VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300B – Vergadering 16 juni 1921

.

Zie ‘het woord vooraf‘

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven.
Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan.
De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

Er wordt gezocht naar een vaste vorm om het schooljaar te openen. Iedere klassenleerkracht spreekt zijn/haar klas toe <1>
Een eerste aanzet om in de 10e klas EHBO te geven <2>
Over de werkdruk bij leerkrachten. Steiner vindt 22 uur al erg zwaar. <3>
Het onderwijs mist nog vitaliteit; het moet kunstzinniger; er is wat lusteloosheid: durf eens van je lesstof af te wijken, een kwinkslag e.d. <4>

 

RUDOLF STEINER

.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart

1919 bis 1924

Zweiter Band

Das dritte und vierte Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 2

Het derde en vierde schooljaar

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

Toevoegingen in blauw zijn van mij.

GA 300B

 

Konferenz vom Donnerstag 16. Juni 1921, 16 Uhr

Vergadering van donderdag 16 juni 1921, 16u

Blz. 17

Dr. Steiner: Nun wäre es gut, wenn heute damit begonnen würde, daß Sie alles vortrügen, was Sie auf der Seele haben. Morgen wird die Schulvereinskonferenz nicht so lange dauern, dann kann vielleicht nachher noch gesagt werden, was gesagt werden muß. Ich möchte herausbekommen, was aus dem Lehrerkollegium selbst hervorgeht.

Het zou goed zijn om vandaag te beginnen met het bespreken van alles wat jullie bezighoudt. De vergadering van de schoolvereniging* morgen duurt niet zo lang, dus wellicht kunnen de resterende punten daarna aan de orde komen. Ik wil graag horen welke ideeën er vanuit het lerarenteam zelf naar voren komen.

*Schulvereinskonferenz: Eerste ledenvergadering van de Vereniging „Freie Waldorfschule”.
Vgl. „Rudolf Steiner in der Waldorfschule”, GA 298/93 Op deze blog vertaald/93
Inleiding 1/20-22.

X.: Wir haben Samstag Schuleröffnungsfeier. Darüber ist noch nicht gesprochen worden.

X.: Zaterdag vindt de openingsceremonie van de school plaats. Dat is nog niet besproken.

Dr. Steiner: Die Sache ist schwierig, daß diese zwei Dinge rasch aufeinander folgen, Schluß und Eröffnung. Haben Sie irgend etwas gedacht, wie Sie es beginnen möchten?

Het feit dat deze twee gebeurtenissen – de afsluiting en de opening – zo kort op elkaar volgen, maakt de situatie lastig. Hebben jullie al nagedacht over hoe jullie willen beginnen?

X.: Wenn wir Herrn Doktor bitten dürften zu sprechen.

X.: Als we u zouden mogen vragen om te spreken, dokter.

Dr. Steiner: Ich werde das ganz gerne tun, daß ich etwas sage. Aber
ich halte es für unbedingt notwendig, wenn wie in der Antwort zur
Frage auch wieder die Klassenlehrer die Kinder ganz kurz empfangen
würden. Und ich weiß nicht, ob man nicht überhaupt das sichtbare
Symbolum des Schulanfangs entwickeln soll.

<1> Ik zeg graag een paar woorden. Ik acht het echter absoluut noodzakelijk – net als bij de beantwoording van de vraag – dat de klassenleerkrachten de kinderen kort verwelkomen. En ik vraag me af of we niet eigenlijk een zichtbaar symbool voor de start van het schooljaar zouden moeten ontwikkelen.

Es macht doch einen gewissen Eindruck auf die Kinder, wenn die Klassenlehrer ihre Kinder empfangen, und auch Repräsentanten für nicht klassenmäßige
Unterrichtsgegenstände, ein Sprachlehrer, ein Eurythmielehrer, ein
Handfertigkeitslehrer, eine Handarbeitslehrerin. Es ist eine etwas lange Galerie. Es macht einen gewissen Eindruck, wenn man ihnen ein beherztes Wort am Anfang sagt. Sie werden sehen, es macht einen Eindruck. Ich will die Ansprache zuerst machen, dann könnte sich das daranschließen, und dann — wäre es ganz unmöglich, daß doch irgend etwas den Kindern auch musikalisch entgegenklingt? Daß man etwas spielt als Schluß der Feier? Es wäre schön, wenn die Feier musikalisch ausklingen würde.

Het maakt zeker indruk op de kinderen wanneer de klassenleerkrachten hen verwelkomen, samen met de leraren voor vakken buiten het vaste klassenprogramma: een taaldocent, een euritmiedocent, een docent handvaardigheid en een docent handwerken. Het is een hele rij. Het maakt indruk wanneer ze bij de opening met een bezield woord worden toegesproken. U zult zien, het maakt indruk. Ik ben van plan eerst het woord te richten tot de aanwezigen; daarna zouden de voorstellingen kunnen volgen, en vervolgens… zou het mogelijk zijn om ook wat muziek voor de kinderen te hebben? Om iets te spelen aan het slot van de plechtigheid? Het zou mooi zijn als de plechtigheid met muziek zou eindigen.

X..’ Wir können etwas singen.

X…: We zouden iets kunnen zingen.

Dr. Steiner: So würde ich es schon meinen.

Dat is precies wat ik in gedachten had. <1>

Es wird nach der Klassenverteilung gefragt.

Er wordt een vraag gesteld over de toewijzing van de klassen.

Dr. Steiner: Das ist keine leichte Frage. Einige der neuen Klassenlehrer haben wir schon ganz fest, andere werden erst später eintreten können. Fräulein Düberg wird die Klasse la übernehmen, Fräulein v. Grunelius die 3b und Herr Ruhtenberg die 5b. Dann käme die 8., 9. und 10. Klasse.

Dat is geen eenvoudige vraag. We hebben voor sommige nieuwe klassen al definitief leerkrachten vastgelegd, terwijl anderen pas later kunnen beginnen. Juffrouw Düberg neemt klas 1a voor haar rekening, juffrouw v. Grunelius klas 3b en de heer Ruhtenberg klas 5b. Dan zijn er nog de klassen 8, 9 en 10.

Blz. 18

Es wird sich nicht leicht machen lassen, auch da, wie es sonst wünschenswert wäre, das bisherige System beizubehalten.
(Zu Herrn X.): Würde es Ihnen möglich sein, da auch Mechanik und Feldmessen mit Situationszeichnen zu machen? Es wäre doch wohl wünschenswert, wenn wir es so einrichten könnten, daß wir in der 10. Klasse drei Lehrer hätten; das würde nach sich ziehen, daß wir auch in der 9. Klasse drei Lehrer hätten. Es wäre gut, wenn wir die letzten drei Klassen so fuhren, daß drei Lehrer sie versorgen.
Bei Dr. Schwebsch ist es so, daß wir ihn noch ersetzen müssen bis Anfang Juli. Wir haben sehr wenig Lehrkräfte. Es fehlt der Englert. Dr. Kolisko wird erst im Herbst eintreten.
Wie wir den Stoff verteilen, das würde so sein, daß — ich hätte eigentlich am liebsten vier Lehrer für diese drei Klassen. Es wird vorläufig nicht gehen. Was möchten Sie am liebsten unterrichten, Dr. Stein?

Het zal niet eenvoudig zijn om het bestaande systeem te handhaven – ook al zou dat op zich wenselijk zijn.
(Tot de heer X): Zou het voor u mogelijk zijn om ook mechanica en landmeten inclusief topografisch tekenen te verzorgen? Het zou zeker wenselijk zijn als we het zo konden regelen dat we drie leraren voor de tiende klas hadden; dat zou betekenen dat we ook drie leraren voor de negende klas zouden hebben. Het zou goed zijn om de laatste drie klassen zo in te richten dat ze door drie leraren worden verzorgd.
Wat dr. Schwebsch betreft: we moeten nog een vervanger voor hem vinden tot
begin juli. We hebben maar weinig onderwijzend personeel. Englert ontbreekt.
Dr. Kolisko komt pas in de herfst bij ons.
Wat de verdeling van de lesstof betreft – tja, eigenlijk zou ik de voorkeur geven aan vier leraren voor deze drie klassen.
Dat zal voorlopig niet mogelijk zijn. Wat zou u het liefst willen geven, dr. Stein?

X.: Mir wäre am liebsten, wenn Herr Doktor mir eine Aufgabe stellen würde.

X.: Ik zou het prettig vinden als u, dokter, mij een taak zou toewijzen.

Dr. Steiner: Ich meine, Sie sollten bei diesen Dingen bleiben, bei denen Sie gewesen sind: die Literaturgeschichte übernehmen und dazu noch die Geschichte in der 10. Klasse. Also Literatur und die deutsche Sprache in allen dreien, Geschichte in der 10. Klasse. Dann würde ich meinen, die Geschichte für die 8. und 9. Klasse übernimmt der Dr. X., und Sie, Herr Y., die Fächer, die da sind Mathematik, Physik und Naturwissenschaften für die drei Klassen, und dann für die 10. Klasse Mechanik und Feldmessen, Situationszeichnen. —
Nur ist da eine Schwierigkeit, das ist nur der dritte Teil der Zeit. Wir machen keinen Stundenplan, bestimmen nur die Zeit für jedes Fach. — Ich habe vier Lehrer gewollt, es läßt sich jetzt noch nicht einrichten. Für Turnen den jungen Englert ausprobieren.

Ik denk dat u zich moet beperken tot de vakken die u al deed: literatuurgeschiedenis en geschiedenis voor de tiende klas. Dus literatuur en Duitse taal voor alle drie de klassen, en geschiedenis voor de tiende klas. Verder stel ik voor dat Dr. X. geschiedenis voor de achtste en negende klas op zich neemt, en dat u, meneer Y., wiskunde, natuurkunde en natuurwetenschappen voor alle drie de klassen verzorgt, evenals mechanica, landmeten en topografisch tekenen* voor de tiende klas. — Het enige probleem is dat dit slechts een derde van de beschikbare tijd in beslag neemt. We stellen nog geen volledig lesrooster+ op; we verdelen alleen de tijd per vak. — Ik had graag vier leraren gehad, maar dat is op dit moment niet haalbaar. We zouden de jonge Englert kunnen proberen voor gymnastiek.

*Mechanica, landmeten en topografisch tekenen; verder beneden: spinnen en weven**; gezondheidsleer en verbandleer***: Vgl. wat er op blz. 29 wordt gezegd.

+Geen lesrooster wil hier zeggen : nog geen vastgelegd rooster in welke tijd van het jaar de aparte lesonderdelen in de bovenbouw zouden plaatsvinden, alleen de hoeveelheid tijd.

X.; Ich hatte damit gerechnet, daß ich die Lebenskunde in einer der höheren
Klassen übernehmen sollte oder beim Unterricht für bereits Entlassene.

X.: Ik had verwacht dat ik ‘levenskunde’ zou gaan geven in een van de hogere klassen of aan de leerlingen die de school al hebben verlaten.

18 Levenskunde: Technologie. Zie 1/286. <10>

Dr. Steiner: Die Lebenskunde kommt erst in der 11. Klasse. Sie sind Elektriker. Es müßte jemand Spinnerei und Weberei unterrichten, das ist ein besonderer Lehrgegenstand in der technischen Hochschule. Das können auch unsere Leute vom Forschungsinstitut machen.

‘Levenskunde’ komt pas in de elfde klas aan bod. U bent elektricien. Iemand moet spinnen en weven** onderwijzen; dat is een gespecialiseerd vak aan de technische school. Mensen van ons onderzoeksinstituut zouden dat ook kunnen doen.

X..- Ich kann das lernen.

X.: Ik kan het leren.

Dr. Steiner (zu Dr. Kolisko): Wenn Sie im Oktober eintreten, so könnten Sie doch Gesundheitslehre und Verbandslehre in der 10. Klasse übernehmen; das müssen wir haben.

<2> (tegen Dr. Kolisko): Wanneer u in oktober bij ons komt, zou u gezondheidsleer en verbandleer*** voor de tiende klas op u kunnen nemen; dat moet echt worden ingevuld. <2>

Jetzt bliebe nur noch die Vertretung für die 1b . (Zu Frau Stein, die einige Monate beurlaubt gewesen war:) Sie wollen wieder in die Eurythmie. Könnten Sie nicht einmal für sechs Wochen die 1. Klasse b übernehmen? Ihr Dialekt ist das einzige Bedenken, das nehmen die Kinder an.* Vielleicht ist es die beste Lösung, wenn wir Dr. Schubert bitten, diese Vertretung in der lb zu übernehmen.
* FrauSteinwar Ungarin.
Für den Religionsunterricht habe ich viel gesucht, ich finde niemanden. Es ist notwendig, daß die Kinder nach den Klassen verteilt werden. Ich möchte vermeiden, daß der Religionsunterricht als irgend etwas in die Schule Eingereihtes erscheint.
Es wird die Verteilung des Sprachunterrichts besprochen. Dabei wird erwähnt, daß in einigen Gruppen des altsprachlichen Unterrichts nur wenige Kinder sind.

Nu hoeft alleen de vervangende leerkracht voor klas 1b nog te worden gevonden. (Tegen mevrouw Stein, die enkele maanden met verlof was geweest:) U wilt weer euritmie gaan geven. Zou u klas 1b niet voor zes weken kunnen overnemen? Het enige punt van zorg is uw dialect – dat nemen de kinderen over.* Misschien is de beste oplossing om dr. Schubert te vragen deze vervanging in klas 1b op zich te nemen.
* Mevrouw Stein was Hongaarse.
Ik heb uitgebreid gezocht naar een leerkracht godsdienstonderwijs, maar ik kan niemand vinden. Het is noodzakelijk om de kinderen in hun respectievelijke klassen in te delen. Ik wil voorkomen dat godsdienstonderwijs slechts overkomt als iets dat aan het schoolleerplan is bijgeplakt.
De verdeling van de taallessen wordt besproken. Er wordt op gewezen dat er in sommige groepen voor klassieke talen maar heel weinig kinderen zitten.

Dr. Steiner: Wenn Sie auch nur einen haben, wenn nur einer da ist, muß er unterrichtet werden. Das nutzt nichts, das muß eben sein. Im Herbst kommt Fräulein Dr. Röschl, da werden wir die Sache kräftig in Angriff nehmen können. Über den Lehrplan sprechen wir noch.
Wir werden erst in der 5. Klasse anfangen.
Im Handarbeitsunterricht, da können wir nur die 10. Klasse dazunehmen und müssen es immer künstlerischer und künstlerischer machen.

Zelfs als er maar één is – als er slechts één leerling aanwezig is – moet er les worden gegeven. Daar is geen ontkomen aan; het moet gewoon gebeuren. Dr. Röschl komt in de herfst; dan kunnen we deze zaak voortvarend aanpakken. Het leerplan bespreken we later.
We beginnen pas in de vijfde klas met dit vak.
Wat betreft de lessen handvaardigheid: we kunnen de tiende klas erbij betrekken, maar we moeten het onderwijs steeds meer een artistiek karakter geven.

Es wird über die Belastung der einzelnen Lehrer gesprochen.

<3> De werkbelasting van individuele leraren wordt besproken.

Dr. Steiner: Herr X. hat 22 Stunden, das ist zuviel; ebenso Herr Y.
mit 24 Stunden. Herr Z. könnte noch mehr übernehmen, er hat
16 Stunden. Herr V. hat mit 22 Stunden auch reichlich viel.

Es wird nun gefragt nach dem Zusammenhang der verschiedenen inneren
Organe des Menschen mit anderen Epochen der Geschichte.*
* Vier Tage zuvor hatte Dr. Steiner am Schluß des ersten Vortrages des Kurses über „Menschenerkenntnis und Unterrichtsgestaltung” gesagt, bei der
Funktion der Leber könne der Lehrer lernen, wie die Geschichte des späteren Ägypten zu behandeln sei.

De heer X. heeft 22 uur – dat is te veel; hetzelfde geldt voor de heer Y.
met 24 uur. De heer Z. zou meer op zich kunnen nemen; hij heeft 16 uur. Ook de heer V. heeft met 22 uur een zeer zware belasting. <3>

Vervolgens komt de vraag aan de orde naar het verband tussen de verschillende
menselijke inwendige organen en andere tijdperken uit de geschiedenis.*
* Vier dagen eerder, aan het einde van de eerste voordracht van de cursus “Menskunde en opvoeding ” [GA 302/23] Vertaald/22, had Dr. Steiner gezegd dat de leraar kon leren hoe de geschiedenis van het latere Egypte te benaderen door de functie van de lever te bestuderen.

Dr. Steiner: Man sollte das nicht furchtbar bewußt machen. Wenn man es zu bewußt macht, dann würde man etwas Erzwungenes tun.
Ich würde das lieber dem überlassen, daß der Geschichtslehrer sich eine Kenntnis des menschlichen Organismus anschaffen soll. Dann wird er schon auf das Organ kommen, das die Stimmung gibt.
Es ist noch nicht überall genug Lebendigkeit im Unterricht darin.

Men moet er geen groot, bewust punt van maken. Als je het te bewust aanpakt, wordt het resultaat geforceerd.
Ik laat het liever aan de geschiedenisleraar over om kennis van het menselijk organisme op te doen. Hij zal dan vanzelf uitkomen bij het orgaan dat de stemming bepaalt.
<4> Er zit in nog niet genoeg vitaliteit in het onderwijs.

Blz. 20

Sie haben in den meisten Klassen Schwierigkeiten in bezug auf die Mitarbeit der Kinder. Sie sind nicht alle aufmerksam, es arbeiten nicht alle mit. Das ist etwas, was noch überwunden werden muß.
Es ist mir zum Beispiel aufgefallen, wie bei dieser Jean-Paul-Besprechung die Kinder etwas lethargisch gewesen sind.

U ervaart moeilijkheden bij de deelname van de kinderen aan de meeste lessen. Niet allemaal zijn ze aandachtig; niet iedereen doet mee. Dat is iets wat nog overwonnen moet worden.
Ik merkte bijvoorbeeld hoe lusteloos de kinderen waren tijdens die bespreking over Jean Paul.

X.: Es war immer nur dann, wenn ich zu abstrakt war, wenn ich versucht
habe, zu stark Begriffliches zu bringen. Wenn ich selbst Beispiele gebildet
habe und Ähnliches, dann waren sie ganz dabei.

X.: Dat gebeurde alleen wanneer ik te abstract was – toen ik probeerde concepten te introduceren die te zwaar waren. Telkens als ik zelf met voorbeelden kwam, of iets dergelijks, waren ze volledig betrokken.

Dr. Steiner: Es ist nötig, daß Sie nicht die Teilnahme überspannen, sondern wirklich manchmal etwas wie „Rührt euch!” eintreten lassen, ohne daß dadurch die Kinder ausarten. Und das erreicht man dadurch, daß man an bestimmten Stellen die gespannte Aufmerksamkeit so etwas entschlüpfen läßt und irgend etwas einfügt, indem man eine Kleinigkeit bespricht oder einen Spaß macht oder dergleichen. Das ist für die Kinder ungeheuer gut, wenn Sie etwas einfließen lassen, was nicht zur Stunde gehört, so daß man ein menschliches Verhältnis hineinbringt. Nicht Spaßvogel für die Klasse werden, aber ein menschliches Verhältnis entstehen lassen, das ist sehr wichtig; daß man das menschliche Verhältnis der Kinder untereinander einbezieht.

Je moet vermijden dat je hun betrokkenheid te zwaar belast; in plaats daarvan moet je ruimte bieden voor momenten van ontspanning – een soort fase van ‘even op adem komen’ – zonder dat de kinderen uit de bocht vliegen. Dit bereik je door die gespannen aandacht op bepaalde momenten wat te laten verslappen en er iets anders tussendoor te gooien: een klein detail bespreken, een grapje maken, of iets dergelijks. Het is enorm waardevol voor de kinderen als je iets in de les verweeft dat er niet direct mee te maken heeft, en zo een menselijke verbinding tot stand brengt. Je moet niet de clown van de klas worden, maar het toelaten van een menselijke verbinding is erg belangrijk – ook wat betreft de menselijke onderlinge relaties tussen de kinderen. <4>

Dr. Steiner liest einen Brief des Stadtarztes vor, worin er unter anderem
schrieb, daß die Schüler der Waldorfschule schlechte Zähne hätten.

leest een brief voor van de gemeentarts, waarin deze onder meer schreef dat de leerlingen van de Waldorf-school een slecht gebit hebben.

Dr. Steiner: Das ist ein Bluff! Das ist etwas, was nur festgestellt werden könnte, wenn man der Sache nachginge. Das ist Blech! Da müßte man feststellen, welche Kinder schlechte Zähne haben. Das müßte gemacht werden. Man hat festzustellen, wieviele Kinder schlechte Zähne haben; die gute Zähne haben, scheidet man aus. Bei denen, die schlechte Zähne haben, genau nachforschen, woher sie kommen, ob es Proletarierkinder sind; man müßte auf die Kinder das
Augenmerk lenken. Die schlechten Zähne sind wirklich auch noch davon herrührend, daß wir viele Proletarierkinder haben, weil die
 roletarier-Stadtkinder ungepflegte, schlechte Zähne haben. Haben
Sie irgendwelche Apercus nach dieser Richtung hin?

Dat is bluf! Dat is iets wat alleen vastgesteld kan worden door de zaak daadwerkelijk te onderzoeken. Het is onzin! Men zou precies moeten vaststellen welke kinderen een slecht gebit hebben. Dat is wat er moet gebeuren. Men moet nagaan hoeveel kinderen een slecht gebit hebben; degenen met een goed gebit worden buiten beschouwing gelaten. Wat betreft degenen die wel een slecht gebit hebben, moet jr precies onderzoeken waar ze vandaan komen – of het kinderen van het proletariaat zijn; op die kinderen zou de aandacht gericht moeten worden. Het slechte gebit komt werkelijk voort uit het feit dat we veel kinderen uit het proletariaat hebben, omdat kinderen van arbeiders uit de stad vaak een verwaarloosd, slecht gebit hebben. Heeft u waarnemingen in die richting?

X.: Ich habe meine Klasse untersucht. Die Zähne sind nicht besonders
schlecht. Am schlechtesten bei K., der aus Amerika kam.

X.: Ik heb mijn klas onderzocht. Het gebit is niet bijzonder slecht. Het ergste geval is K., die uit Amerika kwam.

Dr. Steiner: Daß diejenigen Kinder, die von sehr weit kommen, einen schadhaften Zahn oder mehrere haben, das ist etwas sehr Gewöhnliches. Man müßte das untersuchen auf den Sachgehalt hin dorfschule schlechte Zähne haben.

Het komt vaak voor dat kinderen die van heel ver komen, een of meer gebrekkige tanden hebben. Men zou de feiten moeten onderzoeken. Het is in ieder geval onzin om te beweren dat de kinderen van de Waldorf-school een slecht gebit hebben.

Blz. 21

Die Waldorfschule bestand nicht ganz zwei Jahre, als der Stadtphysikus sie untersuchte. Unter allen Umständen, wenn dämonische Gewalten diese Kinder zusammengetragen haben, so könnte, selbst wenn die Waldorfschule verschlechternd wirken könnte, so könnte das nicht sich zeigen. Selbst wenn man so weit gehen würde, es gäbe etwas in der Waldorfschule, was die Zähne kaputt macht — man könnte beim Eurythmiesaal, bei dem könnte man das denken —, das kann nicht in eindreiviertel Jahren sich zeigen.
Dieser Turnsaal, der ist doch etwas recht Schlimmes, das ist er schon.
Es ist offenbar der Grund, die Grundbeschaffenheit doch nicht gut; es muß etwas Modriges sein. Der Keller, der dünstet aus. Es ist vor allen Dingen ein modriger Geschmack darin. Die Eurythmie wird in andere Räume verlegt. Wie weit stehen wir mit dem Fertigwerden der neuen Räume?

De Waldorf-school bestond nog geen twee jaar toen de gemeentelijke geneesheer haar inspecteerde. Zelfs als men — onder welke omstandigheden dan ook — zou aannemen dat demonische krachten deze kinderen hadden samengebracht, zou een eventueel schadelijk effect van de school zich op dat moment nog onmogelijk kunnen manifesteren. Zelfs als men zo ver zou gaan te beweren dat er iets in de Waldorf-school was dat het gebit van de kinderen aantastte — men zou daarbij bijvoorbeeld aan de eurythmiezaal kunnen denken — dan nog zou een dergelijk effect niet binnen anderhalf tot twee jaar zichtbaar kunnen worden.
Die gymzaal is inderdaad een bijzonder slechte plek; daarover bestaat geen twijfel. De bouwkundige staat is klaarblijkelijk slecht; er moet een muffe sfeer hangen. Er stijgen dampen op uit de kelder. Bovenal hangt er een muffe geur in de lucht. De euritmielessen worden naar andere ruimtes verplaatst. Hoe ver zijn we gevorderd met de nieuwe ruimtes?

Bl. 21

Es wird berichtet.

Er wordt verslag uitgebracht.

Dr. Steiner: Im nächsten Frühjahr kommt die 11. Klasse, da brauchen wir eine Menge neuer Räume. Vor allen Dingen brauchen wir Räume, die noch mehr ausreichen für den musikalischen Unterricht; das brauchen wir wirklich. Im Grunde genommen ist das immer noch ein Surrogat, ein klägliches. Das ist eine furchtbare Sorge. Es fehlt noch etwas zu diesem Fertigwerden, was sehr wichtig ist, das Geld: zwei bis zweieinhalb Millionen. Aus dem Vermögen des Waldorfschulvereins können wir nichts dazugeben.

Komend voorjaar komt de elfde klas erbij; daarvoor hebben we een groot aantal nieuwe lokalen nodig. We hebben vooral behoefte aan lokalen die beter geschikt zijn voor muziekonderwijs; dat hebben we echt nodig. Wat we nu hebben, is in feite nog steeds een noodoplossing – en wel een erbarmelijke. Het baart grote zorgen.
Eén ding dat nog ontbreekt voor de voltooiing van het project is cruciaal: het geld – twee tot tweeënhalf miljoen. We kunnen niets bijdragen vanuit het vermogen van de Waldorfscholenvereniging.

Molt schlägt vor, die Firma solle es machen und dazu eine Hypothek beschaffen.

Molt stelt voor dat de onderneming de zaak op zich neemt en een hypotheek afsluit

Dr. Steiner: Ist das nicht, wie man in Wien sagt, gehupft wie gesprungen?

