Tagarchief: televisie

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-5/2)


.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen.
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd:

.

Mr.R.M.H.Houwink in ‘De Vacature’, maand?  1976

Enige opmerkinger over het TV-kijken door onvolwassenen

Eer wij nader ingaan op bovenstaand onderwerp moeten wij vaststellen, dat helaas een toenemend aantal naar hun leeftijd volwassenen, psychisch – maar in het bijzonder emotioneel – de volwassenheid niet hebben bereikt.

Het is duidelijk, dat hierdoor het gevaar van de tv als accumulator van het agressieve driftleven aanzienlijk is toegenomen.

Toch menen we, dat de jeugd het meest te lijden heeft van de vele tv-programma’s, die op de beeldbuis komen en waarin het geweld domineert.

Misschien is het goed, vooraf een onderscheid te maken tussen de prepuberale en de puberale onvolwassenen.

De eerste groep mist als zodanig elk redelijk onderscheidingsvermogen ten aanzien van de reële of gefingeerde gewelddadigheden, die op het scherm verschijnen.
Hoe jonger zij zijn des te ontvankelijker zijn zij voor de angstgevoelens, die deze schrikbeelden bij hen opwekken. En men weet, dat verschijnselen van agressie op latere leeftijd terug te voeren zijn tot in het onderbewuste weggedoken kinderangsten.

In dit verband dient terloops gewezen te worden op het verschil in werking van voor kinderen bestemde televisieverhalen tussen vier- en zevenjarigen.

De grote angstogen van vierjarigen zijn mij bijgebleven tegenover de pretogen van zevenjarigen bij het kijken naar dezelfde uitzending!

Globaal betekent dit, dat in de prepuberale fase angstgevoelens bij het tv-kijken overwegen, ook bij de meeste voor die leeftijd bestemde uitzendingen, omdat de makers zich niet hebben kunnen inleven in de verbanden, die het jonge kind legt tussen de diverse figuren en gebeurtenissen en daarbij ten behoeve van het kind niet corrigerend kunnen optreden.
Zoals dat in het gezin of op de kleuterschool wél mogelijk is; waar een groot aantal dreigende misverstanden, eer zij zich hebben vastgezet in de kinderziel, uit de weg kunnen worden geruimd.
Dit uiteraard alleen door attente en „verstandige” ouderen. Men denke aan o.a.: de dood, Sinterklaas, (nog altijd !) de ooievaar.

Maar als de ouders deze televisie-uitzendingen niet óók zien of in hun gezin niet díe sfeer hebben weten te creëren, die ook de jongste kinderen gelegenheid geeft, om onbevangen met hun vragen voor de dag te komen, dan is de kans groot, dat deze jonge kinderen „hun” conclusies uit het aanschouwde trekken en dat zullen uiteraard meestal verkeerde conclusies zijn, omdat zij niet over de noodzakelijke ervaringskennis beschikken, die hen in staat stelt, verbeelding en werkelijkheid te onderscheiden.

Voor de zevenjarigen en ouderen geldt over het algemeen, dat zij tot de puberteit vooral behoefte hebben aan „werkelijkheid”, d.w.z. aan ontmoetingen met de wereld, waarin zij leven.
Het oeverloos vragend „waarom” heeft plaats gemaakt voor het doen van eigen ontdekkingen en daarbij behoort, via film en tv, ook de wereld van het geweld.

De imitatie-drang van het kind, waaraan het voor zijn ontwikkeling zoveel te danken heeft, kan helaas pathologische vormen aannemen.

Dat gebeurt overal daar, waar geen gezond en normaal gedragspatroon in het gezin is (wordt) opgebouwd en de ouders hetzij uit onwetendheid, onverschilligheid, of door een verkeerd begrepen autoritaire opvoeding het kind loslaten in een vorm- en normloze ruimte, die dan zijn „levensruimte” wordt (of heet).

Overal, waar het kind in deze woestijn terecht komt, zal het als reactie op de leegte, waarin het zich bevindt tot dwangmatig handelen komen en zo is de kans groot, dat de imitatie-drang verandert in imitatie-dwang.

Een afschuwelijk voorbeeld hiervan speelde zich af, ongeveer twee maanden geleden, in het plaatsje Kevelaer, een vermaard bedevaartsoord in West-Duitsland.

Twee meisjes van dertien en veertien jaar vermoordden er in koelen bloede, zoals dat heet, een jongetje van zeven. Bij het onderzoek bleek, dat zij tot hun daad gekomen waren door het zien van een groot aantal misdaadfilms. Vóór de moord zagen zij nog „Une partie de plaisir” van Claude Chabrol.
Tot groot plezier van de jongste trapte daarbij de hoofdpersoon de schedel in van zijn gescheiden vrouw.

Natuurlijk hebben wij hier te maken met een exces, terwijl de oudste van het tweetal bovendien geestelijk niet volwaardig bleek te zijn; hoewel juist de jongste als initiatiefneemster optrad!

Maar dit exces wijst naar het groot gevaar, dat bijna geheel onze opgroeiende jeugd via de overdaad aan z.g. „harde” tv-films bedreigt.

Deze films spelen in op de sluimerende agressieve gevoelens van emotioneel verwaarloosde jeugd; waarbij men niet vergeten mag, dat verwenning een van de ergste vormen van verwaarlozing is.

Het toenemend aantal kinderen, dat opgroeit in een milieu, waarin zij lichamelijk en geestelijk tekortkomen, veroorzaakt als het ware een stuwing van agressiviteit, die gemakkelijk exploderen kan, vooral wanneer twee of meer van deze kinderen elkaar vinden (vergelijk de destijds gerucht makende Baarnse moordzaak).

Ook later, veel later kan een dergelijke, gestuwde agressiviteit tot explosie komen. Zij verklaart ten dele de toeneming van geweld over de gehele wereld.

Onze scholen zouden zich daarover zorgen moeten maken en – het is héél véél gevraagd! – zich medeverantwoordelijk voelen voor het trieste lot van zovele jongeren, die niet leven kunnen in de verlatenheid van hun wereld en die als ze de leeftijd van dertig jaar hebben bereikt, alles hebben meegemaakt, wat zich aan hen opgedrongen heeft, van diverse soorten drugs tot diverse soorten sexuele experimenten toe.
En die dan leeggeroofd achterblijven met zichzelf in situaties, die voor velen hunner feitelijk niet meer leefbaar zijn.

Nu het gezin als primair opvoedingsmilieu steeds meer faalt – daarvan mogen wij de ouders zeker niet alleen en niet in de eerste plaats de schuld geven) -, dient de school als tweede opvoedingsmilieu steeds meer in functie te treden en zich niet langer uitsluitend vast te leggen op haar onderwijzende taak.

De consequentie hiervan is: individuele begeleiding van het kind, dus kleinere klassen; een verzwaring van de taak van hen die onderwijs geven, méér geld nodig voor minder éclatante prestaties.

Daartegenover is maar één alternatief, dat dreigend naderbij komt: staatsscholen, gebaseerd op een onveranderlijke ideologische basis, waarbij het met onze geestelijke vrijheid is gedaan. Linkse of rechtse partijdiscipline.

Het lijkt sommigen een uitkomst, die moe zijn geworden van het ongrijpbare, chaotische leven, waarin wij onze kinderen zien opgroeien, zonder persoonlijke idealen en zonder enig persoonlijk verantwoordelijkheidsbesef.

