Tagarchief: televisie

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen – tv (19-5/1)

.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen.
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd:

Roger Simons in ‘De Gelderlander’, 08-08-1989

‘Britse jeugd wordt crimineel door tv’

LONDEN – Sommige regio’s van Groot-Brittannië kweken doorlopend jeugdige delinquenten. Bijna de helft van de jongens worden er boeven vóór ze de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. En de tv is vaak van doorslaggevende invloed op hun karakter.

De onrustwekkende snelheid waarmee in bepaalde Britse gewesten zoveel jongens zich al vroeg schuldig maken aan misdrijven, wordt uitvoerig toegelicht in een recente regeringsstudie.

Kinderen van nauwelijks elf jaar gaan joy-riden in gestolen auto’s, zegt dit rapport. Zij plegen inbraken en nemen dingen weg uit winkels zonder te betalen. Meisjes zijn daar ook niet vies van. Zij vinden dergelijke diefstallen bijzonder opwindend.

Uit de Britse regeringsstudie blijkt, dat in Groot-Manchester zo’n 44 procent van alle jongens tussen de 11 en 16 ‘betrapte delinquenten’ zijn. Het Noord-Engelse Manchester werd voor deze studie als ‘typisch voorbeeld’ genomen. In andere Britse regio’s is het minder ernstig gesteld met de criminaliteit onder jongeren.

Nog niet

Neem nu Kirklees, een gemeente in het Noordengelse Yorkshire. Daar staan 10 procent van de jongens en 4 procent van de meisjes bekend als delinquenten. In Tendring, een gemeente in het Zuid-Engelse Essex en dus veel dichter bij Londen, bedraagt de hoeveelheid 9 en 5 procent.

Volgens deze overheidsstudie vormen geweld en drugs nog geen echte plaag onder de kinderen van Groot-Brittannië. Toch was in verband met 20 procent van de misdrijven, gepleegd door jongens van minder dan 16 jaar, sprake van bedreiging. Maar de onderwijzers van Groot-Brittannië laten, wat dit aspect van het gedrag van hun leerlingen betreft, een heel ander geluid horen.

Op het congres van de bond van Britse onderwijzers vorige week [zie datum boven] in Birmingham, hadden diverse sprekers het op de tv gemunt. Zij zijn de vaste overtuiging toegedaan, dat televisiekijken de kinderen van Groot- Brittannië corrupt en gewelddadig maakt.

Peter Dawson, gewezen hoofdonderwijzer en tegenwoordig algemeen secretaris
van deze vakvereniging met 43.000 leden, stelt het populaire BBC-feuilleton ‘EastEnders’ aansprakelijk voor het huidige verval van de Britse goede zeden dat duidelijk merkbaar is, zowel onder kinderen als volwassenen. Dawson vindt dat ‘EastEnders’ niet deugt omdat de scenario’s van deze serie ‘te realistisch’ zijn en de spelers hun werk te goed verstaan.

Voorbeelden

Van ‘Dallas’ zegt hij dat ‘geen mens daarin gelooft’ maar ‘EastEnders’ wordt wel als ‘echt’ ervaren, wat volgens Dawson onvermijdelijk tot gevolg heeft dat dit feuilleton slechte voorbeelden geeft. In een toespraak verwees hij naar echtelijke ontrouw, homoseksualiteit, drankmisbruik, het gebruik van drugs, diefstal, geweldpleging (ook van man tot vrouw) en ga zo maar door.

„Niet alleen jonge kinderen maar ook volwassenen denken dat het zo hoort en dat ze dit alles moeten nabootsen,” zei Dawson. De BBC was er helemaal niet gelukkig mee. „Wij proberen precies het tegenovergestelde te bereiken,” verklaarde een woordvoerster van de omroep verontwaardigd. „Ons doel is door middel van realistische situaties de kijkers ervan te doordringen dat ze er altijd beter aan doen het rechte pad te bewandelen.”

Maar de Britse onderwijzers zijn kennelijk van mening dat tv verantwoordelijk dient gesteld voor alle kwalen van de moderne wereld. Zelfs Amerikaanse tekenfilms, zoals ‘Tom and Jerry’ en ‘Bugs Bunny’, die in hun land vrij geregeld op de buis komen, schijnen niet te deugen.

Klappen

„Heel jonge kinderen geloven dat de echte wereld precies dezelfde is als die van de tv,” zei Anne Spencer, adjunct-hoofd van een Zuidwestlondense basisschool, in een toespraak. „Hebt u die tekenfilms van tegenwoordig al goed bekeken? In mijn school zag ik een jongetje zijn vriendje klappen geven dat het een aard had.

Daarna verbaasde hij zich erover dat het vriendje op de grond lag te huilen van de pijn. De dader kon niet begrijpen waarom er iets niet in orde was met het andere jongetje. Zij speelden hun tv-helden en op de buis geeft het niet dat je elkaar platslaat, want daarna sta je toch weer op alsof er niets gebeurd is en snel je nieuwe avonturen gemoet!”

.

Opvoedingsvragen over tv. onder nr. 19

Nabootsing: artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-4)

.
Rita van Haren, Jonas 5, 30-10-1981

 

KIND EN TELEVISIE

Alleen maar verbieden heeft nauwelijks zin

Een van de voordelen van het Hollander zijn is, dat je zo gemakkelijk bij elkaar op de koffie gaan kunt, zonder daarvoor van tevoren te zijn uitgenodigd. Je hoeft niet eerst te denken ‘Wat zal ik aantrekken of meenemen’, maar kunt rustig met je oude spullen even ‘aanwippen’. Vaak zijn de gesprekken die dan ontstaan wezenlijker dan die welke op een officieel avondje worden gevoerd en kunnen persoonlijke gedachten uitgewisseld en eventuele problemen met de opvoeding van de kinderen enzovoorts, besproken worden.

In een van deze gesprekken met een vriendin dook het vraagstuk ‘televisie en kinderspel’ op. Eenieder die niet in het bezit van een televisie is en woont in een nieuwbouwwijk waar het wemelt van de kleine kinderen weet hoe moeilijk het is om jouw kind niet mee te laten kijken, terwijl hun vriendje wél mag. Om er dan ook nog zorg voor te dragen dat er niet een soort fixatie ontstaat op de televisie, juist omdat het niet mag, is eigenlijk haast niet mogelijk. Veel kinderen uit de buurt worden door hun ouders uit hun spel gehaald, wanneer op woensdagmiddag of op zaterdag het kinderprogramma begint. Zelfs wanneer het kind verdiept is in zijn spel wordt er aangedrongen totdat hij of zij naar binnen komt.

Wat moet je doen als jouw kind ook meegevraagd wordt? Een of twee keer kun je iets verzinnen om dit te voorkomen, maar daarna wordt het moeilijker. Jouw kind wordt al gauw een eenling, al was het alleen al omdat het niet op de hoogte is van wat er aan kinderprogramma’s geboden wordt. Het kan dan bijvoorbeeld gebeuren, dat de kinderen uit de buurt een film naspelen, met de nodige pistolen, pijlen en bogen. Zelfs mitrailleurs met batterijen ontbreken niet. Omdat jij het niet zo prettig vindt om jouw zoon dergelijk speelgoed te geven, is het gevolg, dat hij regelmatig met de handen omhoog tegen de schutting staat, omdat de kinderen spelen dat hij doodgeschoten moet worden en de angsten die hij duidelijk laat blijken natuurlijk ‘net echt’ vinden.

