Tagarchief: agressie

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-6/3)

.

Drs. S.C.Derksen, ‘de Vacature’, 06-01-1976
.

AGRESSIE, GEWELD EN TV
.

Er is nog hoop voor de wereld, als we met ons allen de grootste ziekte van deze wereld, het denken in geweld, gaan bestrijden (Born, nobelprijswinnaar).

Het vorige artikel sloten we af met de conclusie dat er wel degelijk verband bestaat tussen het geweld in de televisieprogramma’s enerzijds en de toenemende agressiviteit anderzijds. Dat dit niet een bewering zonder meer is, blijkt overduidelijk uit het beschikbare onderzoeksmateriaal. Voor serieuze wetenschapsmensen als Wertham, Berkewitz, Glück, Hacker, Bandura en anderen staat het zonder meer vast dat een bepaald soort televisieprogramma’s een schadelijke invloed heeft op de geestelijke volksgezondheid – in het bijzonder op die van jongere en labiele kijkers. Bekend in dit opzicht is ook een rapport dat is uitgebracht door de commissie-Eisenhouwer (broer van de ex-president), en waarin op grond van een aantal feiten de televisiemensen wordt voorgehouden, eindelijk eens te stoppen met de bewering dat men met de onderzoeksresultaten op dit gebied twee kanten uit kan. Dit rapport is ook verschenen als documentatie van de N.O.S. (nr. 19), maar heeft in ons land, zelfs in eigen kring, weinig publiciteit gekregen.

In ons land is er de betrekkelijk recente dissertatie van dr. T. Fris „Gelegenheidsagressie“, die eveneens tot grote voorzichtigheid maant. Trouwens vele televisiemensen zijn diep in hun hart waarschijnlijk zelf evenzeer van de schadelijke invloed van het geweld op de tv overtuigd als genoemde onderzoekers. Hoe anders te verklaren dat bijv. de Amerikaanse televisiemakers na de moord op J.F. Kennedy vrijwillig de hoeveelheid geweld in hun programma’s gingen beperken. Dat deze televisiemakers na verloop van tijd weer in hun oude fout vervielen doet aan de zaak niets af. Ook de N.O.S. heeft in 1969 besloten tijdens het journaal minder gruwelijke beelden van de Vietnamoorlog uit te zenden omdat men bang was dat de gevoelens van medelijden van de kijkers anders te sterk zouden afstompen.

Des te meer bevreemdt het daarom dat van de zijde van de televisie steeds weer een poging wordt gedaan om de invloed van het geweld op de tv te bagatelliseren. Zo stelde niet zo lang geleden de V.P.R.O.-publiciteits-secretaris, Ad Kooyman, in een interview in „Trouw” en in een artikel in „Vredesopbouw” dat er tegengestelde meningen bestaan ten opzichte van de schadelijke werking van bepaalde televisieprogramma’s. Als bewijs voor zijn stelling haalt hij dan een uitspraak aan van een Amerikaanse deskundige Wilbur Schramm, die zegt dat sommige televisie-uitzendingen voor sommige kinderen onder bepaalde omstandigheden nadelig zijn, voor andere kinderen onder dezelfde omstandigheden of voor dezelfde kinderen onder andere omstandigheden juist goed. Kooyman – en andere televisiedeskundigen doen dit meestal ook – vergeet dan echter dat Schramm aan deze uitspraak heeft toegevoegd, dat alleen al de mogelijkheid van schadelijke effecten, dus ook wanneer het overtuigende bewijs nog ontbreekt, als een voldoende reden beschouwd moet worden om actie te voeren tegen een frequente presentatie van geweld. De samenleving moet in een zo belangrijke en gevaarlijke zaak als deze niet gokken, aldus Schramm. Dit laatste doen onze televisiemakers wel en in zo verre zijn ze medeplichting aan een niet gering aantal gewelddaden. Ook de kijker die door zijn belangstelling voor een grote kijkdichtheid van deze programma’s zorgt, gaat hier in principe niet vrij uit.

