VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 15 november 1920

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

M.n. de 9e klas
Geschiedenis, Hermann Grimm  <1>
Wiskunde, natuurkunde <2>
Buitenlandse taal <3>
Vrij godsdienstonderwijs <4>
Muziek, euritmie <5>
(Geen specifiek 9e klas) Handwerken, handvaardigheid, kunstzinnig! <6>
Idem. Schilderen, kleurbeleving <7>
Het maken van euritmieschoen met negatieve gevolgen <8>
Kind wil niet meedoen met euritmie <9>
Iets over een specifieke leerling <10>

 

RUDOLF STEINER

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924

Erster Band Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1 Het eerste en tweede schooljaar

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A

Blz. 235

Vergadering van woensdag 15 november 1920, 20u

Dr. Steiner: Wir werden heute zuerst wohl die Wünsche und Mitteilungen der verehrten Mitglieder des Lehrerkollegiums entgegennehmen, nicht wahr?

Ich möchte bitten, da wir den ersten Teil der Konferenz haben, ob Wünsche von den einzelnen Mitgliedern vorliegen oder Fragen, die aus dem Kollegium hervorgehen, und die innerhalb der Lehrerschaft ohne das erweiterte Kollegium, also ohne die später erscheinenden jüngeren Lehrer zu besprechen wären?

Ich würde zunächst fragen wollen, wie sich der Unterricht in der 9. Klasse nach den Erfahrungen der daran beteiligten Lehrer gestaltet hat. 

We beginnen vandaag eerst met het in ontvangst nemen van de wensen en opmerkingen van de gewaardeerde leden van het docententeam, nietwaar?Aangezien dit het eerste deel van de vergadering is, wil ik graag vragen of er wensen zijn van individuele leden of vragen die vanuit het team zijn ontstaan ​​en die besproken moeten worden met de docenten, zonder de uitgebreide staf, dus zonder de jongere docenten die later zullen aansluiten?

Ik wil allereerst vragen hoe de lessen in de negende klas zijn gestructureerd, gebaseerd op de ervaringen van de betrokken docenten.

Im Deutschen wird Herman Grimm gelesen, in der 8. und 9. Klasse.



Hermann Grimm wordt in het Duits gelezen in de achtste en negende klas.

Dr. Steiner: Hat sich Ihnen die Möglichkeit ergeben, verschiedenes

hineinzubeziehen in die Lektüre von Grimm? Wie weit sind Sie gekommen mit den Schülern in der Geschichte? Was haben Sie gemacht bei der Stelle, wo er im ersten Vortrag des zweiten Teiles die Charakteristik der letzten Jahrhunderte gibt, wo er über Rom spricht?

<1> Heeft u de mogelijkheid gehad om verschillende aspecten in het lezen van Grimm te verwerken? Hoe ver bent u gevorderd met de leerlingen in geschiedenis? Wat heeft u gedaan op het punt waar hij, in de eerste lezing van het tweede deel, de karakterisering van de laatste eeuwen geeft, waar hij het over Rome heeft?

X.: Da haben die Kinder die Geschichte nicht gekannt.

X.: De kinderen kenden de geschiedenis niet.

Dr. Steiner: Es würde sich darum handeln, daß Sie die Geschichte des 16., 17., 18., 19. Jahrhunderts behandelten, mindestens in der 9.

Vielleicht daß Sie es doch so machten. In der 9. fehlt es. Nicht wahr, bei diesen Jahrhunderten würde es sich darum handeln, daß man auf das Ziel losgeht, daß die Schüler ein Verständnis für die Gegenwart bekommen. Sie sind schon fünfzehn Jahre alt. Die Themen könnten Sie so nehmen, wie sie in dem Kapitel bei Herman Grimm für jedes Jahrhundert angegeben sind, das 19. Jahrhundert als Zusammenfluß der Völkergeschichte. Ich meine, die Themen für die letzten vier Jahrhunderte, als Leitmotive. Eigentlich würde es sich darum handeln, das in beiden Klassen zu machen. Nur wird es sich darum handeln, daß Sie die Dinge in verschiedener Weise vornehmen können: in der 8. mehr erzählend, in der 9. mehr auf die leitenden Ideen der letzten Jahrhunderte eingehend.

Sie müßten schon dahin arbeiten, daß Sie die leitenden Ideen den Kindern vortragen könnten. Es ist viel Material in den Zyklen da, was einfach erweitert werden kann dadurch, daß man die Literatur da und dort überall hernimmt.

Het gaat erom dat je de geschiedenis van de 16e, 17e, 18e en 19e eeuw behandelt, in ieder geval in de negende klas.

Misschien zou je het zo kunnen aanpakken. Het ontbreekt in de negende klas. Is het niet zo dat het doel met deze eeuwen is om de leerlingen te helpen een begrip van het heden te ontwikkelen? Ze zijn al vijftien jaar oud. Je zou de onderwerpen kunnen gebruiken zoals ze in het hoofdstuk van Herman Grimm voor elke eeuw worden genoemd, de 19e eeuw als het keerpunt van de nationale geschiedenis. Ik bedoel, de thema’s van de afgelopen vier eeuwen, als leidraad. Eigenlijk zou dat betekenen dat je dit in beide klassen doet. Je zou het echter op verschillende manieren moeten aanpakken: meer verhalend in de achtste klas en meer diepgaand ingaand op de leidende ideeën van de afgelopen eeuwen in de negende klas. Je zou zo moeten werken je de leidende ideeën aan de kinderen kan meegeven. De cycli [het tot dan verschenen werk van Steiner] bevatten veel materiaal dat gemakkelijk kan worden uitgebreid door literatuur van diverse bronnen te gebruiken. <1>

Blz. 236

(Zu einem anderen Lehrer): Dann hatten Sie die mathematischen Fächer. Haben Sie mit den Kindern schon geometrisches Zeichnen durchgenommen ?

Finden Sie notwendig — ich habe durch die viele Inanspruchnahme von anderer Seite zu wenig gesehen —, finden Sie, daß es notwendig ist, soviel Verstandesmäßig-Theoretisches in der Physik durchzunehmen? Hält das nicht auf, so viel rein Begriffliches?

<2> (Tegen een andere docent): Dus u had de wiskundevakken. Heeft u al geometrisch tekenen met de kinderen behandeld?

Vindt u het nodig – ik heb er door mijn vele andere verplichtingen niet genoeg van gezien – vindt u het nodig om zoveel intellectueel en theoretisch materiaal in de natuurkunde te behandelen? Vertraagt ​​al die puur conceptuele stof hen niet?

X.: Ich möchte nur so viel bringen, als unbedingt notwendig ist.

X: Ik wil alleen datgene behandelen wat absoluut noodzakelijk is.

Dr. Steiner: Wieviel beherrschen denn die Schüler vom reinen Tatsachenmaterial? Es wäre natürlich bei der Elektrizität darauf zu

sehen, daß man möglichst in rationeller Weise die Erscheinungen

selbst in den Vordergrund stellt. Möglichst wenig theoretische Spekulationen. Das ist etwas, was vielleicht eben doch nicht sehr intensiv haftet; vom rein didaktischen Gesichtspunkt aus dürfte es nicht sehr haften. Ich würde meinen, daß man bei diesem Gegenstand als Ideal betrachten soll, möglichst nur am Experiment als solchem die nötigen Begriffe zu entwickeln, und zunächst möglichst wenig an der Tafel zu zeichnen, sondern die ganze Sache an dem Experiment entwickeln. Dann kann man auch die Sokratische Methode, die Sie

anwenden, versuchen.

Hoeveel van de puur feitelijke stof begrijpen de leerlingen eigenlijk? Bij elektriciteit is het natuurlijk belangrijk om de verschijnselen zelf op een rationele manier te benadrukken. Zo min mogelijk theoretische speculatie. Dat is iets wat misschien niet zo goed blijft hangen; vanuit een puur didactisch oogpunt zal het waarschijnlijk niet goed blijven hangen. Ik zou willen voorstellen dat men bij dit vak idealiter de noodzakelijke concepten uitsluitend via het experiment zelf ontwikkelt, en in eerste instantie zo min mogelijk op het bord tekent, maar het geheel via het experiment uitwerkt. Dan kan men ook de socratische methode proberen die u gebruikt.

Wenn man so theoretisch die Sache entwickelt, dann hilft einem die Sokratische Methode nichts. Woher sollen die Kinder etwas wissen? Man kann sie kaum so fragen. Da Sie schon die Möglichkeit zum Experimentieren haben, das habe ich

gesehen, da würde ich die Experimentier-Möglichkeit ausnützen.

Dann erspart man sehr viel Zeit. Wenn Sie so die Elektrizität durchnehmen wollen, dann werden Sie durchkommen. Die Kinder lernen dabei viel mehr, als wenn man ihnen die Begriffe der Spannung auseinandersetzt. Das wäre didaktisch nicht schlau. Sie müssen dann zwei Wochen geometrisches Zeichnen betreiben. Nur zwei Wochen die Deskriptive.

Als je het zo theoretisch aanpakt, heeft de socratische methode geen zin. Hoe moeten de kinderen er dan iets van afweten? Je kunt ze dat toch moeilijk vragen? Aangezien je al de mogelijkheid hebt om te experimenteren, zoals ik heb gezien, zou ik daar gebruik van maken. Dat scheelt een hoop tijd. Als je elektriciteit op deze manier wilt behandelen, kom je er wel mee weg. De kinderen leren veel meer dan wanneer je ze alleen de concepten van spanning uitlegt. Dat zou pedagogisch gezien niet goed zijn.

Dan zou je twee weken moeten besteden aan geometrisch tekenen. Slechts twee weken aan beschrijvend tekenen. <2>

X.: Im Fremdsprachenunterricht ist die Forumszene aus dem „Julius Cäsar”

gelesen worden.

<3> X.: In de les vreemde talen werd de forumscène uit “Julius Caesar” gelezen.

Dr. Steiner: Können Sie es nicht auch schriftlich machen lassen, als

eine Art Aufsatz? Es wäre notwendig, daß so etwas eingefügt würde.

Auch im Deutschen, daß man doch zu einer Darstellung käme. Daß

sie wirklich das auch formulieren.

Zou je ze het niet kunnen laten opschrijven, als een soort essay? Zoiets zou nodig ingevoerd moeten worden. Zelfs in het Duits, zodat ze het kunnen presenteren. Zodat ze het daadwerkelijk kunnen formuleren.

(Zum Deutschlehrer): Irgendwelche Themen stellen Sie gar nicht?

Es würde nicht schaden, wenn vorher der Stoff im Vortrag wiederholt ist. Wenn sie nur eigene Formulierungen bringen.

(Tegen de docent Duits): Zijn er nog onderwerpen die u helemaal niet aan de orde stelt?

Het zou geen kwaad kunnen als het materiaal voorafgaand aan de presentatie nog eens doorgenomen werd. Als je maar je eigen formulering gebruikt.

Blz. 237

Es wird über das Französische berichtet.

Er wordt verslag gedaan over het Frans.

Dr. Steiner: Jedenfalls können wir das, was wir für die 9. Klasse

projektiert haben, durchführen.

In elk geval kunnen we uitvoeren wat we voor de negende klas gepland hadden.

Der Deutschlehrer: Ich muß jetzt Jean Paul nehmen.

De docent Duits: Ik moet nu Jean Paul behandelen.



Dr. Steiner: Ich habe das nicht so gemeint, daß es der Reihe nach

gehen muß. Wir haben ja doch Mitte November; etwas Geschichte

müssen wir bewältigen. Zunächst eigentlich die vier Jahrhunderte im

Zusammenhang. Sie können damit wirklich brauchen bis Mitte

Januar in beiden Klassen. — Für alle anderen Klassen ist der Lehrplan

gegeben.

Ik bedoelde niet dat het in chronologische volgorde moest gebeuren. Het is immers half november; we moeten nog wat geschiedenis behandelen. Om te beginnen de vier eeuwen in context. Je kunt dit echt tot half januari in beide klassen gebruiken — Het leerplan is voor alle andere klassen vastgesteld.

X.: Wird dieser Lehrplan nicht allgemein als Norm gültig sein?

X: Wordt ​​dit curriculum niet in zijn algemeenheid de norm?

Dr. Steiner: Zunächst ist es notwendig, daß wir in diesem Jahre

wissen, was wir zu tun haben.

Ten eerste is het nodig dat we weten wat we dit jaar moeten doen.

X..- Ist im Sprachunterricht schon so etwas wie Literaturgeschichte zu treiben?

X: Is het mogelijk om zoiets als literatuurgeschiedenis in de taallessen te behandelen?

Dr. Steiner: Mehr Literaturgeschichte als an dem Objekt einiges nebenher zu sagen über Shakespeare, und wenn Sie gerade das eine oder andere behandeln, die Kinder damit bekanntmachen, mehr Literaturgeschichte ist doch bei solchen Kindern nicht nötig.

Die Methoden in der Staatsschule für Latein und Griechisch, die sind die gräßlichsten, die äußerste Dekadenz. Wir müssen unsere Kinder so weit bringen, daß sie den Anschluß finden. Wenn wir einigermaßen unsere Methoden ausgebildet haben, müssen wir die Kinder ganz genau so weit bringen. Unsere Methode wird noch nicht so gehandhabt. Ich glaube, wenn einmal dieses Problem gelöst ist, daß Sie durch die Disziplin nicht mehr gestört werden, dann erreichen Sie das schon. Das ist die Crux, weil die Kinder Ihnen doch alle vier bis fünf Minuten einmal über den Kopf wachsen.

Die österreichischen Gymnasien waren Musteranstalten. Dieser Lehrplan war schon das allerbeste, was man denkt, wenn man die Sache als solche zugibt. Leo Thun, 1854; Gautsch hat es verdorben.

Es war die Geschichte gut verteilt. In Weimar fand ich gleich die Auffassung der Weltgeschichte: Von der Erschaffung der Welt bis zu den Hohenzollern fünfzig Seiten, und drei Bände Hohenzollern-Geschichte.

Meer literatuurgeschiedenis dan alleen een paar dingen over Shakespeare terloops zeggen, en als je momenteel één of twee onderwerpen behandelt en de kinderen daarmee laat kennismaken, is meer literatuurgeschiedenis voor die kinderen niet nodig.

De methoden op de staatsschool voor Latijn en Grieks zijn verschrikkelijk, het toppunt van decadentie. We moeten onze kinderen zover krijgen dat ze kunnen aansluiten. Zodra we onze methoden enigszins hebben ontwikkeld, moeten we de kinderen precies op hetzelfde niveau krijgen. Onze methode wordt nog niet op die manier toegepast. Ik geloof dat zodra dit probleem is opgelost, zodra je je niet meer druk hoeft te maken om discipline, lukt het wel. Dat is de kern van de zaak, want met de kinderen loopt het om de vier à vijf minuten uit de hand.

De Oostenrijkse gymnasia waren modelinstellingen. Dit leerplan was al het allerbeste wat je je kon voorstellen, als je de zaak maar accepteert zoals die is. Leo Thun, 1854; Gautsch heeft het verpest.

De geschiedenis was goed verdeeld. In Weimar vond ik meteen het

concept wereldgeschiedenis: van de schepping van de wereld tot de Hohenzollerns, vijftig pagina’s, en drie delen Hohenzollern-geschiedenis. <3>

Nicht wahr, dann haben wir ja für diese Klasse auch diesen freien

Religionsunterricht. Wie ist der eingeteilt?

<4> Oké, dan hebben we voor deze klas ook nog dit vrije godsdienstonderwijs . Hoe is dat ingedeeld?

X.: Wir haben neun Klassen in drei Gruppen.

X: We hebben negen klassen in drie groepen.

Blz. 238

Dr. Steiner: Wodurch sind die Klassen so riesig geworden? Wenn die Verteilung ordentlich ist, so schaden große Klassen nichts, aber bei Ihnen sitzt schon wirklich der eine auf dem Kopf des anderen. Die Klasse des Herrn U. ist zu groß. Die Klasse müßte geteilt werden. 73 Kinder! Sie gehen in die Bänke nicht hinein, und dann puffen sie sich wieder hinaus. Das ist eine Kalamität. Heute waren die schlimmsten Schüler nicht da. Also nicht wahr, bei dieser Klasse ist wohl eine Trennung notwendig. Ich würde doch meinen, es müßte die Klassegeteilt werden. Und da gerade bei diesem Unterricht doch wirklich sehr viel davon abhängt, daß man Kontakt hält mit den einzelnen — man müßte die Möglichkeit haben, den einen und den anderen möglichst oft zu fragen —, müßte die Möglichkeit bestehen, noch zwei Stunden einzurichten und die Hälfte der Schüler abzugliedern.

Es kann höchstens eine Raumfrage sein. Gelöst wird es werden müssen, sonst werden wir gerade mit diesem Unterricht scheitern. Wer könnte diesen Unterricht noch erteilen?

Wat heeft ertoe geleid dat de klassen zo enorm groot zijn geworden? Als de zitopstelling ordelijk is, richten grote klassen geen schade aan; maar in uw geval zitten de leerlingen werkelijk bovenop elkaar. De klas van de heer U. is te groot. De klas moet worden gesplitst. 73 kinderen! Ze passen niet eens in de banken, en dus dringen ze elkaar er uiteindelijk weer uit. Het is een ramp. Vandaag waren de meest onrustige leerlingen niet eens aanwezig. Dus — bent u het niet met mij eens? — is een splitsing voor juist deze klas toch zeker noodzakelijk? Ik zou er beslist op willen staan ​​dat de klas gesplitst wordt. En aangezien er bij dit specifieke vak zoveel afhangt van het onderhouden van contact met de individuele leerlingen — men moet immers de gelegenheid hebben om deze of gene leerling zo vaak mogelijk vragen te stellen — moet er een mogelijkheid worden gevonden om twee extra lessen in te roosteren en de helft van de leerlingen af ​​te splitsen.

Hoogstens zou het een kwestie van beschikbare ruimte kunnen zijn. Maar dat zal moeten worden opgelost; anders zijn we gedoemd te mislukken — specifiek bij dit vak.

Wie zou deze klas anders kunnen geven?

