VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-5-3-2)

.

Dr. Hans Ghristoph Kümmell, arts, Weledaberichten nr. 149 december 1989

.

HET HART, EEN HEEL BIJZONDER ORGAAN

.

Het hart, midden in het organisme gelegen, is nog altijd een heel bijzonder orgaan; niet alleen in psychisch opzicht, waardoor het vroeger als het centrum van alle diepe persoonlijke gevoelens – vooral van de liefde in de meest omvattende zin – werd gezien, maar ook vanuit het fysieke aspect.

Veelzijdige functies

Net als bij andere organen is men bij het hart van de buitenkant naar het binnenste doorgedrongen. Zo ontdekte men verschillende binnenruimten die men ging onderzoeken. Het hart is een holle spier. Uiterlijk weet men intussen heel veel over het hart. Sinds lange tijd is bekend, dat het weefsel ervan uit spieren bestaat die de beweging van het orgaan mogelijk maken. In dit weefsel zijn bepaalde cellen ontstaan, die als een soort zenuwen een ritme veroorzaken. Men weet ook, dat in de hartwanden verschillende heel kleine waarnemingsorganen (receptoren) liggen, die een waarnemingsfunctie hebben, t.o.v. druk, uitbreiding, verwarming, zuurgraad, tekort aan zuurstof enz. Onlangs [art. uit 1989] heeft men verder ontdekt, dat het hart ook een klierfunctie heeft doordat het een hormoon produceert dat de nieren stimuleert om meer water en zouten uit te scheiden als in de kleine kamers van het hart onverwacht veel bloed binnenstroomt. Alleen al uit deze opsomming blijkt het bijzondere van het hart dat als spier zoveel verschillende, ten dele tegengestelde, functies laat zien. Hierbij komt nog, dat het een heel bijzondere stofwisseling heeft.

Historisch overzicht

Een kort historisch overzicht over de ontdekkingen in deze eeuw m.b.t. het hart en de mogelijkheden van ingrepen moge het beeld completeren.
In 1927 werd de eerste hartkatheter in een experiment op het eigen lichaam gebruikt. Daardoor werd voor het eerst de binnenkant van het hart bij een levend mens zichtbaar. In de jaren veertig werd de diagnostiek van hartafwijkingen bij levende mensen door die kathetertechniek d.m.v. röntgenfoto’s uitgewerkt en, aansluitend daaraan, in toenemende mate de operatie van hartafwijkingen systematisch aangepakt. De in het begin van de jaren vijftig ontwikkelde hart-longen-machine maakte steeds ingewikkelder operaties aan dit voortdurend zich bewegend orgaan mogelijk, doordat met behulp daarvan het bloed buiten het hart werd omgeleid.
Door sterke onderkoeling kan bovendien het hartweefsel aan een langdurig
zuurstoftekort worden blootgesteld, waardoor ook gecompliceerde afwijkingen kunnen worden gecorrigeerd. Daarop volgde het zichtbaar maken van de kransslagaderen met behulp van de katheter, contraststoffen en van röntgenstralen en in 1957 de eerste pacemaker. De eerste harttransplantatie vond plaats in 1967. Men heeft het hart inderdaad uiterlijk veroverd!

De dubbele geaardheid van het hart

Door deze bewonderenswaardige technische prestaties wordt in hoge mate duidelijk, dat het mogelijk is geworden, talloze hartafwijkingen gunstig te beïnvloeden en te verbeteren. Maar er blijkt tevens, dat wij thans onderscheid moeten maken tussen de uiterlijke kant van een orgaanfunctie en een innerlijke, die met het bewustzijn te maken heeft.

Het bijzondere van het hart is, dat het die beide kanten evenwichtiger vertegenwoordigt dan welk ander orgaan ook: voor de uiterlijke functies van het organisme is dat een absolute voorwaarde. Anderzijds geeft het aan ons gevoelsleven de meest persoonlijke en intieme kleur. Het hart is zowel een lichamelijk als psychisch orgaan. Die dubbele geaardheid is slechts begrijpelijk als men haar ziet tegen de achtergrond van de tweevoudige natuur van de mens. Wij zijn als mensen in staat door middel van onze bewegingen een bewustzijn van onszelf en van onze omgeving te ontwikkelen. Die tegenstelling wordt begrijpelijk op grond van de hoogst belangrijke ontdekking van Rudolf Steiner omtrent de driegeleding van de mens. Daardoor ontstaat de mogelijkheid om beide kanten van zo’n orgaanfunctie te doorgronden.

Rudolf Steiner gaat daarbij uit van de voornaamste psychische krachten: voorstellen (denken), voelen en willen. Wij kunnen die verwezenlijken omdat de lichamelijke organisatie in drie functionele eenheden is geordend, die enerzijds zelfstandig actief zijn, elkaar anderzijds echter zodanig doordringen dat zij de totale menselijke organisatie vormen. De ene functionele eenheid is samengevat in de zintuiglijke waarnemingen en de aan het voorstellen en denken ten grondslag liggende processen in de hersenen: dit is het zenuw-zintuigstelsel. Diametraal daar tegenover vormen alle stofwisselings- en bewegingsprocessen een eenheid, die het willen bemiddelt. De derde functionele eenheid ligt evenwicht scheppend tussen die beide gebieden. Zij verenigt alle ritmische processen in een zelfstandige organisatie die het voelen bemiddelt.

Als men het hart bekijkt, ziet men dat het al in zijn bouw deze drie functies belichaamt: uit één en hetzelfde spierstelsel ontwikkelt zich een weefsel dat een zenuwfunctie heeft, het reeds genoemde leidingssysteem voor de overbrenging van prikkels. Dit behoort tot ons meer bewuste zielenleven. Voorts ontwikkelt zich een spiergedeelte dat duidelijk op de beweging is gericht en verbonden is met een zeer actieve stofwisseling; tevens kan het uit de cellen van de hartspier hormonen produceren. Dit gedeelte van het hart behoort tot de meer onbewuste kant van ons zielenleven.
En doordat het hart deze tegenstellingen ritmisch bemiddelt, draagt het zijn eigen ritme over op het totale organisme.
In het hart worden de kant van het bewustzijn van de mens – uitgedrukt door het individueel geworden gevoelsleven – en de actieve kant van de mens in evenwicht met elkaar gebracht. Heen en weer, op en af vindt hier plaats; wij vinden gevoelens, die door het bewustzijn worden opgehelderd en gevoelens die onderduiken in het onderbewustzijn in voortdurende onderlinge afwisseling. Ook worden hier de doelstellingen beleefd die al of niet tot daden moeten worden.

Kortom: hier wordt afgewogen in ritmische golving. Ziel en lichaam grijpen in dit ritmisch bewogen spel op subtiele wijze in elkaar.

In het ademhalingsritme, het andere ritmische centrum, kan het innerlijk, het gevoel, al min of meer bewust vorm krijgen in de spraak. In het hartritme daarentegen kunnen de meest persoonlijke gevoelens worden opgenomen in de besluiten en in daden tot uiting komen. Alleen de gevoelens die door heldere voorstellingen worden gedragen, die heel persoonlijk (niet egoïstisch bedoeld) zijn geworden, kunnen ”van harte” tot daad worden. In de loop van het leven moet dit proces steeds helderder worden, wil het hart, ook in uiterlijke zin, geen geweld worden aangedaan. Niet alleen de uiterlijke schadelijke invloeden, maar ook de niet geheel geïntegreerde gevoelens, wensen en begeerten maken het hart ziek. Het hart is in dit opzicht ons belangrijkste identiteitsorgaan: psychisch-geestelijk, lichamelijk en wat onze levenshouding betreft. Deze opvatting baant de weg naar de mogelijkheid met het hart psychisch waar te nemen, dat wil zeggen onze door de kracht van het inzicht geschoolde en daardoor individueel geworden gevoelswereld tot maatstaf voor ons handelen te maken.

De hartfunctie – die op de ademhalingsfunctie tot in het subtielste is afgestemd, maar ook in de andere lichaamsfuncties, zoals lichamelijke belasting, voedselopname en waarnemingsprocessen, subtiel is geïntegreerd, vormt de fysiologische grondslag voor de overweging van ons heldere waakbewustzijn in ons droomachtig-slapende zielenleven dat onderduikt in de lichaamsfuncties.
Als men de hartfunctie zuiver mechanisch opvat, dan doet men het proces van de individualisering van het zielenleven tekort. Dit dient men bij mechanische ingrepen te bedenken, die immers tegenwoordig steeds meer plaats vinden. Aan de andere kant kan echter ook een hartoperatie een individuele ontwikkeling aan de gang zetten, bijvoorbeeld bij kinderen met een aangeboren hartafwijking.

Relaties met de omringende wereld

Tot dusver hebben wij het hart als het centrum van de mens wat betreft zijn individualisering in lichamelijk, psychisch en geestelijk opzicht leren kennen. Maar ook op het gebied van het dagelijkse leven is het duidelijk een centrum. Alles wat uit het milieu komt, zoals adem, voeding en zintuiglijke indrukken, wordt in het hart verenigd, doordat het bloed uit de verschillende functiegebieden het hart binnenstroomt en het in de menselijke individualiteit integreert. De invloed van licht, lucht, warmte en van de kosmische omgeving wordt in het hart vermenselijkt.

De krachten van de planeten worden bijvoorbeeld langs allerlei wegen in de menselijke organen veranderd; hiervan is sprake in het voorafgaande artikel. [niet op deze blog] Met het hartritme correspondeert op het kosmische niveau het ritme van de zons-op en -ondergang, dat via de kringloop van het jaar net zo wordt gevarieerd als ons hartritme door de ademhaling wordt bepaald.

Allerlei ziekten

De mogelijkheden dat het hart ziek wordt zijn veelvuldig. De meeste ziekten in dit verband ontstaan door te sterke afbraakprocessen. Zij dringen vanuit het zenuw-zintuigstelsel, waar ze op hun plaats zijn, door in de ritmische organisatie. In de huidige samenleving spelen gebrek aan beweging, vooral aan innerlijke bewogenheid, een rol, evenals de oppervlakkige verwerking van onze waarnemingen ten gevolge van een overvloed van zintuiglijke indrukken.

In de therapie moet worden geprobeerd, die eenzijdigheden te overwinnen door het hart in het milieu te betrekken.

Hierbij is van belang, dat een evenwicht tussen extremen op verschillend niveau wordt bereikt. Dit kan men vooral beleven bij het ervaren van warmte: hoe uiterlijke warmte wordt overgeleid in innerlijke warmte. Dit gebeurt het allermeest door het hart en zijn functie. De uitdrukking daarvan is, dat het spier-bloed-systeem het warmste in het organisme is. Dit aspect kan zowel in de medicamenteuze therapie als bijvoorbeeld door de heileuritmie en het therapeutische gesprek tot gelding komen.

Het hart in het taalgebruik

Ten slotte wijzen wij nog op de taalgenius, die deze bijzondere individuele basis van de mens, het hart, in allerlei uitdrukkingen duidelijk maakt. Ook hier vinden wij een innige lichamelijk-psychische ineenstrengeling. Het hart kan slaan, kloppen, hameren, het kan sidderen, maar ook smachten en jubelen, stilstaan, maar ook gloeien, stokken en versagen, breken. Echter ook karaktereigenschappen worden vaak met het hart verbonden: het kan warm en week, trouw en bedroefd, koel, klein, van steen, ruim of trots zijn. En de mens kan barmhartig, of harteloos zijn.
In Goethes, “Dichtung und Wahrheit”, zijn autobiografie, lezen wij: “Omdat ons het hart altijd nader ligt dan de geest en ons dan voor problemen plaatst als de geest zichzelf wel weet te helpen, leken mij de aangelegenheid van het hart steeds de belangrijkste.”

.

Rudolf Steiner: Algemene menskunde voordracht 2: alle artikelen

Rudolf Steiner: Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Meer over het hart

.

2661

VRIJESCHOOL – Rekenraadsel (nieuw)

.

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.

Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’.

Oplossing later

 

Alle breinbrekers

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle ‘gewone’ raadsels

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Beweging

.

Dr Heribert Kaufmann, arts, Weledaberichten nr. 148, september 1989
.

OVER BEWEGING VAN DE MENS

.

Elk gezond mens beweegt zich, hij aanvaardt dat als een gegeven. Dit is vooreerst een uiterst simpele constatering. Het ziet er anders uit, als een tekort aan bewegingsmogelijkheid, bijvoorbeeld bij een ziekte (reuma, ischias, enz.) op pijnlijke wijze de vraag oproept wat beweging eigenlijk is. Wat altijd als vanzelfsprekend ter beschikking staat voelt men in die situatie als afgenomen. Daardoor wordt de belangstelling op de menselijke beweging gericht en wie geduldig zoekt kan op den duur veel ontdekkingen doen.

Een groot gebied van bewegingsmogelijkheden wordt zichtbaar. Wij zien dansers, skiërs, sportbeoefenaren, zwemmers, alpinisten, ook musici en ten slotte heel eenvoudig: lopende mensen die ons allengs opvallen door het persoonlijke van hun beweging. Al die bewegingen kunnen worden herleid tot bepaalde grondelementen.

