VRIJESCHOOL – 11e klas – Parzival (6)

.

Inleiding voor de V.P.C.-overlegkring op 30 april 1988.

De weg van Parzival en de weg van Lohengrin

wat betekenen ze voor ons in deze tijd

Het is met een mengeling van vreugde en schroomden ook gewoon zenuwachtigheid,dat ik* hier voor u sta om deze inleiding te houden. Vreugde over het feit dat dit Parzivalepos hier vandaag vanuit deze tweeheid: Parzival-Lohcngrin behandeld mag worden.
Ik meen dat juist deze tweeheid, die we in dit verhaal terugvinden, voor de antroposofische beweging en voor onze schoolbeweging van groot belang is.

Schroom, omdat het een veelomvattend thema is wat met het allerhoogste in de mensheidsontwikkeling, het vinden van de Graal, te maken heeft. Daarom wil ik zo veel mogelijk in plaats van zelf aan het woord te zijn, in mijn verhaal de beelden van het Lohengrinverhaal en Steiner aan het woord laten.

Stellen wij ons voor dat hier, in deze ruimte, waar we bij elkaar zijn, dat hier in ons midden een grote, mooie kristallen klok zou hangen. In dit kristallen glas zouden de kleuren dooreenweven in een bont spel. En dan, plotseling, zou de klok gaan klinken : een toon zou zij voortbrengen. Tegelijkertijd zouden de kleuren die zo dooreengeweven hebben, die zouden zich verdichten tot letters. Deze letters zouden zich vormen tot een naam, en zo zou daar de naam verschijnen van’Gijs Langeslag’! En daarachter zou een opdracht verschijnen: “Parzivalschool, Arnhem”. Dan zou het weer vervagen, het zou weer stil zijn.

Op een zeker moment zou opnieuw die klok klinken: weer zouden de kleuren elkaar vinden in letters en de naam vormen van “Attie Lichthart”, met daarachter : “Vrijeschool Zutphen”. Allemaal klinkende namen zouden op deze klok verschijnen van degenen die hier, vandaag, bij elkaar zijn.

Mischien zou het ook kunnen gebeuren dat, wanneer wij straks de grote deur, de voordeur van deze school, zouden verlaten en op weg zijn naar onze auto of naar de trein, dat daar plotseling uit hemelhoogten een zwaan zou neerdalen. En dan in het water, wat daar plotseling aanwezig zou zijn, zou neerstrijken. Dat deze zwaan een klein schuitje zou voorttrekken, en ons zou uitnodigen in dit schuitje plaats te nemen, om op die manier naar huis te gaan.
Milieuvriendelijk, dat in ieder geval. Is het een onwaarheid? Is het fantasterij? Die vraag wil ik meenemen in deze inleiding, om er aan het eind op terug te komen.

In ieder geval verging het zo Lohengrin. Deze beelden zijn de beelden van het Lohengrinverhaal. Aan de meesten van ons zal het verhaal bekend zijn. We weten ook dat er meerdere versies zijn en dat er versies zijn waarin de hoofdfiguur Helias heet. Alle hebben zij gemeen dat deze beelden centraal staan en in alle versies terug komen.

Voor vandaag wil ik mij bepalen tot het Lohengrinverhaal van Wolfram von Eschenbach, Lohengrin de zoon van Parzival.

In het zestiende hoofdstuk, het laatste hoofdstuk van het Parzivalepos, komt Parzival ten tweede male op de Graalsburcht. Het is dan, dat hij de vraag weet te stellen die Amfortas verlost van zijn pijnen. Daardoor wordt hij zelf Graalskoning. Het is in dit zestiende hoofdstuk dat ook over Lohengrin wordt gesproken; in het allerlaatste hoofdstuk van het Parzivalverhaal, Er wordt dan verteld, door Wolfram, hoe er op de Graal opdrachten verschijnen voor graalsridders,om overal naar vreemde volkeren te gaan. Wanneer zij daar op hun missie zijn, zo vermeldt Wolfram, mogen zij hun naam en hun geslacht niet noemen. Hij vermeldt dan ook nog dat, voor Parzival kwam, er een tijdlang geen ridders weggezonden werden, zolang het leed van Amfortas duurde.