De tv met haar sterk commerciële inslag, waarbij hoofdzakelijk gelet wordt op wat het doet bij een zo groot mogelijk aantal kijkers, volgt rustig haar harde lijn van simpele of meer geraffineerde geweldplegingen, die de volwassenen ondergaan als een soort van bevrijdende voldoening van de in hen sluimerende sadistische neigingen, doch die maar zelden bij psychisch normalen tot navolging zullen prikkelen en als zodanig als „onschuldig” gelden.
Daartegenover staat het kwalijke effect, dat deze misdaadfilms en bepaalde reportages hebben op de talrijke onevenwichtige jongeren, die aan wat zij op het scherm zien de vrijheid tot imitatie ontlenen.
Wie vele malen op de beeldbuis heeft gezien, hoe iemand in elkaar geslagen wordt, heeft een drie glazen bier genoeg om hetzelfde te doen, wanneer men zich van elke verantwoordelijkheid voor het leven van een ander heeft ontdaan.
Het is volstrekt onnodig, dat men zijn slachtoffer kent, ofschoon z.g. „wraak-acties” aan de orde van de dag zijn.
Een lichte alcoholroes is voldoende, om het laatste vleugje „cultuur” weg te blazen. En het onbeperkt machtsbesef van het moment bevredigt – voor dat moment! – lange, donkere jaren van onbegrip en lichamelijke en geestelijke verwaarlozing, samen te vatten als onherbergzame liefdeloosheid.
De vensterloze agressiviteit drijft ontelbare jongeren in de fuik der criminaliteit, voorzover zij niet aan ongelimiteerd druggebruik ten gronde gaan.

Wij menen, dat de televisie voor een niet onbelangrijk deel schuld draagt aan deze onttakeling van de jeugd en te weinig rekening houdt met de gevolgen van de amusementsprogramma’s, die zij biedt en waarbij het geweld maar al te vaak op de voorgrond staat. Overigens willen wij met nadruk vaststellen, dat naar haar oorsprong de jeugdproblematiek weliswaar heel eenvoudig ligt, maar dat de gecompliceerdheid van haar uitwerking en aanpak zo moeilijk is, dat het onjuist en in hoge mate onbillijk zou zijn aan welke afzonderlijke instanties ook de schuld te geven.

Wij hebben hier te maken met een maatschappelijk probleem van de eerste orde, dat ons allen aangaat en dat alleen zo goed mogelijk kan worden opgelost door samenwerking van alle betrokken instanties. En helaas is het zo ver nog lang niet.

Maar omdat de school als tweede opvoedingsmilieu, en ook door haar relatie met de ouders, hier een belangrijke taak heeft, meenden wij er goed aan te doen een van de actuele knelpunten van deze zaak naar voren te brengen.

‘) Vgl. Dostojewsky: „Chacun de nous est coupable devant tous, pour tous et pour tout.”

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1911

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-5/4)

.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen.
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd:

 

TV-kind leest beter, maar begrijpt minder

.

Mirjam Schöttelndreier in de Volkrant van 16-01-1993

Televisie kijken blijkt een positieve invloed te hebben op het leesgedrag van kinderen. Dat wil zeggen op het technisch lezen, het snel omzetten van letters in woorden. Het begrijpend lezen loopt daarentegen wel gevaar, vooral wanneer boeken toch al niet de grote hobby zijn.

Het IS GEEN WONDER dat veel ervaren tv-kijkers van rond de acht jaar terughoudend zijn om zich nog een nieuwe, gecompliceerde hobby als lezen aan te wennen. Want vanaf twee jaar kunnen kinderen al tv-kijken.
Jaren vol Mini-Playbackshow, het Rad van fortuin, Sesamstraat en The Simpsons gaan dus aangenaam voorbij, voordat op school opeens dat andere kunstje, lezen, wordt aangeleerd.

Op achtjarige leeftijd beheersen de meeste kinderen het lezen van een boek pas als zelfstandige activiteit. En dan nog laat het Jeugdjournaal zich makkelijker bekijken dan het nieuws zich in de krant laat lezen.

‘Goede lezers gaan gaandeweg minder tv kijken en meer lezen, terwijl zwakke lezers juist steeds meer televisie gaan kijken en boeken steeds vaker ongelezen laten.’

Die niet zo onverwachte conclusie kon C. Koolstra, onderzoeker bij de sectie Kind en Media van de Leidse Rijksuniversiteit, trekken nadat hij drie jaar lang duizend kinderen van basisscholen in Zuid-Holland in hun lees-en kijkgedrag had gevolgd.

Wie nu opgelucht de stelling bewezen ziet — en daarvoor hoeft men geen belijdend lid van een zwarte-kousenkerk te zijn — dat de televisie een duivel is, krijgt van Koolstra geen gelijk. Want de televisie, beschouwd als spelbreker bij de overdracht van het betere culturele erfgoed, blijkt ook positieve invloed te hebben op het leesgedrag van kinderen. Het technisch lezen, het snel omzetten van losse letters in woorden, gaat er namelijk door vooruit.

Koolstra: ‘Kinderen die veel tv kijken, lezen steeds minder boeken en gaan ook slechter lezen. Maar dan gaat het vooral om de aantasting van het begrijpend lezen. Het technisch lezen wordt juist beter, doordat de Nederlandse televisie de gewoonte heeft buitenlandse films niet na te synchroniseren. De ondertiteling vereist van kinderen dat ze snel lezen. En kinderen blijken, zo wijst weer ander onderzoek uit, die ondertiteling vanzelf bij te houden als ze geboeid zijn door een film of programma.’

Koolstra heeft met zijn onderzoek, waarop hij pas na de zomer zal promoveren, niettemin toch vooral het bij onderzoekers langer bekende Mattheüs-effect gemeten.

In de bijbelse vergelijking verlaat een man op zekere dag zijn bedrijf. Hij geeft een van zijn slaven dan een groot geldbedrag, een andere slaaf blijft met een iets kleiner bedrag achter en ten slotte is er voor de derde slaaf maar een heel kleine som. Na jaren keert de baas terug. Hij treft zijn goedbedeelde slaaf aan, die het is gelukt, zijn kapitaal te verdubbelen. Ook de slaaf met het middenbedrag wist zijn bedrag te verdubbelen. Maar de slaaf die weinig ontving, blijkt zijn geld al die tijd onder de grond te hebben verstopt en er niets bij te hebben verdiend.

Koolstra: ‘Kinderen die plezier in het lezen hebben, doen het in technisch en begrijpend opzicht goed. Zij laten geleidelijk aan de tv nog wel eens voor wat hij is, ze lezen meer en gaan er in vaardigheid op vooruit. Dat geldt niet voor zwakke lezers, die in beide opzichten weinig succesvol zijn. Hun vaardigheid gaat alleen maar achteruit. Net als in de Mattheüs-vergelijking beginnen ze met weinig en eindigen met nog minder dan de anderen.’

De onderzoeksresultaten zijn niet spectaculair te noemen. Maar toch stemt het Koolstra tevreden dat in Nederland eindelijk dit type onderzoek is gedaan. ‘De bezorgdheid over de negatieve invloed van de televisie op de jeugd is groot en er bestaan talloze vooroordelen over.’ De behoefte aan degelijk onderzoek was groot, want tot nu toe was er niet veel meer bekend dan drie panel-onderzoekingen uit Amerika. Ook daarin werden groepen over een langere periode gevolgd. Maar eigenlijk hadden maar twee onderzoeken betrekking op kinderen. ‘Overigens: ook hier waren de effecten van de tv op het leesgedrag genuanceerd te noemen.’

In 1955 vormde de jeugd tussen de 12 en 17 jaar de kopgroep bij de landelijke woordconsumptie. In de avonduren en het weekeinde besteedden jongeren gemiddeld liefst 3,1 uur aan het lezen van boeken, zo stelde het CBS destijds vast. Maar met de massale entree van de televisie in de huiskamer in de periode 1955 tot 1962, waarin het tv-toestel oprukte van 0,1 procent van de huishoudens naar 50 procent, duikelde ook het aantal leesuurtjes met de helft. In 1985 — de jeugd onderscheidde zich in boekenliefde al lang niet meer van de overige bevolking — werd er gemiddeld nog maar 1,4 uur per week in een boek gelezen.