De ontwikkeling van de menselijke beweging

Een meer dynamische kijk op dit vraagstuk kan beginnen bij de wordende mens. Wat wij als volwassenen als beweging kennen, ontwikkelt zich bij het kleine kind uit de wisseling van lust en onlust, van sympathie en antipathie. In volledige overgave drinkt de zuigeling aan de moederborst, handjes en voetjes bewegen daarbij levendig. Als de lust van de honger komt, ontstaan er heel andere bewegingen. Hevig getrappel, samentrekken van het gezicht voor het schreeuwen, zelfs de beweging van het bloed wordt geactiveerd. Het gezicht wordt rood, bijna paars als uitdrukking van antipathie. In de antroposofische menskunde wordt grote aandacht besteed aan de eerste drie levensjaren van het kind. Daardoor kan men gewaar worden dat het zich oprichten, lopen, spreken en denken heel bijzondere processen zijn. Dat kan resulteren in de vraag: wat brengt het kleine kind ertoe, trapsgewijs de liggende houding te gaan vervangen door de opgerichte houding?
Anatomisch-fysiologisch gaat het om zeer gecompliceerde processen van de wervelkolom, het spierstelsel, de bloedvaten enz., die het kind op een geheimzinnige manier gaat beheersen. Ook hier zien wij het wisselspel van sympathie en antipathie, in- en ontspanning, lust en onlust. Het is bekend, dat daarbij de omgeving, vooral de rechtopgaande mensen, een belangrijke rol spelen. Men kan navoelen met wat voor (onbewuste) inspanning het kleine wezen vanuit het horizontale zich met het verticale probeert vertrouwd te maken. Met hoeveel verbazing, zelfs met plezier wordt het zich oprichten, het staan door het gezonde kind beleefd. Dit vindt dan zijn voortzetting in de eerste stappen die worden gedaan.

Te beginnen bij het embryo tot en met de eerste drie jaren zien wij een hele “symfonie” van bewegingen zoals cel-, vloeistof-, groeibewegingen, waarbij dan ten slotte de spraak- en denkbewegingen komen.

De verschillende fasen van dit proces zijn slechts de uitdrukking van een “compositie”, een schepping van hogere orde, die duidelijk de menswording tot doel heeft. Elk tekort, veroorzaakt door een gestoorde ontwikkeling, kan ons schokken, omdat wij al of niet bewust voelen: hier is het ontwerp van het mensbeeld niet of slechts onvolkomen verwerkelijkt.

In oude tijden werd door vele volken de beweging als een geschenk van de goden gezien en bij grote feesten speelde de cultische dans een belangrijke rol. Men denke bijvoorbeeld aan bepaalde dansen op Bali. De beelden van de tempels in India laten dikwijls zulke scènes zien. Voorts kent men bij alle volken de volksdansen, die een cultisch-feestelijke betekenis hadden en die steeds een onderdeel waren van het gemeenschappelijke leven. Kennelijk zag men eertijds de oorsprong van de beweging als een geschenk van de hemel in de meest omvattende zin.

Wat nu het kind betreft; is het niet zo – overdrachtelijk gesproken – dat iets gaandeweg in het kind neerdaalt wat zich met het kind verbindt en dat steeds meer erdoor wordt geïntegreerd? Wij moeten echter beseffen, dat al in de eerste fase van het kinderleven lust en onlust, sympathie en antipathie opduiken en onze aandacht richten op de fundamentele activiteiten van de ziel. Het probleem van de beweging is ten nauwste verwant aan de incorporatie van de zielenkrachten. Wat wij dus organisch-lichamelijk beschouwen, brengt ons altijd ook op psychische factoren die zich in de bewegingsfuncties willen uiten.

Hiervoor zijn de gestes en de loop van de mens kenmerkend.

Het proces van het binnendringen in het lichamelijke bereikt bij gezonde kinderen in de tweede zevenjarenfase een zeker hoogtepunt. Het wordt dan in de puberteit dikwijls ernstig verstoord. In extreme gevallen wordt het meisje te mager (met gevaar voor anorexia nervosa), de jongen daarentegen te zwaar. In één beeld samengevat: het “lichtvoetige” meisje en de logge onhandige jongen. Vanzelfsprekend worden hier slechts de principes bedoeld, waarvan alle mogelijke mengingen en afwijkingen bestaan. In geen geval mag men die verschijnselen moraliserend beoordelen. Uit het bovenstaande blijkt, dat zich het bewegen tussen licht en zwaar, tussen kosmos en aarde ontplooit – op verschillend niveau: kindsheid, jeugd, ouderdom – opdat het echt- menselijke, bij de verschillende leeftijdfasen behorende “midden” wordt gevonden.

De degeneratie van de beweging

Met de opkomst van de moderne natuurwetenschap – die als belangrijkste vrucht de techniek heeft voortgebracht- werden alle gebieden van het leven ook met de daarbij behorende methodes resp. denkwijze doortrokken. Daar horen drie functies bij: meten, tellen en wegen, die voor een zogenaamde wetenschappelijke exactheid maatgevend zijn. Uit het medische vlak zou men vele voorbeelden kunnen noemen die deze stelling staven.

Onze tijd laat tal van voorbeelden zien, hoe die denkwijze ook op al het bewegen van de mens en de daarbij betrokken organen wordt toegepast. De extreemste voorbeelden vinden wij in de sport. Toen men aan het eind van de vorige eeuw de gedachte van de Olympische Spelen weer tot nieuw leven wilde wekken, zag men over het hoofd, in welke tendenties zo’n onderneming werd ingebed. In het oude Griekenland waren die spelen een cultisch-religieus feest, gewijd aan Zeus; zij waren ontsproten uit een totaal andere levenshouding. Het ging toen niet om 1/100 seconde of om een centimeter, zelfs een millimeter, maar om een dienst ter ere van de godheid.
Daarvan is niets meer overgebleven. De zuiver fysieke en op de een of andere manier meet- of telbare sportieve prestatie is doorslaggevend. Deze ontwikkeling demonstreert de volledige mechanisering van de menselijke beweging, om maar te zwijgen van alle politieke en commerciële manipulaties die met het geheel zijn gemoeid.

Bij onze beschouwing gaat het er niet om sport, die nog steeds talloze mensen door gezonde beweging plezier en ontspanning kan verschaffen, vanuit een eenzijdige benadering te veroordelen. Wij bekijken hier extreme ontwikkelingen omdat daar de kern van het probleem van de beweging het duidelijkst kan blijken. De aan de gezondheid toegebrachte schade door topprestaties in de sport zijn elke vakman bekend. Wij behoeven maar aan het spierstelsel, de gewrichten, pezen, de wervelkolom te denken. Hierboven is er al op gewezen, dat beweging als zodanig eigenlijk uit een niet-fysiek gebied komt. De ontwikkeling van het kind verduidelijkt dit. Het verval van die krachten, waardoor zij steeds meer in het gebied van de aardse zwaarte en het technisch berekenbare afglijden, roept als reactie bewegingsexcessen (moderne dans, rock enz.) op. De mens tracht dan zijn te sterk aan het lichaam gebonden ziel explosief te bevrijden. Dit verval, de degeneratie van de beweging, is niet slechts een biologische kwestie. Maar wij worden daardoor gewaar, hoezeer onze ziel, zelfs ons ik wordt bedreigd. Een ontstellende situatie! Staan wij daar alleen maar hulpeloos tegenover?

Genezing door beweging

Wij vatten nog een keer de lichamelijk-organische kant van het hier behandelde vraagstuk samen. Reeds uit de embryologie wordt duidelijk, hoe uit iets wat vloeibaar-plastisch is, het lichaamseiwit, het menselijke lichaam, het spierstelsel en de organen en voorlopig heel voorzichtig het beenderstelsel ontstaan. Het skelet wordt weliswaar in de ontwikkeling aan de ene kant tot steun opdat wij op de aarde kunnen staan, aan de andere kant echter maakt dit het ons mogelijk, d.m.v. de gewrichten het gevormde in beweging te kunnen oplossen. Vanuit deze gedachte komen wij op het spierstelsel dat als een gestold vloeistoforganisme bij de gezonde mens zichtbaar wordt; zachter, meer vloeibaar bij het vrouwelijke, meer naar het vaste neigend bij het mannelijke lichaam.

De antroposofische menskunde spreekt dan van het “etherisch lichaam”, dat als niet-fysiek, bovenzinnelijk principe in alle vloeibare processen actief is. Dit “lichaam” reguleert ook alle voedings- en opbouwprocessen. In die levensprocessen grijpen de hogere psychisch – geestelijke wezensdelen van de mens in. Dit blijkt uit de hierboven genoemde uitingen van sympathie en antipathie, lust en onlust, ook van in- en ontspannen. Het ik van de mens dirigeert dan dit geheel in de doelgerichte beweging. Voor onze beschouwing omtrent het wezenlijke van de beweging kan het volgende beeld gelden: uit hogere geestelijke gebieden komt de ziel omlaag en doordringt van fase tot fase het lichaam, d.w.z. zij incarneert zich. Als zij zich van het instrument van het lichaam heeft meester gemaakt, wil zij het samenklinken van geest, ziel en lichaam op allerlei manieren tot uiting brengen, voortdurend zich ritmisch oriënterend tussen kosmos en aarde. Alles wat beweging is kunnen wij als de uitdrukking van een oermenselijk gebeuren opvatten. Daarbij kunnen wij in de mens een belangrijke metamorfose gewaar worden die verloopt van de lichamelijke beweging, die in het bijzonder de bloedsomloop, het spierstelsel en het skelet met zijn gewrichten omvat, naar de spraakbeweging en ten slotte naar de denkbeweging. Doordat de materialistische natuurwetenschap heeft getracht om de mens als een totaal berekenbaar object op te vatten, is ook het wezenlijke van de beweging daaraan ten prooi gevallen. Maar de mens zelf merkt dat het “instrument” van de ziel, het lichaam steeds minder als zodanig geschikt wordt. Er zijn tegenwoordig talrijke pogingen om die negatieve ontwikkeling een halt toe te roepen. Dans en gymnastiek bijvoorbeeld worden door verschillende stromingen vernieuwd. In yoga en oude cultische praktijken wordt geprobeerd door intensivering van de beweging de mens te helpen om zijn innerlijk te bevrijden en bewegend tot uiting te brengen. Ook het streven om het volksdansen weer nieuw leven in te blazen ligt in deze richting.

Dit voor de totale mens zo belangrijke vraagstuk stond ruim 70 jaar* geleden Rudolf Steiner, de inaugurator van de antroposofie, voor de geest. Naar aanleiding van vragen in zijn omgeving ontwikkelde hij een nieuwe bewegingskunst: de euritmie. Zij ontstond op grond van zijn geesteswetenschappelijk onderzoek. De grondelementen van de beweging, zoals hij die in de mens en de kosmos zag en die door klank (spraak) en tonen (muziek) in de mens tot verschijning komen, werden stap voor stap op kunstzinnige wijze ontwikkeld tot hetgeen thans sinds meer dan 60 jaar* als euritmie in de wereld is geplaatst. Zij is kunst, hygiëne in de ruimste betekenis en tevens therapie in de vorm van heileuritmie, wat euritmie in wezen is. Euritmie moet men eigenlijk door haar te beoefenen ervaren.

In de euritmie komt het vormen en bezielen van de beweging niet slechts vanuit subjectieve gevoelens maar door de verbinding van de ziel met objectieve wetmatigheden tot stand, zoals die in de mens en in de wereld aanwezig zijn. Daardoor beleeft de mens een bevrijding en tevens een versterking van zijn ik, wat ook een organisch heilzame werking kan hebben. De hierna volgende woorden van Rudolf Steiner mogen dit artikel besluiten: ”De euritmie als bezield, doorgeestelijkt turnen is een belangrijke factor in de opvoeding. Het turnen ontleent zijn wetten aan de kennis van het menselijke lichaam. Slechts het bezielde turnen kan bereiken, wat het zuiver lichamelijk beoefende niet kan, het zal bijvoorbeeld wils-initiatieven in de mens opwekken. Het zal de totale mens naar lichaam, ziel en geest opvoeden, maar geenszins het lichaam veronachtzamen. Het element van de wil impulseert de euritmie. Door haar maakt men zichtbaar wat de musicus in de tonen, de echte dichter in de taal nastreeft.
De Olympische Spelen waren voor de Griekse aard wat de mens in dat tijdperk nodig had. In onze tijd hebben wij iets nodig, wat de mens ook met betrekking tot zijn ziel en geest in de totaliteit van de wereld plaatst.”

.

 

VRIJESCHOOL – Pinksteren (34)

.

Miriam Haenen (Facebookgroep ‘vrijeschool’, juni 2022 (24 mei 2015)

.

In veel scholen wordt vandaag het Pinksterfeest gevierd.
Een stuk wat ik 7 jaar geleden schreef…
De sluier voor het bruidspaar was een vondst waar ik intens blij mee was, en dat echt klopte met het beeld dat ik zichtbaar wilde maken. Het kosmische huwelijk, het huwelijk IN ieder mens…

Ooit zei ik in een gesprek met een Indiase vriend….Als je van binnen niet ‘getrouwd’ bent, dat wil zeggen het vrouwelijke en mannelijke verenigd/in balans hebt, is een aards huwelijk ook niet ‘in balans’
Welkom op de Universele Pinksteren Festival tafel.

Vandaag is het Pinksterenfeest voor het christelijke deel van de wereld.
Maar wat is vieren, wat is een festival als slechts een deel van je vrienden meedoet…?
En als er één festival te vieren is met onze christelijke vrienden, dan is het Pinksteren.
Dat festival, waar gevierd wordt dat de hemel opengaat, en vuurvlammen op de mens komen, klaar om te ontvangen. Een vlam, die warmte en enthousiasme in deze mensen doet sprankelen en ALLE TALEN kunnen begrijpen….

Christelijk zijn, is niets meer, en niets minder dan de christelijke taal spreken over hoe je contact met God moet maken.

Hindoe zijn, is niets meer en niets minder, dan de hindoetaal spreken over hoe je contact met God moet maken.

