VRIJESCHOOL – actueel: advent

.

advent wordt met een kleine letter geschreven

advent: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Kinderspelen en jaargetijden

.

KINDERSPELEN EN JAARGETIJDEN

Een overstelpende fantasie in vorm- en kleurencombinaties spreidt zich ieder jaar weer, vooral in het voorjaar met al zijn bloemen en bloesems, voor onze ogen uit. In iedere plantenfamilie is een rijkdom van vorm, die zich in iedere soort weer anders openbaart.

Wat in een plant het meest in verschijning treedt, is enerzijds het groeien en bloeien en anderzijds het verwelken. Geweldige groeikrachten kunnen uit een eikel een reus van een boom laten ontstaan. Uit iedere bladknop komen ieder jaar weer een aantal bladeren en zo vermenigvuldigt zich 100-, ja 1000-voudig het geheel der bladeren, zo komen b.v. bij een linde uit één knop 5 nieuwe bladeren. En hoeveel knoppen zal hij hebben? Ieder jaar in de herfst vallen deze bladeren weer af en verwelken. Een geweldige dood vaart omstreeks november door de plantenwereld. De groeikrachten die zich in het voorjaar op zo’n grandioze wijze in de planten hebben geuit trekken zich nu weer terug. Leven- en doodskrachten werken in de natuur voortdurend en wisselen elkaar af.

Ook wij mensen zijn ingeschakeld in deze grote stroom van levens- en doodskrachten, opbouwende en afbrekende krachten.

Het kind is in de eerste plaats in de opbouwende stroom ingeschakeld, de grijsaard leeft in het “verwelken”. Als men het kind gadeslaat, dat aan het bouwen is met gewone blokken hout, dan ziet men hoe als een natuurlijke behoefte het verlangen optreedt het ontstane kunstwerk, dat echter veel gevoel voor evenwicht en juiste verhoudingen kan vertonen, dit bouwsel weer overhoop te gooien. De vreugde van het overhoop gooien, is uiterlijk gezien vaak groter dan de vreugde van het opbouwen. Spanning en ontspanning zijn hier de elementen, die het spel beheersen.

Ik heb een tijdlang een kind meegemaakt dat een opgetrokken bouwwerk niet in elkaar wilde gooien. Hoe men het ook probeerde, dit van het kind gedaan te krijgen, het lukte niet. Ik wilde er achter komen, wat er gebeurde, als men dit toch deed. Het kind scheen een innerlijke smart of pijn te ervaren, want het begon te huilen, wat het overigens zelden deed. Het is haast overbodig te vermelden, dat dit een ziek kind was.

Opbouwen en afbreken, dit zijn de natuurlijke levenselementen van een gezond kind. Waar dit niet in harmonische opeenvolging kan gebeuren, wordt het kind ziek.

Overigens treedt dit element bij allerlei spelletjes zeer gevarieerd op.

Neemt men b.v. een van de allerbekendste kringspelen “In Holland staat een huis”. Alle kinderen vormen eerst een kring. Nu wordt de heer gekozen, hij staat in het midden, de vrouw, het kind enz., de kat en de koe, allen komen in het midden te staan, tot de hele kring is opgelost en naar het midden is verdwenen. In het tweede deel van het spel wordt iedereen uit het huis gejaagd zodat nu de een na de ander weer in de kring terugkeert, weer in de kring is opgenomen,. Cirkel wordt middelpunt, middelpunt wordt cirkel… het is één grote ademhaling wat zich daar in de beweging van buiten naar binnen en van binnen naar buiten afspeelt. Nadat dit gebeurd is, wordt ook nog het hele huis verbrand. En wat is het einde van dit spel? … en we bouwen het huis weer op…!

HET VOORJAAR en het ontkiemen en ontspruiten der planten

Ieder jaar verschijnt prompt, nog vóór alle planten uit de aarde te voorschijn komen, het knikkeren (soms nog een keer in de herfst). Er zijn streken waar de meisjes met bonen spelen op dezelfde wijze als hier met knikkers.

En de jongens? De knikkers worden naast elkaar geplaatst in een rij, en met een grotere knikker, die meestal uit lood is gegoten (dat gieten doe je dan zelf) uit de rij gemikt. Bij een voltreffer rollen alle knikkers naar alle richtingen uiteen. Je kunt het wel zelf aanvoelen: het is een spannender gebeuren dan het spel van de meisjes (de bonen in een kuil rollen). Het heeft iets van dat open scheuren b.v. van de kastanjeknoppen, dat soms in één nacht kan gebeuren, na een zachte voorjaarsregen. – Iets later, wanneer de hele natuur zich vol ontplooit, komt het touwtjespringen van de meisjes, dat zeer ritmisch verloopt: ook heden ten dage nog een geliefd spel. Het kan door kinderen van verschillende leeftijd worden gespeeld, in ’t bijzonder door de iets oudere meisjes met verschillende variaties, aangepast aan de concentratiemogelijkheden. Is het niet alsof er in de machtige groei-atmosfeer, die overal in deze tijd buiten aanwezig is en in het opkomen van duizenden plantenkiemen zichtbaar wordt, een verborgen transformator schuilt? Het zich losmaken van de aarde bij het springen is een bevrijdend gebeuren. Eigenlijk hoort hier ook het hinkelen bij, waarover ik in het vorige verslag alleen een aspect beschreven heb. Het is een oeroud spel, dat in veel variaties voorkomt.

IN DE ZOMER zijn het de reidansen, die in vroegere tijden in vele landen door jong en oud gedaan werden in de tijd vóór de langste dag van het jaar.

Het is steeds weer een opvallend gebeuren hoe het ene of het andere volk deze dansen tot uiting brengt. Een meer oostelijk volk zal zijn “volksdansen” met een sterk cholerische inslag en daarbij de liederen veel meer consonantisch ten gehore brengen. Een ander volk, b.v. de Grieken zullen hun dansen veel harmonischer in wijde kringen, waarbij deze in wisselende ritmen een grote ademhaling vormen van systole en diastole, ten tonele brengen. Deze spelen kan men ook tegenwoordig met veel vreugde zien dansen. Met hun zeer gevarieerde aankleding wordt door verschillende kleuren in de volksdracht het karakter van deze landstreken onderstreept.

