VRIJESCHOOL – Waarschuwing: valse informatie op Wikipedia

.

Waarschuwing: valse informatie op Wikipedia

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-1)

.

SOCIALE DRIEGELEDING

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaal‘ actief.

driegeleding van het sociale organisme

Dat wat velen allang vermoedden is dan nu* wetenschappelijk bewezen: willen we het jaar 2000 levend halen dan zal er aan onze hele maatschappijstructuur fiks gesleuteld moeten worden.

De stijging van ongerustheid en paniek die na de verschijning van het rapport van de „Club van Rome” valt waar te nemen is dan ook zeker zo groot, als die van de curve’s welke professor Meadows uit de computers van het Massachusetts Institute of Technology wist te toveren.

Toch geven de deskundigen ons nog enige overlevingskans, als we enkele zaken radikaal aanpakken: willen we niet binnenkort stikken in onze eigen uitwerpselen, dan zal er een fikse rem gezet moeten worden op het aantal geboortes. Immers: minder mensen vervuilen minder, hebben minder eten nodig, zodat de natuurlijke hulpbronnen minder snel uitgeput zullen raken.

Ondanks deze schijnbaar zeer revolutionaire ingreep in ons sociale organisme zal er niets fundamenteels veranderen in onze maatschappij als er ook geen bewustzijnsverandering bij de mensen plaatsvindt, als ons inzicht in de sociale problemen niet wordt verruimd. Gebeurt dit niet, dan lijkt het mij een betere oplossing voor de dreigende hongerdood en vervuiling om een middel aan het drinkwater toe te voegen dat een verkleining van de menselijke gestalte veroorzaakt: één meter of kleiner is dan wél noodzakelijk!

theocratie
Bijna alle voorstellen die worden gedaan om het vuilgetij te keren hebben echter één ding gemeen: een mondiale aanpak van de problemen.

Op hoog diplomatiek en wetenschappelijk niveau worden de plannen gesmeed en wegen uitgestippeld om de mensheid te redden. Met bezorgde gezichten staat men gebogen over het doodzieke sociale organisme, lijdend aan interne milieuverontreiniging. Af en toe dient men het een infuus toe of geeft men het een pil om de inwendige rotting tegen te gaan; pace-makers moeten de zwakke hartslag op gang houden.

Net zoals in de oudheid de priesters door een hogere kennis, welke alléén zij hezaten het lot van een heel volk konden bepalen door middel van hun autoriteit, hebben nu zij, die de informatie uit computers en handboeken kunnen putten, als het de toekomst van de wereld betreft een beslissende stem. Zowel op
economisch als op staatsrechtelijk gebied speelt in onze moderne „theocratie” de man van de wetenschap de allesoverheersende rol.

directe democratie
Men is er zich echter niet van bewust, dat juist een van de hoofdoorzaken van alle moeilijkheid is gelegen in deze overheersing van de wetenschap over de rechtslichamen en het economisch leven.
Men staat zó immers een gezonde ontplooiing van onze democratie op fatale wijze in de weg, als niet de burgers zélf kunnen bepalen hoe hun toekomst eruit zal zien, maar dit op hoog wetenschappelijk niveau bedisseld wordt.

Natuurlijk zal men hiertegenin kunnen brengen dat de gemiddelde kiezer dom is en geen flauw benul heeft van dergelijke zaken. De waarheid van deze redenering valt moeilijk te betwisten, desondanks is zij geen argument om de democratie maar af te schaffen en te vervangen door een groepje knappe koppen. Het is slechts een symptoom van de ziekte waaraan het hele sociale organisme en daarmee ook de democratie lijdt: de niet eens meer indirect te noemen invloed van de kiezers op de te nemen beslissingen. De beslissingen die men neemt zijn te moeilijk geformuleerd, te specialistisch en te technisch; tevens vindt er onvoldoende voorlichting vooraf plaats: voor- en tegenstanders krijgen zelden beide evenveel kans om hun argumenten voor radio, televisie en in de krant uiteen te zetten.
Pas bij een directe democratie, — door middel van het referendum, waarbij de kiezers vooraf zo veel mogelijk visies op het te nemen besluit onder ogen krijgen, vooral wat de uitvoerbaarheid betreft, — kan een goed democratisch besluit tot stand komen.

«alternatieven»
De ziekte van het sociale organisme wordt niet alleen veroorzaakt door de overheersing van de wetenschap en andere deelgebieden van onze cultuur op het rechtsleven, ook omgekeerd komt voor.[1]
Net zoals men nu denkt hét middel te hebben gevonden om de mensheid van de ondergang te redden door de mensen die het in onze theocratie „kunnen weten” het roer in handen te geven, zó dacht men in de vorige eeuw* dat de mensen die in de economische praktijk staan de volle vrijheid moeten hebben om te doen en te laten wat ze willen, en aan het begin van deze eeuw* dat alleen de rechtsstaat kan bepalen wat goed en slecht is.

Het eerste, het liberalisme, leidde tot een ondergeschiktheid van de cultuur en het rechtsleven aan de economische belangen. Als reactie op de hierdoor ontstane uitbuiting ontstond het communisme: de staat moet zowel op de economie als op de cultuur een zódanige invloed uitoefenen dat deze het belang van het gehele volk dienen. Dit leidde echter door de geforceerde planning en centralisatie tot een dictatuur; „kameraadschappelijk” werd de te volgen partijlijn uitgestippeld.

Geen van deze alternatieven leidden tot een gezondmaking van het sociale organisme, integendeel, de situatie is kritischer dan ooit. Desondanks ging men steeds uit van een principe dat iedereen aanvoelde als iets goeds, als een soort oer-idee, en waaromheen men alle verdere vernieuwingsideeën opbouwde.
Bij het liberalisme was dat de vrijheid; vrijheid van handel leidde tot de (economische) bloei van een land. Bij het communisme was dit principe de kameraadschappelijkheid, de behulpzaamheid en samenwerking tussen de mensen onderling om een bepaald doel te bereiken. In onze huidige „theocratie” is dit de gelijkheid: gelijke leerstof en examens voor iedereen geeft iedereen gelijke kansen in het leven.

drie-geleding
De reden van mislukking van deze vernieuwingsimpulsen is dan ook geenszins gelegen in het feit dat zij de oer-ideeën, welke tot een gezonde maatschappij moeten leiden niet „gepakt” hebben, integendeel, zij waren alle aanwezig. De tragedie is alleen, dat men niet heeft ingezien dat vrijheid in de economie tot uitbuiting, dat kameraadschappelijkheid op staatsrechtelijk gebied tot kliekvorming van een elite en dat gelijkheid in de cultuur tot een uniform-denken wel aanleiding móet geven.

Onze cultuur is er niet bij gebaat dat iedereen het zelfde denkt, integendeel, het wezenskenmerk is hier de diversiteit van ideeën en vaardigheden. Deze ideeën mogen ook best eens botsen, daar heeft niemand last van, behalve de betrokken personen zelf. Hier is een vrije concurrentie op zijn plaats, niet in de economie.

De taak van de economie is het bevredigen van de materiële behoeften van de mens. Het heeft hierbij geen enkele zin dat iemand iets meer doet dan strikt noodzakelijk is: pas als je met anderen samenwerkt en als de producenten en consumenten onderling afspreken wat er geproduceerd moet en kan worden, gaat dit zo effectief mogelijk.

Het wezen van het rechtsleven komt tot uiting in de verhouding van mens tot medemens, het is het gebied waar iedereen als gelijke behandeld dient te worden. Het is de taak van de rechtsstaat om toe te zien dat de gemaakte afspraken binnen de economie worden nagekomen en dat de vrijheid in het geestesleven niet beknot wordt. Hier, en niet in de cultuur is de mens gelijk aan zijn medemens.

