VRIJESCHOOL – Kinderbespreking (1-4/3)

.
(tekst in blauw van mij)
In de vorige artikelen over ‘kinderbespreking’ (1-4 e.v.) [1] ging het om het thema ‘te sterke of te zwakke Ik-ontwikkeling.
In het m.i. zeer waardevolle boek: ; Pedagogie, een kunst, een kunde’ behandelt Christie Amons de 4e voordracht uit GA 302A  ‘Meditativ erarbeitete Menschenkunde’, vertaald te vinden inMenskunde innerlijk vernieuwd’,

Zij zegt o.a.:

De leerkracht krijgt in deze voordracht veel in handen om het kind te kunnen begeleiden. Het gaat om menskundig inzicht en om didactische mogelijkheden. Er worden wegen gewezen om het kind beter te leren waarnemen en oog te krijgen voor zijn mogelijkheden en beperkingen. Bijzonder is de flexibiliteit die aangesproken wordt. De ontmoeting tussen leerkracht en leerling doet een appèl op de actualiteit van ieder moment in het opvoedingsproces. Als de leerkracht uit tegenwoordigheid van geest handelt, is dit de voorwaarde van kunstzinnig werken en wederzijds liefdevol respect.

In het vrijeschoolonderwijs gaat het niet alleen om kennisoverdracht. 
De makkelijk uitgesproken zin ‘dat het kind centraal’ moet staan, gaat voor de vrijeschoolleerkracht een stapje verder: wie is dit kind, wat brengt het mee en hoe help ik het verder.
Voor Rudolf Steiner is ieder kind een raadsel, ‘dat de leerkracht moet oplossen’.
Om dit raadsel te kunnen benaderen gaf hij gezichtspunten die o.a. genoteerd staan in de genoemde 4e voordracht.
Christie Amons schetst in haar hoofdstuk niet alleen de essenties van deze voordracht, maar beschrijft eveneens het ruimere perspectief van waarnemen, inleven, afwegen, dat voor de leerkracht een absolute voorwaarde is om met de inhoud van deze 4e voordracht zinvol voor het betreffende kind te kunnen werken. Geen recepten, geen labels, maar een dieper verbinden met het ‘raadselachtige’.

Amons:

In de vierde voordracht wordt door Rudolf Steiner de blikrichting van het Ik gekozen dat zich, gedragen door het astrale lichaam, met de lichamelijkheid van het kind verbindt. Er treedt daarmee een proces van individualisering op, waarbij van binnenuit oplichtend, persoonlijke kenmerken zichtbaar worden in de verschillende zevenjaarsfasen. In de eerste zeven jaren is de nabootsing van belang, wil het Ik zich met het fysieke lichaam kunnen verbinden. In de tweede zevenjaarsfase ligt er een belangrijke taak voor de leerkracht in het onderwijs om de werkzaamheid van het Ik in het nu ‘geboren’ etherlichaam te begeleiden. En zo ligt er ook een dergelijke taak in de derde zevenjaarsperiode met betrekking tot het astrale lichaam.
Deze begeleiding is noodzakelijk omdat het Ik zich zowel te diep als te weinig met de lichamelijkheid kan verbinden. Dit is een steeds wisselend proces, waarbij van moment tot moment van meerdere of mindere binding sprake is. Daarbij kan de constitutionele geaardheid van het kind een sterker accent oproepen naar de ene of andere zijde toe. In alle gevallen moet de leerkracht naar de juiste balans, het juiste evenwicht helpen zoeken.

Hoe belangrijk dit is wordt zichtbaar als de te eenzijdige binding of te geringe verbondenheid door Rudolf Steiner in beeld wordt gebracht. Bij sterk opzuigen van het Ik wordt de mens een te materieel wezen, wordt te sterk afhankelijk van zijn lichaam, een feit dat tot in denken en gedrag gevolgen heeft. Uiteindelijk kan dit leiden tot gewelddadigheid, zelfs tot misdadig gedrag. Zijn er ook lichamelijke kenmerken aanwezig die op een te sterke verharding wijzen, dan is het des te meer noodzakelijk dat de leerkracht een Ik-bevrijdende beweging helpt op te roepen.

Wanneer het Ik echter te veel buiten het organisme blijft, komt de dromer, dweper of fantast in beeld die niet in staat is de juiste verhouding tot het praktische leven te vinden. Daarbij wordt het appèl om te helpen sterker wanneer deze tendens tot een te geringe verharding ook lichamelijk zichtbaar wordt. In beide gevallen wordt ter oriëntatie op de vorming van het hoofd gewezen (overigens wel in bewoordingen die nu minder vanzelfsprekend begrepen worden dan het in 1920 het geval moet zijn geweest).