Het feest van dc zomerzonnewende in de voor-christelijke tijd en later het SINT- JANSFEEST worden gevierd wanneer de zon het hoogste aan de hemel staats als de dagen niet willen eindigen en de nacht heel kort is. Er zijn nog vele streken waar nog heden op de bergen en heuvels vuren worden ontstoken, als het ware om de toch al zo korte nacht nog te verlichten. De langste dag wordt met de kortste nacht en de daarop volgende dag tot één grote dag verbonden (dag-nacht-dag).

Zelf heb ik in deze tijd tijdens een tocht naar huis, ’s avonds vóór het donker worden, vele kleine lichtjes zien zweven en dansen. Het zijn de ‘Johanneskevertjes’, die vooral aan de rand van het bos hun reidansen uitvoeren. Het is een. fascinerende gewaarwording wanneer je dit nooit te voren hebt gezien. – Een andere keer heb ik in juni ’s morgens vroeg bij het opkomen van de zon de roze flamingo’s hun wonderlijke dans zien uitvoeren. Het is een even schoon als in zijn soort wonderlijk gebeuren.

Volgens een bericht van een ooggetuige voeren ook de olifanten op open plekken in het oerwoud bij maneschijn midden in de nacht wonderlijke dansen uit.
U begrijpt wel dat deze dansen van de juni-kevertjes, de flamingo’s en die van plompe olifanten in hun karakter heel verschillend zijn.

Bij het hoog oplaaien van het vuur worden meestal liederen gezongen die bij deze feestdag horen. St.-Jansliederen en oude zonnewende-liederen. Daarna werden stropoppen, ook wel eens st.-janskruid in het vuur gegooid als
zinne
beeld voor het verbranden van persoonlijke slechte eigenschappen (en wie zal die niet hebben?), die door het louterende vuur worden opgenomen en verbrand. De genezende kracht van het st.-janskruid zal daarbij helpen. Met het “over het vuur springen” dat de moedkrachten oproept, wordt dit mooie jaarfeest afgesloten.

VLIEGEREN IN DE MICHAËLSTIJD

De herfst brengt weer andere spelen, bij voorbeeld het vliegeren. Na een hete zomer is het loslaten van de vliegers bij de opkomende winden een bijzonder geliefd spel. Wat een gewaarwording! je ziet ook de vaders meedoen: wat is het heerlijk met je vader erop uit te trekken om te vliegeren! Nu eens je blik te richten, niet alleen naar de aarde… om dubbeltjes te zoeken, maar nu gericht naar boven, naar de hemel. Wat zou dat goed zijn voor een melancholische jongen. Wat een hoogte kan zo’n vlieger bereiken! Aan de rand van Amsterdam heb ik er vaak naar gekeken, hoe dan het snoer, het touw van de vlieger door een stuk papier werd getrokken en dan in ijltempo langs het touw omhoog zweeft, totdat het uiteindelijk terecht komt bij de vlieger, die dan alle ‘berichten verzamelt’. Dit ‘briefschrijven’ is een ware ‘luchtpost’. – Het zelf maken van de vlieger gaat aan deze luchtvaart vooraf, want de handvaardigheid hoort nu eenmaal bij het spel.

DE TOLLEN
Wanneer de bladeren van de bomen vallen, alle zaden van de planten neergevallen zijn en door de aarde zijn opgenomen, de plantensappen weer teruggaan naar de wortels in de aarde, de aarde als het ware weer inademt, dan verschijnen in zonnige herfstdagen de tollen, die dan in wijde kringen of in spiralen ‘onvermoeid’ over de grond dansen, (in verschillende streken worden de tollen ook Tanzer genoemd.) De speler moet steeds actief met zijn zweep in beweging blijven, zodat de tol niet ‘moedeloos’ omvalt.

Buiten wordt het in het bos al kil en bij het wandelen aldaar krijg je ieder ogenblik een spinnendraad over je gezicht, een akelige gewaarwording. ‘Hoe komt dat zo?’ vraag je je dan af… De spinnen zijn bezig zich uit de bomen aan draden neer te laten, om op de aarde gekomen, zich in te graven om daar in een of ander holletje zich voor hun winterslaap tegen de kou te verbergen. De spiralende draaibewegingen (boorbewegingen) van de tol, zijn ze niet een beeld voor de kosmische krachten, die nu terugkomen en zich weer verbinden met de aarde? Die uit de hemelsferen neerdalende kosmische krachten hebben nu de opgave de aarde voor te bereiden op een nieuwe zomer. Dit gebeuren wordt in de sprookjeswereld tot het beeld van het nijvere smeden van de kabouters .

Nog laat in november, wanneer alleen nog enkele plat op de grond groeiende planten kantachtige rozetten vormen, die streng uitgeciseleerd zijn en meer een kristalachtig dan een plantachtig karakter hebben, of nog later wanneer sterk kosmische werkingen nog duidelijker op aarde zichtbaar worden: de eerste sneeuwkristallen, dan wordt een soort meetkundig spelletje gespeeld: van een touwtje worden de uiteinden aan elkaar geknoopt en zo tot een cirkel gevormd. Met beide handen wordt dit touwtje op de vingers vastgehouden, door overnemen ontstaan velerlei speelvormen en variaties.

De kinderen zijn vol van deze spelletjes, en wie zou hieraan ook niet willen meedoen? Deze spelen hebben een internationaal karakter en zijn als zodanig niet de uitvinding van een enkeling, maar volksspelletjes, die gevarieerd, naar gelang van verschillende klimaten, over wijde gebieden verspreid zijn.

Er zijn nog veel meer spelen, die ik had moeten beschrijven, ik heb hier alleen de doe-spelen aangehaald. Voor de winter binnen in de verwarmde huiskamer worden dan de denkspelen, dammen, halma, schaken en vele andere spelen gespeeld.

Daarnaast nemen de gezelschapsspelen een belangrijke plaats in, ze worden meestal in de familiekring met vrienden gespeeld en hebben een
gemeenschapsvormende sociale opgave te vervullen.

A.J. Miedaner, vrijeschool Zeist, nadere gegevens onbekend

.

Spel: alle artikelen

Aftelversjes  bikkelen   hinkelen   touwtjespringen

 vliegeren

.

1635

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-6)

.

Oneigenlijke polarisering in het arbeidsbestel

werkgever / werknemer

Iedereen kent de vraagstelling: werk je voor jezelf of voor een baas? Je bent in dienstverband bij een ander of je bent zelfstandig. Beide situaties zeggen iets over de rechtspositie.