Moslim zijn, is niets meer en niets minder, dan om de islamitische taal te spreken over hoe je contact met God kunt maken.
Twee kanttekeningen…:

– Ik gebruik het woord God. Wanneer je handiger bent met een ander woord, vul alsjeblieft je eigen woord in, in je eigen ‘taal’. De ‘enige’ essentie is dat, wat een mens tot zijn volle ‘menselijke edelheid’ kan brengen.
-Spreken, in de bovenstaande tekst, is spreken en handelen tegelijk, woorden komen uit.
– We hebben diep respect voor mensen die veel talen spreken, en de meesten van ons verlangen daar naar, want dan hebben we zoveel meer plekken op aarde om echt te kunnen verbinden en te leren. Met deze verschillende religie-talen is het precies hetzelfde…
– De oorsprong van het woord ‘ religie’ is verbinden, opnieuw verbinden. Vrij vertaald wat de mens verbindt met God, of met de puurste essentie van de mens. Dat omdraaien betekent dat een religie die niet leidt naar de puurste edelheid in de mensheid, het recht verliest om religie genoemd te worden…
Mijn twee lieve vrienden in de hemel…:
“De mensheid moet boven alles universaliteit zoeken en de moed hebben om dingen van alle kanten te bekijken. ” — Rudolf Steiner

“Wanneer je tot de essentie van je eigen religie bent gekomen, ben je tot de essentie van alle religies gekomen.
Ik wil dat de culturen van alle landen, zo vrij mogelijk door mijn huis waaien, maar ik weiger om door één van hen geblazen te worden. Gandhi.” Een
.
Pinksterparel:
Was will aber Geisteswissenschaft in bezug auf die Religionen? Sie
will gerade dasjenige erkennen, was die wissenschaftlichen Religionsforscher nicht erkennen können, dasjenige, was in den einzelnen Religionen als tiefstes Wahrheitsgut enthalten ist.
Wovon geht die Geisteswissenschaft aus? Davon, daß die Menschheit ihren Ursprung genommen hat aus einem gemeinschaftlichen Gott und daß nur, wie in eine Anzahl von Strahlen gebrochen, verteilt ist eine Zeit hindurch auf die verschiedenen Völker und Menschengruppen jene Urweisheit der ganzen Menschheit, die aus dem gemeinsamen Gottesursprung stammt.
Diese Urwahrheit und Urweisheit, ungetrübt durch dieses oder jenes Bekenntnis, wiederum aufzufinden und der Menschheit zurückzugeben, das ist das Ideal der Geisteswissenschaft. Daher kann sie auf die einzelnen Religionen eingehen. Sie schaut aber nicht auf die äußeren Riten und Zeremonien, sondern darauf, wie in dieser Religion ebenso wie in jener dieser uralte Weisheitskern enthalten ist. Die Religionen sind ihr so und so viele Kanäle, durch die sich in einzelnen Strahlen dasjenige ergießt, was einst über die ganze Menschheit gleichmäßig sich ergossen hat.
.
“Maar wat is het doel van spirituele wetenschap met betrekking tot de verschillende religies? Het zoekt naar iets dat buiten het bereik van de wetenschappelijke onderzoekers ligt, namelijk naar de essentiële waarheden in de religies.
Waar begint spirituele wetenschap? Uit het feit dat de mensheid is ontstaan uit een gemeenschappelijk god en dat een oerwijsheid die de mensheid als geheel toebehoort en voortkomt uit één Goddelijke bron slechts een tijd is verdeeld, als het ware, in een aantal stralen over de verschillende mensen en groepen van mensen op de aarde.
Het doel en ideaal van spirituele wetenschap is om deze oerwaarheid, deze oerwijsheid, ongekleurd door dit of dat specifieke geloof, te herontdekken en het opnieuw aan de mensheid te geven. Spirituele wetenschap is in staat om door te dringen tot de essentie van de verschillende religies omdat de aandacht ervan is gericht, niet op externe riten en ceremonies, maar op de kern van oerwijsheid in elk van hen. Spirituele wetenschap beschouwt de religies als zoveel kanalen voor de stralen van wat ooit in gelijke mate over de hele mensheid uitgestroomd is.”
GA 130/279
Niet vertaald
.
(Met toestemming van de schrijfster.)
.
Pinksteren: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
.
2659

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof

In de Germaanse mythologie – de vertelstof van klas 4 – komen uiteraard vele namen voor.
Een verklaring van die namen vind je hier.

Bij deze namen ontbreekt (o.a.) de naam ‘WELEDA’.
Vanuit de antroposofie is destijds het farmaceutisch bedrijf ‘Weleda’ ontstaan. 
In het tijdschrift ‘Weleda’ wordt over dit ontstaan e.e.a. verteld waarbij tevens ingegaan wordt op de historische naam.

 

WAT BETEKENT DE NAAM WELEDA?
.

In het voorjaar van 1920 hield Rudolf Steiner (1861 -1925) op verzoek van artsen in Dornach twintig lezingen over “Geesteswetenschap en geneeskunde” (De ”1e artsencursus”). Daarin werd de antroposofisch georiënteerde medische wetenschap als een weg ter verruiming van de geneeskunst op geesteswetenschappelijke grondslag beschreven. De cursisten wilden over de door Rudolf Steiner ontwikkelde nieuwe, aan de mens aangepaste geneesmiddelen kunnen beschikken. Dientengevolge ontstond het laboratorium, waar geneesmiddelen op de grondslag van antroposofisch inzicht konden worden vervaardigd, de “Internationale Laboratorien AG”, verkort ILAG genaamd. Reeds in de zomer van 1921 werden de eerste preparaten afgeleverd. Het abstractum ILAG werd echter als ontoereikend gezien – gemeten aan de idee, de taken en doelstellingen van de nieuwe onderneming – en daarom stelde Rudolf Steiner in september 1924 de naam WELEDA voor. Als reden van deze keus zei hij slechts dat “Weleda een Oud-Germaanse individualiteit was, die behalve met de geneeskunst ook nog met vele andere dingen te maken had.”

De geschiedenis kent een Weleda, die in de oorlog tussen Romeinen en Germanen (rondom 69 n. Chr.) politiek bemiddelde en daardoor ook de stad Keulen – een Romeinse nederzetting – wist te redden van de dreigende ondergang. Zij behoorde tot de Germaanse stam van de Bructeri, die in het gebied van de bronnen van de Lippe thuis waren. 1) In documenten van antieke schrijvers wordt deze Weleda herhaaldelijk genoemd. Zij werd door haar volk als een zieneres en profetes vereerd. Maagdelijkheid werd van het hoogste belang geacht en daarom leefde Weleda geïsoleerd in een hoge toren.

Dat zij over genezende vermogens beschikte, wordt nergens vermeld. Maar Rudolf Steiner kon als geestesvorser de occulte achtergronden van vroegere culturen onderzoeken en beschrijven. Daarmede doorgrondde hij ook de cultuur van de Keltisch sprekende Germanen, Galliërs, Britten en leren.

Voor deze oervolken, die nog waren ingebed in de eenheid van God en de natuur, was het verband van de mens met de natuur ook in gezondheid en ziekte vanzelfsprekend. Bij de verschillende volken en stammen ontstonden kleine groeperingen van leidinggevende priesters, ingewijden, die over grote helderziendheid beschikten en daardoor ook geneesmiddelen in de natuur konden vinden. Er waren ook vrouwen die dat konden. Zij werden “Weleda’s” genoemd. Zij werden door het volk diep vereerd. Het woord Weleda (in de klassieke Oudheid Veleda, in Gallië Velleda) is van Keltische oorsprong en betekent zieneres, profetes. Weleda was dus een bijnaam.

De naamgeving Weleda voor de onderneming die geneesmiddelen op basis van antroposofische inzichten vervaardigt, wil evenwel niet zeggen, dat hier wordt aangeknoopt aan het boven beschreven Keltisch-Germaanse verleden. Dat zou ook niet kunnen, omdat de oude vermogens van de mensheid reeds lang totaal verloren zijn gegaan. In de plaats daarvoor kreeg de mens in de afgelopen eeuwen de kans zich tot een in vrijheid beslissende individualiteit te ontwikkelen. In de Oudheid bestond er een groepsziel, die in zeker opzicht haar wetten van de priesters ontving en bezat men een occult weten omtrent de processen in de mens en de natuur. Thans is er een eenzijdige natuurwetenschap, waarvan de mens vaak slechts het object is, die ook voor de moderne geneeskunde intellectuele theorieën opstelt. Het geheim van het noodzakelijke evenwicht in het samenspel van lichaam, ziel en geest moeten artsen en farmaceuten door een strenge spirituele scholing weer trachten te ontraadselen. Van principiële betekenis is daarbij de morele houding en een verantwoordelijkheidsbewustzijn zoals dat in het verleden de priesterlijke artsen kenmerkte.

1) Een omvangrijke literair-historische beschrijving door Willem F. Daems en Bert Hecksteden 

 

.

Bedrijf

Weleda Wikipedia

Zie ook Veleda

Vertelstof 4e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas

.

2658

.

VRIJESCHOOL – Taalraadsel (nieuw)

 

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.
Woorden waarvan ze de betekenis niet kennen, moeten uiteraard geleerd worden.

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.

Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’

Welk woord staat hier?

De beginletter is aangegeven met een punt. Verder mag je elke richting op, maar je mag niet tweemaal over dezelfde letter:

Oplossing later

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (15-2)

.
Een mededeling van een kinderarts, Weledaberichten nr 143, dec. 1987
.

SLAAPSTOORNISSEN BIJ KINDEREN
.

Wij maken in ’t algemeen een onderscheid tussen moeilijkheden bij het inslapen of tijdens de hele slaap. Beide vormen zijn, vooral bij kinderen, meestal een uitdrukking van een totale stoornis. Dit geldt ook voor chronische vermoeidheid, d.w.z. het onvermogen om volledig wakker te zijn. Wij moeten in samenhang met stoornissen van de slaap altijd bedenken, dat de slaap geen “activiteit”, geen organisch-fysiologisch proces zoals bijv. de spijsvertering is, maar een toestand van de totale mens gedurende een zich ritmisch herhalend tijdsverloop. Wat de slaap van de waaktoestand onderscheidt, is het feit dat denken, psychische en zintuiglijke gewaarwordingen in hun activiteit in hoge mate zijn onderbroken, terwijl de organen – hart, longen, maag, darmen, nieren, klieren – onafgebroken werken. Het leven in het organisme verloopt dus tijdens de slaap op praktisch dezelfde manier als in de waaktoestand; het wordt echter niet met ons bewustzijn doordrongen.

Gedurende de ontwikkeling van het kind treden er verschillende vormen van stoornissen van de slaap op. De verschijningsvorm ervan is afhankelijk van de constitutie en het karakter van het kind, voorts van het geboorteproces en van invloeden van de omgeving waarin het leeft.

Het slapen van kinderen en volwassenen verschilt principieel van dat van de zuigelingen tijdens hun eerste levensweken en -maanden. Meestal stuit men op de voorstelling dat het leven van de zuigeling alleen maar bestaat uit een regelmatige afwisseling van het opnemen van voedsel en slapen. Recente onderzoekingen evenwel hebben aangetoond, dat de ontwikkeling na de geboorte wordt gekenmerkt door min of meer onregelmatig over een etmaal verdeelde, relatief korte periodes van slapen en waken. De langste samenhangende slaapperiode, die in de eerste levensweek werd waargenomen, bedroeg 3 uur en 40 minuten. Typisch voor het gedrag in de slaap van de zuigeling is een onregelmatige, dikwijls snelle afwisseling van waken en slapen, zonder een duidelijk ritme en zonder enige geleding in het dagverloop. Pas langzaam, dikwijls met gekreun, allerlei bewegingen en diepe ademhalingen past zich het opgroeiende wezen aan het aardse ritme aan.

Vormen van onrust zijn een uitdrukking van de activiteiten van onze levens-, zielen- en geestelijke krachten, die in vaak op en af golvende aanpassingsprocessen de menswording mogelijk maken. Als die activiteiten de “normale” maat overschrijden, dan noemen wij dat geen slaapstoornissen.

Wij beschouwen dan deze toestand als de uitdrukking van een bemoeilijkte incarnatie. Men stelle zich de zuigeling voor: alles aan hem is rond – het grote hoofd, de buik, de naar het lichaam toegetrokken beentjes – alles vertoont bijna uitsluitend een “hoofd”, met alles wordt er waargenomen. Het hele organisme blijkt een zintuig te zijn, alles, van het hoofd tot in de tenen, is leven (de zuigeling spartelt met handen en voeten, als hij gretig drinkt aan de moederborst). Dit zintuigorganisme is nog een grote eenheid en dus nog lang niet gedifferentieerd. Stap voor stap, door het toenemen van het zielenleven (de eerste glimlach) wordt de baby aldoor meer wakker. De zintuigen ontwaken, allengs beginnen zij de omgeving waar te nemen. Als die ontwikkeling zich niet harmonisch voltrekt, dan kan het hierboven beschreven zachte gekreun, de subtiele veranderingen in de ademhaling zich verhevigen tot duidelijke onrust, schreeuwen en krampen. Vanuit het gezichtspunt van die levende, vormende, de ontwikkeling bevorderende slaap van de zuigeling wordt het begrijpelijk, dat elk kind zijn eigen ritmen heeft, dat gemiddelden van de waak-slaap-fasen en van hun duur voor het afzonderlijke kind niet gelden. Normaal gesproken verovert de zuigeling zoveel slaap als hij voor zijn ontwikkeling nodig heeft. Wanneer kunnen wij van een gestoord ontwikkelingsproces spreken dat zich manifesteert in de slaap van de zuigeling? Enerzijds, als de fasen van de slaap duidelijk te kort zijn, anderzijds als het ontwaken gepaard gaat met schrik en geschreeuw. In deze gevallen komen alle mogelijke oorzaken: gasvorming, tanden krijgen, verborgen infecties (bijv. van de oren) in aanmerking of – last not least – een te onrustig verloop van de dag wat de zuigeling stoort tot in de nacht. In de eerste tijd van het aardeleven zijn korte ogenblikken van onrust – vooral bij het eerste kind – vanzelfsprekend: dikwijls zijn de ouders al bij het eerste gerucht bezorgd. Hoe rustiger men – natuurlijk met de nodige zorgvuldigheid – de zuigeling zich laat ontwikkelen, des te meer beloont hij de ouders met een ongestoorde nachtrust.

Als de onrust gepaard gaat met zweten, vooral tijdens het inslapen ’s avonds, dan moet de arts eerst stoornissen van de minerale stofwisseling (bijv. door niet of onzorgvuldig toegediende rachitisprofylaxe) of constitutionele bijzonderheden uitsluiten.

