Je vocht hier tegen jezelf,
ik ging hier de strijd aan tegen mezelf;
ik zou mezelf hier bijna hebben gedood,
als je niet zo onverschrokken
mijn leven voor me had verdedigd.)

   Wanneer de broeders terugkeren naar de Tafelronde, roept Kundry Parzival terug naar de Graalburcht.
   De laatste stap van twijfel (*zwivel*) naar gelukzaligheid (*saelde*) zou dus niet het paasgesprek met de kluizenaar zijn, noch de schuldbelijdenis en het besef van de gevolgen daarvan, en evenmin de vraag die voortkomt uit mededogen – een vraag die, nu Parzival weet dat hij haar moet stellen, een enigszins onbevredigend, formeel karakter heeft.
Zou de laatste stap – de ultieme stap die de weg naar genade vrijmaakt – de drievoudige strijd tegen zichzelf kunnen zijn? Zou het de overwinning op het eigen ik zijn die Parzival leidt naar de “hōher funt”, naar het hoogste dat hij kan vinden? En zou *saelde* de zielstoestand zijn van iemand die, na die laatste, uiterlijke zelfoverwinning, ervaart hoe “Gods goedheid in hem zegeviert” (hoe de goedheid – de genade – van God meester over hem wordt; hoe zijn eigen wil nu vervuld wordt door een andere, hogere wil; hoe een hoger ik in hem intrek neemt)?
   Destijds, op die Goede Vrijdag, toen Parzival voor het eerst een beslissende
keuze kon maken die het tij van zijn lot zou keren, zei hij – terwijl hij de teugels
over de oren van zijn paard liet hangen – “nu geng nâch gotes kür!” (Ga nu zoals God wil!)
Nu zijn die woorden op hemzelf van toepassing: “Ga nu als iemand in wiens wil
Gods wil werkzaam is!”

De interpretatie van de slothoofdstukken van *Parzival* die hier wordt gepresenteerd, is zeker niet nieuw; ze is vermoedelijk ergens terug te vinden in de omvangrijke literatuur over Wolframs *Parzival*. Toch heb ik haar niet aan boeken ontleend, maar aan de samenwerking met mijn laatstejaarsklas in Hamburg. Juist omdat deze beschouwingen voortkomen uit de levendige betrokkenheid van één specifieke klas bij deze vraagstukken, kunnen ze van waarde zijn voor ouders en collega’s. Dat is de enige geest waarin ze worden aangeboden.

.

11e klas: alle artikelen (w.o. over Parzival

Vertelstof: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3593-3386

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Het leerplan – Caroline von Heydebrand (11e klas)

.

Kort na het overlijden van Rudolf Steiner in maart 1925 verscheen voor de eerste keer een schriftelijke weergave van het leerplan van de vrijeschool.
Die werd samengesteld door Caroline von Heydebrand die vanaf het begin in 1919 aan de vrijeschool in Stuttgart was verbonden. Zij had ook de begincursus – GA 293294 en 295 – bijgewoond en de vele lerarenvergaderingen met Rudolf Steiner (GA 300abc). 
In de jaren 1919 – 1925 tekenden zich de contouren van een leerplan af dat nadien in grote lijnen hetzelfde is gebleven.
Dat betekent echter niet dat het ‘achterhaald’ zou zijn. In velerlei opzichten zijn de ideeën nog altijd even verfrissend en laten ruimte voor ontwikkeling.

Caroline von Heydebrand, Mitteilungsblatt, okt. 1925
.

DE JONGE MENS NA DE PUBERTEIT

De volledig ontwaakte denkkracht van de jonge mens en het vermogen te oordelen vraagt om voeding en om mogelijkheden ze te gebruiken in opgaven die door verstand en logica te benutten op te lossen zijn. De verhouding die de jonge mens nu bewust en zelfstandig met zijn omgeving wil krijgen, vraagt om voortdurend contact met het praktische leven en met de verworvenheden van de moderne techniek. Zijn rijke en turbulente gevoelsleven dat de jongen nog meer verbergt dan het meisje, verlangt naar impulsen vanuit serieuze mensheidsproblemen die aan de orde moeten worden gesteld en veelzijdig moeten worden belicht, omdat iedere eenzijdigheid naar zijpaden leidt. Bij de vele moeilijkheden en morele remmingen van deze aan raadsels, wonderen en verrassingen zo rijke leeftijd waarin het bewustzijn langzamerhand heer en meester wil worden over de overrompelende gevoelswereld, helpt het eigen kunstzinnig bezigzijn en het werken met de handen, maar ook de door fantasie, enthousiasme en kunstzinnig gevoel doordrongen lessen van de leraar. De jonge mens volgt nu niet alleen meer de autoriteit van de leraar die hem door de acht jaar basisschool heen heeft geleid, maar hij krijgt nu les van een aantal vakleraren waaruit hij nu zelf zijn favoriete leraar kiest. Wat voor hem voordien mooi of lelijk was, goed of verkeerd, nam hij als wet voor zijn handelen aan van de leerkracht; nu gaat hij ertoe over te handelen uit plichtsbesef en gaat op weg naar de vrijheid waarbij plicht betekent: ‘houden van datgene wat je jezelf oplegt.’