En dan wordt er over Lohengrin gesproken. Kerst wordt nog van hem gezegd dat hij wordt gevraagd door Feirefiz, de gevlekte broeder van Parzival, wordt gevraagd om mee naar het oosten te gaan. De moeder van Lohengrin en ook Parzival, zijn vader, zijn er echter op tegen. Zij zeggen: “Het leven van onze kleine zoon zal gewijd zijn aan de Graal.” Blijkbaar was dit een opdracht die niet voor Lohengrin was weggelegd.

We zullen straks zien dat Lohengrin een andere opdracht krijgt. Maar eerst vernemen we nog hoe na twaalf dagen Feirefiz met zijn vrouw, Repanse de Schoye, wegreist; een lange reis maakt naar India. Het verhaal vermeldt dan nog dat daar in India hun zoon geboren wordt: Johannes, die de priester Johannes wordt genoemd. Een geheimzinnige figuur, die in de middeleeuwen , en ook nog in de tijd van de ontdekkingstochten, een belangrijke, maar verborgen rol speelde. De priester Johannes die een taak heeft in de verdere toekomst van de mensheid. En dan volgt het verhaal over Lohengrin.

Wolfram vertelt hoe er in Brabant een vorstin leeft, in andere versies wordt zij Elsa genoemd, en hoe dat deze vorstin kuis en rein is.
En hoe dat er vele vorsten zijn die dingen naar haar hand. Maar de vorstin van Brabant is niet erg onder de indruk van al deze mannen. Als zij uiteindelijk maar blijft weigeren, worden zij vertoornd op haar. Zij zegt: “Wie God mij zal zenden, die wordt mijn man”. Als dan juist deze ridders zo kwaad dreigen te worden dat zij haar kwaad aan zullen doen, verschijnt er een witte zwaan die een scheepje voorttrekt, en in dat scheepje bevindt zich een ridder: Lohengrin. Zij weet meteen dat zij met hem trouwen wil. Hij zegt haar: “Vraag mij niet naar mijn naam en naar mijn koningkrijk”, en zij belooft het.

Dan weidt Wolfram uit over de kwaliteiten van Lohengrin, als hij eenmaal de vorst van Brabant is geworden door het huwelijk dat hij met deze vorstin is aangegaan. Hij zegt: “Iedere heer ontvangt zijn leengeld; er is een voorspoedige heerschappij; hij is een rechtvaardig rechter; de bloem der ridderstand; hij verbreidde de zegen alom; hij had een gelukkig huwelijk en schone kinderen “.

Na verloop van jaren vraagt Elsa toch aan hem waar hij vandaan komt. Wolfram vertelt niet na hoeveel tijd dat gebeurde, in andere versies wordt meestal de tijdspanne van tien jaar vermeld, en hij vermeldt ook niet waardoor het nu precies gebeurde dat zij nu juist die vraag stelt. Maar die vraag wordt gesteld en op hetzelfde moment bijna dat die vraag gesteld wordt, verschijnt de zwaan, Lohengrin zal moeten vertrekken. Hij laat slechts een zwaard, een hoorn en een ring achter als herinnering. En natuurlijk zijn kinderen. Dat, beste mensen, is bijna het einde van het Parzivalepos. Dan volgen nog slechts ruim dertig regels, waarin Wolfram een soort slotbeschouwing houdt en dan is het Parzivalepos voorbij.

We mogen wel stellen dat het verhaal van Lohengrin zich in een grote vernieuwde belangstelling mag verheugen de laatste tijd. Er zijn scholen in ons land, maar ook daarbuiten, die zich naar de Zwaanridder of naar Lohengrin gaan noemen. In Nijmegen hebben we het afgelopen jaar een aantal werkbijeenkomsten gehouden rond het thema van de zwaanridder.
Mensen als Hans-Peter van Maanen, Fred Beekers en Ignaz Anderson hebben er over dit thema gesproken. In Den Bosch, op de Rudolf Steinerschool hebben wij het thema van de zwaan opgepakt, een thema dat al.sinds eeuwen in onze stad leeft; we kennen daar de zogenaamde Zwanenbroederschap. De leraren van de school zoeken nu naar de nieuwe inhoud die het zwanenthema heeft in deze tijd.