Dikwijls klagen ouders, dat hun zuigeling van de nacht een dag en van de dag een nacht maakt. Maar al te vaak, niet altijd, leven in dit geval de volwassenen “chaotisch”, d.w.z. zonder ritme. Regelmaat, bijv. door gelijke afstanden tussen de maaltijden, kan harmonie brengen in het verloop van dag en nacht, ook voor de zuigeling.

Een verdere oorzaak voor slaapstoornissen is de gewoonte van zuigelingen om steeds als ze ’s nachts wakker worden te willen drinken, hetzij uit de fles of aan de borst. Volgens mijn ervaring treedt deze storing meestal op bij zuigelingen, bij wie overdag het ritme van het drinken aan hen zelf wordt overgelaten. Hier is het zaak tussen de maaltijden een pauze van 3½ – 4½ uur te bereiken, ’s Nachts zou men, als het dan toch al nodig is, alleen maar water moeten geven. 

Zuigelingen, die ouder zijn dan één jaar of kleuters kunnen vaak alleen maar in de armen van hun moeder of in haar bed inslapen. Aan deze gewoonte ging wel in de meeste gevallen een inbreuk vooraf in het harmonische verloop van de ontwikkeling, hetzij door een schok, hetzij door een ziekte. Hier is het van belang, door een gesprek met de arts de oorzaken te vinden en – dikwijls met behulp van een medicament – een weg te zoeken om het kind van zijn onzekerheid af te helpen. Van belang is, dat er bij deze nachtelijke onrust veel geduld en begrip wordt opgebracht door de ouders.

Met betrekking tot de gestoorde slaap van baby’s kan heel in ’t algemeen worden opgemerkt: niet zelden worden die kinderen in de nacht onrustig en schrikken zij op uit de slaap, als de dag was vervuld van onrust in de omgeving. Te veel en al te verschillende optische en akoestische indrukken, zenuwachtige ouders, onbeheerst optreden van de medemensen in hun omgeving bijv. beïnvloeden in hoge mate op ongunstige wijze de kwaliteit van de slaap van het kind.

Ook een al te overvloedige maaltijd, nog kort voor het naar bed gaan, is voor de slaap niet bevorderlijk, omdat de spijsverteringsorganen daardoor overbelast zijn. Steeds weer zien wij, dat dikke, plompe van beweging afkerige kinderen, die gauw gaan zweten, niet op de goede manier een toegang tot de slaap vinden.

Het meeste echter komt de angst voor, die als een grote, donkere wolk boven de hemel van het inslapen in de avond boven de kinderen hangt. Angst heeft, zoals wij dat uit andere situaties (bijv. astma) kennen, met de adem, de benauwdheid te maken. Bij het angstige kind, dat niet kan inslapen, ziet men de klassieke veranderingen van de ademhaling: de borstkas vernauwt zich, het middenrif wordt naar boven gedrukt, de spieren van de ademhaling komen in een kramptoestand, de ademhaling wordt flauw, het volume van de longen wordt minder. Het gevolg is: zuurstofvermindering, versnelling van de hartslag (”mijn hart klopt me in de keel”). Alle pogingen om het inslapen in deze situatie te bewerkstelligen zijn vergeefs. Natuurlijk vertonen niet alle angsttoestanden ’s avonds zulke krasse vormen, maar toch geven de meesten aanleiding tot een luidkeels geuite behoefte aan licht en de smeekbede, bij het inslapen niet alleen te worden gelaten. Het ene kind ligt, de hand van de moeder stevig omklemmend, onrustig in zijn bedje, het andere klimt er steeds weer uit, dikwijls met fantasievolle redenen; bij veel kinderen is de behoefte aan beschutting zo groot, dat ze bij de moeder in bed willen inslapen. Nu is het stellig gemakkelijker de oorzaken van een slaapstoornis aan te wijzen, dan raad te schaffen, hoe men een kind van deze, vaak alleen maar ’s avonds optredende angst kan afhelpen. Natuurlijk is het mogelijk en ook nodig, de oorzaken uit de weg te ruimen: dit echter heeft niet in alle gevallen onmiddellijk succes. Een warme drank met een beetje honing kan hier helpen.

Van oudsher is het, zowel voor gezonde als zieke kinderen, een beproefd middel om de dag altijd met een gesprek ’s avonds af te sluiten. De belangrijkste gebeurtenissen van overdag zouden nog een keer als beeld in de herinnering moeten terugkeren; wat mooi en goed is kan worden geprezen, misschien moet er een beetje worden berispt, in elk geval moet er altijd vergiffenis zijn. Een gebed of een lied besluit de kleine, intieme “plechtigheid”. Men kan zich als volwassene nauwelijks voorstellen hoe positief en genezend de krachten zijn, die van zo’n hulp van de ouders uitgaan voordat het kind de wereld van de slaap binnengaat. Ouders zouden er ook niet voor moeten terugschrikken over de beschermende werking van de engelen te vertellen: voor de meeste kinderen zijn engelen een realiteit en ze zijn dankbaar, als volwassenen aan hun wereld oprecht deelnemen. Bij kinderen die min of meer goed inslapen maar waarvan de slaap niet ongestoord verloopt, zien wij de meest verschillende varianten van onrust: schreeuwend wakker worden, gejammer dat in hevigheid kan toenemen als er geen aandacht aan wordt geschonken, verlangen naar eten, drinken of spelen, in het bed van de ouders slapen, om maar een paar voorbeelden te noemen. Wij zien dan kinderen, die zich om allerlei redenen in de nacht niet volledig kunnen losmaken van hetgeen zij overdag hebben beleefd. Op de een of andere manier spoken er nog zintuigelijke indrukken, belevenissen, gevoelens in hun binnenste waarvan zij zich in de nacht niet volledig kunnen bevrijden.

Dan wordt het gesprek met de arts nodig, die samen met de ouders probeert de oorzaken te vinden en die kan aangeven hoe zij door hun gedrag ertoe kunnen bijdragen om uit de crisis te komen. De arts zal ook proberen een beeld van de disharmonie te verkrijgen een een therapie te vinden. Er staan vele geneesmiddelen ter beschikking (dit geldt voor alle hier besproken stoornissen). Het is evenwel voor de arts niet altijd eenvoudig, het voor ieder kind juiste medicament te vinden.

.

meer over ‘slaap’

zie de artikelen onder [1-8] Algemene menskunde

Opvoedingsvragenalle artikelen

Leerproblemenalle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

2657

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 6 (6-2-1)

.
In de ‘Algemene menskunde’ komt het wakker-zijn en het slapen als bewustzijnstoestanden in de 6e voordracht aan bod. 
Onderstaand artikel belicht deze aspecten vanuit een bepaalde invalshoek die hert begrijpen van de inhoud van voordracht 6 kan ondersteunen.
Tevens komen er weer begrippen aan bod die al eerder werden besproken.
.

Dr.med. Olaf Titze, Weledaberichten nr. 143, dec 1987

.

WAKEN EN SLAPEN

.

Wie wel eens nadenkt over waken en slapen, doet de verbazingwekkende ontdekking, dat hij, afgezien van de slechts seconden durende dromen, ongeveer een derde van zijn leven letterlijk heeft verslapen – dat anderzijds zijn herinnering hem de continuïteit van zijn levensloop laat zien die niet door de periodes van de slaap is onderbroken. Ondanks de onderbrekingen door de slaap die aan ons gewone bewustzijn worden onttrokken, beleven wij dus onze levensloop als een eenheid en wel in dubbele betekenis, nl. zowel met betrekking tot het beleven van de buitenwereld als ook wat het beleven van onszelf betreft. Het bewustzijn knoopt a.h.w. elke morgen weer aan waar het ’s avonds bij het inslapen is opgehouden. Daaraan zijn wij gewend en wij denken er niet verder over na dat het ook anders zou kunnen zijn; dat bijvoorbeeld bij bepaalde hersenbeschadigingen allerlei periodes van de herinnering zouden kunnen verdwijnen of, wat nog ernstiger is, de mens door een onderbreking van zijn bewustzijn niet meer in staat is om zijn identiteit te vinden. Ook blijft het een open vraag of er gedurende de slaap helemaal geen bewustzijnsbelevingen zijn. Voor de periodes van de droom zijn er wel belevingen in de vorm van beelden, die men zich echter heel vaak na het ontwaken niet meer kan herinneren.

Hoe echter is het met het bewustzijn gesteld in de periodes van de diepe slaap? Bestaat er daar geen bewustzijn of kunnen belevingen in die tijd alleen maar niet worden herinnerd? In welke wereld leeft de menselijke ziel tijdens de slaap? In de laatste tijd zijn immers de belevingen van schijndoden bekend geworden, die zelfs later kunnen worden herinnerd. (G. Ritchie – “Terugkeer uit de dood”) Het is mogelijk, dat de mens, als hij slaapt net op dezelfde manier een wereld binnengaat – maar een andere – als hij bij het ontwaken in een wereld binnenkomt die voor de fysieke zintuigen toegankelijk is. Stellig moet de vraag omtrent het bewustzijn geheel nieuw worden gesteld als men aan de realiteit recht wil doen wedervaren en zeker zijn er naast de ziekelijke bewustzijnsveranderingen ook nog de meest gevarieerde belevingsgebieden die zich onttrekken aan de fysieke zintuigen en aan het normale verstand. Van wetenschappelijk en dus van algemeen belang zou de vraag echter pas zijn, als men de voorwaarden zou kunnen doorzien die gelden voor verruimingen van het bewustzijn.
In de moderne geesteswetenschap van Rudolf Steiner, de antroposofie, werden die voorwaarden beschreven. (Vgl. Rudolf Steiner “Occulte fysiologie”, 2e voordracht en ”De weg tot inzicht in hogere werelden”)

Terwijl aan het gewone, dagbewustzijn volgens Rudolf Steiner afbraakprocessen ten grondslag liggen, die uiteindelijk ook tot de noodzaak van het uitblussen van het bewustzijn en het op gang brengen van regeneratieprocessen tijdens de slaap leiden, is het helderziende bewustzijn van zodanige aard, dat het door een geestelijke scholing tot een soortgelijke bevrijding van het psychisch-geestelijke deel uit het lichaam van de mens leidt zoals dat in het gewone leven tijdens de slaap gebeurt. Er moet evenwel de nadruk op worden gelegd, dat het bij deze scholing niet om allerlei ondoorzichtig mystiek gedoe maar om een exact controleerbare scholing van het bewustzijn gaat. Er bestaat dus volgens de gegevens van de geesteswetenschap inderdaad een weg om ook overdag bewust de wereld van de slaap te betreden. Een terugblik ’s avonds op de gebeurtenissen van de dag, een gebed of een meditatie zijn daarvoor werkzame voorbereidingen. De vraag omtrent het bewustzijn is de ene kwestie die ons bezighoudt als wij over waken en slapen nadenken. De andere is, dat het daarbij duidelijk om een ritmisch gebeuren gaat. Het behoort tot de meest fundamentele ontdekkingen van onze eeuw, die in 1917 in artikelen onder de titel ”Von Seelenrätseln” [GA 21, niet vertaald] door Rudolf Steiner werden gepubliceerd, dat als de fysiologische basis van denken, voelen en willen drie verschillende functiesystemen in het menselijke organisme kunnen worden gezien: het zenuw-zintuigsysteem voor het denken, een ritmisch systeem voor het voelen en een stofwisselings-ledematensysteem voor het willen. Vanuit dit gezichtspunt zouden waken en slapen als ritmisch gebeuren ook een grondslag zijn voor het voelen.

Men beleeft immers juist het voelen net zo gepolariseerd als men de polen ervaart waartussen zich een ritme ontwikkelt. Elk gevoel is op de een of andere manier in de richting van sympathie of antipathie gekleurd. Treffend drukt Goethe dit uit in dichtvorm als hij spreekt over het ritmische proces van het ademhalen:

”lm Atemholen sind zweierlei Gnaden,
die Luft einziehen, sich ihrer entladen,
jenes bedrangt, dieses erfrischt,
so wunderbar is das Leben gemischt.
Du danke Gott, wenn er dich presst
und dank ihm, wenn er dich wieder entlasst.”

Goethe, J. W., Gedichte. West-östlicher Divan, 1814 – 1819. Buch des Sängers

De inademing wordt als antipathiek, de uitademing als sympathiek gevoeld. Als men dit gezichtspunt toepast op ontwaken en inslapen, dan beleeft de volwassene het wakker worden antipathiek, het inslapen sympathiek gekleurd. Het aangolven van de zintuigprikkels benauwt in de zin van Goethe. De ontspanning bij het inslapen verkwikt.
In voordrachten van Rudolf Steiner over heileuritmie wordt het proces van de zintuigactiviteit, bijvoorbeeld het luisteren, als een subtiel inslapen, het proces van het begrijpen van hetgeen werd gehoord, als een subtiel ontwaken beschreven. Ook binnen het zenuw-zingtuigstelsel treedt dus, wat de functie daarvan betreft, de polariteit weer aan de dag, waarbij de zintuigfunctie meer het aspect van de slaap, de zenuwfunctie het wakker-zijn vertegenwoordigt.

Ten slotte de activiteit van het stofwisselingssysteem en van de ledematen.
Dit systeem heeft te maken met het willen, d.w.z. door de activiteit van de stofwisseling en de ledematen kan de mens in de wereld daden verrichten. Normaliter slaapt de mens voortdurend met betrekking tot de functies van zijn stofwisselingsorganen of van zijn ledematen. Door een ziekte kan dit evenwel snel veranderen, bijvoorbeeld bij een koliek of spierkramp. Maar hierover willen wij het niet hebben. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het willekeurige en het onwillekeurige spierstelsel. Op het onwillekeurige spierstelsel heeft het bewustzijn van de mens geen directe invloed. Het willekeurige spierstelsel, nl. dat van zijn bewegingsorganen kan hij spannen of ontspannen, hij kan er handelingen mee volbrengen of nalaten, die hij in zijn bewustzijn controleert. Weer andere voltrekt hij, en dat zijn de meeste, zonder dat hij zich daarvan volledig bewust is. Maar zelfs bij de handelingen, die door het bewustzijn worden gecontroleerd, is het in de grond  niet het verloop van de bewegingen op zichzelf, die men zich bewust maakt, maar alleen de doelgerichtheid. Het bewustzijn geeft aan de beweging een richting, een doel. Dit is aan het motief van de handeling gekoppeld, waarin o.a. ook de moraliteit van de mens is betrokken. De wezenlijke kern van de mens, zijn ik is het dat wij met het oog op waken en slapen vanuit deze drie gezichtspunten bekijken:

1e vanuit het gezichtspunt van verschillende bewustzijnstoestanden,

2e vanuit het gezichtspunt van een ritmisch zich verenigen met en weer losmaken van het lichaam,

3e als een min of meer bewust handelend wezen.