Ook wanneer je voorzichtig de ouders benadert, opdat ze misschien hun kinderen toespreken, merk je dat de aansluiting vaak moeilijk is. Je kunt dan bijvoorbeeld het advies krijgen om jouw kinderen vaker naar de televisie te laten kijken, zodat ze wennen aan doodschieten en dergelijke en hun angsten daardoor verdwijnen. Dat daarmee tevens een afstomping en een onbetrokkenheid met lief en leed van je medemensen optreden kan, en zeker bij kleine kinderen, is niet een twee drie te begrijpen.

We realiseerden ons dat het verbieden op zich nauwelijks zin heeft, maar dat je een alternatief moet scheppen, minstens zo aantrekkelijk als de televisie. Na drie koppen koffie kwam dan eindelijk de inspiratie en besloten we om voortaan de woensdagmiddag te bestempelen tot ‘gezellige middag’. Aanvankelijk was dit bedoeld voor onze eigen kinderen, maar inmiddels is het uitgegroeid tot een grotere groep kinderen en meerdere moeders uit onze omgeving, die enthousiast begonnen te worden.

Gezellige middag

De eerste middag zijn we gaan schilderen. We hebben geen van beiden een antroposofisch geschoolde schilderopleiding, maar weten wel dat ‘nat in nat’ de methode is op vrijescholen en omdat er in beide families een verjaardag in zicht was, maakten we schilderend een jaargetijdenkalender. Dit doel was voor ae kinderen erg belangrijk. Toen na een uurtje het heilige vuur een beetje gedoofd was, kwam Het Sap en Het Lekkers op tafel, waarna we een sprookje voorlazen. De kinderen waren enthousiast en gaven ons daardoor de zekerheid hiermee door te moeten gaan.

De ideeën voor een volgende keer kwamen toen eigenlijk vanzelf. Vriendjes en vriendinnetjes gingen zich vanzelf uit nieuwsgierigheid aansluiten en trokken er de tweede woensdag mee opuit om schors en hout in het bos te gaan verzamelen voor een kabouterhuis in de tuin. Het is boeiend om te zien hoe inmiddels het idee van de tuinkabouter, die zorgt voor de planten en bomen en woont in een eigengemaakt huis, is gaan leven in de buurt. Het meest belangrijke is, dat de ouders zo nu en dan kleine bewijsjes aandragen waaraan hun kind kan zien dat de tuinkabouter werkelijk geweest is. Dit hoeft helemaal niet groots te worden opgezet, hoe kleiner hoe spannender. Je kunt bijvoorbeeld ’s avonds met jouw kind de gordijntjes van het huis dichtdoen, en ’s morgens heeft de kabouter ze weer opengedaan. Je kunt een stoeltje of bed (ook van schors of gewoon van steentjes en wat schapenwol) verplaatsen.

Bij ons is er een levendige correspondentie ontstaan: piepkleine briefjes met de belevenissen van ‘Pluizebol’, onze tuinkabouter. We hebben een tegel uit het tuinpad gehaald en de kabouter heeft daar sterrekers in gezaaid, zodat hij ook een miniatuurtuintje heeft. Zo nu en dan staan er verse bloemen in een vaasje op zijn tafeltje, enzovoort. Belangrijk is dat het kind nooit de kabouter zélf ziet, dus geen stof-kabouter of andere popvormen, maar wel heel kleine aanduidingen van zijn aanwezigheid, liefst in betrekking tot de natuur en het leven in de tuin. Een andere keer bouwden we tenten in de tuin van grote lappen, knijpers en een oude parasol. Een dag van tevoren bakten we ronde zandkoeken en kochten wat taartversierselen, nootjes, sesamzaad en blauw lint, zodat de kinderen in de tent de koeken konden versieren met suikerglazuur. Het was hierbij wel belangrijk dat het materiaal van tevoren klaarstond, zodat er geen leemten ontstonden door wachten. De kinderen worden dan ongeduldig en er komen al gauw kleine ruzietjes, die voorkomen kunnen worden door goed organiseren.

Eigenlijk hadden we verwacht dat na een kwartiertje de koeken wel klaar zouden zijn, omdat minstens de helft in de monden zou verdwijnen en we hadden ons dus goed voorbereid op de rest van de middag, maar toen ze na anderhalf uur nog steeds in perfecte harmonie en geconcentreerd bezig waren, keken we elkaar wel even verbluft aan en hebben onze plannen voor de verdere middag aangepast, door allerlei spelletjes in de tuin te doen en ze een poosje te laten uitrazen.

We proberen zo mogelijk (wat betreft de tijd en ook de reactie van de kinderen) af te sluiten met een sprookje.

Om te voorkomen dat telkens dezelfde moeder met de rommel wordt opgescheept, wisselen we iedere woensdag van huis. Ook het zorgen voor sap en koek doen we om de beurt.

Een volgend idee, dat ontstond uit het feit dat we veel lapjes hebben die nooit gebruikt worden, was een wandkleed maken. Om wat houvast te hebben voor de kinderen kozen we een onderwerp: de bloementuin. Dat er inmiddels ezels en kerktorens en ik meen zelfs een soort spook op staan is helemaal niet belangrijk. We lieten de kinderen naast elkaar op een bank zitten, keerden de lappenzak op de vloer om, zodat ze elk wat kleuren uit konden kiezen. Dan knipten de kinderen vormen uit die op het kleed werden geplakt. Niet genaaid, wat veel te veel tijd en inspanning vraagt, afgezien van het feit dat kleintjes dat helemaal niet kunnen. Tenslotte is het een vrije middag en moet het geen schoolles worden. Het resultaat is niet zo belangrijk zolang zij er zelf plezier in hebben.

De reacties over en weer op elkaars werk waren komisch om aan te horen en vaak werd er samengewerkt en geholpen. Iedere week hangt het kleed bij een ander gezin zodat elk kind er plezier van heeft.

Een middag waarover de kinderen nu nog steeds praten, was de verkleedpartij. Echte verkleedkleren waren helemaal niet nodig. Van onze niets vermoedende echtgenoten haalden wij broeken, schoenen en pyama’s uit de kast en van onszelf sjaals, bikini’s, lange jurken enzovoort. We gaven kleine opdrachtjes om een toneelstukje te maken, zoals bijvoorbeeld de tandarts en de patiënten, of de bakkerswinkel die wordt beroofd, compleet met dief en politieagent. Niet zo pedagogisch misschien, maar wel dolle pret.

Langzamerhand begonnen de kinderen de woensdagmiddag te zien als een feest en zeiden zelfs logeerpartijtjes en middagen spelen bij vriendjes af om dit mee te kunnen maken. Natuurlijk vraagt dit alles voorbereiding en een goede samenwerking tussen verschillende moeders, maar creatieve activiteit – ook al is het op heel kleine schaal – lijkt mij de enige manier om tegenwicht te bieden aan de geestdodende passiviteit die televisie veroorzaakt, en wat belangrijker is, zonder agressie op te roepen bij ouders die een andere leefwijze hebben. We stellen er iets tegenover en de kinderen maken zelf de keuze door wel of niet te komen. En verder blijven we hopen dat iedere woensdag een nieuw idee moge komen.
.

1739

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-3)

.

Joke Beekman, vrijeschool Wageningem.datum onbekend

 

De andere kant van de TV

De meesten van ons kunnen zich wellicht de tijd herinneren, dat de tv opkwam. Hordes buurkinderen kwamen samen op een centraal adres om op woensdagmiddag tv te kijken. Alle kinderen kregen van hun moeder op het hart gedrukt “bedankt voor ’t kijken” te zeggen na afloop.