Het sociale organisme kan pas dán gezond functioneren als de bovengenoemde functies of leden in onze maatschappij volledig tot hun recht kunnen komen, zonder de anderen in de haren te zitten. Pas als de mensen zich bewust zijn van deze drie-geleding van ons sociaal organisme, kunnen zowel op micro- als op macro-sociaal niveau gezonde beslissingen worden genomen.

Zolang men echter meent het recht te hebben met economische middelen en motieven onze cultuur de nek om te draaien (bijvoorbeeld het onderwijs) en zolang men de computers de informatie geeft die de kiezers hadden moeten hebben, nodig voor een werkelijk democratische beslissing, zolang zal er van de genezing van ons sociale organisme geen spat terecht komen. Of ik nu een pak koop bij C & A, mij abonneer op Jonas of mij ter stembus begeef, steeds zal ik mij bewust moeten zijn van deze driegeleding van het sociale organisme, wil ik een kleine bijdrage leveren aan de gezondmaking van de maatschappij. Ik zal mij steeds moeten afvragen of het besluit dat ik neem wel sociaal verantwoord is, of bijvoorbeeld het pak koffie dat ik koop geen mensen in een ver land het recht ontneemt om vrij te zijn in hun doen en laten, dat in de associatie tussen producenten en consumenten die ik wil oprichten, ik de culturele, de economische en de rechtsaspecten herken, en ook in de structuur zichtbaar maak.

Pas als vele mensen zich van deze driegeleding bewust zijn, zal een werkelijk
revolutionaire verandering van onze maatschappij met evolutionaire middelen tot stand kunnen komen, zal men als mens zichzelf kunnen ontplooien, en niet ontplooid worden zoals nu gebeurt.

Reeds in 1917 heeft Rudolf Steiner (maatschappijcriticus en vernieuwer, antroposoof) dit idee van de driegeleding van het sociale organisme ontwikkeld en meer concreet, vooral op het economisch vlak verder uitgewerkt.

De toenmalige driegeledingsbeweging, welke aanvankelijk veel succes oogstte, werd te sterk tegengewerkt door de Nazi’s, zodat zij hun pogingen moesten opgeven. Alleen de vrijescholen met de door hem ontwikkelde zgn. Waldorf-pedagogie bleven over.

In het begin van de jaren 50 hebben in West-Duitsland Peter Schilinski,[2] en later met hem vele anderen de driegeledingsgedachte weer opgepakt. Na actief te zijn geweest binnen de A.P.O., de buitenparlementaire oppositie, bestaat de driegeledingsbeweging uit een 60-tal werk- en actiegroepen, met als centrum het Internationale Cultuurcentrum Achberg in Esseratsweiler bij Lindau aan het Bodenmeer.[3] Zij proberen de driegeleding vooral via politieke voorlichting en nadere realisering op micro-sociaal niveau (vrijeschool en universiteit) in bredere lagen van de bevolking bekend te maken.

Ook in Nederland zijn de werkgroepen voor driegeleding bezig om de ideeën voortkomend uit de driegeleding nader te bestuderen en daarbij meer bekendheid te veroorzaken.

Hun adres: Valeriusstraat 80, Amsterdam. Tel: 020-713730 Adres „Achberg”:Internationalen Kulturzentrum Achberg Humboldt-Haus D-8991- Esseratsweiler über Lindau. Tel. 0949-8380-335

Ik geef bovenstaande adressen slechts weer omdat ze in het artikel staan – niet als actuele informatie

Michiel Damen, Jonas 3e jrg. nr 2, *15-09-1972

[1] zie Jonas 21
[2] zie Jonas 17
[3] zie Jonas 15     artikelen niet op deze blog

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

1389

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de kerstspelen (1)

.

over de volkse kerstspelen
een herinnering aan een christusfeest

blz. 9

Vor fast vierzig Jahren*, etwa zwei oder drei Tage vor Weihnachten, erzählte mir mein lieber Lehrer und väterlicher Freund Karl Julius Schröer in seinem kleinen Bibliothekszimmer in der Wiener Salesianergasse von den Weihnachtspielen, deren Aufführung in Oberufer in Westungarn er in den fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts beige- wohnt und die er 1862 in Wien herausgegeben hatte.
Die deutschen Kolonisten dieser Gegend haben diese Spiele aus mehr westlich gelegenen Gegenden mitgebracht und ganz ‘in alter Weise jedes Jahr um die Weihnachtszeit weitergespielt. Es sind in ihnen wahre Perlen des deutschen Volkschauspieles aus einer Zeit erhalten, die der allerersten Entstehung der modernen Bühne vorangegangen ist.
In Schröers Erzählung war etwas, das eine unmittelbare Empfindung davon erregte, wie vor seiner Seele im Anblick der Spiele ein Stück ‘Volkstum aus dem 16. Jahrhundert stand. Und er schilderte ja aus dem vollen heraus. 

Ongeveer veertig jaar geleden, zo’n twee of drie dagen voor Kerstmis, vertelde mijn goede leraar en vaderlijke vriend Karl Julius Schröer me in zijn kleine bibliotheekkamer in de Weense Salesianersteeg over de kerstspelen waarvan hij in Oberufer in West-Hongarije in de jaren vijftig van de 19e eeuw een opvoering had bijgewoond en die hij in 1862 in Wenen had uitgegeven.
De Duitse kolonisten van deze streek hebben deze spelen uit meer naar het westen gelegen streken meegebracht en elk jaar tegen Kerst in die heel oude stijl weer opgevoerd. Er zitten nog echte pareltjes van Duits volkstoneel in uit een tijd die voorafging aan het allereerste ontstaan van het moderne toneel.
In wat Schröer vertelde zat iets wat onmiddellijk een gevoel opriep van wat hij beleefde als een stukje echt volksleven bij het zien van die spelen uit de 16e eeuw. Hij schetste het met verve.

Ihm war das deutsche Volkstum in den verschiedenen österreichisch-ungarischen Gegenden ans Herz gewachsen. Zwei Gebiete waren der Gegenstand seines besonderen Studiums. Dieses Volkstum und Goethe. Und wenn er über irgend etwas aus diesen beiden Gebieten sprach, dann teilte sich nicht ein Gelehrter mit, sondern ein ganzer Mensch, der sich der Gelehrsamkeit nur bediente, um auszusprechen, was ihn mit ganzem Herzen und intensivem Lebensinhalt persönlich damit verband.
Und so sprach er damals über die bäuerlichen Weihnachtspiele. Lebendig wurden aus seinen Worten die armen Leute von Oberufer, die jedes Jahr um die Weihnachtszeit für ihre Mitbewohner zu Schauspielern sich ausbildeten. Schröer kannte dieser Leute Art. Er hat ja auch alles getan, um sie kennenzulernen. Er bereiste das ungarische Bergland, um die Sprache der Deutschen in dieser Gegend Nordungarns zu studieren. Von ihm gibt es ein «Wörterbuch der deutschen Mundarten des ungarischen Berglandes» (1858); eine «Darstellung der deutschen Mundarten des ungarischen Berglandes» (1864). Man 