Een vraag die men hier kan stellen is, hoe het komt, dat terwijl zo velen zich kritisch tegen de foute maatschappelijke structuren opstellen, er zo weinig mensen zijn die protesteren tegen de culturele verloedering van onze samenleving. Lezing van een boekje als „Weimar-culture” (van Peter Gay) kan hierbij tot pijnlijke conclusies leiden.

Modelfabrieken van onmenselijkheid

Natuurlijk moeten we hier oppassen voor al te eenvoudige vergelijkingen, maar het lijkt niet te gewaagd te constateren dat de wereld weer in toenemende mate „bedreigd wordt door een overmaat aan geweld, en dat waakzaamheid ten opzichte van een bepaald soort film- en televisieprogramma’s dringend gewenst is. De reeds genoemde Amerikaanse psychiater Wertham noemde naar aanleiding van een onderzoek naar het geweld in kinderprogramma’s film- en televisie modelfabrieken van onmenselijkheid.

Speciaal voor kinderen die nu eenmaal moeilijk onderscheid kunnen maken tussen fictie en werkelijkheid is hier de grootst mogelijke voorzichtigheid geboden. Dit houdt ook voor de onderwijsmensen een groot stuk verantwoordelijkheid in. Een betere geïnformeerdheid en een grotere probleembewustheid zijn op dit gebied noodzakelijk. Daarnaast is er een grote behoefte aan goede alternatieven (meer mogelijkheden tot zelfontplooiing in de opvoeding, meer geduld en liefde in de omgang tussen opvoeder en kind, betere mogelijkheden voor ontspanning; vooral de sport biedt goede mogelijkheden voor het op onschuldige wijze afreageren van agressieve spanningen, meer aandacht voor spannende en gezonde kinderlectuur, enz.). In de hogere leerjaren zal men ook moeten proberen de leerlingen inzicht te geven in de achtergrond van eigen gedrag en in het gedrag en de motieven van anderen. Op die manier zal een nieuwe wijze van conflictoplossing, waarbij zoveel mogelijk van geweld wordt afgezien, ingeoefend kunnen worden. Daartoe is o.m. een hoger niveau van psychische volwassenheid nodig. Tenslotte is het nodig dat nieuwe identificatiemodellen worden ontwikkeld. Speciaal in het geschiedenisonderwijs, waarover we het een volgende keer eens hopen te hebben, worden deugd en moed nog maar al te vaak vereenzelvigd met de figuren van het slagveld, en is de held nog maar al te vaak degene die de ander het leven heeft genomen in plaats van heeft helpen leven. Een betrekkelijk recent Unesco-onderzoek heeft daarover zeer onthullende dingen opgeleverd. Ook in het onderwijs dient een nieuwe erecode te worden ontwikkeld, waarin de ‘moed van het kwaad’ door de „courage du bien” dient te worden vervangen, en elke verheerlijking van het geweld is verdwenen. Verbetering van de levenscondities en vermindering van het geweld zijn, zoals uit het voorgaande hopelijk is duidelijk geworden, absolute voorwaarden voor het voortbestaan van de mensheid geworden.

De zachte krachten

Een belangrijk punt is nog het geweldverschijnsel in onze samenleving. Een verschijnsel dat ongetwijfeld met een surplus aan onbehagen samenhangt. Uiterste waakzaamheid is op dit punt geboden, en de school zal o.a. andere identificatiemodellen en meer en betere altematieven voor de menselijke
agressiedrift moeten bieden (sport is een van de weinig overgebleven afleidingsmogelijkheden van agressie in een wereld die steeds armer wordt aan scheppende arbeid maar helaas komt ook deze sport hoe langer hoe meer in de sfeer van commercie en efficiency te liggen). Daarnaast is elke verheerlijking van geweld of oorlog uit den boze.

Van Ghandi, die beroemd is geworden door zijn politiek van geweldloosheid is bekend, dat hij eens gezegd heeft dat de wereld nog slechts gered kon worden door “the wisdom of the women”.

Eigenaardig genoeg werd deze uitspraak later herhaald door de oude vechtjas Mac Arthur, n.b. de man die in 1952 de atoombom tegen China had willen gebruiken.