Nu is er bijna in elk gezin een televisietoestel en is er veel vaker kinder-tv dan toen, er is zelfs een kinderjournaal.

Is dat verheugend? Is tv-kijken nog steeds iets terloops in de rij van eten, boodschappen doen, buiten spelen en in bad gaan? of is het iets incidenteels, zoals de buurvrouw die een ei komt lenen?

Wanneer je écht gaat kijken welke rol tv speelt in je gezin of probeert zo objectief mogelijk waar te nemen wat er al kijkend gebeurt in jezelf en je kinderen, ontstaan er allerlei vragen.

Met het beschrijven van een viertal voorbeelden, wil ik laten zien, welke vragen tevoorschijn kunnen komen* wanneer je wat minder oppervlakkig naar het fenomeen “tv als medium” kijkt, ik wil het graag bij vragen laten, omdat ik gemerkt heb, dat vragen moeten rijpen, dat je er een tijdje mee rond moet lopen of er met anderen over moet praten, voordat je je efgen antwoorden daarop gevonden hebt.

Het is half vier. Het buurmeisje speelt bij ons. Er wordt aangebeld. Haar zusje komt zeggen, dat de tv begint. Het buurmeisje kiest voor de tv. De hut blijft half-af achter, de pop half aangekleed.

Een andere keer speeltijn dochtertje bij dat buurmeisje. Haar vader is oppas en weet kennelijk niets van de afspraak die ik ooit met haar moeder maakte, dat mijn dochtertje naar huis zou komen, als bij hen de tv aanging. Thuisgekomen vertelt Frouke het tv-verhaal. Tot in details beschrijft ze wat ze gezien heeft: er was een meisje doodgegaan, door het eten van vergiftige torretjes. Ze moest begraven en er werd aarde op haar kist gegooid. De volgende dag speelt Frouke het verhaal na met haar poppen, de pop is ziek, ze heeft vergiftige torretjes gegeten, maar ze wordt wel beter hoor, ze moet pilletjes…..etc.

Nog een voorbeeld. Op een regenachtige middag in de vakantie kijken we kinder-tv. We zien een heel gezellig kringetje kinderen met feestmutsen op. Ze drinken limonade met een rietje, een ‘meester’ met een gitaar zingt liedjes, hiep-hiep-hoera en daar is de taart. Wij krijgen ook trek in baart.

Meteen daarna een filmpje over een jongetje, dat van een oude klomp een zeilboot maakt. Leuk, zeggen we. Zorgvuldig kijken we mee, hoe hij dat voor elkaar krijgt. Een laatste “shot”: het bootje zeilt het beeld uit. Nu de tv uit?  Nee, er komt nog een tekenfilm. Na afloop zijn we het bootje vergeten. Even wakker worden uit de droom, wat waren we ook weer aan het doen? Een blik op de klok wijst etenstijd. “Gaan jullie je handen wassen, we gaan eten!” “Nou hoor, nu al? Maar ik wou nog even…..’

Wat laten deze voorbeelden zien?

Dat de tv een dwingend medium is. We kunnen de omroepster niet vragen even te wachten, omdat er nog één lap op de hut moet, want anders is hij niet donker genoeg, of omdat de pop nog zijn muts opmoet. Tv is going on! Ons eten kan wel een momentje wachten, de boodschappen ook. Onze kinderen hebben immers ook hun eigen belangen. Het is goed voor hun wilsontwikkeling, dat ze leren hun bezigheden af te maken. Vanzelfsprekend zijn er ook momenten, dat er wel echt op tijd moet worden aangetreden, bv. wanneer de kinderen ‘so chtends de deur uit moeten.

Daar is het onze wil, dat zij op tijd komen en leren we de kinderen te denken aan de meester of juf die op tijd wil beginnen. Dat is een sociale afspraak. Hebben wij met de omroepster een afspraak? Is het ónze wil dat er tv wordt gekeken? Of onze gemakzucht?

Het buurmeisje kiest voor de tv. De tv is voor haar belangrijker geworden dan haar eigen initiatief, en belangrijker, dan haar vriendinnetje.

Natuurlijk, zo makkelijk zijn kinderen. Het ene vriendinnetje laten ze schieten voor het andere. Maar is dat hetzelfde met het kiezen voor tv?
Wat is er zo aantrekkelijk, wat heeft tv meer dan alle vriendinnetjes bij elkaar? Al spelend ontstaan keuzes, op het moment, vanuit de situatie. Het kind wil zélf intens met een ander spelen. Dat is het sociale spel tussen kinderen, waaraan ze ervaring opdoen. Is tv een eerlijke medespeler

Het tweede voorbeeld illustreert, hoe we weliswaar in de tv-gids lezen wat er komt, maar eigenlijk niet kunnen overzien hoe een programma op onze kinderen uitwerkt. We kennen het beleid van de programmamakers niet, we weten niet welk doel het programma beoogt. Is het doel bv. vermaak of is er een pedagogisch doel? Vanuit welke hoek komt de visie erachter? Bv. Het leven moet leuk zijn, dus laten we kinderen zien hoe je het leven leuk moet maken. Of is de rode draad het bijbrengen van kennis? De tv-makers doen geen moeite om ons hun normen of doelen voor te leggen. (Alleen bij de EO weet je uit welke hoek de wind waait.) Kunnen wij dan zeggen, dat wij achter hun motivatie staan?

Wanneer wij voorlezen kunnen we even stoppen voor een kleine uitleg, kunnen we als het al te spannend wordt onze stem wat neutraliseren, er geruststelling in laten klinken. Die verantwoordelijkheid kent de tv niet. Kinder-tv is afgestemd op gemiddelde kinderen, op uni-kinderen.

Is het niet belangrijk, dat wij kiezen wat we onze kinderen aanbieden?

We kiezen voortdurend voor hen. Een te moeilijk boek zetten we nog een jaartje in de kast. We overwegen of we een kind wel of niet mee zullen nemen naar een begrafenis. Een gevoelig kirnd confronteren we niet met schokkende beelden (bv. een overreden dode kat), wanneer je weet, dat het daar lang en diep moe blijft worstelen. Het ene kind kan al op zijn 4e alleen met de bus mee, het andere kind zouden we op zijn 7e buikpijn bezorgen van de gedachte alleen. We kennen onze kinderen in hun verschillen, we weten hun eigenaardigheden, we bekommeren ons om hun wordende persoonlijkheidjes. Doet de tv producer dat?

Voor mijn dochtertje gold, dat ze de gelegenheid had in haar fantasie te verwerken wat ze had gezien en er al spelend iets eigens van te maken. Krijgen kinderen die het ene programma na het andere zien, tussentijds nog de gelegenheid zich met de tv-beelden uiteen te zetten? Is de kans niet groot, dat veel onverwerkt “gruis” zich opstapelt? Wat moeten ze daarmee. Hebben zc er echt iets aan?

Het derde voor beeld laat zien hoe we als kijkers grotendeels buitengesloten zijn van wat we op tv zien gebeuren. Wij krijgen trek in taart. Maar in onze huiskamer is het stil. We staan buiten het feest en toch zijn we erbij.’ Hebben we er eigenlijk wel een boodschap aan te zien hoe anderen het doen? Beleeft een kind een feestje op tv nict zo als de verjaardag van een vriendinnetje? Daarvan herinnert ze zich later een bepaald spelletje dat zo leuk was en de taart die er anders uitzag dan haar eigen moeder hem altijd maakt, maar die toch heel lekker smaakte.