X.: Ich würde es gerne tun.

X.: Ik zou het heel graag willen doen.



Dr. Steiner: Es müßte jemand sein, der früher nicht in der Religion darinnen gestanden hat. Es kann ja sein, daß Sie nach vielen Jahren heraus sind. In den Gedankenformen sicher nicht. Es ist im Lehrerkollegium niemand da. Es ist natürlich eine schwer zu lösende Sache. Man muß auch, nicht wahr, die Klippe überwinden, Wärme hineinzukriegen in den Unterricht, Wärme, Wärme! Ich würde zum Beispiel ja schon A. vorschlagen, weiß aber nicht, ob er sich den nötigen pädagogischen Duktus aneignen würde. Wenn man es mit A. probiert? Denn wer ist sonst in der hiesigen Krisenzeit aus der anthroposophischen Bewegung heraus vorzuschlagen? Es gibt niemand.

Hier friert man furchtbar viel!

Het zou iemand moeten zijn die zich niet eerder in de religieuze sfeer heeft ondergedompeld. Het is natuurlijk mogelijk dat u daar na vele jaren inmiddels bovenuit bent gegroeid. Maar zeker niet wat uw denkwijze betreft. Binnen het lerarencorps is er niemand anders beschikbaar. Het is, vanzelfsprekend, een lastige kwestie om op te lossen.

Men moet toch ook – nietwaar? – de hindernis nemen om het onderwijs met warmte te doordringen – warmte, louter warmte! Ik zou bijvoorbeeld inderdaad A. willen voorstellen, al weet ik niet of hij de noodzakelijke pedagogische houding zou kunnen verwerven. Wat als we het eens met A. zouden proberen? Want wie anders zou er, in deze tijden van crisis hier, vanuit de antroposofische beweging kunnen worden voorgedragen? Er is niemand.

Het is hier verschrikkelijk koud! (= om koude rillingen van te krijgen?) <4>

Ich wüßte niemand anders zu finden. Den Lehrern von hier kann man nicht noch etwas aufhalsen. — Die 9. Klasse ist so klein, daß man sehr viel an die einzelnen Schüler herankommen kann.

(Zu einer Lehrerin): Ich habe die Meinung, daß Sie eigentlich eine Hilfe in Ihrer Klasse brauchen, Fräulein H. Auf die Weise würde es zu machen sein, daß Fräulein S. Ihnen hilft. Darüber müßte man reden.

Das namentlich dann, wenn es sich darum handelt, die Kinder zu beschäftigen. Die Klasse ist für Chorunterricht so, daß sie sich weitet.

Sie hat eine Peripherie, Sie dringen nicht ganz durch bis zu den letzten. Am liebsten wäre es mir auch, wenn es zwei Klassen werden könnten. Daß es schon möglich wäre, daß Fräulein S. am Unterrichtteilnimmt und Ihnen mithilft, wenn Sie die Kinder beschäftigen, wenn sie malen oder zeichnen. 

Ik zou niemand anders kunnen vinden. De leraren hier kun je niet nog meer werk opdringen. — De 9e klas is zo klein dat je heel goed contact kunt maken met de individuele leerlingen.

(Tegen een lerares): Ik ben van mening dat u eigenlijk een hulp in uw klas nodig hebt, juffrouw H. Het zou zo kunnen dat juffrouw S. u helpt. Daar zou men over moeten praten. Dat geldt met name als het erom gaat de kinderen bezig te houden. De lesruimte voor koorlessen is zo ingericht dat deze zich kan uitbreiden.

De klas heeft een periferie, u dringt niet helemaal door tot de laatste. Het zou mij ook het liefst zijn als het twee klassen zouden kunnen worden. Dat het voor juffrouw S. mogelijk zou zijn om deel te nemen aan de lessen en u te helpen bij het bezighouden van de kinderen, wanneer ze schilderen of tekenen.

Blz. 239

Die Klasse fällt auseinander. Die einzelnen Kinder sind zu wenig aktiv dabei beim Unterricht. Die bleiben untätig eine Zeit. Ich habe mir auch schon gedacht, ob es nicht möglich wäre, daß Sie eine Stunde geben und darin bleiben, und die andere Stunde Fräulein S. den Unterricht gibt. Dadurch wäre auch für die Disziplin gesorgt. Man könnte noch nachdenken über den Modus. An sich kann man auch 150 Schüler haben. Wir werden solche großen Klassen nicht haben. Sie haben 50 Schüler, und Ihre Klasse, Fräulein H., ist im konkreten Fall zu groß.

De klas valt uit elkaar. De individuele kinderen doen niet actief genoeg mee aan de les. Ze blijven een tijdje passief. Ik vroeg me ook af of het niet mogelijk zou zijn dat u één uur lesgeeft en bij de klas blijft, en dat juffrouw S. het andere uur lesgeeft. Dat zou ook de discipline bevorderen. We zouden ook de opzet kunnen overwegen. In principe kan een klas 150 leerlingen hebben. Zulke grote klassen zullen we niet hebben. U heeft 50 leerlingen en uw klas, juffrouw H., is in dit specifieke geval te groot.

X.: Darf ich fragen, soll die C-Dur-Tonleiter festgehalten werden, und soll in der Toneurythmie Wert gelegt werden auf den absoluten Ton? Ich hätte mir gedacht, ob man nicht die Toneurythmie als relative Toneurythmie hinnähme.

<5>X: Mag ik vragen of de C-majeurtoonladder behouden moet blijven en of de nadruk moet liggen op de absolute toonhoogte bij toon-euritmie? Ik vroeg me af of toon-euritmie ook als relatieve toon-euritmie kan worden beschouwd.

Dr. Steiner: Das kann man gut machen.

Dat is een goede benadering.

Eine Eurythmielehrerin: Ich ging immer auf den absoluten Ton.

Een euritmiedocent: Ik heb me altijd gericht op de absolute toonhoogte.

Dr. Steiner: Man kann das Befestigen der eurythmischen Bewegung

schon machen dadurch, daß man im Absoluten bleibt. Man braucht

das nicht pedantisch festzuhalten.

Je kan de euritmische beweging ontwikkelen door in de absolute toonhoogte te blijven. Je hoeft er niet pedant aan vast te houden. <5>

Was machen die Kinder bei Ihnen im Werkstattunterricht?

<6> Wat doen de kinderen bij u in de handvaardigheidslessen?

Ein Werklehrer: Wir haben an den Arbeiten weitergemacht vom vorigen Jahr.

Een docent handvaardigheid: We zijn verdergegaan met het werk van vorig jaar.

Dr. Steiner: Geht es dieses Jahr mit der Disziplin im Handarbeitsunterricht? Im vorigen Jahr die letzte Stunde war in der Sache und Disziplin ganz schön.

Haben Sie viel zu tun? Ich frage deshalb, weil ich meine, daß zu einer

gewissen Anregung gut wäre, wenn gerade dieser Stoff der Pädagogik und Didaktik im vorjährigen Kurse verarbeitet würde. Ob es nicht möglich wäre, alle vierzehn Tage eine sachliche Konferenz zu machen? Abgesehen von der Schule als solcher. Bringen Sie es dazu, daß Sie Fragen formulieren, die ein positives Erträgnis haben. Es wäre doch gut, wenn man bei diesen Dingen in einem gewissen Kontakt bleiben könnte, indem Sie Zweifelsfragen ausarbeiten, und ich Themen stellen könnte, die dann zur Besprechung kämen, wenn ich hierherkomme. Aber ich hoffe, daß es in der Zukunft Zeit gibt, wo ich mich der Waldorfschule widmen kann. Notwendig wäre es doch, daß Sie Zweifelsfragen ausarbeiteten und diese Fragen mir schickten, und daß diese Fragen beantwortet würden, wenn ich komme.

Gaat het goed met de discipline in de handvaardigheidsles dit jaar? Vorig jaar was de laatste les, zowel inhoudelijk als qua discipline, erg goed. Heeft u het erg druk? Ik vraag dit omdat ik denk dat het goed zou zijn voor wat inspiratie als dit onderwerp van pedagogie en didactiek, in de cursus van vorig jaar verwerkt zou worden. Zou het niet mogelijk zijn om elke twee weken een inhoudelijk overleg te houden? Los van de school zelf. Probeer vragen te formuleren die een positief resultaat opleveren. Het zou goed zijn als we hierover enig contact zouden kunnen houden als u vragen formuleert waarover u twijfelt, en ik dan onderwerpen zou kunnen aandragen die we kunnen bespreken als ik hier ben. Maar ik hoop dat er in de toekomst tijd zal zijn om me aan de Waldorfschool te wijden. Het is nodig dat u vragen van twijfel uitwerkt en die naar mij stuurt, en dat deze vragen worden beantwoord wanneer ik kom. <6>

Über den Malunterricht.

Dr. Steiner (zu einer Klassenlehrerin): Sie haben den Unterricht veranlagt ?

<7> Over de schilderlessen.

Dr. Steiner (tegen een klassenleerkracht): Heeft u de lessen ontworpen?

Blz.  240

X.: Herr Doktor haben heute einige Versuche gesehen.



X.: Dokter, u heeft vandaag een paar experimenten gezien.



Dr. Steiner: Die sind als solche ganz gut. Es müßte noch mehr dazu kommen, daß das Herausarbeiten des Konventionellen, daß die Schrift aus dem Malen und Zeichnen herausgearbeitet wird; dazu müßte es überhaupt mehr kommen. Für die 1. Klasse sind Richtlinien gegeben. Allmählich weiter ausbilden, daß die Farbe weiter entwickelt wird.

Ze zijn best goed zoals ze zijn. Er moet meer gebeuren, met name de conventionele aanpak verder ontwikkelen, het schrijven vanuit schilderen en tekenen ontwikkelen; er moet in het algemeen meer gebeuren. Er zijn richtlijnen voor de eerste klas. Geleidelijk aan het kleurgebruik verder ontwikkelen.

X.: Ich finde es im Augenblick nicht, ich tappe herum.

X.: Ik heb het nu even niet; ik ben aan het zoeken.

Dr. Steiner: Einige von diesen Kindern haben ganz Gutes gemacht.

Es müßte etwas herauskommen aus der Farbe. Bei der T. F. ist etwas

darinnen.

Sommige van deze kinderen hebben het heel goed gedaan.

Er moet iets uit de kleur komen. Bij T.F. is er wel iets in.

X.: Ich habe gefunden, daß die Kinder bei den Wasserfarben sehr schwer zu

Formen kommen.

X.: Ik heb gemerkt dat de kinderen erg moeilijk vormen kunnen maken met waterverf.

Dr. Steiner: Die Kreidestifte sollte man nicht kultivieren. Worauf es

ankäme, das wäre — nur sind wir nicht so weit —, daß wir abgrenzen

könnten. Es würde erst ein ordentlicher, reinlicher Lehrplan sein in

den unteren Klassen. Die anderen müssen natürlich fast dasselbe

durchführen. Nur daß man auf das Alter des Schülers Rücksicht

nimmt. Die Hauptsache liegt jetzt schon darin, daß ein innerliches

Gefühl vom Farbaufbau in den Kindern erweckt wird, ein Erleben

der Farbenwelt, daß die Kinder ein Gefühl bekommen vom Leben

der Farbenwelt im Erleben der Märchen.

Krijtstiften moeten niet gestimuleerd worden. Wat belangrijk zou zijn – maar zover zijn we nog niet – is dat we grenzen kunnen stellen. Het zou beginnen met een degelijk, goed gestructureerd leerplan in de lagere klassen. De andere klassen moeten natuurlijk vrijwel hetzelfde leerplan volgen. Wel belangrijk om rekening te houden met de leeftijd van de leerling. Het gaat erom dat er bij de kinderen een innerlijk begrip van de kleurenopbouw wordt gewekt, dat ze de wereld van kleur ervaren en dat ze door middel van sprookjes een gevoel krijgen voor de levendigheid van die kleurenwereld.

X.: Man muß doch den Kindern Formen geben, bestimmte Motive.

X.: Je moet de kinderen toch vormen geven, specifieke motieven.

Dr. Steiner: Die Kinder kriegen schon Formen, wenn Sie die Phantasie wirken lassen. Sie müssen die Formen aus der Farbe herauswachsen lassen. Sie können in der Farbenwelt mit den Kindern reden. Denken Sie nur, wie anregend es ist, wenn Sie mit den Kindern bis zum Verständnis dessen es brächten: Da ist dieses kokette Lila, und im Nacken sitzt ihm ein freches Rötchen. Das ganze steht auf einem demütigen Blau.

Sie müssen es gegenständlich kriegen — das wirkt seelenbildend —, so daß die Farben auch etwas tun. Das, was aus der Farbe heraus gedacht ist, das kann man auf fünfzigerlei Weise machen. Man muß das Kind zum Darinnenleben in der Farbe bringen, indem man sagt: „Wenn das Rot durch das Blau hindurchguckt”, und das wirklich schaffen läßt vom Kinde. Ich würde versuchen, viel Leben gerade in dies hineinzubringen. Sie müssen sie etwas aus dem Klotzigen (Klätzigen?), aus dem Lässigen herausbringen.

Kinderen ontwikkelen vormen als je hun verbeelding de vrije loop laat. Je moet de vormen laten ontstaan ​​vanuit de kleur. Je kunt met kinderen praten over de wereld van kleuren. Stel je eens voor hoe stimulerend het is als je kinderen begeleidt naar het punt van begrip: Daar is een koket lila, en op zijn nek zit een brutaal rood. Het geheel rust op een bescheiden blauw.

Je moet het concreet maken – dat heeft een zielvormend effect – zodat de kleuren daadwerkelijk iets doen. Wat vanuit de kleur wordt bedacht, kan op vijftig verschillende manieren worden gedaan. Je moet het kind tot innerlijk leven brengen binnen de kleur door te zeggen: “Wanneer het rood door het blauw heen kijkt,” en het kind dat echt laten creëren. Ik zou juist hier veel leven in proberen te krijgen. Je moet ze weghalen uit het onbeholpene en het nonchalante.

Blz. 241

Es muß Feuer hinein! Es ist im allgemeinen notwendig, daß in der jetzigen Zeit dieses Farbengefühl, das nicht so korrumpiert ist wie das Musikalische, entwickelt wird. Es wird auf das Musikalische günstig zurückwirken, wenn das Farbenleben entwickelt wird.

Er moet enthousiasme bij! Het is over het algemeen noodzakelijk dat in deze tijd dit kleurgevoel, dat niet zo aangetast is als het muzikale gevoel, wordt ontwikkeld. Het zal een gunstig effect hebben op het muzikale gevoel wanneer de levendigheid van kleur wordt ontwikkeld.



X.: Wären Sie dafür, daß man außer dem Malen das Zeichnen übt?

X.: Zou u voorstander zijn van het oefenen met tekenen naast schilderen?

Dr. Steiner: Das lineare Zeichnen nicht. Das lineare Zeichnen nur, wenn es sich darum handelt, Geometrisches zu verstehen. Jedenfalls wichtig ist das andere: aus dem Hell-Dunkel heraus arbeiten! In dieser Beziehung hat sich die 9. Klasse noch nicht lebendig erwiesen. Man muß alles zu Hilfe nehmen.

Geen lijntekenen. Lijntekenen alleen als het gaat om het begrijpen van geometrie. In elk geval is het andere belangrijk: werken met licht en donker! Wat dat betreft heeft de negende klas zich nog niet erg levendig getoond. Je moet alles gebruiken wat beschikbaar is.

X.; Könnte die 9. und 8. Klasse Malstunden nehmen?

X.: Zouden de negende en achtste klas schilderlessen kunnen volgen?



Dr. Steiner: Man müßte das in den Stunden, die jetzt schon da sind,

hereinbringen. Daß mehr Künstlerisches getrieben werden sollte, das

ist ganz evident. Deshalb war mir zu tun, daß Fräulein Hauck hereinkommt in den Handfertigkeitsunterricht, daß die Handarbeit künstlerisch gestaltet wird. Zumeist ist das Handarbeitliche philiströs. Ich möchte, daß es wirklich künstlerisch gestaltet wird. Da in der Handarbeit kann man das Lineare anwenden. Auf dem Papier ist das Lineare etwas unwesenhaft.

Dat zou je moeten integreren in de lessen die er al zijn. Dat er meer artistieke activiteiten moeten worden ondernomen, is overduidelijk. Daarom wilde ik graag dat juffrouw Hauck naar de handvaardigheidsles kwam, zodat het handwerk kunstzinnig vormgegeven zou worden. Meestal is handwerk onbeholpen. Ik wil dat het echt kunstzinnig is. Want bij handwerk kun je lineaire principes toepassen. Op papier zijn lineaire principes minder belangrijk.

Es kann die Brücke geschlagen werden vom Handarbeitsunterricht zum Handfertigkeitsunterricht. Es gibt doch eine ganze Menge Gegenstände, die man bemalen kann. Es gibt im Haushalt Dinge, die von den Menschen selbst bemalt werden sollten. Wenn die Kinder Puppensachen machen, da könnte viel

Kunst entwickelt werden. Da könnte Stil, Farbensinn entwickelt werden; alles könnte entwickelt werden. Wenn man da durchdringt damit, daß der Naturalismus der Puppenbereitung überwunden wird, daß etwas Lebendiges da wäre, lachende Puppen, künstlerisch gestaltet, da könnte man segensreich wirken.

Geradeso wie man die Kinder daran gewöhnt, daß sie Wechsel schreiben lernen, weiß ich nicht, warum man die Kinder nicht daran gewöhnen soll, wie man ein Plakat macht, wie man ein Plakat schön findet und bei einem schönen Plakat auch dessen Schönheit wirklich erkennt. Das häßliche, unmögliche Plakat sollte ebenfalls erkannt werden. Aber die Menschen schauen sich die Sachen an, ohne rasend zu werden. Der Geschmack müßte gebildet werden; Stilgefühl müßte entwickelt werden. Was Stilgefühl betrifft, ist der Unterricht, selbst in künstlerischen Anstalten, etwas Scheußliches.

Die scheußlichsten Proben haben wir hier vor kurzem erlebt. Sie kennen das graphische Zeichen der Dreigliederung von den Kernpunkten.