Bij het optreden van slaapstoornissen is het van belang, deze drie gezichtspunten in het oog te vatten. Er is bijv. een groep van slaapstoornissen, waarvan de oorzaak ligt in een voortzetting van het dagbewustzijn: de mens kan niet “uitschakelen”. Dan is het ’t beste, om eerst de gebeurtenissen van de dag nog eens in omgekeerde volgorde van de avond tot de ochtend na te gaan, zonder daarbij aan bijzonderheden te blijven haken. Men kan daarna misschien iets opbouwends lezen of zich concentreren op een bepaalde gedachte of een gebed.

Als medicament kunnen hier preparaten met lood, vervaardigd op een speciale manier, hulp bieden.

Een andere groep van slaapstoornissen berust op stoornissen in het ritmische systeem. Het hart kan bijv. in vergelijking met de ademhaling veel te snel kloppen. Men spreekt dan van hartkloppingen. Dit kan psychische maar stellig ook lichamelijke oorzaken hebben, bijv. hoge bloeddruk. In elk geval bestaat er innerlijke onrust of angst. De lichaamsritmen komen weer in harmonie o.a. doordat men van kunst geniet of, beter nog, zelf kunstzinnig bezig is. Deze stoornissen kunnen medicamenteus worden verholpen door bepaalde speciaal bereide plantaardige- en goudpreparaten.

De derde groep van slaapstoornissen staat in verband met ons stofwisselings- en bewegingssysteem. Stellig zijn er op dit gebied ook een hele reeks van organische oorzaken waarvoor een speciale behandeling nodig is, maar er liggen ook dikwijls oorzaken diep in het emotionele gebied – alle mogelijke belastingen van het geweten, schokkende gebeurtenissen, verdriet, nalatigheden, kwalijke ondoordachte daden enz.

Hier kan de bewuste daad uitkomst bieden. Men probeert bijv. verschillende keren per dag zich van het bewegingsproces bij het lopen bewust te worden, d.w.z. heel bewust te lopen, de voet van de grond te tillen, hem naar voren te brengen en daarna weer bewust neer te zetten, enz.

Dikwijls vinden patiënten baat bij de toepassing van zilverpreparaten als medicament. Als zulke aanduidingen in de richting van medicamenteuze therapie worden gemaakt, is dit op geen enkele manier een pleidooi voor het zelf hanteren van medische voorschriften. Het gaat er hier veeleer om dat er begrip voor wordt gewekt als de arts i.p.v. een gangbaar slaapmiddel speciale preparaten toepast die aangepast zijn aan het wezen van de mens. De algemene hygiënische aanwijzingen kunnen evenwel, mits consequent toegepast, dikwijls een belangrijke hulp bieden.

In de volgende artikelen wordt beschreven, hoe het probleem van waken en slapen, dat hierboven principieel werd behandeld, met betrekking tot kinderen en bejaarden op een andere manier verschijnt. [nog niet oproepbaar]

.

Algemene menskunde voordracht 6alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2656

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Pinksteren (33)

.

Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’: (april 2022). Hier gepubliceerd met toestemming van de schrijfster.

.

Pinksteren

Verbinding tussen hemel en aarde met Pinksteren staat beschreven in het N.T. van de Bijbel, dat : “de Geest daalde ‘gelijk een duif‘ op Hem neer”, dan wordt
hier ook iets specifieks mee bedoeld en aangeduid.
De meeste vogels dalen in glijvlucht; de duif kan zich echter loodrecht naar beneden laten zakken. Zij maakt dus een héél directe verbinding tussen boven en beneden,
‘De Geest daalt neer gelijk een duif’ kunnen we dan begrijpen.
Duiven werden , in vroegere tijden, nog voor het Pinksteren
zoals in de bijbel wordt aangeduid, wel ‘gasten van de goden’ genoemd, niet verwonderlijk als we ons een voorstelling proberen te maken van de oude tempels, waar in de verweerde muren, verscholen in holen en gaten, honderden
duiven huisden die voortdurend af en aan vlogen, als boden
van de goden.
In het Oude Testament bracht een duif aan Noach het reddende bericht.
De duif met een takje mét blaadjes.
In Spanje was er in de Middeleeuwen een orde die zich ‘De Ridders van de Witte Duif’ noemde. De leden droegen een witte duif op schild, zadeldek en wapen. Zij volgden het gebod overal te helpen waar vervolgden en onschuldig lijdenden in
nood waren, Zij behoorden tot het Graalridderschap en streefden ernaar, door zelfoverwinning de lage driften te veranderen in geestelijke kennis over zichzelf.
Is de duif ook niet de belangrijkste bode van de geest in het Graalsverhaal?
Ooit verloor Lucifer een robijn uit zijn kroon. De Graalschaal werd uit deze kostbare steen geslepen. Jozef van Arimathea ving hierin tijdens de kruisiging het bloed van Christus op.
Later kreeg Titurel de schaal, en het verhaal vertelt hoe een duif ieder Goede Vrijdag opnieuw naar beneden daalt en een hostie legt in de Graalkelk, waardoor deze gaat stralen met een bovenaardse glans.
Rudolf Steiner zei: “De vogel houdt verband met de engelhiërarchieën. Wij mensen moeten weer leren op te nemen wat ons uit hogere sferen tegemoet komt. Zoals de priesters in de oudheid iets konden opmaken uit de
vogelorakels, zo kunnen wij weer leren luisteren naar de vogelstemmen van de geestelijke inspiratie.”
Veel sprookjes geven in beelden geestelijke werkelijkheden weer, en spreken zo een ‘Pinkster-taal ‘ die ieder vanuit zijn eigen taal verstaan kan. Hun christelijke boodschap vinden we in het beeld van het witte duifje vaak terug, bv. in het
sprookje ‘De Drie Talen’. Alles wat de beproefde hoofdpersoon als nieuwe Paus aan de mensen te zeggen heeft, wordt hem door twee witte duiven, links en rechts op zijn schouders gezeten, ingegeven.
In ‘Hans en Grietje ‘ zit het witte duifje op het dak om Hans vaarwel te zeggen. Hun weg, door broodkruimels gemarkeerd, voert dóór het heksenhuis en door een scheiding van elkaar heen, terug naar het vaderhuis, dat zij met hun vergaarde schatten: parels en edelstenen (doorzichtig geworden materie) verrijken. Waarom zou dat duifje op het dak wel genoemd worden?
Witte duifjes hielpen Assepoester in haar moeizame keukenmeidenbestaan. Als zij voor de eerste maal met de prins gedanst heeft, verbergt ze zich in de duiventil. En aan het slot van het sprookje zijn het weer de twee witte duifjes die de prins de waarheid toeroepen als hij met zijn nieuwe bruid langs het graf van Assepoesters moeder bij de hazelaar rijdt.
Ten slotte: toen Doornroosje achter de doornhaag ontwaakte voor een nieuw leven met haar prins, trokken de duiven op het dak hun kopjes onder hun vleugels vandaan, keken rond en vlogen weg naar het vrije veld, als boden om de wereld te vertellen dat de mens voor een hoger bewustzijn ontwaken kan.

De witte vogel

Niet altijd wordt specifiek de duif genoemd. Er is ook vaak sprake van de hulp van een wit vogeltje.
Een wit vogeltje in de hazelaar bij haar moeders graf werpt steeds dat voor Assepoester naar beneden wat zij zich wenst:
glanzende gewaden van goud en zilver, muiltjes van goud om op het feest met de prins te dansen.
Ook in ‘Hans en Grietje’ verschijnt als de nood het hoogst is en ze totaal verdwaald zijn, een klein wit vogeltje dat een heel schoon lied zingt en hen
verder leidt en daardoor het lot een wending ten goede geeft.
Later neemt een wit eendje deze taak over en zwemt hen over het water naar huis, hun hemelse thuis.
Het is alsof dit witte dier, dat zich zowel op het land als in het water en de lucht thuis voelt, hun iets te leren heeft.

En hoe is dat met de zwaan?

Zwanen tonen ons de gereinigde ziel van de
mens die, zich stil in het Geestesmeer
spiegelend, het bewustzijn steeds in hogere
werelden opheft. Zingt een zwaan zijn zwanenzang niet door tot in de dood? En
beteugelt Lohengrin zijn zwaan niet door te luisteren naar de zwaan in zichzelf?
Zangvogels: zij tonen ons het beeld van onze van vreugde zingende ziel die, zegevierend over alle zwaarmoedigheid, op kan stijgen tot de hoge wijde ruimte van de geest en de etherwereld. De etherwereld die als kwintessens de vier elementen aarde, water, lucht en vuur doordringt als vijfde element van
hogere aard.
“Zing mij o Muze…” sprak de Griekse dichter. De dichter was voor de Griek gelijk de zangvogel: uit beiden sprak God/de Muze. Mens en vogel zijn immers de enige wezens die stemtonen kunnen voortbrengen.
De vogels zijn door doorlaatbaarheid van hun schedeldak veel meer dan de mens met de zon verbonden, waardoor ze onmiddellijk reageren als de zon op of onder gaat met hun jubelzang.
In het Perzisch betekent het woord ‘murgh’ ziel én vogel tegelijk; en in de Egyptische hiërogliefen wordt de ziel ook als vogel uitgebeeld, vaak als ibis, waaruit de heilige zielenstemming spreekt. De ziel van een dode kan immers als een vogel het lichaam verlaten.
De vogel herinnert ons van alle dieren het meest aan onze afkomst en verwantschap met de geest, en daarom hoort het witte vogeltje bij Pinksteren, tot aan het Oudhollandse ganzenbord toe, waarin de witte gans ons door gevangenis en put, naar het middelpunt, het labyrint leidt, naar de overwinning op onszelf.

Voor het volledige artikel ga naar : ” Het Zonnejaar”.

Op veel vrijescholen wordt het Pinksterfeest gevierd.
De kinderen dansen om de meiboom, er is een pinksterbruid en een pinksterbruidegom en iedereen is in het wit gekleed.
Elke keer weer word ik ontroerd door de speciale sfeer die dit feest uitstraalt.
Maar wat vieren we nu eigenlijk met Pinksteren?
Pinksteren is een christelijk feest, maar ook voor de geboorte van Christus werden er al Meifeesten gevierd.
De Germanenvierden feest om de komst van de zomer te vieren. Ook toen al was er een pinksterbruid, als symbool voor vruchtbaarheid en groeikracht. Het christelijke feest Pinksteren is afgeleid van het Griekse Pentecostes, dat betekent 50ste dag. Het Pinksterfeest wordt 50 dagen na Pasen gevierd. Met Pasen stond Christus op uit de dood en bleef 40 dagen zichtbaar voor zijn volgelingen. Tien dagen later is het Pinksterfeest en wordt herdacht dat de Heilige Geest neerdaalde over de apostelen.
Hoe kunnen we dit feest nu vieren? Hoe kunnen we dit vormgeven in de huidige tijd? Ook als de christelijke betekenis van Pinksteren je misschien niet zo veel zegt? Het vieren van Pinksteren vraagt veel meer van de mens, dan het vieren van Kerstmis en Pasen. Er zijn geen volle, versierde etalages, geen commercie, geen folders in de brievenbus die je op weg helpen. Pinksteren zullen wij zélf moeten invullen!
Er wordt dus een beroep gedaan op de scheppende geest van de mens. De bloemen, die tijdens het Pinksterfeest gedragen worden, zijn dan ook door de mens zelf gemaakt, van papier. Pas op het feest van Sint-Jan dragen we de
bloemen uit de natuur, ten teken dat de zomer er is.
Met Pinksteren is iedereen in het wit gekleed. Wit als symbool van reinheid en schoonheid. De witte duif is het symbool van de verbinding tussen hemel en aarde (de Heilige Geest).
In de kleuterklassen is er een Pinksterbruid en een
Pinksterbruidegom. Een bruiloft, symbool van vruchtbaarheid en
verbintenis. De natuur wint aan scheppingskracht, er heerst vreugde.
De meiboom is het symbool voor de boom, de plaats van ontmoeting. Deze wordt door de mens zélf opgericht tussen hemel en aarde. Hij is getooid met linten als takken, een mooi beeld voor de opgerichte houding van de mens. De linten zijn de verbinding tussen hemel en aarde. De linten, die verweven worden in de Pinksterdansen. Een mooi beeld vind ik dat je op aarde lopend met het lint, iets veroorzaakt, dat boven je hoofd, in hogere sferen, gevolgen heeft, ook voor anderen (een knoop in je vlechtwerk, bijvoorbeeld!). Pinksteren is een feest van verbondenheid met elkaar, van je realiseren dat datgene wat een individu doet, gevolgen heeft voor het geheel, voor de toekomst.
Met dat in je achterhoofd is het nog specialer om naar die dans om de meiboom te kijken!
Susan Sneijders-van Eijk

Liedje en Kringspel:
Hier is onze fiere Pinksterblom.
En ik wou hem zo graag eens wezen!
Met zijn groene kransen op het hoofd en met zijn klinkende bellen.
Recht is recht, krom is krom!
Belief je wat te geven voor de fiere Pinksterblom?
Want de fiere Pinksterblom moet voortgaan!