Is dat geen– zoals ze in Wenen zeggen – lood om oud ijzer?

Molt: Auch bei uns sagt man so.

Molt: Dat zeggen we hier ook.

Es wird noch über die Möglichkeit gesprochen, Geld zu beschaffen.

Er volgt een verdere bespreking over de mogelijkheden om fondsen te werven.
GA 300B/17-21
Niet vertaald

.

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3608-4001

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geheugen (5)

.

goede gewoontes aanleren

.

Dat aanleren begint al heel vroeg, eigenlijk al ‘in de wieg’. Als baby en de jaren daarna leert het kind ongelooflijk veel: door de kracht van de nabootsing.
Via de zintuigen – Steiner: het jonge kind is een en al zintuig – neemt het onbewust vrijwel alles over wat er in de omgeving gebeurt, niet alleen aan gebaren, maar ook aan stemmingen.
Dit gebeurt omdat het geest-zielenwezen van het jonge kind zich nog voor een deel ‘om hem heen’ bevindt, nog niet tot binnen de grenzen van het lichamelijke is geïncarneerd.
In de Algemene menskunde wordt dit zo verwoord
:

Das Seelische ist so verbunden mit diesem Kopfe, daß das Kind, indem es geboren wird und auch noch während es sich entwickelt in den ersten Lebensjahren, im Kopfe alles Seelische träumt. Wir haben einen sehr, sehr ausgebildeten Leib als Kopf. Wir haben darin eine träumende Seele, eine deutlich träumende Seele und einen noch schlafenden Geist. . Diese Entwicklung ist ja bis zum Zahnwechsel hin so, daß der Mensch vorzugsweise ein nachahmendes Wesen ist. Es tut der Mensch alles dasjenige, was er seiner Umgebung absieht. Daß er das tun kann, verdankt er eben gerade dem Umstande, daß sein Kopfgeist schläft. Dadurch kann er mit diesem Kopfgeiste außerhalb des Kopfleibes weilen. Er kann sich in der Umgebung aufhalten. Denn wenn man schläft, so ist man mit seinem Geistig-Seelischen außerhalb des Leibes. Das Kind ist mit seinem Geistig-Seelischen, mit seinem schlafenden Geiste und mit seiner träumenden Seele außerhalb des Kopfes. Es ist bei denen, die in seiner Umgebung sind, es lebt mit denen, die in seiner Umgebung sind. Daher ist das Kind ein nachahmendes Wesen. Daher entwickelt sich auch aus der träumenden Seele heraus die Liebe zur Umgebung, vorzugsweise die Liebe zu den Eltern.

De verbinding van de ziel met het hoofd is zo, dat een kind na de geboorte, en ook nog tijdens zijn ontwikkeling in de eerste levensjaren, in zijn hoofd een droombewustzijn heeft van het gebied van de ziel. En het gebied van de geest slaapt in het hoofd.
Dat betekent een merkwaardige samenvoeging van lichaam, ziel en geest in het hoofd van de mens. We hebben een zeer, zeer ontwikkeld lichaam als hoofd met daarin een dromende ziel, een duidelijk dromende ziel en een nog slapende geest. Nu gaat het erom dit zojuist geschetste feit in overeenstemming te zien met de hele ontwikkeling van de mens. Deze ontwikkeling verloopt tot
de tandenwisseling immers zo, dat de mens in die fase voornamelijk nabootst. De mens doet alles wat hij om zich heen ziet na. Dat hij dat kan doen, heeft hij te danken aan het feit dat zijn geest in zijn hoofd slaapt. Daardoor kan hij met dit geestelijke hoofd buiten zijn lichamelijke hoofd blijven. Deze geest kan zich in de buitenwereld ophouden. Wanneer men slaapt is men met geest en ziel buiten het lichaam. Het kind is met zijn geest en ziel, die slapen respectievelijk dromen, buiten het hoofd. Het is bij degenen die om hem heen zijn, het leeft met degenen die om hem heen zijn.
Daardoor bootst het kind na. Daardoor ontwikkelt zich vanuit de dromende ziel de liefde tot de omgeving, vooral de liefde tot de ouders.
GA 293/161
Vertaald/155

Ik vraag me weleens af, als ik zoiets lees, waarom tref je dan in de wereld zoveel niet-liefde, zelfs haat, tot de omgeving aan. Is het in deze fase al verkeerd gegaan?

Er is dus een a.h.w. een ‘onbegrensd’ contact met de omgeving, een bepaalde interactie die door het geest-zielenwezen via het hoofd naar de ‘rest van het lichaam’ wordt gestuurd.

Die Erlebnisse der höheren Glieder übertragen sich immer mehr und mehr auf die unteren Glieder. Da sehen wir, wie wichtig es ist für den Menschen, daß er eine Ahnung davon habe, daß die höheren Glieder hineinwirken müssen in die dichteren Glieder. Es ist so in des Menschen Hand gestellt, in gesunder, praktischer Weise hineinzuwirken in die niedern Glieder.

De ervaringen van de hogere wezensdelen worden in toenemende mate overgedragen op de lagere wezensdelen. Hier zien we hoe belangrijk het voor de mens is om enig besef te hebben van het feit dat de hogere wezensdelen moeten inwerken op de dichtere wezensdelen. Het ligt in de macht van de mens om op een gezonde, praktische wijze op de lagere wezensdelen in te werken.

Dem Äther- oder Lebensleib wird von oben herunter eingeprägt, was wir Gewohnheit, Übung oder was wir Gewissen nennen.

Wat wij gewoonte, beoefening of geweten noemen, wordt van bovenaf in dit ether- of levenslichaam ingeprent.
GA 57/273
Niet vertaald

In ons volwassen leven hebben we ook vele gewoontes: we staan meestal dagelijks rond dezelfde tijd op en gaan op een bepaalde tijd weer naar bed; de maaltijden vinden als regel rond dezelfde tijden plaats enz.
Soms moeten we daarvan afwijken, maar dan merken we al gauw dat we daar moeite mee hebben, zoals veel mensen bv. bij de overgang van zomer- naar wintertijd v.v. We raken van slag.
En omdat kinderen deel uitmaken van een gezin, is dat voor hen ook zo.

M.a.w. willen we in onze levenskrachten goed functioneren, dan is ritme daarbij van essentieel belang.

En hoe jonger het kind, des te belangrijker het ritme waarin de dingen gebeuren waarmee het moet opgroeien, is.
En omdat het kind sterk afhankelijk is van ritme, is het ook zinvol om dezelfde dingen bij herhaling, hetzelfde te doen.
(Ritmische) herhaling voor de jongsten, maar ook voor het wat oudere kind, de peuter en de kleuter.
Ook voor hen is het goed dat veel hetzelfde gaat – een soort vast ritueel – het geeft zekerheid, zo gaan de dingen in de wereld.

Als dan voor de periode 7 tot 14 geldt dat hier het etherlijf pas echt kan worden opgevoed, geldt ook zeker dat de al begonnen gewoontevorming moet worden voortgezet.
En hoewel de kracht van de nabootsing afneemt, doet het kind nog gewoon wat jij voorleeft.
Ook daarom in de basisschool vaste patronen bij van alles en nog wat.
Het klaarzetten van de schilderspullen, de volgorde: een vast patroon geeft zekerheid.
Je zou dat ook als ‘iets ritmisch’ kunnen beschouwen.
Ritme neigt hier naar maat: het regelmatige terugkeren.
Het is ook een ‘verloop in de tijd’ en daarmee is het a.h.w. ‘etherlijf-eigen’: ook het etherlijf is in zekere zin een tijdlijf, i.t.t. het fysieke lichaam dat een ruimtelichaam is. 

Het eigen voorbeeld

Met in het achterhoofd de ‘pedagogische wet’ weet je, dat je eigen astraalwezen – het openstaan voor allerlei indrukken, het daarop (direct) reageren, het a.h.w. ‘kortstondige’ bij ons is, terwijl gewoontevorming ontstaat door het ‘langdurige’.
Hier moet je dus als leerkracht ook je eigen gewoontevorming cultiveren.
Hoe doe jij de dingen (voor)?
Heb je in de gaten of je planten in de klas hun regelmatige zorg krijgen?
Hoe hangen de jassen aan de kapstok en hoe staan de kaplaarzen?


Hoe liggen de krijtjes in de bak onder het bord?
Hoe is het handschrift op het bord?

 

 

Hoe hangen de schilderingen aan de muur? Slordig of verzorgd?

Deze kan echt niet. Jammer dat zoiets op Pinterest terechtkomt!

Dat ziet er heel wat verzorgder uit! 

Als je na een dag voor de klas de moeite neemt naar jezelf te kijken  – alsof je die dag achter in de klas had gezeten – zie je, tenminste zo verging het mij, veel gedragingen waarvan je je kan afvragen: ‘Waarom doe ik dat zo?’
En dan is vaak het antwoord niet makkelijk te vinden. Veelal kwam ik uit bij mijn eigen schooltijd of jonge jaren en soms wist ik: ‘O ja, die deed dat ook’. 
Zo diep kan iets zich in je nestelen wat je onbewust hebt opgenomen.

Er kan nog oneindig veel meer gezegd worden:
Ga je op je eigen tafel zitten als je vertelt; of op een kindertafel; hoe opgeruimd is je tafel steeds; hoe is het met de kastjes van de kinderen; hoe begin en eindig je de dag, zoveel, zoveel.
Toen ik pas begon, was het op dit gebied bij mij ook zeker niet, zoals ik het hier idealiter beschrijf, maar toen ik het belang ervan ging zien, kon ik er ook veel bewuster mee omgaan. 

En met Goethes woorden:

Wie altijd strevend zijn best,

Die kunnen wij verlossen.

vastberaden voorwaarts!

 

Rudolf Steiner over: geheugen

Geheugen, herinneren: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3607-4000

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over mythen en sagen (GA 101)

.
GA 101

Deze hele voordrachtenreeks staat in het teken van wat zijn de diepere betekenissen van sagen en mythen.
Deze voordrachten waren bestemd voor leden van de Antroposofische Vereniging en vooronderstellen een zekere inhoudelijke antroposofische kennis.

Omdat wij op de vrijeschool in klas 4, 5 en 6 mythen vertellen – het is het vertelthema van die klassen, kan het een verrijking zijn om van deze achtergronden te weten.
Niet om ze aan de leerlingen te vertellen – die krijgen alleen de overgeleverde verhalen te horen – maar als verdieping voor de leerkracht, bv. in de zin van wat vertel ik eigenlijk.

Hieronder vind je gedeelten van deze voordrachtenreeks vertaald. Niet ieder woord, maar alleen die stukken die ik zelf relevant vind als achtergrond.
Ik geef wél de volledige Duitse tekst weer in groen en de onvertaalde passages in een andere tint.
De tekst in blauw is van mij. Hier en daar zal ik e.e.a. aanvullen, naar iets verwijzen e.d.

iNHOUD:

Oudnoordse mythen en saga’s.
De betekenis van occulte tekens en symbolen.
Oude helderziendheid en de ontwikkeling van nieuwe vermogens (waarneming van de buitenwereld, tellen, rekenen, oordelen) tijdens het Atlantische tijdperk. Verbanden tussen de fysieke menselijke constitutie en de astrale wereld, geïllustreerd aan de hand van de Germaanse scheppingsmythe.
Niflheim en Muspelheim.
De vorming van het zenuw-zintuigstelsel en de systemen voor bloedsomloop en voeding.
Het bereiken van het ‘Ik’-bewustzijn doordat het etherhoofd in het fysieke hoofd trekt.
De wereldas Yggdrasil.
Ymir en Audhumbla: de denkende mens, het geslachtsprincipe, hart, spraak.
.

RUDOLF STEINER:

                                               Mythen und Sagen
                                        Okkulte Zeichen und Symbole

                                                 Mythen en sagen
                                       Occulte tekens en symbolen


Nog altijd roept het woord ‘occult’ voor veel mensen een gevoel op van ‘daar kun je je beter niet mee bezig houden; het riekt naar (zwarte) magie, naar sekte-achtige toestanden.
De veel neutralere betekenis is ‘verborgen of geheim’ en afkomstig van het Latijnse woord occultus, dat verborgen of bedekt betekent.

Wanneer bij Steiner sprake is van ‘het occulte’, bedoelt hij daarmee ‘dat wat met de gewone zintuigen niet direct waarneembaar is’, wat voor de zintuigen verborgen is, waar voor de zintuigen a.h.w. een sluier over hangt en in die zin iets mystieks heeft.
‘Occult’ is dan ‘bovenzintuiglijk’.

Wanneer wij iemand zien lachen, weten we uit eigen ervaring, dat er een of andere vorm van plezier in het spel is, een gevoel van pret.
De uitingen ervan kunnen we zien, het gevoel dat die uitingen veroorzaakt niet.
De wereld van de ziel waartoe het gevoel behoort, kunnen we dus met ‘gewone’ zintuigen niet zien, evenals de mentale wereld van gedachten, een geestelijke wereld.
Steiner zegt, dat om die werelden te kunnen zien, er scholingsoefeningen zijn, waardoor je ook ‘helderziend’ kan worden en dus ook kan ‘schouwen’ in die werelden van ziel en geest.
Daaruit haalt Steiner zijn weten dat hij in zijn boeken en voordrachten verwoordt.

Een mooi voorbeeld van hoe anders er over ‘het occulte’ wordt gedacht vind je bv. hier

Blz. 15

Voordracht 1, Berlijn 7 oktober 1907

Oudnoordse mythen en sagen

Wir wollen in dieser und in den nächsten Stunden das betrachten, was man nennen könnte: Okkulte oder auch mystische Sinnbilder in ihren Beziehungen zur astralen und geistigen Welt. Immer wieder treten vor Ihnen diese und jene Zeichen, Symbole, Erzählungen auf; und nun kommen diejenigen, die materialistisch gesinnt sind und sagen, das sei alles Dichtung. Es wird als irgendwie aus der Volksphantasie entlehnt angenommen und nur betrachtet als eine leere Phantasterei. Oder es kommen die Gutgesinnten und spekulieren alles mögliche über das, was zum Beispiel das Pentagramm und andere Symbole bedeuten. Bei unserem Kongreß in München haben wir sogar Zeichen und Symbole zur Ausschmückung unseres Saales gebraucht und damit schon angedeutet, daß wir den okkulten Zeichen eine gewisse Bedeutung beimessen. Aber der wahre Okkultist spekuliert nicht darüber, sondern er sucht die wirklichen Tatsachen.

In deze en de komende bijeenkomsten willen we onderzoeken wat men occulte of mystieke symbolen zou kunnen noemen, en hun verhouding tot de astrale en spirituele werelden.
Telkens weer verschijnen er allerlei tekens, symbolen en verhalen; en dan zijn er mensen met een materialistische instelling die beweren dat het allemaal slechts fictie is. Zij gaan ervan uit dat deze zaken op de een of andere manier uit de volksverbeelding voortkomen en beschouwen ze als niets meer dan ijdele fantasie.

In het dagelijks spraakgebruik komen we dit tegen bij wat dan bv. de mythe van ‘een goedkoper wordende gezondheidszorg’ is of ook wel met ‘sprookje van… …’wordt aangegeven.

Of er zijn goedbedoelende mensen die eindeloos speculeren over de betekenis van het pentagram en andere symbolen. Toch speculeert de ware occultist daar niet over; hij zoekt veeleer naar de werkelijke feiten. [achter de zintuiglijke waarnemingen]

Durch eine philosophische Spekulation können Sie nie und nimmer auf die Bedeutung eines okkulten Zeichens kommen, und vieles, was gesagt und geschrieben wird über okkulte Zeichen und ihre Bedeutung, ist vergeblich geschrieben, weil es nur aus der Spekulation, dem mehr oder weniger geistreichen Darüber-Nachdenken heraus geschrieben ist.

Je kan de betekenis van een occult teken nooit door middel van
filosofische speculatie doorgronden; sterker nog, veel van wat er over
occulte tekens en hun betekenis wordt gezegd en geschreven, is zinloos, omdat het louter voortkomt uit speculatie – uit een min of meer vernuftig denkproces.

Als we – en ik beschik er niet over – zelf niet die helderziende vermogens hebben, blijft het ‘denken over’ een bepaald teken, of mythologisch figuur, steken in dit nadenken. Dat kan best verrassende gedachten brengen, maar met bovenstaande in het achterhoofd kan het die mate van terughouding opleveren bij de vraag: ‘is het waar wat ik denk’. 

Doch diese okkulten Zeichen sind für uns wichtig, denn sie sind etwas wie Instrumente, durch die wir hinaufkommen können in die höheren Welten.
Wir haben schon manches über die Bedeutung wichtiger Symbole gehört, so zum Beispiel über das Symbolische, das sich auf die Zahl 666 bezieht, und wir haben da tief in die religiöse Urkunde der Apokalypse eindringen können.
Heute soll uns etwas ganz anderes aus der Symbolik beschäftigen. Es sind Symbole, die Ihnen schon öfter vor die Seele getreten sind, die wir nun ihrem Ursprung und ihrem wirklichen Wert nach kennenlernen wollen. Bevor wir zur Besprechung dieser Symbole übergehen, müssen wir eine Vorbetrachtung
über den Menschen anstellen. Sie werden gleich sehen, warum etwas
scheinbar ganz und gar Entlegenes angeführt wird, um gewisse Zeichen und Symbole zu erklären.

Blz. 16

Wir versetzen uns zurück an den Zeitpunkt unserer Menschheitsentwickelung, den Sie alle aus früheren Vorträgen kennen. Sie wissen, daß unserer jetzigen Zeit vorangegangen ist eine Zeit, die wir die atlantische Zeit nennen. Wo jetzt der Boden des Atlantischen Ozeans ist, zwischen Amerika und Europa, war vor Urzeiten Land, während unsere Gebiete weithin mit Wassermassen bedeckt waren. In diesem Lande wohnten unsere Vorfahren. In Wahrheit stammt
der größte Teil der europäischen Bevölkerung nicht etwa aus dem Osten, sondern aus dem Westen und ist die Nachkommenschaft der atlantischen Bevölkerung. Von jenem Lande, der alten Atlantis, wo unsere Vorfahren und wir selbst in früheren Inkarnationen gewohnt haben, wanderten sie weit hinein nach Osten, als die Fluten, die jetzt den Atlantischen Ozean bilden, diesen früheren Erdteil verschlungen hatten.

Wanneer antroposofie nieuw voor je is, kan de onderstaande evolutiebeschrijving vreemd op je overkomen. Er is immers geen geschreven bron die dit als ‘geschiedenis’ bevestigt. Sterker: in geschiedkundige kring wordt het naar het rijk der fabelen verwezen. [waarbij ‘fabel’, evenals ‘sprookje of legende’ synoniem is aan ‘verzinsel, verdichting, zelfs leugen’.

Laten we ons terugverplaatsen naar dat punt in de evolutie van de mensheid dat u allen bekend is uit eerdere voordrachten. U weet dat aan ons huidige tijdperk een periode voorafging die we het Atlantische tijdperk noemen. Waar nu de bodem van de Atlantische Oceaan ligt – tussen Amerika en Europa – bevond zich in lang vervlogen tijden land, terwijl onze eigen gebieden grotendeels onder uitgestrekte watermassa’s lagen. Onze voorouders woonden in dat land. In werkelijkheid was het merendeel van de Europese bevolking niet afkomstig uit het oosten, maar juist uit het westen; zij zijn de nakomelingen van het Atlantische volk. Vanuit dat land – het oude Atlantis, waar onze voorouders en wijzelf in eerdere incarnaties leefden – trokken zij ver naar het oosten, nadat het water dat nu de Atlantische Oceaan vormt, dat voormalige continent had verzwolgen.

Im letzten Drittel der atlantischen Zeit gliederte sich im Nordosten – in der Gegend des heutigen Irland – ein kleines Häuflein heraus aus der Bevölkerung, die als die damals vorgeschrittenste sich darstellt. Das ganze atlantische Land war bedeckt mit schweren, dichten Nebelmassen und wird deshalb in der Erinnerung der germanischen Völkerschaften «Niflheim» genannt. In diesen alten Zeiten, als die Luft fortwährend mit dichten Wassermassen geschwängert war, da war das Seelenleben auch ein ganz anderes.
Es war immer noch ein altes Hellsehen vorhanden; die Menschen haben damals hineingesehen in die geistige Welt. Wenn sie sich einem Menschen genähert haben, sahen sie vor ihrer Seele gewisse Farbenerscheinungen aufsteigen, die ihnen sagten, ob ihnen dieser Mensch sympathisch oder unsympathisch war. Ebenso war es mit den Tieren; wenn sie sich einem Tiere näherten, konnten sie sehen, ob es ihnen schadete oder nicht. Ein primitives Hellsehen war also in gewisser Beziehung in der atlantischen Zeit vorhanden.

Over Nevelheim

In het laatste derde deel van het Atlantische tijdperk ontstond in het noordoosten – in de regio van het huidige Ierland – een kleine groep uit de bevolkingsgroep die destijds als de meest ontwikkelde gold. Het gehele Atlantische land was gehuld in zware, dichte nevelmassa’s; daarom staat het in de overlevering van de Germaanse volkeren bekend als ‘Niflheim’. In die oertijden, toen de lucht voortdurend verzadigd was met dichte vochtigheid, was ook het zielenleven totaal anders. Er bestond nog een vorm van oude helderziendheid; mensen konden in de geestelijke wereld kijken. Wanneer ze een ander mens naderden, zagen ze bepaalde kleuren voor hun ziel oprijzen die onthulden of ze een verwantschap dan wel een afkeer ten opzichte van die persoon voelden. Hetzelfde gold voor dieren; bij het naderen van een dier konden ze waarnemen of dit al dan niet een bedreiging voor hen vormde. Er bestond in het Atlantische tijdperk dus, in bepaalde opzichten, een vorm van primitieve helderziendheid.

Steiner heeft vele malen over Atlantis gesproken en er in een boek over geschreven: GA 11,  vertaald

In de verschillende Noordse mythologieën wordt Nevelheim, of Neveloord, Niflheim, beschreven als een oord van mist en donker, het Land van Mist.

Wat we daar vertellen over het ‘nevelland’ is dus een herinnering aan die Atlantische fase. Die beschrijft Steiner vaker, zoals gezegd:

In der alten Atlantis gab es noch nicht eine Verteilung von Regen und Sonnenschein, von Luft und Wasser wie heute. Da war eine ganz andere, von Wasser gesättigte Luft da. Regen gab es damals noch nicht. Mythen und Sagen halten diese Dinge in anschaulicher Weise fest. Daher sprechen die nordischen Sagen auch von «Nifelheim»> «Nebelheim». Dem liegt eine wirkliche Tatsache zugrunde.

In het oude Atlantis was de verdeling van regen en zonneschijn, van lucht en water, nog niet zoals die tegenwoordig is. De lucht was totaal anders: verzadigd met water. Regen bestond er destijds niet. Mythen en legenden bewaren deze zaken in levendige beelden; daarom spreken de Noordse sagen over ‘Niflheim’ – het ‘Thuis van de Nevel’. Hieraan ligt een werkelijk feit ten grondslag.
GA 54/143
Niet vertaald

In de ene voordracht staat Steiner er kort bij stil, in een andere langer, waarbij dan ‘en passant’ weer andere mededelingen volgen:

Nun will ich aus der rationalen Mystik heraus eine An­schauung darlegen, die für diejenigen, welche die anderen Vorträge nicht gehört haben, etwas Groteskes haben, aber für die anderen etwas Mathematisch-Sicheres bekommen wird. Dasjenige, was heute in Europa lebt als heutiges klares Tagesbewußtsein, hat sich aus einer uralten Mensch­heit entwickelt, der atlantischen Menschheit, die der uns­rigen vorangegangen ist und da gelebt hat, wo heute die Fluten des atlantischen Ozeans sind. Diejenigen, welche achtgeben auf das, was in der Welt vorgeht, werden wissen, daß selbst die Naturwissenschaft schon von einem atlan­tischen Kontinent spricht. Auch in der naturwissenschaft­lichen Zeitschrift «Kosmos» erschien ein Artikel darüber.
Da lebten die Vorfahren der Menschen, die heute Europa bewohnen, unter anderen physikalischen Bedingungen. Sie lebten noch in Luft und Wasser. Der Boden war weithin bedeckt mit großen, mächtigen Nebelmassen. Damals sah man nicht die Sonne, wie man sie heute sieht. Sie war um­geben von mächtigen Farbenhöfen, weil alles bedeckt war mit mächtigen Nebelmassen. Die germanische Sagenwelt hat das Gedächtnis an jene alten Lande in dem Ausdruck Niflheim, Nibelungenheim bewahrt. Das sind die Erinne­rungen an jenes alte Nebelland, und es ist eine feine, intime Wendung in dem, was sich aus jener Urzeit als Sage erhalten 

Ik wil nu een perspectief uiteenzetten dat geworteld is in rationele mystiek – een perspectief dat voor wie de voorgaande lezingen niet heeft bijgewoond wellicht enigszins grotesk aandoet, maar dat voor anderen wiskundig zeker zal lijken. Wat in het huidige Europa bestaat als ons heldere waakbewustzijn, is voortgekomen uit een oeroude mensheid – de Atlantische mensheid – die aan de onze voorafging en leefde op de plek waar zich nu de wateren van de Atlantische Oceaan bevinden. Wie de wereldgebeurtenissen volgt, zal weten dat ook de natuurwetenschap spreekt van een Atlantisch continent; in het wetenschappelijke tijdschrift *Kosmos* is hierover een artikel verschenen.