Beiden bedoelden hiermee dat de wereld behoefte heeft aan meer mildheid en meer zachtheid. Henriëtte Roland Holst bracht dit al eerder onder woorden toen ze sprak van „de zachte krachten die het zouden winnen op het eind”. Haar tijdgenote en geestverwante, de edele Rosa Luxemburg die (al in 1919) onder moordenaarshanden viel, ging eveneens uit van de stelling dat de menselijkheid en tederheid uiteindelijk van doorslaggevende betekenis zouden zijn. Hoe ongeloofwaardig deze uitspraken in onze tijd ook mogen klinken, zonder betekenis zijn ze toch niet.

Als er in de opvoeding wat meer accent gelegd zou worden op deze zachte krachten, dan zou de huidige harde lijn (stoere mannenheroïek) in onze samenleving mogelijk gaan verdwijnen, er zou meer eerbied voor het leven ontstaan en het vermogen tot liefhebben en tot medelijden zou worden gestimuleerd. Het was een dichteres die schreef:

Er is maar één ding
beter dan de mens,
een ander mens

(Ellen Warmond)

Door vast te houden aan dit besef van menselijke solidariteit d.i. door zich één te voelen met de slachtoffers van deze wereld en zich actief in te zetten voor een herstel van de menselijke waarden kan de opvoeder een belangrijke bijdrage aan de vrede leveren. Een absoluut néén tegen allé geweld, en alle vertoon daarvan is dan echter een van de dingen die absoluut noodzakelijk zijn.

Uit: S.C. Derksen „Hoe leren we de vrede“.

Deel 1 en deel 2 van deze artikelenreeks

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen  onder 19 over tv

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1934

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-6/2)

.
Drs. S.C.Derksen, ‘de Vacature’, 18-12-1975
.

AGRESSIE, GEWELD EN TV

Het meest kwalijke van het geweld is dat het steeds nieuw geweld oproept.

In het vorige nummer schreven we over agressie en het toenemende geweld. Wat dit laatste betreft wezen we op de toenemende geweldcijfers in de V.S. en op het grote aantal gewelddaden elders.[1] Een en ander deed de bekende Amerikaanse filmregisseur Fritz Lang onlangs opmerken dat de huidige wereld ziek is van geweld. Deze uitspraak is zeker niet overdreven, en houdt voor ons allen een dringende waarschuwing in omdat geweld zoals we de vorige keer al schreven, niet alleen een verschrikkelijke zaak is, maar in een wereld met onbeperkte vernietigingsmiddelen zoals de onze ook een rechtstreekse bedreiging van ons voortbestaan betekent.

Vragen we ons af wat nu de oorzaken van de toenemende agressie (en geweldgebruik) zijn, dan kan op een hele rij van factoren gewezen worden. Aangenomen mag worden dat we voor een deel nog steeds te maken hebben met de nawerking van de Tweede Wereldoorlog, en dat de ongeest van het nationaal-socialisme nog altijd niet volledig is uitgebannen. Wie hieraan mocht twijfelen, raden we aan het boekje van Adorno „Opvoeden tot mondigheid” eens te raadplegen. Verder speelt hier het gevoel van vervreemding en van machteloosheid in een steeds groter en ingewikkelder wordende maatschappij een rol. „De mens heeft de weg naar de sterren gevonden”, schreef een bekend Duits psychiater, „maar is in zich zelf verdwaald.” Een onzekere of niet bestaande relatie met zijn omgeving is voor vele mensen in onze tijd een kenmerkende situatie geworden. En het is bekend dat agressie en geweld juist optreden wanneer de mens niet meer weet waar hij aan toe is. Innerlijke leegte, angst, spanning en verveling zijn momenteel de grootste vijanden van de mensheid. De mens die niet tot zingeving in staat is, blijkt gemakkelijk geneigd tot destructie of zelfdestructie.

Een andere oorzaak vormen de vele tegenstrijdigheden waaraan onze moderne samenleving zo rijk is. Aan de ene kant wordt door reclame en dergelijke een groot aantal behoeften opgeroepen, anderzijds zijn er vele beperkingen die een bevrediging van deze behoeften onmogelijk maken. Ook degenen die voor een prestatieloze maatschappij of anti-autoritaire opvoeding pleiten, maken zich aan deze overdrijving schuldig en wekken verwachtingen die niet waar gemaakt kunnen worden (hetgeen niet inhoudt dat het streven naar een grotere gelijkheid en een minder strak opvoedingspatroon op zich zelf waardeloos zou zijn).