De vraag voor wie ik eigenlijk werk is met geen van beide aangereikte alternatieven te beantwoorden. In een tijd van wereldwijde arbeidsverdeling is het enige correcte antwoord: ik werk voor de behoeften van een medemens. Toch is deze vraagstelling, in de vorm van de twee genoemde mogelijkheden, karakteristiek voor onze tijd. De consument is uit het zicht verdwenen en de arbeidswereld zelf is uiteengevallen in twee kampen: zij die in dienstverband werken, de zogenaamde werknemers, en zij die als zelfstandige, als ondernemer, als manager leiding geven: de zogenaamde werkgevers.

Het sociaal-economische leven, en daarmee het politieke leven in wijdere zin, is gekleurd door deze tegenstelling: werkgever-werknemer, ofwel kapitaal-arbeid. Een polariserende belangentegenstelling die tot sociaal ontwrichtende arbeidsonlusten, stakingen, loon-prijs-spiralen, bedrijfssluitingen en dergelijke voert. Hoe is dat zo gekomen en in welke richting is een positieve ontwikkeling mogelijk?

Wanneer we in dit artikel ingaan op de kloof in het arbeidsbestel moeten we wel bedenken dat deze slechts een van de verschijningsvormen is van de vele kloven die deze wereld doortrekken: tussen oost en west, tussen producent en consument, tussen industrielanden en grondstoflanden, enzovoort.

Al die kloven beginnen te ontstaan sinds met het begin van de nieuwe tijd (zestiende eeuw) de moderne natuurwetenschap opkomt. Aan die natuurwetenschap ligt een heel nieuw denken ten grondslag: het onderscheidend, analyserend, ja-nee en zwart-wit denken. Dat denken en het soort wetenschap waartoe dat denken leidt, maakt techniek en industrie mogelijk en levert ons de uiterlijke welvaart waar we zo moeilijk weer afstand van kunnen doen. Sociaal gezien werkt dit denken als een splijtzwam. Het verstoort natuurlijke sociale verbanden, maakt mensen tot object, plaatst ze tegenover elkaar en ordent ze in technocratische systemen.

In het natuurwetenschappelijk denken plaatst de mens zich als toeschouwer; als onderzoeker buiten de natuur. Hij maakt de natuur tot object. Zo leert hij de natuur beheersen, manipuleren, uitbuiten. Deze natuurwetenschap is alle levensgebieden zodanig gaan doordringen dat ook haar grondhouding alom aanwezig is. Voor de werkgever is de werknemer object, voor de producent is de consument een afzetkanaal, voor de industriële landen is de derde wereld grondstofleverancier.

Wij staan nu voor de taak om in al deze polariserende sociale velden zelf een midden te scheppen. Dat vraagt om een nieuw denken, een denken in samenhangende gehelen, een denken dat steeds beide polen kan omvatten.

‘Caput’-alisten en ‘proles’-tariërs

Over het ontstaan van de kloof in het arbeidsbestel valt het volgende te zeggen. Tot aan het begin van de industriële revolutie is het economische leven hoofdzakelijk van agrarische aard. Daarnaast is er handel en ambachtelijke productie. Techniek speelt een geringe rol. De arbeid speelt zich af in directe wisselwerking met de natuur, het materiaal, het product. De samenleving had het karakter van een standenstaat, zeker niet zonder ‘politieke’ spanningen, maar toch nog gedragen door een zekere natuurlijke, geaccepteerde sociale orde. Een totaal nieuwe situatie ontstaat op het moment dat menselijke intelligentie zich op het arbeidsproces richt; geestkracht en vernuft worden aangewend om arbeid te delen, te organiseren, te mechaniseren. Dit leidt tot samenballing van grote groepen mensen die tot object worden van deze organiserende intelligentie. In fabrieken staan de machines, staan de lopende banden, staan de intelligente arbeidssystemen centraal.

Dit alles is resultaat van het denken van het hoofd, Latijns ‘caput’. In dit nieuwe aspect van het ondernemingsgebeuren leeft de ‘caput’-alist zich uit. Voor degene die dit soort bijdrage niet kan leveren blijft niets anders over dan zijn werkkracht te leveren. Hij noemt zich proletariër. Dat komt van het Latijnse ‘proles’: nakomeling. Het enige wat hij bezit is zijn reproductie-vermogen, zijn vitale kracht. Zo begint de onderneming als het ware menskundig uiteen te vallen in hoofd en leden, in ‘caput’-alisten en ‘proles’-riërs, in een bovenpool en een onderpool, in mensen die hun arbeidskracht op de natuur, de stof, de materie aanwenden (steeds meer met hulp van machines en mensen die hun geestkracht aanwenden om de arbeid intelligent te organiseren).

Nu is ieder mens – zij het in verschillende mate – tot beide soorten arbeid in staat. En ook arbeidskundig is het niet zo dat er door een organisatie een streep loopt, links waarvan alleen arbeidskracht op natuur aangewend zou worden en rechts geestkracht op arbeid.

Eigendomsverhoudingen

Het verschijnen van de ‘caput’-alist op het arbeidstapijt zou op zichzelf nog niet hebben hoeven leiden tot polarisatie van het arbeidsbestel. Een andere factor heeft daartoe bijgedragen, namelijk de eigendomsverhoudingen. Ten tijde van de opkomst van de moderne industrie was het Romeinse recht het algemeen geldende. Dat recht kende een onderscheid in publiekrecht en privaatrecht. Wat nu het eigendomsrecht betrof kende men eigenlijk maar twee objecten: grond en gebruiksgoederen. De grond was eigendom van de kerk of van de vorst, die het kon uitlenen of in erfpacht geven. Al het andere kon object van particulier eigendom zijn. Het ‘ius utendi et abutendi’ (het recht om te gebruiken en te misbruiken) was een belangrijke verworvenheid in het Romeinse rijk.

Met de industriële revolutie treden totaal nieuwe objecten de rechtssfeer binnen: machines, fabrieken, industriële complexen, patenten, markten en dergelijke. Op dat moment zou ook het rechtsleven een stap in haar ontwikkeling hebben moeten maken. Dat gebeurt niet. De nieuwe economische wijn wordt in oude juridische zakken gegoten. Productiemiddelen worden – evenals tafels en stoelen – tot object van privaatrecht: men kan ze bezitten, verkopen, verhandelen en ze voor persoonlijke doeleinden gebruiken en eventueel misbruiken. Dat geldt zowel voor de persoonlijke ondernemer als voor een groep aandeelhouders die tezamen een onderneming bezitten. Als later Marx deze situatie aan de kaak stelt als oorzaak van alle sociale ellende, wordt in het oosten de andere mogelijkheid gekozen die het Romeinse recht biedt: de staat wordt eigenaar van alle productiemiddelen. In wezen maakt dat geen verschil.