Er kan een brug geslagen worden tussen handwerken en lessen in handvaardigheid. Er zijn talloze voorwerpen die beschilderd kunnen worden. Er zijn dingen in huis die mensen zelf zouden moeten beschilderen. Wanneer kinderen poppenkleertjes maken, kan er veel artistiek talent ontwikkeld worden. Stijl, gevoel voor kleur, alles kan ontwikkeld worden. Als je erin slaagt het naturalisme van het poppenmaken te doorbreken, en er levende, lachende poppen ontstaan, artistiek vormgegeven, dan kan dat een positief effect hebben. Net zoals je kinderen leert cheques uit te schrijven, zie ik geen reden waarom je ze niet zou leren hoe ze een poster moeten maken, hoe ze een poster mooi kunnen vinden en hoe ze de schoonheid van een mooie poster echt kunnen herkennen. Ook de lelijke, onmogelijke poster moet herkend worden. Maar mensen kijken naar dingen zonder er gek van te worden. Smaak moet gecultiveerd worden; een gevoel voor stijl moet ontwikkeld worden. Wat stijl betreft, is instructie, zelfs in kunstinstituten, verschrikkelijk.

We hebben hier onlangs de meest verschrikkelijke probeersels gezien. Je kent het grafische symbool van het drieledig sociale organisme.

Blz. 242

Es ist abgeändert worden. Es hat sich darum gehandelt, etwas Aktuelles zu machen. Was tut der Künstler? Er setzt das Motiv, das er macht, so zusammen, daß er das, was links ist, wieder rechts macht. Er macht ein gotisches Fenster daraus. Diese Dinge kommen vor.

Es wäre wirklich möglich, daß etwas Schönes erreicht wird in der 10., 11. Klasse. Jetzt will einer unserer Fabrikanten eine Vignette haben für Kindermehl. Daß von innen heraus etwas geschaffen werden kann. Es gibt innere Notwendigkeiten. Heute kennt ja der Mensch bloß ein Kunstobjekt. Das muß so sein, wenn es etwas nachahmt. In Basel gibt es einen Lehrer des Kunstgewerbes, der sagt, er sehe gar nicht ein, wozu es notwendig ist, wenn ich das eine Auge

hier male, warum ich das andere nicht hier malen kann. Das hat etwas für sich, solange man nicht mit den Sachen mitgeht. Was ich meine, ist das innerliche Erlebenkönnen. Das meine ich mit dem Stilgefühl. Man muß ein Dreieck erleben können, ein Viereck erleben können. Nicht sich halten an die Imitation, an die Nachahmung. Es macht doch heute jeder nur eine Puppe, indem er nachahmt und nicht innerlich erlebt. Man muß es von innen heraus erleben können, wie eine Puppe weint oder lacht. Dies müßte alles sinnvoll bis auf die Kleidung hin gemacht werden. — Die Mädchen können eine Puppe, die Knaben einen Kasperl machen. Das innerliche Erlebenkönnen, das müßte berücksichtigt werden beim Farbenmalen.

Dat is veranderd. Het ging erom, iets actueels te maken. Wat doet de kunstenaar? Hij heeft een motief en dat zet hij zo neer dat wat links staat, rechts ook weer komt. Hij maakt er een Gotisch raam van. Dit soort dingen gebeurt. Het is echt wel mogelijk dat er in de 10e of 11e klas iets moois wordt bereikt. Nu wil een van onze fabrikanten een vignet voor kindermeel. Nu moet er iets van binnenuit gecreëerd worden. Vanuit het innerlijk moet dat op een bepaalde noodzakelijke manier.  Tegenwoordig kennen mensen alleen een kunstobject. Dat moet wel het geval zijn als het iets imiteert. Er is een kunst- en ambachtsleraar in Bazel die zegt dat hij niet begrijpt waarom het nodig is dat als ik het ene oog hier schilder, waarom ik het andere dan niet hier kan schilderen. Op zich heeft het iets, zolang je maar niet in die dingen meegaat. Wat ik bedoel is het innerlijke vermogen om te ervaren. Dit bedoel ik met gevoel voor stijl. Je moet een driehoek kunnen ervaren, een vierkant kunnen ervaren. Je niet aan het uiterlijke nadoen houden. Tegenwoordig maakt iedereen gewoon een pop door deze te imiteren en niet door innerlijk te ervaren. Je moet het van binnenuit kunnen ervaren, zoals een pop huilt of lacht. Dit zou allemaal zinvol gemaakt moeten worden, tot aan de kleding toe. — De meisjes kunnen een pop maken, de jongens een Jan Klaassen. Bij het schilderen met kleuren gaat het om het om het innerlijke beleven. <7>

X.: Läßt sich auch bei den Tönen etwas anwenden?

X.: Kan er ook zoiets met de tonen gebeuren?

Dr. Steiner: Ich glaube doch, daß es sich auch innerlich erleben läßt.

Ik geloof dat het ook innerlijk ervaren kan worden.

Musiklehrer: Soll man mit Worten den Kindern etwas näherzubringen

suchen? Die Melodie als solche oder die einzelnen Töne?

Muziekdocent: Moet je de kinderen iets met woorden proberen over te brengen? De melodie als zodanig of de afzonderlijke noten?

Dr. Steiner: Es wird sich nur im Thema oder in der Melodie ergeben. Wenn man so die Töne behandelt, kommt ein Künstlerisches heraus.

Ich glaube, daß Goethe so etwas meint, wie er Klavier gelernt hat.

Het komt alleen tot uiting in het thema of in de melodie. Als je de tonen op deze manier behandelt, ontstaat er iets artistieks.

Ik denk dat Goethe zoiets bedoelde als hoe hij piano leerde spelen.

Es wird gefragt, ob die Kinder Eurythmieschuhe herstellen sollen.

<8> De vraag wordt gesteld of de kinderen euritmieschoenen moeten maken.

Dr. Steiner: Dadurch würden die Kinder schwächlich und kränklich.

Ich glaube, daß es zu Unzukömmlichkeiten kommen könnte. Auf der anderen Seite, ist so furchtbar viel an Eurythmieschuhen zu erzeugen?

Dat zou de kinderen zwak en ziek maken.

Ik geloof dat het zou kunnen leiden tot ongemak. Aan de andere kant, is er nou zo vreselijk veel te ontwikkelen aan euritmieschoenen?

X.: Jetzt ist es so, daß viele Kinder es für die anderen machen.

X.: Op dit moment maken veel kinderen ze voor elkaar.

Dr. Steiner: Wie lange braucht ein Kind, um ein Paar Eurythmieschuhe zu machen?

Hoe lang doet een kind erover om een ​​paar eurythmieschoenen te maken?

Blz. 243

Ich denke, daß unter den Mitgliedern sehr viele wären; ich kann mir denken, daß unter den Mitgliedern manche Frau ist, die kann mindestens im Tag ein Dutzend solche Schuhe machen, oder neun oder zehn.

Ik denk dat er veel van zulke mensen onder de leden zijn; ik kan me voorstellen dat er onder de leden vrouwen zijn die minstens een dozijn van zulke schoenen per dag kunnen maken, of negen of tien. <8>

X.: In der 5. Klasse ist ein Schüler, der nicht Eurythmie machen will. Er hat

für Künstlerisches kein Interesse, sondern nur für Physik, Elektrizität.

<9> X.: In de vijfde klas zit een leerling die geen zin heeft in euritmie. Hij heeft geen interesse in kunst, alleen in natuurkunde en elektriciteit.

Dr. Steiner: Wie es unmusikalische Menschen gibt, kann es auch uneurythmische Menschen geben. Ich würde ihn nicht dispensieren.

Man sollte nur dispensieren, wenn partielle Idiotie vorhanden ist.

Net zoals er mensen zijn die niet muzikaal zijn, zijn er ook mensen die niet euritmisch zijn. Ik zou hem geen vrijstelling geven. Dat kan alleen als er sprake is van een zekere mate van geestelijk onvermogen. <9

Wegen eines Schülers S.

<10> Over leerling S.



Dr. Steiner: Der unter den Bänken hervorgekrochen ist?

Man muß immer denken, zum Beispiel: werde ich die Zeichnung in

die Ecke machen, werde ich es klein oder groß machen. Der muß

veranlaßt werden, innere Aktivität zu entwickeln. Der muß angehalten werden, nicht so hinzuschlafen. Innerlich tätig sein. Es ist besser, wenn der Junge etwas machen muß, wozu er sich erst entschließen muß. Das meiste erreicht man mit dem Jungen, wenn man ihn berücksichtigt und freundlich ist. Er kann auch artig sein. Ich habe es merkwürdig gefunden, ich habe immer nur bemerkt, wenn er bestraft worden ist. Was er getan hat, habe ich nicht bemerkt.

Die onder de bank vandaan kroop?

Je moet altijd nadenken, bijvoorbeeld: ga ik de tekening in de hoek maken, maak ik hem klein of groot? Hij moet worden aangemoedigd om zijn innerlijke activiteit te ontwikkelen. Hij moet worden tegengehouden om alleen maar in slaap te vallen. Hij moet innerlijk actief zijn. Het is beter als de jongen iets moet doen waar hij eerst zelf voor moet kiezen. Je bereikt het meeste met de jongen als je attent en aardig voor hem bent. Hij kan zich ook goed gedragen. Ik vond het vreemd; ik merkte alleen dat hij straf kreeg, niet wat hij gedaan had. <10>

 .

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3547-3332

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rekenraadsel

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

Neem 4 opeenvolgende getallen, zodanig dat als je ze optelt, het antwoord 66 is.

OPLOSSING:

Het kind zou moeten kunnen beredeneren dat de getallen kleiner zijn dan 20, immers 4x 20 is al 80.
En groter dan vanaf 10, want dan kom je slechts in de 40.
Dan maar proberen: 14, 15, 16, 17 = 62. 15, 16, 17, 18 = 66

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

.

.

.

VRIJESCHOOL – Godsdienstonderwijs (5)

.

Veel informatie hoe het godsdienstonderwijs op de vrijescholen in de loop van de tijd is vormgegeven, heb ik niet.
In de jaren 1970 werd er over gesproken, vooral over het basale en waaraan moet het voldoen, wil het toekomst hebben.

Hieronder een paar artikelen:
.

J. Timmers, Zeist ergens in okt/nov. 1976
.

ALGEMENE OUDERAVOND OVER GODSDIENSTONDERWIJS – een impressie

Aan het eind van de hierboven vermelde ouderavond werd gevraagd of een der aanwezigen een impressie wilde schrijven van hetgeen deze avond ter sprake was gekomen. Het volgende is dus niet een objectief verslag, dat door alle aanwezigen onderschreven zou kunnen worden. Ik denk dat het enige punt, dat een groot deel van de aanwezige ouders verbond, de mengeling van gevoelens was, die je ondergaat als “nieuwe ouder” – dus iemand die de vrijeschool nog niet eerder daadwerkelijk in zijn leven heeft ontmoet – wanneer je wordt geconfronteerd met het begrip godsdienstles.
Die avond kwam dan ook vooral in het teken te staan van het uitspreken en zo mogelijk relativeren van de vaak diepgewortelde associaties en vooroordelen, die velen, waaronder ikzelf, hebben (hadden?) bij het begrip godsdienstonderwijs.

De inleiding van de heer Mees was voor mij een didaktisch meesterwerkje, grofmazig genoeg van opzet om veel vragen op te roepen en veel denkprocessen op gang te brengen, maar tevens subtiel genoeg geweven om de rode draad achter de jaarfeesten, de zondagshandeling en de godsdienstlessen te zien.

Hij beschreef de jaarcyclus van de natuur met haar opgang en neergang, haar sterven en bloeien, van dag en nacht die door de mens in zijn gevoelsleven, in zijn zielenleven in een geweldige tegenpolige cyclus tegemoet werd getreden.
Hoe het de mens is die in de jaarfeesten de natuur ontmoet, tegemoet treedt door in zijn gevoelsleven, in zijn ziel, het tegengestelde te beleven. Hoe bijvoorbeeld de mens in de donkere tijd het feest van het licht viert, hoe hij juist dan verlicht, verwarmd, helder van geest wordt. Hoe de mens in het Michaelsfeest beleeft wakker te worden tot de strijd, terwijl de natuur zich opmaakt om te slapen. Kortom: hoe het de jaarfeesten zijn waar de mens zichzelf beleeft aan de natuur, niét met de natuur mee; werkelijk ont-moeten dus, niet-moeten, vrijworden van, vrij-worden aan de natuur.

Centraler, dieper -..of hoger, net wat je wilt – staat het geestelijk wezen in de mens, onveranderlijk en eeuwig rechtlijnig voortgaand, temidden van deze nimmer aflatende cycli van perioden in het zielenleven van de mens. En zo komt de godsdienstles naar voren als dat punt in het in perioden leven, spelen en leren van het kind, dat voortdurend probeert te wijzen naar dat eeuwige, dat menselijke in de mens.

Zo kwam ook de zondagshandeling in beeld als het punt in de week, waar het voortdurend bewegen, het voortdurende periodeleven, verstild om te wijzen naar, te appellieren aan dié kern achter de dingen, die leven in ons, dat tijdloze in ons.

In de hierop volgende discussie kwam nog veel meer naar voren. Hoe de lessen bij het jonge kind tot doel hebben het kind in beelden te laten beleven van dingen, waarvan hiervoor sprake was, en hoe pas later de lessen geleidelijk aan meer in de begrippen terecht komen en tot de lessen “oriëntatie” voor de bovenbouw evolueren. Ook werd gesproken over het belang – misschien? – van het samenbrengen van religie en alledag; de zondagshandeling in de school dus (“ieder mens zijn eigen priester”, zei de heer Mees in een soort toekomstvisioen).

Over het vertrouwen van de ouders in de godsdienstleerkracht, gekoppeld aan het gevaar van te veel richting en inhoud geven aan het beleven van het kind in deze materie. Over de relatie tussen geloofsgemeenschap (kerk) en het nieuwe (toekomstige?) christendom. Nog veel meer. Kortom: Het natuurgebeuren voltrekt zich in periodes: winter, lente, zomer, herfst.
Deze seizoenen zijn te typeren als periode van duisternis (winter), licht (zomer), ochtend (lente), avond (herfst).
Zomer en winter hebben hun hoogtepunten in zomer- en winter: zonnewende.
Het menselijk lichaam heeft deels aardse periodiciteit, zo ook de ziel.

De perioden van de ziel gaan bijna gelijk op met de jaargetijden. De hoogtepunten zijn Kerstmis, Pasen, St.-Jan en Michaelsfeest. Maar de perioden van de ziel zijn tegengesteld van karakter aan die van de natuur.

Voor de ziel is de winter het tijdperk van het licht, met als hoogtepunt Kerstmis. De lente is de periode van de avond; het rekenschap geven van dood en opstanding – Pasen. De zomer is het tijdperk van de nacht: St. -Jan, een feest in de late avond, nachtelijk duister, sterrenhemel. De herfst brengt ochtendstemming met St.-Michael als voorbereider van het Lichtfeest.

De mens is niet alleen onderhevig aan verandering en periodiciteit. Er is ook iets in hem dat gelijk blijft, door de seizoenen en jaren heen. Je bent bewust van jezelf en de eigen periodiciteit, je kunt jezelf observeren en jezelf overstijgen. Dat is mogelijk door de geest. De geest is een constante en onveranderlijke factor, is leeftijd-loos.

Het leven in periodes is ook terug te vinden in de opbouw van het onderwijs aan de vrijeschool. Denk maar aan het periode-onderwijs en het vieren van en toeleven naar de jaarfeesten. Naast deze periodiciteit kent het vrijeschoolleven ook de onveranderlijkheid. De handelingen met hun vaste “liturgie” vormen dit constante element. Het kind wordt op iets anders en op een andere wijze aangesproken dan door de week. De geest wordt toegesproken, gewekt en versterkt.

Religie legt de band tussen mens en datgene wat meer, hoger of goddelijk is. Godsdienst is een ongelukkig woord voor religie. Godsdienstonderwijs wordt de wekelijkse les genoemd waarin leraar en leerling zich wijden aan religie. Die godsdienstlessen zouden ook best oriëntatie genoemd kunnen worden.

De mogelijkheden van een pedagoog zijn heel beperkt. Zijn belangrijkste taak is niet om een kind te veranderen, maar om het wezen van een kind te omhullen en te beschermen.

De godsdienstlessen zijn er niet voor om kinderen religieus besef bij te brengen. Dat is er. Het onderwijs moet de kans scheppen dat dit besef zich kan ontwikkelen. De leraar voedt het kind met beelden waarin het zich thuis voelt.

Het godsdienstonderwijs legt de schakel tussen ziel en geest en dus tussen periodiciteit en onveranderlijkheid, of anders gezegd tussen handelingen en periode-onderwijs, jaar- en andere feesten.

In de discussie die volgde kwamen nog de volgende informaties te voorschijn.

Het ontstaan van de handelingen is verbonden met de vrijeschool. Het was een antwoord van Steiner op vragen van ouders en kinderen. De kinderhandelingen worden ook gegeven in de kerk van de Christengemeenschap.

Sommige ouders en kinderen trekken meer naar de bijeenkomsten in de kerk, anderen gaan liever naar de school.

Mees: “Het past misschien goed in deze tijd dat leken de handelingen leiden en dat ze worden gehouden in een ruimte waarin door de week een hoop andere dingen gebeuren.”

Bij de handelingen staat de Christus-figuur centraal. Zoals trouwens ook in de Anthroposofie. Door Rudolf Steiner werd Anthroposofie wel eens aangeduid als een nieuw Christendom.

In de godsdienstlessen krijgen ook de andere wereldreligies veel aandacht. Het volgen van het godsdienstonderwijs hoeft op geen enkele wijze strijdig te zijn met het behoren tot een bepaalde confessie. Het volgen van deze lessen is facultatief, maar vrijwel alle kinderen nemen er aan deel.

Wat gebeurt er in de lessen, wat is de lesstof, wat hebben de godsdienstleraren voor achtergrond, kunnen ouders de lessen niet eens volgen?