Hem lag die Duitse volksgemeenschap in de verschillende Oostenrijks-Hongaarse streken na aan het hart. Wat zijn bijzondere studies betrreft, waren er twee onderwerpen. Deze volksgemeenschap en Goethe. En wanneer hij over iets van deze beide sprak, was er geen geleerde aan het woord, maar helemaal een mens die zijn geleerdheid alleen maar gebruikte om uit te spreken wat hem van ganser harte en met een intense volheid des levens daarmee verbond.
En zo sprak hij toen over die kerstspelen van de boeren. Door zijn woorden kwamen de arme mensen uit Oberufer die ieder jaar tegen Kerst voor hun dorpsgenoten toneelspelers werden, tot leven. Schroër kende de aard van deze mensen. Hij had er alles aan gedaan om ze te leren kennen. Hij reisde door het Hongaarse bergland om de taal van de Duitsers in deze streek van Noord-Hongarije te bestuderen. Er bestaat een woordenboek van hem: ‘Woordenboek van Duitse dialecten in het Hongaarse bergland’ (1858); een ‘Proeve van de Duitse dialecten van het Hongaarse bergland’ (1864). Je

blz. 10

braucht nicht gerade eine Vorliebe für die Lektüre von Wörterbüchern zu haben, um von diesen Büchern gefesselt zu werden. Das äußere Gewand der Darstellung hat zunächst allerdings ‘nichts Anziehendes. Denn Schröer sucht der wissenschaftlichen Art der Germanistik seiner Zeit gerecht zu werden. Und diese Art erscheint zunächst auch bei ihm recht trocken. Überwindet man aber diese Trockenheit und geht man auf den Geist ein, der da waltet, wenn Schröer Worte, Redensarten, Wortspiele und so weiter aus den Volksdialekten mitteilt: dann vernimmt man in wahrhaft anmutigen Miniaturbildchen Offenbarungen reinster Menschlichkeit. Aber man ist nicht einmal darauf angewiesen. Denn Schröer schickt seinen Wörterbüchern und grammatikalischen Aufzählungen Vorreden voraus, die weiteste kulturgeschichtliche Ausblicke geben. In Volkstümliches, das eingestreut in anderes Volkstum und innerhalb desselben im Untergange begriffen ist, verliebt sich eine selten sinnige Persönlichkeit und schildert es, wie man eine Abenddämmerung schildert.

hoeft niet meteen een voorliefde voor woordenboeken te hebben om door die boeken geboeid te raken. De uiterlijke kant van zijn betoog heeft echt niets aantrekkelijks. Want Schröer probeert recht te doen aan de wetenschappelijke manier van Germanistiek bedrijven. En dat is ook bij hem aanvankelijk nogal droog. Overwin je echter dit droge en pak je de geest die eruit spreekt, wanneer
Schröer woorden, manieren van zeggen, het spelen met woorden enz. uit het volksdialect meedeelt: dan merk je in werkelijk prachtige miniatuurbeeldjes uitingen van een pure menselijkheid. Maar daarop ben je niet eens aangewezen. Want Schröer schrijft in zijn woordenboeken en grammaticale opsommingen een voorwoord dat een wijde blik op een verreikende cultuurgeschiedenis werpt. Aan wat het eigene van een volk is, verstrooid tussen andere volksgroepen en gedoemd om ten onder te gaan, verliest een zeldzaam gevoelige persoonlijkheid zijn hart en toont het ons, zoals een avondschemering.

Und aus dieser Liebe heraus hat Schröer auch ein Wörterbuch der Heanzen-Mundart des westlichen Ungarns geschrieben [1859] und eines der ganz kleinen deutschen Sprachinsel Gottschee in Krain [1870].
.Es war immer etwas von einem tragischen Grundton da, wenn Schröer aussprach, was er empfand, wenn er hinblickte auf dieses untergehende Volksleben, das er in Form der Wissenschaft bewahren wollte.
Zur innigen Wärme steigerte sich aber diese Empfindung, als er von den Oberuferer Weihnachtspielen sprach. Eine angesehene Familie bewahrte sie und ließ sie als heiliges Gut von Generation auf Generation übergehen. Das älteste Mitglied der Familie war der Lehrmeister, der die Spielart von seinen Vorfahren vererbt erhielt. Der suchte sich aus den Burschen des Ortes jedes Jahr, wenn die Weinlese vorüber war, diejenigen aus, die er als Spieler für geeignet hielt. Ihnen brachte er das Spiel bei. Sie mußten sich während der Lehrzeit eines Lebenswandels befleißigen, der dem Ernste der Sache angemessen war. Und sie mußten sich treulich allem fügen, was der Lehrmeister verordnete. Denn in diesem lebte eine altehrwürdige Tradition.
In einem Wirtshaus waren die Aufführungen, die Schröer gesehen

En vanuit deze betrokkenheid schreef Schröer ook een woordenboek van het Heanzendialect uit West-Hongarije (1859) en een van de heel kleine Duitse taalenclave Gottschee in Krain (1870).
Er was altijd iets van een tragische ondertoon wanneer Schröer uitsprak wat hij beleefde wanneer hij naar dit verdwijnende volksleven keek, wat hij in een wetenschappelijke vorm wilde vastleggen.
Maar dit gevoel groeide aan tot een innerlijke warmte als hij over de kerstspelen uit Oberufer sprak. Een in aanzien staande familie bewaarde die en als iets heiligs ging het van generatie op generatie over. Het oudste familielid was de leermeester die de manier van spelen van zijn voorouders erfde. Hij zocht onder de jongens uit de streek, ieder jaar wanneer de wijnoogst voorbij was, enkele uit die hij geschikt achtte als speler. Aan hen leerde hij het spel. Ze moesten tijdens de instudeertijd hun best doen zo te leven dat het paste bij de ernst van de zaak. En ze moesten zich trouw schikken in wat de leermeester wilde. Want hij was de vertegenwoordiger van de oude, eerbiedwaardige traditie.
De opvoeringen die Schröer heeft gezien,

blz. 11

hat. Aber sowohl Spieler wie Zuschauer trugen in das Haus die herzlichste Weihnachtsstimmung hinein. – Und diese Stimmung wurzei,t in einer echt frommen Hingebung an die Weihnachtswahrheit. Szenen, die zur edelsten Erbauung hinreißen, wechseln mit derben, spaßhaften. Diese tun dem Ernst des Ganzen keinen Abbruch. Sie sind nur ein Beweis dafür, daß die Spiele aus derjenigen Zeit stammen, in welcher die Frömmigkeit des Volkes so festgewurzelt im Gemüte war, daß sie durchaus neben naiver volkstümlicher Heiterkeit einhergehen konnte. Es tat zum Beispiel der frommen Liebe, in der das Herz an das Jesuskind hingegeben war, keinen Eintrag, wenn neben der wunderbar zart gezeichneten Jungfrau ein etwas tölpischer Joseph hingestellt wurde oder wenn der innig charakterisierten Opferung der Hirten eine derbe Unterhaltung derselben mit drolligen Späßen voranging. Diejenigen, von denen die Spiele herrührten, wußten, daß der Kontrast mit der Derbheit die innige Erbauung bei dem Volke nicht herabstimmt, sondern erhöht. Man kann die Kunst bewundern, welche aus dem Lachen heraus die schönste Stimmung frömmster Rührung holt und gerade da- durch die unehrliche Sentimentalität fernhält.

vonden plaats in een herberg. De spelers, maar ook de toeschouwers brachten daar de warmste kerststemming mee naartoe. – En deze stemming is geworteld in een echt diepgelovige devotie voor de waarheid van Kerstmis. Scènes die het gemoed tot de puurste aandacht voeren, worden afgewisseld met wat minder fijngevoelige grappen. Die doen geen afbreuk aan de ernst van het geheel. Ze zijn er slechts een bewijs van dat de spelen uit een tijd stammen waarin de vroomheid van een volk zo vast in het gemoed wortelt dat die heel goed samen kon gaan met een naïve volkse vrolijkheid.
Het deed bijv. de gelovige liefde waarmee het hart toegewijd was aan het Jezuskind geen afbreuk, wanneer naast de wonderlijk teer aangeduide jonkvrouw, een wat sukkelige Jozef stond of wanneer aan de innige opvoering van de gaven aan het kind door de herders, hun wat lompere conversatie met potsierlijke grappen voorafging. Degenen van wie de spelen kwamen, wisten dat de tegenstelling van wat minder fijngevoelig is, de puurste aandacht niet in der eg staat, maar intenser maakt. Je kan de kunst bewonderen die vanuit de lach de stemming van het puurste aangedaan zijn laat ontstaan en juist daardoor blijft vals sentiment achterwege.

