VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/9)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Márchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

DE KIKKERKONING OF IJZEREN HENDRIK

In oude tijden, toen wensen nog hielp, leefde er een koning wiens dochters allen mooi waren; maar de jongste was zo mooi dat de zon zelf, die toch zoveel gezien heeft, zich erover verbaasde iedere keer als hij haar gezicht bescheen. Vlak bij het slot van de koning lag een groot donker bos en in dat bos bevond zich onder een oude linde een bron. Als het nu overdag heel warm was liep het koningskind het bos in en ging aan de rand van de koele bron zitten – en als zij zich verveelde nam zij een gouden bal die zij omhoog wierp en weer opving; en dat was haar liefste spel. Nu gebeurde het op een keer dat de gouden bal van de koningsdochter niet in haar handje viel, dat zij omhoog hield, maar er naast op de grond terechtkwam en regelrecht in het water rolde.

Heraclitus zei al: ‘De grenzen van de ziel kun je niet vinden, al doorloop je elke weg: zo diepe grond heeft zij.’

En daarmee heeft de ziel iets weg van een bron waarvan de diepte niet te peilen is. Maar een bron is ook iets scheppends: er vloeit iets uit naar de buitenwereld. 
De ziel van de koningsdochter bevindt zich dicht bij deze bron zolang zij kind is. Ze speelt met de kosmische wijsheid die onbewust in haar leeft: de gouden bal. 
Friedrich Rückert zegt over deze wijsheid: ‘O du Kindermund,….unbewuster Weisheit froh, vogelsprachekund…wie Salomo’.
Op een dag zinkt de bal, de ziel kan niet meer bij de kosmische wijsheid.

De koningsdochter volgde hem met haar ogen, maar de bal verdween en de bron was zó diep, zó diep dat je de bodem niet zag. Toen begon zij te huilen en huilde steeds harder en zij was ontroostbaar. En toen zij daar zo zat te jammeren riep iemand haar toe: ‘Wat is er toch, koningsdochter, je huilt zo dat je er een steen mee zou vermurwen.’ Zij keek rond om te zien waar die stem vandaan kwam; daar zag zij een kikker die zijn lelijke dikke kop uit het water stak. ‘Ach, ben jij het, oude watertrapper,’ zei zij, ‘ik huil om mijn gouden bal die in de bron is gevallen.’ ‘Wees maar stil en huil maar niet,’ antwoordde de kikker, ‘ik weet er wel raad op, maar wat geef je mij als ik je speelgoed weer naar boven haal?’ ‘Wat je maar hebben wilt, beste kikker,’ zei zij, ‘mijn kleren, mijn paarlen en edelstenen en ook nog de gouden kroon die ik draag.’ De kikker antwoordde: ‘Je kleren, je paarlen en edelstenen en je gouden kroon wil ik niet hebben, maar als je mij wilt liefhebben en ik je makker en speelkameraad mag zijn, naast je aan je tafeltje mag zitten, van je gouden bordje eten, uit je bekertje drinken en in je bedje slapen: als je mij dat belooft, dan zal ik naar de diepte afdalen en je gouden bal weer naar boven brengen.’ –
‘Ach, ja,’ zei zij, ‘ik beloof je alles wat je wilt, als je mij mijn bal maar weer terugbrengt.’ Zij dacht echter: wat kletst die onnozele kikker, die zit bij zijn soortgenoten in het water te kwaken en kan nooit de makker van een mens zijn.

Toen de kikker de belofte had gekregen, dook hij met zijn kop onder water, liet zich naar beneden zakken en na een tijdje kwam hij weer naar boven roeien, met de bal in zijn bek en wierp die in het gras. De koningsdochter was verheugd toen zij haar mooie speelgoed terugzag, raapte het op en snelde ermee weg. ‘Wacht, wacht,’ riep de kikker, ‘neem mij mee, ik kan niet zo snel lopen als jij.’ Maar wat hielp het hem of hij haar zo hard hij maar kon zijn Kwak-Kwak nariep. Zij luisterde er niet naar, holde naar huis en zij was de arme kikker die weer in zijn bron moest afdalen, al gauw vergeten.

De koningsdochter is nu heel verdrietig, maar leed kan voor een verandering zorgen. 
Diep in de ziel sluimeren nog allerlei krachten. Die zijn in de kindertijd niet bewust aanwezig, 
Als de ziel bedroefd is omdat de kosmische wijsheid weggezonken is, kunnen er krachten naar boven komen. 
In dit sprookje verschijnen deze in het beeld van de kikker. In het beeld van het Ik.

Wie over de kikker nadenkt, komt bij verschillende kwaliteiten. Hij leeft in twee werelden: die van het water en van het land. Bovendien is hij heel gevoelig voor de atmosfeer. Hij is niet voor niets de ‘weerprofeet’. 
Een dromer is de mens die zich niet zo gemakkelijk begeeft op ‘de bodem van de feiten’, die makkelijk in zichzelf verzinkt – wegdroomt – zijn nek niet uitsteekt en het het liefst in zijn element blijft. Dat doet de kikker nu juist niet.
Het Ik wil met de ziel ‘optrekken’: de persoonlijke ontwikkeling moet beginnen.
Maar het Ik is hier nog in de gedaante van de kikker en dat zorgt voor een crisissituatie. Terecht voelt de koningsdochter afkeer. Ze moet het samenleven met deze kracht nog afwijzen. Deze kan zich alleen nog pas uiten als drift, als dierlijke kracht. 
Maar de koning, de heersende kracht in de ziel, weet meer: de ziel moet bereid zijn de ontwikkelingsweg van het Ik in te willen slaan, ook als dat tot moeilijkheden leidt. De deur moet voor de kikker worden geopend.

Toen zij de volgende dag met de koning en de hele hofhouding aan tafel zat en van haar gouden bordje at, kwam daar klits-klats, klits-klats iets de marmeren trap opkruipen en toen het boven was aangeland klopte het op de deur en riep: ‘Koningsdochter, jongste, doe eens open.’ Zij liep naar de deur om te zien wie er buiten stond. Toen zij echter opendeed zat de kikker voor de deur. Zij wierp die haastig dicht, ging weer aan tafel zitten en was heel bang. De koning zag wel dat haar hart hevig klopte en sprak: ‘Mijn kind, wat is er, ben je misschien bang dat er een reus voor de deur staat, die je wil meenemen?’ – ‘Ach neen,’ antwoordde zij, ‘het is geen reus maar een lelijke kikker.’ – ‘Wat wil die kikker van je?’ – ‘Ach, lieve vader, toen ik gisteren in het bos bij de bron zat te spelen, viel mijn gouden bal in het water, en omdat ik zo schreide heeft de kikker hem weer naar boven gehaald en omdat hij het volstrekt wilde, beloofde ik hem dat hij mijn kameraad kon worden, maar ik had nooit gedacht dat hij uit het water zou kunnen komen; nu staat hij daarbuiten en wil bij mij binnenkomen.’ -Intussen klopte de kikker voor de tweede maal en riep:

‘Koningsdochter, jongste,
doe open.
Weet je niet wat je gisteren
tegen mij hebt gezegd
bij het koele bronwater?
Koningsdochter, jongste,
doe open.’

Toen zei de koning: ‘Wat je beloofd hebt, daaraan moet je je ook houden, ga hem maar opendoen!’ Zij stond op om de deur te openen en daar sprong de kikker naar binnen en volgde haar op de voet tot aan haar stoel. Daar zat hij en riep: ‘Til mij op.’ Zij aarzelde tot de koning het ten slotte beval. Toen de kikker eenmaal op de stoel zat wilde hij op de tafel en toen hij daar zat sprak hij: ‘Schuif nu je gouden bordje dichter naar mij toe, zodat wij samen kunnen eten.’ Dat deed zij wel, maar het was duidelijk te zien dat zij het niet leuk vond. De kikker liet het zich goed smaken, maar haar bleef bijna iedere hap in de keel steken. Ten slotte sprak hij: ‘Ik heb mijn buikje rond gegeten en ik ben moe; draag mij nu naar je kamertje en maak je zijden bedje op, dan gaan wij slapen.’ De koningsdochter begon te schreien en was bang voor de koude kikker die zij niet durfde aanraken en die nu in haar mooie schone bedje moest slapen. Maar de koning werd toornig en sprak: ‘Iemand die je geholpen heeft in de nood, mag je daarna niet verachten.’

“Til me op’ zegt de kikker en in het Duits staat er nog bij dat hij naast haar wil zitten. 
Hij wil niet laag in het verborgene leven als een dof instinct – ik wil op gelijke hoogte leven, ik wil op het niveau van bewustzijn komen. ‘Schuif nu je gouden bordje dichter naar mij toe, zodat wij samen kunnen eten.’
Goud is het metaal van de zon die licht en leven brengt. Goud houdt zijn waarde, glanst en is het symbool voor al het blijvende dat edel is, voor de verwantschap die de ziel met de zon heeft. Dat is de wijsheid die verwarmt en licht brengt. Het licht is geen reflectie maar een echt eigen licht.

Het gaat om de wijsheid: die moet de basis vormen voor de Ik-geest en de ziel: het gouden bordje dat ze samen delen. ‘Draag mij nu naar je kamertje en maak je zijden bedje op, dan gaan wij slapen.’ In het Duits staat ‘hinlegen’ – ons neerleggen, er a.h.w. nestelen, ons thuis van maken. Met het ‘kamertje’ is het hart als kamer bedoeld. De geestelijke plaats waar Ik en ziel elkaar kunnen ontmoeten, maar ook moeten ontmoeten om elkaar te leren kennen.

Toen pakte zij hem met twee vingers op, droeg hem naar boven en zette hem in een hoek. Maar toen zij in bed lag kwam hij aankruipen en sprak: ‘Ik ben moe, ik wil net zo goed slapen als jij, til mij op of ik zeg het aan je vader.’ Toen werd zij pas goed boos, pakte hem op en smakte hem zo hard zij kon tegen de muur. ‘Nu kan je rusten, jij lelijke kikker.’ Maar toen hij naar beneden viel was hij geen kikker meer, maar een koningszoon met mooie vriendelijke ogen. En nu was hij zoals haar vader wilde, haar lieve metgezel en echtgenoot.

In het Duits staat hierbij nog dat de jonge prins haar lieve metgezel was en dat zij hem respecteerde en dat ze tevreden samen in slaap vielen.

Lenz zegt aan het begin van haar uitleg dat ze de ‘oorspronkelijke tekst’ gebruikt. Daarin wordt niets gezegd over de betovering waarover de prins spreekt.

Toen vertelde hij haar dat hij door een boze heks was betoverd en dat niemand hem uit de bron had kunnen verlossen dan zij alleen en morgen zouden zij samen naar zijn rijk gaan. Daarop vielen zij in slaap en de volgende ochtend toen de zon hen wekte kwam er een wagen aanrijden, bespannen met acht witte paarden die witte struisveren op het hoofd hadden en in gouden kettingen liepen en achterop stond de dienaar van de jonge koning, dat was de trouwe Hendrik. De trouwe Hendrik was zo bedroefd geweest toen zijn heer in een kikker werd veranderd, dat hij drie ijzeren banden om zijn hart had laten slaan opdat het niet van smart en droefenis zou breken. De wagen moest de jonge koning afhalen om hem naar zijn rijk te brengen. De trouwe Hendrik hielp hen beiden instappen, ging weer achterop staan en was zeer verheugd over de verlossing. En toen zij een eind gereden hadden, hoorde de koningszoon een gekraak achter zich alsof er iets brak. Toen draaide hij zich om en riep:

‘Hendrik, de wagen breekt.’
‘Neen, Heer, de wagen niet,
Het is een band van mijn hart
Dat daar lag in grote smart
Toen u woonde in de bron
Waar u als een kikker zwom.’

Nóg een keer en nóg een keer kraakte het onderweg en de koningszoon meende steeds dat de wagen brak en toch waren het alleen maar de banden die los sprongen van het hart van de trouwe Hendrik omdat zijn heer verlost en gelukkig was.

Wanneer het Ik en de ziel elkaar willen leren kennen, moet de heersende kracht in de ziel – de koning – nog een keer ingrijpen. Bij deze kennis hoort onvoorwaardelijk dat het Ik verandert en ‘hoger’ wordt. Uit een driftmatige innerlijke beleving in dierengestalte moet het zich ontwikkelen tot een Ik dat inzicht heeft en verstandig kan denken, gericht op de wereld.
Dan ontstaan ook de gedachten die weer bevruchtend op de ziel werken en de ‘gezel’ wordt de ‘echtgenoot’.
De koninklijke bruiloft kan worden gevierd.

Hier wil Lenz niet ingaan op ‘IJzeren Hendrik. Volgens haar is die in deze samenhang niet belangrijk.

1 Grimm kikkerkoning 3.jpg

Sprookjes  alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2335

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (54)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

In Weleda Puur Kind verschenen recensies van verschillende kinderboeken, vaak met een thema zoals deze:

Patricia F.Wessels, Weleda Puur Kind lente 2006 nr. 17
.