‘In die tijd was er echt sprake van een omslag van een leescultuur naar een kijkcultuur. Zulke verschillen kunnen wij natuurlijk niet meer meten. Nu draait het om generaties die zijn opgegroeid met de tv en zijn de veranderingen nog maar heel klein.’ Opmerkelijk is dat uit het Leidse onderzoek blijkt dat het voor het leesgedrag — van kinderen tussen 8 en 12 twaalf jaar —niet uitmaakt welk soort programma’s ze bekijken: informatieve programma’s verminderen het lezen net zoveel als het bekijken van soap of andere vormen van licht verteerbaar amusement.

Jongen of meisje, hoog of laag milieu, heel slim of stukken minder begaafd: de Leidse metingen laten geen enorme verschillen zien buiten dat ene en allesoverheersende onderscheid: dat goede lezers meer gaan lezen en beter worden en slechte lezers minder gaan lezen en minder vaardig worden. Wel werden in het onderzoek twee van de drie eerder geformuleerde onderzoekshypothesen bevestigd.

Voor de passiviteits-hypothese, die zegt dat tv kijken kinderen ‘geestelijk lui’ maakt, werd geen bewijs gevonden. Kinderen blijken tijdens het kijken naar Meneer Kaktus of de Vijf uur show wel degelijk geestelijk actief te zijn. Weliswaar blijkt uit het onderzoek dat het tv-kijken binnen een jaar tijd de leesconcentratie vermindert, maar er werd geen bewijs gevonden dat dat kwam door een lagere mentale inspanning. De belangrijkste constatering was dat kinderen nog zeer beïnvloedbaar zijn in hun leesgedrag als ze net hebben leren lezen. Naarmate ze dat kunstje langer beheersen, worden hun leesgewoonten stabieler.

Met de anti-school-hypothese deed enige jaren geleden de Amerikaanse onderzoeker Postman veel stof opwaaien. De hypothese veronderstelt dat tv leuk is en de school derhalve minstens zo amusant moet zijn, wil het moderne kind naar school gaan en van die school-gebonden dingen doen als ‘boeken lezen’.

Deze veronderstelling werd min of meer bevestigd door de Zuidhollandse schoolkinderen. In die zin dat wie minder plezier heeft in het lezen — en dit daardoor ziet als een typisch schoolse aangelegenheid — minder boeken gaat lezen. Evenzeer bleek dat de snel wisselende beelden op tv ertoe leiden dat de zwakkere lezers, die immers meer tv gaan kijken, zich niet meer zo goed kunnen concentreren als noodzakelijk is voor het lezen. Waarmee de
concentratieverminderings-hypothese werd bevestigd.

Volgens Koolstra valt uit de belangrijkste bevinding van het onderzoek nog wel een mooie les te trekken. ‘Het is van doorslaggevend belang dat kinderen goed, technisch en begrijpend leren lezen. Kinderen thuis zomaar laten lezen, in het geloof dat veel oefening kunst baart, is onzin. Goed leren lezen in een gevoelige periode is cruciaal. Alleen als je er lol in hebt, blijf je lezen.’

.

Opvoedingsvragen over tvonder nr. 19

Nabootsingartikelen

.

1880

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-6)

.

In de jaren negentienzeventig was televisie voor kinderen sterk in opkomst. 
In steeds meer gezinnen kwam er een toestel te staan. Het aantal programma’s nam toe, het aantal uitzenduren eveneens.

Er werden kinderprogramma’s gemaakt en daarmee ontstonden ook vragen en kritische kanttekeningen: wat is dan geschikt voor kinderen, wat hebben ze eraan, is het schadelijk enz. enz. 

Ook op de vrijescholen werd er over gediscussieerd. Daar immers werd (wordt) o.a. geprobeerd kinderen vanuit kunstzinnigheid iets aan te leren; op een fantasievolle manier. Veel programma’s waren juist het tegendeel van ‘kunstzinnig’ of ‘fantasievol’ – veel fantasterij en karikatuur voerden de boventoon.

Er verschenen vele artikelen in de media, maar ook op schoolniveau in de schoolkranten en de TV was vaak onderwerp op de ouderavonden.

Ik weet niet of die aandacht er nog steeds is of dat we na al die jaren – nieuwe generaties leerkrachten, zelf ook opgegroeid met TV, – het allemaal sluipenderweg normaal zijn gaan vinden of dat alle commotie van wat er 30, 40 jaar geleden over werd gezegd en voor gewaarschuwd, door de feiten, de tijd, is ingehaald.

In mijn ‘archief’ zitten nog een aantal artikelen over dit onderwerp.
Ze staan onder Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19
.

F.Wedekind, nadere gegevens onbekend
.

 Tv. tv. tv. tv. tv. tv. tv. tv. tv. tv.

Er werd me gevraagd een stukje te schrijven over tv. Eigenlijk weet ik er niet zoveel van. Zo’n tv is een voor mij onbegrijpelijke technische aangelegenheid. We hebben nu eenmaal heel wat technische apparatuur in huis, dat handig is en goed werkt.

Maar bij tv is de vraag, of het gebruik ervan goed is voor kinderen. Voortdurend gebruik door kinderen doet hun zintuigen, fantasie en blijdschap afstompen. Wanneer zintuigen, fantasievermogen en vermogen tot het ondervinden van vreugde slechter worden, hoe moet het dan wanneer deze kinderen zestig jaar zijn? Hebben ze ooit deeg gekneed, in de aarde gegraven, iets met plezier gemaakt en ontworpen? Het wordt hun probleem en het is onze zorg. Wanneer ik over de tv nadenk, herinner ik me nog, dat ik bij de buren mocht kijken. Doodmoe kwam ik daarna thuis, ik had pijn aan mijn ogen, ik had geen eetlust, maar ik zei er niets van tegen mijn ouders en vriendinnetjes. Ik wist niet, dat alles van die tv. kwam.

Je wilt als kind niets missen, je wil eigenlijk alles hebben, zien, vastpakken en weten.

Maar we weten langzamerhand allemaal, dat de tv helemaal niet goed is voor nog onontwikkelde ogen van kinderen in de groei. Zo heeft men waargenomen, dat de pupillen van de ogen niet meer groter of kleiner worden..Een verstarring is dat.
Ja, zo is er meer met de tv-beelden.

– de beelden zijn te vlak, er is geen diepte
– de beelden kunnen niet worden herhaald
– de lichtflitsen zijn te snel
– de meeste stukken zijn niet om over na te dromen
– geen verhaal is mooi afgerond, alles is fragmentarisch en brokkelig, ook door z.g. vervolgverhalen
– de hersens en de ogen hebben te veel te verwerken.

Nu weet men wel, dat kinderen graag een verhaal met een inleiding, een kern en een afsluiting als ritmisch geheel beleven. Wanneer je een kind bij de tv ziet zitten, kan men een zekere verharding waarnemen. Niet bij alle kinderen, maar het kan bij hen nog komen. Let u eens echt op, hoe uw kind vóór, tijdens en na het tv-kijken is, in bed ligt en zich gedraagt. Let u daar eens een paar keer op, zie uw eigen kind én de tv; en u gaat dingen ontdekken.

Vertelt men een kind zelf een fijn verhaal, treedt bij het kind een rustige spanning en aan het eind een gezonde ontspanning op. Het kind kan in die toestand alles opnemen, het neemt uw stem en gebaren waar. Dat geeft rust en dat heeft het kind nodig: mens-mens-contact.