11e klas

Aardrijkskunde

De samenhang tussen veldmeten en aardrijkskunde wordt besproken en bv. de mercatorprojectie.

Biologie

De leer van de cellen wordt besproken en bij de planten ga je tot aan de eenzaadlobbigen. De leer van de cellen wordt zo gebracht, dat bij alles de grote kosmische relaties die zich ook in het kleinste weerspiegelen, benoemd worden. In de celdelingen bv. herhaalt het organisme kosmische oer-feiten. In de plantkunde wordt er vooral de nadruk op gelegd de plant samen met de grond waarin ze groeit en de werkingen van de hele kosmos erop te begrijpen.

Euritmie

Omdat de leerlingen door de jaren heen steeds weer verschillende ruimtelijke vormen hebben geoefend in samenhang met gedichten, werd voor hen duidelijk dat bij de zgn. apollinische vormen een meer grammaticaal gezichtspunt maatgevend was, d.w.z. ieder woord een bijzondere vorm in de ruimte. Wanneer er meer gekeken werd naar de gevoelsinhoud van een gedicht, dat denkend, voelend en willend tot uitdrukking kwam, dan werden er ruimtelijke vormen gekozen die onder deze gezichtspunten de onderhavige strofen en regels samenvatten. Dit waren de dionysische vormen. De tegenstelling apollinisch – dionysisch wordt hier in de beweging van mensen of groepen mensen in de ruimte op een bijzondere manier zichtbaar. Zo kan opnieuw vanuit de euritmie iets bijgedragen worden aan wat dit jaar in de kunstgeschiedenis wordt behandeld.
Verder wordt nog de ‘planetendans’ van Rudolf Steiner door de leerlingen uitgevoerd. Daarbij worden de apollinische vormen in de ruimte gelopen, alsmede de cirkelbewegingen van de planeten. Ook de grootte en richting van de klankbewegingen wordt door de innerlijke bouw van het gedicht bepaald.

Tooneuritmie:

Nu worden de bijzondere meerstemmige muziekstukken beoefend waarbij de leerlingen zelf met strijk- en blaasinstrumenten meewerken.

Gymnastiek

Aan de toestellen: zie tiende klas

Beweging met een doel met de nadruk op hoogte en afstand. Variaties bij bewust verleggen van het doel. Lopen in horizontaal ritme en in lemniscaat. Door hoogte ook diepte en afstand, de afstand door diepte en hoogte. Speerwerpen, discuswerpen, kogelstoten.

Handenarbeid

Overgaan tot boekbinden. Zover de tijd het toelaat, moet naast het boekbinden ook verder worden gegaan met handwerken.

Boekbinden

Er zijn in de 11e en 12e klas drie perioden. Uit het werk van de eerste komen kleine, gekleurde doosjes. Het papier dat ervoor wordt gebruikt, wordt zelf beschilderd en opgeplakt. In de tweede ontstaan de eerste eenvoudige notitieboekjes met kleur, schetsboeken, halflinnen met zelfbeschilderd papier, geheel linnen banden.

Kunstgeschiedenis

De motieven van de twee voorafgaande klassen worden op een nieuwe manier aan de orde gesteld. Het doel is te volgen hoe in het recente Duitse geestesleven de kunstzinnige verhouding is tussen het plastisch-beeldende en de muzikaal-dichterlijke stroming in de mens. Dat biedt de mogelijkheid de tegenstelling tussen de apollinische en de dionysische levenshouding nog verder te onderzoeken, hoe deze nieuw gevormd wordt voor een zuiver menselijk-christelijk mensbeeld. Dat leidt tot de tegenstelling ‘oogmens’ en ‘oormens’; de mens die via de weg van de zintuigen en de mens die via de klinkende, beeldloze wereld in het eigen Ik de weg zoekt. Langs deze weg kunnen weer met voorbeelden meer begrippen gevonden worden over de esthetica en de ‘esthetische opvoeding van de mens’. Zo kan bij de zich hier weer in andere vorm voordoende tegenstelling tussen noordelijke en zuidelijke volksaard in de kunst de polariteit van westerse en oosterse levensbeschouwing komen. Je kan bv. laten zien hoe in Goethe noord en zuid, oost en west in een daad wereldgeschiedenis te harmoniseren in één persoon verenigd, tot uiting wil komen. Er moet dan begrip worden gewekt voor hoe een kunstzinnig-exacte visie op het totale leven niet tot stand kwam, maar door de nieuwe impulsen juist weer uiteen kan raken in de Romantiek en het materialisme. Dit kan aan heel veel voorbeelden uit de kunst worden getoond, waarbij de weg van de hele kunstontwikkeling ‘symbolisch’, naar ‘klassiek‘ en naar ‘romantisch‘. aangetipt kan worden, die dan in de 12e klas verder behandeld moet worden.