Ontdekkingsreizen dichtbij en ver van huis

 

Een ander prachtig meegroeiboek over natuur en reizen is Magisch hoefgetrappel, waarin sprookjesachtige paardenverhalen van over de hele wereld bijeengebracht zijn. In alle culturen krijgen paarden speciale gaven toegedicht. Daarmee helpen de edele dieren hun bereider tijdens zijn reis of in de strijd om het goede te laten overwinnen. Er zitten echt ontroerende verhalen tussen en het is prachtig geïllustreerd. Voor het grotere kind biedt dit boek per werelddeel een interessante inleiding over de paardensoorten in dat gebied en hun specialiteiten en gaven. Een must voor iedere paardenliefhebber en sprookjesliefhebber.

 

MAGISCH HOEFGETRAPPEL

Josepha Sherman
Ill. Linda Wingerter

BOEK

Uitgegeven door Christofoor

Vanaf 6 jr. 

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2334

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-2/4)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de eerste levensfase van 0 – 7 jaar hechtte Steiner grote waarde aan o.a. de nabootsing. Hij beschrijft dat deze nabootsingskracht in het kind rond het 7e jaar langzamerhand afneemt. Er vindt a.h.w. een soort omwerking plaats en nabootsing wordt na-volging. In zekere zin ook een soort nabootsing: je wil dat wat de oudere in jouw omgeving voorleeft in je opnemen – niet meer dromend zoals met de nabootsing gebeurt, maar meer ‘gewild’ doordat je vertrouwen hebt in die oudere persoon; respect ook. Dat is voor Steiner het ‘autoriteitsprincipe’. 

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: autoriteit

GA 296

Voordracht 1  Dornach, 9 augustus 1919

Blz. 19     vert. 28-29

Und Sie wissen: vom 7. Jahre bis zur Geschlechtsreife, bis zum 14., 15. Jahre lebt im Kinde die Kraft, die man nennen kann das Tun auf Autorität hin. Es kann dem Kinde kein größeres Heil widerfahren, als wenn es dasjenige, was es unternimmt, deshalb tut, weil verehrte Menschen in seiner Umgebung sagen: Das ist richtig, das soll getan werden. – Es ist nichts schlimmer für das Kind, als wenn man es zu früh vor der Geschlechtsreife an sogenanntes eigenes Ur­teil gewöhnt. Das Autoritätsfühlen zwischen dem 7. und 14. Jahre wird in der Zukunft in erhöhtem und intensiverem Maße ausgebildet werden müssen, als es in der Vergangenheit ausgebildet war. Bewußter und bewußter wird alle Erziehung in diesen Jahren ge­leitet werden müssen im Sinne eines reinen schönen Autoritätsgefüh­les, das im Kinde erwacht; denn dasjenige, was in diesen Jahren in das Kind hineingepflanzt werden soll, es soll die Grundlage bilden für das, was die Erwachsenen im sozialen Organismus erleben sollen als das gleiche Recht der Menschen. Das gleiche Recht der Menschen wird nicht anders da sein, denn die Menschen werden nie reif wer­den als Erwachsene für das gleiche Recht der Menschen, wenn sie nicht in der Kindheit das Autoritätsgefühl eingepflanzt erhalten. In der Vergangenheit mag ein viel geringerer Grad von Autoritätsgefühl genügt haben; in der Zukunft wird er nicht genügen. Und stark wird dieses Autoritätsgefühl in das Kind hineingepflanzt werden müssen, damit die Menschen reif werden für das, was als eine ge­schichtliche Forderung gar nicht einmal diskutiert werden darf, weil es als eine geschichtliche Forderung auftritt.

U weet ook dat tussen het zevende en het 14e, 15e jaar, wanneer de geslachtsrijpheid aanbreekt, in het kind de kracht leeft die omschreven kan worden als de kracht om te hande­len op gezag van autoriteit. Voor het kind bestaat er niets beters dan datgene wat het onderneemt te doen omdat door het kind vereerde mensen in zijn omgeving zeggen: dat is goed, dat moet gedaan worden. – Er is niets slechter voor het kind dan het te vroeg, vóór de geslachtsrijpheid, aan een zoge­naamd eigen oordeel te laten wennen. In de toekomst zal tus­sen het zevende en 14e jaar het gevoel voor autoriteit veel intensiever ontwikkeld moeten worden dan in het verleden het geval was. De opvoeding zal in deze jaren steeds bewus­ter moeten worden gericht op het doen ontwaken van een zuiver autoriteitsgevoel in het kind; want wat het kind zich in deze jaren eigen moet maken, zal de basis vormen voor wat volwassenen in het sociale organisme zullen ervaren als de rechtsgelijkheid die ieder mens toekomt. Gelijke rechten zul­len er alleen langs deze weg kunnen komen, want de mensen zullen als volwassenen nooit rijp worden voor het gelijke recht van de mensen wanneer in hun kinderjaren niet het gevoel voor autoriteit is aangelegd. In het verleden moge een veel geringere graad van autoriteitsgevoel volstaan hebben; in de toekomst zal dat niet voldoende zijn. Dit autoriteitsgevoel zal sterk in het kind verankerd moeten worden opdat de mensen rijp worden voor iets waarvan de historische noodzakelijkheid zelfs niet eens bediscussieerd hoeft te worden, omdat het eenvoudigweg als een historische noodzaak optreedt.
GA 296/19             
Vertaald/28-29

Blz 21  vert.  blz. 30

Nur dadurch werden die Menschen reif zu einem sozial gerechten Zusammenleben, daß sie gerade in der Schulzeit auf wirkliche Autorität hin das Leben bauen. Man muß sich überall heute klar machen, wie weit entfernt das ist, was die Menschen treiben, was die Menschen sich vorstellen, daß es kommen soll von dem, was Wirklichkeitssinn ist.

De mensen worden pas rijp voor een sociaal rechtvaardig samenleven, wanneer ze juist in de schooltijd op ware autori­teit kunnen vertrouwen. We moeten ons realiseren dat wat de mensen doen en wat ze zich voorstellen, in de verste verte niet voortkomt uit gevoel voor de realiteit.

Ohne daß man wissen wird, daß vom 7. bis 14. Jahre sich der Ätherleib besonders entwickelt, der auf Autorität hin sich entwickeln muß, wird sich im Menschen entwickeln nur die allgemeine Kulturschläfrigkeit. Und diejenige Kraft, die notwendig werden wird für den Rechtsorganismus, sie wird nicht da sein.
Und ohne daß vom 14., 15. Jahre an die Kraft der Liebe, die an den Astralleib gebunden ist, in vernünftiger Weise in alles, was Unterricht oder Lehre ist, hineingelegt wird, werden die Menschen niemals ihren astralischen Leib entwickeln können, weil sie den astralischen Leib nimmer zu einem freien Wesensgebilde im Menschen gestalten können. Die Dinge umschlingen sich. Daher mußte ich sagen:
Nachahmung, in der richtigen Weise, entwickelt Freiheit;
Autorität – Recht,
Brüderlichkeit, Liebe – Wirtschaftsleben.

Aber auch umgekehrt ist das. Wenn nicht in der richtigen Weise die Liebe entwickelt wird, fehlt auch die Freiheit. Wenn nicht in der richtigen Weise die Nachahmung entwickelt wird, werden groß die animalischen Triebe.

Wanneer men niet weet dat zich van het 7e tot het 14e jaar in het bijzonder het etherlichaam ontwikkelt, dat zich moet ontwikkelen in het beleven van au­toriteit, zal zich in de mens slechts een algemene cultuur-slaperigheid ontwikkelen. De kracht die nodig zal zijn voor het rechtsleven zal dan ontbreken.
En zonder dat vanaf het 14e, 15e jaar de kracht van de liefde, die aan het astraallichaam is gebonden, op verstan­dige wijze in al het onderwijs wordt verwerkt, zullen de men­sen nooit hun astraallichaam zó kunnen ontwikkelen dat het tot een vrij deel van het wezen van de mens kan worden.

De dingen grijpen in elkaar. Daarom heb ik u gezegd:

de juiste nabootsing ontwikkelt vrijheid;
autoriteit – recht; broederlijkheid,
iefde – economisch leven.

Maar omgekeerd gaat het ook op. Wanneer de liefde niet op de juiste manier wordt ontwikkeld, ontbreekt ook de vrij­heid. Wanneer de nabootsing niet op de juiste manier ontwik­keld wordt, groeien de dierlijke driften.
GA 296/22 
Vertaald/31

Voordracht 2, Dornach 10 augutus 1919

Blz. 44  vert. blz. 55

Wir sollen erkennen, daß bis zum 7. Jahr der Mensch, weil er ja seinen physischen Leib besonders entwickelt, ein Nach­ahmer ist; wir sollen das zur Grundlage der Erziehung machen. Wir sollen vom 7. bis 14. Jahr wissen, daß wir den Menschen zu ent­wickeln haben unter dem Prinzip der Autorität, und wir sollen diese Geist-Erkenntnis, die wir gewinnen, wenn wir wissen, wie der Ätherleib vom 7. bis 14. Jahr sich entwickelt, wir sollen diese Geist-Erkennt­nis zum Impuls des Erziehungswesens machen. Und wir sollen wissen, wie der astralische Leib vom 14. bis 21. Jahr sich entwickelt, und wir sollen diese Erkenntnis zum Impuls des Erziehungswesens machen. Dann, erst dann wollen wir aus dem Geiste heraus.

Wij moeten weten dat de mens tot aan het zevende jaar, omdat hij dan in het bijzonder zijn fysieke lichaam ontwikkelt, een nabootser is; dat moeten wij tot grondslag van de opvoeding maken. Over de periode van het zevende tot het veertiende jaar moeten wij weten dat we de mens moeten ontwikkelen vanuit het beginsel van de auto­riteit. Wij moeten het geestelijke inzicht, dat wij verkrijgen wanneer wij weten hoe het etherlichaam zich van het zevende tot het veertiende jaar ontwikkelt, tot impuls van opvoeding en onderwijs maken. En wij moeten weten hoe het astraal- lichaam zich van het veertiende tot het eenentwintigste jaar ontwikkelt, en ook deze kennis tot impuls van opvoeding en onderwijs maken. Pas dan ‘willen’ wij vanuit de geest.
GA 296/44 
Vertaald/55

Blz. 49  vert. blz. 


Sehen Sie, das Auffälligste im Leben der Ge­genwart ist ja, daß heute so viele zerrissene Menschenseelen herumgehen, Menschenseelen, die eigentlich problematisch sind, die nicht voll mit dem Leben etwas anzufangen wissen, die immer wieder und wiederum fragen: Was soll gerade ich tun, was meint das Leben gerade mit mir? – die das oder jenes angreifen und doch nicht zu ihrer Befriedigung. Immer mehr und mehr werden der Menschen, die so problematische Naturen sind. Woher kommt das? Das kommt da­von, daß dies schon ein Mangel in unserem Erziehungswesen ist. Wir bilden heute unsere Kinder so aus, daß wir nicht diejenigen Kräfte in ihnen erwecken, welche den Menschen stark für das Leben machen: Das, was den Menschen stark macht dadurch, daß er ein Nachahmer ist bis zum 7. Jahre, was ihn stark macht dadurch, daß er einer würdigen Autorität folgt bis zum 14. Jahre; daß er die Liebe in der richtigen Weise bis zum 21. Jahre entwickelt kriegt, denn später kann man es nicht mehr entwickeln. Das, was dem Men­schen fehlt dadurch, daß die Kräfte, die in bestimmten jugendlichen Lebensjahren entwickelt werden müssen, nicht erweckt werden, das macht ihn zur problematischen Natur. Das muß man nur wissen!

Het opvallendste in het moderne leven is namelijk dat er zoveel verscheurde men­senzielen zijn. Mensenzielen die het moeilijk hebben, die zich met het leven geen raad weten, die zich steeds weer afvra­gen: wat moet ik nou doen, wat heeft het leven met mij voor? – die dit of dat beginnen maar daarin geen voldoening vinden. Er zijn steeds meer mensen die dit soort problemen hebben. Hoe komt dit? Dit komt door een gemis in de manier van op­voeden. Wij vormen onze kinderen tegenwoordig zo, dat wij niet die krachten in hen wekken die de mens geschikt maken om het leven aan te kunnen. Namelijk datgene wat de mens geschikt maakt doordat hij tot het zevende jaar een nabootser is; wat de mens geschikt maakt doordat hij tot het veertiende jaar een waardige autoriteit volgt; en dat hij tot aan het 21ste jaar de liefde op de juiste wijze kan ontwikkelen, want later kunnen deze krachten niet meer ontwikkeld worden. Datgene wat de mens mist omdat de krachten die in bepaalde jaren van de jeugd ontwikkeld dienen te worden, niet gewekt zijn, maakt hem tot een mens met problemen. Dat dienen wij te beseffen!
GA 296/49 
Vertaald/60

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2333

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

 

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (53)

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

In Weleda Puur Kind verschenen recensies van verschillende kinderboeken, vaak met een thema zoals deze:

Patricia F.Wessels, Weleda Puur Kind lente 2006 nr. 17
.