Wanneer de ‘nieuwe’ ondernemer-industrieel zich eigenaar mag noemen van een fabriek en van de daaruit voortvloeiende winsten, ligt het voor de hand dat de proletariër, die zijn arbeidskracht aanbiedt, zich eveneens eigenaar waant van dit ‘goed’. Zoals de ondernemer het rendement van zijn eigendom zo hoog mogelijk probeert op te voeren, zo probeert de arbeider dat ook. Hij probeert zijn arbeidskracht zo duur mogelijk te verkopen. Vroeger werd de hele mens verkocht. Nu alleen nog maar de arbeidskracht.

Morele krachten en sociale vaardigheden

Zo leiden beide vormen van kapitalisme (staatskapitalisme in het oosten, privé-kapitalisme in het westen) tot een polarisering in het arbeidsbestel, een menselijk, sociaal en organisatorisch uiteenvallen van twee belangengroepen: de haves en de have-nots, de werkgevers en de werknemers, de bureaucratische leiders en de beambten, de verantwoordelijke (dat wil zeggen aan het kapitaal verantwoording verschuldigde) managers en de cao-werkers.

Deze polarisering leidt er toe dat de oude standenstaat in een nieuw gewaad voortleeft. Ook geeft hij voeding aan anti-sociale impulsen die op zich zelf een natuurlijk gevolg zijn van de emancipatie van groepen en individuen, maar die juist uit het economische leven gebannen zouden moeten worden.

In het economische leven werken we – door de arbeidsverdeling – voor elkaar. In ons handelen zijn we door die arbeidsverdeling al altruïst. Uit dat gebied zouden de anti-sociale impulsen van de zich emanciperende mensen zorgvuldig moeten worden uitgebannen. Het wekken van de morele krachten en de sociale vaardigheden, waardoor mensen het ‘objectieve altruïsme’ van het economische leven ook leren willen en kunnen, is alleen mogelijk in een werkelijk vrij geestesleven. Op dat aspect van de sociale driegeleding kan in dit artikel niet verder worden ingegaan.

Het scheppen van de sociale inrichtingen, de afspraken, de wetten die het mogelijk moeten maken dat de gepolariseerde situatie tot een levende polariteit wordt waarbij de polen elkaar niet dialectisch bestrijden, maar in echte dialoog met elkaar komen, is een taak voor het rechtsleven.

Een werkplaatsje

Om een idee te krijgen van wat we ons hierbij kunnen voorstellen volgt nog een korte beschrijving van een fictief, concreet geval.
Jan neemt het initiatief een werkplaatsje voor kinderspeelgoed te beginnen. Hij leent geld bij de bank. Een kring geïnteresseerden heeft het krediet door een persoonlijke borgstelling gedekt. Veel meer dan het minimumloon blijft er voor Jan en voor de eerste medewerkers die zich met het initiatief verbinden niet over. Zij treden niet in dienst bij Jan, maar associëren zich als vrije medewerkers. Zij maken onderling een afspraak over hun rechten en plichten, met name over het minimuminkomen dat zij elkaar in deze beginfase toestaan uit de gemeenschappelijk verworven inkomsten.

Als de onderneming groeit en er meer kapitaal moet worden aangetrokken, wordt een stichting opgericht, die de productiemiddelen ‘bezit’. Op de balans is het vermogen min of meer in evenwicht met de uitstaande schulden. De juridische eigenaar kan zich met dit ‘bezit’ op geen enkele wijze persoonlijk verrijken. Deze heeft alleen het recht – en de plicht – er op toe te zien dat bekwame mensen met het productiemiddel werken. Door de neutralisering van het eigendom kan nu ook risicodragend kapitaal worden aangetrokken voor verdere investeringen. Het zal de verstrekkers geen macht over de onderneming verschaffen, hoogstens een extra vergoeding wanneer de zaken goed gaan.

De medewerkers overleggen met elkaar – en maken daarover steeds opnieuw harde afspraken – welk deel van de bruto inkomsten zij als gemeenschappelijk inkomen zullen beschouwen en volgens welke criteria zij deze pot zullen verdelen. Daarbij kunnen zowel behoefte, arbeidsduur, prestatie, als onder-nemerskwaliteiten een rol spelen. Wat als rechtvaardige beloning beleefd wordt, kan alleen door de betrokkenen – c.q. hun vertegenwoordigers – worden bepaald.

Er bestaat in deze situatie geen werknemerschap, c.q. dienstverband. Alle medewerkers verbinden zich persoonlijk tot een vorm van medewerkerschap. Sociale verzekeringen kunnen persoonlijk bij externe instanties worden ondergebracht of middels een gemeenschappelijk opgerichte eigen voorziening worden geregeld. Bij dit alles blijven grote verschillen bestaan in het soort bijdrage dat de medewerkers leveren (met geestkracht arbeid organiseren of met arbeidskracht materiaal bewerken en alle mengvormen daartussen), in de mate van identificatie met en trouw aan de onderneming, en in deskundigheid. Deze verschillen kunnen echter constructief tot gelding worden gebracht in het overleg binnen de onderneming, in de dialoog tussen de polen. De voorwaarde voor deze dialoog is geschapen doordat noch door het bezit van productiemiddelen, noch door het collectief looneisen stellen van de werknemers, macht kan worden uitgeoefend.

Of binnen deze voorwaarden de dialoog ook werkelijk constructief verloopt en de onderneming slagvaardig blijft, wordt natuurlijk mede bepaald door de sociale vaardigheden en de persoonlijke inzet van de medewerkers. Het blijkt dat nieuwe initiatieven, waar met bovenbeschreven nieuwe sociale vormen ervaring wordt opgedaan, even zovele oefenplaatsen zijn voor deze vermogens.

Volgende kloven

Ten slotte nog een kort perspectief, dat ik niet verder heb kunnen uitwerken in het bestek van dit artikel. Wanneer langs de boven beschreven weg binnen de onderneming geen sprake meer kan zijn van uitbuiting van de ene groep door de andere, wanneer met andere woorden de kapitaal-arbeid kloof is overbrugd, wacht de volgende kloof: die tussen producent en consument. Waarom zouden de werkers van een onderneming niet samen de consumenten kunnen uitbuiten? Ook de overbrugging van deze kloof vraagt om nieuwe inrichtingen. Rudolf Steiner noemt ze in zijn driegeledingsgeschriften associatief. Ook naar de kant van de grondstof-leveranciers hebben deze hun betekenis (kloof industrielanden – derde wereld).