Literatuur en geschiedenis

In deze klas komt de geschiedenis van de literatuur meer op de voorgrond te staan dan de geschiedenis. Het hoofdthema is Parzival van Wolfram von Eschenbach. Geselecteerde stukken worden in het origineel gelezen, nadat de leerlingen kennis gemaakt hebben met de sage en de geschiedenis van die tijd. Uit wat wordt besproken, worden gevolgtrekkingen gemaakt voor de huidige tijd, daar wordt bij aangehaakt en de leerlingen wordt tot bewustzijn gebracht, welke figuren uit het werk en de geschiedenis van toen, lijken op de figuren uit hedendaags werk en de eigentijdse geschiedenis, ook die geen overeenkomst tonen, maar dat wel zouden moeten doen, enz. Zo komt er in het onderwijs oordeelsvorming. De parzivalmotieven worden in hun vaak moeilijk te herkennen metamorfosen in de literaire werken van de volgende eeuwen tot in de negentiende eeuw gevolgd. Aan het motief van de arme Heinrich von Hartmann von Aue wordt duidelijk gemaakt hoe in de middeleeuwen het morele en het fysieke nog als één werden beschouwd, wat dan in de vijftiende en zestiende eeuw verloren gaat. Aan het voorbeeld van Wolfram kan je het verschil laten zien hoe in de middeleeuwen de vorming was van de leken en de clerus. Wat je met het motief van Parzival en dat van de arme Heinrich in
detail kan laten zien en hoe het zich verder ontwikkelt en vervlakt in de eeuwen die volgen, verruim je tot een totaalbeeld en toon je tot slot de negentiende eeuw als samenvatting van het voorafgaande. Er moet goed op worden gelet dat wat de negentiende eeuw aan structuur krijgt, wordt gebouwd op de vroegere eeuwen.

Het is vanzelfsprekend dat de keus en de aanpak van de kunstvoorbeelden hier geheel vrij is en past bij de mogelijkheden van de klas en de leraar.

Muziek

Zie negende klas

Natuurkunde

De nieuwe ontdekkingen op het gebied van de elektriciteitsleer, zoals de draadloze telegrafie, röntgenstralen en de radioactiviteit.

Scheikunde

Er wordt geprobeerd om een overzicht te geven van de hele scheikunde door het uitbreiden van de begrippen over zuur, base, zout. Iedere scheiding tussen anorganische en organische chemie wordt vermeden. Er wordt niet uitgegaan van de scheikundige elementen, maar van scheikundige processen. Dus bv. van zuren, wat alkalisch is, zoutachtig, het verbranden en aansluitend worden de aparte stoffen besproken. Zwavel zou je bv. zo kunnen bespreken, dat het zwavelproces als een deel van een vulkaanproces, maar ook als de impuls die  in het levende eiwit de stofwisseling versnelt in plant, dier en mens gekarakteriseerd wordt. De stof zwavel bv. wordt geschetst als een stof die tot stilstand gekomen is, een bevroren, verstard deel van het universele zwavelproces in de natuur. Dat kan je met iedere stof doen. Zwavel komt op deze manier net zo als een ‘organisch’, alle levensprocessen van de aarde doortrekkend proces aan de orde, zoals bv. de suiker of een andere koolstofverbinding. Wat in de stof ‘verstard’ is, kan op deze manier van onderwijzen levendig worden, wanneer je aantoont hoe ‘stof’ overgaat in de omvattende wereld- en mensenprocessen.

Niet-Nederlandse talen

Engels en Frans

Dramatische leesstof. Aan de dramatiek wordt de poëtica verder ontwikkeld. Bij Engels staat Shakespeare en zijn tijd in het middelpunt; bij Frans het klassieke drama. Samen met de dramatische lectuur worden de leerlingen uitgedaagd bepaalde scènes of hele stukken op te voeren. Ook prozastukken en de schoonheid van de taal.

Latijn en Grieks

Bij Latijn komt de syntax tot een eind. Verder gaan met leesstof van Vergilius en met iets uit de Romeinse lyriek (Catullus, Propertius, Tibullus, de Tristia van Ovidius. De eerste en derde decade van Livius worden naar keuze gelezen, misschien wel Germania van Tacitus. Bij het Grieks verder gaan met de syntax en met leesstukken uit de Odyssee. Erbij komen Plato, apologie en makkelijkere dialogen, bv. Crito en Euthyphro en een of twee reden van Lysias,

Technologie

Hier worden het schoepenrad, waterturbine, stoomturbine behandeld. Er worden modellen gemaakt van papier-maché. Diep ingaan op de papierfabricage. Uitstapjes naar de bedrijven. Duidelijk maken van het elektriciteitsbedrijf. Dat wordt ook bezocht.