De kinderen staan met de handen los in een kring, en zingen: Hier is onze
fiere Pinksterblom. In het midden loopt een kind, dat op het hoofd een
bloemenkrans draagt en in de hand een klein belletje. Het kind in het
midden laat de bloemenkrans zien bij met zijn groene kransen op het
hoofd en rinkelt met de bel bij en met zijn klinkende bellen. Bij recht is
recht klappen de kinderen in de kring in hun handen; bij krom is
krom buigen zij voorover. Bij de laatste regel van het lied staat het kind in
het midden van de kring stil voor een ander kind, dat nu de bloemenkrans
en de bel krijgt, waarna het spel opnieuw begint.
Pinksteren is een van de belangrijkste christelijke feesten van het jaar.
We vieren het vijftig dagen na Pasen en tien dagen na Hemelvaart, en
herdenken het als ‘uitstorting van De Ziel van Christus’.
Het Pinksterfeest werd ook al bij veel heidense volkeren gevierd, als een feest dat met de bloei en ontwikkeling van de natuur verbonden was.
In de loop der eeuwen zijn de elementen uit de niet-christelijke en christelijke Pinksterfeestvieringen samengevoegd.
Pinksteren is een feest van licht, lucht en kleur geworden, van vogels en van bloemen.
In streken waar Pinksteren nog als volksfeest gevierd wordt, kun je de Pinksterbruid vinden, getooid met bloemen.
In vele kleuterklassen wordt de Pinksterbruiloft gevierd.

Pinksteren in de kleuterklas

In de kleuterklassen vieren we Pinksterfeest, de vrijdag voor Pinksteren. Er is een pinksterbruidspaar [vaak oudste jongen en meisje [[de kinderen dus met wie de leidster al een lange verbinding heeft]]].
De kleuters en juffies zijn allen gekleed in het wit.
Er staat een speciaal plaatsje klaar voor het bruidspaar: witte troon met een dakje [schommelboot, bankje, hemeltje erboven, allemaal wit.] op dit speciale plaatsje zijn ook een sluier en strop-strik te vinden
[door leidster genaaid] en een bellenstok.
De bruid en bruidegom hebben van het duifje [hebben ouders in een envelop meegekregen van de leidster:] een zakdoekje voor het bruidje en een bellenketting [grote bel aan gouden lintje] voor de bruidegom.
De leidster geeft deze envelop mee in de loop van de pinksterweek.
Het tafeltje in het midden van de kring: ook wit kleedje, met een vaasje voor het boeketje van de bruid [zij krijgt die van de bruidegom] de bruid neemt een corsage mee voor de bruidegom, witte kaars in kandelaar.
Alle kleuters krijgen een hoofdtooi van crêpepapier.

Voorbereidingen:
Pakketjes maken van crêpepapier, belletjes, rimpelelastiek, stickertjes met naam, zakjes, vloeipapier voor bloemetjes, werkbeschrijving.
Leidsters leggen alle materialen bij elkaar en klassenmoeder verdeelt verder aan de ouders die thuis de band gaan maken.
Ouderbrief opstellen.
Brief opstellen bruidspaar.
Maandags ligt er op het middelste tafeltje een speciaal briefje klaar, waarin vermeld staat dat het gauw pinksterfeest is, wie het bruidspaar wordt en dat alle kinderen welkom zijn op het feest. [Briefje in de vorm van een hartje bijvoorbeeld betekend met bloemetjes.]
Seizoen tafel: lichte lentekleurtjes, papieren bloemen [ook in de klas in vaasjes op tafel], pinksterbruidspaartje [eventueel met bruiloftstoet erachteraan.], poortje waar bruidspaartje onderstaat [met papieren bloemetjes, klein wit duifje], vijvertje met zwanen.
Klas versierd met witte papieren duifjes, papieren bloemen,
Dag zelf:
Tafels zijn gedekt met witte lakens, lopertjes, papieren bloemen,
hoofdtooien liggen klaar op de tafels, bordje, bekers en servetten staan ook klaar op de tafel. Kleine waxinepotjes met bloemetjes of lichte lentekleurtjes.
Op het aanrecht is plaats voor de luilakbollen door ouders die ochtend in te leveren. Stroop , honing staat klaar.
Gordijnen zijn gesloten, kaars op het middelste tafeltje brandt, kleuters komen binnen, zoeken hun stoel op, op de seizoentafel staat het bruidspaartje onder het poortje.
Bruiloftsplaats is klaar met al het eerder genoemde.
[ alles wordt klaargezet op donderdags voorafgaande aan het Pinksterfeest. Veel aandacht gaat hier in zitten.
In de verschillende hoeken staan activiteiten klaar voor de kinderen voor na het dansen op het kleuterplein [ tekenen, bouwen, puzzelen, mandala kleuren of leggen enz.
Kleuters komen binnen, ouders van bruidspaar mag even blijven helpen met de hoofdtooien omdoen van alle kleuters.
9.00 uur gaat de stoet uit beide klassen op weg naar buiten, waar de ouders en leerlingen van school staan te wachten in een haag: zij zingen pinksterliedjes.

Kleuters gaan onder de rozenpoort door naar kleuterplein om daar kringspelen met beide kleuterklassen te doen [ hier is onze fiere pinksterblom, voor mijn venster vliegt een duifje, we maken een kringetje, ik heb een mooie bloemenmand, daar liep een aardig meisje enz.
leidsters hebben afspraken gemaakt welke liedjes] op Vrijeschooliederen staan nog meer liedjes.
Na het dansen op het plein gaan we naar binnen om te spelen, in de hoeken.
Daarna opruimen en eten: aan de gedekte tafels.
Na het eten gaan we naar het grote plein om daar te luisteren, te kijken en uiteindelijk mee te dansen met: Joepie, Joepie is gekomen…
Kinderen hoge klassen hebben banken neergezet voor kleuters.
Als kleuters onder de rozenpoort doorgaan, dan wordt er gezongen door alle aanwezigen.: “Hier is onze fiere pinksterblom.”
Alle kinderen en leerkrachten van school zijn gekleed in het wit en getooid met een gevlochten lichtgroene crêpepapieren band met bloemen of belletjes,
Echte duifjes worden opgelaten, door de jongste en oudste leerling van school.

Kinderen dansen rond de meiboom, de pinksterzon
brengt ons allen samen [als de blaadjes van een
madelief=meizoentje].

 

Pinksteren valt meestal tussen half mei en half juni. Waar dit feest eigenlijk over gaat, is voor veel mensen vervaagd, maar toch lijkt er rond de pinksterdagen wel altijd iets feestelijks in de lucht te hangen.
In sommige regio´s bestaat de traditie om een pinksterbruid te kiezen en op vrijescholen kiezen de kinderen een bruid én bruidegom.
Waar komt de bruidsstemming vandaan die laat in de lente over de natuur komt?
Tekst: Tineke Croese
Beeld: Fokke van Saane

In de prille lente, zo rond Pasen, wordt de natuur voorzichtig groen. Zeven weken later is het Pinksteren en staat alles volop in bloei. Als fijn kantwerk omzoomt het fluitekruid de zilverglinsterende sloten, de fruitbomen dragen prachtige sluiers van tere, zacht gekleurde bloesem. Wakker gekust door haar bruidegom de lentezon tooit de natuur zich als bruid.
En ja, vroeger kwamen na de bruiloft de kinderen. Als hemel en aarde bruiloft vieren, als de aarde zich in bloesems opent voor de stralen van de zon, dan leidt dat, heel prozaïsch, tot bevruchting en vruchtzetting. Elk jaar belooft de bruiloft tussen hemel en aarde een nieuwe oogst.

De fiere pinksterblom

Omdat een goede oogst vroeger heel belangrijk was, was de bruiloft tussen hemel en aarde een heilig ritueel. Elk dorp koos een pinksterbruid- of blom. Zij symboliseerde de ziel van de dorpsgemeenschap die zich opende voor hemelse
krachten: in milde regen en zachte zonneschijn daalde de bruidegom af naar de aardebruid. Het hele dorp was bij dit vruchtbaarheidsritueel betrokken. Daarom werd de pinksterbruid in de vroege ochtend van Pinksteren van huis tot huis
gedragen en stond elk gezin (tijdelijk) een sieraad aan haar af. Want hoe rijker de bruidstooi was, hoe rijker de oogst zou zijn.
Op het eerste gezicht lijkt het christelijk pinksterfeest ver af te staan van wat in de natuur gebeurt en van vruchtbaarheidsrituelen. Met Pinksteren herdenken we dat Christus na de opstanding niet van de aarde verdween, maar een andere gedaante aannam. De twaalf leerlingen laten plaatsvervangend zien dat alle mensen Christus kunnen gaan ervaren als een troostende of inspirerende innerlijke kracht. Die kracht, die als de Heilige Geest uit hemelse hoogten op de
leerlingen neerdaalt, wordt vaak verbeeld als een duif. Maar als de Heilige Geest wordt opgevat als inspiratie door hemelse wijsheid, dan wordt ze voorgesteld als de hemelse jonkvrouw Sophia die van bovenaf haar licht op de leerlingen laat
schijnen. Er is dus toch een parallel met het natuurgebeuren: als het Pinksteren is, stellen we ons open voor een uit de hemel neerdalende kracht die inspireert en op die manier ‘bevruchtend’ werkt.
In voorchristelijke culturen zagen de mensen de hele natuur als een openbaring van goddelijke wijsheid. Die goddelijke wijsheid openbaarde zich ook aan de mens, en wel in de vorm van recht en wet: die moesten de harmonie en vrede tussen mensen waarborgen. In de pinkstertijd kon iedereen, en vooral de sociaal zwakke, zich over geleden onrecht beklagen. Ten overstaan van het hele dorp werd dan recht gesproken onder de boom op het dorpsplein ‒ vaak een es of een linde ‒ die hemel en aarde met elkaar verbond. De ‘bruiloft’ tussen hemelse wijsheid en aardse rechtvaardigheid leidt tot harmonie in de mensengemeenschap.
Uit vele richtingen zijn wij gekomen…
In het pinksterverhaal uit de Bijbel speelt bij de vereniging, de bruiloft tussen aardse en hemelse krachten de wisselwerking een rol tussen de individuele mens en de gemeenschap die hij met andere mensen vormt. Het pinkstergebeuren leidt tot het ontstaan van nieuwe gemeenschappen. Geïnspireerd door de Heilige Geest waren de leerlingen in staat zo te spreken, dat iedereen hen verstond. Iedereen hoorde hun woorden in zijn eigen taal.
In het oudtestamentische verhaal over de Toren van Babel raakten de mensen van elkaar vervreemd doordat ze verschillende talen gingen spreken. In het pinksterverhaal is het andersom: daar komen mensen tot elkaar, omdat ze geen taalverschil meer ervaren. Later trekken de leerlingen in alle richtingen weg om overal gemeenschappen te stichten waar mensen vanuit de verbindende kracht van Christus konden leven.
Een ander aspect van Pinksteren is dus het vormen van nieuwe gemeenschappen.
Dat maakt Pinksteren een feest voor deze tijd en voor de samenleving in Europa. Alleen is de beweging omgekeerd: de leerlingen trokken vanuit een centrum ‒ Jeruzalem ‒ in alle richtingen de wereld in, terwijl nu mensen uit alle
richtingen naar een centrum ‒ naar Europa ‒ komen. Bovendien hebben veel mensen, van binnen of buiten Europa, zo hun eigen manier van leven.
Onze samenleving is een lapjesdeken van allerlei culturen en individuele levensopvattingen aan het worden. Al die lapjes hebben een eigen schoonheid. Het is een uitdaging om te zorgen voor een deken die warm genoeg is voor iedereen, terwijl de schoonheid van de afzonderlijke lapjes toch behouden blijft. Het is een uitdaging om ons te laten inspireren door een kracht die mensen met elkaar verbindt. Alleen die geeft zicht op een toekomst vol vrede en harmonie.
Dit artikel verscheen in Antroposofie Magazine.

LUILAKBOLLEN

Ingrediënten
750 gram bloem
3 mespunt zout
3,75 deciliter melk
75 gram gist
150 gram boter
150 gram krenten
150 gram rozijnen
3 theelepel kaneel
3 ei
stroop of bruine suiker om over de broodjes te doen.

Bereidingswijze:

Zeef de bloem met het zout boven een kom.
Verwarm de melk lauwwarm en los de gist op in wat lauwe melk.
Smelt de boter in een pannetje en laat het afkoelen.
Maak een kuiltje in de bloem en giet er de gistoplossing en de gesmolten boter in.
Kneed alles tot een soepel deeg en laat dit – afgedekt met een vochtige doek – 1 uur op een warme plaats rijzen.
Was de krenten en de rozijnen en laat ze goed uitlekken.
Kneed de krenten en de rozijnen vervolgens door het gerezen deeg en maak van het deeg 30 bolletjes.
Beboter een bakplaat, leg de bolletjes erop
en druk ze een beetje plat.
Knip het deeg met een schaar op gelijke afstand viermaal in.
Laat dan de bollen nog eens 30 minuten rijzen.
Klop het ei los en bestrijk daarmee de bovenkant van de bolletjes.
Bak de broodjes in een voorverwarmde oven (225 graden C) in 15 minuten gaar en bruin.

Draaiend pinksterpaar

Gerrie Delen

Zoek of maak een boomschijf (1) en knip een kartonnen schijf (2).
Buig van ijzerdraad een poortje en prik het ene uiteinde door het karton in het hout, het andere alleen in het hout. Versier het en beplak de kartonnen schijf met iets groens.
Maak nu een bruidspaartje en bevestig dat op de kartonnen schijf. Laat bruid en
bruidegom statig onder het rozenpoortje doorschrijden!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kleine pinksterknutsels

Om de eerste bloempjes in het vroege voorjaar goed te kunnen zien, moet je heel diep bukken: de sneeuwklokjes, de krokusjes – ze bloeien vlak op de grond. De narcissen die volgen zijn al hoger, dan komen de tulpen en daarna de vele
bloeiende struiken. De tijd tussen Pasen en Pinksteren is vooral die van de bloeiende bomen – nu moet je je helemaal oprichten en omhoog kijken om bloemen te zien! Bij de kastanjes reiken de bloesems zelfs boven de kroon uit.
Het is ook de tijd van de vogels! De lucht is vol van hun activiteit: gevlieg en gezang. En vlinders! De vlinders zijn uit hun nauwe poppen gekropen en dansen stralend en gewichtloos door de lucht. De hele sfeer van de aarde ademt blijheid.
En de toekomst wordt voorbereid. De ‘paaseitjes’ zijn uitgekomen, de bijen zoemen om de bomen, de vruchtbeginsels zetten zich en de bloesemblaadjes vallen als een tere regen omlaag.
Pinksteren kunnen we versieren met vogels, vlinders en bloesemboomkronen.