Bij het tv-kijken komt er een spanning om het kind, het wordt geboeid door geluid, kleur en beeld, die echter geen echt geluid, natuurlijke kleur en beeld zijn. Alles is mechanisch. Het kind is star in de ban ervan: het gaat niet naar de wc, het drinkt wel, proeft niet en eet niet. Het houdt a.h.w. alles vast.

Geen warmte en geen bloei is om het kind heen.

Ik hoop, dat u begrijpt waar ik heen wil. Wij moeten in onze cultuur het kind juist helpen om niet te vroeg door de techniek ingepakt te worden. Het kind moet niet van apparatuur leren, het moet van de mens leren en innerlijk echt bewegende, sprekende en denkende wezens mee-beleven. Niet zozeer het drukken op knopjes en omzetten van handletjes.

Wij geven de kinderen sprookjes.Probeert u zelf eens Roodkapje te lezen en te vertellen. Je bemerkt, dat het verhaal, dat je al kent, je eigen verhaal wordt. De taal, de fantasie, de beelden, de oervormen uit de sprookjes bieden ritme en herhaling, maar geven ook nieuwe impulsen.

Zo’n tv is gelijk een snoeptrommel. Zien de kinderen die, dan willen ze kijken ook.

Ik raad u aan: zet de tv eens in de kast, streep iets aan, dat ze kunnen zien. Bouw de kijktijd geleidelijk af, totdat ze helemaal niet meer willen kijken. Met mijn nichtjes maakte ik mee, dat zij alles van de tv wilden zien. Toen ging de tv uit huis en ze talen er niet meer naar.
Hoe ouder ze worden, des te meer interesse ontwikkelen ze voor de buitenwereld: verzamelen, lezen, sport enzovoort.

Help ons en uzelf en uw kind door veel met eigen hand te maken. De kinderen vinden het prachtig. Vader maakt een vogelkastje: de kinderen spreken er nog dagen over.

Een tv-programma met Niels Holgerson blijkt maar heel kort gespreksstof te leveren. Dan is het weer weg.

Wanneer de kinderen aan de tv-kast bemerken, dat het etenstijd wordt … dan mag men zich zorgen maken.

Ook al zijn er nu nog geen moeilijkheden, let u goed op, het is de moeite waard.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1867

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen – tv (19-5/1)

.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen.
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd:

Roger Simons in ‘De Gelderlander’, 08-08-1989
.

‘Britse jeugd wordt crimineel door tv’

LONDEN – Sommige regio’s van Groot-Brittannië kweken doorlopend jeugdige delinquenten. Bijna de helft van de jongens worden er boeven vóór ze de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. En de tv is vaak van doorslaggevende invloed op hun karakter.

De onrustwekkende snelheid waarmee in bepaalde Britse gewesten zoveel jongens zich al vroeg schuldig maken aan misdrijven, wordt uitvoerig toegelicht in een recente regeringsstudie.

Kinderen van nauwelijks elf jaar gaan joy-riden in gestolen auto’s, zegt dit rapport. Zij plegen inbraken en nemen dingen weg uit winkels zonder te betalen. Meisjes zijn daar ook niet vies van. Zij vinden dergelijke diefstallen bijzonder opwindend.

Uit de Britse regeringsstudie blijkt, dat in Groot-Manchester zo’n 44 procent van alle jongens tussen de 11 en 16 ‘betrapte delinquenten’ zijn. Het Noord-Engelse Manchester werd voor deze studie als ‘typisch voorbeeld’ genomen. In andere Britse regio’s is het minder ernstig gesteld met de criminaliteit onder jongeren.

Nog niet

Neem nu Kirklees, een gemeente in het Noordengelse Yorkshire. Daar staan 10 procent van de jongens en 4 procent van de meisjes bekend als delinquenten. In Tendring, een gemeente in het Zuid-Engelse Essex en dus veel dichter bij Londen, bedraagt de hoeveelheid 9 en 5 procent.

Volgens deze overheidsstudie vormen geweld en drugs nog geen echte plaag onder de kinderen van Groot-Brittannië. Toch was in verband met 20 procent van de misdrijven, gepleegd door jongens van minder dan 16 jaar, sprake van bedreiging. Maar de onderwijzers van Groot-Brittannië laten, wat dit aspect van het gedrag van hun leerlingen betreft, een heel ander geluid horen.

Op het congres van de bond van Britse onderwijzers vorige week [zie datum boven] in Birmingham, hadden diverse sprekers het op de tv gemunt. Zij zijn de vaste overtuiging toegedaan, dat televisiekijken de kinderen van Groot- Brittannië corrupt en gewelddadig maakt.

Peter Dawson, gewezen hoofdonderwijzer en tegenwoordig algemeen secretaris van deze vakvereniging met 43.000 leden, stelt het populaire BBC-feuilleton ‘EastEnders’ aansprakelijk voor het huidige verval van de Britse goede zeden dat duidelijk merkbaar is, zowel onder kinderen als volwassenen. Dawson vindt dat ‘EastEnders’ niet deugt omdat de scenario’s van deze serie ‘te realistisch’ zijn en de spelers hun werk te goed verstaan.

Voorbeelden

Van ‘Dallas’ zegt hij dat ‘geen mens daarin gelooft’ maar ‘EastEnders’ wordt wel als ‘echt’ ervaren, wat volgens Dawson onvermijdelijk tot gevolg heeft dat dit feuilleton slechte voorbeelden geeft. In een toespraak verwees hij naar echtelijke ontrouw, homoseksualiteit, drankmisbruik, het gebruik van drugs, diefstal, geweldpleging (ook van man tot vrouw) en ga zo maar door.

„Niet alleen jonge kinderen maar ook volwassenen denken dat het zo hoort en dat ze dit alles moeten nabootsen,” zei Dawson. De BBC was er helemaal niet gelukkig mee. „Wij proberen precies het tegenovergestelde te bereiken,” verklaarde een woordvoerster van de omroep verontwaardigd. „Ons doel is door middel van realistische situaties de kijkers ervan te doordringen dat ze er altijd beter aan doen het rechte pad te bewandelen.”

Maar de Britse onderwijzers zijn kennelijk van mening dat tv verantwoordelijk dient gesteld voor alle kwalen van de moderne wereld. Zelfs Amerikaanse tekenfilms, zoals ‘Tom and Jerry’ en ‘Bugs Bunny’, die in hun land vrij geregeld op de buis komen, schijnen niet te deugen.

Klappen

„Heel jonge kinderen geloven dat de echte wereld precies dezelfde is als die van de tv,” zei Anne Spencer, adjunct-hoofd van een Zuidwestlondense basisschool, in een toespraak. „Hebt u die tekenfilms van tegenwoordig al goed bekeken? In mijn school zag ik een jongetje zijn vriendje klappen geven dat het een aard had.

Daarna verbaasde hij zich erover dat het vriendje op de grond lag te huilen van de pijn. De dader kon niet begrijpen waarom er iets niet in orde was met het andere jongetje. Zij speelden hun tv-helden en op de buis geeft het niet dat je elkaar platslaat, want daarna sta je toch weer op alsof er niets gebeurd is en snel je nieuwe avonturen gemoet!”

.

Opvoedingsvragen over tv. onder nr. 19

Nabootsing: artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-4)

.
Rita van Haren, Jonas 5, 30-10-1981

 

KIND EN TELEVISIE

Alleen maar verbieden heeft nauwelijks zin

Een van de voordelen van het Hollander zijn is, dat je zo gemakkelijk bij elkaar op de koffie gaan kunt, zonder daarvoor van tevoren te zijn uitgenodigd. Je hoeft niet eerst te denken ‘Wat zal ik aantrekken of meenemen’, maar kunt rustig met je oude spullen even ‘aanwippen’. Vaak zijn de gesprekken die dan ontstaan wezenlijker dan die welke op een officieel avondje worden gevoerd en kunnen persoonlijke gedachten uitgewisseld en eventuele problemen met de opvoeding van de kinderen enzovoorts, besproken worden.