Wiskunde

Algebra gaat verder met de leer van de vergelijkingen met exponenten, in verbinding met logaritmische berekeningen en de verschillende praktische toepassingen. Bij de vlakke trigonometrie konmt de ruimtelijke, waarbij  bijzonder op wordt gelet op de werking van een gekromd vlak als veld voor meetkundige arbeid. Daarbij aansluiten astronomie en de daarbij horende rekenkundige opgaven (nautische driehoek.)

Beschrijvende meetkunde en meetkundig tekenen:

Tot gecompliceerde opgaven van lichamen die elkaar doordringen, schaduwconstructies voor parallel en centrale belichting.

.

Het leerplan: alle artikelen

2149-2017

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parzival (6)

.

Inleiding voor de V.P.C.-overlegkring op 30 april 1988.

De weg van Parzival en de weg van Lohengrin

wat betekenen ze voor ons in deze tijd

Het is met een mengeling van vreugde en schroomden ook gewoon zenuwachtigheid,dat ik* hier voor u sta om deze inleiding te houden. Vreugde over het feit dat dit Parzivalepos hier vandaag vanuit deze tweeheid: Parzival-Lohcngrin behandeld mag worden.
Ik meen dat juist deze tweeheid, die we in dit verhaal terugvinden, voor de antroposofische beweging en voor onze schoolbeweging van groot belang is.

Schroom, omdat het een veelomvattend thema is wat met het allerhoogste in de mensheidsontwikkeling, het vinden van de Graal, te maken heeft. Daarom wil ik zo veel mogelijk in plaats van zelf aan het woord te zijn, in mijn verhaal de beelden van het Lohengrinverhaal en Steiner aan het woord laten.

Stellen wij ons voor dat hier, in deze ruimte, waar we bij elkaar zijn, dat hier in ons midden een grote, mooie kristallen klok zou hangen. In dit kristallen glas zouden de kleuren dooreenweven in een bont spel. En dan, plotseling, zou de klok gaan klinken : een toon zou zij voortbrengen. Tegelijkertijd zouden de kleuren die zo dooreengeweven hebben, die zouden zich verdichten tot letters. Deze letters zouden zich vormen tot een naam, en zo zou daar de naam verschijnen van’Gijs Langeslag’! En daarachter zou een opdracht verschijnen: “Parzivalschool, Arnhem”. Dan zou het weer vervagen, het zou weer stil zijn.

Op een zeker moment zou opnieuw die klok klinken: weer zouden de kleuren elkaar vinden in letters en de naam vormen van “Attie Lichthart”, met daarachter : “Vrijeschool Zutphen”. Allemaal klinkende namen zouden op deze klok verschijnen van degenen die hier, vandaag, bij elkaar zijn.

Mischien zou het ook kunnen gebeuren dat, wanneer wij straks de grote deur, de voordeur van deze school, zouden verlaten en op weg zijn naar onze auto of naar de trein, dat daar plotseling uit hemelhoogten een zwaan zou neerdalen. En dan in het water, wat daar plotseling aanwezig zou zijn, zou neerstrijken. Dat deze zwaan een klein schuitje zou voorttrekken, en ons zou uitnodigen in dit schuitje plaats te nemen, om op die manier naar huis te gaan.
Milieuvriendelijk, dat in ieder geval. Is het een onwaarheid? Is het fantasterij? Die vraag wil ik meenemen in deze inleiding, om er aan het eind op terug te komen.

In ieder geval verging het zo Lohengrin. Deze beelden zijn de beelden van het Lohengrinverhaal. Aan de meesten van ons zal het verhaal bekend zijn. We weten ook dat er meerdere versies zijn en dat er versies zijn waarin de hoofdfiguur Helias heet. Alle hebben zij gemeen dat deze beelden centraal staan en in alle versies terug komen.

Voor vandaag wil ik mij bepalen tot het Lohengrinverhaal van Wolfram von Eschenbach, Lohengrin de zoon van Parzival.

In het zestiende hoofdstuk, het laatste hoofdstuk van het Parzivalepos, komt Parzival ten tweede male op de Graalsburcht. Het is dan, dat hij de vraag weet te stellen die Amfortas verlost van zijn pijnen. Daardoor wordt hij zelf Graalskoning. Het is in dit zestiende hoofdstuk dat ook over Lohengrin wordt gesproken; in het allerlaatste hoofdstuk van het Parzivalverhaal, Er wordt dan verteld, door Wolfram, hoe er op de Graal opdrachten verschijnen voor graalsridders,om overal naar vreemde volkeren te gaan. Wanneer zij daar op hun missie zijn, zo vermeldt Wolfram, mogen zij hun naam en hun geslacht niet noemen. Hij vermeldt dan ook nog dat, voor Parzival kwam, er een tijdlang geen ridders weggezonden werden, zolang het leed van Amfortas duurde.

En dan wordt er over Lohengrin gesproken. Kerst wordt nog van hem gezegd dat hij wordt gevraagd door Feirefiz, de gevlekte broeder van Parzival, wordt gevraagd om mee naar het oosten te gaan. De moeder van Lohengrin en ook Parzival, zijn vader, zijn er echter op tegen. Zij zeggen: “Het leven van onze kleine zoon zal gewijd zijn aan de Graal.” Blijkbaar was dit een opdracht die niet voor Lohengrin was weggelegd.

