VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-6/3)

.

Drs. S.C.Derksen, ‘de Vacature’, 06-01-1976
.

AGRESSIE, GEWELD EN TV
.

Er is nog hoop voor de wereld, als we met ons allen de grootste ziekte van deze wereld, het denken in geweld, gaan bestrijden (Born, nobelprijswinnaar).

Het vorige artikel sloten we af met de conclusie dat er wel degelijk verband bestaat tussen het geweld in de televisieprogramma’s enerzijds en de toenemende agressiviteit anderzijds. Dat dit niet een bewering zonder meer is, blijkt overduidelijk uit het beschikbare onderzoeksmateriaal. Voor serieuze wetenschapsmensen als Wertham, Berkewitz, Glück, Hacker, Bandura en anderen staat het zonder meer vast dat een bepaald soort televisieprogramma’s een schadelijke invloed heeft op de geestelijke volksgezondheid – in het bijzonder op die van jongere en labiele kijkers. Bekend in dit opzicht is ook een rapport dat is uitgebracht door de commissie-Eisenhouwer (broer van de ex-president), en waarin op grond van een aantal feiten de televisiemensen wordt voorgehouden, eindelijk eens te stoppen met de bewering dat men met de onderzoeksresultaten op dit gebied twee kanten uit kan. Dit rapport is ook verschenen als documentatie van de N.O.S. (nr. 19), maar heeft in ons land, zelfs in eigen kring, weinig publiciteit gekregen.

In ons land is er de betrekkelijk recente dissertatie van dr. T. Fris „Gelegenheidsagressie“, die eveneens tot grote voorzichtigheid maant. Trouwens vele televisiemensen zijn diep in hun hart waarschijnlijk zelf evenzeer van de schadelijke invloed van het geweld op de tv overtuigd als genoemde onderzoekers. Hoe anders te verklaren dat bijv. de Amerikaanse televisiemakers na de moord op J.F. Kennedy vrijwillig de hoeveelheid geweld in hun programma’s gingen beperken. Dat deze televisiemakers na verloop van tijd weer in hun oude fout vervielen doet aan de zaak niets af. Ook de N.O.S. heeft in 1969 besloten tijdens het journaal minder gruwelijke beelden van de Vietnamoorlog uit te zenden omdat men bang was dat de gevoelens van medelijden van de kijkers anders te sterk zouden afstompen.

Des te meer bevreemdt het daarom dat van de zijde van de televisie steeds weer een poging wordt gedaan om de invloed van het geweld op de tv te bagatelliseren. Zo stelde niet zo lang geleden de V.P.R.O.-publiciteits-secretaris, Ad Kooyman, in een interview in „Trouw” en in een artikel in „Vredesopbouw” dat er tegengestelde meningen bestaan ten opzichte van de schadelijke werking van bepaalde televisieprogramma’s. Als bewijs voor zijn stelling haalt hij dan een uitspraak aan van een Amerikaanse deskundige Wilbur Schramm, die zegt dat sommige televisie-uitzendingen voor sommige kinderen onder bepaalde omstandigheden nadelig zijn, voor andere kinderen onder dezelfde omstandigheden of voor dezelfde kinderen onder andere omstandigheden juist goed. Kooyman – en andere televisiedeskundigen doen dit meestal ook – vergeet dan echter dat Schramm aan deze uitspraak heeft toegevoegd, dat alleen al de mogelijkheid van schadelijke effecten, dus ook wanneer het overtuigende bewijs nog ontbreekt, als een voldoende reden beschouwd moet worden om actie te voeren tegen een frequente presentatie van geweld. De samenleving moet in een zo belangrijke en gevaarlijke zaak als deze niet gokken, aldus Schramm. Dit laatste doen onze televisiemakers wel en in zo verre zijn ze medeplichting aan een niet gering aantal gewelddaden. Ook de kijker die door zijn belangstelling voor een grote kijkdichtheid van deze programma’s zorgt, gaat hier in principe niet vrij uit.

Een vraag die men hier kan stellen is, hoe het komt, dat terwijl zo velen zich kritisch tegen de foute maatschappelijke structuren opstellen, er zo weinig mensen zijn die protesteren tegen de culturele verloedering van onze samenleving. Lezing van een boekje als „Weimar-culture” (van Peter Gay) kan hierbij tot pijnlijke conclusies leiden.

Modelfabrieken van onmenselijkheid

Natuurlijk moeten we hier oppassen voor al te eenvoudige vergelijkingen, maar het lijkt niet te gewaagd te constateren dat de wereld weer in toenemende mate „bedreigd wordt door een overmaat aan geweld, en dat waakzaamheid ten opzichte van een bepaald soort film- en televisieprogramma’s dringend gewenst is. De reeds genoemde Amerikaanse psychiater Wertham noemde naar aanleiding van een onderzoek naar het geweld in kinderprogramma’s film- en televisie modelfabrieken van onmenselijkheid.