Ontdekkingsreizen dichtbij en ver van huis

Wanneer het weer warmer wordt, trekken veel mensen erop uit, de natuur in en tijdens de vakanties zelfs de wijde wereld in. Voor het jonge kind zijn verre reizen niet echt nodig. De verkenningen in en om het huis zijn al ware ontdekkingsreizen. Achter het kleine zit vaak al een hele wereld verscholen. Een kind vindt spelend een fantasierijke invulling voor wat hij tegenkomt. Een holletje in een boom kun je bijvoorbeeld onderzoeken door er iets in te stoppen. Je kunt er dingen in laten verdwijnen, of met een stokje voelen hoe diep het is. Een iets ouder kind zal zo’n holletje ook betekenis geven; het kan een vogelschuilplaats zijn, een elfenhuisje of de bewaarplaats voor een zelf bedacht geheim. Als in het voorjaar de tuindeuren weer open gaan, breidt de wereld waarin van alles ervaren kan worden, zich voor jonge kinderen al enorm uit.

Een echte wereldreis maakt De gouden bal in het prentenboek zonder woorden van Nicole de Cock. Een meisje krijgt een gouden bal, maar raakt hem kwijt aan een hond. De bal maakt door een estafette van grappige toevalligheden een reis door alle werelddelen en belandt ten slotte weer bij het meisje. In het voorbijgaan toont zich de kleurrijke wereld met uiteenlopende natuur en culturen. Van giraffe tot kangoeroe en van Eskimo tot woestijnvolk. Veilig thuis, op mama’s schoot, kan reizen in een boek al spannend zijn. 

DE GOUDEN BAL

Nicole de Cock
Illustraties van de auteur

BOEK

Uitgegeven door Gottmer

Vanaf 5 jr.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2332

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

 

VRIJESCHOOL – Taalraadsel (nieuw)

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.

Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’

Vind het verborgen woord

[13]

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

TAAR                                       KR…                                    M…T

S…EN                                          P…ER                                  …AN

NEK…                                        …IEK                                  GO…SH

Oplossing later

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

x

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-2/3)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de eerste levensfase van 0 – 7 jaar hechtte Steiner grote waarde aan o.a. de nabootsing. Hij beschrijft dat deze nabootsingskracht in het kind rond het 7e jaar langzamerhand afneemt. Er vindt a.h.w. een soort omwerking plaats en nabootsing wordt na-volging. In zekere zin ook een soort nabootsing: je wil dat wat de oudere in jouw omgeving voorleeft in je opnemen – niet meer dromend zoals met de nabootsing gebeurt, maar meer ‘gewild’ doordat je vertrouwen hebt in die oudere persoon; respect ook. Dat is voor Steiner het ‘autoriteitsprincipe’. 

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: autoriteit

GA 294

Voordracht 1

Blz. 15  vert. 26

Wir gehen da so vor, daß wir mit der Anschauung – die wir durchaus nicht vernachlässigen dürfen, die aber heute einseitig herausgehoben wird – zugleich das Autoritätsgefühl pflegen. Denn wir sagen ja fortwährend: Das nenne ich 24, das nenne ich 9. – Indem ich in den anthroposophischen Vorträgen hervorhebe: zwischen dem 7. und dem 14. Jahre solle das Autoritätsgefühl gepflegt werden, soll man nicht denken an ein Abrichten zum Autoritätsgefühl, sondern was nötig ist, kann schon hineinfließen in die Methodik des Unterrichtes. Das waltet da wie ein Unterton. Das Kind hört: Aha’ das nennt er 9, das nennnt er 24 und so weiter. – Es gehorcht von selbst. Durch dieses Hinhören auf den, der diese Methode handhabt, infiltriert sich das Kind mit dem, was dann als das Autoritätsgefühl herauskommen soll. Jedes künstliche Abrichten zum Autoritätsgefühl soll durch das Methodische selbst ausgeschlossen werden.
(  )
Wir werden dabei bemerken, daß gerade in der ersten Zeit der zweiten Lebensepoche das Kind für die autorita­tive Unterweisung durch das Künstlerische am allerempfänglichsten ist und daß wir da am meisten mit ihm erreichen können.

Es wird wie von selbst hereinwachsen in das, was wir ihm übertragen wollen, und es wird seine denkbar größte Freude haben, wenn es zeichnerisch oder sogar malerisch dieses oder jenes auf das Papier bringen wird, wobei wir nur absehen müssen von allem bloß äußerlichen Nachahmen.


[Steiner heeft zojuist een voorbeeld gegeven van rekenen – vanuit het geheel naar de delen]

We doen het zo dat we mét het inzicht – dat beslist niet verwaarloosd mag worden, maar dat tegenwoordig eenzijdig benadrukt wordt – tegelijk ook het autoriteitsgevoel aanspreken. Want we zeggen immers voortdurend: ‘Dat noem ik 24, dat noem ik 9.’ Wanneer ik in antroposofische voordrachten benadruk dat tussen het zevende en veertiende jaar het autoriteitsgevoel ontwikkeld moet worden,0 dan moet niet gedacht worden aan een soort africhten. Nee, wat nodig is kan eenvoudigweg opgenomen worden in de methodiek van het onderwijs. Het is daar als een ondertoon aanwezig. Het kind hoort: aha, dat noemt hij 9, dat noemt hij 24, enzovoort. Het gaat daar vanzelf in mee. Door te luisteren naar degene die deze methode hanteert, doordringt het kind zich met alles wat vervolgens als autoriteitsgevoel tevoorschijn moet komen. Dat is het geheim. Iedere vorm van kunstmatig africhten moet door de methode zelf worden uitgesloten. 
(  )
Daarbij [wanneer we kunstzinnig werken] zullen we merken  dat juist in de eerste tijd van de tweede levensfase0 het kind het meest voor autoriteit ontvankelijk is via kunstzinnig onderwijs en dat we dan het meeste kunnen bereiken. Het kind zal als vanzelf zijn weg vinden in wat we hem willen bijbrengen, en het zal er de grootste vreugde aan beleven wanneer het tekenend of zelfs schilderend iets op papier kan zetten. Daarbij moeten we wel al het uiterlijk nabootsen vermijden.
GA 294/15 
Vertaald/26                

Voordracht 4

Blz. 53  vert. 62

Kein Unterricht verläuft im richtigen Fahrwasser, der nicht begleitet ist von einer gewissen Pietät gegen die vorangehende Generation. So gefühls- und empfindungsmäßig diese Nuance bleiben muß, so muß sie doch mit allen Mitteln bei den Kindern kultiviert werden: daß das Kind mit Achtung, mit Respekt hinschaut auf das, was die älteren Ge­nerationen schon erreicht haben und was es auch durch die Schule er­reichen soll. Dieses Hinschauen auf die Kultur der Umwelt mit einer gewissen Achtung, das muß in dem Kinde gleich von Anfang an erregt werden, so daß es wirklich in denjenigen Menschen, die schon älter geworden sind, gewissermaßen etwas höhere Wesen sieht. Ohne die Erweckung dieses Gefühls kommt man im Unterricht und in der Erziehung nicht vorwärts.

Geen enkele les verloopt in het juiste vaarwater wanneer er geen sprake is van een zekere piëteit ten opzichte van de oude­re generatie. Hoezeer dit ook een gevoelsnuance, een stemming moet blijven, toch moet het met alle middelen bij de kinderen ge­cultiveerd worden: het kind moet met eerbied, met respect kijken naar wat de oudere generaties al hebben bereikt en wat het zelf ook, door naar school te gaan, zal bereiken. Van het begin af aan moet een kind met een zekere eerbied leren kijken naar de cultuur van zijn omgeving, zodat het oudere mensen werkelijk een klein beetje als hogere wezens ziet. Als we dit gevoel niet wekken, ko­men we niet verder in het onderwijs en in de opvoeding.

Blz. 54   vert. 63

Es handelt sich also nicht darum, daß das Kind sich über alles sofort ein Urteil bildet, sondern daß es zwischen dem 7. und 15.Jahre das, was es aufnehmen soll, aufnimmt aus Liebe, aus Autorität zum Erzieher.

Het gaat er dus niet om dat een kind zich dadelijk over alles een om deel vormt, maar dat het wat het tussen zijn zevende en vijf­tiende jaar op moet nemen, opneemt uitliefde, uit eerbied voor de autoriteit van de leraar.
GA 294/53-54      
Vertaald/62-63

Voordracht 5

Blz. 79  vert. 86

Übergegangen muß werden von dem Kinde bis zum Zahnwechsel zu dem Kinde bis zur Geschlechts­reife als von dem Nachahmen zur Autorität. Was ich damit meinte, muß im einzelnen überall konkret durchgeführt werden, nicht indem man dem Kinde Autorität eindressiert, sondern indem man so handelt, daß das Autoritätsgefühl entsteht, also indem man beim Orthographie­unterricht so handelt, daß man das ganze orthographische Schreiben auf die sogenannte Autorität stellt; wie ich es jetzt auseinandergesetzt habe.

Dat bedoelde ik toen ik zei: de overgang van het kind vóór de tandenwisseling naar het kind vóór de geslachtsrijpheid is een overgang van nabootsing naar autoriteit.0 Wat ik daarmee bedoel­de moet steeds op een concrete manier verwerkelijkt worden, niet door het kind autoriteit op te dringen, maar door zo te handelen dat het gevoel voor autoriteit kan ontstaan, dus door bij het aanle­ren van de spelling zo te werk te gaan als ik nu verteld heb: dat we de hele spelling baseren op de zogeheten autoriteit.
GA 294/79 
Vertaald/86 

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2331

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – wegwijzer (315)

.

In het geschreven werk van Rudolf Steiner, maar ook in zijn opgetekende voordrachten vind ik vaak uitspraken, die – enigszins los van hun verband – op zich een inhoud hebben waarover je lang kan nadenken. Een tijdlang zo’n zin regelmatig op je laten inwerken, kan tot gevolg hebben dat deze zin je in een bepaalde situatie plotseling invalt en dan een antwoord of een richting blijkt te geven voor waarmee je op dat ogenblik bezig bent.
Ze wijzen je een weg; misschien ‘de’ weg; en ze wijzen je weg van het alledaagse. of geven je juist daarop een andere kijk,

‘wegwijzers’ dus

315
In deze tijd waarin we geloven met beide benen op de grond te staan, gaat het erom in te zien dat we met abstracte begrippen niet tot de werkelijkheid komen.

Heute, wo man glaubt, mit beiden Füßen in der Wirklichkeit zu stehen, handelt es sich darum, einzusehen, daß mit abstrakten Begriffen nicht die Wirklichkeit erreicht wird.
GA 209/78       
Niet vertaald

Rudolf Steineralle wegwijzers

Rudolf Steiner over: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-2/2)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de eerste levensfase van 0 – 7 jaar hechtte Steiner grote waarde aan o.a. de nabootsing. Hij beschrijft dat deze nabootsingskracht in het kind rond het 7e jaar langzamerhand afneemt. Er vindt a.h.w. een soort omwerking plaats en nabootsing wordt na-volging. In zekere zin ook een soort nabootsing: je wil dat wat de oudere in jouw omgeving voorleeft in je opnemen – niet meer dromend zoals met de nabootsing gebeurt, maar meer ‘gewild’ doordat je vertrouwen hebt in die oudere persoon; respect ook. Dat is voor Steiner het ‘autoriteitsprincipe’. 

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: autoriteit

GA 293

Voordracht 9 

Blz. 133  vert. 135

Vom siebenten Jahre bis zur Geschlechtsreife haben wir es zu tun mit dem Kinde, das auf Autorität hin dasjenige aufnehmen will, was es wissen, fühlen und wollen soll. Daher müssen wir fortwährend darauf Rücksicht nehmen, daß wir ja, wenn wir Kinder im Volksschulalter vor uns haben, den Menschen entwickeln, der gewissermaßen aus dem innersten Wesen seiner Natur heraus nach Autorität strebt. Wir werden schlecht erziehen, wenn wir nicht in der Lage sind, Autorität gerade in diesem Lebensalter zu halten.

Van het zevende jaar tot aan de geslachtsrijpheid hebben we te maken met een kind dat alles wat het moet weten, voelen en willen, wil leren van een autoriteit, en pas met de geslachtsrijpheid begint het verlangen van de mens te ontstaan om zich vanuit het eigen oordeel op de wereld te richten. Daarom moet ons voortdurend voor ogen staan dat we bij kinderen in de lagere-schoolleeftijd vooral die mens ontwikkelen die als het ware vanuit zijn meest innerlijke wezen naar autoriteit streeft. We zullen slechte opvoeders zijn wanneer we niet in staat zijn juist voor die leeftijdsgroep een autoriteit te zijn.

Blz 137 vert. 138/139

Denn der Ausdruck des Urteils im Leben ist der Satz, und mit jedem Satze, den Sie zu dem Kinde sprechen, tragen Sie ein Atom hinzu zu den Seelengewohnheiten des Kindes. Daher sollte der ja Autorität besitzende Lehrer sich immer bewußt sein, daß das, was er spricht, haften werde an den Seelengewohnheiten des Kindes.