Ich schildere, indem ich dies schreibe, den Eindruck, den ich empfing, nachdem Schröer, um seine Erzählung zu illustrieren, das Büchelchen aus seiner Bibliothek hervorgeholt, in dem er die Weihnachtspiele mitgeteilt hatte und aus denen er mir nun Proben vorlas. Er konnte darauf hinweisen, wie der eine oder der andere Spieler in Gesichtsausdruck und Gebärde sich verhielt, wenn er dieses oder jenes sprach. Schröer gab mir nun das Büchelchen mit (Deutsche Weihnachtspiele aus Ungarn, geschildert und mitgeteilt von Karl Julius Schröer Wien 1 858I62); und ich durfte, nachdem ich es durchgelesen hatte, ihn noch oft über vieles fragen, was mit der Spielart des Volkes und dessen ganzer Auffassung von dieser besonderen Weise, Weihnachten und das Dreikönigsfest zu feiern, zusammenhing.
Schröer erzählt in seiner Einleitung zu den Spielen: «In der Nähe von Preßburg, eine halbe Stunde Weg zu fahren, liegt auf einer VorInsel zur Insel Schütt das Dörfchen Oberufer, dessen Grundherrschaft die Familie Palfy ist. Die katholische sowohl wie die protestantische Gemeinde daselbst gehören als Filialen zu Preßburg und haben ihren 

Ik schets, wanneer ik dit zo beschrijf, de indruk die het op mij maakte, nadat Schröer, om zijn verhaal te illustreren, het boekje uit zijn bibliotheek tevoorschijn haalde, waarin hij de kerstspelen opgeschreven had en waaruit hij mij nu stukjes voorlas. Hij kon aangeven hoe de ene of de andere speler met een gezichtsuitdrukking of een gebaar acteerde wanneer hij dit of dat sprak. Schröer gaf mij dat boekje toen mee (Duitse kerstspelen uit Hongarije, gekarakteriseerd en meegedeeld door Karl Julius Schröer Wenen 1858/62) en ik mocht, nadat ik het gelezen had hem over veel nog vragen stellen m.b.t. de manier van dit volkse spelen en de hele opvatting van deze bijzondere manier om zo Kerstmis en Driekoningen te vieren.
Schröer vertelt in zijn inleiding tot de spelen: ‘In de buurt van Pressburg, een half uurtje rijden, ligt op een vooreilandje bij het eiland Schütt het dorpje Oberufer, waarvan de familie Palfry eigenaar is. De katholieke als ook de protestantse gemeente horen als afdelingen bij Pressburg en houden hun

blz. 12

Gottesdienst in der Stadt. Ein Dorfschulmeister für beide Gemeinden ist zugleich Notär, und so sind denn in einer Person alle Honoratioren des Ortes vereinigt. Er ist den Spielen feind und verachtet sie, so daß dieselben bis auf unsere Tage unbeachtet und völlig isoliert von aller von Bauern ausgingen und für Bauern aufgeführt wurden. Die Religion macht dabei keinen Unterschied, Katholiken und Protestanten nehmen gleichen Anteil bei der Darstellung sowohl als auch auf den Zuschauerplätzen. Es gehören die Spieler jedoch demselben Stamme an, der unter dem Namen der Haidbauern bekannt ist, im 16. oder zu Anfang des 17. Jahrhunderts aus der Gegend am Bodensee (Schröer stellt in einer Anmerkung das nicht als ganz gewiß hin) eingewandert und noch 1659 ganz protestantisch gewesen sein soll … In Oberufer ist nun der Besitzer der Spiele seit 1827 ein Bauer; er hatte schon als Knabe den Engel Gabriel gespielt, dann von seinem Vater, der damals der Spiele war, die Kunst geerbt. Von ihm hatte er die Schriften, die auf Kosten der Spieler angeschafften und instand gehaltenen Kleidungen und anderen Apparat geerbt, und so ging denn auch auf ihn die Lehrmeisterwürde über.»

diensten in de stad. Een dorpsschoolmeester voor de beide gemeenten is tegelijkertijd notaris en op deze manier zijn alle notabelen van de plaats in één persoon verenigd. Hij moet die spelen niet en verafschuwt ze, zodat ze tot nu toe door de gehele ‘intelligentsia’ niet worden opgemerkt en volledig los daarvan, van boeren uitgaan en voor boeren worden opgevoerd. De godsdienst doet er niet toe, katholieken en protestanten hebben een gelijk aandeel bij de uitvoeringen en ook bij het aantal zitplaatsen. Immers, de spelers behoren tot dezelfde volksgroep die onder de naam Haidboeren bekend staat, in de 16e of in het begin van de 17e eeuw uit de omgeving van het Bodenmeer (Schröer zegt in een voetnoot dat dat niet helemaal zeker is) geïmmigreerd en die zou in 1629 nog protestants geweest zijn….In Oberufer is degene die nu sinds 1827 de spelen in zijn bezit heeft een boer; hij had als jongen al de engel Gabriël gespeeld, toen van zijn vader, die toen ‘leermeester’ van de spelen was, de kunst geërfd. Van hem had hij de rollen, op kosten van de spelers aangeschaft en de bewaarde kleding en andere voorwerpen geërfd en zo ging dan op hem de waardigheid van de leermeester over.’

Wenn die Zeit zum Einüben gekommen ist, «wird abgeschrieben, gelernt, gesungen, Tag und Nacht. In dem Dorfe wird keine Musik gelitten. Wenn die Spieler über Land gehen, um in einem benachbarten Ort zu spielen, und es ist Musik da, so ziehen sie weiter. Als man ihnen zu Ehren in einem Orte einmal die Dorfmusikanten aufspielen ließ, fragten sie entrüstet: ob man sie für Komödianten halte? … Die Spiele dauern vom ersten Advent bis heiligen Dreikönig. Alle Sonntag und Feiertag wird gespielt; jeden Mittwoch ist eine Aufführung zur Übung. An den übrigen Werktagen ziehen die Spieler über Land auf benachbarte Dörfer, wo gespielt wird… Ich halte die Erwähnung dieser Umstände deshalb für wichtig, weil aus ihnen ersichtlich wird, wie auch gegenwärtig noch eine gewisse Weihe mit der Sache verbunden ist.»
Und wenn Schröer über die Spiele sprach, so hatten seine Worte noch einen Nachklang von dieser Weihe.
Ich mußte, was ich damals durch Schröer aufnahm, im Herzen behalten. Und nun spielen Mitglieder der Anthroposophischen Gesellschaft seit einer Reihe von Jahren zur Weihnachtszeit diese Spiele. 