In een van deze gesprekken met een vriendin dook het vraagstuk ‘televisie en kinderspel’ op. Eenieder die niet in het bezit van een televisie is en woont in een nieuwbouwwijk waar het wemelt van de kleine kinderen weet hoe moeilijk het is om jouw kind niet mee te laten kijken, terwijl hun vriendje wél mag. Om er dan ook nog zorg voor te dragen dat er niet een soort fixatie ontstaat op de televisie, juist omdat het niet mag, is eigenlijk haast niet mogelijk. Veel kinderen uit de buurt worden door hun ouders uit hun spel gehaald, wanneer op woensdagmiddag of op zaterdag het kinderprogramma begint. Zelfs wanneer het kind verdiept is in zijn spel wordt er aangedrongen totdat hij of zij naar binnen komt.

Wat moet je doen als jouw kind ook meegevraagd wordt? Een of twee keer kun je iets verzinnen om dit te voorkomen, maar daarna wordt het moeilijker. Jouw kind wordt al gauw een eenling, al was het alleen al omdat het niet op de hoogte is van wat er aan kinderprogramma’s geboden wordt. Het kan dan bijvoorbeeld gebeuren, dat de kinderen uit de buurt een film naspelen, met de nodige pistolen, pijlen en bogen. Zelfs mitrailleurs met batterijen ontbreken niet. Omdat jij het niet zo prettig vindt om jouw zoon dergelijk speelgoed te geven, is het gevolg, dat hij regelmatig met de handen omhoog tegen de schutting staat, omdat de kinderen spelen dat hij doodgeschoten moet worden en de angsten die hij duidelijk laat blijken natuurlijk ‘net echt’ vinden.

Ook wanneer je voorzichtig de ouders benadert, opdat ze misschien hun kinderen toespreken, merk je dat de aansluiting vaak moeilijk is. Je kunt dan bijvoorbeeld het advies krijgen om jouw kinderen vaker naar de televisie te laten kijken, zodat ze wennen aan doodschieten en dergelijke en hun angsten daardoor verdwijnen. Dat daarmee tevens een afstomping en een onbetrokkenheid met lief en leed van je medemensen optreden kan, en zeker bij kleine kinderen, is niet een twee drie te begrijpen.

We realiseerden ons dat het verbieden op zich nauwelijks zin heeft, maar dat je een alternatief moet scheppen, minstens zo aantrekkelijk als de televisie. Na drie koppen koffie kwam dan eindelijk de inspiratie en besloten we om voortaan de woensdagmiddag te bestempelen tot ‘gezellige middag’. Aanvankelijk was dit bedoeld voor onze eigen kinderen, maar inmiddels is het uitgegroeid tot een grotere groep kinderen en meerdere moeders uit onze omgeving, die enthousiast begonnen te worden.

Gezellige middag

De eerste middag zijn we gaan schilderen. We hebben geen van beiden een antroposofisch geschoolde schilderopleiding, maar weten wel dat ‘nat in nat’ de methode is op vrijescholen en omdat er in beide families een verjaardag in zicht was, maakten we schilderend een jaargetijdenkalender. Dit doel was voor de kinderen erg belangrijk. Toen na een uurtje het heilige vuur een beetje gedoofd was, kwam Het Sap en Het Lekkers op tafel, waarna we een sprookje voorlazen. De kinderen waren enthousiast en gaven ons daardoor de zekerheid hiermee door te moeten gaan.

De ideeën voor een volgende keer kwamen toen eigenlijk vanzelf. Vriendjes en vriendinnetjes gingen zich vanzelf uit nieuwsgierigheid aansluiten en trokken er de tweede woensdag mee opuit om schors en hout in het bos te gaan verzamelen voor een kabouterhuis in de tuin. Het is boeiend om te zien hoe inmiddels het idee van de tuinkabouter, die zorgt voor de planten en bomen en woont in een eigengemaakt huis, is gaan leven in de buurt. Het meest belangrijke is, dat de ouders zo nu en dan kleine bewijsjes aandragen waaraan hun kind kan zien dat de tuinkabouter werkelijk geweest is. Dit hoeft helemaal niet groots te worden opgezet, hoe kleiner hoe spannender. Je kunt bijvoorbeeld ’s avonds met jouw kind de gordijntjes van het huis dichtdoen, en ’s morgens heeft de kabouter ze weer opengedaan. Je kunt een stoeltje of bed (ook van schors of gewoon van steentjes en wat schapenwol) verplaatsen.

Bij ons is er een levendige correspondentie ontstaan: piepkleine briefjes met de belevenissen van ‘Pluizebol’, onze tuinkabouter. We hebben een tegel uit het tuinpad gehaald en de kabouter heeft daar sterrekers in gezaaid, zodat hij ook een miniatuurtuintje heeft. Zo nu en dan staan er verse bloemen in een vaasje op zijn tafeltje, enzovoort. Belangrijk is dat het kind nooit de kabouter zélf ziet, dus geen stof-kabouter of andere popvormen, maar wel heel kleine aanduidingen van zijn aanwezigheid, liefst in betrekking tot de natuur en het leven in de tuin. Een andere keer bouwden we tenten in de tuin van grote lappen, knijpers en een oude parasol. Een dag van tevoren bakten we ronde zandkoeken en kochten wat taartversierselen, nootjes, sesamzaad en blauw lint, zodat de kinderen in de tent de koeken konden versieren met suikerglazuur. Het was hierbij wel belangrijk dat het materiaal van tevoren klaarstond, zodat er geen leemten ontstonden door wachten. De kinderen worden dan ongeduldig en er komen al gauw kleine ruzietjes, die voorkomen kunnen worden door goed organiseren.

Eigenlijk hadden we verwacht dat na een kwartiertje de koeken wel klaar zouden zijn, omdat minstens de helft in de monden zou verdwijnen en we hadden ons dus goed voorbereid op de rest van de middag, maar toen ze na anderhalf uur nog steeds in perfecte harmonie en geconcentreerd bezig waren, keken we elkaar wel even verbluft aan en hebben onze plannen voor de verdere middag aangepast, door allerlei spelletjes in de tuin te doen en ze een poosje te laten uitrazen.

We proberen zo mogelijk (wat betreft de tijd en ook de reactie van de kinderen) af te sluiten met een sprookje.

Om te voorkomen dat telkens dezelfde moeder met de rommel wordt opgescheept, wisselen we iedere woensdag van huis. Ook het zorgen voor sap en koek doen we om de beurt.

Een volgend idee, dat ontstond uit het feit dat we veel lapjes hebben die nooit gebruikt worden, was een wandkleed maken. Om wat houvast te hebben voor de kinderen kozen we een onderwerp: de bloementuin. Dat er inmiddels ezels en kerktorens en ik meen zelfs een soort spook op staan is helemaal niet belangrijk. We lieten de kinderen naast elkaar op een bank zitten, keerden de lappenzak op de vloer om, zodat ze elk wat kleuren uit konden kiezen. Dan knipten de kinderen vormen uit die op het kleed werden geplakt. Niet genaaid, wat veel te veel tijd en inspanning vraagt, afgezien van het feit dat kleintjes dat helemaal niet kunnen. Tenslotte is het een vrije middag en moet het geen schoolles worden. Het resultaat is niet zo belangrijk zolang zij er zelf plezier in hebben.

De reacties over en weer op elkaars werk waren komisch om aan te horen en vaak werd er samengewerkt en geholpen. Iedere week hangt het kleed bij een ander gezin zodat elk kind er plezier van heeft.