De praktische vraag hoe er geholpen kan worden, krijgt vervolgens in de voordracht uitgebreid de aandacht. Om Ik-bindende en Ik-bevrijdende activiteiten te onderscheiden, is het behulpzaam deze in de tekst verschillend gekleurd te onderstrepen. Dan wordt pas echt zichtbaar hoe levendig het weefwerk is in het balanceren tussen een teveel en te weinig binden. Wat beschreven wordt zou men als een ademproces kunnen zien met een eerste accent op de inademing, een tweede accent op de uitademing. De muzikale-woordstroom wordt vooropgesteld, zoals deze oefenend, het Ik aansprekend, in het organisme moet doorwerken en zich daarin moet verankeren. Het gaat daarbij om rekenen en geometrie, om klankgeheugen of bijvoorbeeld het muzikale aspect van de taal. Daarmee worden kosmische krachten ‘ingeademd’.

De plastisch-architectonische stroom wordt zichtbaar gemaakt als gestalte-vormende krachten met de omgeving van het kind worden verbonden. Dat gebeurt in het doen, als het kind tekent, maar ook in het beeldend voorstellen bij vakken als aardrijkskunde of geschiedenis. Het gaat dan vooral om gevoels-betrokkenheid bij de aarde waarop de mens leeft, bij persoonlijkheden uit de geschiedenis. Hierbij wordt een beweging van binnen naar buiten aangesproken. Doch steeds weer kan het nodig zijn iets terug te nemen in de tegenbeweging; dat vergt opmerkzaamheid en alert handelen van de leerkracht.

Centraal in de voordracht staat het ademende als proces, dat microkosmos en macrokosmos verbindt. Dat (macrokosmisch) stikstof en zuurstof gemengd zijn in de lucht en geen chemische verbinding aangaan, wordt als voorwaarde genoemd, opdat in de microkosmos mens astraal lichaam en etherlichaam zich vrij tot elkaar kunnen verhouden. Daardoor kan het bondgenootschap van Ik en astraal lichaam zich bij het ademhalen, maar ook bij het waken en slapen zo tot het etherlichaam en fysiek lichaam verhouden, dat binden en ontbinden als beweeglijk proces mogelijk wordt.

Na dit centrale gedeelte komt de ‘grote adem’ aan bod van de incarnerende mens als zodanig, die zijn levensweg tegemoet gaat. Beweging die tot rust komt en rust als kiem voor nieuwe beweging is het thema dat opklinkt.
In de geestelijke wereld is de mens voortdurend in beweging opgenomen. Om het fysieke bestaan binnen te komen, moet de mens deze beweeglijkheid echter afleggen. Daarbij helpt datgene wat zich als hoofd gaat ontwikkelen. Het hoofd zoals dit uit kosmische krachten gevormd wordt, is als het ware de wagen die het Ik het leven binnendraagt. Daar kan het tot rust komen. Dit is mogelijk omdat de overige organisatie, die uit aardse (erfelijkheids)krachten gevormd is, de beweging overneemt.

Kosmische en aardse krachten komen elkaar in de menswording tegemoet. Deze visie werpt niet alleen nieuw licht op de embryologie (waarbij hoofd en romp-ledematen in hun ontstaansgeschiedenis onderscheiden moeten worden), maar heeft tevens betekenis voor de blikrichting van de leerkracht. Want ook in latere ontwikkelingsjaren is dit samenspel tussen kosmische en aardse werking waar te nemen. Bij het beschouwen van het hoofd is dan plastisch-kunstzinnige inleving vereist; romp en ledematen moeten dynamisch, muzikaal-euritmisch begrepen worden.
Dit laatste aspect krijgt nu de volle aandacht. Het gaat erom de invloed van vooral de ledematen op de bewegingsgestalte te begrijpen. Niet de vorm in directe zin, maar de lengte en het gewicht van de ledematen spelen een rol. Het gaat om de dimensie licht-zwaar, die tot te licht of te zwaar kan doorwerken. Het voorbeeld van lange armen en zware handen die eerder de neiging oproepen tot slaan dan korte armen en kleine handen, laat zien dat morele problematiek kan ontstaan in aansluiting op wat constitutioneel gegeven is.