[dat doet de natuurwetenschap in het algemeen nu niet, al wordt er af en toe een poging gedaan]

*Theodor Arldt, Heft 10, 1904/05

De voorouders van de huidige bewoners van Europa leefden daar onder andere fysieke omstandigheden. Ze leefden te midden van lucht en water. Het land was grotendeels bedekt met uitgestrekte, massieve mistbanken. In die tijd verscheen de zon niet zoals nu; ze werd omringd door machtige kleurhalo’s, omdat alles in die enorme nevels gehuld was. De Germaanse mythologie heeft de herinnering aan die oude landen bewaard in de termen *Niflheim* en *Nibelungenheim*. Dit zijn herinneringen aan dat oude nevelrijk, en er schuilt iets subtiels en intiems in wat er uit dat oertijdperk in de vorm van legenden bewaard is gebleven,

hat, daß, als die Flut allmählich die atlantischen Lande überspülte, dieselbe Flut auch die Flüsse der deutschen Tief­ebene gebildet hat, so daß das Wesen des Rheins angesehen wird wie ein Überbleibsel jenes Wesens, das als das atlan­tische Nebelwesen einstmals weithin die Lande bedeckt hat. Es ist so, wie wenn das Rheinwasser abgeflossen wäre aus den Nebelmassen der alten Atlantis, des Nebelheims, des Nibelungenheims. So stellt die Sage das in dumpfem, ahnungsvollem Bewußtsein dar. Und indem die Völker ostwärts zogen, weil die physischen Verhältnisse so wurden, daß sie die Gegenden verlassen mußten, verließ sie das dumpfe Bewußtsein. Dieses wurde heller und heller, der Egoismus wurde aber auch größer.
Das alte dumpfe Bewußtsein hatte eine gewisse Selbstlosigkeit zur Folge. Mit dem Reinigen der Luft zog der Egoismus herauf. Der Nebeldunst der alten Atlantis bildete rings um den Menschen eine Atmosphäre von Weisheit, die erfüllt war von Selbstlosigkeit, von Liebe. Das strömte in die Wasser des Rheins und ruhte da unten als Weisheit, als Gold. Wenn das aber vom Egoismus erfaßt wird, dann gibt es zu gleicher Zeit die egoistische Macht. So sahen die Re­präsentanten der alten Bewohner von Nibelungenheim, als sie ostwärts zogen, den Rhein den Hort in sich schließen, der aus dem Gold der Weisheit bestand, die einstmals in selbstloser Art gewirkt hat. Das alles ruhte – nicht so ausgesprochen – in der Sagenwelt, deren sich Richard Wagners Seele bemächtigte.

dat, naarmate de vloed geleidelijk de Atlantische landen overspoelde, diezelfde vloed ook de rivieren van de Noord-Duitse laagvlakte vormde; zo wordt de wezensaard van de Rijn gezien als een overblijfsel van die entiteit die — als het Atlantische nevelwezen — ooit de landen wijd en zijd bedekte. Het is alsof de wateren van de Rijn waren weggevloeid uit de nevelmassa’s van het oude Atlantis — het rijk van de nevel, de woonplaats van de Nibelungen. De legende beeldt dit uit in een schemerig, intuïtief bewustzijn. En toen de volkeren naar het oosten trokken — gedwongen door veranderende fysieke omstandigheden om die streken te verlaten — liet dat schemerige bewustzijn hen los. Het werd steeds helderder, maar tegelijkertijd nam het egoïsme toe.
Dat oude, schemerige bewustzijn had een zekere zelfloosheid gevoed. Met het opklaren van de lucht ontstond het egoïsme. De nevelsluier van het oude Atlantis had een sfeer van wijsheid rond de mensheid gecreëerd — een sfeer doordrongen van zelfloosheid en liefde. Dit wezenlijke element vloeide in de wateren van de Rijn en rustte daar in de diepten als wijsheid, als goud. Wanneer dit echter door egoïsme wordt gegrepen, roept het tegelijkertijd egoïstische macht op. Toen de vertegenwoordigers van de oude bewoners van Nibelungenheim* naar het oosten trokken, zagen zij dus hoe de Rijn de schat in zich besloot — een schat gevormd uit het goud van die wijsheid die ooit in een geest van zelfloosheid had gewerkt. Dit alles sluimerde — zij het niet expliciet verwoord — in de wereld van de legende die de ziel van Richard Wagner zich eigen had gemaakt.
GA 55/226-227
Niet vertaald

*Im Nibelungenhort haben wir nichts anderes zu sehen als eine sprachliche Umbildung des alten Wortes Nifelheim, Nebelheim. Es ist also dasjenige, was man im Norden kannte als die physische Erde, die Erde im Augenblicke des Physischwerdens.

In *Nibelungenhort* zien we niets anders dan een taalkundige transformatie van het oude woord *Nifelheim* (of *Nebelheim*). Het is derhalve datgene wat in het Noorden bekendstond als de fysieke aarde – de aarde op het moment dat zij fysiek werd.
GA 92/39
Niet vertaald

Die Druidenpriester nährten das Bewußtsein, daß einmal fern im Westen eine hohe Kultur da war. Diese Kultur war in einem Lande, das man als Nifelheim oder Nibelungenheim bezeichnete. Dieses Nifelheim war die alte Atlantis. Sie war früher ein Nebelheim wegen ihrer eigentümlichen atmosphärischen Verhältnisse, die ganz anders waren als die unsrigen. Die germanische Stammsage gibt damit wirklich die Wahrheit wieder. Sie weist hin auf ein uraltes Land, das es einst gab zwischen Europa und Amerika, da, wo jetzt der atlantische Ozean ist. Dieses uralte Land Atlantis ist untergegangen und mit ihm Schätze der Macht und Weisheit. Diese Schätze bezeichnete man als Gold, und ihr Untergehen wird in der Sage erzählt als das Versenken des Goldes des Nibelungenhortes. Der Schatz der Nibelungen soll in neuer Weise gehoben, auferweckt werden, mehr im Osten, in Europa.

De druïden hielden de herinnering levend dat er lang geleden, in het verre westen, een hoogstaande beschaving had bestaan. Deze beschaving bevond zich in een land dat bekendstond als Nifelheim of Nibelungenheim. Dit Nifelheim was het oude Atlantis. Het was ooit een ‘land van nevels’ vanwege de bijzondere atmosferische omstandigheden, die sterk afweken van de onze. De Germaanse overlevering weerspiegelt dus de werkelijkheid; ze wijst op een oud land dat ooit tussen Europa en Amerika lag, in het gebied dat nu door de Atlantische Oceaan wordt ingenomen. Dit oude land Atlantis ging ten onder, en daarmee ook schatten van macht en wijsheid. Deze schatten werden aangeduid als goud, en het verlies ervan wordt in de legenden beschreven als het zinken van de Nibelungenschat. Het is de bestemming van de Nibelungenschat om opnieuw te worden geborgen – om weer tot leven te worden gewekt – en wel verder naar het oosten, in Europa.
GA 92/148
Niet vertaald

Wir leben in der Zeit nach der großen atlantischen Flut. Vor dieser Zeit lebten unsere uralten Vorfahren, Menschen ganz anderer Art. Heute stellt man sich vor, die Menschen damals seien so gewesen, wie sie jetzt sind. Die äußeren physischen Verhältnisse waren jedoch ganz anders. So war Atlantis ein Land, das immer dunkel war, gehüllt in dichte Nebelmassen. Es ist wichtig, daß Sie das wissen. Die alte deutsche Mythologie hat die Erinnerung behalten in den Worten Nifelheim, Nebelheim, Nibelungen. Diesen Verhältnissen ent­sprechend war die menschliche Organisation eine ganz andere. Ebenso haben die Atlantier eine ganz andere Kultur gehabt. Sie würden eine Vorstellung davon bekommen, wenn ich Ihnen im einzelnen schildern könnte, wie die Menschen damals in allen Dingen artikulierte Laute vernommen haben.

Wij leven in het tijdperk na de grote Atlantische vloed. Daarvoor leefden onze verre voorouders – mensen van een totaal andere aard. Tegenwoordig stelt men zich voor dat de mensen uit die tijd net zo waren als wij nu. De uiterlijke fysieke omstandigheden waren echter totaal anders. Atlantis was bijvoorbeeld een land dat voortdurend in duisternis gehuld was, omgeven door dichte mistmassa’s. Het is belangrijk dat u dit weet. De oude Germaanse mythologie heeft de herinnering hieraan bewaard in begrippen als *Nifelheim*, *Nebelheim* en *Nibelungen*. In overeenstemming met deze omstandigheden was de menselijke constitutie totaal anders. Ook kenden de Atlantiërs een totaal andere cultuur. U zou zich hier een voorstelling van kunnen maken als ik u in detail zou beschrijven hoe de mensen destijds in alle dingen gearticuleerde klanken waarnamen.
GA 97/239 

Niet vertaald

Blz. 17

Die Menschheit machte nun verschiedene Entwickelungszustände durch; sie konnte nicht stehenbleiben bei jenem alten dumpfen
Hellsehen; es mußte die heutige Art des Wahrnehmens durch die Sinne eintreten. Da mußte für eine gewisse Zeit das Hellsehen zurücktreten, das aber in der Zukunft wieder zu dem heutigen hellen Tagesbewußtsein hinzuerobert werden wird. Was die Menschen heute als Grundlage unserer äußeren Kultur haben, den Gebrauch der Vernunft, den Verstand, das war nicht den alten atlantischen Hellsehern eigen, das mußte erst erobert werden. Der Mensch mußte seine Augen und Ohren, seine Sinneswahrnehmungsorgane nach
außen richten; das innere geistige Auge trat für eine Zeit zurück. Als unsere Vorfahren aus der alten Atlantis nach dem Osten hinüberwanderten, da war dieses Ereignis zugleich verknüpft mit dem Verlust des alten Hellsehens und mit dem Erringen der äußeren sinnlichen Wahrnehmung, mit dem Erringen von Fähigkeiten wie Zählen, Rechnen, Urteilen.

De mensheid doorliep verschillende ontwikkelingsstadia; ze kon niet op het niveau van die oude, schemerige vorm van helderziendheid blijven steken; de moderne wijze van zintuiglijke waarneming moest tot ontwikkeling komen. Bijgevolg moest de helderziendheid tijdelijk wijken – al zal deze in de toekomst opnieuw worden verworven, naast ons huidige, heldere waakbewustzijn. Wat de mens van tegenwoordig bezit als fundament van onze uiterlijke cultuur – het gebruik van het verstand en het intellect – was de oude Atlantische helderzienden niet eigen; het moest worden verworven. De mens moest zijn ogen en oren – zijn zintuiglijke waarnemingsorganen – op de buitenwereld richten; het innerlijke geestesoog trad tijdelijk op de achtergrond. Toen onze voorouders vanuit het oude Atlantis naar het oosten trokken, was deze gebeurtenis onlosmakelijk verbonden met het verlies van die oude helderziendheid en het verwerven van uiterlijke zintuiglijke waarneming, evenals met de beheersing van vermogens zoals tellen, rekenen en oordeelsvorming.

Bei jenem kleinen Häuflein in der Nähe des heutigen Irland hatte sich zuerst die Fähigkeit des Rechnens, Zählens und so weiter ausgebildet. Diese Menschen zogen zunächst nach dem Osten hinüber, und mit den hereinbrechenden Fluten des Ozeans zogen ihnen immer andere Völkerschaften nach; sie bevölkerten den Boden des heutigen Europa. So war ein zweifaches Anschauen der Dinge beidiesen Völkerschaften da: die äußere Beobachtung der Sinneswelt, das Zählen, Rechnen, Kombinieren, was dazu führte, daß die heutigen technischen Fortschritte, Maschinen, Verkehrsmittel und so weiter, errungen werden konnten.
Im Herzen trugen diese Völker aber noch etwas anderes: die Erinnerung an jene Welten des Geistes, in die sie hineingeschaut hatten, und die Sehnsucht, durch irgendwelche Mittel diese geistigen Welten wieder zu erobern.
Nun stellen wir uns einmal recht lebhaft diese Vorfahren im alten Europa vor. Nicht gleichzeitig haben sie alle mit dem Herüberwandern die Gabe des alten Hellsehens verloren. Viele, ja zahlreiche Leute, die herübergewandert waren, haben noch vollgültige Reste des alten Hellsehens auch nach Europa mitgebracht. Es gab viele unter diesen Vorfahren, die, wenn sie sich in der Dämmerung des Abends oder in der Nacht still hinsetzten, in ein lebhaftes Träumen versanken, das mehr als das heutige Träumen bedeutete; sie sahen
noch hinein in die geistige Welt.

Binnen die kleine groep in de nabijheid van het huidige Ierland ontstond voor het eerst het vermogen tot rekenen, tellen en dergelijke. Deze mensen trokken aanvankelijk in oostelijke richting, en – naarmate het oceaanwater oprukte – volgden andere volkeren in hun spoor, om uiteindelijk de gebieden van het huidige Europa te bevolken. Zo beschikten deze volkeren over een tweeledige blik: enerzijds de uiterlijke waarneming van de zintuiglijke wereld – het tellen, rekenen en combineren – wat de weg vrijmaakte voor de technologische vooruitgang, de machines en de vervoersmiddelen die we vandaag de dag zien. Toch droegen deze volkeren diep in hun hart iets anders met zich mee: de herinnering aan die spirituele werelden waarin zij ooit hadden kunnen kijken, en het verlangen om die spirituele sferen op de een of andere manier te herwinnen. Laten we ons deze voorouders in het oude Europa levendig voor de geest halen. Zij verloren niet allemaal de gave van de oude helderziendheid op het moment van hun migratie; integendeel, velen – ja, zelfs grote aantallen – van degenen die migreerden, namen werkelijke overblijfselen van die oude helderziendheid mee naar Europa. Onder deze voorouders waren er velen die, wanneer ze in de schemering of ’s nachts rustig neerzaten, in een staat van levendige droombeelden raakten – een ervaring die veel diepgaander was dan het dromen dat wij tegenwoordig kennen – omdat zij nog steeds in staat waren om in de spirituele wereld te kijken.

Blz. 18

Noch hatten sich unzählige Menschen nicht nur die Erinnerung daran bewahrt, sondern sogar die Fähigkeit, in gewissen Ausnahmezuständen des Lebens in die geistigen Welten hineinzublicken. Und die anderen, die diese Fähigkeit verloren hatten, hatten dafür eine Eigenschaft, die im Laufe der Entwickelung viel mehr abhanden gekommen ist, als man gewöhnlich denkt: Es gab in alten Zeiten, namentlich in der Bevölkerung Mittel- und Osteuropas, eine Eigenschaft, die weit verbreitet war, in einer Intensität, von der man sich heute keine Vorstellung macht, und das war das Vertrauen, der treue Glaube. Diejenigen, die etwas über die geistigen Welten zu sagen wußten, die fanden Gehör, sie fanden Glauben, weil Liebe und Vertrauen gerade in jenen europäischen Ländern eine große, eine bedeutsame Kraft hatten.
Jenes Kritisieren und Pochen auf die eigene Überzeugung, wie man es heute findet, war etwas, woran damals überhaupt kein Mensch dachte.

Ontelbare mensen bewaarden niet alleen de herinnering hieraan, maar zelfs het vermogen om in bepaalde uitzonderlijke levensfasen in de geestelijke werelden te blikken. En zij die dit vermogen hadden verloren, bezaten in plaats daarvan een eigenschap die in de loop van de evolutie in veel sterkere mate verloren is gegaan dan algemeen wordt beseft: in vroeger tijden – met name onder de bevolking van Centraal- en Oost-Europa – bestond er een wijdverbreide eigenschap, aanwezig met een intensiteit die we ons vandaag de dag nauwelijks kunnen voorstellen, namelijk vertrouwen – een standvastig geloof. Wie over de geestelijke werelden sprak, vond gehoor en geloof, omdat liefde en vertrouwen krachtige, wezenlijke krachten waren in juist die Europese gebieden. De neiging tot kritiek en het vasthouden aan de eigen overtuiging – tegenwoordig zo alomtegenwoordig – was iets dat destijds bij niemand opkwam.

Diese Dinge aber sind es, die es heute notwendig machen, daß ein jeder selber zur geistigen Welt geführt wird. Das war in jener Zeit wegen des starken, großen Vertrauens nicht notwendig. Wenn wir die alte Bevölkerung Europas überblicken, sehen wir auf dem Grunde der Seelen dieser Leute, daß sie ein volles Bewußtsein hatten von den hinter der sinnlichen Welt stehenden geistigen Welten.
Und nun wollen wir uns einmal das Werden der neuen Anschauung des nun durch seine Sinne zu den Gegenständen hinblickenden Menschen klarmachen. Ich habe schon angedeutet, daß bei jenem kleinen Häuflein im Norden, in der Nähe des heutigen Irland, ein Ereignis eintrat, durch welches das Rechnen, das Zählen und Kombinieren eine Fähigkeit des Menschen geworden ist. Ich habe schon früher angedeutet, daß dazumal des Menschen Ätherkopf hineingerückt ist in den physischen Kopf. Während früher der Teil des Ätherkopfes in der Nähe der Augenbrauen außerhalb des physischen Gehirnes war, rückte er jetzt hinein, und beide wurden eine Einheit.

Toch zijn dit juist de zaken die het vandaag de dag noodzakelijk maken dat ieder individu persoonlijk naar de geestelijke wereld wordt geleid. In vroegere tijden was dit niet nodig, dankzij een diep en krachtig vertrouwen. Wanneer we terugblikken op de oude bevolkingsgroepen van Europa, nemen we – diep in hun ziel – een volledig bewustzijn waar van de geestelijke werelden die achter de zintuiglijke wereld liggen.
Laten we nu verduidelijken hoe de nieuwe zienswijze ontstond: het perspectief van de mens die via de zintuigen naar de dingen om zich heen kijkt.
Ik heb er al op gewezen dat er in een kleine groep in het noorden – nabij het huidige Ierland – een gebeurtenis plaatsvond die het rekenen, tellen en combineren omvormde tot menselijke vermogens. Ik heb eerder vermeld dat in die tijd het menselijke etherhoofd in het fysieke hoofd verschoof. Waar het deel van het etherhoofd ter hoogte van de wenkbrauwen voorheen buiten de fysieke hersenen bestond, bewoog het zich nu naar binnen en smolten de twee samen tot één geheel.

Blz. 19

Dadurch erlangte der Mensch die Fähigkeit des Selbstbewußtseins, des Ichbewußtseins, er erlangte die Fähigkeit, zu urteilen und hinzuschauen zu den Gegenständen. Der Atherkopf, der heute mit der Form des physischen Kopfes zusammenfällt, stand bei den alten Atlantiern weit vor der Stirn hervor, daher ihr Hineinsehen in die geistige Welt, ihr Hellsehen. Nun versetzen wir uns einmal in die Seele der atlantischen Bevölkerung, versetzen wir uns in jene alten Zeiten, wo die Menschen noch ihren Atherkopf weit außerhalb ihres physischen Kopfes hatten, und versetzen wir uns dann in jene Zeiten gegen Ende der Atlantis, wo die beiden schon zusammengefallen waren. Der Atlantier konnte schauen, wie der Atherkopf nach und nach hineinrückte, er war ja noch hellsehend, er sah das.
Wie sah er nun dieses Hineinrücken des Ätherkopfes in den physischen Kopf? Als etwas ganz besonderes kam dem Atlantier dieses Hineinrücken des Ätherkopfes vor. Das wollen wir uns einmal vor die Seele rücken; ich will es Ihnen beschreiben.

Hierdoor verwierf de mens het vermogen tot zelfbewustzijn – tot een besef van het ‘Ik’ – en het vermogen om oordelen te vellen en objecten waar te nemen. Het etherische hoofd, dat tegenwoordig samenvalt met de vorm van het fysieke hoofd, stak bij de oude Atlantiërs ver voor het voorhoofd uit; dit verklaart hun vermogen om in de geestelijke wereld te kijken – hun helderziendheid. Laten we ons nu verplaatsen in de ziel van de Atlantiërs – in die oude tijden waarin het etherische hoofd van de mens nog ver buiten het fysieke hoofd uitstak – en vervolgens in de tijd tegen het einde van het Atlantische tijdperk, toen de twee reeds in elkaar waren opgegaan. De Atlantiër kon waarnemen hoe het etherische hoofd zich geleidelijk naar binnen verplaatste; als helderziende kon hij dit proces zelf zien voltrekken. Hoe nam hij deze inwaartse beweging van het etherische hoofd in het fysieke hoofd dan waar? Voor de Atlantiër deed deze inwaartse beweging zich voor als iets werkelijk buitengewoons. Laten we ons dit levendig voor de geest halen; ik zal het u beschrijven.

Woher, fragte sich der Atlantier, kommen denn die Kräfte, die mir jetzt zuteil werden? – Vorher hatte der Mensch um sich herum eine geistige Welt gesehen. Was zeigte ihm diese geistige Welt um ihn herum? Machen Sie sich das einmal ganz klar. Wenn Sie jetzt plötzlich hellsehend werden könnten, bis zu dem Grade, wie es der Atlantier war, was würde da in Ihrer Seele vorgehen? Sie würden geistige Wesenheiten um sich herum sehen. Die physische Welt
würde sich bevölkern mit Wesenheiten des astralischen, des geistigen Planes, und die würden Sie sehen. Woher würde das kommen?
Durch Ihre eigenen Fähigkeiten, die jetzt in Ihrer Seele schlummern, die Sie dann aber entwickelt hätten. Es würde Ihnen so erscheinen, wie wenn etwas aus Ihnen selbst herausstrahlte. Was heute aus Ihnen herausstrahlt in die Welt, das war ja damals zur Zeit der alten Atlantis erst in Sie hineingestrahlt. Alle Anschauungen, die der Mensch heute sich bilden kann in bloßen Begriffen von der geistigen Welt, das waren zu jener Zeit lebendige Wesenheiten für ihn, und
der Atlantier sah, wie etwas hineinzog in ihn und in ihm Fähigkeiten anregte. Er sagte sich: Ich fange an, mit meinen Augen die Dinge zu sehen, mit meinen Ohren Geräusche, Töne zu hören, ich fange an zu sehen, was draußen sinnlich wahrnehmbar ist.

“Waar,” zo vroeg de Atlantiër zich af, “komen de vermogens vandaan die mij nu worden geschonken?” Voorheen namen mensen een geestelijke wereld om zich heen waar. Wat openbaarde deze omringende geestelijke wereld hun? Probeer je dit helder voor de geest te halen. Als je plotseling helderziend zou worden – in dezelfde mate als de Atlantiër –, wat zou er zich dan in je ziel afspelen? Je zou geestelijke wezens om je heen zien. De fysieke wereld zou bevolkt raken met wezens uit de astrale en geestelijke sferen, en jij zou ze zien. Waar zou dit vandaan komen? Uit je eigen vermogens – vermogens die nu in je ziel sluimeren, maar die je dan ontwikkeld zou hebben. Het zou voor jou lijken alsof er iets vanuit je innerlijk naar buiten straalde. Wat tegenwoordig vanuit jou de wereld in straalt, was in de tijd van het oude Atlantis iets dat in jou binnenstraalde. Alle begrippen over de geestelijke wereld die een mens zich tegenwoordig kan vormen – louter abstracte ideeën – waren voor de mensen van die tijd levende wezens; de Atlantiër zag iets dat zijn wezen binnenstroomde en vermogens in hem deed ontwaken. Hij zei tegen zichzelf: “Ik begin dingen te zien met mijn ogen en geluiden en tonen te horen met mijn oren; ik begin waar te nemen wat in de wereld om mij heen zintuiglijk waarneembaar is.”

Blz. 20

Woher kommen diese Fähigkeiten? Sie strahlten von außen in den Menschen
hinein.
Wir wollen die alte Atlantis noch einmal so recht ins Auge fassen.
Das Land war bedeckt mit weiten Wassernebelmassen; diese Wassernebelmassen waren von verschiedener Dichte in der ersten und in der letzten atlantischen Zeit, namentlich waren sie in der Nähe des heutigen Irland anders als in den sonstigen Gegenden. Die Wasser- und Nebelmassen waren zuerst warm und heiß. Im südlichen Teil der Atlantis waren sie noch warm, zum Teil heiß, wie warme, heiße Rauchmassen; gegen Norden zu waren sie kälter. Insbesondere gegen das Ende der atlantischen Zeit trat eine mächtige Abkühlung ein. Nun war es gerade diese Abkühlung der Nebelmassen, diese
nordische Kälte, welche die neue Anschauung, das neue Seelenleben aus den Menschen herauszauberte. Niemals hätten unter den Gluten der Hitze des Südens der Intellekt, die Urteilskraft zuerst sich in der Menschheit entwickeln können. Der Atlantier in der Nähe Irlands fühlte Fähigkeiten in sich hineinströmen, die ihn so durchdrangen, daß er fähig wurde, mit seinen Sinnesorganen die Dinge draußen zu sehen, zu hören und so weiter. Er empfand das so, daß er es der Abkühlung der Luftmassen zu verdanken hatte.

Waar kwamen deze vermogens vandaan? Ze straalden van buitenaf op de mens in.
Laten we het oude Atlantis eens nader bekijken.
Het land was bedekt met enorme massa’s waterige nevel; de dichtheid van deze massa’s varieerde tussen de vroege en late Atlantische periodes – zo verschilden de omstandigheden nabij het huidige Ierland van die in andere regio’s. Aanvankelijk waren deze water- en nevelmassa’s warm tot heet. In het zuidelijke deel van Atlantis bleven ze warm – en op sommige plaatsen heet – en deden ze denken aan massa’s warme, verhitte rook; naar het noorden toe waren ze kouder. Er trad een aanzienlijke afkoeling op, vooral tegen het einde van het Atlantische tijdperk. Juist deze afkoeling van de nevelmassa’s – deze noordelijke kou – riep een nieuwe manier van wereldwaarneming en een nieuw innerlijk leven bij de mens op. Het intellect en het oordeelsvermogen hadden zich bij de mensheid nooit kunnen ontwikkelen in de verzengende hitte van het zuiden. De Atlantiër die nabij Ierland leefde, voelde vermogens in zich binnenstromen – vermogens die hem zo diep doordrongen dat hij in staat raakte om de buitenwereld te zien, te horen en op andere manieren waar te nemen via zijn zintuigen. Hij ervoer dit als iets wat hij te danken had aan de afkoeling van de luchtmassa’s.

Zu dem Wahrnehmen äußerer Gegenstände durch Sinnesorgane gehören Nerven. Zu jedem unserer Sinnesorgane gehen Nerven vom Gehirn aus. Augennerven, Geruchs-, Gehörnerven und so weiter haben wir. Diese Nerven, die heute den Menschen fähig machen, die Sinneseindrücke sich zum Bewußtsein zu bringen, waren untätig, bevor die äußere sinnliche Anschauung der Dinge da war. Sie vermittelten nicht das äußere Anschauen, sie hatten eine innere Aufgabe. Der atlantische Mensch sah damals die Kräfte an sich herankommen, die diese Nerven in ihm zu Sinnesorganen machten. Er empfand diese ganze Situation so, wie wenn in den Kopf von außen hineinfluteten die Strömungen, welche dann seine Nerven im Kopf durchsetzten.
Nun gibt es unter den Nerven im Kopfe, die dazumal tätig wurden und die wir heute noch anatomisch nachweisen können, zwölf Paare, und zwar zehn Paare, die vom Kopfe ausgehend sich gliedern, um die einzelnen Sinnesorgane in Tätigkeit zu setzen.