Een middag waarover de kinderen nu nog steeds praten, was de verkleedpartij. Echte verkleedkleren waren helemaal niet nodig. Van onze niets vermoedende echtgenoten haalden wij broeken, schoenen en pyjama’s uit de kast en van onszelf sjaals, bikini’s, lange jurken enzovoort. We gaven kleine opdrachtjes om een toneelstukje te maken, zoals bijvoorbeeld de tandarts en de patiënten, of de bakkerswinkel die wordt beroofd, compleet met dief en politieagent. Niet zo pedagogisch misschien, maar wel dolle pret.

Langzamerhand begonnen de kinderen de woensdagmiddag te zien als een feest en zeiden zelfs logeerpartijtjes en middagen spelen bij vriendjes af om dit mee te kunnen maken. Natuurlijk vraagt dit alles voorbereiding en een goede samenwerking tussen verschillende moeders, maar creatieve activiteit – ook al is het op heel kleine schaal – lijkt mij de enige manier om tegenwicht te bieden aan de geestdodende passiviteit die televisie veroorzaakt, en wat belangrijker is, zonder agressie op te roepen bij ouders die een andere leefwijze hebben. We stellen er iets tegenover en de kinderen maken zelf de keuze door wel of niet te komen. En verder blijven we hopen dat iedere woensdag een nieuw idee moge komen.
.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen
.

1739

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-3)

.

Joke Beekman, vrijeschool Wageningem.datum onbekend

 

De andere kant van de TV

De meesten van ons kunnen zich wellicht de tijd herinneren, dat de tv opkwam. Hordes buurkinderen kwamen samen op een centraal adres om op woensdagmiddag tv te kijken. Alle kinderen kregen van hun moeder op het hart gedrukt “bedankt voor ’t kijken” te zeggen na afloop.

Nu is er bijna in elk gezin een televisietoestel en is er veel vaker kinder-tv dan toen, er is zelfs een kinderjournaal.

Is dat verheugend? Is tv-kijken nog steeds iets terloops in de rij van eten, boodschappen doen, buiten spelen en in bad gaan? of is het iets incidenteels, zoals de buurvrouw die een ei komt lenen?

Wanneer je écht gaat kijken welke rol tv speelt in je gezin of probeert zo objectief mogelijk waar te nemen wat er al kijkend gebeurt in jezelf en je kinderen, ontstaan er allerlei vragen.

Met het beschrijven van een viertal voorbeelden, wil ik laten zien, welke vragen tevoorschijn kunnen komen* wanneer je wat minder oppervlakkig naar het fenomeen “tv als medium” kijkt, ik wil het graag bij vragen laten, omdat ik gemerkt heb, dat vragen moeten rijpen, dat je er een tijdje mee rond moet lopen of er met anderen over moet praten, voordat je je eigen antwoorden daarop gevonden hebt.

Het is half vier. Het buurmeisje speelt bij ons. Er wordt aangebeld. Haar zusje komt zeggen, dat de tv begint. Het buurmeisje kiest voor de tv. De hut blijft half-af achter, de pop half aangekleed.

Een andere keer speelt mijn dochtertje bij dat buurmeisje. Haar vader is oppas en weet kennelijk niets van de afspraak die ik ooit met haar moeder maakte, dat mijn dochtertje naar huis zou komen, als bij hen de tv aanging. Thuisgekomen vertelt Frouke het tv-verhaal. Tot in details beschrijft ze wat ze gezien heeft: er was een meisje doodgegaan, door het eten van vergiftige torretjes. Ze moest begraven en er werd aarde op haar kist gegooid. De volgende dag speelt Frouke het verhaal na met haar poppen, de pop is ziek, ze heeft vergiftige torretjes gegeten, maar ze wordt wel beter hoor, ze moet pilletjes…..etc.

Nog een voorbeeld. Op een regenachtige middag in de vakantie kijken we kinder-tv. We zien een heel gezellig kringetje kinderen met feestmutsen op. Ze drinken limonade met een rietje, een ‘meester’ met een gitaar zingt liedjes, hiep-hiep-hoera en daar is de taart. Wij krijgen ook trek in taart.

Meteen daarna een filmpje over een jongetje, dat van een oude klomp een zeilboot maakt. Leuk, zeggen we. Zorgvuldig kijken we mee, hoe hij dat voor elkaar krijgt. Een laatste “shot”: het bootje zeilt het beeld uit. Nu de tv uit?  Nee, er komt nog een tekenfilm. Na afloop zijn we het bootje vergeten. Even wakker worden uit de droom, wat waren we ook weer aan het doen? Een blik op de klok wijst etenstijd. “Gaan jullie je handen wassen, we gaan eten!” “Nou hoor, nu al? Maar ik wou nog even…..’

Wat laten deze voorbeelden zien?

Dat de tv een dwingend medium is. We kunnen de omroepster niet vragen even te wachten, omdat er nog één lap op de hut moet, want anders is hij niet donker genoeg, of omdat de pop nog zijn muts op moet. Tv is going on! Ons eten kan wel een momentje wachten, de boodschappen ook. Onze kinderen hebben immers ook hun eigen belangen. Het is goed voor hun wilsontwikkeling, dat ze leren hun bezigheden af te maken. Vanzelfsprekend zijn er ook momenten, dat er wel echt op tijd moet worden aangetreden, bv. wanneer de kinderen ’s ochtends de deur uit moeten.

Daar is het onze wil, dat zij op tijd komen en leren we de kinderen te denken aan de meester of juf die op tijd wil beginnen. Dat is een sociale afspraak. Hebben wij met de omroepster een afspraak? Is het ónze wil dat er tv wordt gekeken? Of onze gemakzucht?

Het buurmeisje kiest voor de tv. De tv is voor haar belangrijker geworden dan haar eigen initiatief, en belangrijker, dan haar vriendinnetje.

Natuurlijk, zo makkelijk zijn kinderen. Het ene vriendinnetje laten ze schieten voor het andere. Maar is dat hetzelfde met het kiezen voor tv?
Wat is er zo aantrekkelijk, wat heeft tv meer dan alle vriendinnetjes bij elkaar? Al spelend ontstaan keuzes, op het moment, vanuit de situatie. Het kind wil zélf intens met een ander spelen. Dat is het sociale spel tussen kinderen, waaraan ze ervaring opdoen. Is tv een eerlijke medespeler?

Het tweede voorbeeld illustreert, hoe we weliswaar in de tv-gids lezen wat er komt, maar eigenlijk niet kunnen overzien hoe een programma op onze kinderen uitwerkt. We kennen het beleid van de programmamakers niet, we weten niet welk doel het programma beoogt. Is het doel bv. vermaak of is er een pedagogisch doel? Vanuit welke hoek komt de visie erachter? Bv. Het leven moet leuk zijn, dus laten we kinderen zien hoe je het leven leuk moet maken. Of is de rode draad het bijbrengen van kennis? De tv-makers doen geen moeite om ons hun normen of doelen voor te leggen. (Alleen bij de EO weet je uit welke hoek de wind waait.) Kunnen wij dan zeggen, dat wij achter hun motivatie staan?

Wanneer wij voorlezen kunnen we even stoppen voor een kleine uitleg, kunnen we als het al te spannend wordt onze stem wat neutraliseren, er geruststelling in laten klinken. Die verantwoordelijkheid kent de tv niet. Kinder-tv is afgestemd op gemiddelde kinderen, op uni-kinderen.

Is het niet belangrijk, dat wij kiezen wat we onze kinderen aanbieden?