Discussie over deze vragen maakte duidelijk dat het goed is als ouders proberen vanuit zichzelf de ontwikkeling van hun kinderen mee te maken.

De godsdienstleraren zijn altijd bereid deel te nemen aan gespreksgroepjes van ouders. Bij de lessen kunnen de ouders onmogelijk aanwezig zijn, omdat zij de relatie leraar-leerlingen, waarop de lessen gebouwd zijn, zouden verstoren.

0-0-0

Kraamwinkel  Haarlem, nadere gegevens ontbreken

.

RELIGIOSITEIT EN OPVOEDING
.

Wie een peuter met water en zand ziet spelen, kan daar een prettig gevoel bij krijgen; een gevoel van vertedering.
Tegelijkertijd ontdekt hij met pijnlijke verbazing, dat zo ’n peuter nog iets heeft, wat de volwassene al lang is kwijtgeraakt: een volmaakt onbevangen overgave aan de waarneming, een totaal opgaan in het korrelig door de vingertjes glijdende zand, in het bewegelijke, heldere waterstraaltje dat uit z’n theepotje komt.
Een klein kind heeft het vermogen om de kwaliteiten der natuurlijke dingen direct te beleven, zonder enig oordeel, zonder enig begrip. Dat beleven zou je natuurlijke religiositeit kunnen noemen.

Het schoolkind heeft deze natuurlijke religie niet meer. In hem groeit een nieuw vermogen: het vermogen tot “medemenselijkheid”. 
Zijn medemens en met name de volwassene is nu de spiegel geworden, waarin hij de wereld ziet; door het gesproken woord wordt het kind de wereld verteld, liever nog: vertaald.
Het kind kan de taal nog opnemen met z’n gevoel, met z’n hart. Gelukkig het kind, dat zo wordt aangesproken, dat het uit liefde en eerbied kan opzien naar zijn volwassen medemens.

In onze jongelingsjaren zoeken we de waarheid; we willen de wereld en de mensen met onze gedachten doorgronden, begrijpen.
Dat beleven van de waarheid, van de ideeën die achter al het uiterlijke schuil gaan, geeft een groot geluksgevoel, een gevoel dat te vergelijken is met het beleven van de kleuter in zijn ontmoeting met het natuurlijke, en met dat van het schoolkind in zijn ontmoeting met de medemens.

Drie, dagen hebben we met ongeveer tweehonderd collega’s intensief aan dit moeilijke thema gewerkt, dat al geruime tijd in de verschillende lerarencolleges was voorbereid.

Met nieuwe ideeën keerden we zondag diep voldaan huiswaarts.

Hartelijk dank, beste ouders, dat U door de extra-lange herfstvakantie deze waardevolle ontmoeting mogeliik hebt gemaakt.

0-0-0

Godsdienstonderwijsalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3546-3331

,

,

,

,

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Breinbreker

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

HET TOVERWOORD

Op de muur in de klas van de tovenaarsleerlingen hing een groot bord met een heleboel letters. Op dat bord stond een toverwoord dat de leerlingen van buiten moesten leren. Maar niemand wist welk woord het was. Toch is het vrij eenvoudig te vinden.

Je moet op iedere regel zoveel letters wegstrepen als staat aangegeven. Dus op de eerste regel twee letters, op de tweede regel één letter, op de derde regel weer twee letters, enzovoort. Dit moetje ook doen met de regels die van boven naar beneden lopen. Je moet natuurlijk wel zorgen dat het precies klopt.

Als je de juiste letters hebt weggestreept, vormen de letters die overblijven het toverwoord.

Kun jij het vinden?

OPLOSSING:

ABRACADABRA

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – klas 5 geschiedenis (2-4-2)

.
In de 5e klas wordt de leerlingen o.a. iets verteld over de cultuur van het Tweestromenland. Wat is het kenmerkende van bv. de Babylonische cultuur.
In het Gilgamesjepos dat meestal in proza wordt verteld, staan raadselachtige dingen. 
Al in 1928 probeert Max Stibbe, dan leerkracht aan de vrijeschool Den Haag, een bepaald licht te werpen. Hij doet dit met wat er van Steiner vanuit de antroposofie bekend is.
Het is geen stof voor de leerlingen, maar voor leerkrachten – voor velen is het ook vaak nieuw als ze voor het eerst geschiedenis geven – kan het een hulp zijn ‘gevoel’ te krijgen voor zo’n cultuurfase.
Ik heb aan de spelling van die tijd niets veranderd.

.
Mr. M.Stibbe, Ostara 2e jrg. nr 2 1928

 

MYTHOLOGIE EN GESCHIEDENIS
.

‘Niet alsof wij de door geest en geleerdheid verworven resultaten van ons zouden willen wijzen; of tot de vroegere beschouwingswijze van Romeinsche verhoudingen terugkeeren, wel willen wij de scherpzinnigheid en de twijfelzucht slechts binnen die grenzen laten gelden, die door de geschiedenis zelf gesteld zijn. Een geestrijk scepticisme kan de geesten wekken en, wat slechts op goede trouw en geloof werd aangenomen, omvormen tot diepere kennis; aan het verleden de maatstaf van den tegenwoordigen tijd aan te leggen, kan leiden tot een nieuwe beschouwingswijze, en een aangename bezigheid verschaffen; verder het samenstellen en vergelijken van gelijksoortige verschijnselen in het leven van verschillende volken, kan tot verrassende resultaten voeren; maar om de geschiedenis van een volk te schrijven, voldoet deze soort van behandeling niet. Niet gedachten, vermoedens, oordeelen van de negentiende eeuw over oud-Romeinsche toestanden willen wij vernemen, maar de daden en lotgevallen der Romeinen willen we ervaren, zooals ze door hen zelf zijn begrepen en overgeleverd’.

Zoo schrijven in 1851 twee vooraanstaande Duitsche geleerden:
Gerlach en J.J. Bachofen in de inleiding van hun „Geschichte der Romer’

Waarlijk een woord, dat de niet-materialistisch bevooroordeelde historicus en ook niet-historicus, vreugdevol kan aandoen! De twee schrijvers willen in hun werk de feitelijke geschiedenis der Romeinen afleiden uit mythologie en cultuur.

Moeten wij niet onze kinderen in de jonge jaren opvoeden door sprookjes en later pas komen met de intellectueele leerstof?

Hadden niet evenzoo de oude volken een beeldend bewustzijn, tegenover het moderne denkende bewustzijn?

Trachten we ons te verdiepen in den zin van enkele oude mythen en sagen, trachten wij te zien hoe daarin de ontwikkelingsgang, dat is de geschiedenis der menschheid op een bepaald stadium in beelden werd geschouwd.

Een bekende oude Joodsche legende vertelt van Abraham: Als zoon van Iara, de veldheer van Nimrod, die dezelfde persoonlijkheid is als Gilgamesch, wordt hij geboren. Voorspeld wordt zijn latere groote macht. Daarom wil Nimrod hem dooden. Zijn moeder verbergt hem in een grot in het gebergte, waar de engel Gabriël, door Jehovah gezonden, hem komt voeden. Dan vlucht hij later door het land Charam (=het holenland) naar Palestina. Het land Palestina wordt doorsneden door de Jordaan en wel zóó, dat die rivier uitloopt in de Doode Zee, die 419 M. onder de oppervlakte van de Middellandsche Zee ligt, d.w.z. het Jordaandal is niet anders, dan een zeer groote en diepe kloof. De stamvader dus der Joden leeft bij voortduring in onderaardsche regionen, geleid door maanmachten, want dat zijn Gabriel en Jehova (zij worden in de legende steeds met de maan in samenhang gebracht).

De maan regeert de bloedsbanden der menschen en we zien in het Joodsche volk het meest aardgebonden volk der oudheid, dat sterker dan alle andere de bloedsbanden cultiveert en wel met een speciale opgave: namelijk het schoonste en edelste lichaam voort te brengen, dat van den Christus. Daarvoor moet het zich losmaken van den samenhang met het stamland, n.l. Babylon, waar een veelgodendom heerschte. De legende duidt dit aan in de vlucht van Abraham uit Babylon. In holen, kloven, grotten leeft Abraham, omdat hij en zijn volk zich verbinden moeten met het specifiek aardsche, het physische en omdat hun taak zal worden een bepaald physisch lichaam voort te brengen, door maanmachten geleid. Zinvol is inderdaad de legende voor het heele Joodsche volk, waarvan Abraham niet alleen de stamvader, maar tevens de representant is.

Het Gilgamesch-epos van de oude Babyloniërs spreekt van den held Gilgamesch, een veroveraar, die de stad Uruh beheerscht — twee derde van hem is God, één derde is mensch. Met zijn vriend Eabani (of Engidu) beleeft hij vele avonturen, totdat de laatste in een gevecht met den hemelstier gedood wordt. Daar beleeft Gilgamesch het raadsel van leven en dood:

„Engidu, mijn vriend, die met mij leeuwen doodde,

Die met mij doorschreed alle wegen,

Hem bereikte het lot der menschheid!

Zes dagen en nachten heb ik over hem geweend

Tot de zevende dag liet ik hem begraven.

Ik vreesde, toen ik zijn noodlot zag,

Doodsvrees greep mij aan, daarom ijl ik over het veld;

Het lot van mijn vriend drukt zwaar op mij:

Een verre weg ijl ik, daarom over het veld:

Het lot van Engidu, mijn vriend, drukt zwaar op mij:

Een verre baan ijl ik daarom over het veld.

Mijn vriend, die ik liefheb, is tot aarde geworden,

Engidu, mijn vriend, die ik liefheb, is tot aarde geworden,

Zal ook ik niet als hij, mij neer moeten leggen

Zonder weer op té staan in alle eeuwigheid?”

 

Zoo vraagt Gilgamesch klagend. En hij trekt ver weg tot over de grenzen van het doodenwater naar zijn voorvader. Utnapischtim, die leefde ten tijde van den zondvloed en die onder de goden is opgenomen. Van hem wil hij antwoord hooren op de vraag naar ’t geheim van leven en dood. Utnapischtim wil hem het antwoord geven, eischt echter een innerlijke voorbereiding van Gilgamesch. Deze voldoet daaraan niet — en vergeefs is zijn tocht geweest. Leven en dood blijven een zwart, onopgelost geheim.

Zinvoller beeld van de Babylonische cultuur is onmogelijk te geven. Zien we toch (ik verwijs naar mijn artikel in Nr. I van dezen jaargang) hoe aan dit cultuurtijdvak voorafging een oer-Perzische en oer-Indische cultuur, waarin de mensch nog geheel één was met de wereld der Goden. Lezen we de geschriften, die van die tijden getuigenis afleggen, dan kunnen we daaruit concludeeren: toen was de mensch nog geheel God, de aarde een deel van den hemel, van de goddelijk-geestelijke wereld. De mensch, de laagste onder de geestwezens. En nu gaat de mensch in de Babylonische cultuur veel sterker zich verbinden met de aarde. Gilgamesch is het prototype van de heele Babylonische cultuur, een derde van hem is al mensch, d.w.z. aardewezen geworden. De menschen uit voorafgaande tijden wisten wat gebeurde met hen na den dood, de dood was geen raadsel en dus het leven niet. Godenwijsheid leerde hun den inhoud van beiden. Gilgamesch echter bezit die Godenwijsheid niet meer in dit mate. Het menschelijk „Ik” verkeerde a. h. w. in de oertijden nog in de geestwereld, ‘bij Gilgamesch verbindt het zich al ten deele met het lichaam, het sterft, zou de Egyptenaar zeggen, in het lichaam. En de vraag rijst bij Gilgamesch: zal het ook ondergaan met het lichaam?

De vraag naar ’t geheim van leven en dood kan in die tijden niet meer beantwoord worden. De Goden beginnen te zwijgen. Gilgamesch zoekt vergeefs. Een duistere tijd voor het menschdom breekt aan met de Babylonische cultuur. Zoolang de geestelijke wereld niet vol zich kan openbaren, zoolang is de menschheid in twijfel overleven en dood. De oude Indiërs spraken van het Kali-yuga, het duistere tijdvak, dat 5000 jaar zou duren. Het begon 3101 voor Christus, het is afgeloopen 1899 na Christus. De nieuwe openbaringen uit de geestelijke wereld, die licht geven over het raadsel van leven en dood, zijn inderdaad gekomen. Wat Gilgamesch zocht wordt 5000 jaar later in de Anthroposophie gegeven. Het begint weer licht te worden in de wereld.

Een diepe zin ligt in de oude sagen verborgen. Zij zijn de tijdlooze documenten van een menschheid, die nog zoozeer met het eeuwig-goddelijke verbonden was. Er volgde een tijd, dat uiterlijke, in den tijd opeenvolgende documenten werden neergelegd. Toen de mensch op aarde zich thuis ging voelen.

In onzen tijd van nieuw geestelijk inzicht zullen wij beide soorten van documenten een bepaalde waarde moeten toekennen. De waarde der legenden en sages blijkt geen geringe te zijn.

.
Over Babylon in klas 5: [2-4]   en  hier//      op Google

5e klas geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld; 5e klasalle geschiedenisbeelden

5e klasalle artikelen

 

.

3545-3330

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – taalraadsel

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

De paardensprong. Net als bij schaken maakt de beginletter –linker kolom midden K  – sprongen en de letters waar hij neerkomt vormen in volgorde een woord. Welk?

Oplossing:

KALENDER

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Gezondmakend onderwijs (4-3-2)

.

In dit artikel beschrijft Prof.dr. Hueck een onderzoek naar de gezondheid van vrijeschoolleerlingen t.o.v. niet-vrijeschoolleerlingen.

Joes Gerritsen, nadere gegevens ontbreken,

schreef over een ander onderzoek:

Heeft de s o o r t onderwijs invloed op lichamelijke rijping?

Wees een te Stuttgart gehouden enquête onder meisjes van openbare en vrijescholen al een belangrijk verschil aan in het tijdstip van optreden van de eerste menstruatie, de zgn. menarche, een onderzoek hier te lande bevestigde deze resultaten.

Wat is nl. het geval?

In 1977 werd een vragenlijst gestuurd aan 4 vrijescholen en 4 verschillende christelijke mavo’s. Behalve de vraag naar de menarchedatum van de meisjes, werd o.a., ook geïnformeerd naar het dragen van een bril.

Bedoeling van het onderzoek was na te gaan of ander onderwijs, een meer kunstzinnige benadering die dóórwerkt in alle vakken, zoals in de vrijescholen wordt nagestreefd, het tempo van de lichamelijke ontwikkeling beïnvloedt. De versnelling nl. van de groei – de lange slungelige gestalte die al vroeg optreedt (geconstateerd is dat soldaten in de laatste halve eeuw gemiddeld 10 cm. langer zijn geworden) – deed de vraag opkomen of er een oorzaak is aan te wijzen verantwoordelijk voor deze opvallende verschijnselen in deze tijd.

Als maatstaf voor het tempo van de lichamelijke ontwikkeling koos men dus het tijdstip van de eerste menstruatie.

Een der oorzaken zou kunnen zijn het feit dat op steeds jeugdiger leeftijd een sterk beroep wordt gedaan op het zenuw-zintuigstelsel via het zgn. aanschouwelijke onderwijs: gezichts- en gehoorzintuigen worden extra belast door teksten te lezen, platen te beluisteren, dia’s en tv-beelden te gebruiken in de lessen. Vooral door het waarnemen van de voltooide vormen in boeken etc. is het kleine kind (dit begint al in de peuterleeftijd!) niet meer in staat daar van binnenuit iets aan toe te voegen; de vorm is af!

Gevolg is dat het gevoels- en wilsleven wordt lamgelegd en dat er een disharmonie optreedt tussen de psychische en de lichamelijke ontwikkeling en gevolg daarvan is dat de lichamelijke ontwikkeling niet voldoende wordt afgeremd, zich sneller afwikkelt dan gezond is. Bepaalde belangrijke ontwikkelingen worden geheel overgeslagen.

Typisch geestelijke vermogens, zoals de religieuze en morele gevoelens worden hierdoor “in de kiem gesmoord” en de gevolgen daarvan zien we overal om ons heen: agressiviteit, grofheid etc.

In wezen kan het 2/3 deel van de mens (het ziels/geestelijke deel) het ene derde deel (de lichamelijke groei) niet meer bijhouden.

Bij een harmonische ontwikkeling wordt gedacht aan uitgroeien tot aan de volwassenheid (20e jaar); een afsluiting van de groei in het 15e,16e jaar wordt dan als vroegtijdig en  niet-harmonisch beschouwd.

Uit het onderzoek bleek dat de mavomeisjes gemiddeld 3 maanden eerder dan de vrijeschoolmeisjes menstrueerden. Misschien niet zo’n groot verschil, maar in Stuttgart kwam men op 8 maanden verschil uit! Bovendien bleek 22% van de mavomeisjee vóór het 12e jaar te menstrueren, 9% van de vrijeschoolmeisjes. Deze verschillen kunnen we niet zo maar aan het toeval wijten.

Dan het dragen van een bril: van de mavomeisjes kreeg 35% een bril toegewezen, van de vsmeisjes maar 17% (minder te lezen in de lessen) Wanneer eenzijdig intellectueel ingericht onderwijs (minder doen en minder emotionele betrokkenheid) van invloed zou zijn op de lichamelijke rijping en op toename van bijziendheid, dan verdient dit aandacht van alle pedagogen en psychologen. Bovendien mag dan verwacht worden dat de interessen voor wat de vrijescholen in de lessen doen, en dat al meer dan 50 jaar lang! – zal toenemen.

Dit onderzoek kan een aanzet zijn die leidt tot verdere onderzoekingen naar de invloed van vrijeschoolonderwijs op de ontwikkeling van het kleine kind.