Zenuwen spelen een rol bij de waarneming van uiterlijke objecten via de zintuigen. Vanuit de hersenen lopen zenuwen naar elk van onze zintuigen; we beschikken over oogzenuwen, reukzenuwen, gehoorzenuwen, enzovoort. Deze zenuwen – die de mens tegenwoordig in staat stellen zintuiglijke indrukken tot bewustzijn te brengen – waren inactief voordat de uiterlijke zintuiglijke waarneming van dingen bestond. Ze dienden niet voor uiterlijke waarneming; ze hadden veeleer een innerlijke functie. In die tijd nam de Atlantische mens de krachten waar die op hem afkwamen en die deze zenuwen in hem tot zintuigen omvormden. Hij beleefde deze hele situatie alsof er stromingen van buitenaf zijn hoofd binnenstroomden – stromingen die vervolgens de zenuwen in zijn hoofd doordrongen.
Tot de zenuwen in het hoofd die in die tijd actief werden – en waarvan we het bestaan ​​ook nu nog anatomisch kunnen aantonen – behoren twaalf paren; meer specifiek zijn er tien paren die vanuit het hoofd uitwaaieren om de afzonderlijke zintuigen te activeren.

De wetenschap meldt dit:

Bron: ChatGPT

Wenn Sie zum Beispiel die Augen bewegen, so sind dazu die Augenmuskelnerven da und nicht der Sehnerv. Also zehn Paare, die zu den einzelnen Sinnesorganen gehen, und zwei Paare, die tiefer hinuntergehen und die den Verkehr vermitteln zwischen dem sinnlichen Wahrnehmen und der Gehirntätigkeit. Der Atlantier fühlte zwölf Strömungen in sich hineingehen, in sein Gehirn und hinunter in seinen Leib. Das sah er. Was Sie jetzt als Nerven in sich haben, wurde für sein Wahrnehmen erzeugt durch zwölf in ihn hineingehende Ströme. Wenn nun diesem Umstände, daß die Luft sich abkühlte und das ganze Niflheim ein kaltes Land wurde, die zwölf Nervenstränge verdankt werden, so war doch noch etwas anderes dazu notwendig, um die menschlichen Sinnesorgane zu gestalten. Bevor die menschlichen Sinnesorgane gestaltet waren, hatte auch das Herz noch eine ganz andere Aufgabe. Die Blutzirkulation muß eine andere gewesen sein bei einem Wesen, das sich hellseherisch, geistig die Farben und Töne der Umgebung vor die Seele zaubert, als bei dem atlantischen Menschen, dem die äußere Welt allmählich für die äußeren Sinne wahrnehmbar auftauchte.

Wanneer u bijvoorbeeld uw ogen beweegt, zijn het de zenuwen die de oogspieren aansturen die dit mogelijk maken, en niet de oogzenuw. Er zijn dus tien paren die verbonden zijn met de afzonderlijke zintuigen, en twee paren die dieper reiken en de wisselwerking tussen zintuiglijke waarneming en hersenactiviteit bemiddelen. De Atlantiër voelde hoe twaalf stromen zijn wezen binnenstroomden – zijn hersenen in en omlaag zijn lichaam in. Hij nam dit waar. Wat u nu in u draagt ​​als zenuwen, ontstond voor zijn waarneming doordat er twaalf stromen zijn wezen binnenstroomden. Hoewel de twaalf zenuwbanen hun bestaan ​​te danken hebben aan het feit dat de lucht afkoelde en het hele rijk Niflheim een ​​koud gebied werd, was er iets anders nodig om de menselijke zintuigen te vormen. Voordat de menselijke zintuigen werden gevormd, had ook het hart een totaal andere functie. De bloedsomloop moet anders zijn geweest bij een wezen dat – door middel van helderziendheid en geestelijke vermogens – de kleuren en geluiden van de omgeving voor zijn ziel opriep, in vergelijking met de Atlantische mens, voor wie de uiterlijke wereld geleidelijk aan in de waarneming van de uiterlijke zintuigen verscheen.

Diese Umgestaltung des Herzens hat niemals kommen können von den kalten Teilen der Atlantis. Sie mußte dadurch kommen, daß die menschliche Organisation von anderswoher angefacht wurde. Die Umgestaltung des Herzens hat der wärmere, südliche Erdstrich der Atlantis bewirkt.
Sie müssen sich das so vorstellen, daß beide Strömungen auf den Atlantier eingewirkt haben, die kalten Ströme des Nordens und die warmen Ströme des Südens. Die warmen Ströme haben in das Herz Feuer hineinkommen lassen, sie haben es auflodern lassen zu Enthusiasmus, während der andere Teil der Menschennatur angefacht wurde vom kalten Norden. Die Strömungen, die von Norden kamen, haben des Menschen Stirn [andere Nachschrift: Hirn] so weit
umgebildet, daß der Mensch ein Denker, ein sinnlich Anschauender werden konnte. Der Kopf des Atlantiers war ganz anders gebildet als der Kopf des Menschen von heute. Gerade was diese Kräfte der zwölf Ströme des Nordens bewirkt haben, das hat den Menschen zum Denker gemacht. Und die warme Strömung des Südens hat ihm sein Gefühl, seine Empfindungsart und auch seine heutige Sinnlichkeit gegeben.

Deze transformatie van het hart had nooit kunnen ontstaan ​​in de koude streken van Atlantis. Ze moest tot stand komen doordat de menselijke constitutie van elders werd gestimuleerd. Het was de warmere, zuidelijke streek van Atlantis die deze transformatie van het hart teweegbracht.
Men moet zich dit als volgt voorstellen: beide stromingen werkten in op de Atlantiër – de koude stromingen uit het noorden en de warme stromingen uit het zuiden. De warme stromingen brachten vuur in het hart, waardoor het in geestdrift ontvlamde, terwijl het andere aspect van de menselijke natuur door het koude noorden werd gestimuleerd. De stromingen uit het noorden transformeerden het menselijk voorhoofd [alternatieve transcriptie: de hersenen] in zo’n mate dat de mens een denker kon worden en een wezen dat tot zintuiglijke waarneming in staat was. Het hoofd van de Atlantiër was heel anders gevormd dan dat van de moderne mens. Juist de werking van deze krachten uit de twaalf noordelijke stromingen maakte de mens tot een denker. Tegelijkertijd schonk de warme stroming uit het zuiden hem zijn vermogen tot voelen, zijn wijze van gewaarworden en zijn huidige zintuiglijke natuur.

Blz. 22

Das, was das Blut dadurch erhielt, strömte in das Herz ein, das dadurch ein ganz anderes Organ geworden ist. Dadurch, daß das Blut, der den Menschen ernährende Saft, die ganze Blutzirkulation, anders geworden ist, mußte auch die äußere Ernährung des Leibes eine andere werden. So können wir sagen: Von zwei Seiten her ist an dem Menschen gearbeitet worden in jener Zeit. Es ist sein physischer Leib so umgeschaffen worden, daß er auf der einen Seite der Träger des Gehirnes werden konnte, und auf der anderen Seite so, daß der Leib mit dem Blute versorgt worden ist, das dieser umgestaltete Mensch nötig hatte.
Diese Vorgänge stellten sich der Anschauung des Atlantiers im Bilde dar. In der astralen Anschauung stellt sich ja alles im Bilde dar.
Das Einfließen der geistigen Strömungen, die unsere Nerven heranbildeten, stellte sich ihm dar als zwölf aus dem kalten Norden herunterkommende Ströme; und das, was das Herz umbildete, stellte sich ihm dar als das Feuer, das von Süden heraufkam. Das, was den physischen Kopf umbildete zu dem des heutigen anschauenden Menschen, stellte sich ihm dar als das Bild des Urmenschen, und das Ernährende im Menschen stellte sich ihm dar als ein anderes Bild, als das Bild des sich ernährenden Tieres.

Wat het bloed op deze wijze ontving, stroomde naar het hart, dat daardoor een totaal ander orgaan werd. Omdat het bloed – de vloeistof die de mens voedt – en de gehele bloedsomloop waren veranderd, moest noodzakelijkerwijs ook de wijze waarop het fysieke lichaam werd gevoed, veranderen. We kunnen dus zeggen dat er in die tijd vanuit twee richtingen op de mens werd ingewerkt. Zijn fysieke lichaam werd zodanig omgevormd dat het enerzijds de drager van de hersenen kon worden, en anderzijds werd voorzien van het specifieke bloed dat deze getransformeerde mens nodig had.
Deze processen deden zich aan de waarneming van de Atlantiër voor in de vorm van beelden; immers, bij astrale waarneming verschijnt alles als beeld. De instroom van de geestelijke stromingen die onze zenuwen vormden, verscheen hem als twaalf stromen die uit het koude noorden neerdaalden, terwijl de kracht die het hart omvormde, verscheen als vuur dat uit het zuiden opsteeg. De kracht die het fysieke hoofd omvormde tot dat van de moderne, waarnemende mens, verscheen hem als het beeld van de oermens, terwijl het voedende principe in de mens als een ander beeld verscheen: dat van het dier dat voedsel tot zich neemt.

Wie trat nun derjenige vor das Volk hin, der dies alles gesehen hatte? Wie drückte er sich aus? Er drückte sich in Bildern aus. Denn das, was wir jetzt hier gesagt haben, das würden die Leute dazumal nicht verstanden haben. Aber sie hatten sich ja noch ein altes Hellsehen bewahrt; wenn man zu ihnen in Bildern sprach, so konnten sie die großen bedeutsamen Wahrheiten verstehen. Diese Methode wurde auch an den druidischen Schulen ausgeübt. Die alten Priesterweisen sprachen zu dem Volke auf folgende Weise: Bevor ihr habt hineinsehen können in diese Welt, die erfüllt ist von Pflanzen und Tieren, von all den Gegenständen, die ihr jetzt draußen unterscheiden könnt, war nichts da als ein finsterer, gähnender Raum, wie ein Abgrund. Ihr sähet die Bilder in den Raum hinein. Aber alles das, was jetzt da ist, ging hervor aus diesem Abgrund, aus Ginnungagap, – das ist das alte germanische Chaos. Nun erzählte man weiter:

Hoe presenteerde degene die dit alles had aanschouwd, zich vervolgens aan het volk? Hoe drukte hij zich uit? Hij sprak in beelden. Want de mensen van die tijd zouden niet hebben begrepen wat wij hier zojuist hebben beschreven. Toch bezaten zij nog een vorm van oude helderziendheid; wanneer er in beelden tot hen werd gesproken, waren zij in staat grote en diepzinnige waarheden te doorgronden. Deze werkwijze werd ook in de druïden-scholen toegepast. De oude priester-wijzen spraken het volk op deze wijze toe:
Voordat men in deze wereld kon kijken – vol planten en dieren en alle voorwerpen die u nu om u heen kunt onderscheiden – was er niets anders dan een donkere, gapende ruimte, als een afgrond. In die ruimte zag men beelden. Toch kwam alles wat nu bestaat voort uit deze afgrond, uit Ginnungagap – de oude Germaanse chaos. Vervolgens ging het verhaal verder:

Blz. 23

Von Norden her flössen zwölf Ströme, und von Süden her kamen die Feuerfunken. Dadurch, daß die Feuerfunken des Südens sich verbanden mit den zwölf Strömen des Nordens, entstanden zwei Wesen: der Riese Ymir und die Kuh Audhumbla.
Was ist nun der Riese Ymir? Ymir ist der denkende Mensch, der entstanden ist, sich herausgebildet hat aus dem Ghaos – aus Ginnungagap; und die Kuh Audhumbla ist das neue Ernährende und das neue Herz. In der menschlichen Gestalt sind vereinigt der Riese Ymir und die Kuh Audhumbla.
Wie müssen wir uns vorstellen, daß der alte Druide, der Priesterweise zu den Menschen sprach? Er hatte die Weisheit, er wußte von dem was geschehen war. Er sprach zu solchen Menschen, die sich entweder ein altes Hellsehen in Ausnahmemomenten noch erhalten hatten, oder zu solchen, die Vertrauen hatten. Er wußte, er wird verstanden, wenn er den Vorgang der Menschwerdung so erzählt, wie er sich dem astralen Sehen darbietet. Die zwölf Ströme, die aus dem Norden kommen und die zwölf Nervenpaare bilden, verbinden sich mit den Feuerfunken, die aus dem Süden hervorsprühen, die das Herz und das Ernährungssystem bilden.

Twaalf stromen vloeiden vanuit het noorden, en vuurvonken kwamen vanuit het zuiden. Door de vereniging van de vurige vonken uit het zuiden met de twaalf stromen uit het noorden ontstonden twee wezens: de reus Ymir en de koe Audhumbla.
Wat is dan de reus Ymir? Ymir is de denkende mens die ontstond – die tevoorschijn kwam – uit de chaos, uit Ginnungagap; en de koe Audhumbla vertegenwoordigt het nieuwe voedende principe en het nieuwe hart. De reus Ymir en de koe Audhumbla zijn verenigd in de menselijke gestalte.
Hoe moeten we ons de oude druïde – de wijze priester – voorstellen terwijl hij tot het volk spreekt? Hij bezat wijsheid; hij wist wat er was gebeurd. Hij sprak tot hen die ofwel een rest van oude helderziendheid hadden behouden tijdens momenten van verhoogd bewustzijn, ofwel tot hen die geloof hadden. Hij wist dat hij begrepen zou worden als hij het proces van menselijke incarnatie vertelde
zoals het zich aan de astrale blik openbaart. De twaalf stromen die vanuit
het noorden komen – en die de twaalf zenuwparen vormen – verenigen zich met de vurige vonken die vanuit het zuiden naar buiten spatten, en die het hart en het voedingssysteem vormen.

Das sind die beiden Kräfte, die als Riese Ymir und als Kuh Audhumbla sich darstellen – wie schön wird das erzählt in der germanischen Genesis! Zwei Welten entstanden – so hören wir -: das kalte Niflheim und das heiße,
flammensprühende Muspelheim. Niflheim entläßt die zwölf Ströme,
Muspelheim entläßt die Feuerfunken.
Und jetzt gehen wir ein Stück weiter. Wir wissen, daß damals, in
jenem Moment, wo sich der Ätherleib des Kopfes mit dem physischen Kopf vereinigte, das Ich entstand als ein klares, selbstbewußtes
Ich. Vorher konnte der Mensch zu sich nicht «Ich» sagen. Der
Mensch fühlte sich zwar schon als ein Ich-Wesen, aber es war ihm
noch nicht das Ich-Bewußtsein aufgegangen. Mit diesem Ich-Werden
zusammen mußte der Mensch erkennen, was sich da umgestaltet und
herausgebildet hatte. Er war im höheren Sinne ein Ich geworden.
Nun betrachten wir das einmal, was alles entstanden war im Menschen. Es war das entstanden, was von den zwölf Strömen kam, das
ist das, was seinen Kopf mit den Gehirnnerven durchsetzte. Es war
aber auch das entstanden, was seiner Natur nach nicht mit dem
Kopf zusammenhängt, dasjenige, was seiner Natur nach abstammt
von der Kuh Audhumbla.

Dit zijn de twee krachten die zich manifesteren als de reus Ymir en de koe Audhumbla — hoe prachtig wordt dit verteld in het Germaanse scheppingsverhaal! Er ontstonden twee werelden — zo wordt ons verteld —: het koude Niflheim en het hete, vlammen spuwende Muspelheim. Niflheim brengt de twaalf stromen voort; Muspelheim brengt de vuurvonken voort.
En laten we nu een stap verder gaan. We weten dat destijds, op het moment dat het etherlijf van het hoofd zich verenigde met het fysieke hoofd, het “Ik” tevoorschijn kwam als een helder, zelfbewust “Ik”. Daarvoor kon de mens niet “Ik” tegen zichzelf zeggen. De mens voelde zich weliswaar een “Ik”-wezen, maar
het “Ik”-bewustzijn was nog niet in hem ontwaakt. Tegelijk met dit “Ik”-worden
moest de mens herkennen wat daar was omgevormd en gevormd. Hij was een “Ik” in hogere zin geworden.
Laten we nu beschouwen wat er in de mens was ontstaan.
Er was datgene ontstaan ​​wat afkomstig was uit de twaalf stromen — datgene wat zijn hoofd doordrong met de hersenzenuwen.
Maar er was ook datgene ontstaan ​​wat naar zijn aard niet verbonden is met het hoofd — datgene wat naar zijn aard voortkomt uit de koe Audhumbla.

Blz. 24

Diese zwei Naturen haben sich dazumal zusammengefügt; das können Sie förmlich sehen. Versuchen Sie, sich klarzumachen, wie alles, was von den zwölf Strömen des Nordens kam, eingeschlossen ist im Schädel und im Rückenmark. Alles andere ist angesetzt; die Rippen und die darunterliegenden Organe sind das, was von Süden her kam aus den Feuerfunken, die Kuh Audhumbla; es hat sich herausgebildet aus einem ganz anderen Menschheitszustande und angegliedert an das Frühere. Was hat sich da gebildet? Das eine, das sich gebildet hat aus einem ganz anderen Menschheitszustande heraus ist das geschlechtliche Prinzip. Zwar war das Geschlechtsprinzip schon gebildet im alten Lemurien, aber erst mit dem Auftreten des Ich-Bewußtseins ist es dem Menschen auch zum Bewußtsein gekommen. Vor diesem Zeitpunkte war der
Mensch mehr oder weniger unbewußt; der Geschlechtsakt ging wie in einem Traumzustande, einem dämmerhaften Zustande vor sich.
Das zweite, was dem Menschen gegeben wurde, war die Gestalt des
Herzens selber.

Deze twee naturen versmolten destijds; dat kun je letterlijk zien. Probeer
te doorgronden hoe alles wat uit de twaalf stromen van het Noorden voortkwam, besloten ligt in de schedel en het ruggenmerg. Al het andere werd daaraan toegevoegd; de ribben en de daaronder gelegen organen zijn afkomstig uit het Zuiden – uit de vurige vonken, uit de koe Audhumbla; dit kwam voort uit een totaal andere staat van mens-zijn en werd verbonden met wat reeds bestond. Wat werd daar gevormd? Het ene dat voortkwam uit een totaal andere staat van mens-zijn, is het seksuele principe. Hoewel het seksuele principe reeds in het oude Lemurië was gevormd, trad het pas met de opkomst van het “Ik-bewustzijn” ook in het menselijk bewustzijn binnen. Vóór dat tijdstip
waren mensen min of meer onbewust; de seksuele daad vond plaats als in een droomtoestand, een schemertoestand.
Het tweede dat de mensheid werd geschonken, was de vorm van het
hart zelf.

Und ein drittes, das ihm gegeben wurde, das nach und nach in dieser Zeit sich herausbildete, das war die Sprache.
Die Sprache ist auch ein Geschöpf der Atlantis. Ohne die Sprache können Sie sich nicht die Entwickelung des Denkens, der höheren Geistigkeit vorstellen. Und auch ohne das umgestaltete Herz und ohne das veränderte, das bewußte geschlechtliche Prinzip können Sie sich dies nicht vorstellen. So erscheint der Mensch merkwürdig gegliedert. Sein Denken, sein äußeres Anschauen sind
eingegliedert worden seinem Kopfe. Beigegeben ist diesem ein dreifaches: das bewußte Geschlechtsprinzip, das bewußte Herzprinzip und die bewußte Sprache, die der Ausdruck seiner inneren Wesenheit ist.
Machen wir uns nun gegenwärtig, wie sich dies der astralen Anschauung darstellt. Der astrale Seher sieht dies wiederum in einem Bilde, wie ein Baum stellt es sich ihm dar, ein Baum, der drei Wurzeln hat. Die eine Wurzel ist die Geschlechtlichkeit, die zweite ist das Herz und die dritte die Sprache. Diese drei Wurzeln sind in Korrespondenz mit dem Geistigen, dem Kopfe. Fortwährend gehen Nervenströmungen hin und her.

En een derde element dat hem werd geschonken – en dat in die tijd geleidelijk ontstond – was de taal. Ook de taal is een schepping van Atlantis. Zonder taal is de ontwikkeling van het denken of van een hogere spiritualiteit niet denkbaar. Evenmin is dit denkbaar zonder het getransformeerde hart en het gewijzigde, bewuste principe van de seksualiteit. De mens blijkt dus op een merkwaardige wijze te zijn opgebouwd. Zijn denken en zijn uiterlijke waarneming zijn in zijn hoofd geïntegreerd. Daarmee hangen drie elementen samen: het bewuste principe van de seksualiteit, het bewuste principe van het hart en de bewuste taal – die de uitdrukking vormt van zijn innerlijke wezen.
Laten we ons nu voor de geest halen hoe dit zich aan de astrale waarneming voordoet. De astrale ziener neemt dit waar in de vorm van een beeld: namelijk als een boom met drie wortels. De ene wortel is de seksualiteit, de tweede is het hart en de derde is de taal. Deze drie wortels corresponderen met het geestelijke element, het hoofd. Voortdurende stromen zenuwimpulsen heen en weer tussen deze elementen.

Blz. 25

Der Hellseher kann das so sehen, wie wenn ein Wesen fortwährend von unten nach oben und von oben nach unten läuft. Es erscheint so, wie wenn das Obere, das Geistige, fortwährend bekämpft würde durch das, was von unten kommt. Es widerstreiten sich diese beiden Strömungen. Der Mensch würde niemals in seinen unteren Gliedern leben können, ohne durch die vom Kopf kommenden zwölf Nervenströme befruchtet zu werden. Im Blute tropfen die geistigen Ernährungssäfte von oben nach unten. So sieht der Hellseher im Bilde das Werden des neuen Menschen, wie es sich in der letzten Zeit der atlantischen
Epoche vorbereitet hat für die nachatlantische Zeit.
Der alte Druidenweise mußte so sprechen, daß er den Menschen sagte: So sieht man die Sache. – Die Menschen hatten ja noch das astrale Hellsehen, und so konnte er ihnen noch schildern, was er auf dem astralen Plane sah. Daher lehrte er: Was im Menschen entstanden ist und heute in ihm lebt – die Ich Persönlichkeit -, entspringtaus drei Quellen.

De helderziende kan dit waarnemen als een wezen dat zich voortdurend van beneden naar boven en van boven naar beneden beweegt. Het lijkt alsof het hogere – het geestelijke – voortdurend wordt bestreden door dat wat van beneden opstijgt; deze twee stromingen zijn met elkaar in conflict. De mens zou nooit in zijn lagere wezensdelen kunnen leven zonder bezield te worden door de twaalf zenuwstromen die vanuit het hoofd afdalen. Geestelijke voedingsstromen druppelen van bovenaf in het bloed. Zo ziet de helderziende in dit beeld het ontstaan ​​van de nieuwe mens – een proces dat zich tijdens de laatste fase van het Atlantische tijdperk voorbereidde op het post-Atlantische tijdperk.
De oude Druïden-wijze moest zo spreken dat hij de mensen kon zeggen: “Zo ziet de zaak eruit.” Want de mensen beschikten nog over astrale helderziendheid, waardoor hij hun kon beschrijven wat hij op het astrale vlak waarnam. Daarom onderwees hij dat wat in de mens is ontstaan ​​– en vandaag de dag in hem leeft als de ‘Ik-persoonlijkheid’ – voortkomt uit drie bronnen.

Das Ich, das früher schon da war, aber jetzt erst zum Bewußtsein gekommen ist, stammt aus Niflheim. Es ist aber eine Schlange da, die fortwährend an der Wurzel nagt, die aus dieser Quelle stammt, Niddhögr ist ihr Name. Hellseherisch kann man tatsächlich diese Schlange nagen sehen. Die Ausschreitungen des Geschlechtsprinzipes, das nicht im Zaume gehalten wird, nagen an dieser Wurzel des Menschen.
Die zweite Wurzel ist das Herz. Aus ihm stammt das neue Leben des Menschen. Alles, was der Mensch tut, tut er unter dem Antrieb des Herzens. Er fühlt, was ihn glücklich oder unglücklich macht. Er fühlt die Gegenwart, er fühlt aber auch dasjenige, mit dem er in die Zukunft hineinwächst; das eigentliche Schicksal des Menschen wird vom Herzen empfunden. Darum sagten die Priesterweisen: An der Quelle, aus der diese Wurzel stammt, sitzen drei Nornen und spinnen die Fäden des Schicksals. Die Nornen sind Urd, die Herrin des Vergangenen, Verdhandi, die um die Gegenwart, um das Seiende und Werdende weiß, und Skuld, die kennt, was in der Zukunft sein soll. «Skuld» ist dasselbe Wort wie «Schuld». Die Zukunft entsteht dadurch, daß aus der Gegenwart etwas weiter hinausgeht, das abgetragen werden muß.

Het ‘Ik’ – dat er al eerder was, maar pas nu tot bewustzijn is gekomen – vindt zijn oorsprong in Niflheim. Er is echter een slang die onophoudelijk knaagt aan de wortel die uit deze bron ontspringt; Nidhogg is haar naam. Door middel van helderziendheid kan men deze slang daadwerkelijk zien knagen. Wanneer het seksualiteitsprincipe ongebreideld zijn gang kan gaan, knaagt dit aan deze wortel van de mens.
De tweede wortel is het hart. Daaruit ontspringt het nieuwe leven van de mens. Alles wat een mens doet, doet hij vanuit een impuls van het hart. Hij voelt wat hem gelukkig of ongelukkig maakt. Hij voelt het heden, maar ook datgene waarheen hij in de toekomst groeit; de ware bestemming van de mens wordt door het hart aangevoeld. Daarom zeiden de wijze priesters: bij de bron waaruit deze wortel ontspringt, zitten drie Nornen en spinnen zij de draden van het lot. De Nornen zijn Urd, de meesteres van het verleden; Verdandi, die weet van het heden – van dat wat is en dat wat aan het worden is; en Skuld, die weet wat er in de toekomst zal zijn. ‘Skuld’ is hetzelfde woord als ‘Schuld’. De toekomst ontstaat doordat er vanuit het heden iets naar buiten treedt dat ingelost of vereffend moet worden.