Ook is het bekend dat een gebrek aan liefde en vertrouwen in de opvoeding de agressieve neigingen van de mens versterkt. Het staat bijv. vast dat een groot percentage van de delinquenten (± 80%) afkomstig is uit gezinnen waar het aan liefde en geborgenheid heeft ontbroken. Onderzoek heeft verder aangetoond dat kinderen die een strenge opvoeding hebben gehad zich baldadiger gedragen, andere, ruwere spelletjes hebben en meer geneigd zijn tot vooroordelen en anti-gevoelens. Het uiteenvallen van vele gezinnen moet hier dus als een negatieve factor worden beschouwd. Tenslotte kan hier gewezen worden op het ontbreken van een algemeen aanvaard levensperspectief dat zo kenmerkend voor onze tijd is, aan de schaalvergroting die de mens tot nummer dreigt te reduceren, de rationalisering van het arbeidsleven en het daarmee gepaard gaande verlies aan scheppende arbeid en aan de angst die door het huidige afschrikkingsevenwicht wordt opgeroepen. Allemaal factoren die er toe bijgedragen hebben dat bij velen een gevoel van machteloosheid en onbehagen is ontstaan en die de mens meer vatbaar hebben gemaakt voor agressieve en driftmatige impulsen.

Een factor die we nog niet noemden en die ons weer tot ons uitgangspunt terugvoert, is het geweld in onze massamedia. Zoals door meer dan één onderzoek is aangetoond gaat dit geweld meer en meer een bedreiging voor de geestelijke volksgezondheid vormen en dreigt speciaal het kind het slachtoffer van een onvolwassen mediabeleid te worden.

Door de Duitse filmdeskundige Kracauer is in dit opzicht een vergelijking gemaakt met de jaren twintig in Duitsland, toen het Duitse volk, tot wanhoop gebracht door een verloren oorlog enz., in film en literatuur al droomde van misdaad, sadisme en dgl., voordat men ooit van Hitler had gehoord. M.a.w. tijdens het Hitler-bewind kwam slechts aan de oppervlakte wat er voordien in Duitsland in de film en literatuur al aanwezig was. Een van degenen die van mening is dat we uit dit feit lering moeten trekken teneinde een herhaling te voorkomen, is de bekende schrijver Marcuse, eens de lieveling van de links-radicale studenten maar nu om zijn strijd tegen het geweld niet meer zo populair. Volgens Marcuse leidt overmatig gebruik van geweld in film, televisie enz. onherroepelijk tot een normalisering van dit geweld, m.a.w. door dit vertoon van geweld wordt het gruwelijke steeds méér gewoon in de ogen van de mensen en verliest het zijn afschrikkende werking. Hoe groot de hoeveelheid geweld in de tv-programma’s wel is, blijkt o.a. uit het feit dat in de V.S. een schoolkind in de periode van 5 tot 15 jaar gemiddeld 13.400 moorden en dgl. op het televisiescherm ziet, en dat er in een rustig(?) landje als Nederland in een week ruim 150 ernstige gewelddaden op de beeldbuis voorkomen waarvan meer dan 50 met dodelijke afloop. Op zichzelf is het natuurlijk een beschamende en in-trieste zaak, dat bij gebrek aan voldoende andere mogelijkheden het geweld als middel tot vermaak en verstrooiing moet dienen. Maar erger is nog, dat dit gebeurt, terwijl langzamerhand wetenschappelijk vast is komen te staan, dat er een duidelijke correlatie bestaat tussen de overmatige grote hoeveelheid geweid in de massamedia enerzijds en het toenemen van de agressie anderzijds. In een volgend artikel zullen we wat uitvoeriger op de resultaten van dit onderzoek ingaan en tevens de vraag aan de orde stellen hoe de school hier en elders een tegenwicht tegenover het oprukkend geweld kan vormen.

