Tagarchief: navolging

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-5/2)


.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen.
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd:

.

Mr.R.M.H.Houwink in ‘De Vacature’, maand?  1976

Enige opmerkinger over het TV-kijken door onvolwassenen

Eer wij nader ingaan op bovenstaand onderwerp moeten wij vaststellen, dat helaas een toenemend aantal naar hun leeftijd volwassenen, psychisch – maar in het bijzonder emotioneel – de volwassenheid niet hebben bereikt.

Het is duidelijk, dat hierdoor het gevaar van de tv als accumulator van het agressieve driftleven aanzienlijk is toegenomen.

Toch menen we, dat de jeugd het meest te lijden heeft van de vele tv-programma’s, die op de beeldbuis komen en waarin het geweld domineert.

Misschien is het goed, vooraf een onderscheid te maken tussen de prepuberale en de puberale onvolwassenen.

De eerste groep mist als zodanig elk redelijk onderscheidingsvermogen ten aanzien van de reële of gefingeerde gewelddadigheden, die op het scherm verschijnen.
Hoe jonger zij zijn des te ontvankelijker zijn zij voor de angstgevoelens, die deze schrikbeelden bij hen opwekken. En men weet, dat verschijnselen van agressie op latere leeftijd terug te voeren zijn tot in het onderbewuste weggedoken kinderangsten.

In dit verband dient terloops gewezen te worden op het verschil in werking van voor kinderen bestemde televisieverhalen tussen vier- en zevenjarigen.

De grote angstogen van vierjarigen zijn mij bijgebleven tegenover de pretogen van zevenjarigen bij het kijken naar dezelfde uitzending!

Globaal betekent dit, dat in de prepuberale fase angstgevoelens bij het tv-kijken overwegen, ook bij de meeste voor die leeftijd bestemde uitzendingen, omdat de makers zich niet hebben kunnen inleven in de verbanden, die het jonge kind legt tussen de diverse figuren en gebeurtenissen en daarbij ten behoeve van het kind niet corrigerend kunnen optreden.
Zoals dat in het gezin of op de kleuterschool wél mogelijk is; waar een groot aantal dreigende misverstanden, eer zij zich hebben vastgezet in de kinderziel, uit de weg kunnen worden geruimd.
Dit uiteraard alleen door attente en „verstandige” ouderen. Men denke aan o.a.: de dood, Sinterklaas, (nog altijd !) de ooievaar.

Maar als de ouders deze televisie-uitzendingen niet óók zien of in hun gezin niet díe sfeer hebben weten te creëren, die ook de jongste kinderen gelegenheid geeft, om onbevangen met hun vragen voor de dag te komen, dan is de kans groot, dat deze jonge kinderen „hun” conclusies uit het aanschouwde trekken en dat zullen uiteraard meestal verkeerde conclusies zijn, omdat zij niet over de noodzakelijke ervaringskennis beschikken, die hen in staat stelt, verbeelding en werkelijkheid te onderscheiden.

Voor de zevenjarigen en ouderen geldt over het algemeen, dat zij tot de puberteit vooral behoefte hebben aan „werkelijkheid”, d.w.z. aan ontmoetingen met de wereld, waarin zij leven.
Het oeverloos vragend „waarom” heeft plaats gemaakt voor het doen van eigen ontdekkingen en daarbij behoort, via film en tv, ook de wereld van het geweld.

De imitatie-drang van het kind, waaraan het voor zijn ontwikkeling zoveel te danken heeft, kan helaas pathologische vormen aannemen.

Dat gebeurt overal daar, waar geen gezond en normaal gedragspatroon in het gezin is (wordt) opgebouwd en de ouders hetzij uit onwetendheid, onverschilligheid, of door een verkeerd begrepen autoritaire opvoeding het kind loslaten in een vorm- en normloze ruimte, die dan zijn „levensruimte” wordt (of heet).

Overal, waar het kind in deze woestijn terecht komt, zal het als reactie op de leegte, waarin het zich bevindt tot dwangmatig handelen komen en zo is de kans groot, dat de imitatie-drang verandert in imitatie-dwang.