En dan rest de grootste kloof te overbruggen: waarom zou het geassocieerde economische leven niet gemeenschappelijk het geestesleven (bijvoorbeeld onderwijs, wetenschap, gezondheidszorg) uitbuiten, knechten, voor zich gebruiken? De overbrugging van deze kloof verwijst naar een stroom van vrije schenkingsgelden die uit de winsten van de ondernemingen naar het geestelijke culturele leven vloeien. Opdat van daaruit het economische leven weer opnieuw met begaafdheden en capaciteiten bevrucht kan worden.

.

Lex Bos, Jonas 15, 18-03-1983

Sociale driegeleding: alle artikelen    kapitaal – arbeid onder nr. 9

.

1634

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 6e/7e klas – Natuurkunde – licht (3-4)

.

Om licht te kunnen karakteriseren zijn de vorige artikelen  [3-1]  en [3-2]  een goede hulpbron. 
Er is nog veel meer over ‘licht’ te vertellen. [3-3]
Hieronder een ouder artikel, waarin nog interessante gezichtspunten. 
Het onderzoek staat niet stil en sommige bevindingen van toen, moeten wellicht weer wat worden genuanceerd.

De mens kan het daglicht niet missen

Daglicht heeft een belangrijke invloed op het functioneren van mens en dier. De intensiteit van het licht, de lengte van de dag en de seizoensgebonden verschillen daarin hebben invloed op de „biologische klok’’ en op de ritmische levensprocessen die deze klok stuurt.

Is het moderne leven onder kunstlicht, dat het natuurlijke ritme verstoort, daarom schadelijk voor de mens? Niet meteen ( ) Toch blijft het daglicht voor de mens onmisbaar.

Tijdens de industriële revolutie werd een toenemend aantal gevallen van een typische kinderziekte waargenomen die later bekend werd als de Engelse ziekte. Deze uitte zich in een zwak bottenstelsel, waardoor de benen en de rug van de kinderen krom groeiden. De oorzaak van de ziekte was aanvankelijk onbekend, zodat artsen niets konden doen om het groeiend aantal zieke kinderen te genezen. Men merkte op dat de Engelse ziekte vooral in dichtbevolkte industriegebieden voorkwam, waar weinig zonlicht was. Later bleek dat de ziekte eenvoudig te genezen was door de kinderen aan zonlicht bloot te stellen.

De Engelse ziekte is een van de voorbeelden waardoor onder medici het besef groeide dat zonlicht voor het lichaam van aanzienlijk belang is. Zonlicht is straling die bestaat uit elektromagnetische golven met uiteenlopende golflengten. De hele korte golven vormen ultraviolette straling. Het ultraviolet ligt net onder de grens van de zichtbare straling. De kortste zichtbare golven geven violet en blauw licht, de iets langere zijn groen, geel of oranje en de langste golven die we nog kunnen zien zijn rood. In het natuurlijke daglicht komen al deze golflengten meestal in een zodanige verhouding voor dat wij wit licht zien.

Naast door de golflengte wordt licht gekenmerkt door intensiteit. In onze normale omgeving varieert de intensiteit sterk, in de eerste plaats door de draaiing van de aarde om haar as. Hierdoor is het elk etmaal ’s nachts donker. Tijdens de omloop van de aarde om de zon zijn er in de loop van het jaar bovendien verschillen in daglengte. Terwijl rond de evenaar de daglengte vrij constant is, zijn in de Noord- en Zuidpoolgebieden de daglengteverschillen tussen winter en zomer soms zo extreem dat de zon een etmaal lang niet ondergaat of opkomt.

Zonnig

Ook het weer beïnvloedt de hoeveelheid licht die wij zien. De intensiteit op een zonnige dag is ongeveer tien maal groter dan bij bewolking. Toch is op een bewolkte dag de lichthoeveelheid altijd nog circa honderd maal groter dan in een kamer met kunstlicht. Van de grootte van deze verschillen zijn we ons maar nauwelijks bewust.

Hoewel we goed kunnen zien onder al deze lichtomstandigheden is het de vraag hoe licht andere functies van ons lichaam beïnvloedt. Deze vraag was het thema van het congres „Medische en biologische invloeden van licht”, dat vorige week* door de New Yorkse Academie van Wetenschappen werd georganiseerd.

De Engelse ziekte, die vooral voorkwam in verstedelijkte gebieden met straten en huizen waar weinig licht door kon dringen, is een sprekend voorbeeld van de gevolgen van tekort aan zonlicht. Hoewel het al meer dan 60 jaar bekend is dat de ziekte hierdoor ontstaat, bleek op het congres dat men het waaróm pas onlangs is gaan begrijpen.
Ultraviolette straling van de zon zet de biologische grondstof voor vitamine D in de huid om in vitamine D3. Het bloed brengt vitamine D3 naar de lever en de nieren waar de uiteindelijk biologisch werkzame vorm van vitamine D gemaakt wordt. Dit vitamine D zorgt ervoor dat de darmen calcium opnemen wat vooral bij groeiende kinderen noodzakelijk is voor de botvorming.

Er zijn meer processen in de huid die onder invloed van zonlicht staan. Bij zonaanbidders is natuurlijk het verbranden en bruin worden bekend. Een huidpigment, melanine, veroorzaakt de bruine tint om de huid tegen nog meer zonlicht te beschermen. Het bruin worden is een normale functie van de huid. Op het congres in New York rapporteerde men hoe daarentegen ook huidziekten als psoriasis en huidallergieën met zonlicht geheel onder controle gebracht kunnen worden.

Leukemie

Een zeer opmerkelijk resultaat werd gebracht door Dr. R. Edelson van de
Columbia Universiteit in New York, die licht gebruikt bij de behandeling van leukemie. Hij zei: „Bij immuunziekten zoals leukemie is het zelden of nooit mogelijk de ziekte te genezen door de oorzaak weg te nemen. Het enige wat we kunnen doen is de ziekte onder controle brengen en zo het leven van een patiënt te verlengen”.