1] Op het ogenblik dat we dit artikel afsloten, maakte de radio de eerste feiten rond het treindrama bij Beilen bekend. Hoewel het in deze kapingszaak vooral om politieke achtergronden gaat, kan men zich afvragen in hoeverre ook hier het constante dieet van geweld in onze media medeschuldig is, en er toe heeft bijgedragen de weerstand tegen het doden van onschuldige mensen te verminderen.

Geweld op de beeldbuis

In 1969 werd er in de Ver. Staten een onderzoek verricht waarin een sample van 183 programma’s was betrokken (met een totale duur van 122,5 uur). In 149 van de 183 gevallen kwam geweld voor, waarvan 30 keer met dodelijke afloop. In Engeland leverde een overeenkomstig onderzoek resp. de volgende getallen op: 49, 79 en 15.

In het zesde jaar bleek uit een in Nederland gehouden onderzoek, dat er in de (rustige) week van 25-31 januari niet minder dan 22 programma’s werden uitgezonden waarin sprake was van ernstige vormen van geweld. Het aantal slachtoffers bedroeg hier 153, waarvan 51 werden gedood. De meest gewelddadige programma’s waren Rawhide, de Wrekers, Babette op Oorlogspad, High Chapperelle, Gunsmoke, Ironside en Dubbelganger, terwijl ook het Journaal een niet gering aantal gewelddadigheden met dodelijke afloop vertoonde. De verhouding fictie en realiteit was resp. 80 en 73, 44 en 7.

Hoewel na 1969 geen exact onderzoeksmateriaal over deze kwestie beschikbaar kwam, mag men op grond van een aantal incidentele gegevens aannemen dat het aantal gewelddadigheden op de beeldbuis al weer aanzienlijk groter is dan in bovenvermelde onderzoekingen kon worden vastgesteld.

Gegevens o.a. ontleend aan W. Kok, Geweld op de Televisie, Groningen 1971.

.Deel 1 en deel 3 van deze artikelenreeks

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1931

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-5/2)


.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen.
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd:

.

Mr.R.M.H.Houwink in ‘De Vacature’, maand?  1976

Enige opmerkinger over het TV-kijken door onvolwassenen

Eer wij nader ingaan op bovenstaand onderwerp moeten wij vaststellen, dat helaas een toenemend aantal naar hun leeftijd volwassenen, psychisch – maar in het bijzonder emotioneel – de volwassenheid niet hebben bereikt.

Het is duidelijk, dat hierdoor het gevaar van de tv als accumulator van het agressieve driftleven aanzienlijk is toegenomen.

Toch menen we, dat de jeugd het meest te lijden heeft van de vele tv-programma’s, die op de beeldbuis komen en waarin het geweld domineert.

Misschien is het goed, vooraf een onderscheid te maken tussen de prepuberale en de puberale onvolwassenen.

De eerste groep mist als zodanig elk redelijk onderscheidingsvermogen ten aanzien van de reële of gefingeerde gewelddadigheden, die op het scherm verschijnen.
Hoe jonger zij zijn des te ontvankelijker zijn zij voor de angstgevoelens, die deze schrikbeelden bij hen opwekken. En men weet, dat verschijnselen van agressie op latere leeftijd terug te voeren zijn tot in het onderbewuste weggedoken kinderangsten.

In dit verband dient terloops gewezen te worden op het verschil in werking van voor kinderen bestemde televisieverhalen tussen vier- en zevenjarigen.

De grote angstogen van vierjarigen zijn mij bijgebleven tegenover de pretogen van zevenjarigen bij het kijken naar dezelfde uitzending!

Globaal betekent dit, dat in de prepuberale fase angstgevoelens bij het tv-kijken overwegen, ook bij de meeste voor die leeftijd bestemde uitzendingen, omdat de makers zich niet hebben kunnen inleven in de verbanden, die het jonge kind legt tussen de diverse figuren en gebeurtenissen en daarbij ten behoeve van het kind niet corrigerend kunnen optreden.
Zoals dat in het gezin of op de kleuterschool wél mogelijk is; waar een groot aantal dreigende misverstanden, eer zij zich hebben vastgezet in de kinderziel, uit de weg kunnen worden geruimd.
Dit uiteraard alleen door attente en „verstandige” ouderen. Men denke aan o.a.: de dood, Sinterklaas, (nog altijd !) de ooievaar.