De zintuigen doen mee in de beleving. Welke zintuigen laat de TV aan bod komen? In de levende situaties leren kinderen “het leven” kennen, de ongelukjes, het moeilijke, het grappige, het uitbundige, het intieme, brengt de tv dat over?

En stel je nu eens voor, dat dat jongetje van die klomp écht bij ons in de huiskamer had gestaan. Dan hadden we vol bewondering gekeken. Misschien hadden we ook een klomp gezocht. De kinderen hadden ervaren hoe moeilijk het is het zeil zo te bevestigen, dat het bootje niet kapseist. Ze hadden gejuicht als het bootje te water werd gelaten en zouden precies weten hoe lang je er over doet zo’n bootje te maken’. .Maar het jongetje was op tv. Als kinderen de klomp van de tv na zouden willen maken, zouden ze al gauw merken dat de werkelijkheid (tijdsduur, hoe moeilijk het is) niet klopt met wat ze zagen. Ze zien af van het idee. Hoe vaak worden zulke wensen gewekt door de tv? Kan een kind in de wirwar van zulke verlangens nog weten wat het eigenlijk wil? Hoe is het voor hem te merken, dat dat wat hij had willen doen door de tv is gedwarsboomd, zoals in het laatste voorbeeld.

Omdat er geen menselijke wisselwerking is tussen de tv en het kind, jouw kind, blijven er gewekte wilsimpulsen liggen. Of nemen wij als ouders op ons, wat het kind (via de tv) wil, echt met hem te gaan doen?

In deze voorbeelden komt een aantal aspecten boven. Beschrijvingen van andere voorbeelden zouden zeker nog meer “andere kanten” van de tv ontsluieren.

Voor mij zijn de belangrijkste vragen: wil ik, dat een ander (tv-maker-) bedenkt wat goed is voor mijn kind. Wil ik dat het opgroeit met verzonnen karikaturen of met levende mensen? Vind ik het belangrijk, dat het gewoon sprekende mensen ontmoet of is het leuk voor hem om gekke stemmetjes te horen. Is de gein op tv voor hem net zo waardevol als de grapjes van een geliefde oom, die af en toe op bezoek komt? We leven in een tijd waarin we vaak kunnen kiezen. Kiezen we een vrijeschool voor onze kinderen, eten we vleesf, enz. Hoe serieus ga je om met de vragen (ook de gesluierde), die aan je worden gesteld?

Dat hangt van veel factoren af, van je eigen belang, van je eigen visie en inzicht, van je wil om met die vragen bezig te zijn en van je eigen kracht. Misschien hebben we elkaar daar erg bij nodig.

Bij elke nieuwe situatie waarin de tv in mijn blikveld komt, merk ik dat er niet één gedachte of één bepaalde houding afdoende is. Telkens weer is het anders.

De Zweedse schrijfster Karin Neuschütz, die een uitgebreid boek over tv schreef, drukt naar mijn idee het beste uit, om welke keuze het eigenlijk gaat: “Leven of TeVen, dat is de vraag!”

.

1725

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – – Opvoedingsvragen (19-2)

.

In de jaren negentienzeventig was televisie voor kinderen sterk in opkomst. 
In steeds meer gezinnen kwam er een toestel te staan. Het aantal programma’s nam toe, het aantal uitzenduren eveneens.

Er werden kinderprogramma’s gemaakt en daarmee ontstonden ook vragen en kritische kanttekeningen: wat is dan geschikt voor kinderen, wat hebben ze eraan, is het schadelijk enz. enz. 

Ook op de vrijescholen werd er over gediscussieerd. Daar immers werd (wordt) o.a. geprobeerd kinderen vanuit kunstzinnigheid iets aan te leren; op een fantasievolle manier. Veel programma’s waren juist het tegendeel van ‘kunstzinnig’ of ‘fantasievol’ – veel fantasterij en karikatuur voerden de boventoon.

Er verschenen vele artikelen in de media, maar ook op schoolniveau in de schoolkranten en de TV was vaak onderwerp op de ouderavonden.

Ik weet niet of die aandacht er nog steeds is of dat we na al die jaren – nieuwe generaties leerkrachten, zelf ook opgegroeid met TV, – het allemaal sluipenderweg normaal zijn gaan vinden of dat alle commotie van wat er 30, 40 jaar geleden over werd gezegd en voor gewaarschuwd, door de feiten, de tijd, is ingehaald.

In mijn ‘archief’ zitten nog een aantal artikelen over dit onderwerp.
Ze zullen hier in de loop van de tijd verschijnen. 

.

Oene Schreuder, vrijeschool Wageningen, datum onbekend.
.

VOOR DE BUIS?

Laat ik maar met de deur in huis vallen: ik ben vóór de televisie. In deze tijd heeft de in het volle leven staande mens meer dan ooit behoefte aan veelzijdige informatie, niet alleen in woord, maar (visueel ingesteld als we zijn) vooral ook in beeld. Een lancering van een ruimtevaartuig en huwelijk van een prins, daar willen we ook onze neus in steken.

Een actualiteitenprogramma met recente beelden over bijv. Polen, een spannende sportwedstrijd, een ontspannende western, een mooi concert, een leuke quiz enz,, er zijn genoeg redenen om daarvoor de tv eens aan te zetten.

Helaas zijn er vaak ook genoeg redenen om “dat ding” weer af te zetten. Dat gaat dikwijls wat minder spontaan, want dan moet je je weer uit die net zo comfortabele tv-club hijsen en erheen lopen (de hond staat kwispelstaartend op).
Het spelen met de afstandsbediening laat ik buiten beschouwing, hoewel in de vrijeschool lijkt me dat toch best handig om snel te weten te komen of ik op een van de twaalf andere kanalen niet net iets boeiends zal gaan missen. Prachtig lijkt het me trouwens, zo’n gevarieerd aanbod; het zou dan natuurlijk het mooist zijn als al de ‘goede’ programma’s in tijd na elkaar zouden verschijnen, dan hoefde je tenminste niet te kiezen tussen twee ‘goede’ die synchroon verschijnen, maar met de video-recorder is eventueel nog de nodige schade in te halen.

Het bovenstaande klinkt misschien wel wat schertsend, maar toch zie ik het feit, dat je door de televisie steeds voor keuzes gesteld wordt als een winstpunt voor de mens, die in vrijheid (van keuze) wil leven. Maar dat kiezen beperkt zich niet slechts tot de geboden programma’s, veel duidelijker wordt er m.i. gekozen, daar waar de kijker besluit het tv-kijken in te ruilen voor iets zinvollers op dat moment en het toestel uitschakelt. Zo in de geest van:

“Nee, dan weet ik mezelf wel beter te amuseren of informeren!” Vaak is zo’n keuze achteraf beschouwd zeer bevrijdend. Wat dan gebeurt is, dat we vanuit onze vrije wil nee zeggen tegen iets en daarmee oefenen we ons a.h.w. in ons ik-gebied, want kort gezegd: nee kunnen zeggen tegen iets, wat in eerste instantie ogenschijnlijk aantrekkelijk leek (daar zorgden de programmamakers wel voor!) is een ik-functie. Dit zelfde gaat op voor vele andere technische gebruiksvoorwerpen.