U vormt de gewoonten van de ziel van een kind door de wijze waarop u het leert oordelen. Daarvan moet u zich terdege bewust zijn. Want in het leven drukt het oordeel zich uit door middel van een zin. Met iedere zin die u tot een kind spreekt, voegt u iets toe aan diens ziele-gewoonten. Daarom moet de autoriteit uitstralende leraar zich er altijd van bewust zijn dat wat hij zegt, zal beklijven in de zielegewoonten van het kind.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen


.

2330

VRIJESCHOOL – Verhalen na Driekoningen

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
Bij Kerstmis: alle verhalen vind je meer van deze legenden
.

DE ROOS VAN JERICHO
.

Een plant, die nooit sterft ! Een wonder der natuur – honderden jaren levend zonder water en grond. In extreme hitte en kou. Deze merkwaardige plant kan men zo vaak men wil laten bloeien en weer laten indrogen. Zonder tuin en zonder grond, zowel binnen als buiten. Wie haar voor het eerst ziet, houdt het niet voor mogelijk, dat uit deze ogenschijnlijk levenloze knol binnen enkele minuten een groen gewas kan ontstaan. Om de roos van Jericho tot bloei te brengen, overgiet men haar met koud, warm, heet, of zelfs kokend water, dat normaal gesproken elk plantaardig leven zou vernietigen. Dan beleeft u een bijna onvoorstelbaar wonder der natuur. Er komt nieuw leven in de ogenschijnlijk levenloze bladeren. De afzonderlijke twijgen openen zich, meer en meer, en na enkele uren is de roos prachtig vol en groen geworden. Dan neemt men de roos uit het water, legt haar op een bord en geeft haar elke dag vers water. De roos van Jericho mag maar 8 dagen vochtig blijven en moet dan op een droge en warme plaats gelegd worden. Na ± 2 dagen is de roos weer helemaal ingedroogd, zodat men dit wonderlijke schouwspel steeds weer kan herhalen.’ (Een meer botanische beschrijving van de plant)

Uit Palestina

Deze roos in dit verhaal bloeit in het rood.

Eindelijk! Eindelijk! Eindelijk! De oneindige woestijn lag achter de vluchtende Maria. Voor haar gelukkige ogen strekte zich het gezegende land Egypte uit waarnaar ze zo verlangd had. Het lag daar als een bloemrijk tapijt waardoorheen de Nijl zich kronkelde als een zilveren lint. Haar hart maakte zeven vrolijke sprongetjes en het vergat alle nood en alle moeite van de zware tijd. Door gevoelens van dank overspoeld, knielde Maria neer waar ze stond, in het gloeiende zand dat in die ellendige dagen aan de zoom van haar kleed gevreten had en haar voetzolen tot bloedens toe verwond. Ze dankte de hemel voor de onmetelijke bijstand waarmee hij haar en het Kind tot hier toe had geleid. Maar toen ze na in dank verzonken te zijn geweest, weer ging staan, zag ze het stukje aarde dat haar knieën beroerd hadden: het was met mooie, tere roosjes bedekt, die als purperrode bloeddruppels in het dorre woestijnzand oplichtten. En toen de heilige Moeder omkeek naar de verte waaruit ze in een moeilijke tocht gekomen was, zag ze die weg als was het een rode, slingerende band. Op alle plaatsen waar haar vluchtende voeten, de waaiende zoom van haar kleed de aarde hadden aangeraakt, waren rode rozenbloesems uitgelopen en op de randen van de sierlijke voetafdruk die de smalle voet van de Godsmoeder in het zand had achtergelaten, hadden de kleine goud-rode plukjes zich als in kleine bloembedjes verzameld. En die rode band liep tot in de verte waar de vlucht was begonnen.

Wanneer pelgrims naar het Heilige Land trekken, is de woestijnroos het enig levende waar hun oog op rusten kan en die met haar geur de reiziger verkwikt. Op geen andere plek in de wereld kan deze wonderbloem groeien. De behoedzame hand van de vrome pelgrim neemt ze als een heilig voorwerp mee terug naar het Avondland als prachtig aandenken. En in alle kloosterschatten ter wereld bevinden zich zulke woestijnrozen zoals de pelgrims ze noemden. 

Door een wonder ontstaan verbergt de roos van Maria nog een wonder. Elk jaar in de kersttijd opent ze, zonder dat ze wortelt, haar goudrode hart en groeit en bloeit maar door tot de kerstnacht waarin ze haar diep rode glans bereikt. Ze kan nog zo dor worden, oud, verdroogd, ze gaat nooit ten gronde, want een zweem van de onsterfelijkheid heeft haar leven gezegend. Zelfs rozen die duizend jaar oud zijn, bloeien in de heilige nacht weer op. En de mensen laten zich door haar de toekomst voorspellen. Een bloem die je toelacht voorspelt een goed jaar van geluk en voorspoed. 

Tussen de opgeluchte herinnering aan moeite en het verlangen naar vredig geluk is eens de roos van de Godsmoeder tot bloei gekomen. Terwijl de smartelijke en vreugdevolle gedachten de harde lijdensweg van de vlucht terug vervolgden en het verlangen naar eindelijk rust en vrede zich vooruit haastten, bloeide de levende roos uit het dorre woestijnzand op: niets anders dan een symbool van het leven dat een gaan is door de woestijn tussen herinnering en verlangen. En steeds zal ook in deze dorre streek een feestdag zijn, een Heilige Nacht waarin zelfs de meest verdorde roos kan opbloeien als een levend rood hart. 

.
Hier zie je hoe de plant zich ontwikkelt

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2329

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen

.

(Bord)tekeningen en transparanten op Vrijeschool in beeld

Driekoningen op de jaartafel: Vrijeschool in beeld

Driekoningen: alle artikelen

VRIJESCHOOL – Rekenraadsel (nieuw)

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.
Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’

Met onderstaande tandwieloverbrenging wordt een roerwerk aangedreven. De as waarop tandwiel 1 is gemonteerd, is de motoras. Deze as drijft via een tussenas de as van het roerwerk aan.

Tandwiel 1 op de motoras heeft 10 tanden. Op de tussenas zijn tandwiel 2 en 3 gemonteerd. Die hebben resp. 20 en 10 tanden.

Op de as van het roerwerk is tandwiel 4 gemonteerd. Dat tandwiel heeft 40 tanden.

Als het toerental van de motoras 1200 omwentelingen per minuut is, dan maakt het roerwerk hoeveel omwentelingen per minuut?

 

 

Oplossing later

Alle breinbrekers

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle taalraadsels

Alle ‘gewone’ raadsels

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/8)

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Márchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

EENOOGJE, TWEEOOGJE, DRIEOOGJE

Lenz begint haar uiteenzetting van dit sprookje met de verrassende en misschien ook wel gewaagde opmerking dat de titel fout gesteld is: niet ‘Eenoogje, Tweeoogje, Drieoogje’, maar Eenoogje, Drieoogje, Tweeoogje’ zou het sprookje moeten heten. 
Het is geen cijfervolgorde. De motieven laten dat zien.

Er was eens een vrouw die had drie dochters, waarvan de oudste ‘Eenoogje’ heette, omdat zij maar één oog had, midden op haar voorhoofd, en de middelste ‘Tweeoogje’, omdat zij twee ogen had net als andere mensen, en de jongste ‘Drieoogje’, omdat zij drie ogen had en bij haar zat het derde eveneens midden op haar voorhoofd.

Het motief van het ene oog komt in de beeldende verhalen zoals de mythen, vaker voor. In de Germaanse mythologie geeft Odin zijn oog als onderpand om uit de bron van Mimir te kunnen drinken om zo wijsheid en verstand te kunnen bemachtigen.

Uit de Edda:

Mimirs bron  (vroegere spelling niet aangepast)

‘Ten einde de groote wijsheid te krijgen waardoor hij zoo beroemd is, bezocht Odin, in het begin der tijden, Mimirs (Memor, herinnering) bron, „de fontein van alle wetenschap en wijsheid”, in welker heldere diepten zelfs de toekomst klaar gespiegeld werd, en verzocht den ouden man, die ze bewaakte, hem een teug te gunnen. Maar Mimir, die heel goed de waarde van zulk een gunst kende (want zijn bron gold als de bron of hoofdstroom der herinnering), weigerde de gift tenzij Odin toestond een van zijn oogen in ruil te geven. De god aarzelde niet, zoo hoog schatte hij de teug, maar rukte onmiddellijk een van zijn oogen uit, dat Mimir te pand hield en liet zinken diep in zijn fontein, waar het scheen met milden glans. Odin bleef met één oog over, wat men als een beeld van de zon beschouwt.

Wij zoeken heel ons leven naar de zon;
Dat brandend voorhoofd is het oog van Odin.
Zijn tweede oog, de maan, schijnt niet zoo hel;
Hij gaf ’t aan Mimir, in zijn bron, te pand,
Dat hij er hale water, ’t welk geneest,
Dit oog tot sterking, ied’ren nieuwen dag.
Oehletischlager

Noorsche Mythen – H.A.Gurber

Ook vinden we in de Edda Baldur, de lichtgod, door ieder geliefd, die in ‘Breidablick’ woont en er ‘de brede blik’ heeft, werd door zijn broer, de blinde Hödur gedood. Baldur vertegenwoordigde het vermogen dat de mens in die zalige tijd had om te kunnen ‘schouwen’. Deze goddelijke gave ging verloren en ervoor in de plaats kwam de blindheid van die niet ‘ziende’ Hödur.
Odin wilde in de toekomstige ontwikkelingen kunnen zien. Dat kon alleen als hij doormaakte wat Baldur aan de mensheid bracht: afzien van helderziendheid. En Odin offerde – niet een oog – maar zijn oog.

Ook in de verhalen over Odysseus van Homerus vinden we het motief van ‘het ene oog’. Odysseus is listig, een verstandsmens. Hij gaat over zee: de eindeloze verte en grondeloze diepte van de ziel waar hij moet ‘stand’houden en een vaste bodem winnen, met zijn denken. In een grot stuit hij op de cycloop Polyphemos, de ‘rondziende’, met één oog. Odysseus vernietigt dat oog: de verstandsmens moet zegevieren over de oude atavistische kennis. Oude tijden moeten worden afgewisseld door nieuwe.

Een verandering van bewustzijn in de mensheid; we zien dat terug in de ontwikkeling van de individuele mens bij wie het bewustzijn gedurende zijn ontwikkeling aan voortdurende verandering onderhevig is. Van de kinderen kunnen we zeggen dat ze in hun dromerige, nog slapende bewustzijn iets hebben van deze tijd van ‘het eenogige’.
We zien dat zelfs tot in deze tijd terug bij stammen die onontdekt tot op heden een leefwijze hadden waarin het atavistische een sterke rol speelt. Maar ook in ons land waar enkele eeuwen terug nog veel atavistische kennis rondwaarde m.n. op het platteland zoals terug te vinden is in de sagen uit die streken. (“Het kleine volkje’,  ‘de witte wiven’ waren voor de mensen nog beleefbare realiteiten.)

Ook is volgens Lenz de ‘drie-ogige mens’ onder ons, zij het vooral buiten de cultuur van het Avondland. Enerzijds is er de wakkerheid voor de zintuigwereld, maar oude helderziende krachten werken daar toch nog in door wat het puur logische denken in de weg staat. De westerse mens is vooral de ‘twee-ogige’ mens. Door waarnemen en denken vormt hij zijn voorstellingen en begrippen waarbij wakker-denkend zijn Ik aanwezig is.
De overgang van ‘één oog’ en ‘drie ogen’ naar twee betekent wel een verarming.
In de mythologische tijd is er sprake van een ‘godenschemering’; ‘God is dood’, maar ook wordt er een toekomst gezien die weer anders is: Baldur keert weer, wanneer alle wezens huilen.

Ook de individuele mens van nu kan nog beschikken over atavistische vermogens, ze kunnen zelfs sterk zijn en de zich ontwikkelende ziel voor problemen plaatsen: het verleden in strijd met de toekomst.
Dat motief is ook terug te vinden in dit sprookje. Hierin gaat het om mensheids- én individuele motieven.

Maar omdat Tweeoogje er niet anders uitzag dan andere mensenkinderen, konden haar zusters en haar moeder haar niet uitstaan. Zij zeiden tegen haar: ‘Jij met je twee ogen bent niet beter dan het gewone volk. Je hoort niet bij ons.’ Zij duwden haar van de ene hoek in de andere, wierpen haar oude kleren toe en gaven haar niet meer te eten dan wat zij overlieten en zij deden haar op alle mogelijke manieren verdriet.

Nu gebeurde het dat Tweeoogje naar het veld moest om de geit te hoeden, maar zij had nog erge honger, omdat haar zusters haar zo weinig te eten hadden gegeven. Toen ging zij aan de rand van het veld zitten en begon zo te huilen, dat er twee beekjes uit haar ogen naar beneden liepen.