Dit zijn lastige onderzoeken: er zijn veel factoren waarmee je rekening moet houden. En kun je daar rekening mee houden?
In 1977 was de wereld ‘rustiger’ dan nu. Voor kinderen die bewust met antroposofische inzichten werden opgevoed, c.q. onderwijs kregen, kan de kunstzinnige opvoeding t.o. een (veel) intellectualistischer benadering van invloed zijn geweest op de groeikrachten.
Steiner heeft er – in zijn tijd was dat nog weer anders – gezichtspunten voor gegeven, zie bv. [3]   en    [4]
Het lijkt mij dat er veel minder ‘beschermd opgevoede’ vrijeschoolleerlingen zijn dan ‘vroeger’. Ook zij hebben te maken met de wereld van de communicatiemiddelen van nu die een grote invloed hebben op het zenuw-zintuigstelsel. En het mobiele telefoongebruik zal ook van grote invloed zijn op hun gezichtsvermogen. 

Zo zijn er nog wel meer factoren te noemen.

Al met al blijft het wel een interessante vraag en wellicht wordt er weer eens een onderzoek ingesteld.
.

Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs

Meer over gezondmakend onderwijs – onder nr. 4

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3542-3328

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-3)

.

In v.a [1-7] is sprake van ‘mensbeelden’.
Zie ook bv. [3-7-1]

Steiner wilde zijn onderwerpen breed uitleggen, zo min mogelijk definiëren en zo ruim mogelijk karakteriseren.
Dat betekent ook: verschillende standpunten, vertrekpunten van beschouwing innemen.
Zo kan er sprake zijn van o.a. een 2-ledig, 3-ledig, 4-ledig mensbeeld.

De ene keer gaat hij er diep op in, de andere keer in grote lijnen.

In GA 97, de voordracht van 4 december 1906 in Keulen, behandelt kort en bijna schetsmatig het drieledig mensbeeld, zonder dat Steiner dit hier zo benoemt.

Tussen de regels door – wanneer er bv. over ‘ontwikkeling’ gesproken wordt, doelt Steiner waarschijnlijk op de oefeningen die hij voor een geestelijke scholing heeft gegeven. Zoals in GA 10, vertaald.
De ‘drie aspecten’ worden uitgebreid behandeld in  GA 9, vertaald. 
(De ‘kopjes’ zijn door mij aangebracht)

GA 97

Das christliche Mysterium
Het christelijke mysterie

Blz. 275

Die drei Aspekte der Welt
De wereld vanuit drie gezichtspunten

Voordracht 26, Keulen 4 december 1906

Wir können in der Welt, die an uns herantritt, in der wir leben, drei Aspekte unterscheiden: erstens, wie sie sich uns von außen zeigt, zweitens, wie wir sie in uns empfinden, und drittens, wie sie selbst im Inneren ist.
Unsere Sinnesorgane vermitteln uns den Aspekt der Welt, wie sie sich uns von außen zeigt, die Welt der Formen und Gestalten in der unorganischen Natur, der Mineralwelt; in der belebten Natur, der Pflanzenwelt; in der empfindenden Natur, der Tierwelt, und in der denkenden Natur, der Menschenwelt.

Von außen tritt sie uns entgegen als die Welt der Wahrnehmungen, und wir nehmen diese Welt der Erscheinung, der Wahrnehmung durch unsere Sinnesorgane auf. Unsere Sinnesorgane sind die Pforten, durch welche die
äußere Welt der Gestalten zu uns Zutritt hat. Hätten wir unsere Sinnesorgane nicht, so bliebe die Gestaltenwelt für uns ewig ein Unbekanntes, ein Geheimes, ein Okkultes; sie wäre für uns nicht da.
Man könnte uns nur davon erzählen und uns lediglich eine annähernd für uns verständliche Beschreibung derselben geben. Aber solange uns die Sinnesorgane fehlten, könnten wir uns niemals eine ganz zutreffende Vorstellung von der äußeren Welt der Formen und Gestalten machen.

We kunnen drie aspecten onderscheiden van de wereld waarmee we geconfronteerd worden, de wereld waarin we leven: ten eerste, hoe die zich van buitenaf aan ons voordoet; ten tweede, hoe we die in onszelf waarnemen; en ten derde, hoe die op zichzelf ís.

Eerste aspect

Onze zintuigen brengen ons het aspect van de wereld over zoals die zich van buitenaf aan ons voordoet, de wereld van vormen en verschijnselen in de anorganische natuur, de minerale wereld; in de levende natuur, de plantenwereld; in de voelende natuur, de dierenwereld; en in de denkende natuur, de mensenwereld.

Van buitenaf gezien doet de wereld zich aan ons voor als de wereld van waarnemingen, en we nemen deze wereld van verschijning, van waarneming, in ons op via onze zintuigen. Onze zintuigen zijn de poorten waardoor de uiterlijke wereld van vormen toegang tot ons krijgt. Zonder onze zintuigen zou de wereld van vormen voor altijd onbekend voor ons blijven, geheimzinnig, verborgen; ze zou voor ons niet bestaan. Men zou ons er alleen over kunnen vertellen en ons een beschrijving kunnen geven die voor ons bij benadering begrijpelijk is. Maar zolang we geen zintuigen hadden, konden we nooit een volledig accuraat beeld vormen van de externe wereld, van vormen en figuren.

Was wir jetzt sehend, hörend, fühlend und tastend, durch Geruch und Geschmack aufnehmen, wäre dann für uns nicht da. Die äußere Welt bliebe dann für uns im Dunkel verborgen, und nur ahnen könnten wir sie und nach den Beschreibungen derer, die sie kennen, uns ein annäherndes, aber niemals ein genaues Bild derselben machen. Immer wäre diese Gestaltenwelt eine okkulte Welt für den Menschen geblieben, hätten sich seine Sinne nicht geöffnet, um sie aufzunehmen. Seine Sinne mußten sich erschließen, damit ihm der Zugang zu dieser äußeren Welt möglich wurde.

Das Wahrnehmen der Sinneswelt ist eine Stufe in der Menschheitsentwickelung, die sie früher nicht erreicht hatte. Es gab eine
Zeit, wo die Sinnesorgane des Menschen sich noch nicht nach au-
ßen aufgetan hatten. 

Wat we nu waarnemen door te zien, te horen, te voelen, te ruiken en te proeven, zou dan voor ons niet bestaan. De buitenwereld zou in duisternis gehuld blijven en we zouden haar bestaan ​​slechts kunnen aanvoelen en, op basis van de beschrijvingen van degenen die haar kennen, een benaderend, maar nooit een exact, beeld ervan kunnen vormen. Deze wereld van vormen zou voor de mensheid altijd een verborgen wereld zijn gebleven als onze zintuigen zich niet hadden geopend om haar waar te nemen. Onze zintuigen moesten zich ontwikkelen zodat toegang tot deze buitenwereld mogelijk werd.

Het kunnen waarnemen van de zintuiglijke wereld is een stadium in de menselijke ontwikkeling die er voorheen nog niet was. Er was een tijd dat de menselijke zintuigen zich nog niet openden voor de buitenwereld.

Blz. 276

Da konnte der Mensch die Gestaltenwelt nicht wahrnehmen; da konnte er nichts draußen wahrnehmen; da lebte er noch ganz in seinem nach der Welt zu abgeschlossenen Inneren. Er lebte ganz ein Innenleben, wie es uns jetzt noch in unseren Empfindungen bekannt ist.
In diesem Innenleben finden wir jetzt noch den zweiten Aspekt der Welt. Durch das Wahrnehmen der äußeren Gestaltenwelt mit unseren Sinnesorganen entstehen in unserem Inneren Empfindungen. Wie wir mit unseren Sinnesorganen die Außenwelt wahrnehmen, so empfinden wir mit unserer Seele die Eindrücke, die uns diese Außenwelt macht. Dadurch wird diese Außenwelt in unserer Seele zu unserer eigenen Innenwelt. In dem Maße, wie unsere Seele und ihre Organe entwickelt sind, wird uns diese eigene Innenwelt zum Bewußtsein kommen. Je höher der Mensch in der Entwickelung steht, desto stärker empfindet er diese Außenwelt auch als Innenwelt in der Seele; je mehr er seine Seelenorgane ausgebildet hat, desto mannigfaltiger gestaltet sich seine Innenwelt, desto reicher sind die Bilder derselben, die in seinem Inneren aufsteigen, desto geordneter und harmonischer durchziehen sie sein Inneres.

In die tijd kon de mens de wereld van vormen niet waarnemen; hij kon niets buiten zichzelf waarnemen; hij leefde volledig in zijn innerlijke zelf, afgesloten van de wereld. Hij leefde een volledig innerlijk leven, zoals wij dat vandaag de dag nog steeds kennen in onze gewaarwordingen.

Tweede aspect

In dit innerlijke leven vinden we nu het tweede aspect van de wereld. Door de waarneming van de externe wereld van vormen met onze zintuigen ontstaan ​​er gewaarwordingen in ons. Net zoals we de externe wereld met onze zintuigen waarnemen, zo ervaren we met onze ziel de indrukken die deze externe wereld op ons maakt. Op deze manier wordt deze externe wereld onze eigen innerlijke wereld in onze ziel. Naarmate onze ziel en haar organen zich ontwikkelen, zal deze eigen innerlijke wereld tot ons bewustzijn doordringen. Hoe hoger iemands ontwikkelingsniveau, hoe sterker hij deze externe wereld als een innerlijke wereld in zijn ziel ervaart. Hoe meer hij zijn zielsorganen heeft ontwikkeld,
hoe diverser zijn innerlijke wereld wordt, hoe rijker de beelden ervan zijn die in hem opkomen, hoe ordelijker en harmonieuzer ze zijn innerlijke wezen doordringen.

Um die Außenwelt ganz zu seiner eigenen zu machen, muß der Mensch eine starke, harmonisch ausgestaltete und gegliederte Seele haben, einen ausgebildeten Seelenorganismus. Je vielseitiger der Mensch sein Seelenleben ausgebildet hat, desto mannigfaltiger wird dort die Außenwelt in abwechslungsvollen Bildern auftauchen. Je harmonischer seine Seele ist, desto schöner wird sich die Außenwelt in seiner Seele abspiegeln. In unserer Seele taucht dann die Außenwelt unter und ersteht dort zu einem schönen, harmonischen, lebensvollen, abwechslungsreichen Ganzen.
Während der Mensch im Wachbewußtsein sein Hauptaugenmerk auf die Außenwelt richtet und sie zunächst nur chaotisch als Empfindungen in sich auftauchen spürt, muß er lernen, diese chaotischen Empfindungsvorgänge zu ordnen und zu regeln, sie in bewußte Beziehung zur Außenwelt zu bringen und daraus ein harmonisches Ganzes zu gestalten. Er muß die Innenwelt seiner Seele unter seine Herrschaft bringen lernen.

Om de buitenwereld volledig eigen te maken, moet een persoon een sterke, harmonieus ontwikkelde en gestructureerde ziel hebben, een volledig gevormd zielorganisme. Hoe veelzijdiger iemands zielsleven is, hoe diverser de
buitenwereld zich daarin zal manifesteren in uiteenlopende beelden. Hoe harmonieuzer hun ziel, hoe mooier de buitenwereld erin weerspiegeld zal worden. Binnen onze ziel dompelt de buitenwereld zich dan onder en rijst daar op als een prachtig, harmonieus, levendig en gevarieerd geheel.

Terwijl een persoon in wakende toestand zijn aandacht richt op de buitenwereld en deze aanvankelijk slechts chaotisch ervaart als gewaarwordingen, moet hij leren deze chaotische zintuiglijke processen te ordenen en te reguleren, ze in een bewuste relatie met de buitenwereld te brengen en er een harmonieus geheel van te maken. Hij moet leren de innerlijke wereld van zijn ziel onder controle te krijgen.

Blz. 277

Erst dann wird sie wirklich seine eigene und eigenste Welt, in der er bewußt und nach eigenem Willen leben kann.
Im Traumleben taucht der Mensch in seine Innenwelt unter. Da ist er der Sinnenwelt entrückt und ist preisgegeben dem chaotischen Wirbel seiner Empfindungswelt, die in Bildern in ihm auftaucht.
In dem Maße, wie sich seine Empfindungen ordnen, werden auch seine Traumbilder geregelt und bedeutungsvoll.
Was nun in ihm zur Innenwelt geworden ist in seiner Seele, das ist der Aspekt der Umwelt, wie er sie empfindet. Dieser steht gegenüber dem Aspekt der Wahrnehmungen, unter dem sich die Umwelt seinen Sinnen zeigt.
Nun besteht die Welt aber noch unter einem andern Aspekt, unter dem Aspekt, wie sie wirklich ist. Es ist der eigentliche Aspekt des wahren Seins der Welt, wie sie in ihrem Inneren ist. Zu diesem Aspekt gelangt der Mensch, wenn er den eingeschlagenen Weg weiter verfolgt.

Pas dan wordt het werkelijk zijn eigen en meest persoonlijke wereld, waarin hij bewust en naar eigen wil kan leven.

In zijn dromen dompelt een mens zich onder in zijn innerlijke wereld. Daar wordt hij losgekoppeld van de wereld van de zintuigen en blootgesteld aan de chaotische werveling van zijn wereld van gewaarwordingen, die zich in hem manifesteert in beelden. Naarmate zijn gewaarwordingen geordend raken, worden ook zijn droombeelden gereguleerd en betekenisvol.

Wat nu zijn innerlijke wereld in zijn ziel is geworden, is het aspect van de omgeving zoals hij die waarneemt. Dit staat in contrast met het aspect van waarnemingen, waaronder de omgeving zich aan zijn zintuigen openbaart.

Maar de wereld bestaat ook onder een ander aspect, het aspect van hoe zij werkelijk is. Het is het werkelijke aspect van het ware wezen van de wereld, zoals het in de kern is. Een mens bereikt dit aspect wanneer hij die ingeslagen weg verder blijft volgen.

Derde aspect

Wenn aus klaren Sinneswahrnehmungen in ihm Empfindungen entstanden sind in seinem Inneren, wenn er diese Empfindungen in harmonische Ordnung und in schönen Rhythmus gebracht hat, dann tragen ihn diese Empfindungen wieder hinaus in die Welt. Sie schlagen eine Brücke von seiner Seele zur Welt, und während die Welt sich in ihn hineinergießt durch seine Sinne, so ergießt sich nun seine Seele in die Welt hinein durch das Denken über die Welt. Seine Empfindungen gießt er hinein in den Gedanken, und sein Gedanke dringt ein in die Umwelt. So ist die Kette geschlossen zwischen Welt und Mensch und zwischen Mensch und Welt.
Die Welt ist draußen, die Empfindung im Inneren des Menschen; der Gedanke ist in beiden. Im Denken vereinigt sich der Mensch ganz mit der Welt. Denn das Weltendenken und sein Denken sind ein Ganzes. So wurzelt die Menschheit mit ihren Wahrnehmungen im sinnlichen Dasein. So wächst sie, indem sie aus der
Sinnenwelt Eindrücke empfängt und diese sich in der Seele zu Empfindungen, zu Bildern ordnen, sich rhythmisieren und im seelischen Leben sich umwandeln. So erblüht sie, indem sie aus diesen Bildern und den Wahrnehmungen herausliest, herausempfindet, heraushört den Weltgedanken, der in jedem denkenden Menschen neue Blüten treibt.

Wanneer heldere zintuiglijke waarnemingen innerlijke gewaarwordingen hebben voortgebracht, wanneer deze gewaarwordingen in harmonieuze orde en een prachtig ritme zijn gebracht, dan voeren deze gewaarwordingen hem terug de wereld in. Ze vormen een brug van zijn ziel naar de wereld, en terwijl de wereld via zijn zintuigen in hem doordringt, zo stroomt zijn ziel nu de wereld in door over de wereld na te denken. Hij giet zijn gewaarwordingen in zijn gedachten, en zijn gedachten doordringen de omgeving. Zo wordt de keten gesloten tussen wereld en mens en tussen mens en wereld.

De wereld is buiten, de gewaarwording binnenin de mens; het denken is in beide. In het denken verenigt de mens zich volledig met de wereld. Want werelddenken en denken zijn één.
Zo is de mensheid, met haar waarnemingen, geworteld in het zintuiglijke bestaan.
Zo groeit de mensheid door indrukken uit de zintuiglijke wereld te ontvangen, die in de ziel worden geordend tot gewaarwordingen, tot beelden, die ritmisch worden en transformeren in het leven van de ziel. Zo bloeit ze op als ze uit die beelden en waarnemingen de wereldgedachte leest, voelt en hoort die nieuwe bloesems voortbrengt in ieder denkend mens.

Blz. 278

Die Menschen wurzeln alle in dem einen Boden der physischen Sinnen- und Gestaltenwelt. Es ist dieselbe Welt für alle, derselbe Boden, aus dem alle herauswachsen. Und jede einzelne Menschenindividualität saugt heraus aus dem gemeinsamen Boden Kräfte zu ihrer besonderen Entfaltung. Viele und verschieden geartete Stamme sind die einzelnen Menschenindividualitäten, die aus dem einen Boden hervorwachsen und, jede in ihrem Seelenleben, die aus
dem einen Boden aufgenommenen Kräfte in ihrer besonderen Eigenart verarbeiten. Aber droben zur Blüte gelangend, in der Welt des Gedankens, bilden alle ein großes Ganzes, ein wunderbares wogendes Blütenmeer, jede Blüte eine Widerspiegelung des großen einen Weltendenkens, und eine die andere ergänzend, sich einfügend als Glied in die ganze Kette, als Juwel in eine Krone von Juwelen, als Welle in ein Gedankenweltenmeer.

Alle mensen zijn geworteld in dezelfde bodem van de fysieke wereld van zintuigen en vormen. Het is dezelfde wereld voor iedereen, dezelfde bodem waaruit alles groeit. En ieder mens put kracht uit deze gemeenschappelijke bodem voor zijn of haar specifieke ontwikkeling. Vele en diverse (boom)stammen zijn de individuele mensen die uit deze ene bodem groeien en, ieder in zijn of haar innerlijke leven, de krachten die uit deze ene bodem zijn opgenomen op hun eigen unieke manier verwerken. Maar wanneer ze hun volle bloei bereiken in de wereld van het denken, vormen ze samen een groot geheel, een wonderbaarlijke, golvende zee van bloesems, waarbij elke bloesem een ​​weerspiegeling is van het grote, ene werelddenken, en elke bloesem de andere aanvult, als een schakel in de hele keten, als een juweel in een kroon der juwelen, als een golf in een zee van gedachtewerelden.