We kiezen voortdurend voor hen. Een te moeilijk boek zetten we nog een jaartje in de kast. We overwegen of we een kind wel of niet mee zullen nemen naar een begrafenis. Een gevoelig kind confronteren we niet met schokkende beelden (bv. een overreden dode kat), wanneer je weet, dat het daar lang en diep mee blijft worstelen. Het ene kind kan al op zijn 4e alleen met de bus mee, het andere kind zouden we op zijn 7e buikpijn bezorgen van de gedachte alleen. We kennen onze kinderen in hun verschillen, we weten hun eigenaardigheden, we bekommeren ons om hun wordende persoonlijkheidjes. Doet de tv-producer dat?

Voor mijn dochtertje gold, dat ze de gelegenheid had in haar fantasie te verwerken wat ze had gezien en er al spelend iets eigens van te maken. Krijgen kinderen die het ene programma na het andere zien, tussentijds nog de gelegenheid zich met de tv-beelden uiteen te zetten? Is de kans niet groot, dat veel onverwerkt “gruis” zich opstapelt? Wat moeten ze daarmee. Hebben ze er echt iets aan?

Het derde voorbeeld laat zien hoe we als kijkers grotendeels buitengesloten zijn van wat we op tv zien gebeuren. Wij krijgen trek in taart. Maar in onze huiskamer is het stil. We staan buiten het feest en toch zijn we erbij. Hebben we er eigenlijk wel een boodschap aan te zien hoe anderen het doen? Beleeft een kind een feestje op tv niet zo als de verjaardag van een vriendinnetje? Daarvan herinnert ze zich later een bepaald spelletje dat zo leuk was en de taart die er anders uitzag dan haar eigen moeder hem altijd maakt, maar die toch heel lekker smaakte.

De zintuigen doen mee in de beleving. Welke zintuigen laat de tv aan bod komen? In de levende situaties leren kinderen “het leven” kennen, de ongelukjes, het moeilijke, het grappige, het uitbundige, het intieme, brengt de tv dat over?

En stel je nu eens voor, dat dat jongetje van die klomp écht bij ons in de huiskamer had gestaan. Dan hadden we vol bewondering gekeken. Misschien hadden we ook een klomp gezocht. De kinderen hadden ervaren hoe moeilijk het is het zeil zo te bevestigen, dat het bootje niet kapseist. Ze hadden gejuicht als het bootje te water werd gelaten en zouden precies weten hoe lang je er over doet zo’n bootje te maken’. .Maar het jongetje was op tv. Als kinderen de klomp van de tv na zouden willen maken, zouden ze al gauw merken dat de werkelijkheid (tijdsduur, hoe moeilijk het is) niet klopt met wat ze zagen. Ze zien af van het idee. Hoe vaak worden zulke wensen gewekt door de tv? Kan een kind in de wirwar van zulke verlangens nog weten wat het eigenlijk wil? Hoe is het voor hem te merken, dat dat wat hij had willen doen door de tv is gedwarsboomd, zoals in het laatste voorbeeld.

Omdat er geen menselijke wisselwerking is tussen de tv en het kind, jouw kind, blijven er gewekte wilsimpulsen liggen. Of nemen wij als ouders op ons, wat het kind (via de tv) wil, echt met hem te gaan doen?

In deze voorbeelden komt een aantal aspecten boven. Beschrijvingen van andere voorbeelden zouden zeker nog meer “andere kanten” van de tv ontsluieren.

Voor mij zijn de belangrijkste vragen: wil ik, dat een ander (tv-maker-) bedenkt wat goed is voor mijn kind. Wil ik dat het opgroeit met verzonnen karikaturen of met levende mensen? Vind ik het belangrijk, dat het gewoon sprekende mensen ontmoet of is het leuk voor hem om gekke stemmetjes te horen. Is de gein op tv voor hem net zo waardevol als de grapjes van een geliefde oom, die af en toe op bezoek komt? We leven in een tijd waarin we vaak kunnen kiezen. Kiezen we een vrijeschool voor onze kinderen, eten we vlees, enz. Hoe serieus ga je om met de vragen (ook de gesluierde), die aan je worden gesteld?

Dat hangt van veel factoren af, van je eigen belang, van je eigen visie en inzicht, van je wil om met die vragen bezig te zijn en van je eigen kracht. Misschien hebben we elkaar daar erg bij nodig.

Bij elke nieuwe situatie waarin de tv in mijn blikveld komt, merk ik dat er niet één gedachte of één bepaalde houding afdoende is. Telkens weer is het anders.

De Zweedse schrijfster Karin Neuschütz, die een uitgebreid boek over tv schreef, drukt naar mijn idee het beste uit, om welke keuze het eigenlijk gaat: “Leven of TeVen, dat is de vraag!”

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1725

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – – Opvoedingsvragen (19-2)

.

In de jaren negentienzeventig was televisie voor kinderen sterk in opkomst. 
In steeds meer gezinnen kwam er een toestel te staan. Het aantal programma’s nam toe, het aantal uitzenduren eveneens.

Er werden kinderprogramma’s gemaakt en daarmee ontstonden ook vragen en kritische kanttekeningen: wat is dan geschikt voor kinderen, wat hebben ze eraan, is het schadelijk enz. enz. 

Ook op de vrijescholen werd er over gediscussieerd. Daar immers werd (wordt) o.a. geprobeerd kinderen vanuit kunstzinnigheid iets aan te leren; op een fantasievolle manier. Veel programma’s waren juist het tegendeel van ‘kunstzinnig’ of ‘fantasievol’ – veel fantasterij en karikatuur voerden de boventoon.

Er verschenen vele artikelen in de media, maar ook op schoolniveau in de schoolkranten en de TV was vaak onderwerp op de ouderavonden.

Ik weet niet of die aandacht er nog steeds is of dat we na al die jaren – nieuwe generaties leerkrachten, zelf ook opgegroeid met TV, – het allemaal sluipenderweg normaal zijn gaan vinden of dat alle commotie van wat er 30, 40 jaar geleden over werd gezegd en voor gewaarschuwd, door de feiten, de tijd, is ingehaald.

In mijn ‘archief’ zitten nog een aantal artikelen over dit onderwerp.
Ze zullen hier in de loop van de tijd verschijnen. 

.

Oene Schreuder, vrijeschool Wageningen, datum onbekend.
.

VOOR DE BUIS?

Laat ik maar met de deur in huis vallen: ik ben vóór de televisie. In deze tijd heeft de in het volle leven staande mens meer dan ooit behoefte aan veelzijdige informatie, niet alleen in woord, maar (visueel ingesteld als we zijn) vooral ook in beeld. Een lancering van een ruimtevaartuig en huwelijk van een prins, daar willen we ook onze neus in steken.

Een actualiteitenprogramma met recente beelden over bijv. Polen, een spannende sportwedstrijd, een ontspannende western, een mooi concert, een leuke quiz enz,, er zijn genoeg redenen om daarvoor de tv eens aan te zetten.

Helaas zijn er vaak ook genoeg redenen om “dat ding” weer af te zetten. Dat gaat dikwijls wat minder spontaan, want dan moet je je weer uit die net zo comfortabele tv-club hijsen en erheen lopen (de hond staat kwispelstaartend op).
Het spelen met de afstandsbediening laat ik buiten beschouwing, hoewel in de vrijeschool lijkt me dat toch best handig om snel te weten te komen of ik op een van de twaalf andere kanalen niet net iets boeiends zal gaan missen. Prachtig lijkt het me trouwens, zo’n gevarieerd aanbod; het zou dan natuurlijk het mooist zijn als al de ‘goede’ programma’s in tijd na elkaar zouden verschijnen, dan hoefde je tenminste niet te kiezen tussen twee ‘goede’ die synchroon verschijnen, maar met de video-recorder is eventueel nog de nodige schade in te halen.