Denken, voelen en willen kunnen we beschouwen als de drie basiskrachten van de ziel. In de beeldentaal van het sprookje zijn dat de drie dochters van de moeder. We zien dat de moeder meer heeft met wat naar het verleden neigt. In het voelen heeft het ‘dromende’ de overhand. Als zodanig sterk verwant met het oude dromerige helderzien – eenoogje. Het denken met het verstandselement – drieoogje – leeft sterk verbonden met het waarnemen, maar wat daarvan het gevolg kan zijn – dat ‘de dingen voor zichzelf spreken’ – wat Steiner in zijn Theosofie ‘geest’ noemt – is hier  nog niet aan de orde, het wordt half dromend beleefd.
Alleen de derde dochter – tweeoogje – leeft volledig in de zintuigwereld, de wil is vooral gericht op de wereld. Terwijl de moeder en de twee andere dochters nog dromend-helderziende ervaringen hebben, waaraan ze genoeg hebben en die hen volledig tevreden stellen, heeft de ziel die daar vrij van is geworden, honger naar ander voedsel. Dat is er nog niet, ze kan nog niet iets anders uitstralen: haar aura verbleekt: haar kleren worden slecht.

Maar toen zij in haar diepe ellende even opkeek, stond er een vrouw naast haar die vroeg: ‘Tweeoogje, waarom huil je?’ Tweeoogje antwoordde: ‘En zou ik niet huilen? Omdat ik twee ogen heb net als andere mensen, kunnen mijn zusters en mijn moeder mij niet uitstaan, duwen mij van de ene hoek in de andere, gooien mij oude kleren toe en geven mij niets anders te eten dan wat zij overlaten. Vandaag hebben zij mij zó weinig gegeven dat ik nog ontzettende honger heb.’ De wijze vrouw sprak: ‘Tweeoogje, droog je tranen. Ik zal je iets zeggen en dan hoef je geen honger meer te hebben. Zeg alleen tegen je geit:

‘Geitje mek
Tafeltje dek’

dan zal er een keurig gedekt tafeltje voor je staan met heerlijk eten erop, zodat je eten kunt zoveel je maar wilt. Als je genoeg hebt en je hebt het tafeltje niet meer nodig, zeg dan alleen:

‘Geitje mek
Tafeltje weg’

dan verdwijnt het weer.’ Daarop ging de wijze vrouw weg. Doch Tweeoogje dacht: Ik moet meteen eens proberen of het waar is wat zij heeft gezegd, want ik heb ontzettende honger en zij sprak:

‘Geitje mek
Tafeltje dek’

en nauwelijks had zij die woorden uitgesproken of daar stond een tafeltje, gedekt met een wit kleedje, waarop een bord stond met een mes en een vork en een zilveren lepel en er omheen stonden de heerlijkste spijzen die dampten en nog zó warm waren alsof ze pas uit de keuken kwamen. Toen zei Tweeoogje het kortste gebed op dat zij kende: ‘Heer God, wees te allen tijde onze gast. Amen.’ Zij tastte toe en liet het zich goed smaken. Toen zij genoeg had sprak zij, zoals de wijze vrouw haar had geleerd:

‘Geitje mek
Tafeltje weg’

Meteen was het tafeltje met alles wat erop stond weer verdwenen. Dat is nog eens huishouden, dacht Tweeoogje en was opgewekt en in haar nopjes.

Wanneer de ‘tweeoogjesziel’ het verlies van haar geestelijk kunnen stralen, gelaten accepteert, komt er geen hulp. Wanneer ze daar echter onder leidt – het meisje zegt dat ze huilt van ontbering – dan vindt de verandering plaats. Wanneer alle wezens huilen, komt Baldur terug, staat in de Germaanse mythe. Een diepe smart over een grote ontbering veroorzaakt weer helderziendheid, wereld-helderziendheid. Leed doet veranderen. Terwijl Tweeoogje huilt, verschijnt de raadgevende oude vrouw. We kennen haar allemaal en weten hoe vaak we haar niet gevolgd hebben om achteraf te zeggen: had ik mijn voorgevoelens maar gevolgd! (Het Duits heeft hier voor voorgevoel ‘Ahnung’  ‘Ahne’ -voorouder in stamverband – en ‘Ahnung’ zijn verwante woorden. ‘Ahnendes Wissen’ – een weten vanuit een soort bijna-zekerheid komt tevoorschijn bij kommer en nood en geeft wijze raad; ‘ Zeg alleen tegen je geit: ‘Geitje mek  Tafeltje dek, dan zal er een keurig gedekt tafeltje voor je staan met heerlijk eten erop.
In het Duits zegt men tegen een nieuwsgierig aagje wel: ‘Jij, nieuwsgierige geit!’ en gebruikt zonder het te beseffen een oud beeldwoord. Er is inderdaad bijna geen dier dat zo nieuwsgierig om alle hoekjes en hekjes kijkt en aan alle grasjes en twijgjes sabbelt. Zij werd het symbool van die drift die we nieuw(s)gierigheid noemen: verlangen naar het nieuwe, in de zin van ‘weet’gierig: verlangen – begeerte- naar het (te) weten.
Duits: ‘de geit naar de weide brengen’ betekent: zijn natuurlijke weetgierigheid gebruiken, dus de zintuigwereld in je opnemen.
(Interessant dat Martin Toonder in zijn verhalen over Ollie B .Bommel, de wetenschapper professor Sickbock als geit voorstelt.)
Nu brengt Tweeoogje de geit naar de weide, maar zij heeft toch nog zo’n honger nadat ze opgegeten heeft wat de moeder en de zusters haar aan karig voedsel hebben meegegeven: de resten van het oude weten.
De moderne ziel kan zich daarmee echter niet meer voeden, maar er is ook nog niets nieuws. En ze voorvoelt: ik mag niet tevreden zijn met de karige resten van het verleden die mij niet meer voeden; ik moet zelf actief worden en voor vers voedsel zorgen. Dat moet dan gebeuren met hulp van het verlangen dat weetgierigheid heet, waardoor de wereld opengaat. Ik moet het verlangen naar het nieuwe intensiveren dat het spreekt, uitspraken doet en mij leert. Wanneer nieuwsgierigheid de uiterlijke zintuigwereld zo grondig en liefdevol bekijkt, valt haar innerlijk voedsel ten deel: de tafel wordt gedekt.

’s Avonds toen zij met haar geit thuiskwam, vond zij een aarden schoteltje met eten dat haar zusters voor haar hadden neergezet, maar zij raakte het niet aan. De volgende dag trok zij er met haar geit weer op uit en liet de brokken, die haar gegeven werden, liggen. De eerste en de tweede maal sloegen de zusters er geen acht op, maar toen het vaker gebeurde viel het hun op en zij zeiden: ‘Er is iets niet in orde met Tweeoogje; zij laat iedere keer haar eten staan, anders at zij toch alles op wat haar werd gegeven – zij moet er iets anders op gevonden hebben.’ Om achter de waarheid te komen zou Eenoogje meegaan als Tweeoogje haar geit naar de wei dreef en zij zou goed opletten wat zij deed en of iemand haar soms eten en drinken bracht. Toen nu Tweeoogje weer op stap wilde gaan kwam Eenoogje op haar af en sprak: ‘Ik ga mee naar het veld om te kijken of je de geit wel behoorlijk hoedt en zorgt dat ze voldoende voer vindt.’ Maar Tweeoogje begreep wel wat Eenoogje in de zin had, zij dreef de geit het hoge gras in en zei: ‘Kom Eenoogje laten wij gaan zitten, dan zal ik iets voor je zingen.’ Eenoogje ging zitten, ze was moe geworden van de wandeling waaraan zij niet gewend was en van de hitte van de zon en Tweeoogje zong steeds:

‘Eenoogje waak je?
Eenoogje slaapje?’

en Eenoogjes ene oog ging dicht en zij viel in slaap. Toen Tweeoogje zag dat Eenoogje vast in slaap was en niets kon verraden, sprak zij:

‘Geitje mek
Tafeltje dek’

en zij ging aan haar tafeltje zitten en at en dronk tot zij genoeg had en riep toen weer:

‘Geitje mek
Tafeltje weg’

en ogenblikkelijk was alles verdwenen. Tweeoogje wekte Eenoogje en zei: ‘Eenoogje, jij wilt hoeden en je slaapt erbij in! Onderwijl had de geit overal naar toe kunnen lopen; kom, laten wij naar huis gaan.’ Zij gingen naar huis en Tweeoogje liet haar schoteltje weer onaangeroerd staan en Eenoogje kon haar moeder niet vertellen waarom zij niet wilde eten en zei ter verontschuldiging: ‘Ik ben daarbuiten in slaap gevallen.’

Eenoogje kan dit wonder helemaal niet waarnemen, ze slaapt in als de geit op de wei is. Mensen die op dit niveau blijven staan, leren nooit de bevrediging kennen die ons ten deel kan vallen wanneer we onze uiterlijke zintuigen gebruiken. En als innerlijke gebeurtenis beschouwd: zolang de gewaarwordende ziel in ons een dagdromer is, kan deze niet deelhebben aan wat de willende ziel van vreugde en voldaanheid kan beleven.

De volgende dag zei de moeder tegen Drie-oogje: ‘Deze keer moet jij meegaan en opletten of Tweeoogje buiten eet en of iemand haar eten en drinken brengt, want dat zij in het geheim eet en drinkt is zeker.’ Toen kwam Drieoogje op Tweeoogje af en zei: ‘Ik ga mee om te kijken of je de geit wel behoorlijk hoedt en zorgt dat ze voldoende voer vindt.’ Maar Tweeoogje begreep wel wat Drieoogje in de zin had en dreef de geit naar buiten het hoge gras in en zei: ‘Laten wij daar gaan zitten, Drieoogje, dan zal ik wat voor je zingen.’ Drieoogje ging zitten, moe van de weg en de warmte van de zon en Tweeoogje begon weer het oude liedje te zingen:

‘Drieoogje waak je?’

maar in plaats van te zingen:

‘Drieoogje slaap je?’

zong zij bij vergissing:

‘Tweeoogje slaapje?’

en zo zong zij steeds:

‘Drieoogje waak je?

Tweeoogje slaap je?’

Toen vielen er twee ogen van Drieoogje dicht en sliepen in maar het derde viel niet in slaap omdat het door het spreukje niet was toegesproken. Drieoogje deed het weliswaar dicht, maar alleen uit slimmigheid, net alsof zij daar ook mee sliep, maar zij knipperde ermee en kon alles heel goed zien. Toen Tweeoogje dacht dat Drieoogje vast in slaap was zei zij haar spreukje:

‘Geitje mek
Tafeltje dek’

at en dronk naar hartelust en beval het tafeltje daarna weer weg te gaan:

‘Geitje mek
Tafeltje weg’

en Drieoogje had alles gezien. Daarna kwam Tweeoogje bij haar en zei: ‘Hé, Drieoogje, ben je ingeslapen? Jij bent me ook een hoedster! Kom laten wij naar huis gaan.’ Maar toen zij thuis kwamen at Tweeoogje weer niet en Drieoogje zei tegen haar moeder: ‘Nu weet ik waarom dat hoogmoedige kind niet eet; als zij buiten tegen de geit zegt:

‘Geitje mek
Tafeltje dek’

dan staat er opeens een tafeltje voor haar waar het lekkerste eten op staat, veel lekkerder dan wij hier hebben en als zij genoeg heeft zegt zij:

‘Geitje mek
Tafeltje weg’

en alles is weer verdwenen. Ik heb het heel goed gezien. Twee van mijn ogen heeft zij door een spreukje laten inslapen, maar dat ene op mijn voorhoofd is gelukkig wakker gebleven.’ Toen riep de jaloerse moeder: ‘Wil jij het beter hebben dan wij? Dat zal ik je betaald zetten.’ Zij haalde een slachtmes en stootte dat in het hart van de geit zodat ze dood neerviel.

Anders dan Bij Eenoogje is het met de ziel van Drieoogje gesteld; zij beschikt al over het bewustzijn van de haar omringende wereld en leeft denkend in de zintuigwereld; bovendien is ze ook nog helderziend. Omdat ze op beide terreinen schouwend kan zijn, weet ze waarvan Tweeoogje eet en het proces van ‘tafeltje dek je’ kan ze doorzien. Omdat ze toch voornamelijk op het verleden gericht is, wijst ze de wetenschap van de toekomst af en ze wordt hoogmoedig en gedraagt zich als een verrader. Daardoor wordt het oude in de mens tot verzet opgeroepen en het onschuldige, natuurlijke verlangen van de weetgierigheid die voor de wilskant van de ziel zo belangrijk is (de geit) wordt gedood. Messcherpe kritiek, het scherpe oordeel, vernietigende spot, het verdicht zich en wordt tot een slachtmes dat de geit doodt.