Het feit dat er zoveel mensen zijn die in deze tijd een drang hebben om zich met dit zwanenthema en dit Lohengrinthema uiteen te zetten zegt iets over de tijdssituatie. Blijkbaar is het een drang van mensen die juist nu geincarneerd zijn, om zich daarmee uiteen te zetten. Wellicht is het van belang hierbij te vermelden dat wij ongeveer duizend jaar leven na de tijd die Rudolf Steiner aangeeft als de tijd waarin de Lohengrinimpuls voor de mensheid heeft gewerkt, n.l. de tiende eeuw.

Vanuit de beelden die het verhaal geeft, wil ik nu graag overstappen naar hetgeen Rudolf Steiner in een zestal voordrachten over Lohengrin heeft gezegd. De voordrachten vindt u op het lijstje dat u allemaal hebt ontvangen. Naast de zes voordrachten van Rudolf Steiner over dit thema vindt u nog het boek van Max Stibbe vermeld, ‘Van zwaneridder tot vliegende Hollander”. Stibbe brengt in dit vrij uitgebreide werk het zwaneriddermotief in verband met de Nederlandse volksziel. Hij werkt eigenlijk helemaal uit hoe dat in de historische ontwikkeling van het Nederlandse volk, hoe dat zwaneriddermotief eigenlijk de gang van dit volk door de geschiedenis begeleidt.
Walter Johannes Stein en Isabel Wyatt die u ook in de literatuurlijst vindt, werken met name een belangrijke opmerking van Rudolf Steiner uit over Lohengrin, datgene wat hij heeft gezegd, dat Lohengrin eigenlijk staat voor de stedenstichtingsimpuls in de tiende eeuw. Dit gegeven weten zij in verhand te brengen met historische personen die in de tiende eeuw en daarna hebben geleefd.

Rudolf Meyer schreef een zeer veelzijdig boek over de graal en in het tiende hoofdstuk vindt u het een en ander over Lohengrin,

Ik wil mij nu verder bepalen tot de zes voordrachten die u op uw lijst vindt en vanuit die zes voordrachten proberen de beelden van het verhaal te benaderen.

Wij weten dat Parzivai aan het begin van het Parzivalverhaal een kleine jongen is, bij zijn moeder Herzeleide woont in een natuurlijke omgeving. Hoe hij als een kleine, we mogen wel zeggen simpele, jongen, die als hij ridders ziet denkt dat het engelen zijn; hoe hij als een kleine jongen de wereld ingaat, weg van zijn moeder en dan eigenlijk door het hele Parzivalepos heen een ontwikkelingsweg gaat, tot hij uiteindelijk bij de Graal komt. Hoe hij daar eenmaal onrijp wordt bevonden, weer terugkomt in de wereld en opnieuw die weg moet gaan.

Het is een weg die door de twijfel gaat. Van dofheid via de twijfel, dan uiteindelijk voert tot de Graal, dat is de trap van de saelde.

Wat is nu eigenlijk die weg naar de Graal? Rudolf Steiner heeft het in een van deze voordrachten heel eenvoudig gezegd: “De weg naar de Heilige Graal is niets anders dan de weg naar het diepste innerlijk van de menselijke natuur”. Ook zegt hij ergens, in 1906: “Het is de weg van ieder mens naar zijn hoger zelf” Het gaat hier om een innerlijke menselijke weg, vandaar dat dit verhaal ons ook zo kan ontroeren en ook zo kan aanspreken, dat wij ons zelf daar allemaal in kunnen herkennen. Zoals gezegd van dofheid via twijfel naar saelde. En wat is nu saelde? Saelde, zegt Rudolf Steiner, dat is de inwijdingstrap van de Zwaan. En het is door Trevrezent, dat Parzival in deze trap wordt ingewijd. Wat is dan wel die trap van de zwaan? In een van die voordrachten zegt Steiner het wel op een heel eenvoudige manier. Hij zegt: “De zwanentrap wil zeggen dat men zich niet hoger acht dan anderen”.