Unten ein Ganzes: die physische Welt. Oben ein Ganzes: die Geisteswelt. Dazwischen Umwandlung des Unteren in das Obere in vielen Individualitäten: die Seelenwelt.
Ein Spiegelbild der Geisteswelt ist die physische Welt draußen in ihrer Einheitlichkeit.
Ein Spiegelbild der Geisteswelt ist die Seelenwelt des Menschen in ihrer Mannigfaltigkeit. Die ganze große Welt draußen wird in jeder Menschenseele eine besondere kleine Welt, und wird, aus allen Menschenseelen im Gedanken heraustretend, wieder ein großes Ganzes. So geht der Weg vom Kosmos durch den Mikrokosmos hindurch, um als neuer, vervollkommneter Kosmos aus den gesamten Mikrokosmen hervorzugehen.

Beneden, een geheel: de fysieke wereld.
Boven, een geheel: de spirituele wereld.
Daartussenin, de transformatie van het lagere naar het hogere in vele individualiteiten: de zielenwereld.

Een weerspiegeling van de spirituele wereld is de fysieke wereld daarbuiten in
haar eenheid.
Een weerspiegeling van de spirituele wereld is de zielenwereld van de mensheid in haar diversiteit.
De hele grote wereld daarbuiten wordt in elke menselijke ziel een bijzondere kleine wereld, en, voortkomend uit alle menselijke zielen in gedachten, wordt deze weer een groot geheel.

Zo leidt het pad van de kosmos door de microkosmos, om als een nieuwe, meer volkomen kosmos uit de gezamenlijke microkosmos tevoorschijn te komen .
GA 97/275-278
Niet vertaald

.
Meer over 3- en 4-ledig mensbeeld

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.
3541-3327

.

.

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – 5e klas – plantkunde

.
Gem. dienst school- en kindertuinen, febr. 1976
.

KATJESDRAGERS

De els, berk, populier en wilg behoren alle tot de zgn. katjesdragers. Deze naam danken zij aan de wijze waarop zij bloeien, die enigszins doet denken aan het vel van een kat. Katjes zijn uit een groot aantal merkwaardige bloempjes samengesteld. In tegenstelling tot de meeste bloemen vinden we hier:

1. aparte stamperbloemen en aparte meeldraadbloemen;

2. geen kelk- en kroonbladeren;

3. een groot aantal bloemen zijn verenigd tot zogenaamde katjes: mannelijke of vrouwelijke meeldraadkatjes, vrouwelijke of stamperkatjes.

De berk

De mannelijke en vrouwelijke katjes zitten aan dezelfde boom (eenhuizig). De mannelijke katjes zitten meestal in V-vorm aan het eind van de tak; van de vrouwelijke katjes is nu nog niets te zien, want ze zitten in de bladknoppen.

In tegenstelling tot de andere katjesdragers bloeien bij de berk de katjes niet vóór, maar tegelijk met het verschijnen van het blad. De wind zorgt voor de bestuiving. De berk is een van de mooiste bomen van onze bossen. Door de sterk vertakte kroon heeft de berk een fraaie vorm, die wordt geaccentueerd door de witte bast op de stam. De berk groeit snel en heeft daardoor betrekkelijk zacht hout dat veel vocht bevat. De boom is dan ook weinig brandbaar en wordt daarom vaak aan de randen van bossen aangeplant als een soort brandbeveiliging (brandsingels). De fijne, witte bovenbast geeft berkenolie en juchtolie (te gebruiken bij de bereiding van juchtleer). De daaronder liggende laag geeft eveneens looistoffen. Berkenbast is heel duurzaam en kan daarom gebruikt worden voor de vervaardiging van touw en matten. Berkenhout is geschikt voor het maken van disselbomen, van houten lepels en bakken. Het sap van de boom wordt verwerkt in berkenhaarwater en berkenwijn.

De els

Evenals bij de berk vinden we beide soorten katjes aan één boom. Deze boom is dan ook eenhuizig. Het onderscheid tussen beide soorten katjes is eenvoudig: de mannelijke katjes zijn veel langer en zitten vol meeldraden, de vrouwelijke katjes zijn aanzienlijk kleiner, hebben een roodachtige kleur en kleverige stampers.

Een enkel mannelijk katje levert ruim 6 miljoen stuifmeelkorrels, terwijl een vrouwelijk katje ± 100 stampers bevat. Deze getallen wijzen erop dat we, net als bij de berk, met een windbloeier te maken hebben. De bloemen zijn klein, onopvallend en bezitten geen honing om insecten aan te trekken. Hier fungeert de wind als postbode van het stuifmeel. De grote produktie van stuifmeel vergroot alleen maar de kans dat enige stuifmeelkorrels op het juiste adres worden bezorgd, nl. op de stampers. In tegenstelling tot de berk heeft de els het voordeel dat de katjes bloeien voordat de bladeren uit de gesteelde knoppen verschijnen, zodat ze het bestuivingsproces niet kunnen hinderen.

Elzenproppen

Wellicht vindt u aan de tak deze merkwaardige houtige “kegeltjes”. Het zijn de vrouwelijke katjes van vorig jaar, die helemaal houtig zijn geworden. Tussen de schubben ervan bevinden zich misschien nog de enigszins gevleugelde zaden. De els staat vaak op plaatsen, waar andere bomen het niet kunnen uithouden. Hij staat vaak zo dicht bij sloot en plas, dat de voet van de stam in het water staat als het in het voorjaar hoog water is. Het geheim schuilt in de wortels. Overal ontdekt men hieraan kleine knolletjes; het lijkt wel of de boom ziek is. In die knolletjes zitten heel kleine organismen, een soort zwam, die stikstof uit de lucht kunnen opnemen. Op deze manier kan de plant beschikken over stikstof, die ze anders uit de bodem zou moeten opnemen. Hiervan profiteren vaak ook kruiden in de buurt van de boom. Men noemt een dergelijke vorm van samenwerking tussen planten (en van dieren) onderling symbiose. De els kan uit delen van het wortelstelsel nieuwe uitlopers vormen; vandaar dat men vaak bomen ziet met meer dan één stam. Het hout van de els is roodachtig van kleur en is goed geschikt voor houtsnijwerk. De els groeit vaak samen met wilgen en populieren in het zogenaamde elzenbroekbos, dat in ons land het meest op vochtige veengronden voorkomt.

De populier

De derde katjesdrager is de populier, die bekend staat als een snelle groeier en tevens als een boom, die gemakkelïjk gestekt kan worden.
Bij els en berk zagen we dat zowel de mannelijke als de vrouwelijke katjes op een boom voorkomen (eenhuizig); bij de populier vinden we op de ene boom alleen de mannelijke en op de andere boom alleen de vrouwelijke katjes (tweehuizig). Ook hier zorgt de wind voor het transport van het stuifmeel naar de stamperkatjes. Na de bloei vallen de mannelijke katjes af en vormen een dik tapijt aan de voet van de boom. Omdat ze enigszins op rupsen lijken, worden ze dan vaak door kinderen meegenomen.

De wilg

Evenals de populier is de wilg tweehuizig: er komen op één boom maar één soort katjes voor. Sommige wilgentakken vormen dus betrekkelijk kleine, weinig opvallende katjes, andere hebben grote gele katjes, waaruit honderden helmknoppen tevoorschijn komen. Als een mannelijke wilgenboom in bloei staat en bedekt is met de gele katjes, dan zal men er steeds een zwerm insecten, vooral bijen, rond omheen vinden. De katjes zitten weinig beweeglijk aan de boom bevestigd; de wind heeft er weinig vat op. De stuifmeelkorrels zijn dan ook groot en kleverig en bijzonder geschikt voor transport door insecten.

Wie in de buurt van een wilgeboom komt zal bovendien al op een afstand de nectargeur kunnen waarnemen. De bijen en hommels hebben in het vroege voorjaar grote behoefte aan aanvulling van hun voedselvoorraad. Het eiwitrijke stuifmeel en de nectar (honing) zijn dus bijzonder welkom. Vliegt een bij van een stuifmeelboom weg en komt hij op een boom met vrouwelijke katjes dan kan de bestuiving gemakkelijk plaatsvinden. De vrouwelijke katjes hebben een rijke voorraad nectar beschikbaar en oefenen dus ook een grote aantrekkingskracht op de insecten uit.
Na de bevruchting is de wilgenboom afhankelijk van de wind. Het vruchtje is voorzien van een pluisachtige parachuut en wordt door de wind verspreid.

 

 

 

 

 

 

De els, de duivel en de geit

Als u wel eens in een pas geveld elzenbos geweest bent ziet u, dat overal waar de bijl een stam velde, de stobbe rood kleurt. Vooral in de nevelige winterlucht biedt zo’n bos een bloederige aanblik. Het is te begrijpen, dat dit wonderlijke verschijnsel al vroeg de aandacht trok en dat er alle mogelijke volksverhalen over de herkomst van dat “bloed” bestaan. Natuurlijk hangen ze allemaal op de een of andere wijze samen met de “boze”.

Een van die verhalen wil ik kort vertellen. Nadat de duivel een hele lange dag over de aarde gedoold had zonder ook maar één zieltje te kunnen verschalken, richtte zijn woede zich op een onschuldige geit, die vredig langs een wegberm graasde. Toen de geit de duivel zag, trachtte ze nog te vluchten, maar de boze was haar te vlug af en greep haar bij haar Iange staart. Door veld en wei trok de duivel de tegenstribbelende geit onbarmhartig aan haar achtereinde voort tot ze in het elzenbroek kwamen. Daar, tussen de stammen en het gewirwar van de ondergroei, kon de geit zich beter schrap zetten zodat de duivel haast niet vorderde. Woedend rukte hij aan de staart tot …. deze plotseling afbrak. De geit was in een ommezien verdwenen en de duivel stond beteuterd met de bloedende geitenstaart in het elzenbroek. De elzenwortels zogen gretig het geitenbloed op, maar sindsdien bloeden de elzen zodra hun stam verwond wordt.
’t Is een wonderlijk en haast ongeloofwaardig verhaal, maar ’t korte staartstompje van de geiten is er om te bewijzen, dat er toch echt wel zoiets gebeurd moet zijn.

.

5e klas plantkunde: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: 5e klas

.

3540-3326

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 10 (10-6)

.

*GA 293         Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In [10-5] bracht ik iets naar voren om de ‘metamorfosegedachte’ beter te leren kennen.
Wanneer je je daarmee een tijd hebt beziggehouden, ondersteund door de andere artikelen daarover, begint er wellicht iets te dagen van deze idee.
Opmerkelijk is het wellicht in de tijd van ‘harde’ wetenschap, dat het hier geen (begrips)definities betreft die je bv. ‘uit het hoofd’ kan leren, maar dat het gaat om een idee als beweging te doordenken.

Idee als beweging

Het begrip ‘driehoek’ kan helpen iets te gaan voelen van ‘begrip als beweging’.
Daarvoor is het nodig eerst dit artikel te bestuderen.

Met de daar gevonden gezichtspunten kunnen we het gevoel hebben dat we wat Steiner hier omschrijft als:

Blz. 149  vert. 144

Nun, sehen Sie, ich habe immer gefunden, daß für die meisten Menschen eine große Schwierigkeit darin liegt, wenn sie begreifen sollen, welche Beziehung zwischen den Röhrenknochen der Arme und Beine und zwischen den Schalknochen des Kopfes, des Hauptes besteht.

Ik heb altijd geconstateerd dat het voor de meeste mensen heel moeilijk te begrijpen is welk verband er bestaat tussen de pijpbeenderen van armen en benen enerzijds en de platte beenderen van het hoofd anderzijds.

een relatie tussen hoofd- en ledematenbeenderen met minder moeite zouden moeten kunnen doorgronden, dus niet met vaste definities, maar met beweeglijkheid van denken, 

De vertaling van ‘Schalknochen’ met ‘platte’ beenderen, helpt hier in eerste instantie niet mee.
De hele tegenstelling van hoofd-ledematen ademt het karakter van de tegenstelling ‘rond-recht’. Het Duits gebruikte ‘Schalknochen’ komt in de officiële woordenboeken niet voor en ben je geneigd om aan ‘schaal’ te denken.
En even verder staat:

Blz. 150  vert. 145

Sie kriegen nicht so leicht aus dem Röhrenknochen der Arme oder der Beine heraus die Kopfknochen, die schaligen Kopfknochen. 

Maar het lukt niet zo gemakkelijk de stap te maken van de pijpbeenderen van armen of benen naar de botten van het hoofd, die schaalvormig zijn.

Echter: de beenderen van de schedel worden wel ‘vlakke’ beenderen genoemd:

De vlakke botten van het schedeldak (het calvarium) zijn de platte botten die de boven- en zijkant van de schedel vormen en de hersenen beschermen. Het gaat vooral om:

  • het voorhoofdsbeen
    Os frontale
  • de twee wandbeenderen
    Ossa parietalia
  • het achterhoofdsbeen
    Os occipitale

Voor ons begrip gaat het dus om de schaalvorming t.o. de rechte vorm van het pijpbeen. (Nog een mooi voorbeeld van ‘de rechte en de kromme/ronde).

Omstulping

Een sleutelbegrip dat Steiner hier geeft is ‘omstulping’ en hij neemt dan het voorbeeld van een handschoen. Concluderend mag je daarvan zeggen: het binnenste komt buiten:

Sie kriegen nicht so leicht aus dem Röhrenknochen der Arme oder der Beine heraus die Kopfknochen, die schaligen Kopfknochen. Da müssen Sie nämlich zuerst eine gewisse Prozedur vornehmen, wenn Sie die herausbekommen wollen. Sie müssen mit dem Röhrenknochen der Arme oder der Beine dieselbe Prozedur vornehmen, die Sie vornehmen würden, wenn Sie beim Anziehen eines Strumpfes oder eines Handschuhes das Innere zuerst nach außen wenden würden, also wenn Sie es umwenden würden.

Als u dit wilt bereiken, dan moet u namelijk eerst een bepaalde procedure volgen. U moet met de pijpbeenderen van armen en benen hetzelfde doen, wat u
zou doen als u bij het aantrekken van een kous of handschoen deze eerst binnenstebuiten zou keren: u moet het binnenste eerst naar buiten keren, u moet het omstulpen.

Door verschillende auteurs is geprobeerd dit aan de hand van tekeningen uit te leggen.
Maar de uitleg – met illustraties – is noodgedwongen een statisch beeld, terwijl begrip alleen kan komen als je met je voorstelling beweeglijk wordt, zoals in het artikel over ‘de driehoek’ waarnaar ik hierboven verwees.

Wijlen vrijeschoolleerkracht en bioloog Wolfgang Schad doet ook een poging.
Hij geeft deze tekening: 

 

 

 

 

 

 

Ook dit is weer een statisch plaatje. 
Maar wie als vrijeschoolleerkracht vormtekenen heeft gegeven in klas 3, zal dit op een bepaalde manier bekend voorkomen.
Het doet denken aan de asymmetrische symmetrie.
Wanneer je hier die asymmetrische symmetrie bestudeert en innerlijk probeert denkend mee te bewegen, krijg je gevoel voor ‘de omstulping’ die Steiner hier bedoelt.

Als je op de hoogte bent van zijn uitspraken over die asymmetrische symmetrie, zal je in zijn volgende tekst, herkenbaars vinden:

Blz. 150/151  vert. 145

Nun ist es verhältnismäßig leicht, sich vorzustellen, wie ein Handschuh oder ein
Strumpf aussieht, wenn das Innere nach außen gewendet wird. Aber der Röhrenknochen ist nicht gleichmäßig. Er ist nicht so dünn, daß er gleichmäßig im Inneren und außen gebaut wäre. Er ist verschieden im Inneren und außen gebaut. Würden Sie Ihren Strumpf so konstruieren und dann elastisch machen, daß Sie ihm äußerlich eine künstlerische Form geben würden mit allerlei Vorsprüngen und Einbuchtungen und ihn dann wenden, dann würden Sie nach außen nicht mehr dieselbe Form erhalten wie die, die dann im Inneren ist, wenn Sie ihn umgewendet haben. Und so ist es bei dem Röhrenknochen. Man muß das Innere nach außen und das Äußere nach innen kehren, dann kommt die Form des Kopfknochens heraus, so daß die menschlichen Gliedmaßen nicht nur umgewandelte Kopfknochen sind, sondern außerdem noch umgewendete Kopfknochen. 

Nu is het vrij eenvoudig zich een handschoen of kous binnenstebuiten gekeerd voor te stellen.
Maar het pijpbeen is niet gelijkmatig gebouwd. Het is niet zo dun, dat het binnen en buiten op dezelfde wijze gevormd is. Het is binnen en buiten verschillend gevormd. Zou u uw kous zo construeren, dat u hem aan de buitenkant een kunstzinnige vorm geeft met allerlei uitstulpingen en holtes, en zou u hem dan elastisch maken en omkeren, dan zou u aan de buitenkant niet meer dezelfde vorm krijgen die zich na omkering aan de binnenkant bevindt. En zo
is het ook bij het pijpbeen. Men moet het binnenstebuiten keren, dan ontstaat de vorm van het bot van het hoofd, zodat de menselijke ledematen niet alleen gemetamorfoseerde botten van het hoofd zijn, maar bovendien ook nog binnenstebuiten gekeerde.
GA 293/149-150
Vertaald/144-145

Als je bovenstaande met ‘vormtekenogen’ leest, zie je a.h.w. allerlei oefeningen die in de 3e klas worden gedaan!

Ook de vormtekening voor het flegmatische temperament kan nog helpen:

Hier heb ik een reeks getekend die met een cirkel begint en door een ‘krachtwerking’ van buitenaf wordt tot kruis, en zelfs tot 4 losse streepjes.
Dat doet m.i. erg denken aan: van  ‘schedelrondte’ naar ‘pijpbeen’.

Het is geen bewijs, het is het meegaan in een proces, denkend en voelend en in zekere zin ook willend als je zo’n proces doordénkt van begin tot eind.