Toen Tweeoogje dat zag liep zij heel bedroefd naar buiten, ging aan de rand van het veld zitten en schreide bittere tranen. Daar stond plotseling de wijze vrouw weer naast haar die zei: ‘Tweeoogje waarom huil je?’ -‘Zou ik niet huilen?’ antwoordde zij, ‘de geit die iedere dag als ik uw spreukje uitsprak de tafel zo mooi voor mij dekte, is door mijn moeder doodgestoken; nu moet ik weer honger en gebrek lijden.’ De wijze vrouw sprak: ‘ Tweeoogje, ik zal je een goede raad geven: vraag je zusters om de ingewanden van de geslachte geit en begraaf die in de grond, voor de huisdeur, dat zal je geluk brengen.’ ‘Toen verdween zij en Tweeoogje ging naar huis en zei tegen haar zusters: ‘Lieve zusters, geef mij toch iets van mijn geit, ik verlang niets bijzonders, geef mij alleen maar de ingewanden.’ Toen begonnen zij te lachen en zeiden: ‘Als dat alles is, dat kun je wel krijgen.’ En Tweeoogje nam de ingewanden en begroef ze ’s avonds in alle stilte voor de huisdeur, volgens de raad van de wijze vrouw.

Tweeoogje is nu in een grote crisis terechtgekomen. Het naïeve, goedgelovige verlangen is gestorven en opnieuw dreigt de honger. Maar uit het verdriet wordt het voorvoelende weten geboren. De oude vrouw geeft raad: ze moet de ingewanden van de geit voor de huisdeur in de grond begraven.
Voor be-graven of in-graven, kan je ook zeggen ‘verzinken’. Iets doods wordt in de aarde neergelaten. Dit ‘verzinken’ of ‘bezinken’ kennen we als uitdrukking bij iets wat we denkend willen verdiepen, willen bewaren. Wanneer je iets laat bezinken, laat je het rusten. Het komt ooit weer nieuw terug en vaak pluk je er de vruchten van.
De ingewanden van de geit begraven betekent de innerlijke kwaliteit van dit verlangen verdiepen, dit helemaal in de aarde laten opgaan. Terwijl de gevoelens en gedachten van het andere deel (moeder en zusters) afkerig van het aardse waren, moet nu juist de inhoud van het verlangen de zintuigwereld te veroveren ‘verdiept’ worden en de kennis moet op het aardse worden gericht.
Doden betekent in materialistische zin: be-eindigen. In geestelijke zin: veranderen. De naïeve begeerte werd gedood en moet nu gemetamorfoseerd worden.

De volgende morgen toen zij allen ontwaakten en gezamenlijk de voordeur uitgingen, stond daar een wonderbaarlijke prachtige boom die zilveren bladeren had, waar gouden vruchten tussen hingen, zodat er wel niets schoners en heerlijkers bestond op de hele wereld. Maar zij wisten niet hoe die boom daar ’s nachts was gekomen; alleen Tweeoogje begreep dat hij uit de ingewanden van de geit was gegroeid, want hij stond precies op de plek waar zij die in de aarde had begraven.

De metamorfose brengt de zilveren boom met de gouden vruchten. Wanneer wij zeggen ‘alles in mij – het Duits heeft hier ‘aufbäumen’ = verzet zich, komt in opstand, wordt het beeld van de boom gebruikt. 
Ons zenuwsysteem groeit en vertakt zich als een boom. De ziel die tot een voltooiing is gekomen, was tot dan toe met grote interesse gericht op de indrukken van de buitenwereld en nam ze zo in zich op dat zij daar volledig haar voedsel uit kon halen. Deze prille relatie werd verstoord door de remmende, naar achter gerichte krachten. Ze ziet in dat alles ver-diept moet worden. Dat betekent echter: het denkend en kennend doordringen. In het beeld van het zilver kan dit verstandsdenken zich voordoen, maar hoe mooi en glanzend het kan  zijn, daarmee is het nog geen echte wijsheid, slechts een weerspiegeling, een afspiegeling. Zoals de zilveren maan de zon weerspiegelt, zo weerspiegelt het de echte wijsheid. In zijn koelte is het verwant aan de maan, terwijl de wijsheid warm is, met de zon verwant. 
Wanneer Tweeoogje die in de zintuigwereld leeft vanuit de waarneming en voorstellingen tot begrippen gekomen is en nu denkend de wereld begrijpt, lijkt haar ‘zenuwboom’ op een zilveren boom en deze boom draagt een heerlijke vrucht, de gouden appel.
Het Paradijs ging verloren toen de mens de appel plukte van de boom van de kennis van het goed en kwaad. Waarom werd de appel het symbool van de zondeval? 
De appel, hier het prototype van de sappige vrucht, is – zoals alle – botanisch beschouwd – een schijnvrucht, want deze groeit niet vanuit het vruchtbeginsel naar boven zoals een ‘echte’ vrucht, maar naar onder toe; het is een opzwelling van de vruchtbodem, vanuit een onderstandig vruchtbeginsel.
De mens, de meest edele vrucht uit de tuin van God, zonderde zich af uit een ‘boven’ goddelijke wereld, waar zijn thuis was, en ‘viel’ met zijn bewustzijn in de lagere zintuigwereld, uit de af-zonde-ring ontstond de zonde. Bij het kennen van het goede, kwam het kennen van het kwade. Deze appel wordt in ons sprookje tot een gouden appel, want die is in wijsheid omgevormd. Tweeoogje heeft de stoffelijke zintuigwereld denkend als door de geest geschapen herkend. Met recht kan het sprookje zeggen: Er is niets schoners en heerlijkers dan deze boom.

Toen zei de moeder tegen Eenoogje: ‘Klim naar boven mijn kind, en pluk voor ons de vruchten van de boom.’ Eenoogje klom naar boven, maar toen zij een van de gouden appels wilde grijpen, gleed de tak uit haar handen en dat gebeurde iedere keer, zodat zij geen enkele appel kon plukken, hoe zij haar best ook deed. Toen zei de moeder: ‘Drieoogje, klim jij naar boven. Jij kunt met je drie ogen beter om je heen kijken dan Eenoogje.’ Eenoogje gleed naar beneden en Drieoogje klom naar boven. Maar Drieoogje was niet handiger, zij mocht rondkijken wat zij wilde, de gouden appels weken steeds terug. Tenslotte werd de moeder ongeduldig en klom zelf naar boven, maar kon net zo min als Eenoogje en Drieoogje de vruchten plukken en greep steeds in de lucht. Toen zei Tweeoogje: ‘Ik zal eens naar boven klimmen, misschien lukt het mij beter.’ De zusters riepen weliswaar: ‘Jij met je twee ogen, wat denk je wel!’ maar Tweeoogje klom naar boven en de gouden appels trokken zich voor haar niet terug, maar vielen vanzelf in haar handen, zodat zij de ene na de andere kon afplukken en een schortje vol mee naar beneden bracht. De moeder nam ze haar af en in plaats dat Eenoogje en Drieoogje het arme Tweeoogje nu beter behandelden, waren zij jaloers omdat zij alleen de vruchten kon plukken en zij behandelden haar hardvochtiger dan ooit.

Toen zij nu eens samen bij de boom stonden, gebeurde het dat er een jonge ridder aankwam. ‘Vlug Tweeoogje,’ riepen de twee zusters, ‘verstop je, zodat wij ons niet voor je hoeven te schamen,’ en in aller ijl zetten zij een leeg vat, dat toevallig naast de boom stond, over het arme Tweeoogje heen en zij schoven de gouden appels die zij geplukt had er ook onder. Toen nu de ridder naderbij kwam, bleek het een schone jongeling te zijn; hij hield stil, bewonderde de prachtige boom van goud en zilver en zei tot de beide zusters: ‘Van wie is deze mooie boom? Wie mij daarvan een tak geeft, kan wensen wat hij maar wil.’ Eenoogje en Drieoogje antwoordden dat de boom hun toebehoorde en zij wilden wel een tak voor hem afbreken. Zij deden beiden erg hun best, maar zij waren er niet toe in staat, want de takken en de vruchten weken telkens terug. Toen zei de ridder: ‘Dat is wel wonderlijk: als de boom u toebehoort en u hebt toch niet de macht er iets van af te plukken.’ Zij hielden vol dat de boom hun eigendom was, maar terwijl zij zo spraken rolde Tweeoogje een paar gouden appels vanonder het vat naar buiten, zodat ze voor de voeten van de ridder terechtkwamen, want Tweeoogje was boos omdat Eenoogje en Drieoogje de waarheid niet zeiden. Toen de ridder de appels zag was hij verbaasd en vroeg waar ze vandaan kwamen. Eenoogje en Drieoogje antwoordden dat zij nog een zuster hadden, maar die mocht zich niet vertonen, omdat zij slechts twee ogen had net als gewone mensen. Maar de ridder wilde haar zien en riep: ‘Tweeoogje, kom te voorschijn!’ Toen kwam Tweeoogje onbevreesd onder het vat vandaan en de ridder was verbaasd over haar schoonheid en zei: ‘Tweeoogje, jij kunt zeker wel een tak voor mij van die boom afplukken.’ – ‘Ja,’ antwoordde Tweeoogje, ‘dat kan ik zeker, want de boom is van mij,’ en zij klom naar boven en plukte zonder moeite een tak met mooie zilveren bladeren en gouden vruchten af en bood die de ridder aan. Toen sprak de ridder: ‘Tweeoogje, wat zal ik je daarvoor geven?’ – ‘Ach,’ antwoordde Tweeoogje, ‘ik lijd honger en dorst, ellende en verdriet van de vroege morgen tot de late avond – als u mij wilt meenemen en verlossen dan zou ik heel gelukkig zijn.’ Toen tilde de ridder Tweeoogje op zijn paard en bracht haar naar huis, naar zijn vaderlijk slot. Daar gaf hij haar mooie kleren, zij mocht eten en drinken naar hartelust en omdat hij haar zo lief had, liet hij zijn huwelijk met haar inzegenen en met grote vreugde werd de bruiloft gevierd.

Toen nu Tweeoogje door de schone ridder was weggevoerd, benijdden haar twee zusters haar pas goed om haar geluk. De prachtige boom blijft toch bij ons, dachten zij, en al kunnen wij er geen vruchten van plukken, dan zal toch iedereen ervoor blijven staan en hem roemen; wie weet waar voor ons het geluk nog eens vandaan komt. Maar de volgende morgen was de boom verdwenen en hun hoop vervlogen. Toen Tweeoogje echter uit haar kamertje keek stond de boom er tot haar grote vreugde voor en was haar dus gevolgd. Lange tijd leefde Tweeoogje gelukkig. En toen kwamen er eens twee arme vrouwen bij haar op het slot en smeekten om een aalmoes. Toen keek Tweeoogje hen aan en herkende haar zusters Eenoogje en Drieoogje die zó arm waren geworden dat zij moesten rondtrekken om langs de deuren brood te bedelen. Maar Tweeoogje heette hen welkom, was goed voor ze en verzorgde hen zodat zij beiden van harte berouw kregen dat zij hun zuster in hun jeugd zoveel kwaad hadden gedaan.

Atavistische krachten kunnen dan wel rijk zijn, de vrucht van deze boom kunnen ze nooit oogsten. De tweeoogjes-ziel, het vrouwelijke in de mens, heeft in zijn voortgaande ontwikkeling deze vrucht gewonnen. Die moet aan het mannelijke van het Ik aangereikt worden, wil de harmonische mens tot werkelijkheid worden. Het Ik verschijnt in het beeld van de ridder. 
De hatelijke zusters zouden willen verhinderen dat de zich ontwikkelende ziel in haar ware gedaante wordt herkend (ze plaatsen een vat over Tweeoogje). Zij willen de ridder voor zichzelf winnen. Maar een Ik dat met de ijzerkracht van de wil gepantserd is, laat zich niet van de wijs brengen. 
Als Tweeoogje hem de gouden appel aanreikt, klinkt in een hoger octaaf de paradijsmythe mee. 

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 130-grimm-eenoogje-tweeoogje-drieoogje.jpgbron

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2328

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-2/1)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de eerste levensfase van 0 – 7 jaar hechtte Steiner grote waarde aan o.a. de nabootsing. Hij beschrijft dat deze nabootsingskracht in het kind rond het 7e jaar langzamerhand afneemt. Er vindt a.h.w. een soort omwerking plaats en nabootsing wordt na-volging. In zekere zin ook een soort nabootsing: je wil dat wat de oudere in jouw omgeving voorleeft in je opnemen – niet meer dromend zoals met de nabootsing gebeurt, maar meer ‘gewild’ doordat je vertrouwen hebt in die oudere persoon; respect ook. Dat is voor Steiner het ‘autoriteitsprincipe’. 

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: autoriteit

in het tijdschrift Lucifer-Gnosis

GA 34

Die Erziehung des Kinde vom Gesichtspunkte der Geisteswisschenschaft

 

Blz. 328-330  vert. 40-42

Mit dem Zahnwechsel streift der Ätherleib die äußere Ätherhülle ab, und damit beginnt die Zeit, in der von außen erziehend auf den Ätherleib eingewirkt werden kann. Man muß
sich klarmachen, was von außen auf den Ätherleib wirken kann. Die Umbildung und das Wachstum des Ätherleibes bedeutet Umbildung beziehungsweise Entwickelung der Neigungen, Gewohnheiten, des Gewissens, des Charakters, des Gedächtnisses, der Temperamente. Auf den Ätherleib wirkt man durch Bilder, durch Beispiele, durch geregeltes Lenken der Phantasie. Wie man dem Kinde bis zum siebenten Jahre das physische Vorbild geben muß, das es nachahmen kann, so muß in die Umgebung des werdenden Menschen zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife alles das gebracht werden, nach dessen innerem Sinn und Wert es sich richten kann.