Maar als de ouders deze televisie-uitzendingen niet óók zien of in hun gezin niet díe sfeer hebben weten te creëren, die ook de jongste kinderen gelegenheid geeft, om onbevangen met hun vragen voor de dag te komen, dan is de kans groot, dat deze jonge kinderen „hun” conclusies uit het aanschouwde trekken en dat zullen uiteraard meestal verkeerde conclusies zijn, omdat zij niet over de noodzakelijke ervaringskennis beschikken, die hen in staat stelt, verbeelding en werkelijkheid te onderscheiden.

Voor de zevenjarigen en ouderen geldt over het algemeen, dat zij tot de puberteit vooral behoefte hebben aan „werkelijkheid”, d.w.z. aan ontmoetingen met de wereld, waarin zij leven.
Het oeverloos vragend „waarom” heeft plaats gemaakt voor het doen van eigen ontdekkingen en daarbij behoort, via film en tv, ook de wereld van het geweld.

De imitatie-drang van het kind, waaraan het voor zijn ontwikkeling zoveel te danken heeft, kan helaas pathologische vormen aannemen.

Dat gebeurt overal daar, waar geen gezond en normaal gedragspatroon in het gezin is (wordt) opgebouwd en de ouders hetzij uit onwetendheid, onverschilligheid, of door een verkeerd begrepen autoritaire opvoeding het kind loslaten in een vorm- en normloze ruimte, die dan zijn „levensruimte” wordt (of heet).

Overal, waar het kind in deze woestijn terecht komt, zal het als reactie op de leegte, waarin het zich bevindt tot dwangmatig handelen komen en zo is de kans groot, dat de imitatie-drang verandert in imitatie-dwang.

Een afschuwelijk voorbeeld hiervan speelde zich af, ongeveer twee maanden geleden, in het plaatsje Kevelaer, een vermaard bedevaartsoord in West-Duitsland.

Twee meisjes van dertien en veertien jaar vermoordden er in koelen bloede, zoals dat heet, een jongetje van zeven. Bij het onderzoek bleek, dat zij tot hun daad gekomen waren door het zien van een groot aantal misdaadfilms. Vóór de moord zagen zij nog „Une partie de plaisir” van Claude Chabrol.
Tot groot plezier van de jongste trapte daarbij de hoofdpersoon de schedel in van zijn gescheiden vrouw.

Natuurlijk hebben wij hier te maken met een exces, terwijl de oudste van het tweetal bovendien geestelijk niet volwaardig bleek te zijn; hoewel juist de jongste als initiatiefneemster optrad!

Maar dit exces wijst naar het groot gevaar, dat bijna geheel onze opgroeiende jeugd via de overdaad aan z.g. „harde” tv-films bedreigt.

Deze films spelen in op de sluimerende agressieve gevoelens van emotioneel verwaarloosde jeugd; waarbij men niet vergeten mag, dat verwenning een van de ergste vormen van verwaarlozing is.

Het toenemend aantal kinderen, dat opgroeit in een milieu, waarin zij lichamelijk en geestelijk tekortkomen, veroorzaakt als het ware een stuwing van agressiviteit, die gemakkelijk exploderen kan, vooral wanneer twee of meer van deze kinderen elkaar vinden (vergelijk de destijds gerucht makende Baarnse moordzaak).

Ook later, veel later kan een dergelijke, gestuwde agressiviteit tot explosie komen. Zij verklaart ten dele de toeneming van geweld over de gehele wereld.

Onze scholen zouden zich daarover zorgen moeten maken en – het is héél véél gevraagd! – zich medeverantwoordelijk voelen voor het trieste lot van zovele jongeren, die niet leven kunnen in de verlatenheid van hun wereld en die als ze de leeftijd van dertig jaar hebben bereikt, alles hebben meegemaakt, wat zich aan hen opgedrongen heeft, van diverse soorten drugs tot diverse soorten sexuele experimenten toe.
En die dan leeggeroofd achterblijven met zichzelf in situaties, die voor velen hunner feitelijk niet meer leefbaar zijn.