Wanneer de tijd van de repetities aanbrak, ‘wordt er overgeschreven, geleerd, gezongen, dag en nacht. In het dorp verdraagt men geen muziek. Wanneer de spelers door het land trekken om in een buurdorp te spelen en er wordt daar muziek gemaakt, trekken ze verder. Toen men te hunner ere eens in een dorp de dorpsmuzikanten liet spelen, vroegen ze gepikeerd: of ze misschien voor komedianten aangezien werden?….De spelen duren van de eerste advent tot aan Driekoningen. Elke zondag en feestdagen wordt er gespeeld; iedere woensdag is er een ‘try-out’. Op de andere werkdagen trekken de spelers door het land naar buurdorpen, waar wordt gespeeld…..Ik vind het noemen van deze feiten belangrijk, omdat daaruit blijkt hoe ook tegenwoordig nog een zekere gewijde ernst met de zaak is verbonden.”
En wanneer Schröer over de spelen sprak, klonk er in zijn woorden nog iets van deze wijding door.
Ik moest, wat ik toen van Schröer hoorde, in mijn hart bewaren. En nu spelen leden van de Antroposofische Vereniging al sinds jaren met de Kerst deze spelen.

blz. 13

Während der Kriegszeit durften sie sie auch den Kranken in den Lazaretten vorspielen. Wir spielen sie auch seit Jahren um jede Weihnachtszeit im Goetheanum in Dornach. Auch dieses Jahr wird es wieder so sein. Es wird, soweit das bei den veränderten Verhältnissen möglich ist, streng darauf gesehen, daß Spielart und Einrichtung dem Zuschauer ein Bild geben, wie es diejenigen vor sich hatten, die im Volksgemüt diese Spiele festgehalten und als eine würdige Art, Weihnachten zu feiern, angesehen haben.
Weihnachten 1922    Rudolf Steiner

Tijdens de oorlog mochten ze deze ook spelen voor de zieken in de veldhospitalen. We spelen ze sinds een paar jaar rond iedere Kerst ook in het Goetheanum in Dornach. Dat zal ook dit jaar weer zo zijn. Er zal, voor zover dat door de veranderde omstandigheden mogelijk is, streng op worden toegezien dat de manier van spelen en de enscenering de toeschouwer een beeld geven, zoals diegenen dat voor zich hadden, die in hun volkse ziel deze spelen hebben bewaard en als een waardige manier om Kerstmis te vieren, hebben opgevat.

Kerstmis 1992  Rudolf Steiner

.

Rudolf Steiner: toespraak bij de opvoering van het kerstspel  6 jan. 1918

Kerstspelen: alle artikelen

.

1388

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – en vrijheid van onderwijs (2-9)

.

Er zijn maar een paar vrijescholen in ons land die zich – naar hoe Steiner er zich over uitsprak – VRIJe school – mogen noemen.
Dat is met het oog op het naderende jubileum – 100 jaar vrijeschool – een schrale troost en een vrijwel lege bladzijde in het overigens zo rijk geïllustreerde vrijeschoollevensboek.

Er is al veel moed nodig – de Michaëlische moed is hier geen frase – om een school te beginnen die afziet van de financiële steun van de overheid; nog moediger is het een vereniging op te richten die zich probeert in te zetten voor de vrijheid van inrichting.

Klinkt hier – nog zachtjes – wat Steiner op 22 juni 1919 (bijna 100 jaar geleden – ruim 2 maanden voor de opening van ’s werelds 1e vrijeschool – krachtig uitsprak:

Und verlassen die anderen die Bahn des Geistes, bringen sie den Mut dazu nicht auf, so wollen wir dafür eintreten. Wir haben den Mut dazu. Wir wollen, daß der Geist nicht Phrase ist für uns, wir wollen, daß er als Wirklichkeit in unserem Blute pulst, wir wollen sagen, was für den Geist zu geschehen hat.

Ook al verlaten de anderen de weg van de geest, brengen zij de moed niet op, dan zullen wij het doen. Wij hebben er de moed toe. Wij willen dat ‘geest’ geen frase is voor ons, wij willen dat die als realiteit in ons bloed klopt, wíj willen zeggen wat er voor de geest moet gebeuren.
GA 192/227
Niet vertaald

VEEL MOED, STERKTE en WIJSHEID!

 

 

 

Ontstaan
De behoefte aan daadwerkelijke vrijheid in het onderwijs wordt steeds groter bij kinderen, ouders en leerkrachten. Daarom groeit ook het aantal zelfstandige scholen. Zij hoeven niet aan de vele inspectie-eisen te voldoen, maar worden om die reden ook niet bekostigd vanuit de algemene middelen die er beschikbaar zijn voor het onderwijs. Dat betekent vrijheid én de bijbehorende moeilijkheden (o.a. financieel, organisatorisch, juridisch en qua huisvesting).

Om de krachten te bundelen en tot samenwerking te komen is er op initiatief van een aantal ouders en leerkrachten van zelfstandige vrije scholen, de afgelopen jaren toegewerkt naar een coöperatieve vereniging voor vrijheid van onderwijs.

Missie en visie
Het gaat ons om vrijheid von opvoeding in het onderwijs: ouders voeden hun kind op vanuit hun eigen mensbeeld en mogen een school kiezen die daarbij past. De opbrengstgerichte eisen van de overheid laten een materialistisch mensbeeld zien, dat diep doordringt in het onderwijs en daarmee in de opvoeding van onze kinderen. Vrijheid van onderwijs(in)richting is daarmee verworden tot de vrijheid om te variëren binnen deze overwegend materialistisch-economische uitgangspunten.

Het is de missie van de coöperatieve vereniging om vrijheid van opvoeding in het onderwijs mogelijk te maken en te stimuleren. Zij wil daarmee de ontwikkeling van vrij geestelijk leven bevorderen. De coöperatieve vereniging werkt vanuit de visie dat de mens een scheppend, geestelijk wezen is. Op grond daarvan acht zij de vrijheid van opvoeding noodzakelijk voor een gezonde individuele en sociale toekomst.

Voor wie?
Iedereen die eraan wil bijdragen dat daadwerkelijke vrijheid van opvoeding in het onderwijs wordt gerealiseerd, zowel in onbekostigde als in bekostigde scholen, kan meedoen en lid worden. We streven ernaar een krachtige gemeenschap van mensen te vormen met toenemend inzicht in de noodzaak van deze onderwijsvrijheid, met expertise om deze daadwerkelijk vorm te geven en met de financiële middelen om initiatieven te ondersteunen.

Fonds voor vrij onderwijs
Binnen de coöperatie beheren we een fonds voor vrij onderwijs. Alle particuliere/ staatsvrije scholen die onderwijs geven vanuit de visie dat de mens een scheppend, geestelijk wezen is, kunnen ‘fondslid’ worden. Met leningen en schenkingen kunnen zij als lid worden ondersteund. Individuele initiatiefnemers (ook binnen bekostigde scholen) kunnen eveneens een beroep doen op dit fonds voor ondersteuning van hun initiatief.

Organisatie en ontwikkeling
De coöperatieve vereniging voor vrij onderwijs wil een vereniging van mensen zijn, die zich ontwikkelt vanuit het initiatief van de leden. Zij wil een expertisecentrum ontwikkelen waar de leden gezamenlijk eigenaar van zijn en een beroep op kunnen doen, met onder andere:

• Scholing op het gebied van pedagogiek, persoonlijke ontwikkeling en ‘gemeen-schapvormend organiseren’. Start-up workshops voor initiatiefnemers van scholen.

• Faciliteren van ontmoeting, uitwisseling van ervaringen, juridische ondersteuning.