Maar in alle andere beschrijvingen die ik in deze voordrachten tegenkwam, wordt zijn beschrijving van de zwanentrap dichterlijk, lyrisch, bijna muzikaal. Hij spreekt dan over het uitvloeien over alle wezens; vreemde smart is onze smart; medelijden; we begeven ons in de sfeer van de hemelse sferenharmonie; we komen in de hogere regionen van het devachan; de stemmen van alle wezens klinken daar in een grandioze harmonie. Alle wezens, ook de stenen, planten en de dieren (we kennen het als sprookjesmotief ) die spreken tot ons en we horen ze niet buiten ons maar in onszelf. Dat is de trap van de Zwaan.

Men ervaart, zegt Rudolf Steiner, de bron van het universumen van de Logos.

Daar, vanuit die staat van zijn, vanuit die trap moeten we dan het verhaal verder denken. Daar is het dat het verhaal van Lohengrin begint. Want Lohengrin is een zwanenridder. En als het verhaal zegt dat Lohengrin de zoon van Parzival is, dan betekent dat niets anders dan dat Lohengrin verder gaat in de ontwikkeling waar Parzival gekomen is. En we weten het uit het verhaal, hij gaat de weg de wereld in; er is nood in de wereld .

En in dit geval gaat het om de nood van Elsa van Brabant. Maar wie is dan Elsa van Brabant? Zij staat, zegt Rudolf Steiner, voor het middeleeuwse bewustzijn. Het vrouwelijke, zegt hij, duidt steeds op een staat van bewustzijn.

Wat wil er opkomen in dit bewustzijn? Wat wil er opkomen in de middeleeuwen? Het materialisme wil opkomen. Maar daarvoor is het nodig dat het strevende menselijke bewustzijn, het vrouwelijk principe, Elsa, vanuit de buitenwereld, de Heilige Graal wordt bevrucht. En deze bevruchting is de stedenstichtingsimpuls.

Steiner zegt: Het gaat hier om een historisch-sociale missie, in het midden van de middeleeuwen, tiende eeuw. En hij stelt deze historisch sociale missie in een van die voordrachten direct tegenover de innerlijke menselijke weg van Parzival. Door de steden heeft er een grote ruk voorwaarts plaatsgevonden in de mensheidsontwikkeling. Dankzij de steden ontstonden boekdrukkunst, moderne wetenschap, universiteiten en nog veel meer, maar ook een werk als Dante’s Divina Comedia, zegt Steiner, had nooit geschreven kunnen worden als er geen steden waren geweest. En hetzelfde zegt hij over de schilders van de Renaissance.

De huidige fase van het Christendom werd door Lohengrin ingeleid en heeft geleid tot de fase van de dienstbaarheid. De mens is bevrijd uit zijn oude verbanden. Het burgerdom is bevrijd onder invloed van het Christendom. Als het verhaal zegt dat Lohengrin een zoon van Parzival is, dan geeft dat aan dat de impuls die Lohengrin bracht een christelijke impuls was. De stedenstichtingsimpuls is een christelijke impuls.

Toen ik in een van deze voordrachten aan het eind las hoe Steiner zegt dat de antroposofie de opvolger wil zijn van bewegingen zoals de Parzivalbeweging en de beweging die van de ingewijde Lohengrin uitging, heeft dit mij aan het denken gezet, en ik heb mij afgevraagd waar wij de Parzivalweg en de Lohengrinweg in de antroposofie terugvinden. En ik meen daar een antwoord op gevonden te hebben, ik meen dat er in de antroposofie sprake is van twee wegen. De ene weg is de innerlijke ontwikkelingsweg : “Je ontwikkelt je rot”, zeggen we in deze tijd; de andere weg is de sociale weg.