Een afschuwelijk voorbeeld hiervan speelde zich af, ongeveer twee maanden geleden, in het plaatsje Kevelaer, een vermaard bedevaartsoord in West-Duitsland.

Twee meisjes van dertien en veertien jaar vermoordden er in koelen bloede, zoals dat heet, een jongetje van zeven. Bij het onderzoek bleek, dat zij tot hun daad gekomen waren door het zien van een groot aantal misdaadfilms. Vóór de moord zagen zij nog „Une partie de plaisir” van Claude Chabrol.
Tot groot plezier van de jongste trapte daarbij de hoofdpersoon de schedel in van zijn gescheiden vrouw.

Natuurlijk hebben wij hier te maken met een exces, terwijl de oudste van het tweetal bovendien geestelijk niet volwaardig bleek te zijn; hoewel juist de jongste als initiatiefneemster optrad!

Maar dit exces wijst naar het groot gevaar, dat bijna geheel onze opgroeiende jeugd via de overdaad aan z.g. „harde” tv-films bedreigt.

Deze films spelen in op de sluimerende agressieve gevoelens van emotioneel verwaarloosde jeugd; waarbij men niet vergeten mag, dat verwenning een van de ergste vormen van verwaarlozing is.

Het toenemend aantal kinderen, dat opgroeit in een milieu, waarin zij lichamelijk en geestelijk tekortkomen, veroorzaakt als het ware een stuwing van agressiviteit, die gemakkelijk exploderen kan, vooral wanneer twee of meer van deze kinderen elkaar vinden (vergelijk de destijds gerucht makende Baarnse moordzaak).

Ook later, veel later kan een dergelijke, gestuwde agressiviteit tot explosie komen. Zij verklaart ten dele de toeneming van geweld over de gehele wereld.

Onze scholen zouden zich daarover zorgen moeten maken en – het is héél véél gevraagd! – zich medeverantwoordelijk voelen voor het trieste lot van zovele jongeren, die niet leven kunnen in de verlatenheid van hun wereld en die als ze de leeftijd van dertig jaar hebben bereikt, alles hebben meegemaakt, wat zich aan hen opgedrongen heeft, van diverse soorten drugs tot diverse soorten sexuele experimenten toe.
En die dan leeggeroofd achterblijven met zichzelf in situaties, die voor velen hunner feitelijk niet meer leefbaar zijn.

Nu het gezin als primair opvoedingsmilieu steeds meer faalt – daarvan mogen wij de ouders zeker niet alleen en niet in de eerste plaats de schuld geven) -, dient de school als tweede opvoedingsmilieu steeds meer in functie te treden en zich niet langer uitsluitend vast te leggen op haar onderwijzende taak.

De consequentie hiervan is: individuele begeleiding van het kind, dus kleinere klassen; een verzwaring van de taak van hen die onderwijs geven, méér geld nodig voor minder éclatante prestaties.

Daartegenover is maar één alternatief, dat dreigend naderbij komt: staatsscholen, gebaseerd op een onveranderlijke ideologische basis, waarbij het met onze geestelijke vrijheid is gedaan. Linkse of rechtse partijdiscipline.

Het lijkt sommigen een uitkomst, die moe zijn geworden van het ongrijpbare, chaotische leven, waarin wij onze kinderen zien opgroeien, zonder persoonlijke idealen en zonder enig persoonlijk verantwoordelijkheidsbesef.