We zullen straks zien dat Lohengrin een andere opdracht krijgt. Maar eerst vernemen we nog hoe na twaalf dagen Feirefiz met zijn vrouw, Repanse de Schoye, wegreist; een lange reis maakt naar India. Het verhaal vermeldt dan nog dat daar in India hun zoon geboren wordt: Johannes, die de priester Johannes wordt genoemd. Een geheimzinnige figuur, die in de middeleeuwen , en ook nog in de tijd van de ontdekkingstochten, een belangrijke, maar verborgen rol speelde. De priester Johannes die een taak heeft in de verdere toekomst van de mensheid. En dan volgt het verhaal over Lohengrin.

Wolfram vertelt hoe er in Brabant een vorstin leeft, in andere versies wordt zij Elsa genoemd, en hoe dat deze vorstin kuis en rein is.
En hoe dat er vele vorsten zijn die dingen naar haar hand. Maar de vorstin van Brabant is niet erg onder de indruk van al deze mannen. Als zij uiteindelijk maar blijft weigeren, worden zij vertoornd op haar. Zij zegt: “Wie God mij zal zenden, die wordt mijn man”. Als dan juist deze ridders zo kwaad dreigen te worden dat zij haar kwaad aan zullen doen, verschijnt er een witte zwaan die een scheepje voorttrekt, en in dat scheepje bevindt zich een ridder: Lohengrin. Zij weet meteen dat zij met hem trouwen wil. Hij zegt haar: “Vraag mij niet naar mijn naam en naar mijn koningkrijk”, en zij belooft het.

Dan weidt Wolfram uit over de kwaliteiten van Lohengrin, als hij eenmaal de vorst van Brabant is geworden door het huwelijk dat hij met deze vorstin is aangegaan. Hij zegt: “Iedere heer ontvangt zijn leengeld; er is een voorspoedige heerschappij; hij is een rechtvaardig rechter; de bloem der ridderstand; hij verbreidde de zegen alom; hij had een gelukkig huwelijk en schone kinderen “.

Na verloop van jaren vraagt Elsa toch aan hem waar hij vandaan komt. Wolfram vertelt niet na hoeveel tijd dat gebeurde, in andere versies wordt meestal de tijdspanne van tien jaar vermeld, en hij vermeldt ook niet waardoor het nu precies gebeurde dat zij nu juist die vraag stelt. Maar die vraag wordt gesteld en op hetzelfde moment bijna dat die vraag gesteld wordt, verschijnt de zwaan, Lohengrin zal moeten vertrekken. Hij laat slechts een zwaard, een hoorn en een ring achter als herinnering. En natuurlijk zijn kinderen. Dat, beste mensen, is bijna het einde van het Parzivalepos. Dan volgen nog slechts ruim dertig regels, waarin Wolfram een soort slotbeschouwing houdt en dan is het Parzivalepos voorbij.

We mogen wel stellen dat het verhaal van Lohengrin zich in een grote vernieuwde belangstelling mag verheugen de laatste tijd. Er zijn scholen in ons land, maar ook daarbuiten, die zich naar de Zwaanridder of naar Lohengrin gaan noemen. In Nijmegen hebben we het afgelopen jaar een aantal werkbijeenkomsten gehouden rond het thema van de zwaanridder.
Mensen als Hans-Peter van Maanen, Fred Beekers en Ignaz Anderson hebben er over dit thema gesproken. In Den Bosch, op de Rudolf Steinerschool hebben wij het thema van de zwaan opgepakt, een thema dat al.sinds eeuwen in onze stad leeft; we kennen daar de zogenaamde Zwanenbroederschap. De leraren van de school zoeken nu naar de nieuwe inhoud die het zwanenthema heeft in deze tijd.

Het feit dat er zoveel mensen zijn die in deze tijd een drang hebben om zich met dit zwanenthema en dit Lohengrinthema uiteen te zetten zegt iets over de tijdssituatie. Blijkbaar is het een drang van mensen die juist nu geincarneerd zijn, om zich daarmee uiteen te zetten. Wellicht is het van belang hierbij te vermelden dat wij ongeveer duizend jaar leven na de tijd die Rudolf Steiner aangeeft als de tijd waarin de Lohengrinimpuls voor de mensheid heeft gewerkt, n.l. de tiende eeuw.