• Beheer en ontwikkeling van een fonds voor vrij onderwijs

Doe mee
Het is voor ons heel belangrijk te weten als je interesse hebt, bij wilt dragen en/of lid wilt worden. Ook financiële bijdragen zijn in dit stadium al van groot belang!

Laat het ons alsjeblieft weten via:

• Ingrid Busink, ingrid@vrijeschooltalander.nl, 06-44426950
• Janneke Sauer, jannekesauer@gmail.com (afwezig van 1 dec. 2017 tot 1 feb. 2018)

http://www.cooperatievrijonderwijs.nl (begin dec. 2017 online – 7 dec. nog niet oproepbaar))

.

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1387

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid en onderwijs (2-8)

.

In deze serie artikelen ‘vrijheid en onderwijs’ worden vooral artikelen gepubliceerd die inde jaren 70′-’90 verschenen. In die jaren leefde er nog een sterk gevoel voor welke houding de overheid zou moeten innemen om aan het onderwijs optimale mogelijkheden te bieden de verschillende vormen van onderwijs tot hun recht te laten komen.
De greep van de overheid op het onderwijs is steeds groter geworden; de moed om er tegen te blijven protesteren en alternatieven aan te dragen steeds kleiner; wie de krachtigste stem had kunnen laten horen: er bestaat veel inzicht in dit onderwerp – zweeg steeds meer: de vrijeschool.

Toch verschijnen er af en toe hoopvolle geluiden: het inzicht is nog niet verloren gegaan dat het in het onderwijs om heel andere zaken zou moeten gaan dan het moeten consumeren van de materialistische ingrediënten: maat, gewicht, getal die suggeren iets met kwaliteit te maken te hebben.

Wat moeten vrijescholen met hoge scores?

DE RANGLIJST OF REBELS?

Ranglijsten van de zogenaamd beste scholen van Nederland ruk­ken op, maar goede resultaten zeggen niets over de onderwijs­kwaliteit. Toch tiert de cultuur van ranglijsten welig. Wat bete­kent dat voor de vrijeschool? Marcel Seelen houdt een vlammend betoog tegen de meten-is-weten-cultuur.

Vlaai! In de personeelskamer van het Bisschoppelijk College Broekhin in Roermond staat in de personeelskamer een lange rij leraren, wachtend met een bordje in de hand voor de tafel waarop vlaaien in allerlei kleuren zijn uitgestald. Ik voeg me, als leraar van de 7e klas, vergenoegd in de rij. Rector Jessica Baart loopt rond en zegt “Gefeliciteerd!” tegen de leraren aan alle tafels. “Wat vieren we?” vraag ik aan mijn buurman. “Dronkers,” zegt hij. Ik kijk hem niet-be- grijpend aan. “Broekhin hoort met de havo-afdeling tot de top van Nederland.” Hij kijkt besmuikt. “Is dat geen prestatie dan?” vraag ik hem. “Verdienen de leerlingen die taart niet?” antwoordt hij.

BC Broekhin is een katholieke school (voor vmbo-t, havo en vwo) van 1600 leerlingen in midden-Limburg. Een school die gevoelig lijkt voor prestaties. In de jaarlijkse schoolgids staat bijvoorbeeld prominent per examenvak het behaalde gemid­delde van de leerlingen, het landelijk gemiddelde – dat meest­al lager uitvalt – staat er demonstratief naast. Daarmee is niets mis. Het is een teken des tijds.

Ranglijsten
Naast Dronkers is er Elsevier die een lijst opstelt van scholen met de minste zittenblijvers en de beste examenresultaten – de ‘winnaars’ – en die afzet tegen de ‘verliezers’: scholen met veel zittenblijvers en slechte examenresultaten. Er bestaat sinds eni­ge tijd ook een lijst van excellente scholen van het ministerie van onderwijs. Het gaat daarbij niet alleen om cijfers, maar bij­voorbeeld ook om hoe een school omgaat met hoogbegaafden. Ten slotte is er sinds januari van dit jaar een spiksplinternieuwe lijst, de Keuzegids Middelbare Scholen, verkrijgbaar op papier en online, die punten uitdeelt (tussen de 20 en de 100) aan scholen. Wat zeggen ons die ranglijsten?

Een steekproef leert dat ouders er weinig houvast aan hebben. Een school (een vwo uit Aalten) die bij Dronkers heel succesvol een 9,5 scoort, wordt in de Keuzegids juist matig beoordeeld met 58 punten (60 is het gemiddelde) en Elsevier geeft dezelfde school een +/-, hetgeen zeggen wil: vlees noch vis. De desbetref­fende school werd een jaar voor deze meting door de inspectie nog met een zware onvoldoende beoordeeld. Onderzoekers blijken dus diverse criteria te hanteren of ze waarderen die cri­teria anders. De ranglijsten van scholen die de voorpagina’s van de landelijke kranten van schreeuwende koppen voorzien, blij­ken voor ouders dus nogal relatief te zijn in het gebruik. Maar dat maakt hen nog niet onschuldig. Directeur Steenkamp van het CHOI (Centrum voor Hoger Onderwijs Informatie), de samen­steller van de Keuzegids Middelbare Scholen, zegt desgevraagd: “Sommige scholen vinden het eindresultaat zo belangrijk, dat ze bewust veel leerlingen laten afglijden naar een lager onderwijstype. Scholen maken dus keuzes waar je geen zicht op hebt.”

 

Hetgeen betekent dat het beleid omtrent het zittenblijven en het laten afstromen van leerlingen per school verschilt. Wil je hogere examencijfers op het vwo, dan selecteer je snel en effi­ciënt de zwakke broeders en die stuur je zonder pardon naar de havo of het vmbo-t. Goed voor de ranglijst, maar slecht voor een leerling. De school is de glorieuze winnaar, de leerling de pijnlijke verliezer. Een ouder wordt in het beleid niet gekend, maar wel geconfronteerd met de vaak ongemakkelijke effecten ervan.

Taal
Wat de dwaze lijstjes van dr. Dronkers vooral openbaren is de huidige tijdgeest.
In de huidige onderwijswereld wordt een school als een bedrijf gerund en men hanteert onbeschaamd een taal waaruit zonne­klaar blijkt dat leerlingen als niet meer dan een bedrijfsresul­taat worden behandeld: rendement, leerwinst, prestatiemeting, opbrengstgericht werken. Welnu, ik herhaal: goede resultaten maken nog geen goede school. Een voorbeeld uit mijn eigen onderwijspraktijk kan deze bewering toelichten.

Ik geef les als leraar Nederlands en lees met mijn leerlingen in de 11e klas (5 vwo, in de leeftijd van 17 jaar) een gedicht van Vasalis over vriendschap. Er ontspint zich een gesprek dat ongemeen boeiend is, dat alle leerlingen raakt, waarin dus de persoonlijke betrokkenheid groot is en er woorden in het gedicht worden aangedragen voor wat ze wel latent voelen – over vriendschap – maar zelf nog niet kunnen formuleren, waardoor er opgeto­genheid ontstaat en bewondering voor wat een dichter vermag. Wat is dan, in cijfers uitgedrukt, het rendement van deze les? Wat is de leerwinst? Hoe meet je de prestatie van een leraar die zijn leerlingen weet te boeien? Omdat deze factoren amper te meten zijn – maar wel degelijk te beschrijven! – passen ze niet in de ranglijsten, dus… raken ze buiten zicht. Echter, voor veel bezielde lessen geldt dat ze lijken op een boswandeling: ze heb­ben geen nut, maar wel zin.