De opvoeding van het kind 

Met het wisselen van de tanden bevrijdt het etherlichaam zich van de etherische omhulling en daarmee begint de fase, waarin van buitenaf opvoedend op het etherlichaam gewerkt kan worden. Men moet zich duidelijk voor ogen stellen, wat van buitenaf kan inwerken op het etherlichaam. Het omwerken, de ontplooiing van het etherlichaam betekent omwerken of ontwikkelen van neigingen, gewoonten, geweten, karakter, geheugen en temperament. Men werkt op het etherlichaam in door beelden, door voorbeelden, door het leiden van de fantasie in geregelde banen. Zoals men aan het kind tot het zevende jaar het uiterlijk voorbeeld leveren moet, dat het kan nabootsen, zo moet tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid het opgroeiende mensenkind omgeven worden door al datgene, naar welks innerlijke zin en waarde het zich richten kan.

Das Sinnvolle, das durch das Bild und Gleichnis wirkt, ist jetzt am Platze. Der Ätherleib entwickelt seine Kraft, wenn eine geregelte Phantasie sich richten kann nach dem, was sie sich an den lebenden oder dem Geiste vermitteltenBildern und Gleichnissen enträtseln und zu seiner Richtschnur nehmen kann. Nicht abstrakte Begriffe wirken in der richtigen Weise auf den wachsenden Ätherleib, sondern das Anschauliche, nicht das Sinnlich-, sondern das Geistig-Anschauliche. Die geistige Anschauung ist das richtige Erziehungsmittel in diesen Jahren. Daher kommt es vor allen Dingen darauf an, daß der junge Mensch in diesen Jahren in seinen Erziehern selbst Persönlichkeiten um sich hat, durch deren Anschauung in ihm die wünschenswerten intellektuellen und moralischen Kräfte erweckt werden können. Wie für die ersten Kindes jähre Nachahmung undVorbilddie Zauberworte der Erziehung sind, so sind es für die jetzt in Rede stehenden Jahre: Nachfolge und Autorität. Die
selbstverständliche, nicht erzwungene Autorität muß die unmittelbare geistige Anschauung darstellen, an der sich der junge Mensch Gewissen, Gewohnheiten, Neigungen herausbildet, an der sich sein Temperament in geregelte Bahnen bringt, mit deren Augen er die Dinge der Welt betrachtet. Das schöne Dichterwort, «ein jeglicher muß seinen Helden
wählen, dem er die Wege zum Olymp hinauf sich nacharbei

Thans is de zinrijke inhoud, die door middel van beeld en gelijkenis werkt, op zijn plaats. Het etherlichaam ontwikkelt zijn kracht, wanneer de geleide fantasie zich richten kan naar datgene, wat zij ontraadselt of tot richtsnoer kiest uit beelden en gelijkenissen. Deze kunnen direct aan het leven ontleend zijn of op indirecte wijze tot de geest spreken. Abstracte begrippen werken niet in de juiste zin op het zich ontplooiende etherlichaam, maar wel wat aanschouwelijk is, niet zintuigelijk-aanschouwelijk, maar geestelijk-aanschouwelijk. In deze jaren is de innerlijke aanschouwing het juiste opvoedingsmiddel. Daarom komt het er in de eerste plaats op aan, dat de jonge mens tijdens deze jaren zulke personen als opvoeders voor zich heeft, die in hem de gewenste intellectuele en morele krachten kunnen opwekken door de wijze, waarop zij zelf als innerlijk aanschouwingsvoorbeeld werken. Zoals voor de eerste kinderjaren nabootsing en uiterlijk voorbeeld de toverwoorden van de opvoeding zijn, zo zijn het nu voor de betreffende fase: navolging en autoriteit. De vanzelfsprekend aanvaarde, niet opgedrongen autoriteit moet voor het innerlijk beleven van de jonge mens staan als een onmiddellijk beeld, waaraan hij zijn geweten, zijn gewoonten en neigingen ontwikkelt, waarnaar zijn temperament zich regelt, en door welks ogen hij de wereld beziet. Het dichterwoord: ieder mens moet zijn held kiezen, die hij volgen wil in zijn streven de top van de Olympus te bereiken

tet», es gilt insbesondere von diesem Lebensalter. Verehrung und Ehrfurcht sind Kräfte, durch welche der Ätherleib in der richtigen Weise wächst. Und wem es unmöglich war, in der in Rede stehenden Zeit zu jemand in unbegrenzter Verehrung hinaufzuschauen, der wird dieses in seinem ganzen späteren Leben zu büßen haben. Wo diese Verehrung fehlt, da verkümmern die lebendigen Kräfte des Ätherleibes. Man male sich das Folgende in seiner Wirkung auf das jugendliche Gemüt aus: Einem achtjährigen Knaben wird von einer ganz besonders ehrenwerten Persönlichkeit gesprochen. Alles, was er von ihr hört, flößt ihm eine heilige Scheu ein. Es naht der Tag, wo er zum ersten Male die verehrte Persönlichkeit sehen kann. Ein Zittern der Ehrfurcht befällt ihn, da er die Klinke der Türe drückt, hinter welcher der Verehrte sichtbar werden wird … Die schönen Gefühle, die ein solches Erlebnis hervorbringt, gehören zu bleibenden Errungenschaften des Lebens. Und glücklich ist derjenige Mensch zu preisen, der nicht nur in Feieraugenblicken des Lebens, sondern fortwährend zu seinen Lehrern und Erziehern als zu seinen selbstverständlichen Autoritäten aufzuschauen vermag.
Zu diesen lebendigen Autoritäten, zu diesen Verkörperungen der sittlichen und intellektuellen Kraft müssen die geistig aufzunehmenden Autoritäten treten. Die großen Vorbilder
der Geschichte, die Erzählung von vorbildlichen Männern und Frauen müssen das Gewissen, müssen die Geistesrichtung bestimmen, nicht so sehr abstrakte sittliche Grundsätze, die erst
dann ihre richtige Wirkung tun können, wenn sich mit der Geschlechtsreife der astrale Leib seiner astralen Mutterhülle entledigt.

‘geldt in het bijzonder voor deze leeftijdsfase. Eerbied en ontzag zijn krachten, die het etherlichaam op de juiste wijze tot ontplooiing brengen. Wie niet de mogelijkheid heeft gehad in de genoemde ontwikkelingsperiode naar iemand op te zien met een grenzeloos ontzag, zal daarvoor zijn gehele verdere leven moeten boeten. Waar deze verering ontbreekt, verkommeren de levende krachten van het etherlichaam. Men moge zich levendig voorstellen, hoe het volgende werkt op een jeugdig gemoed: Een knaap van acht jaar hoort spreken over een persoon, die bijzondere eerbied afdwingt. Alles wat hij over deze mens hoort, boezemt hem een heilige schroom in. De dag breekt aan, waarop hij voor de eerste maal deze bewonderde persoonlijkheid zal zien. Een huivering van eerbied bevangt hem, als hij op het punt staat de deur te openen, waarachter degeen, die hij zozeer vereert, zichtbaar zal worden… De zuivere gevoelens, die een kind door zulk een ervaring beleeft, behoren tot de blijvende schatten van het leven. En men kan de mens gelukkig prijzen, die niet alleen op gedenkwaardige ogenblikken van zijn leven, maar gedurende lange tijden tot zijn leraren en opvoeders kan opzien als tot autoriteiten, die hij op een vanzelfsprekende manier aanvaardt.
Naast deze levende dragers van gezag, deze belichamingen van morele en intellectuele kracht moeten de autoriteiten gesteld worden, die het kind geestelijk in zich opneemt. De grote figuren uit de geschiedenis, de verhalen over mannen en vrouwen, wier voorbeeld navolging waard is, moeten het geweten bepalen en een richtsnoer geven aan de geest, en niet zozeer abstracte morele principes.
GA 34/228
Vertaald/40

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2327

.

 

 

 

 

 

 

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

 

Klik om toegang te krijgen tot GA034.pdf

Klik om toegang te krijgen tot GA034.pdf

Klik om toegang te krijgen tot GA034.pdf

VRIJESCHOOL Jaarfeesten – Kerstmis (37)

.

Frank de Fremery

.

JOZEF
.

Voorafgaande aan het eigenlijke kerstgebeuren, de geboorte van bet Kindeke Jezus in de stal te Bethlehem, wordt in het Lucas Evangelie 1-1-4- verhaald, hoe Jozef met zijn jonge vrouw Maria opging vanuit Nazareth om in Bethlehem beschreven te worden.

Deze administratieve formaliteit lijkt voor ons, die aan zoveel gangen naar bureaus van openbare diensten gewend geraakt zijn, een niet zeer belangrijk feit, slechts een eenvoudige episode ter inleiding van het eigenlijke verhaal. Het is echter niet een zo onbelangrijke gebeurtenis, wanneer men het beschouwt in het kader van het tijdperk waarin het vermeld wordt: toen Quirinus stadhouder was over Syrië, d.w.z. toen het Romeinse gezag zich in Palestina had gevestigd.
Dit gezag onderscheidde zich zeer bijzonder van het gezag, dat voordien in Palestina geheerst had. Vroeger -was het steeds een priesterlijk gezag geweest, een theocratie, evenals in de omringende landen waren de koningen zelf altijd van priesterlijke bloede en veelal vervulden zij hoge functies bij de godsdienstige plechtigheden van die landen.

Zo was bv. de farao tevens hoge priester in Egypte, de Assyrische en Chaldeeuwse vorsten waren priesters, de Perzische koningen vervulden geestelijke functies. Tot aan de opkomst van het Romeinse rijk waren de landen van de wereld onderworpen aan een geestelijk gezag. Het Romeinse rijk berustte daarentegen op wereldlijk gezag.
De Hommen voelde zich niet geleid door en onderworpen aan geestelijke krachten die zijn aardse leven bepaalden, maar hij had het leven als mens in eigen hand genomen, hij maakte zelf de wetten die zijn leven regelden, hij was geheel aardeburger geworden. De overgang van de mensheid van de geest-verbondenheid van de oudheid tot de aarde-zelfbewustheid van de nieuwe tijd, wordt uitgebeeld in de gang van Jozef en Maria van het centrum van de Esseërkolonie in Nazareth, waar het leven op geestelijke grondslag gebaseerd was, naar Bethlehem, om te voldoen aan een bevel van een wereldlijk gezag, dat op aards geweld was gebaseerd.

Door deze inleiding wordt dus door het evangelie vastgelegd, dat de geboorte van het Kindeke Jezus plaatsvond op het tijdstip in de mensheidsontwikkeling waar de mens ten volle zijn weg uit de geestelijke wereld in de stoffelijke wereld had afgelegd en zich had losgemaakt van de directe leiding van de geestelijke machten in zijn aards bestaan. Het tijdstip van de volledige vermaterialisering van de mens was bereikt en de tijd brak aan waarin een nieuwe impuls in de mensheidontwikkeling gebracht moet worden om hem vanuit zijn eigen innerlijk en in zijn volle bewustzijn tot herinnering van het verband met de geestelijke wereld, tot de Vader, terug te voeren. Deze impuls, waardoor de mens van godsdienst tot religie zou komen, op aarde te brengen, was de taak die de Christus-Jezus kwam vervullen.

Jozef wordt in de verhalen gewoonlijk als een zeer eenvoudig man voorgesteld, een kleine timmerman. Als zodanig leefde hij in de Esseërkolonie te Nazareth. De Esseërs waren een geestelijke orde, die in grote eenvoud leefden. De familie van Jozef was echter van zeer hoge afkomst, zoals duidelijk blijkt uit de afstammingstabellen die de evangeliën nadrukkelijk mededelen.
Het Mattheus Evangelie opent met deze reeks in Matth. 1-1-17, welke begint bij Abraham, Isaac en Jacob en over David en Salomo in 42 stappen tot Jezus voert. Het Lucas Evangelie vermeldt de afstammingsreeks in Lucas 111-23-33, beginnende bij God en lopende over Adam, Noach, Abraham, Isaac, Jacob, David, Nathan in 77 stappen tot Jezus. De ene reeks, de Salomonische, omvat vele namen van koningen, die over Israël heersten zolang dit land zijn onafhankelijkheid behield; de andere reeks, de Nathanische, noemt namen van belangrijke figuren uit de Hebreeuwse priesterwereld. De koningen uit de eerste reeks waren wijzen, die beschikten over de mysterie-wijsheid van de oudheid, de priesters uit de tweede reeks kenden de geestelijke leiding die de levensloop van het Joodse volk bepaalde.