Vanuit de beelden die het verhaal geeft, wil ik nu graag overstappen naar hetgeen Rudolf Steiner in een zestal voordrachten over Lohengrin heeft gezegd. De voordrachten vindt u op het lijstje dat u allemaal hebt ontvangen. Naast de zes voordrachten van Rudolf Steiner over dit thema vindt u nog het boek van Max Stibbe vermeld, ‘Van zwaneridder tot vliegende Hollander”. Stibbe brengt in dit vrij uitgebreide werk het zwaneriddermotief in verband met de Nederlandse volksziel. Hij werkt eigenlijk helemaal uit hoe dat in de historische ontwikkeling van het Nederlandse volk, hoe dat zwaneriddermotief eigenlijk de gang van dit volk door de geschiedenis begeleidt.
Walter Johannes Stein en Isabel Wyatt die u ook in de literatuurlijst vindt, werken met name een belangrijke opmerking van Rudolf Steiner uit over Lohengrin, datgene wat hij heeft gezegd, dat Lohengrin eigenlijk staat voor de stedenstichtingsimpuls in de tiende eeuw. Dit gegeven weten zij in verhand te brengen met historische personen die in de tiende eeuw en daarna hebben geleefd.

Rudolf Meyer schreef een zeer veelzijdig boek over de graal en in het tiende hoofdstuk vindt u het een en ander over Lohengrin,

Ik wil mij nu verder bepalen tot de zes voordrachten die u op uw lijst vindt en vanuit die zes voordrachten proberen de beelden van het verhaal te benaderen.

Wij weten dat Parzivai aan het begin van het Parzivalverhaal een kleine jongen is, bij zijn moeder Herzeleide woont in een natuurlijke omgeving. Hoe hij als een kleine, we mogen wel zeggen simpele, jongen, die als hij ridders ziet denkt dat het engelen zijn; hoe hij als een kleine jongen de wereld ingaat, weg van zijn moeder en dan eigenlijk door het hele Parzivalepos heen een ontwikkelingsweg gaat, tot hij uiteindelijk bij de Graal komt. Hoe hij daar eenmaal onrijp wordt bevonden, weer terugkomt in de wereld en opnieuw die weg moet gaan.

Het is een weg die door de twijfel gaat. Van dofheid via de twijfel, dan uiteindelijk voert tot de Graal, dat is de trap van de saelde.

Wat is nu eigenlijk die weg naar de Graal? Rudolf Steiner heeft het in een van deze voordrachten heel eenvoudig gezegd: “De weg naar de Heilige Graal is niets anders dan de weg naar het diepste innerlijk van de menselijke natuur”. Ook zegt hij ergens, in 1906: “Het is de weg van ieder mens naar zijn hoger zelf” Het gaat hier om een innerlijke menselijke weg, vandaar dat dit verhaal ons ook zo kan ontroeren en ook zo kan aanspreken, dat wij ons zelf daar allemaal in kunnen herkennen. Zoals gezegd van dofheid via twijfel naar saelde. En wat is nu saelde? Saelde, zegt Rudolf Steiner, dat is de inwijdingstrap van de Zwaan. En het is door Trevrezent, dat Parzival in deze trap wordt ingewijd. Wat is dan wel die trap van de zwaan? In een van die voordrachten zegt Steiner het wel op een heel eenvoudige manier. Hij zegt: “De zwanentrap wil zeggen dat men zich niet hoger acht dan anderen”.

Maar in alle andere beschrijvingen die ik in deze voordrachten tegenkwam, wordt zijn beschrijving van de zwanentrap dichterlijk, lyrisch, bijna muzikaal. Hij spreekt dan over het uitvloeien over alle wezens; vreemde smart is onze smart; medelijden; we begeven ons in de sfeer van de hemelse sferenharmonie; we komen in de hogere regionen van het devachan; de stemmen van alle wezens klinken daar in een grandioze harmonie. Alle wezens, ook de stenen, planten en de dieren (we kennen het als sprookjesmotief ) die spreken tot ons en we horen ze niet buiten ons maar in onszelf. Dat is de trap van de Zwaan.

Men ervaart, zegt Rudolf Steiner, de bron van het universumen van de Logos.

Daar, vanuit die staat van zijn, vanuit die trap moeten we dan het verhaal verder denken. Daar is het dat het verhaal van Lohengrin begint. Want Lohengrin is een zwanenridder. En als het verhaal zegt dat Lohengrin de zoon van Parzival is, dan betekent dat niets anders dan dat Lohengrin verder gaat in de ontwikkeling waar Parzival gekomen is. En we weten het uit het verhaal, hij gaat de weg de wereld in; er is nood in de wereld .

En in dit geval gaat het om de nood van Elsa van Brabant. Maar wie is dan Elsa van Brabant? Zij staat, zegt Rudolf Steiner, voor het middeleeuwse bewustzijn. Het vrouwelijke, zegt hij, duidt steeds op een staat van bewustzijn.

Wat wil er opkomen in dit bewustzijn? Wat wil er opkomen in de middeleeuwen? Het materialisme wil opkomen. Maar daarvoor is het nodig dat het strevende menselijke bewustzijn, het vrouwelijk principe, Elsa, vanuit de buitenwereld, de Heilige Graal wordt bevrucht. En deze bevruchting is de stedenstichtingsimpuls.