Blz. 26

An der dritten Wurzel ist Mimirs Quelle, Mimir, der den Weisheitstrank trinkt. Das ist dasjenige, was sich als Sprache ausdrückt.
Und oben ragen die Wipfel des Baumes ins Geisterland hinein, und aus dem Geistigen herunter kommen Tropfen des befruchtenden Nervenfluidums. Das drückten die Priesterweisen so aus, daß sie sagten: Da oben in den Wipfeln der Weltesche weidet eine Ziege, von deren Geweih es fortwährend heruntertropft. – So wird das Untere fortwährend von dem Oberen befruchtet. Und ein Eichhörnchen läuft von oben nach unten und von unten nach oben und trägt
Zankesworte hin und her: der Kampf der niederen gegen die höhere Natur.
So stellt es die germanische Sage dar. Sie sagt: Der neue Mensch in der neuen Welt gleicht einem Baum, einer Esche, die drei Wurzeln hat. Die erste Wurzel geht nach Niflheim, in das eiskalte düstere Urland. Inmitten von Niflheim war der unausschöpfhche Brunnen Hwergelmir; zwölf Ströme entsprangen aus ihm, sie flössen durch die ganze Welt.

Bij de derde wortel bevindt zich de bron van Mimir – Mimir, die de drank der wijsheid drinkt. Dit staat voor datgene wat zich als spraak manifesteert.
Daarboven rijst de kruin van de boom op in het rijk van de geest, en uit het geestelijke rijk vallen druppels van de bevruchtende zenuwvloeistof naar beneden. De wijze priesters drukten dit uit door te zeggen: Hoog in de kruin van de wereldes graast een geit [in de mythe is sprake van vier herten], uit wier gewei voortdurend vocht naar beneden druppelt. Zo wordt het lagere voortdurend bevrucht door het hogere. En een eekhoorn [Ratatosker] rent op en neer en draagt ​​woorden van twist heen en weer – een symbool voor de strijd van de lagere natuur tegen de hogere.
Zo wordt het in de Germaanse sage voorgesteld. Er wordt gezegd: De nieuwe mens in de nieuwe wereld lijkt op een boom – een es – met drie wortels.
De eerste wortel reikt tot in Niflheim, het ijskoude, sombere oerrijk.
Midden in Niflheim lag de onuitputtelijke bron Hvergelmir; twaalf stromen ontsprongen eraan en stroomden door de gehele wereld.

Die zweite Wurzel ging zum Brunnen der Nornen Urd, Verdhandi und Skuld; sie saßen an seinen Ufern und spannen die Fäden des Schicksals. Die dritte Wurzel ging zu Mimirs Brunnen. Yggdrasil nannte man die Weltesche, in der sich die Weltenkräfte zusammengezogen hatten. Ein Mensch wird abgebildet in dem Moment, wo er sich seines Ich bewußt werden soll, wo aus seinem Innern heraustönen soll das Wort «Ich». «Yggdrasil» ist soviel wie «Ich-Träger». Ich-Träger ist dieser Baum. «Ygg» ist «Ich» und «drasil» ist derselbe Wortstamm wie «tragen».
Nun versuchen Sie einmal, sich zu vergegenwärtigen, was alles für gelehrte und ungelehrte, für geistreiche und ungeistreiche Erklärungen zu dieser germanischen Mythe gegeben worden sind. Alle diese Erklärungen haben für den Okkultismus keinen Wert. Denn für den Okkultisten gilt der Satz, daß alles, was Zeichen sind – und auch eine Erzählung ist Zeichen -, eine reale Wirklichkeit hat in der geistigen Welt; und erst, wenn wir wissen, was einem solchen Zeichen in der geistigen Welt entspricht, erst dann erkennen wir die wahre Bedeutung der Zeichen und Mythen.

De tweede wortel strekte zich uit tot de bron van de Nornen – Urd, Verdandi en Skuld – die aan de oever ervan zaten en de draden van het lot sponnen. De derde wortel reikte tot de bron van Mimir. Yggdrasil was de naam voor de wereldes, waarin de krachten van de werelden samenkwamen. De boom verbeeldt de mens op het moment dat hij zich bewust wordt van zijn ‘Ik’ – het moment waarop het woord ‘Ik’ vanuit zijn binnenste opklinkt. ‘Yggdrasil’ betekent ‘drager van het Ik’. Deze boom draagt ​​het ‘Ik’: ‘Ygg’ correspondeert met ‘Ik’, en ‘drasil’ heeft dezelfde wortel als het woord voor ‘dragen’.
Stel u nu eens de enorme verscheidenheid aan verklaringen voor – geleerde en ongeleerde, briljante en alledaagse – die over deze Germaanse mythe zijn gegeven. Geen van deze verklaringen is van waarde voor het bovenzintuiglijke. Want de helderziende gaat uit van het principe dat alles wat als teken dient – ​​en ook een verhaal is een teken – een werkelijk bestaan ​​heeft in de geestelijke wereld; pas wanneer we weten wat in het geestelijke rijk met zo’n teken overeenkomt, doorgronden we de ware betekenis van deze tekens en mythen.

Blz. 27

Niemand kann die Kräfte für die menschliche Entwickelung, die in den alten nordischen Mythen liegen, heben und anwenden, der sich nicht in dieser Weise dem tieferen Sinn dieser Mythen nähert. Gerade durch den Okkultismus erringen wir uns die Erkenntnisse der Welt und des Menschen, die von den alten Druiden hineingelegt worden sind in die Bilder der germanischen Mythe, nicht etwa, weil sie aus einer blühenden Phantasie heraus Bilder erfinden wollten, sondern weil sie diese Bilder schauten. Kein Zeichen hat eine Berechtigung im
Okkultismus, das nicht in den höheren Welten geschaut werden kann. Die alten Sagen und Mythen sind Zeichen in der physischen Welt für eine höhere Wirklichkeit. Sie sind eine Schrift, die wunderbar verzeichnet die vergangenen Zeiten. Wenn wir diese Schrift lesen können, dann blicken wir tief hinein in die Vorzeit, und zu gleicher Zeit befruchtet uns die Mythe selber.

Niemand kan de krachten voor menselijke ontwikkeling die in de oude Noordse mythen besloten liggen, benutten en toepassen zonder de diepere betekenis van die mythen op deze wijze te benaderen. Juist door middel van occultisme verkrijgen we inzichten in de wereld en de mens – inzichten die de oude druïden in de beeldtaal van de Germaanse mythen hebben verweven; zij hebben deze beelden niet louter aan een levendige fantasie ontleend, maar ze daadwerkelijk aanschouwd. In het occultisme is geen enkel symbool geldig, tenzij het in de hogere werelden kan worden waargenomen. Oude legenden en mythen fungeren in de fysieke wereld als tekens die naar een hogere werkelijkheid verwijzen. Ze vormen een schrift dat op wonderbaarlijke wijze verslag doet van vervlogen tijden. Wanneer we dit schrift kunnen lezen, krijgen we een diepe blik in de oertijd, terwijl de mythe zelf ons tegelijkertijd verrijkt.

Erkennen wir die Mythen in dieser Weise, so erkennen wir viel tiefer als die abstrakte Wissenschaft. Die Wissenschaft kann uns die zwölf Paar Nervenstränge zeigen; der Okkultist macht die Entstehung und den ganzen Weltenzusammenhang erkennbar.
Was ist der Mensch? Ein Symbolum des Geistes, denn er ist herausgeboren aus
der geistigen Welt. Er ist eine Zusammensetzung geistiger Kräfte.
Erkennt sich der Mensch recht, so erkennt er sich selbst als ein Symbolum für das in ihm liegende Ewige. Dies wollen wir mitnehmen und heute in acht Tagen die Betrachtungen fortsetzen. Wir wollen darüber nachdenken im Sinne des Goetheschen Wortes «Alles Vergängliche ist nur ein Gleichnis». Der Mensch selbst ist ein Gleichnis für das unvergängliche Geistige im Vergänglichen. Wenn der Mensch dies erkennt, geht ihm die Erkenntnis auf für seinen eigenen
geistigen unvergänglichen, ewigen Wesenskern.

Als we mythen op deze wijze begrijpen, verkrijgen we een veel dieper inzicht dan de abstracte wetenschap kan bieden. De wetenschap kan ons de twaalf paren zenuwstrengen tonen; de occultist onthult hun oorsprong en hun plaats binnen het kosmische geheel.

Wat is de mens? Een symbool van de geest, want hij is geboren uit de geestelijke wereld. Hij is een samenstelling van geestelijke krachten. Wanneer de mens zichzelf werkelijk begrijpt, herkent hij zichzelf als een symbool van het eeuwige element dat in hem woont.
Laten we hierover nadenken in de geest van Goethe’s woorden: “Alles wat vergankelijk is, is slechts een symbool.”
De mens zelf is een symbool van de onvergankelijke geestelijke essentie binnen het vergankelijke.
Wanneer de mens dit inziet, daagt het besef van zijn eigen geestelijke, onvergankelijke en eeuwige wezenskern bij hem.
GA 101/15-27
Niet vertaald

Verklarende namenlijst Germaanse mythologie

Rudolf Steiner over mythe, sagen en sprookjes

4e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3606-3399

.

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – 2e klas – rekenen – tafels (3-3)

.
Onderstaand artikel gaat over rekenen aan een hulpklas. 
Soms is een bijzondere aanpak ook nuttig voor je eigen klas en misschien moet je hier zeggen: voor bepaalde kinderen, wellicht niet voor de hele klas.
Er wordt veel bewogen, wat op zich een goede zaak is in het beginstadium, maar veel en gecompliceerde bewegingen kunnen ook het leren in de weg zitten: dan zien de kinderen door de bomen het bos niet meer.
Dat geldt zeker voor kinderen die – in dit geval – het leren van de tafels snel oppikken. Wanneer die te vaak en te veel moeten bewegen voor iets wat ze al kunnen en kennen, wordt ook bewegen saai. En menskundig gezien: dat wat door beweging en ritme in het hoofd moet komen, hoeft niet meer geoefend te worden als het daar al zit’
Let ook op de werking van samen spreken: een tafel klassikaal opzeggen lukt altijd wel, maar hoe is het met de individuele kinderen? Dus op den duur: veel controleren hoe ver ieder is.  

.
Berenike Aisenpreis, Erziehungskunst jrg. 40 nr. 10 1976
.

Doen in plaats van leren



Een weg naar de tafels van vermenigvuldiging
.
Dit artikel is geschreven door een ervaren leerkracht in het speciaal vrijeschoolonderwijs. De daarin beschreven oefeningen voor het leren van de tafels zijn met succes getest bij kinderen in voorzieningen voor speciaal vrijeschoolonderwijs. Met de juiste aanpassingen zouden ze zeker ook waardevol zijn voor kinderen in grote klassen en ideeën bieden die op vele manieren verder kunnen worden uitgewerkt.
Hans Rehmann
.

Bijna alle kinderen hadden grote moeite met concentreren. Ze waren niet in staat om simpelweg een reeks getallen uit het hoofd te leren; de opgave was daarom om via liedjes en versjes een brug van kleur en melodie te slaan. Voor de tafel van 2 werd het volgende versje bedacht:

1 x2 = 2        Ich esse gerne Brei.
2×2 = 4        Beine hat das Tier
3 x2 = 6       Im Walde wohnt die Hex
4 X 2 = 8     Wer hätte das gedacht!.
5 X 2 = 10   Das kann doch jeder sehn!
6 X 2 = 12.  Im Walde hungern die Wölf.
7 X 2 = 14   Die Eins muß vor der Vier st~hn.
8 X 2 = 16  Im Dunkeln kann man schlecht sehn.
9 X 2 = 18  Willst du’s einmal nachsehn?
10 X 2 = 20 Im Sommer wird die Butter ranzig.

Ik heb de teksten niet vertaald. Het is leuk om dat zelf te doen.
Je kan hier ook nog denken aan het omgekeerde, zoals bij het touwjespringvers ‘Karel 1, brak zijn been‘, dus hier: Ik drink graag thee – 1 x 2 = 2
Daarna omgekeerd en op den duur de tekst weg en alleen maar 1 x 2 = 2.

Hiervoor wordt eenvoudig geteld binnen het bereik van 1 tot 20 – zowel vooruit als achteruit – terwijl je loopt of stilstaat. Ook kan je de veelvouden van twee al stampend markeren of in het ritme meeklappen. Het is belangrijk om de lastige gedeelten herhaaldelijk achteruitlopend te doorlopen. Er schuilt een verborgen kracht in achteruitlopen; een kracht die, wanneer deze de nacht in wordt meegenomen, een versterkende en vitaliserende uitwerking heeft. Zodra dit versje enigszins verankerd is, kan zonder aarzeling het “lied van de drie” worden geïntroduceerd. Als de ruimte het toelaat, laat de kinderen dan in een kring staan. Bij het beklemtoonde veelvoud van drie (zie de melodie) wordt een stap naar het midden gezet. Iedereen pakt elkaars hand vast, en de melodie en het ritme zorgen voor een sterk gevoel van verbondenheid. Ik heb altijd gemerkt dat iedereen wil meedoen – niemand wil aan de kant blijven staan ​​– en dat er totaal geen problemen zijn met de discipline. Bij een klas van 40 leerlingen liet ik de kinderen staand zingen en hun armen kruisen – volledig gestrekt in het eurytmiegebaar voor de klank “E” – bij de veelvouden van drie. Om ervoor te zorgen dat ze hun armen echt goed strekken, kun je het beeld van twee zwaarden gebruiken. Het “E”-gebaar versterkt dit versterkende effect vervolgens nog eens extra.

Ritme voor 3

Het lijkt erop dat de A verlaagt moet worden, maar dan klingt de melodie niet makkelijk, het zal dus gewoon om de Bes gaan.

De volgende stap is om het liedje los te koppelen van zijn ritmische context en het om te zetten in direct beschikbare mentale kennis. De vingers spelen hierbij een rol. Elk kind steekt de vingers duidelijk omhoog en telt de veelvouden van drie achter elkaar op. Ik ga graag bij de deur staan ​​en laat alleen de kinderen door die de veelvouden van drie kunnen opzeggen; dit fungeert als een soort toegangsbewijs. Voor leerlingen die moeite hebben met rekenen, vormt de tafel van drie een belangrijke basis; het is de moeite waard om hier ruim de tijd voor te nemen, aangezien deze tafel andere tafels ondersteunt en tegelijkertijd binnen een overzichtelijk getallenbereik blijft. In het speciaal onderwijs wordt de tafel van vier vaak ingeoefend aan de hand van auto’s. Aanvankelijk sprak deze aanpak me erg aan – je wilt immers bij de tijd blijven – maar in de praktijk vielen de resultaten tegen. Een kind kan de wielen van drie auto’s nog wel in het hoofd tellen, maar daarboven wordt het onmogelijk. Bovendien heeft een kind geen behoefte om telkens de uitkomst van de vermenigvuldiging te berekenen; in plaats daarvan wil het de getallenreeks uit het hoofd leren en vervolgens snel op de vingers natellen hoe vaak bijvoorbeeld 4 in 20 gaat. Hoe leer je zo’n getallenreeks dan snel uit je hoofd?

Ritme van 4

Ik nam een ​​melodie die in ieder mens leeft: het muzikale drieklankmotief. Ter begeleiding introduceerde ik het beeld van een bloem die groeit uit een bol in de grond. De kinderen staan ​​in een kring en buigen ver voorover; met hun rechterarm plaatsen ze een denkbeeldige bol in de aarde – ongeveer op kniehoogte. Terwijl ze dat doen, zingen ze de getallen en beelden ze met hun rechterhand het groeiproces uit. De beweging en de melodie moeten min of meer samenvallen: mijn hand beweegt omlaag voor de lage toon en omhoog voor de hogere. Verder kunnen de bewegingen vrij worden uitgevoerd. Het is ook heel effectief om de kinderen het getal vier ritmisch te laten tellen. We deden dit met onze handen en voeten, omdat het getal vier op een kenmerkende manier in de menselijke lichaamsbouw besloten ligt. Dit werkte sterk ordenend op de kinderen. Ik zei dan bijvoorbeeld tegen de klas: “Stel je voor dat we ergens op moeten hameren; dat doen we met onze vuisten en voeten.”

De rechtervuist slaat toe – en terwijl we dat doen, zeggen we: één.
De rechtervoet stampt – en we zeggen: twee!
De linkervoet stampt – we zeggen: drie!
De linkervuist hamert – we zeggen, met sterke nadruk: vier!”
Natuurlijk is de instinctieve reactie, nadat de rechtervoet bij “twee” heeft gestampt, om de linkervuist op te heffen voor de derde tel – dat is nu eenmaal onze natuurlijke neiging.
Maar dat is niet wat we willen.
De volgorde – vuist, voet, voet, vuist – moet bewust worden “beheerst”.
Het is niet nodig om de reeks van vijven uit het hoofd te leren; men kan er simpelweg van “genieten”.
We staan ​​in een kring, de rechtervoet naar voren, de linkervoet iets naar achteren. In gedachten lenen we een deegroller van moeder en rollen we deeg uit. Terwijl we dat doen, wiegen we afwisselend naar voren en naar achteren, en zeggen we de reeks op: 5, 10, 20, 25, 30, enzovoort. Het is niet nodig om veel tijd te besteden aan deze reeks van vijven, al zal men de kinderen uiteindelijk wel moeten begeleiden van het gebruik van de vingers naar een abstract begrip.

Hier is een kringspel voor de tafel van zes, gebaseerd op *Hans en Grietje*. Mijn klas speelde dit spel kort nadat we de tafel van drie hadden geleerd, maar de abstracte begrippen introduceerde ik pas na de tafel van vijf. We deden het als volgt: iedereen stond in een kring, hield elkaars handen vast en zong de openingsregels terwijl we in de maat liepen. Bij de regel “2 x 6 = 12” liepen we heel langzaam, maar bij de volgende regel – “Hun honden roepen luid: ‘De wolf! De wolf!'” – mocht iedereen een stukje rennen. De rest van het spel speelden we staand, begeleid door specifieke bewegingen. Bij “3 x 6 = 18” gingen we op onze tenen staan ​​en reikten we omhoog naar de peperkoek. Bij “4 x 6 = 24” – “de zwarte kater likt zijn staart” – deed iedereen alsof hij een kater was en poetste zijn grote staart aan de linkerkant. Bij het versje voor 30 pookten we het vuur op met een lange stok. Bij 36 werd de sfeer wat rustiger; we kantelden ons hoofd om naar het gezang van de sijs te luisteren. Bij “7 x 6 = 42” – “de heks verbrandt en roert nooit meer” – tekenden we met onze handen een liggende acht in de lucht. Daarna begon de melodie opnieuw terwijl we naar de laatste getallen toewerkten. Zo kwamen we bij het einde van het sprookje, waar de beloningen verschenen. “8 x 6 is 48” – “slakvormig gebak smaakt pittig!” – we maakten spiraalbewegingen met onze rechterarm. “9 x 6 = 54” – “schatten in overvloed; wie er een wil, mag hem pakken!”
We staan ​​daar en maken verzamelende gebaren met onze handen. Sommige kinderen willen op dat moment te veel meenemen en laten zich gemakkelijk meeslepen. We bewaren de orde door iedereen elkaars hand te laten vasthouden, terwijl de energieke finale wordt gezongen en met bewegingen wordt uitgevoerd.

Voordat ik de tafel van zeven – met zijn vier priemgetallen – aanpakte, stelden we de tafel van acht op. Ik ‘verankerde’ deze reeks achten, als het ware, in omgekeerde volgorde. Het mentale beeld dat hierbij wordt gebruikt, is dat van een schuchter konijntje. Met een bonzend hart – maar vol nieuwsgierigheid – hopt het één stapje vooruit, om vervolgens zo te schrikken dat het meteen weer een stapje terug hopt. De bijbehorende bewegingen bestaan ​​uit eenvoudige, kleine boogjes met de handen om de sprongetjes uit te beelden. De kinderen doen dit terwijl ze staan. We maken dus de eerste sprong en zeggen “8”; we springen terug en zeggen weer “8”; we maken twee sprongen en zeggen “8–16”; we springen terug en zeggen “16–8”; we maken drie sprongen – “8–16–24” – enzovoort. Van oudsher is het getal 56 het lastigste in de reeks van de tafel van acht. Het krijgt de plek toegewezen waar het konijntje de heuvel af hopt (omdat de armen niet verder kunnen reiken). Dit heeft als voordeel dat ik nu een geheim teken heb voor dit vervelende getal. Helaas is er op de berghelling alleen nog plaats voor 64, 72 en 80. Het op deze manier oefenen van de tafel van acht vereist veel spreken; zelfs de grootste kletskousen raken er uiteindelijk wat vermoeid van.
Maar nu staan ​​alle kinderen te popelen om de tafel van zeven te leren. Inmiddels zijn ze veel vertrouwder geraakt met de getallenreeksen – elk kind heeft zelfs een favoriete tafel. Dus vertel ik opnieuw het verhaal van ‘Het dappere snijdertje’, en wel heel beeldend. Wat moet zo’n kleermaker toch handig zijn! Ik vraag me af of hij wel zeven knopen tegelijk zou kunnen aannaaien? Laten we het eens proberen! Vorm een ​​kring! Stel je voor dat je naald en draad in je rechterhand houdt, terwijl je linkerhand de stof vasthoudt. Buig bij elke steek diep door je knieën en maak een boogbeweging. Zeg daarbij hardop: 7 – 14 – 21 – 28, enzovoort. Door het doorbuigen van de knieën wordt ook de ‘onderste mens’ bij het leerproces betrokken.

Bij het behandelen van de tafel van negen proberen we de snelle, intuïtieve geest van het kind aan te spreken. Het komt aan op de juiste woordkeuze; idealiter spreek ik zo dat het kind zelf de onderliggende getallenpatronen ontdekt. ​​”Probeer de veelvouden van negen eens in een kolom op te schrijven en ze goed te bekijken – misschien ontdek je dan wel een rekengeheim!” Tegen degenen die het niet konden vinden, zei ik bijvoorbeeld: “Kijk: 9 – 18 – 27 – 36 – 45… Zie je het? Aan de rechterkant worden de cijfers telkens één lager, terwijl ze aan de linkerkant juist met één toenemen. Dit rekengeheim helpt enorm bij het opzeggen van de tafel; als ik ’63’ zeg, moet het volgende getal op een 2 eindigen, enzovoort.” Er was zelfs een kind dat zei: “Ik kan de tafel van negen in twee minuten leren, want ik hoef maar twee nieuwe dingen te onthouden: 9 × 9 = 81 en 10 × 9 = 90; alle andere getallen zijn gewoon de ‘negen-sommen’ uit de andere tafels!” Een ander kind – een pientere leerling – zei: “Ik ga een paar makkelijke, leuke sommen bedenken die als uitkomst een veelvoud van negen hebben!” Hij schreef op: 10 – 1 = 9; 20 – 2 = 18; 30 – 3 = 27; 40 – 4 = 36, enzovoort. Als een kind de tafel van tien moet leren, is het goed om het aan te moedigen dit vaak te oefenen door op de vingers en tenen te tellen. Tot slot kun je voor de berekeningen ook muntjes van tien pfennig gebruiken. Toen ik enige tijd geleden met een groep van elf van dergelijke kinderen aan de slag ging – kinderen die zich kenmerkten door beperkte leercapaciteiten en leerstoornissen – kenden de meesten alleen de getallenreeks van 1 tot 20. Bij drie kinderen was het rekencentrum in de hersenen zo ernstig aangetast (door hersenschade op jonge leeftijd) dat ik hen slechts beperkt kon helpen. Inmiddels beheersen acht kinderen de volledige basis van de tafels; Door zelfstandig te werken, wisten ze met goede resultaten bij het schriftelijke werk vorderingen te maken tot en met de tafel van zestien. Ze kunnen nu getallen van vijf cijfers vermenigvuldigen met een getal van één cijfer, en ook schriftelijk optellen en aftrekken. Eén leerling zal kunnen overstappen naar een reguliere vrijeschool. Delen – die cruciale rekenbewerking – bleek voor hen het lastigst; tot nu toe is het alleen mogelijk geweest om dit mondeling te oefenen, in de context van de tafels en via activiteiten waarbij voorwerpen worden verdeeld of uitgedeeld. Tot slot moet worden benadrukt dat het toverwoord voor het beheersen van de tafels – en eigenlijk voor alle kinderen – ‘herhaling’ is.

.

2e klas rekenen: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Rekenen: alle artikelen

vrijeschool in beeld: 2e klas alle beelden

.

3605-3398
.
.
.
.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – de zinvolle vertelling

.
Voor deze vorm van verhalen heeft het Duits ‘sinnige’, ‘zinnig’, een verhaal met ‘zin’, met betekenis. Zinvol of zinrijk kan ook.
.

Erhard Fucke, Erziehungskunst nr. 1 jrg. 34 ja. 1970
.

Het verhaal met betekenis

Een pedagogische opgave voor de eerste drie klassen van de basisschool

Rudolf Steiner kende een belangrijke rol toe aan het “verhaal met betekenis” in de eerste drie klassen van de basisschool. De leerkracht moest de gehele wereld in het gesprek betrekken, zodat deze zijn wezen kon onthullen door middel van een schat aan beeldende, individuele verhalen.
In verschillende delen van zijn voordrachten ging hij in op de onderliggende principes met betrekking tot de aard van de mens. Een centraal thema is dat het kind tot de leeftijd van negen jaar “nog geen onderscheid kan maken tussen wat het innerlijke wezen van de mens vormt en wat de uiterlijke omgeving of de natuur vormt.”
“Het kind schrijft dezelfde krachten die het in zichzelf waarneemt bij het ervaren van ongemak of pijn, ook toe aan zon en maan, aan bomen en planten.”*

*In GA 305  hier vertaald weergegeven.