Nu het gezin als primair opvoedingsmilieu steeds meer faalt – daarvan mogen wij de ouders zeker niet alleen en niet in de eerste plaats de schuld geven) -, dient de school als tweede opvoedingsmilieu steeds meer in functie te treden en zich niet langer uitsluitend vast te leggen op haar onderwijzende taak.

De consequentie hiervan is: individuele begeleiding van het kind, dus kleinere klassen; een verzwaring van de taak van hen die onderwijs geven, méér geld nodig voor minder éclatante prestaties.

Daartegenover is maar één alternatief, dat dreigend naderbij komt: staatsscholen, gebaseerd op een onveranderlijke ideologische basis, waarbij het met onze geestelijke vrijheid is gedaan. Linkse of rechtse partijdiscipline.

Het lijkt sommigen een uitkomst, die moe zijn geworden van het ongrijpbare, chaotische leven, waarin wij onze kinderen zien opgroeien, zonder persoonlijke idealen en zonder enig persoonlijk verantwoordelijkheidsbesef.

De tv met haar sterk commerciële inslag, waarbij hoofdzakelijk gelet wordt op wat het doet bij een zo groot mogelijk aantal kijkers, volgt rustig haar harde lijn van simpele of meer geraffineerde geweldplegingen, die de volwassenen ondergaan als een soort van bevrijdende voldoening van de in hen sluimerende sadistische neigingen, doch die maar zelden bij psychisch normalen tot navolging zullen prikkelen en als zodanig als „onschuldig” gelden.
Daartegenover staat het kwalijke effect, dat deze misdaadfilms en bepaalde reportages hebben op de talrijke onevenwichtige jongeren, die aan wat zij op het scherm zien de vrijheid tot imitatie ontlenen.
Wie vele malen op de beeldbuis heeft gezien, hoe iemand in elkaar geslagen wordt, heeft een drie glazen bier genoeg om hetzelfde te doen, wanneer men zich van elke verantwoordelijkheid voor het leven van een ander heeft ontdaan.
Het is volstrekt onnodig, dat men zijn slachtoffer kent, ofschoon z.g. „wraak-acties” aan de orde van de dag zijn.
Een lichte alcoholroes is voldoende, om het laatste vleugje „cultuur” weg te blazen. En het onbeperkt machtsbesef van het moment bevredigt – voor dat moment! – lange, donkere jaren van onbegrip en lichamelijke en geestelijke verwaarlozing, samen te vatten als onherbergzame liefdeloosheid.
De vensterloze agressiviteit drijft ontelbare jongeren in de fuik der criminaliteit, voorzover zij niet aan ongelimiteerd druggebruik ten gronde gaan.

Wij menen, dat de televisie voor een niet onbelangrijk deel schuld draagt aan deze onttakeling van de jeugd en te weinig rekening houdt met de gevolgen van de amusementsprogramma’s, die zij biedt en waarbij het geweld maar al te vaak op de voorgrond staat. Overigens willen wij met nadruk vaststellen, dat naar haar oorsprong de jeugdproblematiek weliswaar heel eenvoudig ligt, maar dat de gecompliceerdheid van haar uitwerking en aanpak zo moeilijk is, dat het onjuist en in hoge mate onbillijk zou zijn aan welke afzonderlijke instanties ook de schuld te geven.

Wij hebben hier te maken met een maatschappelijk probleem van de eerste orde, dat ons allen aangaat en dat alleen zo goed mogelijk kan worden opgelost door samenwerking van alle betrokken instanties. En helaas is het zo ver nog lang niet.

Maar omdat de school als tweede opvoedingsmilieu, en ook door haar relatie met de ouders, hier een belangrijke taak heeft, meenden wij er goed aan te doen een van de actuele knelpunten van deze zaak naar voren te brengen.

‘) Vgl. Dostojewsky: „Chacun de nous est coupable devant tous, pour tous et pour tout.”

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1911

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.