De eerste weg, de innerlijke ontwikkelingsweg, komt van binnen uit. Het is een innerlijke menselijke weg die Parzival gaat, en waar je in je eentje bezig bent om alsmaar verder jezelf te vervolmaken. Het is de weg die door de twijfèl gaat, met vallen en opstaan. In de zin van hoe Steiner spreekt over het sociale in zijn voordracht “Sociale en anti-sociale impulsen in de mens” is dit een anti-sociale weg. En hij zegt daarbij (citaat):” Tot in het tijdperk van het derde millennium moeten de anti-sociale driften zich nog ontwikkelen.”

En wat is dan die sociale weg, de tweede weg die de antroposofie wijst ? Dat zegt hij meteen daarop in diezelfde voordracht: We moeten daar, zegt hij, sociale structuren tegenover zetten, die ervoor zorgen dat de mens niet de andere mens verliest in het sociale leven”.

Het anti-sociale bestaat en moet bestaan. Het heeft te maken met mensen die hun ontwikkelingsweg gaan vanuit de krachten van hun Ik in deze bewustzijnszielentijd. Het mag beslist niet bestreden worden, maar deze staat van bewustzijn van de mensen moet met iets anders verbonden worden, iets dat van buitenaf bevruchtend daaraan wordt toegevoegd.

En dan zegt Steiner in deze zelfde voordracht het volgende: Het gaat er om de inrichting van de maatschappij, de stuctuur, de organisatie van datgene wat niet in de menselijke natuur besloten ligt, maar zich daarbuiten afspeelt, op een zódanige manier vorm te geven en in te richten dat er een tegenwicht ontstaat voor datgene wat in het innerlijk van de mens werkt als anti-sociale drift. Alleen datgene wat buiten de mens is wordt sociaal ingedeeld.

Beste mensen, toen Rudolf Steiner zijn sociale driegeleding aan de wereld bracht, heeft hij niets anders gedaan dan een vorm gegeven; een ordeningsprincipe gegeven. Zoals de ingewijde Lohengrin de stedenstichtingsimpuls in de wereld heeft gebracht, van buitenaf vormend.

De sociale driegeleding heeft geen inhoud, maar is een ordenings-principe.

Zelfs zo’n wet die Rudolf Steiner geeft als de “sociale hoofdwet”, we kennen hem uit het in het Nederlands vertaalde boekje: “Antroposofie en het sociale vraagstuk”. Daarin vinden we op blz.36 en 37 de vertaling van de sociale hoofdwet. Daar blijkt heel duidelijk hoe Steiner deze sociale hoofdwet niet heeft bedoeld als een moreel iets, maar als een wet die tot in de vorm, tot in inrichtingen zich zou moeten uitdrukken.
Luistert u maar, eerst de wet: ”Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter, naarmate de enkeling minder aanspraak maakt op de opbrengsten van zijn prestaties, dat wil zeggen, naarmate hij meer van deze opbrengsten aan zijn medewerkers afstaat en naarmate meer van zijn eigen behoeften niet door zijn eigen prestaties maar door de prestaties van de anderen worden bevredigd”.

Daar zouden we nog kunnen denken dat het om zo’n morele aansporing van Rudolf Steiner zou kunnen gaan, maar om daar alle twijfel uit te bannen, wil ik nog voorlezen wat hij dan even verderop zegt. “Men moet echter niet denken dat het voldoende is om deze wet als algemene morele wet op te vatten; ook moet men haar geenszins in zo’n gezindheid om willen zetten dat iedereen in dienst van zijn medemensen zou moeten werken. Nee, in werkelijkheid is deze wet alleen van kracht wanneer het een gemeenschap van mensen gelukt om zodanige inrichtingen in het leven te roepen, dat niemand de vruchten van zijn werkzaamheden voor zichzelf kan opeisen, maar dat deze, zo mogelijk in hun geheel, aan de gemeenschap ten goede komen.”