Inspelen op deze situatie betekent dat natuurelementen worden voorgesteld als wezens die spreken, voelen en handelen zoals mensen.
De verbinding van het kind met de omgeving – een band waarvan het zich nog niet kan losmaken – is duidelijk onbewust en natuurlijk van aard. Door de gehele omgeving op menselijke wijze te bezielen, tilt de leerkracht deze verbinding naar het niveau van een droomachtige, gedeelde ervaring. De band wordt bewuster hersteld door de activiteit van de ziel, waardoor een natuurlijk gegeven wordt omgevormd tot de eerste menselijke vermogens en innerlijke verworvenheden van het kind.
Steiner heeft dit proces klaarblijkelijk voor ogen wanneer hij zegt:

“Het gaat erom – vooral in het eerste schooljaar – een zeker ontwaken van het kind ten opzichte van zijn omgeving teweeg te brengen, een ontwaken van de ziel, zodat het leert zich werkelijk met de omgeving te verbinden.”
Dat is het tweede motief.*

*GA 295/156  Vertaald/156

Het derde betreft het effect dat optreedt wanneer het kind zijn relatie tot de omgeving niet op deze antropomorfe wijze heeft ervaren.
“… het (kind) mist een deel van wat het betekent om mens te zijn in het latere leven”. (GA 305 – zie boven)

Wat met dit deel wordt bedoeld, blijft in het midden.
Wanneer de leerkracht “betekenisvolle verhalen” wil bedenken, stuit hij op vele moeilijkheden. Zijn pedagogische instincten verzetten zich ertegen de wereld op antropomorfe wijze vorm te geven. Hij vreest vanuit een beeldende wereld af te dwalen naar een wereld van louter fantasie, en zoekt daarom naar criteria die deze krachten in goede banen kunnen leiden en reguleren. Een dergelijk regulerend principe vindt hij bijvoorbeeld in de opmerking van Goethe dat alles wat vergankelijk is, het karakter van een metafoor draagt.

Zo zoekt hij naar de archetypische aard van elk verschijnsel, met als doel de wereld doorzichtig te maken voor een rijk van archetypen dat erin verborgen ligt en haar tegelijkertijd tot stand brengt. Hij wil, met andere woorden, ontwikkelen wat Goethe ‘exacte verbeeldingskracht’ noemt. Tegen een dergelijk streven is geen bezwaar; er zijn immers juist prachtige verhalen uit voortgekomen. De ervaring leert echter dat er jaren van regelmatige studie nodig zijn om zelfs maar de eerste bescheiden verhalen op dit gebied te kunnen vertellen. Moet men zichzelf in die tijd verbieden om ‘betekenisvolle verhalen’ te vertellen? En volstaat de vrucht van jarenlange studie om een ​​klas – gedurende een periode van drie jaar – te voorzien van verhalen die alle wereldverschijnselen in deze vorm aan het kind onthullen?
Bovendien sluiten sommige uitspraken van Steiner helemaal niet aan bij deze weg van strikt exacte beoefening. Er is bijvoorbeeld de uitspraak die de leerkracht onmiddellijk terugvoert naar het hachelijke terrein van tegenstrijdige indrukken: “Of gebeurtenissen daadwerkelijk plaatsvinden of niet, is in het individuele geval volstrekt onbelangrijk; waar het om gaat, is dat ze betekenisvol zijn.”*

*GA 177/203
Vertaald

Elders spreekt Steiner over de waarde van een verhaal dat zeker niet in strikte zin een archetypisch karakter heeft:
“De grootmoeder van Adalbert Stifter zei tegen de jongen: ‘Kind, wat is  avondrood? Kind, wanneer de avondgloed verschijnt, hangt de Moeder Gods haar gewaden op – want ze heeft er vele – om ze elke avond aan het hemelgewelf te tonen!’

“Dit zijn woorden waaruit de goden kunnen putten voor de verdere evolutie van de wereld.’*

*GA 276/170
Niet vertaald

Op zorgeloze wijze bezielt Stifters grootmoeder het natuurverschijnsel en stelt ze het voor als het werk van de Moeder Gods; daarmee speelt ze in op precies die behoefte aan menselijke bezieling van natuurprocessen die iets in het kind wakker roept. Toch kan dit korte verhaal ons ook helpen de kenmerkende kwaliteit van ‘zinvolheid’ (*Sinnigkeit*) beter te begrijpen.

Volgens Rudolf Steiner draait alles om deze kwaliteit; zij is het – en niet zozeer het archetypische karakter van het verhaal – die bepaalt of het verhaal al dan niet pedagogisch effectief is.

Adalberts grootmoeder moet hem vaak over de Moeder Gods hebben verteld, en het zal haar ongetwijfeld gemakkelijk zijn afgegaan om bij de jongen een gevoel van eerbied en bewondering voor deze geliefde gestalte te wekken. Vervolgens legde zij – op vrije en zelfs meesterlijke wijze – een verband tussen deze ervaringen en de avondgloed. Plotseling raakte de zonsondergang verbonden met de innerlijke gevoelswereld van de jongen; voortaan kon hij de avondgloed niet meer aanschouwen zonder dat die gevoelens in hem opkwamen. En zelfs toen hij later precies begreep hoe natuurwetten de zonsondergang teweegbrengen, verloor het beeld waarmee hij had geleefd – doordrenkt als het was van de herinnering aan een geliefde – niets van de vreugde die het ooit had opgeroepen.
Op dat moment ervaart hij het natuurverschijnsel echter op een zodanige wijze dat zijn innerlijke wereld er volledig mee kan samensmelten. De aldus bezielde natuur wordt voor het kind net zo vertrouwd als zijn eigen wereld van vreugde en pijn.
Wat is dan een verhaal dat de ziel aanspreekt? Het is een verhaal dat de mens aanzet tot reflectie op iets waar hij anders wellicht onopgemerkt aan voorbij zou zijn gegaan. Het beschouwend stilstaan ​​bij een dergelijk gevoel – dat tegelijkertijd een beeld is, en dus beide tegelijk – is een proces van ademhalen dat bij ieder mens, maar vooral bij een kind, een staat van bezinning bevordert. Het straalt een kalmte uit die niettemin de meest intense alertheid in zich draagt, waardoor schijnbare tegenstellingen op een zeldzame en bijzondere wijze met elkaar in harmonie worden gebracht.
De twee verhalen die volgen, en die trachten de aard van een dergelijk verhaal te belichamen, worden hier gepresenteerd om niet slechts abstracte gedachten, maar concrete voorbeelden te bieden.

Ik geloof niet dat ze in deze vorm verteld moeten worden; dat is een schrijfstijl
die streeft naar een zekere beknoptheid – iets wat niet van nature past bij een gesprek tussen volwassenen en jonge kinderen.
Het ideaal zou zijn dat het verhaal zijn uiteindelijke vorm pas vindt door de interactie met de kinderen.

Rudolf Steiners verhaal over het viooltje lijkt mij hier een treffend voorbeeld van, omdat hij de kwaliteit van het aandachtig luisteren lijkt aan te voelen en daaruit de uiteindelijke formulering ontwikkelt, zodanig dat men geneigd is de kinderen een deel van het auteurschap toe te schrijven. Dit vergt dezelfde artistieke benadering die Steiner ook bij het schilderen voorstaat. Het resultaat moet niet zijn wat alleen de leerkracht of alleen het kind wenst, maar een derde element – ​​iets dat tussen beide in ligt en beide partijen evenzeer verrast.
De voorbereiding vervalt zodoende tijdens het vertellen, en het verhaal wordt
in dat proces opnieuw ontdekt. ​​Dit getuigt van een hoog artistiek niveau.
Ik ben ook van mening dat het navertellen van verhalen van anderen slechts een
noodoplossing is. De pedagogische werking lijkt immers juist te schuilen in de
daad van de leerkracht zelf om de natuur tot leven te brengen – en daarmee
innerlijke krachten te wekken die hem in zijn volwassen aard anders niet zo
gemakkelijk ter beschikking staan. Verbeeldingskracht bezielt niet alleen het
verhaal, maar ook de verteller zelf, en dit bezielende effect treedt zelden op
wanneer men een verhaal vertelt dat door iemand anders is bedacht.

.

Vertelstof: alle artikelen

Rudolf Steiner over vertellen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3604-3397

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 26 mei 1921

.

Zie ‘het woord vooraf‘

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven.
Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan.
De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

Gezichtspunten bij de vraag of een kind mee kan naar een hogere klas <1>
Heeft de klas een slecht geheugen of pak je de dingen verkeerd aan
; levendig, tastbaar en sluitend beeld geven; generatieketting; humor <2>
Over een zeer druk, slordig kind, zittenblijven of hulpklas <3>
Kind met zwakke ogen; kinderen met problemen: o.a. dwangmatig, astma, <4>
Taal, niet-Nederlandse taal, daarin schrijven in klas 3? <5>
Getuigschrift: voor de ouders; voor het kind <6>
Vrij godsdienstonderwijs – de leraar die het geeft, los van het college; Christus het middelpunt; <7>
Oprichten euritmiegroep voor bekendmaken school? Oprichten schoolkoor? <8>
Mogen leerlingen werk van Steiner lezen? <9>

Levenskunde-techniek <10>

 

RUDOLF STEINER

.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart

1919 bis 1924

Erster Band

Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1

Het eerste en tweede schooljaar

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

Toevoegingen in blauw zijn van mij.

GA 300A

Blz. 278

Konferenz vom Donnerstag 26. Mai 1921, 20—2 Uhr

Vergadering van donderdag 26 mei 1921, 20 – 2 uur 

Dr. Steiner: Wir werden uns wohl über den Schulschluß zu unterhalten haben. Sie haben eine Anzahl von Fragen?

We moeten het hebben over het einde van het schooljaar. U heeft een aantal vragen?

X.: Die Frage, wie die Versetzung in diesem Jahr gehandhabt werden soll.
Allgemeines wegen der 10. Klasse und der folgenden. Eine Bitte um einen
Kursus über Erziehung der über Vierzehnjährigen, auch betreffend den Religionsunterricht. Weiter, was bei uns eine „bourgeoise Methode” ist, und wie
es ausgemerzt werden könnte. Eine Frage wegen des Instrumentalunterrichts.
Ob man in der 3. Klasse in den Fremdsprachen schon schreiben oder nur sprechen soll. Eine Frage betreffend Lebenskunde und soziale Erkenntnis. Eine
Frage nach dem Eurythmie-Sonderkurs. Auch wegen einer Versammlung mit
Lehrern, wegen pädagogischer Wochen und wegen eines Mitteilungsblattes.

X.: De vraag hoe de overgang naar de volgende klas dit jaar moet worden aangepakt.
Algemene zaken betreffende de tiende klas en de daaropvolgende klassen.
Een verzoek om een cursus over het onderwijs aan leerlingen ouder dan veertien, inclusief het vak godsdienstonderwijs.
Voorts de kwestie wat bij ons als een “burgerlijke methode” wordt beschouwd en hoe die zou kunnen worden weggenomen.
Een vraag over lessen in instrumentale muziek.
Of bij vreemde talen in de derde klas de nadruk moet liggen op schrijven of uitsluitend op spreken.
Een vraag over levenskunde en maatschappelijk inzicht.
Een vraag over de speciale cursus euritmie.
Ook wat betreft een bijeenkomst met
leerkrachten, pedagogische weken en een nieuwsbrief.

Dr. Steiner: Ich denke, wir werden die einzelnen Punkte absolvieren, indem wir zuerst versuchen, die Dinge zu sagen, welche die einzelnen Lehrkräfte über das vorzubringen haben, was mit der Fortsetzung und mit dem Ende des Schuljahres zusammenhängt. Dann werden wir leichter die Frage nach der Versetzung der Kinder besprechen können. Ich denke, wir beginnen bei der 9, Klasse. Ich werde die verehrten Lehrkräfte bitten, die Erfahrungen vorzubringen, die sie auf den Schluß des Schuljahres vorzubringen haben.
Es wird über jede einzelne Klasse gesprochen, zuerst über die 9.

Ik stel voor dat we de afzonderlijke punten behandelen door eerst te horen wat de verschillende leerkrachten te zeggen hebben over het verloop en de afronding
van het schooljaar. Daarna zullen we beter in staat zijn de kwestie van de overgang van de kinderen naar de volgende klas te bespreken.
Ik stel voor dat we beginnen met de negende klas. Ik wil de gewaardeerde leerkrachten vragen hun ervaringen en waarnemingen te delen met betrekking tot het einde van het schooljaar.
Elke klas wordt afzonderlijk besproken, te beginnen met de negende.

Dr. Steiner: Ich war darin bei der Jean Paul-Besprechung. Sind Sie zufrieden mit der Art, wie die Kinder teilnehmen?
Was ist in der Eurythmie zu sagen? Der eine Lethargische, der U. A., ist nicht wirklich lethargisch; der macht nur einen lethargischen Eindruck.
Falls eine 10. Klasse zu errichten sein würde, so würden alle Schüler
aufzusteigen haben.
Nun kommen wir zur 8. Klasse. Sind da Schüler, die in Betracht kommen als so schwach, daß man sie zurücklassen soll?

Dat heb ik waargenomen tijdens de bespreking over Jean Paul. Bent u
tevreden over de manier waarop de kinderen deelnemen?
<1> Wat valt er te zeggen over de euritmie? Eén lusteloze leerling – U.A. –
is niet echt lusteloos; hij wekt slechts die indruk.
Als er een tiende klas zou worden opgericht, zouden alle leerlingen
moeten overgaan.
Laten we nu naar de achtste klas kijken. Zijn er leerlingen die
misschien als zo zwak worden beschouwd dat ze zouden moeten blijven zitten?

X.: Es wäre bei H. K. zu überlegen, ob er nicht in einer tieferen Klasse besser
vorwärtskommt.

X.: Wat H.K. betreft, zou het de moeite waard kunnen zijn om te overwegen of hij in een lagere klas betere vorderingen zou maken.

Dr. Steiner: Meinem Eindruck nach müßte er nicht zurückbleiben.
Ist es einer von denen, die in bestimmten Fächern mehr zurück sind?

Ik heb de indruk dat hij niet hoeft te blijven zitten.
Behoort hij tot de leerlingen die bij bepaalde vakken achterblijven?

X.: Er schläft förmlich ein.

X.: Hij valt bijna in slaap.

Dr. Steiner: Er ist physisch schwach. Er war bei der Quäkerspeisung.

Hij is fysiek zwak. Hij heeft deelgenomen aan het voedselprogramma van de Quakers.

X.: Es sind so schlimme häusliche Verhältnisse.

X.: Zijn thuissituatie is erg slecht.

Blz. 279

Dr. Steiner: Es fragt sich in einem solchen Fall, ob Sie glauben, daß er im nächsten Jahre in der 9. Klasse stören wird, oder ob man ihn unter Umständen doch wird mitbringen können. Wenn solche Verhältnisse vorliegen, ist solch ein Schock nicht gerade das Wünschenswerte.

In een geval als dit is de vraag of u verwacht dat hij volgend jaar in de negende klas voor onrust zal zorgen, of dat het wellicht toch mogelijk is hem mee te laten gaan. Onder dergelijke omstandigheden is een dergelijke schok nauwelijks wenselijk.

X.: Ich glaube nicht, daß er stören wird.

X.: Ik geloof niet dat hij voor onrust zal zorgen.

Dr. Steiner: Ist in der Eurythmie etwas zu gewinnen aus ihm?

Is er bij euritmie iets met hem te bereiken?

Eine Eurythmielehrerin: Er strengt sich an. — Der P. R. ist verwachsen, soll
man ihn einzeln vornehmen?

Een euritmiedocent: Hij doet zijn best. — P. R. heeft een ontwikkelingsachterstand; moeten we individueel met hem werken?

Dr. Steiner: Haben wir eine gewisse Anzahl solcher Kinder durch die
verschiedenen Klassen durch? Man muß, so gut man kann, mit den
Kindern innerhalb derselben Gruppe fertig werden. Es geht nicht an,
daß man den P. R. absondert. Ist sprachlich etwas zu sagen?
Der H. K. bliebe zu bedenken. Ich glaube doch, daß es kaum zweifelhaft sein kann, daß wir diesen in die 9. Klasse hinaufnehmen. Ich werde vielleicht morgen oder übermorgen in die Klasse kommen. Wir müssen den Hilfsunterricht haben. Daran müssen wir denken. In einer niedrigeren Klasse würden solche Schüler ebenso stören.

Hebben we vaker met dit soort kinderen in de verschillende klassen te maken? Men moet zien rond te komen met de kinderen die in dezelfde groep zitten, zo goed en zo kwaad als dat gaat. Het is niet haalbaar om P. R. te isoleren. Is er iets te zeggen over de spraak?
We moeten ook nog naar H. K. kijken. Ik denk dat er weinig twijfel over kan bestaan ​​dat we hem naar de negende klas moeten laten overgaan. Misschien bezoek ik de klas morgen of overmorgen. We moeten zorgen voor remedial teaching; dat moeten we in gedachten houden. Dergelijke leerlingen zouden in een lagere klas net zo goed voor onrust zorgen. <1> 

X.: Die Kinder in meiner 6. Klasse haben ein schlechtes Gedächtnis. Es muß
ein Fehler im Unterricht sein.

<2> X.: De kinderen in mijn zesde klas hebben een slecht geheugen. Er moet iets mis zijn met het onderwijs.

Dr. Steiner: Man kann nicht sagen, das Gedächtnis aller Kinder sei
schwach.

Je kunt niet zeggen dat het geheugen van alle kinderen zwak is.

X.: Die Kinder haben die Dinge nicht behalten. Sie haben keine klaren Bildei,
zum Beispiel von Ägypten.

X.: De kinderen hebben de leerstof niet onthouden. Ze hebben geen helder voorstellingsvermogen – van Egypte bijvoorbeeld.

Dr. Steiner: Auf welche Weise versuchen Sie die bildliche Vorstellung beizubringen ?

Hoe pak je het overbrengen van die voorstellingen aan?

Es wird vom Geographieunterricht berichtet.

Er wordt verslag uitgebracht over de aardrijkskundeles.

Dr. Steiner: An die Pyramiden und Obelisken erinnern die Kinder sich. Sie müssen sich dabei fragen, ob Sie wirklich alles im einzelnen gemacht haben, um allen Kindern ein Bild beizubringen von der wirklichen Lage Ägyptens, so daß das Kind nicht Lücken hat im Vorstellen, wenn es auf Ägypten kommen soll. Wenn man Ägypten bloß heraushebt, und es keine Vorstellungen hat, wie es von hier aus nach Ägypten käme, wenn es kein plastisches Bild hat, dann ist es
sehr leicht möglich, daß das Gedächtnis aussetzt. Vielleicht muß man darauf achten, daß alle Einzelheiten getan sind, damit die Kinder eine völlig plastische Vorstellung und eine lückenlose Vorstellung haben von der Lage Ägyptens in bezug auf den eigenen Ort.

De kinderen herinneren zich de piramides en obelisken wel. Je moet je afvragen of je er werkelijk alles aan hebt gedaan om alle kinderen een beeld te geven van de daadwerkelijke ligging van Egypte – zodat een kind geen hiaten in zijn voorstelling heeft wanneer het onderwerp Egypte ter sprake komt. Als je Egypte eruit licht zonder dat de kinderen enig idee hebben hoe ze er vanuit hier kunnen komen – zonder een levendig, tastbaar beeld – dan kan hun geheugen ze heel gemakkelijk in de steek laten. Misschien moet je ervoor zorgen dat elk detail aan bod komt, zodat de kinderen een volkomen levendig, tastbaar en sluitend beeld hebben van de ligging van Egypte ten opzichte van hun eigen woonplaats.

Blz. 280

Das Kind wird etwas wissen von Pyramiden und Obelisken, aber nicht weiß es, daß sie in Ägypten sind. Es ist sehr zu überlegen, ob wirklich alle diese Dinge, die zu geschlossenen Vorstellungen führen, gemacht werden. Lassen Sie die Kinder nur Afrika zeichnen? Vielleicht sollte man immer zur Spezialkarte noch etwa eine europäische oder sonst eine zeichnen lassen, die einen Überblick und den Zusammenhang verschafft.

Het kind weet misschien wel iets over piramides en obelisken, maar beseft niet dat ze zich in Egypte bevinden. Het is zeker de moeite waard om te overwegen of alle activiteiten die leiden tot het vormen van volledige, samenhangende voorstellingsbeelden, ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Laat u de kinderen enkel Afrika tekenen? Misschien zou men hen, naast een gespecialiseerde kaart, ook een kaart van Europa – of een andere regio – moeten laten tekenen die een overzicht biedt en de bredere context zichtbaar maakt.

X..- Ich habe gefragt, in welcher Himmelsrichtung sie Ägypten suchen würden.

X…: Ik vroeg in welke richting ze Egypte zouden zoeken.

Dr. Steiner: Vielleicht muß man die Städte suchen, über die man kommt, wenn man von hier nach Ägypten geht. Diese Art von Gedächtnisfehlern rührt her von irgendwelchen Lücken im übrigen Vorstellungserwerb. Wenn die Kinder geschlossene Vorstellungen kriegen, dann ist es ganz zweifellos, daß das Gedächtnis besser wird.
Das war bei Herrn Ö. nicht der Fall. Die Kinder waren interessiert.
Sie haben alles verstanden, waren enthusiasmiert. Sie haben sich aber nichts gemerkt, weil er die Dinge heraushob und nicht größere Zusammenhänge gab. Größere Zusammenhänge herstellen, das ist eine gute Art von Gedächtnispflege.
Das gilt in der verschiedensten Weise für verschiedene Unterrichtszweige. Es gilt vor allem für solche Dinge wie Geographie, es gilt auch für gewisse naturgeschichtliche Dinge. Für Geschichte, natürlich, da gilt es ganz besonders. Bei der Geschichte ist es wichtig, daß auf jede mögliche Weise gesucht werden muß, den Kindern konkrete Vorstellungen zu geben.

Misschien moet men kijken naar de steden die men passeert tijdens de reis van hier naar Egypte. Dit soort geheugenhiaat komt voort uit leemten in het totale proces van beeldvorming. Wanneer kinderen samenhangende voorstellingsbeelden opbouwen, verbetert hun geheugen ongetwijfeld. Dat was bij de heer Ö niet het geval. De kinderen waren geïnteresseerd; ze begrepen alles en waren enthousiast. Toch bleef er niets van hangen, omdat hij specifieke details isoleerde zonder de bredere context te schetsen. Het leggen van bredere verbanden is een uitstekende manier om het geheugen te ontwikkelen.
Dit geldt op verschillende manieren voor uiteenlopende vakken. Het geldt vooral voor aardrijkskunde, en ook voor bepaalde aspecten van de natuurkunde. En natuurlijk is het in het bijzonder van belang bij geschiedenis. Bij geschiedenis is het cruciaal om naar elke mogelijke manier te zoeken om kinderen concrete voorstellingsbeelden te bieden.

Wenn man so etwas bespricht wie die Perserkriege, würde ich niemals versäumen, wenigstens wo wichtige Knotenpunkte sind, irgend jemand herauszuheben. Heute haben Sie den athenischen Läufer gehabt: ich würde niemals versäumen, den Kindern eine recht anschauliche Vorstellung zu verschaffen, wie lange es her ist, daß ein solcher Mensch gelebt hat, zum Beispiel die Generationen nachrechnen zu lassen: Großvater und Sohn und so weiter. Ich würde die Reihe konstruieren bis herauf zum athenischen Läufer. Es würden sich ergeben 55 bis 56 hintereinanderstehende Menschen. Die Kinder bekommen dadurch eine Vorstellung, wie lange die Zeitlinie hinaufgeht. Ich würde fragen, welcher ist Zeitgenosse des Mysteriums von Golgatha? Solche Vorstellungen zu Hilfe nehmen, und darauf ruhen lassen die Kinder. Man redet von Ägypten und will ihnen beibringen, wie sie von Stuttgart nach Ägypten kommen. Man hält in Venedig, dann versucht man ein bißchen abzurücken vom
 Thema und einen Witz zu machen, was auf Venedig Bezug hat.

Wanneer ik iets als de Perzische Oorlogen besprak, liet ik nooit na – althans op cruciale keerpunten – een specifiek persoon eruit te lichten. Vandaag was dat bijvoorbeeld de Atheense hardloper; ik zorgde er altijd voor dat de kinderen een levendig beeld kregen van hoe lang geleden zo iemand leefde – bijvoorbeeld door ze de generaties te laten uitrekenen: grootvader, zoon, enzovoort. Ik zette dan de reeks uit die helemaal terugleidde tot die Atheense hardloper. Dat leverde een rij op van 55 of 56 mensen die achter elkaar stonden. Zo kregen de kinderen een besef van de tijdsspanne. Ik vroeg dan: “Wie was een tijdgenoot van het Mysterie van Golgotha?” Men moet dergelijke begrippen gebruiken en de kinderen erbij laten stilstaan. Stel dat men over Egypte spreekt en wil uitleggen hoe men daar vanuit Stuttgart komt: men zou halt kunnen houden in Venetië en vervolgens even van het onderwerp afwijken om een ​​grapje te vertellen dat met Venetië te maken heeft.

Blz. 281 

Es muß Humor in den Unterricht hinein, sonst leidet auch das Gedächtnis.

Humor moet in de lessen worden gebracht; anders lijdt ook het geheugen daaronder. <2>

X. spricht über einige schwach befähigte Kinder in der 6a, besonders über
W. G. Er ist übersanguinisch, daß er beinah närrisch ist. Er schreibt die Buchstaben nicht zusammen, ein Wort nicht zu Ende. Er sagt, was ihm einfällt.

<3> X. spreekt over enkele kinderen met beperkte vaardigheden in klas 6a, met name W. G. Hij is zo buitensporig sanguinisch dat het aan het dwaze grenst. Hij verbindt zijn letters niet met elkaar en maakt woorden niet af. Hij flapt eruit wat er in hem opkomt.

Dr. Steiner: Das ist ein seelisch nicht so altes Kind. Er ist seelisch auf der Stufe von acht oder sieben Jahren. Nun ist es bei ihm so, daß er sich nicht sehr viel daraus machen würde, wenn man ihn zurückläßt.
Es würde sich darum handeln, wie wir uns prinzipiell zur Versetzungsfrage verhalten. Dieser W. G. wäre einer, der dafür in Betracht kommen würde. Es würde ihm gut tun, den Stoff zweimal hintereinander durchzunehmen. Wir werden die Frage prinzipiell erörtern.

Dat is een kind dat qua ziel nog niet zo rijp is. Op zielsniveau bevindt hij zich op het niveau van een zeven- of achtjarige. Het punt is: hij zou het niet erg vinden om te blijven zitten.
Het is een kwestie van onze algemene houding ten aanzien van overgang naar een volgende klas. Deze W. G. is iemand die daarvoor in aanmerking zou komen. Het zou hem goed doen om de lesstof twee keer achter elkaar te doorlopen. We zullen deze kwestie principieel bespreken.

X.: Ich würde ihn sehr ungern abgeben.

X.: Ik zou hem met grote tegenzin afstaan.