Tot nu toe heb ik gesproken over de volwassen mens die besef heeft van een eigen verantwoordelijkheid en beschikt over een vrije wil om te kiezen wat goed of slecht voor hem is. Hoe zit dat evenwel bij het kind?

Voor ons, ouders, is het duidelijk, dat bij kinderen deze vermogens nog in ontwikkeling zijn en dat wij ons daarbij ondersteunend en wegwijzend moeten opstellen.
Wij als volwassenen geven vorm aan de omgeving en cultuur waarin deze kinderen opgroeien. Of ons cultuurgoed een erfenis of last voor onze kinderen wordt, ligt voor een groot deel in ons keuzegebied.

Ook de televisie schijnt tot een cultuurgoed gerekend te worden, vaak zo in de trant van: ‘je kunt er niet omheen, je kunt het niet meer wegdenken uit onze samenleving.’ Eigenlijk vind ik dat ook. Evenals ik dat vind ten aanzien van vliegtuigen, auto’s, computers enz.enz. Alleen dringt de vraag zich nu op: hoe ga je ermee om, hoe hanteer je ze? Hoe confronteer ik mijn kind met de televisie of confronteer ik het er überhaupt wel mee?

Wat er precies vóór is om een kind naar de televisie te laten kijken, kan ik niet zo goed bedenken, behalve misschien dan, dat ze het “erg leuk” vinden, maar dat zijn wel meer dingen in het leven, maar duidelijk vind ik televisie-kijken anders voor kinderen dan voor volwassenen.

Een aantal overwegingen (te dien aangaande) wil ik hieronder graag naar voren brengen.

Allereerst denk ik, dat kinderen, die door de beelden op de televisie vaak sterk aangetrokken worden zich niet met datzelfde ontwikkelde ik der volwassenen tegenover deze zaken kunnen stellen. Mijn indruk is dat een kind a.h.w. overgeleverd wordt aan een apparaat dat beelden in snelle opeenvolging ophoest.

Het kind is niet in staat daar enige afstand van te nemen, maar moet blijven kijken. Daarom roepen kinderen wel vaak om de tv aan te krijgen, maar zelden om deze weer af te zetten. Eigenlijk is dat ook normaal, immers, wat is er prachtiger voor een kind dan op te gaan in beelden, dat merk je ook in het onderwijs heel duidelijk (verhalenstof). Het kind leeft in de zintuigen en vooral de oogwaarneming is in de kinderjaren sterk in ontwikkeling.

Alleen gaat het er op een beeldscherm wel erg flitsend aan toe. Kijk u maar eens mee: een rustig berglandschap, een prachtig perspectief, daar gaan we eens rustig van genieten – zoef – we kijken naar snel draaiende wielen en driftige paardenhoeven, de camera is vlakbij. – zoef – camera naar links: een indiaan te paard bovenop een heuvel: camera komt snel dichterbij, een oorlogszuchtige blik, zoef camera weg: blik op de huifkar, een dialoog tussen de man op de bok en vrouw in de huif: de camera danst op en neer van aangezicht tot aangezicht……… U begrijpt er blijft weinig tijd en rust over om eens even bij een en hetzelfde plaatje te verwijlen. (De een halve seconde durende reclamespot wordt onverteerd mee ingeslikt).

Als we kinderen waarnemen bij het domweg kijken naar iets, valt mij althans op, dat ze het vaak zo heerlijk vinden om zich eens lekker aan iets te vergapen, ongegeneerd kijken naar iets wat ze in het oog valt. Die kans wordt hun bij de televisie ontnomen. Zelfs bij een mooi programma over vissen in de diepten der oceaan, menen de programmamakers ons te moeten amuseren met allerlei  nonsenspraat bij iedere vis, die achter een steen om de hoek komt kijken: zo in de trant van: ‘Kijk eens aan, daar is onze schone slaapster Mientje wakker geworden en ja hoor, daar komt ’t mannetje Jacob al aan, nou wie weet zal het wel de ware zijn! enz., enz. Kortom het tv-kijkende kind wordt van twee kanten bestookt door beeld en daaraan gekoppelde geluidsindrukken.

Een en ander kan al gauw bij kinderen tot een psychische overbelasting leiden met een verschillend reactiepatroon: overgeprikkeld in de zintuigen (en daardoor vaak motorisch ongeremd gedrag), moe of lusteloos-zijn, hoofdpijn, onrustige slaap (angstdromen) en nogal eens hoor ik dat kinderen zich bij voorbaat afschermen door de tv uit te zetten of door gewoon weg te lopen. Het verbaast mij dan ook niet dat uit onderzoekingen is gebleken dat kinderen, die enkele uren televisie hadden gekeken, mindere geheugenprestaties leverden de volgende dag (800 kinderen hadden een gedicht ingestudeerd, de helft had tv gekeken, de andere 400 niet. De niet-kijkers kenden het gedicht de volgende dag bijna allemaal nog integraal, de ‘kijkers’ kenden slechts fragmenten, of waren het helemaal vergeten, natuurlijk met enkele uitzonderingen).

Daarbij komt nog mijn bezwaar, dat kinderen bij televisie-kijken gedwongen zijn deel te nemen aan een reeks waarnemingen (de camera kijkt voor het kind, niet het kind zelf!), die in feite weinig uniek genoemd mogen worden: de programma’s worden op de smaak van de massa afgestemd (kijkdichtheidscijfers) en het begripsmatige niveau schommelt gemiddeld tussen dat van een zeven tot negenjarige kind; en dan de ‘doodsheid’ van een apparaat wat een beeld(?) poogt voor te schotelen m.b.v. duizenden elektronisch oplichtende puntjes en een gezeefd (stem)geluid, veroorzaakt door een trillend kartonnetje in de luidspreker.

Al met al mist het ten enen male de warme intimiteit en menselijke sfeer, die zo goed tastbaar is bij bijv. een theatervoorstelling of poppenkast. Daar ontstaat een levendig spel tussen speler en toeschouwer, er bestaat vrijheid om een eigen indruk te bewaren. (Zoals ook op een bepaalde manier mogelijk is bij een boek: “Alleen op de wereld:” is mooier om te lezen/horen dan om te zien op de televisie!)

Maar toch gebeurt het dat kinderen voor de tv komen te zitten: als het dan niet thuis kan, dan misschien bij vriendjes uit de buurt en dan vraag je je als ouders af: kan ik er dan niet toch beter zelf een in huis hebben, dan kan ik er tenminste bij zijn als ze kijken…..

Ik geloof, dat het in het laatste geval goed is er bij te zijn als de kinderen kijken, er misschien zelfs een beetje een feest van te maken als ze mogen kijken, net zo als het een feest is als ze naar een poppenkast of circusvoorstelling mogen gaan kijken. Ieder feest heeft een begin en een eind. Ik heb het gevoel, dat we als volwassenen vooral het eind goed in de gaten moeten houden.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

.

1717

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-1)

.

In de jaren negentienzeventig was televisie voor kinderen sterk in opkomst. 
In steeds meer gezinnen kwam er een toestel te staan. Het aantal programma’s nam toe, het aantal uitzenduren eveneens.

Er werden kinderprogramma’s gemaakt en daarmee ontstonden ook vragen en kritische kanttekeningen: wat is dan geschikt voor kinderen, wat hebben ze eraan, is het schadelijk enz. enz. 

Ook op de vrijescholen werd er over gediscussieerd. Daar immers werd (wordt) o.a. geprobeerd kinderen vanuit kunstzinnigheid iets aan te leren; op een fantasievolle manier. Veel programma’s waren juist het tegendeel van ‘kunstzinnig’ of ‘fantasievol’ – veel fantasterij en karikatuur voerden de boventoon.