Steiner zegt: Het gaat hier om een historisch-sociale missie, in het midden van de middeleeuwen, tiende eeuw. En hij stelt deze historisch sociale missie in een van die voordrachten direct tegenover de innerlijke menselijke weg van Parzival. Door de steden heeft er een grote ruk voorwaarts plaatsgevonden in de mensheidsontwikkeling. Dankzij de steden ontstonden boekdrukkunst, moderne wetenschap, universiteiten en nog veel meer, maar ook een werk als Dante’s Divina Comedia, zegt Steiner, had nooit geschreven kunnen worden als er geen steden waren geweest. En hetzelfde zegt hij over de schilders van de Renaissance.

De huidige fase van het Christendom werd door Lohengrin ingeleid en heeft geleid tot de fase van de dienstbaarheid. De mens is bevrijd uit zijn oude verbanden. Het burgerdom is bevrijd onder invloed van het Christendom. Als het verhaal zegt dat Lohengrin een zoon van Parzival is, dan geeft dat aan dat de impuls die Lohengrin bracht een christelijke impuls was. De stedenstichtingsimpuls is een christelijke impuls.

Toen ik in een van deze voordrachten aan het eind las hoe Steiner zegt dat de antroposofie de opvolger wil zijn van bewegingen zoals de Parzivalbeweging en de beweging die van de ingewijde Lohengrin uitging, heeft dit mij aan het denken gezet, en ik heb mij afgevraagd waar wij de Parzivalweg en de Lohengrinweg in de antroposofie terugvinden. En ik meen daar een antwoord op gevonden te hebben, ik meen dat er in de antroposofie sprake is van twee wegen. De ene weg is de innerlijke ontwikkelingsweg : “Je ontwikkelt je rot”, zeggen we in deze tijd; de andere weg is de sociale weg.

De eerste weg, de innerlijke ontwikkelingsweg, komt van binnen uit. Het is een innerlijke menselijke weg die Parzival gaat, en waar je in je eentje bezig bent om alsmaar verder jezelf te vervolmaken. Het is de weg die door de twijfèl gaat, met vallen en opstaan. In de zin van hoe Steiner spreekt over het sociale in zijn voordracht “Sociale en anti-sociale impulsen in de mens” is dit een anti-sociale weg. En hij zegt daarbij (citaat):” Tot in het tijdperk van het derde millennium moeten de anti-sociale driften zich nog ontwikkelen.”

En wat is dan die sociale weg, de tweede weg die de antroposofie wijst ? Dat zegt hij meteen daarop in diezelfde voordracht: We moeten daar, zegt hij, sociale structuren tegenover zetten, die ervoor zorgen dat de mens niet de andere mens verliest in het sociale leven”.

Het anti-sociale bestaat en moet bestaan. Het heeft te maken met mensen die hun ontwikkelingsweg gaan vanuit de krachten van hun Ik in deze bewustzijnszielentijd. Het mag beslist niet bestreden worden, maar deze staat van bewustzijn van de mensen moet met iets anders verbonden worden, iets dat van buitenaf bevruchtend daaraan wordt toegevoegd.

En dan zegt Steiner in deze zelfde voordracht het volgende: Het gaat er om de inrichting van de maatschappij, de stuctuur, de organisatie van datgene wat niet in de menselijke natuur besloten ligt, maar zich daarbuiten afspeelt, op een zódanige manier vorm te geven en in te richten dat er een tegenwicht ontstaat voor datgene wat in het innerlijk van de mens werkt als anti-sociale drift. Alleen datgene wat buiten de mens is wordt sociaal ingedeeld.

Beste mensen, toen Rudolf Steiner zijn sociale driegeleding aan de wereld bracht, heeft hij niets anders gedaan dan een vorm gegeven; een ordeningsprincipe gegeven. Zoals de ingewijde Lohengrin de stedenstichtingsimpuls in de wereld heeft gebracht, van buitenaf vormend.

De sociale driegeleding heeft geen inhoud, maar is een ordenings-principe.

Zelfs zo’n wet die Rudolf Steiner geeft als de “sociale hoofdwet”, we kennen hem uit het in het Nederlands vertaalde boekje: “Antroposofie en het sociale vraagstuk”. Daarin vinden we op blz.36 en 37 de vertaling van de sociale hoofdwet. Daar blijkt heel duidelijk hoe Steiner deze sociale hoofdwet niet heeft bedoeld als een moreel iets, maar als een wet die tot in de vorm, tot in inrichtingen zich zou moeten uitdrukken.
Luistert u maar, eerst de wet: ”Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter, naarmate de enkeling minder aanspraak maakt op de opbrengsten van zijn prestaties, dat wil zeggen, naarmate hij meer van deze opbrengsten aan zijn medewerkers afstaat en naarmate meer van zijn eigen behoeften niet door zijn eigen prestaties maar door de prestaties van de anderen worden bevredigd”.