Voor de leerkracht betekent een dergelijke kunstzinnige benadering dat hij oog krijgt voor het lot dat zich constitutioneel uitdrukt. Het behoedt hem of haar ervoor vanuit te snelle eigen emoties te oordelen of te handelen. Er kan ruimte ontstaan om van het kind te houden, werkelijk zoals het is. Karmisch begrip wekt de kracht om liefdevol op te voeden. Het kind dat voelt dat de leerkracht hem begrijpt, zal zich ook voor moeilijke taken willen inzetten, ter wille van deze leerkracht van wie hij op zijn beurt gaat houden. Zo kan de juiste verhouding tussen leerkracht en leerling ontstaan, in de ontmoeting van mens tot mens, ieder met zijn eigen Ik-ontwikkeling.

In de structurele opbouw is een spiegeling van thematiek rond het midden van de voordracht te herkennen (vierde stap). Het ademen geeft daarbij de essentie aan van wat de hele voordracht doortrekt, namelijk het thema van de juiste balans, het flexibele evenwicht tussen tegenstellingen. Binden-ontbinden en kunstzinnig onderwijs met zijn ademende kwaliteit behoren daartoe.

De voordracht opent met het Ik, zoals dit individualiserend in zevenjaarsfasen op de wezensdelen inwerkt. De taak van de leerkracht is balancerend tussen een te sterke of te zwakke Ik-binding dit beweeglijke proces te ondersteunen (eerste stap). Belangrijk is het menskundig inzicht op grond waarvan de leerkracht deze processen kan waarnemen en zo ook het kind kan gaan helpen. De voordracht eindigt met de wezenlijke Ik-ontmoeting tussen leerkracht en leerling, waarbij primaire emoties overwonnen worden. Liefdevolle interesse met oog voor het lot van het kind is de basis van ware, kunstzinnige pedagogie. Het gaat om de juiste verhouding tussen leerkracht en leerling (zevende stap).

In ‘zeven stappen vat de schrijfster van het hoofdstuk de voordracht (nogmaals) samen. Zie daarvoor het boek.

Helpend bij wat geworden is, ontmoetend dat wat worden wil als ademend proces, zo zou men de zeven stappen in hun totaliteit voor zich kunnen zien.

Terugblik

Terugkijkend op het werk aan deze voordracht is een aantal gezichtspunten voor mij van bijzonder belang geworden.

Het besef dat slechts verantwoord over constitutionele verschillen tussen kinderen gesproken kan worden, als de mens als geestelijk wezen begrepen wordt. Pas in relatie tot het Ik als kern van de persoonlijkheid krijgen deze verschillen hun betekenis, als mogelijkheid en beperking op de biografische leerweg. Dat de mens uniek is en zijn eigen lot moet vinden, opent juist ook de weg tot respect voor datgene waarmee hij in zijn leven te maken krijgt. Als het om kinderen gaat, wordt vanuit dit besef van hun eigen Ik en eigen lot de pedagogische en ook therapeutische wil geboren om te helpen.

Het appel om methodisch exact, maar met kunstzinnige instelling naar de gestalte en het gedrag van het kind te leren kijken.Verrassend is het zeker dat men de vormen van het hoofd anders moet leren waarnemen dan de overige gestalte en vooral de armen en benen. Inlevend waarnemen van het hoofd vereist het meebeleven van de expressie van plastische krachten in de vormgeving, alsof men een beeldhouwer is. De ledematen daarentegen geven een impressie van hun bewegingsmogelijkheid als men zich dynamisch (muzikaal-euritmisch) in een bewegingsverloop kan inleven. Eigen kunstzinnige activiteit is een voorwaarde om dit inlevend waarnemen te scholen.

Dat de verschillende kwaliteit van de blik op de rugzijde van het kind of de frontale ontmoeting nog vele geheimen in zich draagt. Dit stimuleert tot verder onderzoek om deze dimensie bewuster te gaan hanteren. Het gaat nu om de persoonlijkheidsontwikkeling van het kind, waarbij de levenservaring meespeelt, en de werkzaamheid van het Ik pas echt zichtbaar wordt. Constitutioneel leren waarnemen en persoonlijk ontmoeten zijn de voorwaarden om dit perspectief‘achter-voor’ te gaan ontwikkelen.
.

[1] Bovenstaande artikel vormt met [1-4/1)] en [1-4/2] min of meer een geheel.
.

Kinderbespreking: alle artikelen

.

1935

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.