Er verschenen vele artikelen in de media, maar ook op schoolniveau in de schoolkranten en de TV was vaak onderwerp op de ouderavonden.

Ik weet niet of die aandacht er nog steeds is of dat we na al die jaren – nieuwe generaties leerkrachten, zelf ook opgegroeid met TV, – het allemaal sluipenderweg normaal zijn gaan vinden of dat alle commotie van wat er 30, 40 jaar geleden over werd gezegd en voor gewaarschuwd, door de feiten, de tijd, is ingehaald.

In mijn ‘archief’ zitten nog een aantal artikelen over dit onderwerp.
Ze zullen hier in de loop van de tijd verschijnen. 

Karikaturen, flitsend stuntwerk en ‘grappige’ scènes:

Sesamstraat, een aanslag van de televisie op de kleuter

Op 4 januari* start de Nederlandse Omroep Stichting (NOS) met de uitzendingen van de bewerkte Amerikaanse kinderserie ‘Sesamstraat’. In samenwerking met de Belgische omroep BRT zullen op zondagmiddagen twintig afleveringen worden uitgezonden van dit spelverlammende ‘bedenksel’ van volwassenen, vervaardigd met minachting voor de eigen creativiteit van het kind.

In 1960 werd John F. Kennedy tot president van de Verenigde Staten gekozen, een tijdperk van doelbewust streven naar beëindiging van rassendiscriminatie treedt in. En het onderwijs wordt daarbij het eerst ingeschakeld. De zogenaamde Headstart-programma’s worden ontworpen. Deze hebben tot doel kinderen die door hun afkomst en woonsituatie bedreigd worden in hun ontwikkeling, dezelfde scholingskansen te geven als andere Amerikaanse kinderen.

In Nederland zijn, ondanks het feit dat de Headstart-programma’s niet effectief bleken te zijn, soortgelijke programma’s ingevoerd — bijvoorbeeld door pedagogen van de Rijksuniversiteit te Utrecht — bestemd voor kinderen uit bepaalde bevolkingsgroepen. Er werd niet bij vermeld waar de oorsprong van de programma’s lag: in de negerghetto’s van de Amerikaanse steden.

Het is niet verwonderlijk dat dergelijke programma’s op de lange duur geen resultaat afwerpen. De toegepaste methode is van behavioristische aard: prikkel—reactie—methode. Dressuur waarbij aan persoonlijkheidsontwikkeling heel weinig aandacht wordt geschonken.

Er zijn twee punten die in de geschiedenis van het behaviorisme opvallen.

1. Het behaviorisme vierde in Amerika hoogtij ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Watson, de grondlegger, was van 1908 tot 1920 hoogleraar in de experimentele en vergelijkende psychologie aan de universiteit te Baltimore.

2. Na 1945, toen de vrede in Europa hersteld werd, was Amerika nog tot voor zeer kort een oorlogvoerende natie.

Het is opmerkelijk dat vooral tijdens de twee wereldoorlogen het behaviorisme als onderwijs- en opvoedingsmethode werd toegepast. Het is een vorm van opvoeding waarbij kritisch en zelfstandig, creatief denken van de op te voeden mens tot een minimum beperkt blijft. De grondgedachte is dat het gedrag van mensen wordt bepaald door zijn omgeving; men kan dus zelf niet zijn gedrag bepalen. Is nu de ‘omgeving’ van mening dat een bepaald gedrag afwijkt, dan kan dit gecorrigeerd worden. Dat deze vorm van opvoeding toegejuicht en gestimuleerd wordt door bepaalde regeringen, betekent dat de politiek zijn intree in het onderwijs doet.

Het is onder bepaalde omstandigheden gemakkelijk als mensen geen vragen stellen en als ze geleerd hebben eenvoudig te doen wat hen wordt opgedragen.

Toen bleek dat de Headstart-programma’s in Amerika op de scholen niet het succes hadden dat men had gehoopt en verwacht, werd de televisie ingeschakeld. Aangezien de meeste kinderen in de ghetto’s van de steden niet naar school gaan, maar wel televisie kijken, leek dat het medium om deze groep te bereiken.

Wetenschapsmensen en filmproducenten hebben in een drie jaar durende studie het project ‘Sesamstreet’ voorbereid. Bij onderzoekingen naar reclamespots bleek dat de kinderen deze wervelende, kort durende flitsende acties waarderen. Hierdoor ontstond de gedachte: als kinderen door trucjes aan het leren gebracht kunnen worden, dan zullen kinderen ook hierdoor aan het leren worden gebracht.

De serie is aanvankelijk voor de Amerikaanse kijkgewoonte gemaakt en dus speciaal voor kinderen uit sociaal benadeelde milieus. Het zijn specifieke Amerikaanse conflicten die in Sesamstreet worden uitgebeeld. De werkelijkheid zoals de maker hem ziet en de fantasiewereld lopen door elkaar heen: zwarte, bruine, gele en blanke mensen leven hier samen met fantasiedieren van pluche en vilt, zonder rassen- en/of maatschappelijke problemen.

De kosten bedragen 20 miljoen dollar, en het programma wordt vanaf november 1969 in 275 uitzendingen van 1 uur uitgezonden.

De sterren uit deze show heten Ernie en Bert, de reuzenvogel Bibo (2,95m groot), Kermit de kikker en Oskar de smeerpoets, die ongewassen in zijn vuilnisbak rondboemelt. Verder zijn er nog vele wezens in het leven geroepen, die op een of andere wijze zich laten identificeren met wat het jeugdige publiek graag zien wil. De vele reacties van ouders bevestigen dit: een vader schrijft naar aanleiding van een verjaardag van zijn vijfjarige zoon: ‘Toen bij ons de verjaardag gevierd werd, hebben de kinderen ijverig hun best gedaan het kruimelmonster na te doen, wat na het feest veel schoonmaakwerk met zich mee bracht.’

Een driejarige peuter gooit steeds de vuilnisbakken om, omdat hij vuilnisbakken-Oskar niet vinden kan.

Het Sesamstaat-openingslied luidt in Duitsland als volgt-

De het dat
wie hoe wat
hoezo, waardoor, waarom
Wie niet vraagt blijft dom.

Dan komt de grote handpop Oskar in een herkenbare omgeving en toont aan een ‘echte mens’ — de witte Bob — zijn zelfgemaakte dichtmachine — die alleen gekke versjes produceert. De rondom staande kinderen kunnen woorden bedenken.

In een bakkerswinkel bedient een klein meisje, die door volwassenen steeds gepasseerd wordt, zichzelf en vertelt aan de verkoopster ‘kinderen zijn ook wel eens aan de beurt!’ Hierna volgt het lied van één tot tien, in beeld gebracht met flitsende cijfers, heen en weer schietende vormen, die op een stevig rockritme zich vergroten en verkleinen, een kleurig cijferuurwerk komt er tot slot. Nu is er een dierenfilm met neushoorns, olifanten, giraffen. Niet lang, want de neger Gordon staat te wachten met zijn bloemen. Hij demonstreert de kinderen de begrippen groot en klein. De volgende onderwerpen worden onder een vergrootglas bekeken en deze keer zijn de menselijke huid en mooie rode tomaten aan de beurt. Dan is het tijd voor een trucagefilm waarin letters door elkaar wervelen. Gelukkig komt dan ‘de grote vriend van iedereen’, Ernie. Hij leest zijn vriend Bert een verhaal voor, vol verdriet en vreugde. A leest hij met luide stem en dan zachter B, dan C en D en verder tot IJ — alleen het eind van het verhaal wil hij niet verklappen, want dan is immers de hele spanning weg. Nadat het kruimelmonster springend zijn onooglijke heksenvriendin begroet heeft, en aan de eettafel in de keuken moeder en dochter bedacht hebben dat vader en zoon ook wel eens iets in de huishouding doen kunnen, komt er een op het begin lijkend beeld van de tuimelende, hollende, zwemmende, springende kinderen met het slotlied: Waarom hebben jullie hoofd en handen Bedenken jullie zelf maar eens wat.