Het bovenstaande klinkt misschien wel wat schertsend, maar toch zie ik het feit, dat je door de televisie steeds voor keuzes gesteld wordt als een winstpunt voor de mens, die in vrijheid (van keuze) wil leven. Maar dat kiezen beperkt zich niet slechts tot de geboden programma’s, veel duidelijker wordt er m.i. gekozen, daar waar de kijker besluit het tv-kijken in te ruilen voor iets zinvollers op dat moment en het toestel uitschakelt. Zo in de geest van:

“Nee, dan weet ik mezelf wel beter te amuseren of informeren!” Vaak is zo’n keuze achteraf beschouwd zeer bevrijdend. Wat dan gebeurt is, dat we vanuit onze vrije wil nee zeggen tegen iets en daarmee oefenen we ons a.h.w. in ons ik-gebied, want kort gezegd: nee kunnen zeggen tegen iets, wat in eerste instantie ogenschijnlijk aantrekkelijk leek (daar zorgden de programmamakers wel voor!) is een ik-functie. Dit zelfde gaat op voor vele andere technische gebruiksvoorwerpen.

Tot nu toe heb ik gesproken over de volwassen mens die besef heeft van een eigen verantwoordelijkheid en beschikt over een vrije wil om te kiezen wat goed of slecht voor hem is. Hoe zit dat evenwel bij het kind?

Voor ons, ouders, is het duidelijk, dat bij kinderen deze vermogens nog in ontwikkeling zijn en dat wij ons daarbij ondersteunend en wegwijzend moeten opstellen.
Wij als volwassenen geven vorm aan de omgeving en cultuur waarin deze kinderen opgroeien. Of ons cultuurgoed een erfenis of last voor onze kinderen wordt, ligt voor een groot deel in ons keuzegebied.

Ook de televisie schijnt tot een cultuurgoed gerekend te worden, vaak zo in de trant van: ‘je kunt er niet omheen, je kunt het niet meer wegdenken uit onze samenleving.’ Eigenlijk vind ik dat ook. Evenals ik dat vind ten aanzien van vliegtuigen, auto’s, computers enz.enz. Alleen dringt de vraag zich nu op: hoe ga je ermee om, hoe hanteer je ze? Hoe confronteer ik mijn kind met de televisie of confronteer ik het er überhaupt wel mee?

Wat er precies vóór is om een kind naar de televisie te laten kijken, kan ik niet zo goed bedenken, behalve misschien dan, dat ze het “erg leuk” vinden, maar dat zijn wel meer dingen in het leven, maar duidelijk vind ik televisie-kijken anders voor kinderen dan voor volwassenen.

Een aantal overwegingen (te dien aangaande) wil ik hieronder graag naar voren brengen.

Allereerst denk ik, dat kinderen, die door de beelden op de televisie vaak sterk aangetrokken worden zich niet met datzelfde ontwikkelde ik der volwassenen tegenover deze zaken kunnen stellen. Mijn indruk is dat een kind a.h.w. overgeleverd wordt aan een apparaat dat beelden in snelle opeenvolging ophoest.

Het kind is niet in staat daar enige afstand van te nemen, maar moet blijven kijken. Daarom roepen kinderen wel vaak om de tv aan te krijgen, maar zelden om deze weer af te zetten. Eigenlijk is dat ook normaal, immers, wat is er prachtiger voor een kind dan op te gaan in beelden, dat merk je ook in het onderwijs heel duidelijk (verhalenstof). Het kind leeft in de zintuigen en vooral de oogwaarneming is in de kinderjaren sterk in ontwikkeling.

Alleen gaat het er op een beeldscherm wel erg flitsend aan toe. Kijk u maar eens mee: een rustig berglandschap, een prachtig perspectief, daar gaan we eens rustig van genieten – zoef – we kijken naar snel draaiende wielen en driftige paardenhoeven, de camera is vlakbij. – zoef – camera naar links: een indiaan te paard bovenop een heuvel: camera komt snel dichterbij, een oorlogszuchtige blik, zoef camera weg: blik op de huifkar, een dialoog tussen de man op de bok en vrouw in de huif: de camera danst op en neer van aangezicht tot aangezicht……… U begrijpt er blijft weinig tijd en rust over om eens even bij een en hetzelfde plaatje te verwijlen. (De een halve seconde durende reclamespot wordt onverteerd mee ingeslikt).

Als we kinderen waarnemen bij het domweg kijken naar iets, valt mij althans op, dat ze het vaak zo heerlijk vinden om zich eens lekker aan iets te vergapen, ongegeneerd kijken naar iets wat ze in het oog valt. Die kans wordt hun bij de televisie ontnomen. Zelfs bij een mooi programma over vissen in de diepten der oceaan, menen de programmamakers ons te moeten amuseren met allerlei  nonsenspraat bij iedere vis, die achter een steen om de hoek komt kijken: zo in de trant van: ‘Kijk eens aan, daar is onze schone slaapster Mientje wakker geworden en ja hoor, daar komt ’t mannetje Jacob al aan, nou wie weet zal het wel de ware zijn! enz., enz. Kortom het tv-kijkende kind wordt van twee kanten bestookt door beeld en daaraan gekoppelde geluidsindrukken.

Een en ander kan al gauw bij kinderen tot een psychische overbelasting leiden met een verschillend reactiepatroon: overgeprikkeld in de zintuigen (en daardoor vaak motorisch ongeremd gedrag), moe of lusteloos-zijn, hoofdpijn, onrustige slaap (angstdromen) en nogal eens hoor ik dat kinderen zich bij voorbaat afschermen door de tv uit te zetten of door gewoon weg te lopen. Het verbaast mij dan ook niet dat uit onderzoekingen is gebleken dat kinderen, die enkele uren televisie hadden gekeken, mindere geheugenprestaties leverden de volgende dag (800 kinderen hadden een gedicht ingestudeerd, de helft had tv gekeken, de andere 400 niet. De niet-kijkers kenden het gedicht de volgende dag bijna allemaal nog integraal, de ‘kijkers’ kenden slechts fragmenten, of waren het helemaal vergeten, natuurlijk met enkele uitzonderingen).

Daarbij komt nog mijn bezwaar, dat kinderen bij televisie-kijken gedwongen zijn deel te nemen aan een reeks waarnemingen (de camera kijkt voor het kind, niet het kind zelf!), die in feite weinig uniek genoemd mogen worden: de programma’s worden op de smaak van de massa afgestemd (kijkdichtheidscijfers) en het begripsmatige niveau schommelt gemiddeld tussen dat van een zeven tot negenjarige kind; en dan de ‘doodsheid’ van een apparaat wat een beeld(?) poogt voor te schotelen m.b.v. duizenden elektronisch oplichtende puntjes en een gezeefd (stem)geluid, veroorzaakt door een trillend kartonnetje in de luidspreker.

Al met al mist het ten enen male de warme intimiteit en menselijke sfeer, die zo goed tastbaar is bij bijv. een theatervoorstelling of poppenkast. Daar ontstaat een levendig spel tussen speler en toeschouwer, er bestaat vrijheid om een eigen indruk te bewaren. (Zoals ook op een bepaalde manier mogelijk is bij een boek: “Alleen op de wereld:” is mooier om te lezen/horen dan om te zien op de televisie!)

Maar toch gebeurt het dat kinderen voor de tv komen te zitten: als het dan niet thuis kan, dan misschien bij vriendjes uit de buurt en dan vraag je je als ouders af: kan ik er dan niet toch beter zelf een in huis hebben, dan kan ik er tenminste bij zijn als ze kijken…..

Ik geloof, dat het in het laatste geval goed is er bij te zijn als de kinderen kijken, er misschien zelfs een beetje een feest van te maken als ze mogen kijken, net zo als het een feest is als ze naar een poppenkast of circusvoorstelling mogen gaan kijken. Ieder feest heeft een begin en een eind. Ik heb het gevoel, dat we als volwassenen vooral het eind goed in de gaten moeten houden.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

.

1717

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.