Bij leukemie gebeurt dit vaak met chemotherapie, die aanzienlijke bijwerkingen heeft. Deze bijwerking probeert Edelson te omzeilen door de natuurlijk in het lichaam voorkomende stof, 8-methoxypsoraleen, te binden aan een medicijn. De combinatie van beide stoffen heeft in het lichaam geen enkele invloed maar kan werkzaam gemaakt worden door het plaatselijk in de huid met ultraviolet licht te activeren. Zo wordt de rest van het lichaam gespaard van schadelijke bijwerkingen. Bij de eerste leukemiepatiënt, die met deze lichttherapie werd behandeld, had Edelson onlangs aanmerkelijk succes.

Fluctuaties in de lichtintensiteit die veroorzaakt worden door de beweging van de aarde hebben grote gevolgen voor de manier waarop mensen en dieren hun bezigheden in de tijd indelen. In de evolutie heeft zich een biologische klok ontwikkeld die ervoor zorgt dat dieren op die momenten actief zijn die voor hen — om uiteenlopende redenen. — het meest gunstig zijn. Deze klok staat in verbinding met de ogen, zodat hij de wisselingen van dag en nacht waarneemt en bovendien de daglengte kan meten. Onderzoekers van de Groningse en Leidse Universiteit lieten in New York zien hoe dit in zijn werk gaat.

Door veranderingen in de daglengte te meten is de klok in staat om het organisme op de jaargetijden voor te bereiden. De biologische etmaalsklok kan dus ook seizoensritmen tot stand brengen. Dit is een bijzonder belangrijke functie, omdat er tegelijk met de veranderingen in daglengte ook grote veranderingen in temperatuur en in de beschikbare hoeveelheid voedsel optreden. Deze laatste twee factoren vereisen een aanzienlijke aanpassing van de meeste diersoorten. De meest in het oog lopende aanpassingen zijn wel de vogeltrek en de winterslaap.

Dr. I. Zucker van de Berkeley Universiteit in San Fransisco liet op het congres zien dat het lichaamsgewicht van Canadese veldmuizen afneemt als in de herfst de dagen korter worden en dat hun vacht wel twee maal zo dik wordt. De geslachtsorganen van de hamster worden kleiner zodat de dieren zich niet meer kunnen voortplanten in het ongunstige winterseizoen.

Zucker vatte zijn bevindingen als volgt samen: „De daglengte is bepalend voor seizoensgebonden aanpassingen in lichaamsgewicht, temperatuurregulatie en voortplanting bij muizen. Deze aanpassingen (…) worden alle geregeld door de daglengte, wat de overlevingskansen van verschillende kleine zoogdieren vergroot”. Onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen, die de jaarritmiek bij veldmuizen in de Lauwersmeer bestuderen, bevestigen hoezeer deze dieren hun gedrag aan de seizoenswisselingen aanpassen.

Zelfmoord

Bij mensen zijn zowel psychologische als biologische jaarritmen waargenomen onder meer in groeisnelheid, agressie en het aantal verkrachtingen. Het sterftecijfer bereikt op het Noordelijk halfrond zijn hoogtepunt rond januari. Zelfmoordpogingen en bevruchtingen komen het meest in de vroege zomer voor. Bij de evenaar zijn jaarritmen vrijwel afwezig, terwijl ze op het Zuidelijk halfrond 6 maanden verschoven zijn ten opzichte van het Noordelijk halfrond.

Dr. Aschoff van het Max-Planck-Instituut voor gedragsfysiologie in Duitsland stelt dat hoewel sociale en culturele factoren de jaarritmen beïnvloeden, een biologische basis voor deze ritmen onmiskenbaar is, gezien hun kenmerkende en stabiele samenhang met de jaargetijden. Dus ook bij de jaarritmen van mensen blijkt de daglengte van belang.

Op grond van dit inzicht is op het Nationale Instituut voor Geestelijke Volksgezondheid van de Amerikaanse regering een therapie ontwikkeld om de jaarlijks terugkerende „winterdepressie, waaraan tal van mensen lijden, te genezen. Deze aandoening, die pas sinds enkele jaren ten volle wordt onderkend, kenmerkt zich door een diepe neerslachtigheid, prikkelbaarheid en een sterk verminderde behoefte aan sociaal contact. Bovendien eten en slapen de patiënten in deze maanden overmatig.

De behandeling bestaat hieruit dat patiënten ’s morgens en ’s avonds aan sterke belichting worden blootgesteld. Op deze manier proberen de Amerikaanse psychiaters de korte winterdag kunstmatig te verlengen’. Tijdens de behandeling geven de patiënten een aanzienlijke verbetering te zien.

In tegenstelling tot dieren is de mens door het gebruik van vuur, olielampen, kaarsen en met name de elektrische verlichting nooit volledig afhankelijk geweest van het daglicht. Het is echter een betrekkelijk recente gewoonte om een groot deel van de dag onder kunstverlichting door te brengen. Daarom is het belangrijk om na te gaan hoe dit de lichtafhankelijke functies van de huid en de biologische ritmiek beïnvloedt.

Kunstverlichting verschilt in meerdere opzichten van natuurlijk licht: de verdeling van golflengten is anders en de lichtintensiteit is veel lager. Bovendien zijn we met kunstverlichting minder onderhevig aan veranderingen in de daglengte.

Een vergelijking van de jaarritmen bij de mens over de laatste honderd jaar laat zien dat de ritmen steeds minder uitgesproken zijn geworden. Dit is misschien een gevolg van te lage lichtintensiteiten binnenshuis, maar ook het terugdringen van de invloed van de daglengte door het altijd beschikbare kunstlicht kan een rol spelen. Jaarritmen zijn het meest uitgesproken in gebieden met weinig industrialisatie en verstedelijking. Het lijkt er dus op dat de sterkte van de ritmen afneemt naarmate we ons meer kunnen onttrekken aan de natuurlijke belichting in onze omgeving.

Geen van de deelnemers van het congres rapporteerde echter dat deze tendens schadelijk zou zijn. Mensen zijn immers veel minder dan dieren afhankelijk van grote lichamelijke aanpassingen om de winter te overleven.

Kunstlicht verschilt bovendien van daglicht doordat er een andere verdeling van golflengten is. De gevolgen van een langdurig verblijf in kunstlicht op de aanmaak van vitamine D is onderzocht op een onderzeeboot waar de bemanning drie maanden in door moest brengen. De bemanningsleden die geen extra vitamine D tabletten kregen vertoonden een aanzienlijke afname in de hoeveelheid vitamine D. Dit heeft gevolgen voor de sterkte van de botten.