Terwijl heel Amerika warm begon te lopen voor deze serie, werd de markt overspoeld met Sesamstraatboeken, -puzzels, -posters, -kalenders, -tijdschriften, -letters, -cijfers, -vormen, -kleuren, -spelletjes, -grammofoonplaten, -hand- en vingerpoppen.

De helden Bert, Ernie, Oskar, Bibo en het kruimelmonster gingen op reis naar andere belangstellenden. Met als resultaat dat de serie, meestal aangepast aan het land, nu in zo’n vijftig landen vertoond wordt, zoals:
Saoedi Arabië, Zambia, Canada, Australië, Japan, Polen, Roemenië, Zweden, Spanje, Portugal en Duitsland. In Engeland wees de BBC de serie af met de motivatie: ondemocratisch en oneigen voor kinderen. Maar het commerciële tv-station ITV ging de serie wel uitzenden.

In 1972 is bij onze oosterburen de beslissing genomen om de serie uit te gaan zenden. De verschillende stations hebben samen de financiën opgebracht om 275 Sesamuren uit te zenden. Het Hans Bredow Instituut voor radio en tv werd met 1 miljoen Mark gesubsidiëerd om een wetenschappelijk begeleidingsprogramma en onderzoek te doen over het verloop en de mogelijkheden om kinderen van 3 tot 6 jaar via dit medium zich te laten beïnvloeden.

In maart ’72 was de groep klaar met de eerste opzet waarin rekening was gehouden met de leeftijd van deze kinderen en met het leerprogramma dat er op de lagere school werd gebruikt. ‘Dit Duitse Sesamstrasse,’ zo formuleerde het team, ‘wil creatieve en cognitieve vaardigheden zo ontwikkelen dat tegelijk een mogelijkheid ontstaat sociale vaardigheden te leren. Ook op het gebied van leren, talen, wiskunde, vakkennis, is steeds rekening gehouden met het doel sociale vaardigheid en creativiteit te ontwikkelen. Door middel van Sesamstreet zullen peuters en kleuters leren over rolverdeling, over het functioneren van personen en groepen, over instituties zoals ziekenhuizen, scholen, posterijen, enzovoort. Zij zullen het waarnemen beoefenen, de verbanden tussen oorzaak en gevolg in de natuur en techniek leren onderzoeken.

Door Sesamstrasse zullen kinderen vooral leren eigen interesse te herkennen, zelfstandig bezig zijn, kritisch en oordeelsvaardig te worden, samen te werken en met conflicten te leren omgaan en ze op te lossen, zich van verbale en niet-verbale communicatievormen te bedienen.

Het wenskind van de Sesamstreet is een verantwoordelijk, bewust, en in iedere situatie zelfstandig kind, dat in staat is, levenssituaties zo goed mogelijk te hanteren’, aldus het team.

Zo wordt er bijvoorbeeld ook informatie gegeven over hoe kinderen elkaar kunnen helpen, hoe ze conflicten met kinderen van gastarbeiders kunnen oplossen en waarom ouders zich niet naakt aan hen willen laten zien.

Hoewel de Vara de serie moest laten vallen omdat deze omroep niet in staat was iedere dag een aflevering te verzorgen, is de NOS wel van plan de serie uit te gaan zenden. Op 4 januari gaat de Nederlandse Sesamstraat van start. Voorlopig worden er 20 afleveringen uitgezonden op de zondagmiddagen, in samenwerking met de Belgische omroep BRT.

Regisseur Frank Diamand heeft een bewerking gemaakt van de oorspronkelijke versie. Een deel van het Amerikaanse materiaal zal worden nagesychroniseerd, terwijl naast het basismateriaal nieuwe figuren worden geïntroduceerd. Deze nieuwe rollen worden gespeeld door Alexander Pola, Ruud Jans, Adèle Bleoemendaal, Saskia van Schaik en een zevenjarig meisje. Er is ook een Nederlandse entourage genomen.

Diamand: ‘Amsterdam Noord, omdat dit gedeelte zowel het karakter van een dorp als van een stad heeft.’

Doordat deze serie volgens Diamand vooral op het leerproces gericht is, is het niet moeilijk er een Nederlands programma van te maken. Het enige grote verschil is volgens hem dat in Nederland 80 pct van de vierjarige kinderen en 90 pct van de vijfjarige naar de kleuterschool gaan. Terwijl in de VS dat percentage nauwelijks boven de 25 uitkomt.

Er start ook een wetenschappelijke begeleiding. Het wetenschappelijke onderzoek wordt in Nederland verricht door prof dr D. Kohnstamm door de vakgroep ontwikkelingspsychologie van de Leidse universiteit.

In België werken de afdelingen ontwikkelingspsychologie van de universiteit in Gent en het centrum voor jeugdonderzoek aan de Leuvense Universiteit mee. Ook de afdelingen kijk- en luisteronderzoek van de NOS en BRT doen mee aan het onderzoek.

Eens per veertien dagen zullen studenten bij gezinnen thuis tijdens de uitzendingen waarnemingen verrichten. Tijdens en na de serie maken de deelnemers aan het onderzoek in groepjes een inhoudelijke analyse van het programma, die gebaseerd zal zijn op de waarnemingen, de doelstellingen van de programmamakers en de kritiek in de pers. Sesamstraat heet een poging om de democratisering van het onderwijs een stapje verder te brengen.

In 1960 is een commissie de problematiek gaan bestuderen van de ontbrekende aansluiting kleuteronderwijs-lager onderwijs-voortgezet onderwijs. Deze commissie kwam onder andere tot de slotsom dat het lager onderwijs zijn functie als eind-onderwijs heeft verloren. Ieder kind volgt na deze school de een of andere vorm van onderwijs. Omdat het basisonderwijs dus geen eindonderwijs meer is, kan bepaalde leerstof beter verschoven worden naar het voortgezet onderwijs ‘ter voorkoming van overlading en om te vermijden dat leerstof aan de orde wordt gesteld, waarvoor leerlingen nog niet rijp zijn.’
Vreemd is het dan wel, dat er ook taken van het basisonderwijs naar beneden worden verschoven, naar het onderwijs voor kleuters en peuters.

Er staat: ‘Het doel van het kleuteronderwijs is de algehele groei van de kleuter te begeleiden in een speel- en werksfeer, en hem elementaire instrumentele vaardigheden te leren hanteren; het leerdoel is de beheersing van het aanvankelijk lezen, het schrijven en het voorbereidend rekenen tot de daartoe vastgestelde niveaus’.

Wat de commissie de basisschoolkinderen dus besparen wil: ‘leerstof aan de orde stellen, waar de kinderen nog niet rijp voor zijn’ propageert zij wél voor kinderen die nog jonger, minder rijp en minder weerbaar zijn.