De tv met haar sterk commerciële inslag, waarbij hoofdzakelijk gelet wordt op wat het doet bij een zo groot mogelijk aantal kijkers, volgt rustig haar harde lijn van simpele of meer geraffineerde geweldplegingen, die de volwassenen ondergaan als een soort van bevrijdende voldoening van de in hen sluimerende sadistische neigingen, doch die maar zelden bij psychisch normalen tot navolging zullen prikkelen en als zodanig als „onschuldig” gelden.
Daartegenover staat het kwalijke effect, dat deze misdaadfilms en bepaalde reportages hebben op de talrijke onevenwichtige jongeren, die aan wat zij op het scherm zien de vrijheid tot imitatie ontlenen.
Wie vele malen op de beeldbuis heeft gezien, hoe iemand in elkaar geslagen wordt, heeft een drie glazen bier genoeg om hetzelfde te doen, wanneer men zich van elke verantwoordelijkheid voor het leven van een ander heeft ontdaan.
Het is volstrekt onnodig, dat men zijn slachtoffer kent, ofschoon z.g. „wraak-acties” aan de orde van de dag zijn.
Een lichte alcoholroes is voldoende, om het laatste vleugje „cultuur” weg te blazen. En het onbeperkt machtsbesef van het moment bevredigt – voor dat moment! – lange, donkere jaren van onbegrip en lichamelijke en geestelijke verwaarlozing, samen te vatten als onherbergzame liefdeloosheid.
De vensterloze agressiviteit drijft ontelbare jongeren in de fuik der criminaliteit, voorzover zij niet aan ongelimiteerd druggebruik ten gronde gaan.

Wij menen, dat de televisie voor een niet onbelangrijk deel schuld draagt aan deze onttakeling van de jeugd en te weinig rekening houdt met de gevolgen van de amusementsprogramma’s, die zij biedt en waarbij het geweld maar al te vaak op de voorgrond staat. Overigens willen wij met nadruk vaststellen, dat naar haar oorsprong de jeugdproblematiek weliswaar heel eenvoudig ligt, maar dat de gecompliceerdheid van haar uitwerking en aanpak zo moeilijk is, dat het onjuist en in hoge mate onbillijk zou zijn aan welke afzonderlijke instanties ook de schuld te geven.

Wij hebben hier te maken met een maatschappelijk probleem van de eerste orde, dat ons allen aangaat en dat alleen zo goed mogelijk kan worden opgelost door samenwerking van alle betrokken instanties. En helaas is het zo ver nog lang niet.

Maar omdat de school als tweede opvoedingsmilieu, en ook door haar relatie met de ouders, hier een belangrijke taak heeft, meenden wij er goed aan te doen een van de actuele knelpunten van deze zaak naar voren te brengen.

‘) Vgl. Dostojewsky: „Chacun de nous est coupable devant tous, pour tous et pour tout.”

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1911

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

VRIJESCHOOL – menskunde en pedagogie -autoriteit (16)

.

Navolging

De nabootsingskrachten van het kleine kind nemen geleidelijk af. Naarmate het kind bewuster wordt, hetgeen wil zeggen, dat de geestzielekern zich intensiever met het lichaampje verbindt, is de nabootsingskracht minder sterk. Het kind is niet meer geheel en al ‘in’ en ‘bij’ de omgeving, het is al iets meer ‘in’ en ‘bij’ zichzelf, waardoor zelfstandigheid (en de wil daartoe) groeiende zijn.

Men zou kunnen zeggen, dat het ik-wezen individualiserend werkt. Er is kennelijk een andere levensfase in voorbereiding.

De grotere kleuters bootsen niet meer zo na als de kleinere. Er zijn al aanwijzingen te vinden in welke richting de ontwikkeling zal gaan.

Men ziet in het spel, dat kinderen schipper, soldaatje of huismoeder spelen zonder dat zodanige personen aanwezig zijn, of zonder dat iemand hun activiteiten ‘voorspeelt’. Wat is daar het geval? Het kind volgt na, wat het als herinneringsbeeld in zich draagt van spelen, die het eens leerde (door echte gelijktijdige nabootsing). Het individuele bewustzijn van het kind is zo ver ontwikkeld, dat het herinneringsbeelden gaat hanteren. Overigens zullen andere kindertjes dan weer gaan nabootsen, wat het verder ontwikkelde kind begint, in navolging van zijn herinneringsbeeld. Bij de navolging van een eigen beeld kan het kind nog grotendeels in de half-dromende sfeer van zijn activiteiten blijven. Dit verandert, wanneer een nieuwe ontwikkelingsfase met de tandwisseling begint.

Het kind wordt dan rijp om met zijn veranderd denkvermogen naar willekeur beeld of voorstellingen te hanteren. Hierdoor is een nieuwe fase in het leerproces ingeluid. De volwassene doet niet iets, wat het kind meedoet, maar hij of zij doet iets voor, wat het kind navolgt. Navolgen kost veel meer inspanning dan nabootsen. Steeds navolgen totdat men iets kan, of kent, is lang niet altijd leuk. Een gezond kind ziet in, dat er zeer vele dingen zijn, die het moet kunnen en die het toch niet zo maar kan. Het maakt de volwassene nodig als leermeester.