Wat de tekening van Schad betreft: 

Wie zien hier het uiteinde van een ‘gewoon’ pijpbeen. De ‘streepjes’ in het gewrichtsuiteinde – epifyse – zijn de botbalkjes (spongiosa)

 

 

 

 

 

 

‘Ergens zijn deze streepjes hier terecht gekomen:

 

 

 

 

 

En de pijltjes – laten we ze ‘krachten’ noemen, volgen ook een soort omgekeerde weg: De gewrichtskoppen zijn convex, de holtes worden concave, daarmee een gewrichtskom voor de onderkaak.
Er vindt hier ook een omstulping plaats. De schacht van het pijpbeen (diafyse) die heel compact is en rond, verandert in de grote vlakke botten van het schedeldak. Die hebben binnenin de spongiosa.

 

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
(Slechts een klein deel is daar nu oproepbaar. Voor het verkrijgen van een gratis scan: mail vspedagogie (voeg toe eraan vast) apenstaartje gmail.com)

.

Algemene menskunde: voordracht 10 alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3544-3329

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Doorverwijzing

.

De stichting ‘Groene pedagogie’ heeft alle nummers vanNatuur van de maand‘ in PDF-vorm beschikbaar.

Ik maakte met het tijdschrift kennis toen ik in de jaren 1960 proeflessen biologie moest geven in het reguliere onderwijs. 

De auteurs waren enthousiaste mensen die met veel liefde hun onderwerpen aan de orde stellen.

Naast de grotere motieven van dier- en plantkunde in klas 4, 5 en 6 is er ook de natuur van ‘alledag’. 
Om daarover boeiend te kunnen vertellen en actief te zijn, biedt het tijdschrift mooie lesstof.

Dierkunde: alle artikelen

Plantkunde: alle artikelen

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Godsdienstonderwijs (4)

.
Klaus Walther*, Erziehungskunst nr.12 2025

.

in godsdienstonderwijs het gesprek mogelijk maken
.

Het fysieke met het spirituele verbinden, of preciezer gezegd, ze opnieuw met elkaar verbinden.
Volgens Rudolf Steiner is dit zowel de mogelijkheid als de taak van religie.

Klaus Walther geeft al 30 jaar alternatief godsdienstonderwijs aan de Vrije Waldorfschool Hannover-Bothfeld. Hij zegt dat de uitspraak: “Onderwijs is relatie” [Erziehung ist Beziehung] in het bijzonder van toepassing is op godsdienstonderwijs.

In zijn boek *Demokratie braucht Religion* beschrijft filosoof en resonantieonderzoeker Hartmut Rosa een verband dat op het eerste gezicht ongebruikelijk lijkt. Hij schrijft de toenemende agressie in de politiek en de samenleving toe aan een steeds groter wordend gevoel van overweldiging door mensen en politici. Dit gevoel van overweldiging leidt tot de wens om het eigen standpunt als het enige juiste op te leggen. Critici, dissidenten of individuen of groepen die als tegenstanders worden beschouwd, worden gezien als vijanden en storende elementen voor de eigen intenties. De gevolgen van deze manier van denken zijn momenteel zichtbaar in de wereldpolitiek en het publieke debat. Democratie functioneert echter niet in een agressieve modus. Om een ​​duurzame toekomst vorm te geven, is niet alleen tolerantie nodig jegens mensen die anders denken of als tegenstanders worden gezien, maar ook het vermogen en de bereidheid om naar elkaar te luisteren.
Zonder onbevooroordeeld, wederzijds luisteren is geen transformatie, geen duurzame ontwikkeling, geen resonantie en geen levensvatbare relatie mogelijk. Volgens Hartmut Rosa biedt religie zo’n ruimte voor resonantie. Religieus onderwijs, al dan niet confessioneel georiënteerd, kan zo’n relatie met de wereld voorbereiden en bevorderen.

Net zoals een jong kind van nature de behoefte heeft om te lopen, te spreken en te denken, en deze vaardigheden ontwikkelt tijdens de imitatiefase, worstelen kinderen en jongeren, min of meer bewust, tijdens hun schooljaren met de vraag naar de zin van het leven, hun individuele doel, geboorte en dood. Zo biedt religie, naast de studie van wetenschap en kunst, de mogelijkheid om het ontwikkelingspad van het opgroeiende individu te begeleiden, met of zonder confessionele oriëntatie. De traditionele inhoud kan, naast het algemene educatieve karakter ervan, antwoorden bevatten op vragen en behoeften van kinderen en jongeren.

1919: Vernieuwing van religie door Steiner

In Goethes gelijknamige drama ontwijkt de kritische, kenniszoekende Faust de cruciale vraag hoe hij over religie denkt. De dialoog tussen de twee vertegenwoordigt het dilemma tussen Gretchens toegewijde geloof en Fausts kritisch twijfelende geweten. Wordt religie gevormd door traditie en de culturele omgeving van een bepaalde samenleving, of drukt ze een spirituele en emotionele behoefte uit van het zich ontwikkelende individu? Wat betekent religie eigenlijk in de wereld van vandaag?

Na het einde van de Eerste Wereldoorlog bevond Duitsland zich in een staat van grote beroering.
De oprichting van de Waldorfschool door Rudolf Steiner in Stuttgart in september 1919 was bedoeld als een culturele impuls, een bijdrage aan een nieuwe democratische samenleving in lijn met de drievoudige maatschappelijke orde die Steiner in diezelfde periode ontwikkelde. Het was voor de oprichter van de school van groot belang om religie als vak te vestigen en de verschillende stromingen die destijds aanwezig waren de mogelijkheid te bieden hun onderwijs op de school te verzorgen via externe docenten. Hij zag de “vernieuwing van wetenschap, kunst en religie” dan ook als een essentieel fundament van het Waldorfonderwijs, zoals hij destijds nadrukkelijk benadrukte in een lezing voor de leerkrachten.

Wat betekent “vernieuwing van religie” in deze context?
Hoe kwam het religieuze element tot uiting in de nieuw opgerichte school?
De jaarfeesten, de kerstspelen en de vieringen van Sint-Jan en Michaël spelen nog steeds een belangrijke rol in de schoolgemeenschap van een Waldorfschool. De lessen godsdienst, die geleidelijk werden ingevoerd, waren bedoeld om het leerplan te verdiepen.
Aanvankelijk waren de katholieke en protestantse kerken verantwoordelijk voor de respectievelijke lessen met hun eigen docenten. Later werd de Christengemeenschap, opgericht door Rudolf Steiner, hieraan toegevoegd, evenals het niet-confessionele, gratis godsdienstonderwijs van de Antroposofische Vereniging. Dit bood kinderen van niet-religieuze ouders een religieuze oriëntatie.
Waarom was deze diversiteit aan godsdienstonderwijs zo belangrijk voor Steiner? Alle religies, met al hun stromingen, omvatten verhalen, rituelen, vormen van aanbidding, feesten, feestdagen en waarden voor het leven. Dit alles werd traditioneel van buitenaf aan kinderen en jongeren doorgegeven en – afhankelijk van hun achtergrond – in meer of mindere mate overgenomen.

Gretchens vraag en Fausts kritische houding drukken dit ook uit.

Dit dekt niet de volledige betekenis van religie voor de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Religie is niet alleen een gemeenschapsvormende, systeemstabiliserende kracht, maar speelt ook een belangrijke rol in de individuele ontwikkeling.

Dialoog mogelijk maken

Religie is in de geschiedenis van de mensheid vaak misbruikt door oorlogen, dogmatisme en de legitimering van machtsverhoudingen en aanspraken op dominantie. Religieus gemotiveerde oorlogen, destructieve, onmenselijke daden en moorden waren en zijn het gevolg.
Volgens Steiner betekent religie in eerste instantie niets anders dan een verbinding tussen de fysieke en de spirituele wereld. Religie moet daarom opnieuw worden doordacht. Dit betekent dat religie, hoewel historisch gegroeid en gebaseerd op tradities, zich voortdurend opnieuw moet ontwikkelen door middel van dialoog. Deze dialoog kan plaatsvinden in de klas, maar ook tussen verschillende denominaties, wereldreligies en generaties.

Het is de taak van de godsdienstdocenten om tot deze dialoog uit te nodigen en deze mogelijk te maken. Dat kan niet volgens een vast stramien, maar moet voortkomen uit een alert proces waarbij alle betrokkenen betrokken zijn. Opvoeding is relatie, en dat geldt in het bijzonder voor het godsdienstonderwijs.
Het godsdienstonderwijs dat in de afzonderlijke Waldorfscholen wordt aangeboden, verschilt van deelstaat tot deelstaat en hangt af van de capaciteit van het betreffende docententeam.
Over het geheel genomen valt vast te stellen dat de afzonderlijke geloofsgemeenschappen niet meer zonder uitzondering in staat zijn
om docenten te leveren, zodat er in veel gevallen interconfessioneel onderwijs plaatsvindt.
Een essentieel doel van de lessen is om, uitgaande van de op de menskunde gebaseerde verhalen, beelden en motieven, met de kinderen en jongeren
in gesprek te komen en levensvragen te bespreken, zonder daarbij te hoeven
toewerken naar een toetsbaar resultaat. De methoden variëren daarbij per leeftijdsgroep.

Verwant aan filosofie en ethiek

Bovendien vormt het godsdienstonderwijs soms een begeleiding bij de voorbereiding op het vormsel binnen de katholieke geloofsgemeenschap, de confirmatie in het kader van de protestantse kerk en de Christengemeenschap.
Het vervangt echter niet de lessen voor vormelingen. Voor de kinderen die het vrije godsdienstonderwijs volgen, bestaat aan het einde van het achtste leerjaar de mogelijkheid om deel te nemen aan de jeugdviering.
Deze vindt ongeveer tegelijkertijd plaats als het vormsel en de confirmatie,
maar is geen sacrament, maar symboliseert de overgang van kindertijd naar jeugd, zonder gebonden te zijn aan een gemeente of een geloofsbelijdenis.

Op sommige middelbare scholen worden als alternatief of uitsluitend ook
filosofie en ethiek als onderdeel van godsdienstonderwijs gegeven.
Het gaat daarbij om een intellectuele verdieping in vragen over moraal en het tolerant samenleven. De lesinhoud overlapt elkaar op veel punten.
Dat is met name het geval in de tiende klas, waar onderwerpen als euthanasie, prenatale diagnostiek en orgaandonatie vanuit verschillende perspectieven worden behandeld.

Op de Vrije Waldorfschool Hannover-Bothfeld, waar ik* al 30 jaar vrij godsdienstonderwijs geef in alle leerjaren, staan de godsdienstdocenten van alle geloofsrichtingen voortdurend in contact over de lopende lessen in de verschillende leerjaren.
Het is ons streven om de kinderen en jongeren verschillende mogelijkheden te bieden om zich individueel te ontwikkelen en zich te verdiepen in levensbelangrijke vragen die in de andere vakken slechts terloops kunnen worden aangestipt. 

.

*Klaus Walther, 1954, seit 1988 Oberstufenlehrer an der Freien
Waldorfschule Hannover-Bothfeld, verheiratet, vier Enkelkinder. Seit 30 Jahren
gibt er freien Religionsunterricht für die Klassen 1 bis 12.
Er ist Mitglied des Internationalen und Deutschen Gremiums für religiöse
Erziehung.
k.walther@waldorfschule-bothfeld.de

.

Godsdienstonderwijs: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3539-3325

.

.

.

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Godsdienstonderwijs – alle artikelen

.

[1] Rudolf Steiner over godsdienstonderwijs
Zijn opmerkingen hierover uit de pedagogische voordrachten.

[2] Godsdienst en onderwijs
Frank de Kiefte over: het wezenlijke van het vrijegodsdienstonderwijs; vertelstof; wat is religieus; een hulp bij de persoonlijke ontwikkeling.

[3] Vensteruur
Claartje Wijnbergh over: de beleving ‘burger van twee werelden; vertelstof; Nieuwe Testament; het bespreken van tijdsverschijnselen in de bovenbouw.

[4] In godsdienstonderwijs het gesprek mogelijk maken
Klaus Walther over: godsdienstonderwijs in deze tijd; respect andersdenkenden; het kind begeleiden bij de diepere vragen van het leven.

[5] Godsdienstonderwijs: besproken op ouderavond; studiebijeenkomst leerkrachten.

.

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3543-3328

 

VRIJESCHOOL – Aangevuld

.

 

.

Aan het artikel over  despiraal’ toegevoegd wat Steiner over de spiraal zegt in

GA 97

VRIJESCHOOL – Opvoeding door menskunde

.

In ‘Die Drei’ van september 2019 schrijft auteur Christoph Hueck* een artikel met bijna dezelfde titel als de pedagogische voordrachtenreeks GA 302A
Een deel van de voordrachten hierin gaan over de ‘meditatieve doorwerking’ van hetgeen Steiner over de wordende mens opmerkt.

De ondertitel van Huecks artikel luidt:

Stappen in de richting van een zintuigelijke – bovenzintuigelijke waarneming van jongere en oudere kinderen.

Rudolf Steiner wilde een onderwijs stimuleren dat “gebaseerd is op echte kennis van de menselijke natuur”. Zijn fundamentele idee voor het Waldorfonderwijs is: alleen wanneer men weet hoe kinderen en jongeren zich ontwikkelen, kan men op een gezonde manier onderwijs geven. Elke levensfase vereist volgens Steiner een “volledig andere” opvoeding, die gebaseerd moet zijn op een diepgaand begrip van de ontwikkeling van het kind:

“Wij moeten het wezen van het kind voor ieder afzonderlijk jaar, ja, zelfs voor iedere afzonderlijke week in onze eigen ziel tot leven laten komen. Daar moet de spirituele grondslag liggen voor de pedagogie..”
GA 305/21
Vertaald/ 24

Kleuterschool en basisschool moeten niet gericht zijn op extern meetbare verwerving van vaardigheden of op leerresultaten op korte termijn, zoals tegenwoordig overal in het staatsonderwijs wordt geëist en toegepast, maar moeten ontwikkelingsgericht zijn, zodat ze een heilzaam effect kunnen hebben gedurende het hele leven.

Wanneer men in de verbeeldingswereld en gevoelens van een kind datgene introduceert wat aansluit bij de ontwikkelingsrichting in een bepaalde levensfase, versterkt men de hele persoon in ontwikkeling, zodat deze versterking een bron van energie blijft gedurende zijn of haar hele leven. Als men daarentegen tegen de ontwikkelingsrichting in een bepaalde levensfase ingaat, verzwakt men de persoon.
GA 24/88
Op deze blog vertaald/5e alinea

Uit deze intuïtief begrijpelijke onderwijsregel vloeit wellicht de belangrijkste vraag van het Waldorfonderwijs voort: hoe kunnen we de ‘ontwikkelingskrachten’ herkennen die in verschillende levensfasen werkzaam zijn?
De gangbare opvatting van de mens als een genetisch geprogrammeerd biologisch lichaam waarin een min of meer intelligent bewustzijn zich ontwikkelt door externe socialisatie, gaat niet diep genoeg om de werkelijke ontwikkelingsprocessen te begrijpen.
In het bijzonder moet, volgens Steiner, het verband tussen fysiologische en psychologische ontwikkeling worden gezien. De psychologie onderzoekt de oorsprong van ideeën, de fysiologie de menselijke groei, “maar dat deze twee dingen, groei en ideeën, iets met elkaar te maken hebben, nauw met elkaar verbonden zijn, daar weten we helemaal niets van.”
GA 304A/75
Op deze blog vertaald: Blz. 75

De wetenschap heeft niet de macht om door te dringen tot dat domein van de mens dat het fysieke met het spirituele verbindt. “Het leidt er simpelweg toe dat we ons bekwamen tot een nauwkeurigere, een intensievere waarnemingskunst van het wezen mens. Neem gewoonweg intensiever waar. “
GA  301/18
Op deze blog vertaald/18

Dit vereist de gebruikelijke studie van de antroposofische antropologie, zoals die traditioneel wordt beoefend in Waldorflerarenopleidingen. Het is echter lang niet voldoende om alleen maar theoretische kennis van verschillende ‘onderdelen’ van de mens en hun ontwikkelingswetten op te doen. Wie Waldorf-onderwijs studeert, moet ook begeleid worden naar een ervaring van de verschillende krachten in de mens, waartoe Rudolf Steiner aanmoedigde, door middel van kunstzinnig werk: door boetseren voor de levenskrachten (‘etherlijf’), door muziek voor de ziel (‘astraallijf’) en door taal voor het spirituele (‘Ik’).
GA 310/voordracht 8
Vertaald

Vgl. Armin Husemann: ›Menschenwissenschaft durch Kunst: Die plastisch­musikalisch-­sprachliche Menschenkunde. Einführung – Quellentexte – Dokumentation,Stuttgart 2007

Er moet naar gestreefd worden, geleerd en geoefend om tot een waar begrip te komen van de diepere ontwikkelingskrachten, niet door speculatie, maar door ervaring, zodat opvoeders en leerkrachten [in de] kinderen en jongeren “echt leren lezen”.
GA 307/voordracht 6
Vertaald

Zoals Steiner op een gegeven moment ook zegt:

Wanneer we zeggen: De mens bestaat uit het fysieke lichaam, bestaat hij ook uit het etherlijf – dan betekent dit: Je moet leren observeren […] hoe de fysieke ontwikkeling […] zich ontvouwt tot het zevende jaar, […] hoe het een spiritueel-psychologische aangelegenheid is, en hoe dit spiritueel-psychische aspect, of men het nu het etherisch lichaam noemt of hoe men het ook wil noemen, werkt binnen het fysieke lichaam.
GA 301/24
Op deze blog vertaald/24

Waldorfpedagogie vereist daarom, wil ze serieus genomen worden, de ontwikkeling van nieuwe cognitieve vermogens. Het is niet voldoende om bij conventionele cognitie te blijven, dat wil zeggen, om externe waarnemingen te verklaren door middel van min of meer abstracte gedachten. Men moet tot een ‘zintuiglijk-bovenzintuiglijk’ inzicht* komen in de krachten die werkzaam zijn in het kind en de adolescent: ‘Als we deze kennis niet in het dagelijks leven hebben opgedaan via ons wetenschappelijk onderwijs, dan moeten we die ontwikkelen.’
GA 305/16
Vertaald/ 19

*Deze uitdrukking, die Goethe gebruikte voor het kennen van het
planttype, beschrijft een bijzondere vorm van interpretatieve intuïtie waarin externe waarnemingen en interne bewegingen zich verstrengelen tot een levende eenheid die subject en object verbindt.