Heupbreuk

Uit ander onderzoek bleek dat bijna alle mensen die met heupbreuken in het ziekenhuis worden opgenomen te weinig vitamine D hebben. Mensen die niet of nauwelijks buitenkomen, zoals veel bejaarden, zouden daarom geholpen zijn met extra vitamine D tabletten. Het is de vraag of dit alle problemen oplost.

Dr. M. Holick, die werkzaam is aan de Harvard Universiteit, heeft onlangs een nieuw type vitamine D in de huid gevonden, dat net als het bekende type ook door zonlicht geactiveerd wordt. De functie van dit nieuwe vitamine D is nog onbekend maar het staat wel vast dat we dit noch via ons voedsel, noch door middel van klassieke vitamine D tabletten binnen krijgen.

Omdat de mens beter dan dieren in staat is de invloeden van de
seizoenwisselingen op te vangen, heeft het leven onder kunstlicht geen nadelige invloed op de door de biologische klok geregelde levensprocessen. Toch blijft een zekere dosis „echt” licht nodig voor andere lichtafhankelijke functies, zoals de aanmaak van vitamine D in de huid.

Joke Meijer, destijds studente neurobiologie en deelneemster aan de conferentie, Volkskrant 10-11-1984

.

Uiteraard zijn alle mogelijke onderzoeken voortgezet:

Leukemie en vitamine D

Meer info over genoemde onderzoeken en wetenschappers via Google

.

Natuurkundealle artikelen

.

1633

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-10)

.

Enkele gedachten bij delen van blz. 44/45 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

In de 1e voordracht [blz. 21/22] zegt Steiner over het kind dat wordt geboren: ‘het is een voortzetting van het leven vóór de geboorte’ – het is nu een ander leven, want het kind is op aarde gekomen. De dood noemt hij de geestelijke voortzetting van het fysieke leven.

blz. 21/22 [vert.]

Wanneer de mens fysiek geboren wordt, sterft hij voor de geestelijke wereld en wanneer hij fysiek sterft, wordt hij voor de geestelijke wereld geboren.

Het fysieke bestaan hier is een voortzetting van het geestelijke leven en dat wij hier door opvoeding moeten voortzetten wat zonder ons toedoen door hogere wezens is vervuld.

Onze pedagogie zal pas de juiste stemming ademen, wanneer we ons van het volgende bewust worden: hier in dit mensenwezen dien je door jouw handelen voort te zetten, wat hogere wezens voor de geboorte hebben gedaan.

In de 2e voordracht krijgt dit een vervolg:

Wir nehmen gewissermaßen, indem wir erziehen, die Tätigkeiten, die vor der Geburt mit uns Menschen ausgeübt werden, wieder auf. 

Wij nemen in zekere zin met de opvoeding weer op, wat er voor de geboorte met ons mensen is gedaan.

Da ist mit uns von den geistigen Mächten so verfahren worden, daß Bildtätigkeit in uns gelegt wurde, die in uns nachwirkt noch nach der Geburt.

Toen hebben geestelijke machten zo aan ons gewerkt, dat we een beeldvor­mend vermogen hebben gekregen dat nog na de geboorte in ons nawerkt.

Indem wir den Kindern Bilder überliefern, fangen wir im Erziehen damit an, diese kosmische Tätigkeit wieder aufzunehmen. Wir verpflanzen in sie Bilder, die zu Keimen werden können, weil wir sie hineinlegen in eine Leibestätigkeit.
Wir müssen daher, indem wir uns als Pädagogen die Fähigkeit aneignen, in Bildern zu wirken. das fortwährende Gefühl haben: du wirkst auf den ganzen Menschen, eine Resonanz des ganzen Menschen ist da, wenn du in Bildern wirkst.

Door kinderen beelden mee te geven, maken we er in de opvoeding een begin mee om deze kosmische werkzaamhe­den weer op te nemen. We planten beelden in de kinderen die tot kiem kunnen worden, omdat we ze in een activiteit van het lichaam planten. Wanneer we ons als pedagoog het vermogen eigen maken in beelden op het kind te werken, moeten we daarom het voortdurende gevoel hebben: je werkt in op de gehele mens, de gehele mens resoneert wanneer je met beelden werkt.

En wij gaan verder met of nemen weer deze kosmische werkzaamheden op, door dit beeldvormend vermogen niet te laten verkommeren, maar we voeden dit door de kinderen beelden te geven.

Beelden zijn nog geen begrippen, werken niet alleen op de voorstelling. Ze geven ruimte – je kan er bij fantaseren; ze kunnen op allerlei manieren op je gevoel werken: je blij maken, maar je ook met antipathie vervullen; je aanzetten tot activiteit en spreken daarmee de wil aan.
Dat is het werken op de ‘hele mens’. ‘De hele mens resoneert mee, wanneer je met beelden werkt.

En net zoals Steiner de 1e voordracht afsluit met een soort oproep om je houding in de klas, voor de klas en naar de kinderen, naar het kind te bepalen, zo doet hij hier aan het eind van deze 2e voordracht ook een soort oproep:

Dieses in das eigene Gefühl aufnehmen, daß man in aller Erziehung eine Art Fortsetzung der vorgeburtlichen übersinnlichen Tätigkeit bewirkt, dies gibt allem Erziehen die nötige Weihe, und ohne diese Weihe kann man überhaupt nicht erziehen. 

Wanneer men dit in het eigen gevoel opneemt: dat men in elke opvoeding een soort voortzetting bewerkstelligt van de werkzaamheden die geestelijke machten voor de geboorte verricht hebben, dan verleent dat elke opvoeding de wijding die nodig is, en zonder deze wijding kan men volstrekt niet opvoeden.
GA 293/44
Vertaling/44

Deze gedachten kunnen een bepaalde stemming in je oproepen van grote eerbied voor het kind, van grote betrokkenheid bij zijn jonge leven.
Immers, uit deze opvattingen blijkt dat we met bijzondere wezens hebben te maken, zoals wij allemaal zijn. Door onze individualiteit, door ons Ik,zijn we  geestelijke wezens; geen hogere dieren of naakte apen, geen klomp genen of een brein, maar uit een wereld gekomen wezens die op aarde hun weg gaan en met wie wij een tijdje mogen optrekken.
En tijdens die begeleiding moeten we ze geven wat ze voor die weg nodig hebben.

Op opvoedkundig gebied, op schoolgebied is er veel wat ze kunnen meegeven.

De inhoud van dit vele vinden we o.a. in de pedagogische voordrachten van Rudolf Steiner.