Vogeltje

=Knip uit dubbelgevouwen stevig papier een vogeltje, een wit duifje bijvoorbeeld (lengte snavelstaartpunt 8 à 9 cm).
=Vouw een reep zijdevloepapier van 18 x 21 cm in harmonicavorm in de lengte. Knip hier een stuk van 6 cm af (voor de staart) maak een snee in de romp en haal daar de opgevouwen vleugels door.
Uitvouwen en naar achteren toe wat korter knippen.
=Steek de staart tussen de twee romppapieren en lijm deze vast.
Met een draad ophangen, aan een stokje voor een kind om mee te spelen, of meerdere aan een hoepeltje of als mobile aan takjes.

Vlinder

=plak twee velletjes zijdevloe met prittstift op elkaar
=vouw het dubbel en knip de twee vleugelvormen uit (circa 6½ cm breed) en vouw ze weer open
=vouw een pijpenrager van 15 cm dubbel, klem de vleugels er tussen en draai er
vanboven een kop en voelsprieten van
= schuif de vleugels een beetje rimpelend naar de kop toe
= ophangen aan drie samenkomende draadjes (vanaf voelsprieten en middenlijfje)
verder als vogeltje.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jonge vogeltjes op tak

=Frommel van zijdevloei een vogeltje, ’t is niet zo moeilijk als het lijkt.
=Met velpon uitsteeksels vastplakken.
=Knip van dubbelgevouwen stevig geel of oranje papier een snaveltje en plak dat aan de kop.
=Teken de oogjes.
=Boor onderin de romp met een schaarpunt een gat en steek daar 2 stukjes pijpenrager in.
=Buig deze pootjes stevig om een takje en knip ze op de goede lengte af.
=Zet een aantal op een tak naast elkaar en hang de tak op. Je kunt ze ook van pompoentjes maken

Meiboomkroon

=Een krans maken van twee elkaar kruisende halve hoepels en een hele hoepel,
versieren met papieren bloemen en slingers, goud- en zilverpapier

 

 

 

Bloemen maken

Bij het pinksterfeest hoort helemaal zelf bloemen maken. Vroeger spaarde men gedurende het hele jaar allerlei kleurige papiertjes om daar bloemen van te maken. Het pinksterfeest is niet zozeer het feest van de scheppende aardekrachten, maar van de scheppende menselijke geest. Daarom maken we zelf bloemen bij voorkeur zelf bedachte bloemen.
Hier volgen enkele manieren om bloemen te maken.

Rimpel rechte of geschulpte enz. stroken van ca 20 cm lang en 3 tot 6 cm breed en trek de draad aan.
Een paar maal omwinden en afhechten.

 

 

 

1.knip van zijdepapier drie vierkanten van 15 x 15 cm:

 

 

 

 

 

2.vouw elk vierkant schuin doormidden waardoor een driehoek ontstaat:

 

 

 

 

 

 

3.vouw elke driehoek dubbel:

 

 

 

4.vouw de driehoeken nog een keer dubbel:

 

 

 

 

5.vouw de driehoeken nog een keer dubbel, maak de vouwen zo scherp
mogelijk:

 

 

 

 

 

6.houd de punt van het eerste hoorntje stevig vast en knip de bovenkant rond af:

 

 

 

7.houd de punt van het tweede hoorntje vast en knip de bovenkant af; begin echter wat lager te knippen dan bij het eerste hoorntje:

 

 

 

8.houd de punt van het derde hoorntje vast en knip de bovenkant nog lager
af:

 

 

 

9.vouw de driehoeken open en leg ze in volgorde van grootte op elkaar met
de kleinste bovenop:

 

 

 

 

 

10. houd de laagjes (dit worden de bloemblaadjes) in de linkerhand; plaats
de rechterhand in het midden van het kleinste laagje bloemblaadjes en duw
deze voorzichtig naar beneden, terwijl aan de onderkant de andere hand
alle laagjes tot de steel van de bloem worden samengeknepen:

 

 

 

 

11.draai het verkregen steeltje stevig en omwikkel het met plakband. Spreid
de blaadjes uit zodat een bloem ontstaat.
Wanneer de bloemblaadjes op een andere manier worden geknipt, ontstaan andere vormen.
Vouw eerst weer een aantal vierkanten zoals hierboven beschreven is:

 

 

 

 

Hier volgt de werkbeschrijving voor de ouders, voor het maken van de hoofdtooien: de benodigdheden zaten , klaar om er mee aan de slag te gaan, in een papieren zakje.
Werkbeschrijving Hoofdtooi -Pinksteren
Benodigdheden van jezelf:
• Naald
• Wit naaidraad van max. 30 cm
• Stukje rimpelelastiek

Benodigdheden van school:
Voor de jongens:
• Een strook groen crêpepapier van 3 cm breed
• Een strook geel crêpepapier van 3 cm breed
• Een strook wit crêpepapier van 3 cm breed
• Dun elastiek van ongeveer 25 cm lang
• Een belletje
• Stickertje met de naam erop
• Dit alles in een plastic zakje met de naam erop

Voor de meisjes:
• 3 stroken groen crêpepapier van 3 cm breed
• Gekleurd vloeipapier in rondjes. 2x 5, 6 of 7 stuks, afhankelijk van hoe oud het kind is

Voor de meisjes:

• 3 stroken groen crêpepapier van 3 cm breed
• Gekleurd vloeipapier in rondjes. 2x 5, 6 of 7 stuks, afhankelijk van hoe oud het kind is
• Stickertje met de naam erop
• Dun elastiek van ongeveer 25 cm lang
• Dit alles in een plastic zakje met de naam erop

Werkwijze:

• Ontrol de 3 stroken
• Leg na 30 cm een knoop hierin en begin vanaf hier te vlechten. Dit gaat het handigst door de knoop onder en
zware pot te leggen
• Maak een vlecht van ongeveer 30 cm en eindig met een knoop met weer slierten van 30cm (zoals je ook begon)
• Voor de meisjes: Maak van de gekleurde vloeipapierrondjes bloemen, zoveel als je kind jaren telt.
Bevestig deze op de voorzijde van de vlecht met naald en naaidraad.
• Voor de jongens: bevestig het belletje aan een draadje en knoop dit aan de hoofdtooi[ voorkant].
• Verbind aan de achterkant de beide knopen met elkaar, met rimpelelastiek, op een afstand dat de hoofdtooi fijn om het hoofdje sluit.
Overleg even met je kind of de hoofdtooi lekker zit.
• Plak de naamstikker op een van de 6 uiteindes.

 

De brief voor de ouders van pinksterbruid en bruidegom: zat in een envelopje : het zakdoekje voor de bruid en de
bellenketting voor de bruidegom zaten goed ingepakt bij de enveloppe in.
Lieve ouders van de pinksterbruid en pinksterbruidegom.
Namen van de ouders

Op vrijdag 7 juni aanstaande vieren we op school het Pinksterfeest:
Namen van bruid en bruidegom mogen deze dag het bruidspaartje zijn…
Maandag 3 juni zal het duifje een brief brengen waarin dit vermeld staat.
Jullie mogen vrijdags aan het begin van de dag even aanwezig zijn in de klas om even te helpen met de hoofdbanden bij
de kleuters omdoen.
Ook mogen jullie even helpen bij de dansen rond de meiboom
[[aangeven van de meiboomlinten en na ons dansje weer inhalen daarvan [ zie de ouderbrief pinksteren]]
Verwacht wordt dat het bruidspaar in het wit gekleed is en
dat Teus zorgt voor een bruidsboeketje voor Eva en
dat Eva zorgt voor een corsage voor Teus.
In de Pinksterweek geef ik voor Teus een bellen-ketting mee
en voor Eva een zakdoekje in enveloppe…
Dit kettinkje en zakdoekje leggen jullie op de dag van het pinksterfeest neer naast het bedje van jullie kinderen, dan weten
ze dat het duifje “echt” langs geweest is.
Ik wens jullie veel plezier bij de voorbereidingen!!!!
Enne nog even voor je houden tot de week voor Pinksteren :die maandag vertel ik het namelijk [ brief duifje…]

Hartelijke groet Dieuwke

Sprookjes in de pinkstertijd:

Assepoester  ,
Jorinde en Joringel  ,
De drie talen,
 Doornroosje  
De roos zonder doornen ofwel De pinksterroos [ uit leven met het jaar van Kutik]
Bakersprookjes: Robin Roodborst,
Mooi Katrientje en Piefpafpoffel,
et kind dat wilde vliegen.

Meer knutsels kun je vinden in:

Leven met het jaar,
Pinterest,
Met het oog op de natuur,
All year round
HOW TO MAKE SUNCATCHERS | WALDORF WINDOW ART CRAFT – Pepper and Pine
Versjes en liedjes in boekjes van Hennie de Gans Wiggermans [ Natuurlijk, Ochtendspelen]
Handgebarenversjes: Waldorfdwarf op instagram
Youtube: handgebaren vrijeschool [ waldorf inspiration o.a.]
Antropoanne
Jacqueline Eversteijn

Dienend hüten wir im Lichte…
De canon gezongen, [dagelijks] op de Kindergarten Pfingsttagungen … zo verschrikkelijk mooi om mee te zingen en mee te maken… juffen over de hele wereld verzameld daar in Hamburg…het totaalprogramma [ euritmie, schilderen, lezingen, praatgroepen, handelingen] het slapen op de veldbedjes, de gezamenlijke maaltijden, de talen daar gesproken….de mooie, gewone inkijk in een andere school…. Zo goed te weten dat er zovele wereldwijd zijn die het jonge
kind, in het licht van de antroposofie, als hemels geschenk omhullen en begeleiden….

.

Pinksteren en Hemelvaartalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/36)

.

tweelingen

.

Castor en Pollux waren tweelingbroers. Pollux heette eigenlijk Polydeukes; de Romeinen noemden hem voor het eerst Pollux. Deze naam draagt het sterrenbeeld nu nog en wij noemen hem ook zo.
De geboorte van de broers is door een wolk van geheimzinnigheid omgeven. Want Pollux ws een zoon van de vader der goden, Zeus. Daarom was hij onsterfelijk, Castor was de zoon van koning Tyndareos van Lakedemonië (Laconië). De vrouw van Tyndareos, Leda, schonk tegelijkertijd het leven aan beide zonen.
Castor en Pollux groeiden aan het hof van de koning als onafscheidelijke broers op. Beiden waren ze dapper en heldhaftig en bij alle lichaamsoefeningen waren ze zeer vaardig. Castor vooral bij het berijden en temmen van paarden, Pollux bij het worstelen. Beiden namen ze deel aan de tocht van de Argonauten, toen Jason met de vijftig beste helden van Griekenland met het schip Argo naar Kolchis voer om het Gulden Vlies naar Griekenland terug te halen. (Ram, schip Argo)
Omdat de helden wisten dat de tweelingbroers beschermd werden door Zeus, noemden men ze de dioscuren, dat betekent: de zonen van Zeus of van god.

De tweelingen verrichtten vele daden waardoor ze bekend en beroemd werden. Het ongeluk kwam naderbij toen ze verliefd werden op twee zusters, Phöbe en Ilaira. Hun vader, een priester van de god Apollo, gaf zijn dochters gaarne als vrouw aan de zonen van de koning. Maar bij de bruiloft in het paleis bleek tot ontzetting van iedereen, dat hij zijn dochters vroeger al eens beloofd had aan vrienden van de tweeling, aan Idas en Lynceus. Dus moesten de vrienden om hun bruid strijden en het onheil nam zo zijn loop.

Castor en Pollux verstopten zich in een holle boom. Lynceus, die met zijn scherpe ogen ook door boomstammen heen kon kijken, ontdekte ze echter. Zijn broer Idas wierp een speer door de stam en trof de nietsvermoedende Castor midden in zijn hart. Zonder een woord zakte hij in de armen van zijn broer in elkaar.
Toen kwam Pollux vol woede uit zijn verstopplaats te voorschijn en zocht de laffe speerwerper. Die werd door grote schrik overmand, net als zijn broer, toen ze Pollux in zijn razende woede aanschouwden en ze vluchtten weg. Maar Pollux haalde hen in en hij stak de wegvluchtende Lynceus van achter neer. Idas werd door een bliksemflits van Zeus terneergeslagen.

Vol treurnis stond Pollux bij de lichamen van de ontzielde vrienden, Zijn goddelijke toorn was over, nu zag hij slechts het gruwelijke noodlot. Met lood in zijn schoenen ging hij de weg terug. Toen hij naast zijn dode broer knielde, voelde het of hijzelf dood was. Er kwamen geen tranen en zijn gedachten waren nergens. De hemel, de aarde en zijn eigen hart, alles voelde leeg.