Dr. Steiner: Er wäre der einzige von denen, die Sie genannt haben.
Den E. W. könnte man in die Hilfsklasse geben.

Hij zou de enige zijn van degenen die u noemde.
E. W. zou in de klas voor speciaal onderwijs geplaatst kunnen worden.

X.: Mehrere können noch nicht richtig schreiben.

X.: Verscheidene anderen kunnen nog steeds niet goed schrijven.

Dr. Steiner: Alle diese würden nur in die Hilfsklasse kommen. W. E. ist ein ausgesprochener Kandidat der Hilfsklasse. Er kann seine Gedanken nicht orientieren. Wie ist er musikalisch? Die Mehrzahl wird musikalisch sein. Er wird auch im Handfertigkeitsunterricht nicht besonders tüchtig sein. W. E. wird durch lebhafte Farben hypnotisiert sein.
Wir müssen die Einrichtung eines Hilfsunterrichts in Betracht ziehen.
Über einige Kinder in der 5. Klasse, besonders über E. E.

Die zouden alleen geschikt zijn voor de klas voor buitengewoon onderwijs. W. E. is absoluut een kandidaat voor de klas voor buitengewoon onderwijs. Hij kan
zijn gedachten niet ordenen. Hoe is hij muzikaal gezien? De meerderheid zal muzikaal zijn. Hij zal ook niet bijzonder vaardig zijn in handarbeid. W. E. zal gefascineerd zijn door felle kleuren.
We moeten overwegen om speciaal remediërend onderwijs op te zetten.
Wat betreft enkele kinderen in de vijfde klas, met name E. E.

X.: Er kommt nicht mit. In den Sprachen ist er begabt. Er ist schlau, gerissen.

X.: Hij kan niet meekomen. Hij is begaafd in talen. Hij is scherpzinnig, sluw.

Dr. Steiner: Man müßte mit möglichster Berücksichtigung seiner Individualität ihn ab und zu beschäftigen, ihn anreden. Dann muß man das variieren, sich immer wieder speziell mit ihm beschäftigen.

Men zou hem bezig moeten houden en af ​​en toe moeten aanspreken, waarbij men de grootst mogelijke aandacht heeft voor zijn individualiteit. Vervolgens
moet men deze aanpak variëren en specifiek met hem in contact blijven.

X.: Sollte er nicht in die Hilfsklasse kommen?

X.: Zou hij niet in de hulpklas geplaatst moeten worden?

Dr. Steiner: Was soll er in der Hilfsklasse machen? Er ist ein leidenschaftlicher Zwickel. Es würde auf ihn einen tieferen Eindruck machen, wenn man ihn ein Paar Schuhe machen läßt. Man müßte so etwas schaffen, daß er Nägel einschlägt und Schuhe machen kann. Richtige Stiefel für jemand anderen. Man müßte den E. im Handarbeitsunterricht Schuhe machen lassen: das wäre schon etwas.

Wat zou hij in de hulpklas moeten doen? Hij is een enthousiaste
schoenmaker. Het zou een diepere indruk op hem maken als hij een paar schoenen zou mogen maken. Men zou het zo moeten regelen dat hij spijkers kan inslaan en schoenen kan maken. Echte laarzen voor iemand anders. Men zou E. schoenen moeten laten maken tijdens de handarbeidles: dat zou pas iets zijn.

Bzl. 282

Das wird ihm Spaß machen, besohlen, Doppelsohlen machen.

Hij zal daarvan genieten – zolen aanbrengen, dubbele zolen maken. <3>

Über die 4. Klasse.

Wat betreft de vierde klas.

Dr. Steiner: Ich war in der Klasse, und ich muß sagen, die ist recht, mit Ausnahme von drei oder vier, die werden aber dann das, was sie nicht können, schnell nachholen. Im Rechnen sind einige schwächer, andere sehr gut. Ich meine, es ist eine Klasse, die ein wenig unter dem gelitten hat, daß sie drei aufeinanderfolgende Lehrkräfte hatte.
Die Klasse nimmt man glatt in die 5. hinauf. Die vorige Lehrerin konnte außerordentlich gut Disziplin halten, sie war, was man in bourgeoisen Schulen ,,streng” nennt. Die Kinder hatten sie sehr gern. Dann kamen Sie. Heute war eine musterhafte Disziplin.

Ik ben in de klas geweest en ik moet zeggen dat het een goede klas is – op drie of vier leerlingen na, al zullen zij snel inhalen wat ze missen. Wat rekenen betreft zijn sommigen zwakker, anderen erg goed. Ik zou zeggen dat het een klas is die er wat onder heeft geleden dat ze drie opeenvolgende leerkrachten heeft gehad.
De klas kan zonder problemen overgaan naar de vijfde klas. De vorige leerkracht
was uitzonderlijk goed in het handhaven van discipline; ze was wat mensen op burgerlijke scholen ‘streng’ noemen. De kinderen waren erg op haar gesteld. Toen nam u het over. Vandaag was de discipline voorbeeldig.

X.: Ich habe mich in den Ruf der Strenge gesetzt.

X.: Ik heb de reputatie streng te zijn.

Dr. Steiner: Den Erfolg werden Sie erst sehen, wenn Sie sie längere
Zeit haben.
L. H. hat wohl schwache Augen: die Augenachsen paralleler machen! Sie konvergieren zu stark. Versuchen Sie, ihn zu gewöhnen, ein klein wenig, so viel wie ein halber Zeigefinger, das Buch weiter weg halten zu lassen, als er es gewohnt ist. Die Sehachsenkreuzung etwas vom Gesicht wegschieben.
Der B. E. ist mir aufgefallen, der ist an einem Tage aufgewacht.
Die Kinder waren ganz erstaunt darüber, daß B. etwas sagt.

De resultaten zul je pas zien als je ze gedurende langere tijd onder je hoede hebt gehad.
<4> L. H. lijkt zwakke ogen te hebben – zijn oogassen moeten meer evenwijdig lopen! Ze convergeren te sterk. Probeer hem eraan te wennen het boek iets verder weg te houden dan hij gewend is –ongeveer de breedte van een halve wijsvinger. Verleg het punt waar de gezichtslijnen elkaar kruisen iets verder van zijn gezicht af.
B. E. viel me op; hij leek op een dag plotseling wakker te worden.

De kinderen waren behoorlijk verbaasd om B. iets te horen zeggen.

X.: Die Mutter ist besorgt, der M. I. habe etwas vom Vater übernommen.

X.: De moeder maakt zich zorgen dat M.I. iets van zijn vader heeft geërfd.

Dr. Steiner: Er hat einen Anflug von kindischem Wesen. Er ist offenbar ein Preuße, ein kleiner. Er ist nicht eigentlich pathologisch. Wenn Sie wollen, können Sie es schwach pathologisch nennen. Er ist in Berlin geboren; er hat durch die Sprache etwas Süßliches bekommen. Wenn er eine gute Führung hat, so kann er ganz normal werden.

Hij heeft iets kinderlijks over zich. Hij is duidelijk een Pruis – een kleintje. Hij is niet echt pathologisch. Zo u wilt, zou men het licht pathologisch kunnen noemen. Hij is in Berlijn geboren; zijn manier van spreken heeft iets zoetsappigs. Met goede begeleiding kan hij volkomen normaal worden.

X.: Er legt sich eine Statistik der elektrischen Bahnen an; er hält sich abseits.

X.: Hij stelt statistieken op over elektrische spoorwegen; hij houdt zich afzijdig.

Dr. Steiner: Man muß ihn liebevoll führen. Das einzig Bedenkliche ist die Statistik der Tramways. Man muß versuchen, ihm ein anderes Interesse beizubringen, ihm dies abzugewöhnen. Er soll deutsch schreiben lernen.
Sie haben in der 2. Klasse einzelne Schüler, die sehr gut sind. Bei Ihnen ist die Schwierigkeit, daß die Klasse eine solche Größe hat.
Die pathologischen Kinder G., H. N. und M. H. müssen auch in die
Hilfsklasse.

Hij moet met liefde worden begeleid. Het enige zorgwekkende punt is die tramstatistiek. U moet proberen zijn interesse op iets anders te richten en hem deze gewoonte af te leren. Hij moet Duits leren schrijven.

U heeft enkele zeer goede leerlingen in de tweede klas. De moeilijkheid voor u is de grootte van de klas.

De pathologische kinderen G., H.N. en M.H. moeten ook in de klas voor speciaal onderwijs worden geplaatst.

Blz. 283

Der B. R. ist nicht ganz normal. Er müßte nachmittags eine besondere Unterstützung kriegen. Das ist schwierig bei einzelnen Ihrer Kinder. Er hat ein zu kleines Gehirn, der B. R. Man braucht ihn nur anzuschauen. Es ist kleiner geblieben, als es sein sollte. Man muß versuchen, doch diese Eigenschaft bei ihm zu bekämpfen. Er hat die Unmöglichkeit, ganz mit vollem Anteil aufzupassen. Man muß ihn öfter aufrufen und öfter auf dem Korridor und auf der Straße mit ihm allerhand reden, wobei er beim Zuhören etwas denken muß. Es ist die Mutter ebenso wie er.

B. R. is niet helemaal normaal. Hij zou ’s middags extra begeleiding moeten krijgen. Dit is bij sommige van uw kinderen een uitdaging. B. R. heeft een te kleine hersenomvang; dat zie je zo aan hem. Het is kleiner gebleven dan het zou moeten zijn. We moeten proberen deze eigenschap bij hem tegen te gaan. Hij is niet in staat om met volle aandacht ergens bij te blijven. Hij moet vaak worden aangesproken, en men moet regelmatig met hem praten – in de gang of op straat – over allerlei zaken die van hem vragen dat hij tijdens het luisteren ook nadenkt. Zijn moeder is net zo. <4>

X.: Manche haben in der 1. Klasse schon neue Zähne, manche noch nicht.

X.: Sommige kinderen in de eerste klas hebben hun nieuwe tanden al, andere nog niet.

Dr. Steiner: Fertig gezahnt kann kein Kind in der 1. Klasse haben, das geschieht erst im achten Jahr. Es handelt sich in bezug auf das Schulalter nur darum, ob sie schon angefangen haben zu zahnen.
Der O. Nr. käme auch für die Hilfsklasse in Betracht. Er kehrt die Worte um. Man kann ihn eine Zeitlang in der Hilfsklasse haben, wo man jedes Kind individuell behandelt.

Geen enkel kind in de eerste klas heeft al een volledig blijvend gebit; dat gebeurt pas in het achtste levensjaar. Wat de schoolleeftijd betreft, gaat het er alleen om of het wisselen van de tanden al is begonnen.
Ook O. Nr. zou in aanmerking komen voor de klas voor kinderen met speciale behoeften. Hij haalt woorden door elkaar. Hij zou enige tijd in die klas kunnen doorbrengen, waar elk kind individuele aandacht krijgt.

X. über T. M.

X. over T. M.

Dr. Steiner: Das Pathologische ist bei T. M. weniger stark, er ist
schon gesünder.

Bij T. M. is het pathologische aspect minder uitgesproken; hij is gezonder.

X.: Er hat asthmatische Anfälle in der Nacht.

X.: Hij heeft ’s nachts last van astma-aanvallen.

Dr. Steiner: Mit mäßiger Menge von Arsen behandeln in Form von
Levicowasser. Eine Unregelmäßigkeit des astralischen Leibes ist bei
diesem Jungen, den könnte man physisch kurieren. In der Woche
zweimal, verdünnen, ein Viertel Trinkglas mit Wasser gemischt.
Dann würden Sie alle Schüler hinaufnehmen in die 2. Klasse.

Behandel hem met een matige hoeveelheid arseen in de vorm van
Levico-water. Er is sprake van een onregelmatigheid in het astrale lichaam van
deze jongen; hij zou fysiek genezen kunnen worden. Twee keer per week – verdund, gemengd met water in een kwart drinkglas.
Vervolgens zou u alle leerlingen naar de tweede klas laten overgaan.

X. fragt nach F. O. in der bisherigen Klasse la.

X. vraagt ​​naar F. O., die momenteel in klas 1a zit.

Dr. Steiner: Er sollte durch die Hilfsklasse gefördert werden, daß er in die bisherige 2. Klasse, künftige 3. Klasse kommen könnte.
Jetzt wären wir wohl mit den einzelnen Klassen zu Ende.
Es wird über den Sprachunterricht berichtet.

Hij moet via de remedial teaching worden ondersteund, zodat hij kan doorstromen naar wat nu de tweede klas is – de toekomstige derde klas.
We zijn nu waarschijnlijk klaar met de individuele klassen. <4>
Er wordt verslag uitgebracht over het taalonderwijs.

Dr. Steiner: Man kann versuchen, durch die Gruppenabteilung etwas zu erreichen. Wir können sie in Gruppen zusammenbringen, so daß
wir diejenigen mit gleichen Kenntnissen und Fähigkeiten beisammen
haben.

Men kan proberen iets te bereiken door middel van groepering. We kunnen hen in groepen samenbrengen, zodat leerlingen met vergelijkbare kennis en vaardigheden bij elkaar zitten.

X.: Ich glaube, es wäre gut, in der 6. Klasse etwas Gedrucktes zu lesen.

<5> X.: Het lijkt me goed om in de zesde klas teksten in drukletter te lezen.

Blz. 284

Dr. Steiner: Wie alt sind die Schüler? Man müßte eine mäßig große Erzählung heraussuchen. Man müßte eine Erzählung finden, eine Novelle, etwas, was Substanz hat, nichts Oberflächliches. Es wäre möglich, so etwas wie ein historisches Stück zu lesen aus Mignet. Da lernen sie auch sehr viel daran.
Den Sprachunterricht werden wir neu gliedern müssen. Da ist es auch so, daß man die Schüler so schwer befriedigen kann. Beim Sprachunterricht muß man die Schüler viel fragen, da herrscht die Ansicht, daß die Schüler unzufrieden sind. Lernen tun sie am meisten ander Lektüre. Viel Hilfe ist das Sich-Hineinfinden in eine zusammenhängende Lektüre. Das Auswendiglernen ist nur ein Hilfsmittel. Man geht Satz für Satz vor. Bei den Kleinen immer sprechen.

Hoe oud zijn de leerlingen? We zouden een verhaal van behoorlijke omvang moeten kiezen – een verhaal of een novelle, iets met inhoud, niets oppervlakkigs. Het zou mogelijk zijn om bijvoorbeeld een historisch verslag van Mignet te lezen; daar leren ze ook veel van.
We zullen de taallessen moeten herstructureren. Het is vaak lastig om de leerlingen op dit vlak tevreden te stellen. Taalonderwijs vereist dat je de leerlingen veel vragen stelt, en de heersende opvatting is dat leerlingen ontevreden zijn. Ze leren het meeste door te lezen. Zich verdiepen in een doorlopende tekst helpt enorm. Uit het hoofd leren is slechts een hulpmiddel. Je gaat zin voor zin te werk. Bij de jongere leerlingen moet de nadruk altijd op het spreken liggen.

X.: Soll man in der 3. Klasse in den Fremdsprachen auch schreiben?

X.: Moeten leerlingen in de derde klas ook schrijfoefeningen in vreemde talen doen?

Dr. Steiner: Man kann anfangen, kurze und leichte Sätze zu schreiben, die einen einfachen Gedanken ausdrücken.

Je kunt beginnen met het schrijven van korte, eenvoudige zinnen die een heldere gedachte uitdrukken. <5>

X. fragt, ob man drei Lieder von Dr. Steiner als Chor drucken lassen darf.

X. vraagt ​​of drie liederen van Dr. Steiner gedrukt mogen worden voor koorgebruik.

Dr. Steiner: Diese Chorlieder können Sie ruhig dem Dornacher Verlag übergeben, die werden viel gekauft werden.

Je kunt die koorliederen gerust aan de uitgeverij in Dornach overhandigen; ze zullen heel goed verkopen.

X.: Können wir daraufrechnen, Texte zu bekommen für Kinder?

X.: Kunnen we rekenen op teksten voor kinderen?

Dr. Steiner: Es ist jetzt eine Sache da, die ist aber für jüngste Kinder.
Das Frühlingslied.
Der Instrumentalunterricht würde nur ein Surrogat sein können. Das
müssen wir vorläufig lassen.

Er is nu echter één ding dat voor de jongste kinderen bestemd is.
Het lentelied.
Instrumentaal muziekonderwijs zou slechts een surrogaat kunnen zijn. Dat
moeten we voorlopig terzijde laten.

X.: Ich habe einiges aus der Heileurythmie verwendet. Soll ich so fortfahren?

X.: Ik heb gebruikgemaakt van enkele elementen van de euritmie-therapie. Moet ik op deze manier doorgaan?

Dr. Steiner: Was ich heute gesehen habe, hat mich ganz gut befriedigt.
In der 5. Klasse sind viele Buben, die könnten Turnunterricht bekommen. Das wäre unser Schulprogramm, daß es eine Stunde schon wäre. Wir werden es auch vergeistigen, sobald wir es machen können.

Wat ik vandaag zag, stemde mij zeer tevreden.
Er zitten veel jongens in de vijfde klas; zij zouden gymnastiekles kunnen krijgen. Ons schoolprogramma voorziet daarin in een lesuur. We zullen dit ook gaan vergeestelijken zodra we daartoe in staat zijn.

X.: In der 9. Klasse ist angefangen worden zu modellieren.

X.: In de negende klas is men begonnen met boetseren.

Dr. Steiner: Was ich gesehen habe, hat mich befriedigt.
Nun möchte ich Sie fragen, ob wir die Zeugnisse wieder so ausstellen wie im vorigen Jahr. Es ist eine gute Art, die Zeugnisse so auszustellen. Genau so, wie im vorigen Jahr.

Wat ik zag, was bevredigend.
<6> Nu wil ik graag vragen of we de rapporten op dezelfde wijze moeten uitreiken als vorig jaar. Het is een goede manier van rapportuitreiking — precies zoals vorig jaar.

X.: Wir haben sie optimistisch gehalten.

X.: We hebben de toon ervan optimistisch gehouden.

Dr. Steiner: Es handelt sich darum, daß man die Sätze richtig faßt. Wenn man nicht gut individualisiert, was schwierig ist, dann wird man, wenn man die Sätze zu streng formuliert, sehr viele zurückstoßen. Es würde sich schon darum handeln, wenn jemand ein großer Nichtsnutz ist, daß man schreibt, es wäre dringend zu wünschen, daß er im nächsten Jahr sich zusammennähme. In der Formulierung würde manches liegen. Auch Mängel positiv ausdrücken, aber in
bezug auf die Formulierung streng sein.
Da sind wir einig, daß wir die Zeugnisse ausstellen wie im vorigen Jahr. Ein möglichst treues Bild. Unten wiederum für jedes Kind einen Spruch ins Zeugnis, der für die Individualität des Kindes richtunggebend sein kann, als Leitmotiv für die Zukunft. Nun würde ich doch gerne haben, da das Kind dieses Zeugnis behält, daß auf jedem Zeugnis alle Lehrer unterschreiben, die tätig waren an dem Kinde.
Gerne würde ich haben wollen, daß jedes Kind alle Unterschriften hat. Es ist nicht unbedeutend, daß die Kinder alle Unterschriften haben von den Lehrern, die an dem Kinde gearbeitet haben. Es soll der Name des Klassenlehrers daraufstehen und dabei auch stehen „Klassenlehrer”, so daß das Kind weiß: zu dem gehört es; und die anderen stehen darunter. Es wäre gut, wenn der Lehrer selbst den Text schreibt, der Klassenlehrer den längsten, und jeder andere Lehrer eine kurze Bemerkung.

Het komt erop aan de uitspraken juist te formuleren. Als men niet goed individualiseert – wat lastig is – en als men de uitspraken te streng formuleert, vervreemdt men zich van heel veel mensen. Het doel zou bijvoorbeeld moeten zijn dat, wanneer iemand een notoire nietsnut is, men schrijft dat het dringend te hopen valt dat hij zich in het komende jaar zal herpakken. Veel hangt af van de formulering. Zelfs tekortkomingen moeten positief worden verwoord, al moet men wel streng zijn wat de formulering betreft.
We zijn het erover eens dat we de getuigschriften op dezelfde manier zullen uitreiken als vorig jaar: door een zo waarheidsgetrouw mogelijk beeld te schetsen. Onderaan het getuigschrift van elk kind moet opnieuw een spreuk staan ​​die als leidraad voor de individualiteit van het kind kan dienen – een leidend thema voor de toekomst. Aangezien het kind dit getuigschrift behoudt,
wil ik graag dat elke leerkracht die met het kind heeft gewerkt, het ondertekent. Ik wil dat elk kind over alle handtekeningen beschikt. Het is van betekenis voor de kinderen om de handtekeningen te hebben van alle leerkrachten die met hen
hebben gewerkt. De naam van de klassenleerkracht moet erbij staan, aangeduid als “Klassenleerkracht”, zodat het kind weet: “Bij diegene hoor ik”; de anderen moeten daaronder worden vermeld. Het zou goed zijn als de leerkrachten de tekst zelf schrijven – waarbij de klassenleerkracht het langste gedeelte
schrijft en elke andere leerkracht een korte opmerking toevoegt. <6>

Zur Frage der Versetzung.

Wat betreft de overplaatsing:

Dr. Steiner: Es blieben eigentlich diese beiden Geschwister P., und
dann wäre sonst fast niemand, nur der F. Die H. M. kann auch in die
Hilfsklasse kommen. Die anderen würden wir mitnehmen.
Jetzt kommt die Frage der Hilfsklasse. Es wird sich darum handeln, ob wir eine Lehrkraft brauchen. Dr. Schubert sollte sie übernehmen.
Es wird die Liste der Lehrer aufgestellt, die den Hauptunterricht erteilen.

In feite zijn alleen de twee P.-kinderen nog over, en
verder nauwelijks iemand anders – alleen F. H. M. zou ook in de
bijzondere klas geplaatst kunnen worden. De anderen zouden we erbij nemen.
Nu rijst de vraag over de bijzondere klas. Het zal ervan afhangen of we daarvoor een leerkracht nodig hebben. Dr. Schubert zou die taak op zich nemen.
Er wordt een lijst opgesteld van de leerkrachten die de hoofdlessen zullen verzorgen.

Dr. Steiner: Wie wäre es, wenn man den Dr. Schwebsch aus Berlin
herbeorderte? Er soll am 11. Juni herkommen.
Wir bekommen im Herbst Fräulein Dr. Röschl für Latein und Griechisch, das wird natürlich eine sehr gute Zuwachskraft sein. — Nun brauchen wir noch eine Verbesserung, eine neue Kraft für die neueren Sprachen, und wenn es der junge Englert wäre. Er ist noch sehr jung. Er soll auch am 11. Juni hierher oder vorher nach Dornachkommen.

Wat dacht u ervan om Dr. Schwebsch uit Berlijn te halen? Hij komt op 11 juni aan.
In de herfst komt Dr. Röschl erbij voor Latijn en Grieks; zij zal uiteraard een zeer waardevolle aanwinst voor het lerarenkorps zijn. — Nu hebben we nog een verbetering nodig – een nieuwe leerkracht voor moderne talen – misschien de jonge Englert. Hij is nog erg jong. Ook hij zou hierheen moeten komen – of eerst naar Dornach – op 11 juni.

Es wird über den freien Religionsunterricht berichtet. 

<7> Er wordt verslag uitgebracht over de vrije godsdienstles.

Blz. 286

Ein Klassenlehrer sagt, er sei bei den Religionsstunden seiner Klasse dabei
gewesen, um auf Ordnung zu sehen; er sei sich wie ein Wauwau vorgekommen.

Een klassenleerkracht vertelt dat hij bij de godsdienstlessen van zijn klas aanwezig was om de orde te handhaven; hij voelde zich daarbij slechts een opzichter.

Dr. Steiner: Es ist schon so, diese eine Ausnahme ist doch in einem
gewissen Sinne möglich. Das ist dies, daß man festhält, was wir zu unserer Pädagogik rechnen. Wir müssen annehmen, daß die Klassen und der Lehrer zusammengehören. Weil die Religionsstunden verschiedene Klassen zusammen haben, so halte ich es für durchaus möglich, wenn der betreffende Klassenlehrer in der Klasse ist, während ein anderer Lehrer Unterricht erteilt. Wir kommen auch kaum anders über die Sache hinaus, als daß wir versuchen, kleinere Klassen zu machen.

Dat is inderdaad het geval; deze ene uitzondering is in zekere zin mogelijk. Het gaat erom vast te houden aan wat wij als onderdeel van onze pedagogie beschouwen. We moeten ervan uitgaan dat de klassen en de leerkracht bij elkaar horen. Aangezien bij godsdienstlessen verschillende klassen worden samengevoegd, vind ik het volkomen terecht dat de betreffende klassenleerkracht aanwezig is terwijl een andere leerkracht de les geeft. Er is nauwelijks een andere manier om dit probleem op te lossen dan door te proberen kleinere klassen te vormen.

X.: Es ist nicht immer innere Teilnahme dabei; es sind zu viele.

X.: Er is niet altijd sprake van innerlijke betrokkenheid; er zijn te veel leerlingen.

Dr. Steiner: Diese Gruppen sind zu groß. Das sollten sie nicht sein, damit der Unterricht innig sein kann.
Wir müssen ein Gefühl für die Jahreszeiten bei den Kindern erwecken. Und wir müssen mehr ins Auge fassen, daß die Kinder ein möglichst plastisches Bild des Christus bekommen; daß das in dem Mittelpunkt Ihrer Betrachtung steht, und zwar auf allen Stufen, so daß wir darauf zurückkommen, und das ganze Erdenleben des Christus im Mittelpunkt steht. Das persönliche Verhältnis zum Christus muß gehütet werden, auch auf der unteren Stufe, daß es wie eine Art
innerer Kultus hineinkommt. Das persönliche Verhältnis der Kinder zum Christus hüten! Es muß ein idealer Kultus in der Stunde sein.
Symbolik und Bild müssen eine Rolle spielen, so daß das Gefühl sehr stark mitgenommen wird.