Als steun voor het in jezelf wakker roepen van die benodigde stemmen, deed Steiner ‘tussen de regels’ vele uitspraken:

Man muß gerade mit dem arbeiten, was in den Tiefen unten in der Menschennatur sich abspielt, wenn man erziehend und unterrichtend arbeiten will.

Wil men als opvoeder en pedagoog werken, dan moet men juist werken met dat wat zich diep in de menselijke natuur afspeelt.
GA 293/75
vertaald/75

Die uitspraken staan hier als ‘wegwijzers‘.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1631

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

VRIJESCHOOL – 6e/7e klas – Natuurkunde – licht (3-3)

In de 6e en/of 7e klas van de vrijeschool komt in het vak natuurkunde ‘licht’ aan de orde.
Hier enige wetenswaardigheden, gesignaleerd door Piet Vroon

.

licht

Wat heeft licht met ons doen en laten te maken 

Veel licht werkt kortdurende topprestaties en het voeren van harde
onderhandelingen in de hand. Hoe minder licht, hoe humaniserender u gaat denken. Van dat laatste worden wij blijkens proefnemingen ook minder gauw moe. De hoeveelheid licht beïnvloedt tevens de manier waarop wij elkaar in ander verband bejegenen. Men heeft de helft van een groep bloeddonors na de aderlating in een zee van licht gezet en de andere helft in een schaars verlichte ruimte. De leden van de laatste groep hadden de neiging bij elkaar te gaan zitten en te gaan kwekken, terwijl de in letterlijke zin verlichten met barse gezichten gingen zitten lezen.

De lichthoeveelheid heeft ook invloed op de stemverheffing: de conversatie in de gangen die lesruimten in de zulo’s met elkaar verbindt, kan met vele decibels worden getemperd door wat lampen te slopen. Wat de geluidshinder betreft zouden we dus moeten terugverlangen naar de energiecrisis toen de ene televisiepersoonlijkheid na de andere ons aanraadde Derde Wereld-peertjes te kopen.

Een gematigde hoeveelheid licht is niet alleen aangenaam, het wordt allemaal nog beter als de boel langs indirecte weg waarneembaar is. Mensen werken graag in zo’n omgeving maar gaan, zoals aangestipt, hun stembanden sparen en zij schrikken zich een beroerte van de telefoon en ander ongerief. Het is dus blijkbaar altijd wat.

Een modern probleem met verlichting is overigens dat TL-buizen flikkeren met een frequentie die u net niet kunt zien. Niets aan de hand dus, maar dit interfereert op een vervelende manier met de beeldschermen waarop wij van alles en nog wat schijnen te moeten ontwaren. Daar moet dus ook weer iets op gevonden worden.

Natuurlijk is het licht ook in de medische wereld doorgedrongen. Er schijnen mensen te zijn die tijdens de herfst en de winter buitengewoon chagrijnig worden, hetgeen wel een depressie wordt genoemd. Zeer fel licht zou deze ramp kunnen afwenden. Hoe dat werkt is niet helemaal duidelijk. Sommigen beweren dat neerslachtigheid indirect te maken heeft met de pijnappelklier die bij dieren overduidelijk gevoelig is voor licht. Felle lampen zouden deze klier aanzetten tot de productie van een in dit verband tamelijk heilzaam hormoon.
Anderen zeggen dat depressieve mensen in het zonnetje moeten worden gezet omdat hun dag-nachtritme is verstoord, wat door middel van veel licht zou kunnen worden bijgesteld. Ook kennen we allemaal het ritueel om gele zuigelingen onder een blauwe lamp te leggen. Deze zou heilzaam zijn voor de afbraak van het vele bilirubine, maar waarom dat werkt weet niemand. Wie zegt daar dat alternatieve geneeswijzen niet deugen omdat we niet weten waarom het eventuele effect tot stand komt?
Aardig is ook de vraag waarom operatiekamers, alsmede de kleding van de aldaar werkzame personen als regel groen zijn gespoten. Als u langdurig naar een bloedbad staart en vervolgens de ogen op een witte wand richt, ziet u een groen nabeeld. Dat is niet zo leuk, maar een dergelijk nabeeld is uiteraard onzichtbaar tegen een groene achtergrond.

Wat de woonkamer betreft kunt u de schijnbare grootte door middel van kleuren variëren: een blauwe kamer lijkt groter dan een rode. Dat komt misschien omdat we scheef door onze pupillen kijken, met als gevolg dat het oog als een prisma werkt dat verschillende kleuren in een verschillende mate breekt. Dat een rode kamer ook geschikt is voor het nemen van risico’s van allerlei aard, zal bekend zijn.

Een uitgesproken dom voorbeeld van het gebruik van kleuren heb ik meegemaakt toen ik nog iets nuttigs deed en de zeeën bevoer. Men zette de brug van een schip ’s nachts vaak in rood licht om de donkeraanpassing van het oog optimaal te maken. Minder optimaal was dan wel eens het navigeren. Een bureaucraat had namelijk bedacht dat je de zeekaarten het best met rode, en dus onzichtbare, lijnen kon bedrukken.

.

Gedeelte van een artikel van Piet Vroon, Volkskrant, Het hele artikel is hier te vinden.

.

Natuurkundealle artikelen

.

1630

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – wegwijzer (222)

.

In het geschreven werk van Rudolf Steiner, maar ook in zijn opgetekende voordrachten vind ik vaak uitspraken, die – enigszins los van hun verband – op zich een inhoud hebben waarover je lang kan nadenken. Een tijdlang zo’n zin regelmatig op je laten inwerken, kan tot gevolg hebben dat deze zin je in een bepaalde situatie plotseling invalt en dan een antwoord of een richting blijkt te geven voor waarmee je op dat ogenblik bezig bent.
Ze wijzen je een weg; misschien ‘de’ weg; en ze wijzen je weg van het alledaagse.

‘wegwijzers’ dus

222
Het leven, de realiteit moeten we weer in de school brengen. Maar dan moet de leerkracht daadwerkelijk in de wereld staan; voor alles in de wereld een levendige interesse tonen.

Welt, wirkliche Welt müssen wir wieder in die Schule hineinbringen. Dazu muß man aber als Lehrer in der Welt drinnenstehen, muß ein lebendiges Interesse haben für alles, was in der Welt da ist.

GA 310/165
vertaald/171
.

Rudolf Steineralle wegwijzers

Rudolf Steineralle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.