Als opvoeders en leerkrachten niet daadwerkelijk leren ‘zien’ welke krachten werkzaam zijn in het kind en de adolescent, dreigt de Waldorfpedagogie haar levensader en innerlijke vuur te verliezen en – voor zover ze nog enigszins georiënteerd is op Steiners antroposofie – star te worden in dogma en traditie.

Richting gevende begrippen

Je ziet niets in een persoon als je niet hebt geleerd je mentale en emotionele blik op de juiste manier af te stemmen op wat overeenkomt met denken, voelen en willen. Deze oriëntatie van de blik is wat Waldorf-leerkrachten zouden moeten cultiveren. Want allereerst moeten leerkrachten begrijpen hoe kinderen in elkaar zitten, dan kunnen ze de juiste houding ontwikkelen, en alleen vanuit de juiste houding kan echt onderwijs ontstaan.
GA 305/55
Vertaald/ 59-60

Opvoeders en leerkrachten dienen daarom getraind te worden in en voortdurend te oefenen met het op passende wijze toepassen van antroposofisch-menskundige begrippen bij het observeren van de ontwikkeling van kinderen en adolescenten.*

*Dergelijke observaties zijn mogelijk via stages of als privéopdrachten. Het is belangrijk dat de praktische observaties gekoppeld worden aan specifieke onderzoeksvragen binnen de humane wetenschappen en dat daarop gereflecteerd wordt.

Helder, maar flexibel denken

Om de ontwikkeling van een kind te begrijpen, is flexibel denken nodig. In werkelijkheid zijn dingen immers niet scherp van elkaar afgebakend en kunnen ze daarom niet met definities worden gevat. Definities zijn voor het intellect, niet voor intuïtie, en nog minder voor de praktijk. Aan de hand van het voorbeeld van de drievoudige aard van het lichaam legde Steiner uit wat hij bedoelde met flexibel denken.
Het menselijk organisme kan worden verdeeld in het zenuwstelsel (“hoofd”), het ritmische systeem (“borst”) en het metabole systeem (“ledematen”). Het hoofd is weliswaar “primair” het hoofd, maar de sensorische en nerveuze activiteit ervan strekt zich uit tot de rest van het lichaam. In dit opzicht is het ook een “hoofd”, maar niet primair. Hetzelfde geldt voor de ritmische processen (ademhaling en polsslag) en de metabole processen die de bewegingen van de ledematen mogelijk maken. Ook de hersenen hebben ritmische en metabole processen. Deze drie systemen zijn van elkaar te onderscheiden, maar in werkelijkheid vloeien ze in elkaar over.
De leraren van de toekomst moeten vooral dit innerlijk dynamische, dit niet-schematische denken in zich opnemen. Want alleen op deze manier […] kunnen ze de werkelijkheid met hun ziel benaderen. […] Men moet de voorkeur overwinnen, die men in het heden steeds meer heeft ontwikkeld, om zich bij de beschouwing van wetenschappelijke zaken vast te klampen aan de details van het leven, […] en men moet tot een verbinding komen tussen de details van het leven en de grote levensvragen.
GA 296/73
Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave //

Dit betekent echter niet dat dit ‘onschematische’ denken onduidelijk hoeft te zijn. Duidelijk onderscheid is absoluut essentieel: “Dingen zijn zeker niet strikt van elkaar gescheiden, maar als men iets ordelijks wil herkennen, vooral voor het dagelijks leven, dan moet men de dingen correct scheiden.”
GA 301/207
Op deze blog vertaald/207

Flexibel denken betekent beide: in staat zijn duidelijk te scheiden en vervolgens weer te verbinden.

Dit soort denken maakt een menskunde mogelijk die zulke vloeiende, levendige ideeën bevat dat de opvoeder ze kan vertalen naar een praktisch begrip van de individualiteit van elk kind. En pas voor degenen die hiertoe in staat zijn, krijgt de eis om op te voeden en te onderwijzen in overeenstemming met de individualiteit van het kind, praktische betekenis.
GA 24/269
Niet vertaald

Zulk ‘levend’ denken wordt het best beoefend door de studie van Rudolf Steiners geschriften, omdat zijn teksten en lezingen zo geschreven zijn dat ze juist dit soort denken vereisen en bevorderen. Opleidingen voor Waldorfleraren zouden daarom absoluut met Steiners originele teksten moeten werken.

Creatieve cognitie

Antroposofische concepten wijzen op een realiteit die pas werkelijkheid wordt voor degene die haar door middel van deze concepten begrijpt. Het is dus niet helemaal juist om van een vrolijk kind met roze wangen te zeggen: “er is een sterk en gezond etherlijf in werkzaam”, als men dit versterkende en helende effect niet tegelijkertijd ook in zichzelf ervaart. Men moet in staat zijn om met de eigen vrije etherische krachten datgene te herbeleven wat fysiek in het kind is gebonden. Door het te ervaren, weet men waar men het over heeft. Men hoeft zich alleen maar te realiseren dat de “bovenzintuiglijke” realiteit waarover de antroposofie spreekt, niet buiten het eigen wezen bestaat, maar dat men zelf doordrongen is van die realiteit. In deze realiteit heersen andere relaties tussen subject en object dan in de externe realiteit. Ten opzichte van de fysieke realiteit kan men zich min of meer passief gedragen; voor het begrijpen van de “bovenzintuiglijke” realiteit moet men actief deelnemen.

‘Wat men weet over de mens moet, althans tot op zekere hoogte, ervaren worden als het creatieve aspect van het eigen wezen; men moet het aanvoelen als een kennende activiteit binnen de eigen wil. […] Kennis van de mens als fundament van de pedagogie moet tot leven komen wanneer je het in je opneemt.
GA 36/288
Vertaald in: Pedagogie, kunst en moraliteit

Rudolf Steiner zei op soortgelijke wijze tegen de leraren van de eerste Waldorfschool:

Wanneer u een goed ontwikkeld, door uw wil en gemoed gedragen inzicht hebt in het wezen van de wordende mens, dan zult u ook een goed leraar en opvoeder zijn. U zult een zeker pedagogisch instinct krijgen waaruit u deze door de wil gedragen kennis van het wordende kind kunt toepassen op de verschillende gebieden.
Maar deze kennis moet dan ook reëel zijn, dat wil zeggen gestoeld
op werkelijke feitenkennis.
GA 293/133
Vertaald/129
Zie Algemene menskunde [9-1]

Met voldoende aandacht en innerlijke gevoeligheid kan men de inhoud van het antroposofische begrip van de menselijke natuur direct en betrouwbaar ervaren. Als men weet waar men op moet letten, is men zijn eigen beste expert op het gebied van de menselijke natuur. Het diverse artistieke werk dat deel uitmaakt van de traditionele opleiding van Waldorfleerkrachten en -pedagogen bevordert de noodzakelijke innerlijke flexibiliteit en gevoeligheid, maar de innerlijke ervaringen die men door kunstzinnige activiteit kan opdoen, moeten ook bewust worden waargenomen en systematisch en praktisch worden verbonden met de concepten van de menselijke natuur. Dit soort creatief en ervaringsgericht begrip van de menselijke natuur moet aan het werk zijn bij de observatie van kinderen en jongeren. De observatie is dan niet afstandelijk en registreert niet alleen wat intellectueel wordt waargenomen, maar omvat ook de gevoelens en de wil van de opvoeders. Aan de hand van het voorbeeld van de “etherische krachten” die het lichaam (hier: de tanden) en de ideeën vormen, legde Steiner uit:

Nu is het niet zo, dat je aan die abstracte basisregel wel zo ongeveer genoeg hebt: dezelfde krachten die bij het voorstellen een rol spelen, werken aan het ontstaan van de tanden. Echter, wanneer je dat weet, dan kijk je toch heel anders naar het kind en vooral, je neemt het niet alleen anders waar met je intellect, maar met je gevoel, gevoelsmatig, met al je wilsimpulsen sta je op een andere manier t.o.v. het kind.
GA 301/21
Op deze blog vertaald/21

Steiner noemde deze manier van kijken naar dingen vaak ‘kunstzinnig’:

Wie de essentie van de ziel wil begrijpen, moet de wetmatige orde doordringen met kunstzinnige, creatieve kracht in de kennis. De kenner moet een artistiek waarnemend persoon worden als hij het psychische wil vatten. […] Zonder de deelname van innerlijk, persoonlijk, creatief begrip kan het psychische niet gekend worden. Men deinst terug voor deze deelname omdat men gelooft dat men daardoor […] vervalt in de persoonlijke willekeur van het oordeel. En inderdaad, men vervalt in deze willekeur als men geen innerlijke objectiviteit verwerft door zorgvuldige zelfstudie.
GA 24/269
Niet vertaald

Zorgvuldige observatie en vergelijking

Om een ​​dergelijke innerlijke objectiviteit te verwerven, moet men door oefening een nauwkeurig en vergelijkend observatievermogen ontwikkelen – een realiteitsgerichte waarneming die reële indrukken met elkaar vergelijkt

U zult het geestelijke in de wereld pas begrijpen wanneer u realiteiten met elkaar vergelijkt. [ ] Dit zal voor de toekomst van de mensheid onvoorstelbaar
noodzakelijk zijn, dat de mensen zich ertoe zetten de realiteit, de
werkelijkheid op te zoeken. Men denkt tegenwoordig bijna alleen
nog maar in woorden, niet in werkelijkheid.
GA 293/118
Vertaald/116
Zie Algemene menskunde [7-1]

Als we bijvoorbeeld een vijfjarig kind beschouwen, zijn de ontwikkelingskrachten waar Steiner naar verwijst – de wisselwerking tussen lichaam, ziel en geest – slechts in zeer vage termen waarneembaar.

Maar als we de fysieke vorm, bewegingen, gelaatsuitdrukkingen en gebaren, taal- en emotionele expressies, sociaal gedrag en cognitieve vaardigheden van dit kind vergelijken met die van een tweejarige, een negenjarige en een vijftienjarige, en antroposofische concepten van menselijke ontwikkeling gebruiken om deze observaties te verhelderen, dan worden de innerlijke ontwikkeling en de regelmaat ervan plotseling tastbaar.

Voor het jonge kind vóór de tandwisseling, zei Steiner, moet men het “wonderbaarlijke fenomeen” observeren van “hoe de fysionomie zich maand na maand, jaar na jaar openbaart”, en hoe het vooral in de ontwikkeling van de gebaren van het kind duidelijk wordt dat een innerlijk, spiritueel-psychologisch aspect zich fysiek steeds duidelijker uitdrukt. Door dergelijke observatie, die herhaaldelijk moet worden geoefend, verwerft men een ‘fijner psychisch zintuiglijk organisme’, waardoor men vervolgens bij een kind tussen de zeven en veertien jaar oud ‘via een innerlijke structuur die werkt als een psychisch oog’ kan zien ‘hoe het zijn lichaam nu op een meer geheime manier verder ontwikkelt’.
GA  237/207
Vertaald

Als men dit fijne inzicht in de werking van een spiritueel-psychologisch aspect in de fysieke ontwikkeling van het kind ontwikkelt, kan men ook herkennen hoe na de puberteit een spiritueel-psychologisch aspect zich weer van het lichaam bevrijdt:

‘Als we een nauwkeuriger inzicht krijgen in de eerste twee levensfasen, zal wat iemand na de puberteit werkelijk blijkt te zijn als een tweede persoon verschijnen. Het zal dan zelfs zichtbaar zijn door de fysieke persoon zoals die voor ons staat; en wat naar buitenkomt als vlegelgedrag, maar ook in veel schoonheid, verschijnt als een tweede, wolkachtige persoon in de mens. […] Hij is degene die in het vorige aardse leven leefde en die zich nu, in de schaduw, in het huidige aardse leven een plaats inneemt.
GA 237/210
Vertaald 

Door middel van zo’n verfijnde observatie wordt het mogelijk om de mens dieper te begrijpen in zijn spirituele en mentale aard en in zijn ontwikkeling. Steiner daarentegen hekelde de abstractheid en passiviteit van extern gestuurd denken, waardoor “mensen elkaar voorbijgaan”:

Onze beschaving is volledig abstract geworden!
In ons gewone bewustzijn kunnen we alleen maar denken aan, en eigenlijk alleen maar denken aan, wat ons is opgedrongen. We komen niet eens meer tot zulke subtiele waarnemingen als ik zojuist heb beschreven. Daarom lopen mensen elkaar tegenwoordig voorbij. Mensen leren veel over dieren, planten en mineralen, maar ze leren absoluut niets over de subtiliteiten van de menselijke ontwikkeling. Dit hele innerlijke leven moet intiemer worden, innerlijk verfijnder, delicater, dan zullen we weer iets van dit leven zien. En dan, dan zullen we vanuit de menselijke ontwikkeling zelf naar het vooraardse leven kijken.
GA  237/207
Vertaald

Het is een duurzaam effectieve training voor Waldorfpedagogen om jongeren van dichtbij en op een diepgaand antroposofische manier vanuit een breed scala aan perspectieven te observeren. De betrokkenheid bij de antroposofische antropologie door middel van studie en de fantasierijke, ‘artistieke’ observatie van kinderen en jongeren kan – en moet – worden verdiept door meditatie. Men kan individuele antroposofische concepten visualiseren of overeenkomstige beelden kiezen die Steiner in zijn lezingen gebruikte, deze symbolen een tijdlang innerlijk in het centrum van de aandacht houden en ernaar streven ze zo intens mogelijk te ervaren. Bovenal hangt het af van de bewuste activiteit van meditatie, waardoor innerlijke krachten worden geactiveerd die sluimerend blijven bij puur intellectueel begrip, evenals van de concentratie.

Dit opent de deur naar de mogelijkheid om je Ik op een compleet andere manier te activeren dan je normaal gesproken in het leven doet. Wat voor een zwakke activiteit verrichten we eigenlijk bij gewoon intellectueel denken!
Dat is de grootste zwakte van de mensheid: intellectueel actief zijn. Daarbij sleept men slechts het ene concept na het andere met zich mee.

Maar als je het kind observeert zoals ik zojuist heb beschreven, mediteer je op een manier waarbij je Ik-organisatie volledig betrokken is. Dit is iets waar we in onze toekomstige pedagogiek ook rekening mee moeten houden.
GA 316/152 
Niet vertaald

Meditatie leidt tot een diepgaande, ervaringsgerichte verdieping van de kennis over de menselijke natuur. Het wordt met name effectief door herhaling. Men zal dan steeds duidelijker ervaren dat het kind of de adolescent zichtbaar wordt, alsof door de geest, dat men in hen – op ieders individuele manier – de ideeën over de menselijke natuur kan zien, zoals Goethe zei, “als met ogen”. En dit soort zien is pedagogisch zeer vruchtbaar. Hieruit kunnen steeds helderdere pedagogische inzichten voortvloeien.

De overwegingen die een humanistische pedagogie maakt […] zijn er allemaal op gericht om de mens intiemer te leren kennen. Maar wanneer je vervolgens door middel van meditatie over deze dingen reflecteert, kun je niet anders dan ze in je laten doorwerken. […] Wanneer je antroposofie bestudeert […], ervaar je dit aanvankelijk bewust; wanneer je er daarna over mediteert, vindt er een innerlijk spiritueel-psychologisch verwerkingsproces in je plaats, en dit maakt je tot een opvoeder en leraar. […] Zulke overwegingen, […] wanneer we ze steeds weer in onszelf wakker maken, wanneer we er zelfs maar vijf minuten per dag naar terugkeren, zetten al het innerlijke zielsleven in beweging. We worden innerlijk zo vruchtbaar in gedachten en gevoelens dat alles er gewoon uit borrelt. ’s Avonds mediteer je over de menselijke natuur, en ’s ochtends stroomt het er allemaal uit: “Ja, met Hans Müller moet je nu dit of dat doen – of: Dit meisje mist dit en dat, enzovoort. Kortom, je weet wat je in het specifieke geval moet toepassen.”
GA 302A/51
Vertaald

Studenten in Waldorflerarenopleidingen zouden daarom ook kennis moeten maken met meditatiemethoden om hun begrip van de menselijke natuur te verdiepen. Meditatie wordt nog steeds vaak beschouwd als een persoonlijke aangelegenheid voor de ‘stille kamer’. Dat hoeft echter niet zo te blijven, zoals vele artikelen in dit tijdschrift de afgelopen jaren hebben aangetoond.

Zie www.anthroposophische­ meditation.org

Waldorfonderwijs is dus niet gebaseerd op een programma, maar op directe, dagelijkse praktijk, op directe interactie met het kind en zijn natuur.
GA 304A/95
Op deze blog vertaald/95

Volgens Steiner moet wat leraren en opvoeders doen, “in elk moment van hun werk opnieuw geboren worden vanuit een levend begrip van de zich ontwikkelende mens.”
GA 24/86
Op deze blog vertaald/3e alinea

Waldorfonderwijs gaat niet over het implementeren van een pedagogisch systeem, maar over het ontwaken tot een diepere, menselijkere, waarderende werkelijkheid en het vormgeven ervan vanuit een voortdurend vernieuwende creatieve kracht.

Vrijeschoolpedagogie is helemaal geen pedagogisch systeem, maar een kunst om dat wat in de mens leeft te wekken. In feite wil de vrijeschoolpedagogie helemaal niet opvoeden, maar wekken. Want in deze tijd gaat het om wekken. Eerst moeten de leraren worden gewekt, daarna moeten de leraren de kinderen en
de jonge mensen wekken
GA 217/36
Vertaald/38

*Dr. Christoph Hueck, geboren in 1961, bioloog, voormalig Waldorfleraar, docent antroposofie, Waldorfpedagogie en antroposofische meditatie. Medeoprichter van de Akanthos Academie voor antroposofisch onderzoek en ontwikkeling in Stuttgart. 

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3538-3324

.

.

.

.