Dit wordt het belangrijkste gegeven voor de nieuwe levensfase, die een echte leertijd is. Het kind wordt ‘schoolkind’. Het navolgen is wel een zaak, waarbij de wil van het kind betrokken is. Nabootsen kan men niet ‘bevelen’, navolgen wel. Het kind wilde wel eigen voorstellingen navolgen. Maar nu moet het leren ook die van een ander na te volgen. Een belangrijk sociaal moment tevens! Sleutel voor het leren en dus voor een zinvolle verdere ontwikkeling. De tweede levensfase moet niet alleen in het teken van lichamelijke ontwikkeling staan. Er komt iets bij: de psychische ontwikkeling, die geleidelijk steeds meer in de aandacht moet komen.

Het kind zal leren opdrachten uit te voeren, die in woorden worden gegeven.

Aan een kleuter geeft men geen echte opdrachten al zal men al te levendig gedrag op enige wijze moeten besnoeien. Maar dit spreekt allerminst vanzelf. Het wordt steeds gebruikelijker om kleuters wel opdrachten te geven. Dat betekent, dat men krachten aanspreekt die nog behoed zouden moeten worden. Een paard dat te vroeg voor de kar wordt gespannen, wordt nooit een goed trekpaard. ‘Manger son blé en herbe’ geeft het Frans als beeld.

Hoe krijgt men de wil van het jonge schoolkind mee?

Want dat is de belangrijkste vraag voor het leren. Moet men de navolging bevelen? Niet zozeer, al blijkt het weer na vele jaren experimenteren met de ‘permissive society’ dat de z.g. anti-autoritaire pedagogie alleen maar nog moeilijker opvoedbare kinderen heeft geproduceerd.

Rudolf Steiner heeft als allernoodzakelijkste pedagogie voor de lagere schoolleeftijd gepostuleerd, dat het kind verlangt naar autoriteit, dat het nooit goed leert navolgen zonder autoriteit en derhalve een van de belangrijkste vormingsdoelen en ontwikkelingsmogelijkheden voor zijn ziel mist, wanneer het geen autoriteit kent.

Overigens kan het ieder die met groepen 6-12-jarigen moet werken uit ervaring duidelijk zijn, dat er niets tot stand komt in sociaal opzicht, wanneer men het leren aan de z.g. beleefdheid van de kinderen overlaat.

Behoeft een kind alleen te leren, waarin het zin heeft, dan wordt de deur wijd open gezet naar het ontstaan van uiterst verwende en veeleisende jonge mensen, die in het leven zeker een negatieve factor — voor henzelf en voor anderen — zouden worden.

Het schoolkind zal tot navolging moeten worden bewogen door te appelleren aan de belangrijkste krachten van de mensenziel: de sympathie en de liefde.

De positieve houding ten opzichte van het kind en de daarbij gebleken creatieve en intellectuele gaven maakt de opvoeder en leraar geheel vanzelf tot autoriteit. Het kind houdt van deze mens en volgt hem of haar dan graag. Voor deze leeftijdsfase geldt, dat het wilsleven wordt ingeschakeld door middel van het gevoelsleven.

Dit moet de leerkracht als inzicht verwerven en dan is het ook geen probleem, dat het kind bemerkt, dat er één de dienst uitmaakt.

Leren is ook wel eens niet leuk. En toch moet het gebeuren. Ondanks tegenzin doet het kind de taak toch, uit sympathie voor zijn autoriteit, een woord dat oorspronkelijk ‘auctoritas’ luidde en niet alleen ‘gezagsdrager’, maar ook ‘welzijnsbevorderaar’ betekende.

Hoofdstuk V, waarvan 5.2, uit ‘Het binnenste buiten’ – eindrapportage project traditionele vernieuwingsscholen – Driebergen 1985, VPC\

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

 

1023

 

 

 

 

 

 

 

.