Het anti-sociale dat samenhangt met het feit dat mensen in onze scholen en in de schoolbeweging zich ontwikkelen vanuit de krachten, vanuit het vuur van hun Ik, wordt niet voldoende in evenwicht gehouden door onze sociale structuren. Het is overmoedig van ons om te denken dat we het met onze persoonlijke scholingswegen wel redden. Zolang wij nog geen zwanen zijn, is het anti-sociale overal in en om ons. Toch kunnen wij iets van een zwanenridderschap aan de wereld laten zien als we er voor durven kiezen om deze sociale structuren in school en schoolbeweging werkelijk vorm te geven. Sociale strukturen die onszelf en de ander voor de negatieve kanten van de ontwikkelingsdrang beschermen. Als we daarvoor durven kiezen is het beeld aan het begin van deze inleiding beslist niet onwaar geweest.

LITERATUURLIJST LERARENFEDERATIE 1988.

VERSCHILLENDE VERSIES VAN HET LOHENGRIN/HELIAS-VERHAAL(onvolledig).
Leonard Beuger (bew). Parzival-Christofoor
D.L. Daalder: Mythen en sagen uit het oude Europa-Utrecht/Antwerpen (Bol)
H.A.Guerber: Mythen en legenden uit de middeleeuwen-Zutphen
Jaap ter Haar: Sagen uit de donkere middeleeuwen
H.R.Niederhauser: Ritter, Reiter, Gottesstreiter-Verlag Freies Geistesleben.
Joh. Vorrink: Een schone en wonderlijke historie van den Zwaanridder-N.V. Servire, ‘ s-Gravenhage 1930.
Werner Greub: Willem van Oranje, Parzival en de Graal
Wolfram von Eschenbach als historicus”
Deel I is te lezen op www.willehalm.nl.

ACHTERGRONDLITERATUUR BIJ HET LOHENGRIN-THEMA (onvolledig).
Rudolf Meyer: Het mysterie van de Graal ; Christofoor.
R.Steiner: Negende voordracht (4-10-1905) GA 93A .
R.Steiner: Parzival en Lohengrin (3-12-1905) GA 92 en “Graalschrift”2 .
R.Steiner: Parzival und Lohengrin (29-3-1906); GA 54
R.Steiner: Twaalfde voordracht (8-6-1906); GA 92
R.Steiner: De Europese mysteriën en hun ingewijden (6-5-1909) GA 57 
en ”Graalschrift”
R.Steiner: Eerste voordracht (23-7-1922); GA 214
W.J.Stein: England as the nucleus of the foundation of commercial towns; “The Present Age” februari 1936.
*Max Stibbe: Zwanenridder en vliegende Hollander-Utrecht z.j.
Isabel Wyatt: De stedenstichters-“Graalschrift“3 en 4.

ACHTERGRONDLITERATUUR OVER DE ANTRPOSOFISCHE SOCIALE IMPULS (onvolledig).
Dieter Brull: De sociale impuls van de antroposofie-Christofoor Zeist.
Dieter Brull: De structuur van de Geert Groote School; artikel in; “Maatschappijstructuren in beweging“-Christofoor, Zeist.
Bernard Lievegoed: Over instituties van het geestesleven-Vereniging ter bevordering van de heilpedagogie, Zeist.
R.Steiner: Antroposofie en het sociale vraagstuk GA 34 (blz 191, 1905)-Christofoor, Zeist.
R.Steiner: Hoe werken de engelen in ons astrale lichaam; GA 182 (1918)-Christofoor, Zeist.
R.Steiner: Sociale en anti-sociale impulsen in de mens GA 186 (1918)-Christofoor, Zeist.
R.Steiner: Die Kernpunkte der sozialen Frage (1919) GA 23
R.Steiner: Die Erziehungsfrage als soziale Frage (1919) GA 296
Gieljan Vingerhoets: Sociale driegeleding in de vrijeschool-eigen uitgave
.

Dit is de letterlijke weergave van een gesproken tekst. Daardoor lopen niet alle zinnen even vlot. Een omwerken van de tekst was op zo’n korte termijn niet mogelijk.

Gieljan Vingerhoets.
Inleiding voor de V.P.C.-overlegkring op 30 april 1988.

 

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [2]   [3]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival

11e klas – Parcival: over de 3 bloeddruppels in de sneeuw

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

.

1065

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s