Gevolgen

Dit rapport met zijn leerdoelen voor het kleuteronderwijs heeft onrust en onzekerheid gebracht bij de kleuterleidsters, die dit ook overbrachten op de ouders van de hun toevertrouwde kinderen. Velen kregen het gevoel hun kinderen tekort te doen en trachten dit te compenseren door allerlei leermiddelen in de vorm van spelletjes in school en huis te halen. Er wordt minder waarde gehecht aan het spel van het kind zelf. De tendens om kinderen zo vroeg mogelijk datgene te leren wat ouders of leerkrachten nuttig vinden in de strijd om het bestaan en voor het bereiken van een zekere sociale status ‘een mooie positie’ zoals dat heet.

In het gezin horen kinderen vaak dat ze fijn moeten gaan spelen op het moment dat de volwassenen rust willen hebben. Op school grijpen veel kleuterleidsters, onzeker of ze de kinderen wel genoeg leren, naar een soort receptenboekje dat de begeleiding vormt bij allerlei verschillende ‘werkbladen’. De leidster is bij elk lesje zelf in actie, terwijl de kinderen toekijken en het voorgesprokene nazeggen of het streepje bij die ene moeten zetten die anders is. Spelen met een bal, verstoppertje spelen in huis, kijken naar wormpjes, steentjes gooien in een plas zijn speelvormen die onze hedendaagse peuter en kleuter praktisch niet meer kennen. Bovendien is het levenstempo om de kinderen heen dermate gejaagd dat een volwassene het kind al gauw sommeert ‘iets te gaan doen’ of te gaan spelen als het diffuus voor zich heen wat zit te rommelen met wat zand, een stokje of wat het toevallig in de vingers heeft.

Hildegard Hetzer zegt in haar boekje ‘spel en speelgoed’ dat volop spel in de eerste levensjaren betekent dat er een gezonde basis wordt gelegd voor een gezond leven als volwassene. ‘Als heden ten dage vele volwassenen geestelijke moeite hebben met het leven, dan ligt dat niet in de laatste plaats daaraan, dat zij de mogelijkheid van uit het spel gegroeide levenshouding niet gekregen hebben,’ zo zegt de schrijfster.

Spelverlamming treedt op als het kind te vroeg betrokken wordt in het leven van de volwassenen en als het te vroeg verantwoordelijkheden krijgt te dragen, die te zwaar zijn voor een kind op deze leeftijd. Ook verkommert het spel als volwassenen ‘nuttig bezig zijn’ belangrijker vinden dan spelen. Wie in het spel openlijk of steelsgewijs opvoedingsdoeleinden inlast, doorkruist de bevrijdende, ordenende en verrijkende functie die spel heeft. En zo blijft de spelbehoefte van jonge kinderen in vele gevallen onbevredigd, met vele gevolgen vandien, die helaas veelal niet als zodanig herkend worden.

De symptomen van het speltekort laten zich ook onder andere voelen in het basisonderwijs door gedrags- en concentratiestoornissen, begripsarmoede, neurotisch gedrag doordat bepaalde, natuurlijke ontwikkelingsspanningen niet in het spel hun ontlading vinden.

De gangbare ontwikelings- en compensatie-programma’s hebben duidelijk de tendens deze symptomen te bestrijden, terwijl zij voorbij gaan aan de oorzaak van deze kwaal.

De Sesamstraat-serie met zijn ‘grappige’ scènes, komieke situaties, karikaturale poppen en figuren, is in wezen een zuiver behavioristisch getinte onderwijs ‘missie’! Door alle scènes heen wordt telkens één stukje reële leerstof gegeven, bijvoorbeeld de hoeveelheid ‘drie’ met allerlei objecten die getoond worden, waarbij de hoeveelheid wordt genoemd en het cijfer omhoog wordt gehouden. Volwassenen vinden het prachtig en uiteraard de kinderen ook (onbewuste overdracht van volwassene op kind).

Maar de informatie die gegeven wordt en de wijze waarop dit gebeurt, is ouderwets: het kind kijkt passief toe bij wat er gebeurt en getoond wordt. Het kind krijgt zelf niets in handen, het beleeft de hoeveelheid drie op deze wijze niet als de eigenschap van een verzameling die hij zelf in allerlei vormen en samenstellingen kan hanteren en manipuleren. Creatief werkzaam zijn is er niet bij.

Het tempo waarin een en ander zich voltrekt is voor veel jonge kinderen te hoog en wekt verwarring. De orginaliteit ‘doet’ het echter bij het grote publiek, dat niet ziet, hoe hier rechtstreeks een stukje dressuur gegeven wordt. Dressuur heeft niet de minste waarde voor de persoonlijkheidsvorming van het kind.

Gelijke kansen voor iedereen, democratisering van het onderwijs — wat hebben kleuters aan deze leuzen als vele wetenschapsmensen die programma’s voor hen maken de ontwikkelingsvoorwaarde: het spel, terzijde schuiven? Een kind moet spelen. Men kan met evenveel succes een merel het fluiten proberen af te leren als het kind het spelen. Het kind speelt van nature de wereld der volwassenen na. Het spelen kan irriteren als men zelf niet in de stemming kan komen om mee te spelen of als men niet in staat is om zich in de spelsituatie van het kind te verplaatsen en zijn dartelende, dynamische gedachtegang te volgen. Thuis, en in de peuter- en kleuterschool, waar nog geen ‘werk’ verplicht mag zijn, moeten kinderen volop de gelegenheid hebben om binnen of buiten naar eigen verkiezing wekenlang telkens vader en moeder te spelen, of met water of met blokken te spelen. Tot het kind is verzadigd en naar een voor hem andere interesse of activiteit grijpt.

Gezien het feit dat het kind in zijn spel allerlei ervaringen opdoet, begrippen en vaardigheden opdoet die nodig zijn voor een gezonde persoonlijkheidsontwikkeling en een normale ontplooiing van de verstandelijke aanleg, zouden vele moeilijkheden met leren en gedrag kunnen worden toegeschreven aan het tekort aan spel in de eerste zeven levensjaren. Spel, wel te verstaan, dat spontaan door het kind wordt gespeeld zonder
beïnvloeding door bedenksels van volwassenen. De tendens om het kind van jongs af in z’n ontwikkeling te beknotten en later als dat moeilijkheden teweegbrengt bij het ‘leren’, alarm te slaan en kostbare maatregelen nodig zijn om de hiaten op te vullen, doet vreemd aan. De vergelijking dringt zich op met een volk dat eerst kinderen in veel te kleine bedjes laat slapen zodat ze krom en scheef groeien om en dan, als ze eenmaal iets moeten presteren, van een ‘rechtophouder’ te voorzien om hen te leren rechtop te lopen.

De enige manier waarop wij kinderen [hiaat in artikel] is door ze de ruimte en de mogelijkheid te geven om te spelen, ook op zondagmiddag.

Marijke Roetemeijer, Jonas 8/9,*19-12-1975

Spel: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

1705

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (42)

.

Aantal kinderen met autisme explodeert. Dit is waarschijnlijk de oorzaak

 

De psychiaters: speel met je kinderen, bouw een zandkasteel of maak een tekening, maar laat ze alsjeblieft niet de hele dag naar een scherm turen.

.

Peuters-kleuters: alle artikelen

Spel: alle artikelen

Opspattend grind  [16]   [19]   [29]

Opspattend grind: alle artikelen

.

1283

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.