Men kiest met de publicaties van die ranglijsten voor uniforme­ring van het onderwijs. Filosoof Cornelis Verhoeven bezat een visionaire blik toen hij daartegen al in 1980, in een onderwijs­kundig traktaat waarschuwde: ‘Het gaat niet om een objectieve beoordeling, maar om een subjectieve peiling.’

De economische taal van managers – rendement, leerwinst, pres­tatiemeting, opbrengstgericht werken – is dus niet onschuldig. De kwaliteit van onderwijs wordt aantoonbaar als een economisch discours geformuleerd, waarmee wordt verondersteld dat de waarden die deze woorden vertegenwoordigen economisch van aard zijn. Alles draait om planning en beheersing.

Eindexamenresultaat
Ook signalen uit de wetenschap maken dat duidelijk. Ontwikkelingspsycholoog Greetje van der Werf, hoogleraar onderwijzen en leren aan de Universiteit Groningen, schreef onlangs in een essay enthousiast dat het toepassen van toetsen gelukkig (!) toeneemt. Van der Werf:

‘Meten is weten: uiteindelijk is het meten van het kennisniveau de enige manier om te bepalen hoe het staat met de kwaliteit van het onderwijs. Het is de enige manier om te bepalen of een leerling voldoende is voorbereid op de arbeidsmarkt. Het doel van het onderwijs is: kinderen slimmer maken.’

Het is een verbijsterende oproep. De schrille stem van Van der Werf verdient serieus ons aller aandacht, niet alleen vanwege haar positie, maar vooral ook omdat zij als lid van de Onderwijs­raad – die de regering adviseert – zeer invloedrijk is.

Door deze ontwikkelingen raakt volkomen buiten zicht wat juist de rechtvaardiging van het onderwijs uitmaakt: de opgroeiende leerling. Hierdoor verliezen veel leraren hun motivatie en daar­mee ook de vreugde in hun werk. Want het dagelijkse lesplezier bestaat uit de kwaliteit van het contact dat een leraar met zijn leerlingen heeft. Ik ervaar het op BC Broekhin en ik beluister het in de wekelijkse gesprekken die ik als coach voer met de reguliere leraren die lesgeven in de 7e klas van de vrijeschool: de werkdruk in het reguliere onderwijs is groot en leidt tot tijdsdruk, voortdu­rend het gevoel hebben dat je moet opschieten en jachtigheid. Maar een leraar is er niet om de cijfers van zijn leerlingen jaar in jaar uit tot grote hoogten op te jagen. Hij is er omdat hij van gro­te invloed kan zijn op de groei en bloei van zijn leerlingen.

Hoe is het zover gekomen dat het eindexamenresultaat het doel is geworden en van groter belang wordt geacht dan de weg ernaar toe, dat wil zeggen: de vorming van de leerlingen?

Lange tijd waren de woorden van de grote onderwijsman Dewey befaamd: If it is better to travel than to arrive, it is because traveling is a constant arriving.

 Neoliberaal
In het midden van de jaren tachtig steekt de neoliberale wind op. De markt wordt de norm. De gehele werkelijkheid wordt in termen van productie, consumptie en concurrentie uitgelegd. Filosoof Ad Verbrugge vat die ontwikkeling als volgt samen: ‘De idealistische hippie uit de jaren zestig wordt de individualisti­sche “yup” van de jaren tachtig en ten slotte de zakelijke “mana­ger” van de jaren negentig. De ideologische zorg voor zichzelf uit de jaren zestig heeft zich omgevormd tot de meer algemeen geaccepteerde zorg voor de eigen portemonnee.’

Vanaf de jaren tachtig, maar zeker na de val van de Muur in 1989, leven we in een wereld die wordt beheerst door het neoli­berale model van de onbegrensde markt. Bij dat denken past een waardepatroon dat neerkomt op het recht van de sterkste. Het gemeenschappelijke heeft in dat denken geen betekenis. Het bestaan van zoiets als een samenleving wordt ontkend.

De gevleugelde woorden van Margaret Thatcher – een van de grootste voorvechters van het neoliberale denken – zijn ont­hutsend in hun eerlijkheid: There is no such thing as society, only individual men and women.’

Deze ontwikkeling is ook zichtbaar in de vormgeving van ons onderwijs. In dertig jaar vindt de afbraak plaats: de traditie wordt ontkend, de vroegere orde genegeerd. Wat we zien is de opkomst van bijvoorbeeld de ROC’s, de grootschalige onder­wijsfabrieken, zonder persoonlijk contact met leraren, met gebrek aan structuur en discipline. Ad Verbrugge: ‘Hoe minder vormingskracht er van de ouders en het onderwijs uitgaat, hoe meer probleemjongeren er ontstaan.’ De explosieve groei van het speciaal onderwijs en de schrikbarende stijging van jon­ge arbeidsongeschikten (Wajong) zijn daarvan een schrijnend gevolg. Het onderwijs erodeert. De leraar is procesbegeleider geworden, die een vak niet meer hoeft te onderwijzen. Ongelo­felijk maar waar: een leraar wordt dus ook niet meer opgeleid in een vak. Hij leert nu in plaats daarvan wat sociale vaardigheden om in groepen met leerlingen te kunnen werken. De leerlingen worden geacht, in het Nieuwe Leren, ‘zelfontdekkend’ aan het werk te gaan.

Het geld van de school verdwijnt naar de managers, die in gro­ten getale de scholen bevolken. De reusachtige schaalvergro­ting maakt duidelijk waarop men focust: op massa, op nieuw­bouw, op fusies. Het onderwijs aan leerlingen op de werkvloer is geheel buiten zicht geraakt. De schooltorens verrijzen, het onderwijs verschraalt en de bestuurders verrijken zichzelf.

De gedachte dat concurrentie tussen onderwijsinstellingen de kwaliteit verhoogt, doet uiteindelijk de lijstjes ontstaan als van Dronkers, Elsevier en de Keuzegids Middelbare Scholen.

Vrijheid van onderwijs
De vrijeschool acht de weg belangrijker dan het doel, het pro­ces is voornamer dan het behaalde resultaat – in onze huidige samenleving een noodzakelijke tegenstem. Maar klinkt die nog? De vrijheid van onderwijs maakt dat die stem in ieder geval nog zou kunnen klinken. Of niet meer? Voor velen is uniforme­ring vanzelfsprekend. Hoogleraar Greetje van der Werf stelt onomwonden: ‘Het is daarom van belang dat de vrijheid van de onderwijsmarkt wordt ingeperkt.’

Paul Frissen, hoogleraar Bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg, merkte onlangs op, dat die vrijheid niet eens meer bestaat: ‘We hebben in dit land het prachtige systeem van de vrijheid van onderwijs gehad. Hoewel die vrijheid nog steeds bestaat en zelfs grondwettelijk is verankerd, is hij met alle cen­tralisatie en normalisatie in de praktijk inmiddels ter ziele.’

Het is lang geleden dat er vanuit de vrijescholen een protest werd geformuleerd, een manifestatie georganiseerd, een vuist gebald. Als ik de tijdgeest goed versta, wordt het tijd opnieuw de stem luid en duidelijk te verheffen. In een symposium of op het Bin­nenhof! Uit oprechte zorg voor de kinderen die ons zijn toever­trouwd. Uit oprechte zorg voor het bestaansrecht van de vrijes­cholen in Nederland. Uit oprechte zorg voor alle ouders die zich niet laten leiden door die dwaze Dronkerslijstjes.

Ouders willen zorg voor de ontwikkeling van hun kind en geen stenen voor brood. Ze zoeken niet een school waar hun kind voor een arbeidsmarkt wordt opgeleid.