Zo gezien is Jozef de drager van de hoogste geestelijke goederen, die het Joodse volk bezat en die het van geslacht op geslacht overgedragen, aangevuld en gezuiverd had. Deze overdracht berustte in hoge mate op eigenschappen, die van vader op zoon overgaan, dus op erfelijkheid. Daarom hechtte het Joodse volk grote waarde aan de zuiverheid van het bloed, want voor hen was het besef ”Ik en de Vader Abraham zijn één” een levend begrip, dat de hoogste waarde van hun geestelijke invloed uitdrukte, immers het voerde hen tot de diepste oorsprong van hun eigen wezen terug.

In Jozef werken dus de krachten van het verleden, die, zoals bij alle gebeurtenissen, de basis gevormd hebben voor het nieuwe gebeuren dat zal gaan plaatsvinden en dat een metamorfose is van hetgeen in het verleden gevormd was. Jozef is de drager van de krachten die het kerstgebeuren voorbereid hebben. Jozef is een oud man, zijn persoon hangt samen met het verleden, oudheid, in tegenstelling tot Maria in wier wezen de toekomstkrachten liggen; zij is jong.

De Essers bereikten door hun levenswijze en hun geestelijke oefeningen een bewustwording van de verbondenheid van het individu in de rij van de geslachten. Zij waren geen losse takken, maar twijgen aan de boom van het geslacht.

Door de kennis die Jozef verkregen had in Esseër-kringen wist hij, dat de Geest die zich als Jahve aan Abraham geopenbaard had, in de loop van 42 generaties een mens, waarin het bloed zuiver gehouden was, zou kunnen doordringen en zich daardoor als mens op aarde zou kunnen openbaren. Dat de tijd van de

komst van de Messias nabij was. was aan de Esseërs bekend, want hun grote leraar, Jeshu ben Pandira, had er op gewezen hoe de rij van 42 generaties sinds Abraham zijn voltooiing naderde, terwijl het bloed in de Esseër- kringen door de bijzondere levenswijze van deze sekte, zeer zuiver gehouden was, zodat te verwachten was dat de Messias in die kringen geboren zou worden.

Later is het de hogere wijsheid van Jozef, hem in droomgezichten geopenbaard, die hem, volgens Mattheus II-I3-15, Maria en haar Kind deed wegvoeren naar Egypte om te ontsnappen aan de woede van Herodes en waardoor het jonge Jezuskind kon opgroeien het land der farao’s, het land van de oude wijsheid van Thot hetgeen voor de vorming van Jezus van het grootste belang geweest, zoals later bij de terugkeer in de Tempel te Jeruzalem bleek.

Ook nadien, toen Jozef met Maria en het Eind Jezus zich te Nazareth vestigden, moet de invloed van Jozef op de verdere ontwikkeling van de knaap Jezus in de Esseër-kringen groot geweest zijn en zal hij daaraan de leiding gegeven hebben, die nodig was voor de voorbereiding van Jezus als drager van de Christus op aarde..

 

Meister Bertram (ca 1345-1414) Rust tijdens de vlucht Hamburger Kunsthalle

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2326

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (36)

.

Frank de Fremery

.

MADONNA

Door alle eeuwen heen van schilder- en beeldhouwkunst is de Madonna met het Kindeke Jezus een geliefkoosd onderwerp geweest. Bijna alle grote kunstenaars hebben hun talent daar enige malen aan gegeven. Geen wonder, want het beeld van de reine, jonge Moeder met het jonge, vaak speelse Kind spreken tot alle mensenharten.
De schilder kan hierin het fijnste van zijn compositiekunst en uitdrukkingsvermogen leggen. Reeds zogezien is het te begrijpen, dat dit onderwerp zo vaak gekozen werd, daar het hier echter de Moeder Gods betreft, met het Kind, dat als Christus later op aarde zou wandelen, dat maakt het zo boven vele anderen verheven.

Er is een oneindige verscheidenheid in de Madonna’s, die in de verschillende eeuwen, in de verschillende landen, door de verschillende schildersscholen, door de verschillende schilders geschilderd zijn, terwijl toch het onderwerp zo eenvoudig en begrensd is. Maar zoals de komst van ieder jong mensenkind altijd de volle belangstelling van zijn omgeving trekt, al is het een volkomen natuurlijke veelvuldig voorkomende gebeurtenis, zo zijn de schilders, ieder op hun beurt, ertoe gekomen de Madonna te schilderen, sommige schilders zelfs veie malen. En zoals de verschillende jonge mensenkinderen en hun moeders alle hun eigen individuele karakter hebben, zo hebben het ook de Madonna-schilderijen

Toch is het opvallend, dat de Madonna door alle tijden heen een bepaald karakter behouden heeft en niet of weinig beïnvloed is door de veranderingen in tijden en gewoonten. Steeds is de Madonna gehuld in een zwaar geplooide kleding, vaak gesluierd, de kleding paste zich maar weinig aan bij de tijdmode.

Eigenlijk past de Madonna niet in het verhaal van de Geboorte in de Stal van Bethlehem volgens Lukas. Wel vertonen zich vaak os en ezel, Jozef of engelen terzijde of op de achtergrond, soms herders als het tafereel uitgebreid wordt tot de aanbidding, of de Koningen met hun gevolg, maar in plaats van de eenvoud van het verhaal vinden we de grootste weelde en pracht in de kleding van Maria.

Ook de stal is vaak op zeer vreemde wijze gecomponeerd, veelal omgeven door ruïnes of de Madonna bevindt zich zelfs in een paleis of in het schip van een kathedraal.

Wat hebben de schilders tot uiting willen brengen in hun schilderijen van de Madonna?

Om dx- te begrijpen moeten wij ons meer verdiepen in de betekenis van de geboorte van Jezus. Dit is niet alleen een historisch feit, maar het is een gebeurtenis voor het gehele geestelijke leven van de mensheid. Deze geboorte had plaats toen de mensheid reeds een lange ontwikkeling had doorgemaakt. Vanuit een oudheid, waarin de mens leefde temidden van goden en halfgoden, in voortdurend contact met de goddelijke wereld was hij door de ontwikkeling van zijn zelfbewustzijn en zijn kennis steeds onafhankelijker van deze godenwereld geworden.
Ee mens onttrok zich aan de directe inwerking van geestelijke goddelijke machten, hij leefde steeds meer in de sfeer van de stoffelijke wereld, Het geestelijke kende hij alleen nog uit de van buiten opgelegde wet, de decaloog, uit de overgeërfde ritus.

Christus echter wekte in het individuele innerlijk van de mensen het bewustzijn van de verwantschap met de goddelijke wereldgrond. Door Christus vonden de mensen de weg terug naar de hemelse krachten en werd in hen tot leven  gebracht het vermogen in hun “IK” het geestelijk goddelijke te laten spreken.

Daartoe moet de mens echter zijn innerlijk zuiveren en openstellen. Deze loutering brengt zijn ziel in een toestand van ontvankelijkheid voor de inwerking van de heilige geest, waardoor in hem de Mensenzoon gewekt wordt. Zo kan zich in iedere mens het gebeuren van Bethlehem spiegelen en dit maakt het gebeuren van Bethlehem zo belangrijk voor iedere mens
Deze loutering betreft in de eerste plaats alles wat de mens aan het aardse bindt en hem van het geestelijke afhoudt, dus zijn begeerten en hartstochten, zijn hebzucht en egoïsme.

Dit zijn hem ingeboren eigenschappen, die door erfelijkheid in zijn bloed zijn overgebracht. 0verwint de mens deze karakterfouten, dan wordt juist zijn hart de drager van de liefdekrachten die nu zijn hele wezen doorstromen. Het is het rood van dit gelouterde bloed, dat we steeds vinden in het kleed -van de Madonna.
Dit kleed valt in zware plooien breed uit op de grond als herinnering aan de binding aan de aarde door de bloedsbanden waaruit de fijne Madonnafiguur oprijst.
Over het rode kleed, dat de innerlijke gesteldheid der Madonna tot uitdrukking brengt, ligt een blauw overkleed, soms overgaande in een blauwe sluier. Hierin komt het hemelse geestelijk goddelijke in het wezen der Madonna tot uiting, evenals in de kroon met twaalf sterren, die zij somtijds draagt. Dit alles wijst op de kosmische krachten welke de mens gaat ondervinden, wanneer zijn ziel zo ver gereinigd is, dat hij de sluier van het stoffelijk waarneembare kan oplichten om het geestelijke, dat in alles ligt en werkzaam is, te aanschouwen.

Vaak is de Madonna omringd door engelen die rode rozen en witte lelies dragen. De roos is de bloem die door haar geur terugstraalt wat zij door zich open te stellen voor de zonnestraling, ontving. Zo moet de mens de krachten die hij ontvangt, wanneer hij zich openstelt voor de geestelijke wereld, weer als liefde doen uitstralen in zijn omgeving.

Het Kind dat de Madonna op de knieën draagt, is bij de latere schilders een echte baby, hoewel soms de houding of het gebaar aangeeft, dat dit Kind een bijzondere rol te spelen heeft: het wijst op een boek, het heft reeds zegenend een handje op. Dikwijls speelt het met een gouden bal, symbool der volmaakte zuivere wijsheid en onaantastbare wereldmacht. Bij de oudste schilders is het echter niet een baby, maar een klein mensje dat de Madonna op haar schoot de mensen voorhoudt: de Mensenzoon! Dat is het tere begin van het beleven van het goddelijke in het menselijk bewustzijn, dat gekoesterd moet worden als een klein kindje, wil het zich kunnen ontplooien tot kracht en rijpheid. Het is de kiem waaruit nieuwe krachten in de mens kunnen opgroeien. Het brengt in en over het mensenleven een nieuwe glans, zoals van het jonge mensenkind je afstraalt de glans van de hoge machten die zijn ontstaan geleid hebben.

Dit begin is geboren uit de zuivere oergrond van het heelal, uit Maria. Het draagt in zich het verband van de mens met de kosmische machten. Maar teer en fijn is het. Alleen door veel liefde, warme zorg en voortdurende toewijding kan het worden tot de kern die de gehele mens doordringt met de bezieling van het volle bewustzijn van zijn ware wezen. Deze toegewijde liefde is het ontroerende dat uit de Madonna-schilderijen spreekt. De mensheid moet zich tot Maria maken om in zich het Christusprincipe met moederlijke liefde in reinheid te koesteren.

In de Griekse oudheid kende men de jonkvrouwelijke Pallas Athene, dochter van Zeus, de Heer van het de aarde, overstralende licht en Metis, de Godin, der Oerkennis. Zij bewaarde de mysteriewijsheid der oudheid, de Maja, de geestelijke afspiegeling der wereld. Maria, eveneens jonkvrouw, draagt ook de zuivere bovenzinnelijke wijsheid in haar hart, maar door de bevruchting door de kosmische liefdekracht van de Heilige Geest, wordt uit haar de Christus geboren, zoon der Maja als werkzame impuls in het menselijke aardeleven.

De omgeving waarin de Madonna geplaatst wordt, is vaak zeer karakteristiek: een troon van drie treden, waarvan de voorhang door engelen weggeslagen wordt, een troon in het koor ener kerk, een licht houten bouwsel temidden van antieke ruïnes, soms gezeten op een rots of in een grot. Dit alles wijst op het hemelse, dat door de Madonna geopenbaard wordt, de kerk die door de komst van Christus gevestigd wordt, de noodzaak van het breken met de oude antieke heidense cultuur om plaats te maken voor het Christusprincipe en op de vereniging van het hemelse met de aarde. Hierin wordt uitgedrukt de dorheid, de vergankelijkheid, de duisternis die heersen in de aarde-wereld totdat Licht en eeuwig leven door Christus worden gebracht.

Ai deze motieven zijn verwerkt in de Madonna-schilderijen en hun oneindige diepte en rijkdom verklaart de oneindige variaties en modulatie die in deze schilderijen te vinden zijn. Het zuiverste komt de idee tot uiting in de oudste schilderijen van Cimabue, Giotto, Fra Angelico en de oude meesters van de Hollandse en Vlaamse scholen van Eyck, Rogier van der Weyden, Memlinc, Geertgen van St. Jans.
In de latere schilderingen van Botticelli, Leonardo da Vinci, Raphael wordt de voorstelling vrijer, natuurlijker, minder symbolisch, maar in hoofdaak blijft het karakter van de compositie bewaard en zelfs bij de moderne schilders als Toorop blijft het gehandhaafd, Het Madonna-beeld is eeuwig, want de Madonna is de eeuwigheid.

Zo leidt deze beschouwing ertoe de Madonna op te vatten als de imaginatie van hetgeen in onze ziel voor en door de Christus-impuls zal moeten geschieden. De zin van het leven wordt erin weerspiegeld. De aanschouwing ervan loutert onze ziel en maakt ons ontvankelijk voor de inwerking van de Heilige Geest. Naast de hoge artistieke waarde hebben de Madonna-schilderijen dus een zeer hoge innerlijke geestelijke waarde.

Fra Angelico da Fiesole (1387-1455) De geboorte van Christus

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2325