Daar zouden we nog kunnen denken dat het om zo’n morele aansporing van Rudolf Steiner zou kunnen gaan, maar om daar alle twijfel uit te bannen, wil ik nog voorlezen wat hij dan even verderop zegt. “Men moet echter niet denken dat het voldoende is om deze wet als algemene morele wet op te vatten; ook moet men haar geenszins in zo’n gezindheid om willen zetten dat iedereen in dienst van zijn medemensen zou moeten werken. Nee, in werkelijkheid is deze wet alleen van kracht wanneer het een gemeenschap van mensen gelukt om zodanige inrichtingen in het leven te roepen, dat niemand de vruchten van zijn werkzaamheden voor zichzelf kan opeisen, maar dat deze, zo mogelijk in hun geheel, aan de gemeenschap ten goede komen.”

Het anti-sociale dat samenhangt met het feit dat mensen in onze scholen en in de schoolbeweging zich ontwikkelen vanuit de krachten, vanuit het vuur van hun Ik, wordt niet voldoende in evenwicht gehouden door onze sociale structuren. Het is overmoedig van ons om te denken dat we het met onze persoonlijke scholingswegen wel redden. Zolang wij nog geen zwanen zijn, is het anti-sociale overal in en om ons. Toch kunnen wij iets van een zwanenridderschap aan de wereld laten zien als we er voor durven kiezen om deze sociale structuren in school en schoolbeweging werkelijk vorm te geven. Sociale strukturen die onszelf en de ander voor de negatieve kanten van de ontwikkelingsdrang beschermen. Als we daarvoor durven kiezen is het beeld aan het begin van deze inleiding beslist niet onwaar geweest.

LITERATUURLIJST LERARENFEDERATIE 1988.

VERSCHILLENDE VERSIES VAN HET LOHENGRIN/HELIAS-VERHAAL(onvolledig).
Leonard Beuger (bew). Parzival-Christofoor
D.L. Daalder: Mythen en sagen uit het oude Europa-Utrecht/Antwerpen (Bol)
H.A.Guerber: Mythen en legenden uit de middeleeuwen-Zutphen
Jaap ter Haar: Sagen uit de donkere middeleeuwen
H.R.Niederhauser: Ritter, Reiter, Gottesstreiter-Verlag Freies Geistesleben.
Joh. Vorrink: Een schone en wonderlijke historie van den Zwaanridder-N.V. Servire, ‘ s-Gravenhage 1930.
Werner Greub: Willem van Oranje, Parzival en de Graal
Wolfram von Eschenbach als historicus”
Deel I is te lezen op www.willehalm.nl.

ACHTERGRONDLITERATUUR BIJ HET LOHENGRIN-THEMA (onvolledig).
Rudolf Meyer: Het mysterie van de Graal ; Christofoor.
R.Steiner: Negende voordracht (4-10-1905) GA 93A .
R.Steiner: Parzival en Lohengrin (3-12-1905) GA 92 en “Graalschrift”2 .
R.Steiner: Parzival und Lohengrin (29-3-1906); GA 54
R.Steiner: Twaalfde voordracht (8-6-1906); GA 92
R.Steiner: De Europese mysteriën en hun ingewijden (6-5-1909) GA 57 
en ”Graalschrift”
R.Steiner: Eerste voordracht (23-7-1922); GA 214
W.J.Stein: England as the nucleus of the foundation of commercial towns; “The Present Age” februari 1936.
*Max Stibbe: Zwanenridder en vliegende Hollander-Utrecht z.j.
Isabel Wyatt: De stedenstichters-“Graalschrift“3 en 4.

ACHTERGRONDLITERATUUR OVER DE ANTRPOSOFISCHE SOCIALE IMPULS (onvolledig).
Dieter Brull: De sociale impuls van de antroposofie-Christofoor Zeist.
Dieter Brull: De structuur van de Geert Groote School; artikel in; “Maatschappijstructuren in beweging“-Christofoor, Zeist.
Bernard Lievegoed: Over instituties van het geestesleven-Vereniging ter bevordering van de heilpedagogie, Zeist.
R.Steiner: Antroposofie en het sociale vraagstuk GA 34 (blz 191, 1905)-Christofoor, Zeist.
R.Steiner: Hoe werken de engelen in ons astrale lichaam; GA 182 (1918)-Christofoor, Zeist.
R.Steiner: Sociale en anti-sociale impulsen in de mens GA 186 (1918)-Christofoor, Zeist.
R.Steiner: Die Kernpunkte der sozialen Frage (1919) GA 23
R.Steiner: Die Erziehungsfrage als soziale Frage (1919) GA 296
Gieljan Vingerhoets: Sociale driegeleding in de vrijeschool-eigen uitgave
.

Dit is de letterlijke weergave van een gesproken tekst. Daardoor lopen niet alle zinnen even vlot. Een omwerken van de tekst was op zo’n korte termijn niet mogelijk.

Gieljan Vingerhoets.
Inleiding voor de V.P.C.-overlegkring op 30 april 1988.

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [2]   [3]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival

11e klas – Parcival: over de 3 bloeddruppels in de sneeuw

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

.

1127-1048

.