Ik doe dan ook een oproep aan alle vrijeschoolleraren in Neder­land om de krachten te bundelen, om de kostbare vrijheid van onderwijs te behouden; ik doe een oproep aan Rian van Dam, onze nieuwe voorzitter van de Vereniging van Vrijescholen, om sturing te geven aan al wat als morrende onvrede leeft in de vrijeschoolbeweging over de economisering van het onderwijs.

Klop op de deur
Ook de ziel van het kind zelf hongert. Er wordt geklopt aan de deur van onze school. In Roermond, waar we in augustus 2013 met een 7e klas bescheiden zijn begonnen – als kleine afdeling van het grote BC Broekhin – is het enthousiasme voor het vrijeschoolonderwijs binnen enkele maanden zo onstuimig gegroeid, dat we in het komende schooljaar waarschijnlijk met drie 7e klas­sen zullen groeien. En dat in een krimpende regio als Limburg.

Als dat gaat gebeuren, zullen we dat natuurlijk vieren – leraren en leerlingen tezamen – met vlaai!

Marcel Seelen.
Met toestemming van de auteur overgenomen uit Motief nr.180  mrt 2014

.

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1387

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie – GA 300C

.

RUDOLF STEINER OVER EURITMIE

GA 300C

Beknopte inhoud:
blz. 14: 
wat is euritmie; vergelijking met gymnastiek
blz. 96/97: over de klankfiguren en hoe die met de leerlingen te behandelen
blz.  103: door exameneisen moeten er in klas 12 vakken uitvallen: de euritmie niet!

blz. 14

Diese Eurythmie ist eine sichtbare Sprache. Durch sie werden die menschlichen Körperglieder bewegt, wird der ganze Mensch und werden Men­schengruppen zu solchen Bewegungen veranlaßt, die gesetzmäßig einen Seeleninhalt ausdrücken wie die Lautsprache oder die Musik. Der ganze Mensch wird beseelt bewegt. Wenn nun heute das Turnen, das direkt nur auf die Erstarkung des Körpers und höchstens indirekt auf die moralische Kräftigung des Menschen wirken kann, vorurteilsvoll überschätzt wird, weil es einseitig auf das Physische geht, so wird eine spätere Zeit erkennen, wie die beseelte Bewegungskunst der Eurythmie zugleich mit dem Physischen die Willensinitiative zur Entfaltung bringt. Sie erfaßt den Menschen als Ganzes nach Leib, Seele und Geist.

Deze euritmie is een zichtbaar spreken. Door haar komen de menselijke ledematen in beweging, wordt de hele mens en worden groepen mensen tot die bewegingen aangezet die wetmatig een inhoud van de ziel tot uitdrukking brengen zoals de spraakklanken en de muziek. De hele mens komt bezield in beweging. Wanneer je nu tegenwoordig de gymnastiek die direct op het sterker worden van het lichaam en hoogstens indirect op het sterker worden van de moraliteit van de mens kan werken en vol met vooroordelen overschat wordt, omdat die eenzijdig op het fysieke werkt, zal een latere tijd inzien hoe de bezielde bewegingskunst van de euritmie tegelijkertijd met het fysieke de wil tot ontplooiing brengt. Ze spreekt de hele mens aan als een geheel van lichaam, ziel en geest.
GA 300C/14
Niet vertaald

blz. 96/97

Es wird gefragt wegen der Reihenfolge der Eurythmiefiguren.
Dr. Steiner: Ich habe sie so aufstellen lassen, daß ich die Vokale zusammengestellt habe, die Konsonanten zusammen, und die paar außerdem . Zweiundzwanzig bis dreiundzwanzig Figuren.
Nun könnte man innerhalb der Konsonantenreihe wiederum die Verbindungen zusammenstellen. Nicht gerade bloß alphabetisch. Das beste ist, überhaupt zu fühlen, mit was für einem Buchstaben man es zu tun hat, und nicht sehr abhängig zu sein von der Ordnung. Es mehr qualitativ empfinden, als das Nebeneinanderstellen.
Wenn jetzt nicht die schrecklich ungünstige Zeit wäre, so glaube ich, würde viel darin leben. Es sind jetzt die feineren Schwierigkeiten. Bevor das Kind nicht die betreffende Geste gelernt hat, kann es keinen Begriff mit der Figur verbinden. In dem Augenblicke, wenn es die Geste gelernt hat, muß es die Geste beziehen auf die Figur. Es muß die Beziehung erkennen, und zwar so, daß es die Bewegung verstehen wird, nicht Charakter und Gefühl. Das Gefühl drückt sich im Schleier aus. ,,Für einen Schleier bist du noch zu klein.” Was Charakter ist, kann man von dem Moment an, wo die Kinder lernen, sich innerlich hineinzuleben, auch nach und nach beibringen. Wenn die Kinder begreifen, was das Prinzip im Herstellen der Figuren ist, dann wird es günstig auf den Eurythmieunterricht zurückwirken. Im Laufe der Zeit entwickelt sich das künstlerische Gefühl. Wenn man es entwickeln kann, soll man es tun.

Er wordt gevraag naar de volgorde van de euritmiefiguren.

Dr.Steiner: ik heb die zo laten opstellen dat ik de klinkers samen genomen heb, de medekliners samen en nog een paar. Tweeëntwintig of drieëntwintig figuren.
Nu kun je binnen de medeklinkers verbanden leggen. Niet alleen maar alfabetisch. Het beste is allereerst in te voelen met welke letter je van doen hebt en niet te veel afhankelijk te zijn van de volgorde. Het is meer een kwalitatief invoelen, dan het naast elkaar zetten. Wanneer het nu niet zo’n verschrikkelijke ongunstige tijd zou zijn, dan zou er, denk ik, veel van beleefd kunnen worden. Nu hebben we te maken met subtiele problemen. Voor het kind niet het betreffende gebaar heeft geleerd, kan het geen verbinding tot stand brengen met de figuur. Op het ogenblik waarop hij het gebaar heeft geleerd, moet hij het gebaar betrekken op de figuur. Hij moet het verband kennen en wel zo dat hij de bewegingen begrijpen zal, niet het karakter en het gevoel. Het gevoel komt tot uitdrukking in de sluier. ‘Voor een sluier ben je nog te jong.’ Wat karakter is, kan je ze vanaf het ogenblik waarop de kinderen leren zich innerlijk in te leven, ook langzamerhand bijbrengen. Wanneer de kinderen begrijpen wat het principe is bij het ontwerpen van de figuren, zal dat gunstig op de euritmie terugwerken. In de loop van de tijd ontwikkelt het kunstzinnige gevoel zich. Wanneer je dat ontwikkelen kan, moet je het doen.
GA 300C/96-97
Niet vertaald

Welche Stunden soll man wegcn der Abituriumsvorbereitungen von jetzt ab in der 12. Klasse weglassen?

Dr. Steiner: Mit schwerem Herzen Technologie und Handwerk weg­lassen, ebenso Turnen und Gesang. Eurythmie läßt sich nicht weg­lassen.

Welke uren moeten er door de examenvoorbereidingen van nu af in de 12e klas wegvallen?

Dr.Steiner: met een bezwaard hart: technologie en handenarbeid, ook gymnastiek en zingen. Euritmie kan niet weggelaten worden.
GA 300C/103
Niet vertaald

.

Rudolf Steiner over euritmie

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldklankfiguren

.

1386

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rekenraadsel (nieuw)

.

Wat is het grootste getal dat je kunt schrijven met vier enen?

Oplossing:  de klas die machtsverheffen heeft gehad, zou het moeten kunnen vinden:

elf tot de elfde macht:   1111

.

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.