Speciaal voor kinderen die nu eenmaal moeilijk onderscheid kunnen maken tussen fictie en werkelijkheid is hier de grootst mogelijke voorzichtigheid geboden. Dit houdt ook voor de onderwijsmensen een groot stuk verantwoordelijkheid in. Een betere geïnformeerdheid en een grotere probleembewustheid zijn op dit gebied noodzakelijk. Daarnaast is er een grote behoefte aan goede alternatieven (meer mogelijkheden tot zelfontplooiing in de opvoeding, meer geduld en liefde in de omgang tussen opvoeder en kind, betere mogelijkheden voor ontspanning; vooral de sport biedt goede mogelijkheden voor het op onschuldige wijze afreageren van agressieve spanningen, meer aandacht voor spannende en gezonde kinderlectuur, enz.). In de hogere leerjaren zal men ook moeten proberen de leerlingen inzicht te geven in de achtergrond van eigen gedrag en in het gedrag en de motieven van anderen. Op die manier zal een nieuwe wijze van conflictoplossing, waarbij zoveel mogelijk van geweld wordt afgezien, ingeoefend kunnen worden. Daartoe is o.m. een hoger niveau van psychische volwassenheid nodig. Tenslotte is het nodig dat nieuwe identificatiemodellen worden ontwikkeld. Speciaal in het geschiedenisonderwijs, waarover we het een volgende keer eens hopen te hebben, worden deugd en moed nog maar al te vaak vereenzelvigd met de figuren van het slagveld, en is de held nog maar al te vaak degene die de ander het leven heeft genomen in plaats van heeft helpen leven. Een betrekkelijk recent Unesco-onderzoek heeft daarover zeer onthullende dingen opgeleverd. Ook in het onderwijs dient een nieuwe erecode te worden ontwikkeld, waarin de ‘moed van het kwaad’ door de „courage du bien” dient te worden vervangen, en elke verheerlijking van het geweld is verdwenen. Verbetering van de levenscondities en vermindering van het geweld zijn, zoals uit het voorgaande hopelijk is duidelijk geworden, absolute voorwaarden voor het voortbestaan van de mensheid geworden.

De zachte krachten

Een belangrijk punt is nog het geweldverschijnsel in onze samenleving. Een verschijnsel dat ongetwijfeld met een surplus aan onbehagen samenhangt. Uiterste waakzaamheid is op dit punt geboden, en de school zal o.a. andere identificatiemodellen en meer en betere altematieven voor de menselijke
agressiedrift moeten bieden (sport is een van de weinig overgebleven afleidingsmogelijkheden van agressie in een wereld die steeds armer wordt aan scheppende arbeid maar helaas komt ook deze sport hoe langer hoe meer in de sfeer van commercie en efficiency te liggen). Daarnaast is elke verheerlijking van geweld of oorlog uit den boze.

Van Ghandi, die beroemd is geworden door zijn politiek van geweldloosheid is bekend, dat hij eens gezegd heeft dat de wereld nog slechts gered kon worden door “the wisdom of the women”.

Eigenaardig genoeg werd deze uitspraak later herhaald door de oude vechtjas Mac Arthur, n.b. de man die in 1952 de atoombom tegen China had willen gebruiken.

Beiden bedoelden hiermee dat de wereld behoefte heeft aan meer mildheid en meer zachtheid. Henriëtte Roland Holst bracht dit al eerder onder woorden toen ze sprak van „de zachte krachten die het zouden winnen op het eind”. Haar tijdgenote en geestverwante, de edele Rosa Luxemburg die (al in 1919) onder moordenaarshanden viel, ging eveneens uit van de stelling dat de menselijkheid en tederheid uiteindelijk van doorslaggevende betekenis zouden zijn. Hoe ongeloofwaardig deze uitspraken in onze tijd ook mogen klinken, zonder betekenis zijn ze toch niet.

Als er in de opvoeding wat meer accent gelegd zou worden op deze zachte krachten, dan zou de huidige harde lijn (stoere mannenheroïek) in onze samenleving mogelijk gaan verdwijnen, er zou meer eerbied voor het leven ontstaan en het vermogen tot liefhebben en tot medelijden zou worden gestimuleerd. Het was een dichteres die schreef:

Er is maar één ding
beter dan de mens,
een ander mens

(Ellen Warmond)

Door vast te houden aan dit besef van menselijke solidariteit d.i. door zich één te voelen met de slachtoffers van deze wereld en zich actief in te zetten voor een herstel van de menselijke waarden kan de opvoeder een belangrijke bijdrage aan de vrede leveren. Een absoluut néén tegen allé geweld, en alle vertoon daarvan is dan echter een van de dingen die absoluut noodzakelijk zijn.

Uit: S.C. Derksen „Hoe leren we de vrede“.

Deel 1 en deel 2 van deze artikelenreeks

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen  onder 19 over tv

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1934

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.