Pas ’s morgens, toen de duisternis van de nacht weer veranderde in licht, kwam hij weer tot zichzelf. Maar dat gaf weer opnieuw die pijn. Sterven wilde hij en het licht van de wereld verlaten om de ziel van zijn broer in de Hades te zoeken.
Toen dacht hij aan zijn vader en hij sprak: ‘Grote Zeus, machtige heerser, ze zeggen dat u mijn vader bent. Die ik moeder noemde, beloofde mij een eeuwig leven, net zo als de zalige goden in de hemel. Maar dat geldt voor mij nu niet meer. Hoe zou ik kunnen leven nu mijn broeder dood is. Wij zijn één. Wat moet ik zonder mijn broer tussen de schare goden. Ik zou wegkwijnen en ziek worden, bleek als mijn broer.
Daarom, wanneer u het kan, bevrijd Castor van de dood en schenk hem ook het eeuwig leven. Wanneer u er niet toe in staat bent, neem dan ook mijn goddelijk wezen, dat ik net als een mens, zoals hij, sterven kan en bij hem kan blijven.’
De hemelse Zeus die deze woorden van zijn geliefde zoon vernam, werd door medelijden gegrepen. Want nooit tevoren had een broer zo’n diep verdriet gevoeld voor de andere. Maar hij kon zijn zoon niet de onsterfelijkheid afnemen, maar ook niet laten sterven. En toen liet hij hem door Hermes in een droom een boodschap geven dat hij afwisselend met zijn broer een dag in de hemel en een dag in het rijk van de schaduw mocht zijn, voor eeuwig samen.
Vol geluk hoorde Pollux in zijn droom dit bericht aan en hij werd nooit meer wakker. Want nog in zijn slaap verhief zijn ziel zich op vleugels weg van zijn aardse lichaam naar de Hades toe om daar zijn broer te zoeken en hem te verkondigen wat de goden hun hadden toegestaan.
Sindsdien kunnen wij het sterrenbeeld van de Tweelingen zien, hoe het afwisselend aan de nachtelijke hemel oplicht en dan in de Hades, d.w.z. onder de horizon, in het rijk van de schaduw afdaalt. Op deze manier zijn de broers door de grote liefde van hem die de goddelijke kracht in zich droeg en afzag van zijn eigen zielenheil, voor eeuwig broederlijk verenigd.

No                                                                    o                                                                 Zo
dec.   1  24°°u                                        jan.  1  22°°u                                   febr. 1  20°°u
15 23°°u                                                15 21°°u                                            15 19°°u

De Tweelingenklimmen in de avonduren in december in het oosten omhoog. Ze staan in januari in het zuidoosten en in februari in het zuiden waar je ze dichtbij het zenit moet zoeken.

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2654

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Breinbreker

.

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.

Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’.

.

Oplossing:
Als het kwartje valt, heb je gezien dat alle bloemen in totaal steeds 7 blaadjes hebben. Dan komt alleen nr 2 in aanmerking.

Alle breinbrekers

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle ‘gewone’ raadsels

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme en angst

.
Dr.med. Olav Titze, Weledaberichten 142, september 1987
.

DE ANGST EN HET RITMISCHE SYSTEEM VAN DE MENS

.

De angst als psychisch verschijnsel heeft ook een lichamelijke grondslag waarmee de arts zich bezig moet houden. Het menselijke organisme vertoont drie verschillende functiegebieden: een zenuwzintuigsysteem dat voor het bewustzijn dient, een stofwisselingsledenmatenstelsel, dat diep in het onderbewustzijn het instrument voor de levensprocessen en de beweging is en een derde, tussen die beide systemen bemiddelend systeem, nl. het ritmische systeem met het ritme van de pols en de ademhaling. De angst wordt in het middelste systeem beleefd.

Dit ritmische systeem is uiterst gevoelig zowel voor lichamelijke als voor psychische onevenwichtigheid. Schrik doet de adem stokken, angst snoert de keel dicht, zodat de mens zich niet meer kan uiten. Vreugde, maar ook angst laten het hart sneller kloppen. Bij astma wordt de uitademing, door een volle maag het inademen bemoeilijkt. Acuut gebrek aan zuurstof versnelt de ritmen en veroorzaakt in het psychische gebied angst. Iets dergelijks gebeurt bij de inwerking van grote hitte. Het heldere waakbewustzijn van het centrale zenuwstelsel wordt tot een dromend voelen in het ritmische systeem
gereduceerd. Elke versterking van het bewustzijn in dit gebied zoals door pijn of kramp is een signaal voor ziekte.

De waarnemer daarvan is de mens zelf, of beter gezegd zijn zielenkern, het ik. Alleen neemt hij in dit geval niet de buitenwereld waar door de daarvoor bestemde waarnemingsorganen maar zijn eigen binnenste. De hiervoor dienende innerlijke waarnemingsorganen, die in de fysiologie receptoren heten, oefenen hun functie, als de mens gezond is, altijd onder de drempel van het waakbewustzijn uit en leveren alleen maar een dromend voelen op. Zoals hierboven beschreven kan dit voelen als psychisch verschijnsel zich bijvoorbeeld tot angst verdichten. De lichamelijke verschijnselen kunnen hierbij verschillend zijn. Het bloed kan hevig naar het hart stromen zodat dit sterker moet kloppen of – als dit niet meer voldoende is – wordt het ritme van hart en pols versneld.

In het andere geval beïnvloeden gedachten en zintuigindrukken via de zenuwfuncties en de ademhaling het hart. Er ontstaat benauwdheid. De uitademing gaat stokken en wordt krampachtig. Het is als een stroom van koude, die vanuit het hoofd ten slotte ook het hart en de bloedvaten met een soort van krampen doordringt en doet verstarren. In de ziel wordt angst beleefd. Vanuit het gezichtspunt van het beleven van angst in het ritmische systeem van de mens zijn er dus twee voorwaarden waardoor angst kan ontstaan: het stofwisselingssysteem, dat de wil en de emoties overbrengt, kan via het bloed te sterk het ritmische systeem beïnvloeden of de door het zenuw-zintuigstelsel overgebrachte bewustzijnsprocessen storen het ritmische systeem, eerst de ademhaling en ten slotte ook het ritme van het hart. De arts kan proberen de oorzaken van de angst met geneesmiddelen te bestrijden maar een wezenlijk hulpmiddel is natuurlijk ook het gesprek, dat tot doel heeft de oorzaken van de angst te verwerken. Dit is de taak van psychologen, artsen of zielzorgers, kan echter bij gelegenheid ook gebeuren door een vertrouwenspersoon, die de tijd ervoor neemt om te luisteren en te helpen. Ten slotte willen wij nog de mogelijkheid van een kunstzinnige therapie noemen. Daarbij gaat het eigenlijk niet om een therapie door de kunst, maar er wordt geprobeerd om met de middelen van de kunsten via het ritmische systeem de andere systeemfuncties te beïnvloeden. In de ritmische bewegingstherapie, de heileurythmie, kan de uit het stofwisselings-ledematensysteem opdoemende angst tot in haar lichamelijk functionele basis worden opgelost. In de muzikale therapie kan door het bespelen van verschillende instrumenten tussen het ritme van ademhaling en bloedsomloop en het zenuw-zintuigstelsel (het gehoor) evenwicht scheppend worden ingegrepen. Bij de schildertherapie zijn het de subtiele “ademhalingsprocessen” tussen de waarneming en het actieve nabootsen en uitwerken van wat is waargenomen, die met elkaar in harmonie kunnen worden gebracht. Zowel de overweldiging van de zintuigen door onverwerkte en ten slotte angst veroorzakende indrukken als ook de uit het stofwisselingssysteem opkomende ademhalings- en polsritme verhevigende invloeden zijn dus steeds open voor een kunstzinnige therapie.

leder weet, dat de angst elke activiteit verlamt. Door de kunstzinnige therapieën wordt een weg geopend die de mens via een als het ware speelse bezigheid weer tot een bezielde aanpak van zijn eigen lichamelijk bestaan en van zijn omgeving leidt. Hij leert om meer psychisch-geestelijk adem te halen. De behandeling met medicamenten wordt op die manier zinrijk gesteund.

VRIJESCHOOL – Rekenraadsel

.

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.

Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’.

Oplossing:

Vermenigvuldigen geeft vaste getallen, hier A en E zijn resp. 1,2, of 4, maar 2 valt af: gegeven: die komt er nu niet in voor. Als we A = 1 nemen, is in A + B =9 A 8, maar 8 doet niet mee, dus is A 4; E is dan 1; B = 5; F = 6; in A + E + D =6., zijn A + E 5, dus D = 1, dan C = 1
A = 4; B = 5; C = 1; D =1; E = 1; F = 6

Alle breinbrekers

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle ‘gewone’ raadsels

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/22)

.

de zwaan

.

Met deze hemelse zwaan die in heldere zomernachten een van de mooiste sterrenbeelden is, hebben de oude Grieken verschillende legenden verbonden.
In een ervan is het de vader van de goden, Zeus zelf, die de gedaante van de zwaan aannam en tot het einde van de wereld vloog om zich daar met Nemesis, dochter van de godin van de Nacht, te verbinden.
Want Zeus was boos geworden op het hoogmoedige geslacht van de Griekse Helden en hij had besloten ze door een grote strijd te vernietigen. Aanleiding tot deze strijd zou een beeldschone vrouw moeten zijn en Zeus wilde haar zelf in het leven roepen. Daarbij zou alleen Nemesis hem kunnen helpen, de godin van de wraak, die in de donkere diepte van Okeanos bij haar moeder, de godin van de Nacht, woonde.
Daarheen begaf de almachtige Zeus zich, aan wie de zee, de aarde en de hemel toebehoren. Alleen hij mocht het gebied van de Nacht en haar dochter betreden. Zo kwam hij aan bij Nix, de godin van de Nacht en eiste Nemesis, haar dochter, voor zich op. ‘Hoed je voor mij, Nacht en denk eraan hoe ik je broers, dat Titanengebroed, met mijn bliksems gegeseld heb en in de Tartaros geworpen. Daar zie je hen die voor eeuwig vastgeklonken zijn, jammeren. Ook jij stamt uit de Chaos die ik verfoei. Wanneer mijn brandende stralen tot in jouw duisternis doordringen, is dat om jou. Ik zou je aan de hemel vast willen klinken waar die het helderst is, zodat je door het licht verteerd wordt. Geef me je dochter, geef me Nemesis uit je duistere onderkomen! Anders moet ik je paleis in stukken breken. Wanneer je dochter echter aan mijn wil gehoorzaamt, dan beloof ik haar een gouden zetel in de kring van de goden. Want wie eens aan mijn zijde gerust heeft, wordt de hoogste eer deelachtig.’
Bevend zweeg de Nacht, hoewel ze heel boos was en haat voelde. Rillingen van afschuw trokken door haar heen, toen ze aan het lot van haar broeders dacht. De onschuldige Nemesis had de twist over haar gehoord en ze sprong van haar troon op en haastig vluchtte ze onder de dekmantel van de nacht. Om te maken dat niemand haar zou herkennen, had ze zich door zwarte toverkunst in een wilde gans met grauwe veren veranderd. Zo vloog ze gehaast door de luchten tot aan het einde van de aarde waar de stromen van de Hades ijzig in het dodenrijk stortten. Geen mens herkende haar, alleen Zeus met zijn alles doordringende ogen ontdekte de vluchtende vogel. Hij doorzag de listige misleiding, veranderde zijn sterke ledematen snel in een zwaan en spreidde zijn vleugels wijd uit. Met machtige vleugelslagen vloog hij achter de vluchtende Nemesis aan en doorkliefde in vliegende vaart de luchten, tot zij hem aan het einde van de aarde niet meer ontlopen kon. Toen liet Zeus zich op het bange wezen vallen en de verblindende zwaan werd één met haar. 

De zwaan verhief zich hoog in de lucht en riep: ‘Je gemaal, o Nemesis, was Zeus, de heerser van de hemel. Het ei dat je schoot zal verlaten, moet je bij Leda brengen, de gemalin van koning Tyndareos. Daar zullen Helena en Polydeukes als jouw kinderen uit het ei kruipen en Leda zal ze met Castor en Klytaimnestra die op hetzelfde uur als jouw kinderen geboren worden, samen opvoeden.’

Toen hij dit gezegd had, verhief de zwaan zich hoog in het nachtelijk duister en verdween., 
Alles gebeurde zoals Zeus het eerder had gezegd. Nemenis bracht het ei bij Leda, toen zij sliep. Toen verscheen ze aan de koningin in de gedaante van de oude min en ze herinnerde zich de zwaan die haar maanden eerder liefkozend had verblind. Toen Leda wakker werd, vond ze vol verbazing het grote ei naast zich. Het was juist de tijd van haar bevalling. Terwijl ze een zoon en een dochter, Castor en Klytaimnestra ter wereld bracht, brak de schaal van het zwanenei. Daarin lagen de goddelijke kinderen Polydeukes en Helena. Leda voedde alle vier de kinderen als waren die van haar, op. Castor en Polydeukes werden grote vrienden (sterrenbeeld Tweelingen) en om de knappe Helena ontbrandde de Trojaanse oorlog, zoals Zeus het gewild had.
De prachte Zwaan aan de hemel herinnert ons tot vandaag aan deze legende over Zeus.

No                                                                    o                                                          zo
juni   1    1°°u*                                       juli   1  23°°u*                            aug.   1  21°°u*
15  24°°u*                                             15  22°°u*                                    15  20°°u**zomertijd

Het sterrenbeeld Zwaan vinden we makkelijk, wanneer we de zgn. ‘zomerdriehoek’ zoeken dat in de zomermaanden door de sterren Vega (in de Lier), Altair (in de Adelaar) en Deneb (in de Zwaan) gevormd wordt. In juni vinden we de Zwaan meer in het noordoosten, in juli zoals hierboven en in aug. hoog in het oosten, bijna in het zenit, en dat aan de avondhemel om 22u, zomertijd.

De namen van de sterren betekenen:

Deneb (Arabisch) = staart, afgeleid van danab
Gienah (arabisch) = vleugel, afgeleid van ganah
Sadir (arabbisch) = borst, afgeleid van sadr

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2652

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Taalraadsel

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.
Woorden waarvan ze de betekenis niet kennen, moeten uiteraard geleerd worden.

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.

Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’

Welk woord wordt gezocht

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

…ESEM                                                   BEZ…                               ERFS…

SJA…ON                                                BLO…TUK                      S…

…KHAK                                                  G…                                    S…GOED

Oplossing:

In de 1e kolom ontbreken de letters BLO  (bloesem, sjabloon, blokhak); in de 2e: EMS (bezems, bloemstuk, gems); in de 3e: TUK (erfstuk, stuk, stukgoed)  BLOE  EMS  TUK = BLOEMSTUK

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

.