Deze groepen zijn te groot. Dat zouden ze niet moeten zijn als het onderwijs diepgaand betrokken moet maken.
We moeten bij de kinderen een gevoel voor de seizoenen wekken. En we moeten er meer op toezien dat de kinderen een zo levendig en tastbaar mogelijk beeld van Christus krijgen – dat dit centraal staat in uw aanpak, in alle leerjaren, zodat we er steeds naar terugkeren en het aardse leven van Christus het middelpunt blijft. De persoonlijke relatie met Christus moet worden gevoed – ook in de lagere klassen – zodat deze een soort innerlijke daad van verering wordt. Voed de persoonlijke relatie van de kinderen met Christus! De les zelf moet een ideale daad van verering zijn. Symboliek en beeldspraak moeten een rol spelen, zodat de gevoelens diep worden aangesproken.

Als Religionslehrer gehören Sie nicht der Schule an. Den erteilen Sie, wie wenn Sie Pastor in einer anthroposophischen Kirche draußen wären und hereinkommen.
Was die Schulung vom vierzehnten Jahr an betrifft, die Pädagogik der über Vierzehnjährigen, so werden wir sehen, daß einige Stunden veranstaltet werden können, wenn ich am 10. zurückkomme. Das hängt zusammen mit dem, was Sie bourgeoise Methoden genannt haben.

Als godsdienstleraar maakt u geen deel uit van het schoolteam. U geeft het vak op vergelijkbare wijze als een voorganger van een antroposofische gemeente van buitenaf dat zou kunnen doen. <7>
Wat het onderwijs vanaf veertienjarige leeftijd betreft – de pedagogie voor leerlingen ouder dan veertien – zullen we bekijken hoe we enkele lessen kunnen inplannen wanneer ik op de 10e terugkom. Dit hangt samen met wat u “burgerlijke methoden” noemde.

X.: Im vorigen Jahr war soziale Erkenntnis als Lebenskunde fakultativ eingeführt worden.

<10> X.: Vorig jaar werd “sociaal inzicht” – gegeven als een cursus praktische levensvaardigheden – als keuzevak ingevoerd.

Dr. Steiner: Das hängt zusammen mit der Didaktik der höheren Klassen. Die Lebenskunde würde am besten von uns erteilt werden.
Es müssen dann die sprachlichen Fächer dafür wegbleiben. Die alten

Dat heeft betrekking op de onderwijsmethoden voor de hogere
klassen. Idealiter zouden wijzelf deze cursus levensvaardigheden moeten geven.
Er zouden dan taalvakken moeten vervallen om er ruimte voor te maken.

Blz. 287

Praktiker, die zweijährige Schulpraxis durchgemacht haben, müßten
solche Gegenstände geben.

Ervaren leraren – zij die twee jaar praktijkervaring in het onderwijs hebben opgedaan – zouden dergelijke vakken moeten geven.<10>

Über eine n Sonderkurs für Eurythmie.

<8>Met betrekking tot een speciale euritmiecursus.

Eine Eurythmielehrerin: Die Aufführung war außerordentlich fruchtbar; sie
tat sehr viel, um die Waldorfschule bekanntzumachen. Es wird sich so herausstellen, daß eine Extragruppe gebildet wird.

Een euritmiedocent: De voorstelling was buitengewoon vruchtbaar; ze heeft veel bijgedragen aan de bekendheid van de vrijeschool. Het heeft er alle schijn van dat er een speciale groep gevormd zal worden.

Dr. Steiner: Man kann zweierlei machen: entweder wir machen Aufführungen mit den Kindern der Waldorfschule, dann müssen wir dabei stehenbleiben, aus der gewöhnlichen Kinderschar auszuwählen, oder wir verzichten darauf und machen es mit einer Gruppe. Das wären nicht Kinder der Waldorfschule. Wir würden das nicht mehr als Leistungen der Waldorfschule als solche in die Öffentlichkeit hineinführen können. Man kann diese zwei Dinge machen: entweder wir machen Aufführungen mit den Kindern der Waldorfschule, dann
dürfen wir keine Sondergruppe bilden, oder wir bilden — das kann eingerichtet werden — eine Sonderabteilung für Eurythmie an der Waldorfschule, die nebenherläuft. Das kann hier ganz offiziell dabei sein. Dann können wir sagen: ,, Aufführungen mit Schülern der Sonderklasse der Waldorfschule.”

Er zijn twee mogelijke benaderingen: ofwel we brengen voorstellingen met de leerlingen van de vrijeschool – waarbij we ons moeten beperken tot een selectie uit de algemene leerlingenpopulatie – ofwel we zien daarvan af en werken met een aparte groep. Dat zouden dan geen leerlingen van de vrijeschool zijn. We zouden dergelijke voorstellingen dan niet meer aan het publiek kunnen presenteren als werk van de vrijeschool zelf. We hebben twee opties: ofwel we brengen voorstellingen met de leerlingen van de vrijeschool – wat betekent dat we geen speciale groep kunnen vormen – ofwel we richten (wat haalbaar is) een speciale euritmieafdeling op binnen de vrijeschool, die naast het reguliere programma loopt. Dit zou officieel geïntegreerd kunnen worden. Dan zouden we kunnen zeggen: “Voorstellingen door leerlingen van de speciale klas van de vrijeschool.”

X.: Wenn die Kinder singen würden in einem Chor, dann müßten sie auch
ausgesucht werden.

X.: Als de kinderen in een koor zouden zingen, zouden ze ook geselecteerd moeten worden.

Dr. Steiner: Wenn es so wäre, daß man einen Chor bildet aus den einzelnen Schülern, das ist eine Sache, die kaum gut vorkommen kann. — Entweder die Leistungen nehmen, wie sie gerade treffen, oder wir errichten eine besondere Eurythmieabteilung. Beides kann gemacht werden, vielleicht sogar bloß nach Sympathie, nach Antipathie. Es wird eine große Menge begabter Eurythmisten geben, die auf diese Weise verwendet werden können. Wir dürfen es dann aber
nicht als Aufführung der Waldorfschule deklarieren.

Als men uit de individuele leerlingen een koor zou willen samenstellen, is dat iets dat nauwelijks goed kan werken. — Ofwel men neemt de talenten zoals ze nu eenmaal zijn, ofwel we richten een speciale euritmie-afdeling op. Beide is mogelijk, misschien zelfs simpelweg op basis van persoonlijke voorkeur. Er zullen heel wat begaafde euritmisten zijn die op die manier kunnen worden ingezet. Maar dan moeten we het niet bestempelen als een voorstelling van de Waldorfschool.

X.: Man könnte aus den größeren Mädchen eine Gruppe bilden.

X.: Men zou een groep kunnen vormen uit de oudere meisjes.

Dr. Steiner: Man könnte es ganz gut machen, wenn man Aufführungen von der Waldorfschule macht. Sie sehen, die kleinen Sputzen, die haben den größten Erfolg. Es kann eine Sonderabteilung von vorgerückten Eurythmisten sein. Das einzige ist, daß man diejenigen, die also Eurythmie als Beruf treiben, dispensiert von der gewöhnlichen Eurythmieübung. Solche Dinge können vorkommen. Das müßten Sie einrichten ganz als eine von der Schule getrennte Sache.
Ich glaube, es sind solche da, die brennend gerne Eurythmie treiben würden, nur wäre es schön, wenn auf diesem Wege wenigstens, wenn auch nur als Surrogat,

Het zou heel goed kunnen werken als men voorstellingen vanuit de Waldorfschool brengt. Kijk, de kleine meisjes, die boeken het meeste succes. Het zou een speciale afdeling van gevorderde euritmisten kunnen zijn. Het enige punt is dat degenen die euritmie beroepsmatig beoefenen, vrijgesteld zijn van de reguliere euritmielessen. Zulke dingen kunnen voorkomen. Je zou dat moeten opzetten als iets dat volledig losstaat van de school.
Ik geloof dat er enkelen zijn die heel graag aan euritmie zouden willen doen,
maar het zou mooi zijn als er op zijn minst op deze manier – al is het maar als vervanging –

Blz. 288

einige junge Buben hineinkommen würden. In Dornach haben wir nur den einzigen S., der braucht ein halbes Jahr, um eine Vorstellung vorzubereiten, so daß wir niemals männliche Eurythmisten auf der Bühne sehen. Wie die Eurythmie eingerichtet worden ist, das war in München, da sind die Herren aufgetreten; mit vier Männern haben wir debütiert. Dann ist immer mehr und mehr die Männlichkeit in den Hintergrund getreten. Die Damen sind
begabter gewesen. Hier sind die Studenten sehr begabt. Es ist ganz merkwürdig, wie viel bessere Doktoren die Damen sind als die Männer.

 enkele jonge jongens bij zouden kunnen komen. In Dornach hebben we er maar één – S. – en hij doet er een half jaar over om een ​​voorstelling voor te bereiden, waardoor we nooit mannelijke euritmisten op het toneel zien. Toen de euritmie net ontstond – in München was dat – traden er wel degelijk mannen op; we debuteerden met vier mannen. Daarna raakte het mannelijke element steeds meer op de achtergrond. De vrouwen waren begaafder. Hier zijn de leerlingen zeer begaafd. Het is heel opmerkelijk hoeveel beter de vrouwen als arts zijn dan de mannen.

X.: Die Kinder der oberen Klassen, die sich musikalisch ausbilden wollen, müssen anfangen, sich zu üben. Könnten die nicht von den Stunden dispensiert werden, die durch schwere Körperarbeit die Geschicklichkeit der Finger
behindern?

X.: Leerlingen in de hogere klassen die een muzikale opleiding willen volgen,
moeten beginnen met oefenen. Zouden ze niet vrijgesteld kunnen worden van lessen die de vingerbehendigheid belemmeren door zware lichamelijke arbeid?

Dr. Steiner: Nach dieser Richtung könnte man den Lehrplan individualisieren. Das könnte man schon machen. Wir sollten auch daran denken, besondere Übungsräume zu haben. Es müssen die Dinge bleiben, die Menschenbildung geben; sonst kann man spezialisieren.

Het lesprogramma zou in dat opzicht kunnen worden geïndividualiseerd.
Dat is zeker iets wat gedaan zou kunnen worden. We zouden ook kunnen overwegen om speciale oefenruimtes in te richten. We moeten de elementen
behouden die de menselijke ontwikkeling bevorderen; daarnaast kan men zich specialiseren. <8>

X.: Die Schüler haben in der Schülerbibliothek gefragt, ob sie Werke von Dr.
Steiner lesen dürfen. Sollen die älteren Kinder etwas sozial Gerichtetes
bekommen?

<9> X.: Leerlingen hebben in de schoolbibliotheek gevraagd of ze werken van dr.
Steiner mogen lezen. Zouden de oudere kinderen iets met een maatschappelijke insteek moeten krijgen?

Dr. Steiner: Wenn wir die 10. Klasse einrichten, so werden wir auch durch die Lektüre erzieherisch wirken müssen. Es ist im allgemeinen noch etwas früh, diese Dinge zu geben. Dagegen würde es vielleicht möglich sein, einzelne Zyklen zu geben, wenn sie entsprechend gedruckt würden. ,»Christentum als mystische Tatsache”, vielleicht auch die „Theosophie”. Da müssen Präliminarien ausgearbeitet werden.

Wanneer we de tiende klas opzetten, zullen we ook via de leesstof een pedagogische invloed moeten uitoefenen. Over het algemeen is het nog wat vroeg om dit soort materiaal aan te bieden. Aan de andere kant zou het wellicht mogelijk zijn om afzonderlijke voordrachtenreeksen aan te bieden – mits ze in een geschikte vorm zijn uitgegeven. *Het christendom als mystiek feit*, en misschien ook *Theosofie*. Daarvoor zouden dan wel de nodige voorbereidingen getroffen moeten worden.

Es wird gefragt, ob die Schüler Vorträge von Dr. Steiner besuchen dürfen.

Er wordt gevraagd of de leerlingen lezingen van Dr. Steiner mogen bijwonen.

Dr. Steiner: Meinen Sie, daß es eine große Erbauung gibt, ein solcher Vortrag? Vielleicht können wir doch nicht herumkommen, diese Sache den Eltern zu überlassen. Wir können keine Verfügung treffen.
Die Eltern müssen das tun und auch selber verantworten.

Denkt u dat zo’n lezing grote geestelijke verdieping biedt? Misschien ontkomen we er uiteindelijk niet aan om deze kwestie aan de ouders over te laten. Wij kunnen daar geen beslissing over nemen. De ouders moeten zelf beslissen en de verantwoordelijkheid dragen. <9>

Es wird gefragt, ob man ein Mitteilungsblatt herausgeben und „Pädagogische
Wochen” für Lehrer veranstalten soll. Die Diskussionen mit den Lehrern
waren doch recht erfreulich.

Er wordt gesproken over het uitbrengen van een nieuwsbrief en het organiseren van ‘pedagogische weken’ voor leraren. De gesprekken met de leraren zijn veelbelovend verlopen.

Dr. Steiner: Über was diskutieren Sie denn?

Dr. Steiner: Wat voor onderwerpen bespreekt U?

X.: Über das Verhältnis von Schule und Staat; auch mancherlei Pädagogisches.

X.: De verhouding tussen school en staat; daarnaast diverse pedagogische kwesties.

Blz. 289

Dr. Steiner: Ich halte es für einen Luxus. Die wesentlichen Punkte mißversteht man am meisten. Wenn Sie mit der Bewegung weiterkommen wollen, müssen Sie an die Konsumenten gehen, nicht an die Fabrikanten. Man kann das machen als nettes Plauderstündchen, heraus kommt dabei nichts. Ich habe mich nie widersetzt; wenn Sie finden, daß man es tun soll, so tun Sie es nur ruhig. Es ist schon soviel Kraft verpufft worden, indem man immer wieder neue Sachen unternimmt, die eigentlich aussichtslos sind. In der Schweiz kann man sich den Luxus gönnen, auch unter der Lehrerschaft zu agitieren. Wir haben es erlebt beim Osterkurs, daß die Schweizer gesagt haben: Bei uns sind die Schulen frei. — Die Schweizer Schulen sind ganz versklavt. Ich glaube nicht, daß wir uns dafür zu ereifern brauchen.
Wir können das Waldorfschul-Prinzip nur zum Modell machen. Eine zweite Schule werden wir nicht mehr errichten können. Sie wird ein Modell bleiben, so daß wir also auch nicht etwas anderes brauchen, als diese Schule als Modell zu erhalten, bis daß man sie aus Wut aufhebt. Einen Sinn hat es jetzt nur, gegen dieses Schulgesetz mit einer Weltbewegung sich aufzulehnen. Es ist die höchste Zeit, fiir den Weltschulverein etwas zu tun.

Ik beschouw het als een luxe. Juist de essentiële punten worden vaak verkeerd begrepen. Als u met de beweging vooruitgang wilt boeken, moet u zich tot de consumenten richten, niet tot de fabrikanten. U kunt het wel als een aangenaam gesprek voeren, maar dat zal tot niets leiden. Ik heb nooit in de weg gestaan; als u vindt dat het moet gebeuren, doe het dan vooral. Er is al zoveel energie verspild aan het steeds weer opzetten van nieuwe initiatieven die in wezen zinloos zijn. In Zwitserland kan men zich de luxe veroorloven om onder het onderwijzend personeel campagne te voeren. Dat zagen we tijdens de paascursus, waar de Zwitsers zeiden: “Onze scholen zijn vrij.” — Zwitserse scholen zijn volledig geknecht. Ik geloof niet dat we ons daarover druk moeten maken. We kunnen van het vrijeschoolprincipe slechts een model maken. Het zal ons niet lukken een tweede school op te richten. Het zal bij dat ene model blijven; we hoeven dus niets anders te doen dan deze school als model in stand te houden, totdat ze uit rancune wordt gesloten. Het enige dat nu zinvol is, is om als onderdeel van een wereldwijde beweging in verzet te komen tegen deze onderwijswet. Het is de hoogste tijd om iets te doen voor de Wereldschoolvereniging.

Es handelt sich darum, den Weltschulverein ins Leben zu rufen, so daß eine Riesenbewegung für die Verselbständigung des Unterrichtswesens, für die Befreiung des Schulwesens international durch die Welt ginge. Deshalb glaube ich, wir sollten jetzt diese Schule mit ihrer Schülerzahl so innerlich gediegen
wie möglich machen, und nach oben ausbauen. Jedes Jahr eine neue Klasse, und nach oben ausbauen.
Das Mitteilungsblatt wird aus Mangel an Mitarbeiterschaft nicht gehen. Pädagogische Woche ist ein Luxus. Ist noch etwas?

Het doel is om een ​​wereldwijde schoolvereniging op te richten, zodat een enorme beweging voor de autonomie van het onderwijs – voor de bevrijding van het schoolsysteem – zich over de wereld kan verspreiden. Daarom ben ik van mening dat we deze school – met de huidige leerlingenpopulatie – nu zo
intern solide mogelijk moeten maken en naar boven toe moeten uitbreiden.
Elk jaar een nieuwe klas toevoegen en naar boven toe uitbreiden.
Een nieuwsbrief is niet haalbaar bij gebrek aan personeel. Een “pedagogische week” is een luxe. Is er nog iets anders?

Frage nach der Schlußfeier.

Vraag over de afsluitende bijeenkomst.

Dr. Steiner: Die Schlußfeier könnte man im Kuppelsaal des Kunstgebäudes machen. Wenn sie so gemacht wird, daß die Kinder einen Schlußpunkt haben, ein paar Gedanken aufnehmen, so ist es doch gut. Es gehört zum ganzen im seelischen Erleben, sonst gehen die Kinder bloß fort und beginnen ein neues Schuljahr: sie werden zuletzt zu gleichgültig. Die Schlußfeier ist der Abschluß eines ganzen Schuljahres. Daß nur acht Tage Ferien dazwischenliegen, ist eine
Ausnahme. Es ist eine neue Klasse, die jede Schülerklasse dann beginnt. Es muß nicht prosaisch werden.
Warum sind denn die Monatsfeiern nicht mehr gewesen? Es ist sehr schade. Ich glaube schon, daß wir sie machen sollten.

De afsluitende bijeenkomst zou in de Koepelzaal van het Kunstgebouw kunnen plaatsvinden. Als deze zo wordt vormgegeven dat de kinderen een gevoel van afronding ervaren en enkele gedachten meenemen, dan is dat een goede zaak. Het maakt deel uit van de totale ervaring voor het zielenleven; anders vertrekken de kinderen simpelweg en beginnen ze aan een nieuw schooljaar – ze worden uiteindelijk te onverschillig. De afsluitende bijeenkomst markeert het einde van een volledig schooljaar. Dat er tussendoor slechts een pauze van acht dagen is, vormt een uitzondering. Elke klas begint in feite aan een nieuw leerjaar. Het hoeft geen alledaagse aangelegenheid te worden.
Waarom zijn de maandelijkse bijeenkomsten stopgezet? Dat is erg jammer. Ik ben van mening dat we ze wel zouden moeten houden.

GA 300A/278-289

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3603-3396

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De kracht van verhalen

Ilona Eveleens, Trouw 12-05-2015
.

de afrikaanse verhalencultuur

De Afrikaanse verhaalcultuur is springlevend, de opkomst van moderne communicatiemiddelen verandert daar niets aan. Verhalen bewezen hun kracht opnieuw tijdens de ebolacrisis..
 

Toen God de aarde schiep, stopte hij krokodillen en nijlpaarden samen in de wateren van de we­reld. De vraatzuchtige krokodil maakte zich zorgen over het eten. “Jij bent vet en hebt altijd honger. Jij bent in staat alle vis­sen op te eten. Een van ons moet ergens anders gaan leven”, zei de krokodil tegen het nijl­paard. Het nijlpaard gaapte eens grondig en schudde de kop. “Ik moet overdag onder water blijven anders verbrandt mijn gevoelige huid in de zon. Ik word wel vegetariër en ga ’s nachts de wal op om gras te vreten.” Het dier zakte iets dieper in het water zodat alleen de neusgaten en ogen nog te zien waren.
“En ik moet je vertrouwen”, sneerde de krokodil. Het nijlpaard dacht even na. “Je kan toch in mijn poep zien of er visgraten inzitten?”
De krokodil haalde zijn neus op: “Dus ik moet ’n beetje in jouw poep roeren om te zien of er graten inzit­ten. Je bent gek!”
Het nijlpaard dook onder wa­ter en kwam een paar meter verder weer bo­ven. “Ik heb een idee. Telkens als ik poep, laat ik mijn staart heel snel als een propeller rond­draaien zodat alles wordt verspreid. Dan hoef je er alleen maar naar te kijken om te contro­leren of ik je bedrogen heb.”
En zo gebeurde het en sindsdien poept het nijlpaard op die ma­nier.” 

Het verhaal van timmerman David Muriga wordt door zijn collega’s met geklap en gelach beloond. Het is lunchpauze en het personeel van een klein bedrijf even buiten Nairobi heeft de maïsmeelpap met spinaziesaus weggewerkt. De tijd voor het uitbuiken wordt vaak gebruikt om elkaar verhalen te vertellen. Dat gaat
ge­paard met gebaren, grimassen en gefloten deuntjes. De toehoorders reageren met opmer­kingen en vragen. Als het twee uur is, gaat ie­dereen naar de werkplek, vaak met een glim­lach op het gezicht.
 

Wat zouden Afrikaanse culturen zijn zonder verhalen? In verhalen wordt de geschiedenis van het continent doorgegeven. Als officieel onderwijs ontbreekt, bevatten ze wijze levens­lessen. In verhalen kunnen trauma’s of andere psychische problemen worden geuit. Daders gebruiken ze om zich te verantwoorden voor traditionele rechtbanken. En natuurlijk zijn er ook verhalen ter vermaak. 

Bevredigend avontuur 

“Verhalen vormen ons bestaan. Wij zijn de ver­halen en beheersen bij uitstek de kunst van het vertellen”, mijmert Aghan Odero achter een groot bureau in zijn werkkamer. Buiten klinkt enorme herrie. Het nationale theater waarvan hij directeur is, wordt gerenoveerd. Hij is blij met zijn baan, maar zijn eerste en grootste lief­de is de kunst van het verhalen vertellen. “Ik heb dat lang als mijn beroep kunnen doen. Elke dag was een bevredigend avontuur.” 

Lange tijd werd ervan uitgegaan dat Afrika geen geschiedenis had omdat slechts in een paar delen van het continent geschreven tek­sten bestonden. In het Malinese Timboektoe zijn vele duizenden perkamenten geschriften in het Arabisch bewaard uit de dertiende eeuw. 

Ook bestaan er overleveringen in het Geez, de taal die wordt gesproken in Ethiopië, waarvan de eerste bewijzen dateren uit 800 voor Chris­tus. Westerse geschiedschrijvers gingen volko­men voorbij aan de orale geschiedenis. De ver­halen over koninkrijken, krijgsheren, verove­ringen en uitvindingen gingen over van ouder naar kind, generaties lang. 

“Juist omdat er lange tijd nauwelijks geschre­ven teksten waren in grote delen van Afrika was de orale overlevering heel secuur. Hier en daar zal er iets bij zijn verzonnen of weggela­ten”, merkt Odero op. “Maar is de schriftelijke geschiedenis ook niet opgetekend door een waarnemer die eveneens door een gekleurde bril keek?” 

De liefde voor orale overlevering is Odero bijgebracht door zijn grootmoeder die hem me­rendeels opvoedde. Zij stond in het dorp be­kend als de beste verhalenvertelster in de wijde omtrek. “Het was in de avonduren en op zon- ­en feestdagen altijd druk bij haar huis. Ieder­een kwam om verhalen te horen. Soms waren het overleveringen uit de lokale geschiedenis, soms was het een maatschappelijke boodschap en soms puur vermaak.” 

Voor Odero bestaan verhalen uit veertig pro­cent woorden en zestig procent aanwezigheid. Hij herinnert zich hoe de verhalen van zijn grootmoeder nooit alleen bestonden uit woor­den. Er werden dansjes gedaan, liedjes gezon­gen, grimassen getrokken, weidse gebaren ge­maakt en veel verschillende stemmen gepro­duceerd. “Haar hele lichaam vertelde een ver­haal.” 

Tijdens zijn studie bedrijfskunde was Odero actief als acteur en specialiseerde hij zich in verhalen vertellen. Hij trad niet alleen op maar onderwees ook leerkrachten in de kunst van het vertellen. “Er is toch niets leukers dan naar goed vertelde verhalen te luisteren op school? Leerlingen steken er spelenderwijs iets van op en het stimuleert hun eigen creativiteit.” 

Ebolapreventie 

Het beste voorbeeld van hoe belangrijk verha­len zijn in de Afrikaanse context is volgens Odero de recente ebola-epidemie in West-Afrika. Het lukte de overheden van de drie zwaarst getroffen landen niet om burgers te overtuigen weg te blijven van begrafenissen, en vooral niet de lichamen te wassen en aan te raken. Niemand leek te luisteren. 

Tot het moment dat de waarschuwingen in verhalen werden verpakt en vertellers de boer opgingen om op die manier de boodschap te verspreiden. De verhalen werden ook via de ra­dio uitgezonden, samen met liedjes gecompo­neerd door bekende artiesten. “Toen kwam de boodschap wél aan. Je kunt niet iemand uit de stad naar het platteland sturen om daar te ver­tellen dat een eeuwenoude traditie per direct in de prullenbak hoort. Je moet zo’n boodschap verpakken in iets wat de bevolking eigen is.” 

Vroeger vertelden vooral ouderen verhalen. Zij hadden lang geleefd, veel meegemaakt en hen werd grote wijsheid toegedicht. Tegen­woordig gebruiken steeds meer jongeren ver­telkunst om hun boodschap met de wereld te delen. Zij uiten hun ervaringen, toekomstideeën en frustraties met moderne middelen. “In de veelal conservatieve samenlevingen heb­ben ouderen het voor het zeggen en moeten jongeren hun mond houden. Maar als je het via een verhaal doet, wordt het geaccepteerd om­dat het kunst is”, meent Odero. 

Het is de vraag of computers, iPads en mobie­le telefoons de traditie van verhalen vertellen niet ondermijnen. Odero gelooft van niet. Bloggers zijn volgens hem ook verhalenvertellers, op Facebook worden met foto’s verhalen ge­deeld. “In theaters worden verhalen verteld met foto’s of bewegende beelden op de achter­grond. Hoe een verhaal ook wordt gebracht, het gaat erom dat wat je wilt overbrengen ook aankomt. Maakt niet uit welke hulpmiddelen gebruikt worden. Het gaat om interactief com­municeren.” 

Straatkinderen 

De Undugu-vereniging in Kenia lijkt het hele­maal eens met die zienswijze. De organisatie laat straatkinderen verhalen vertellen om hun lot onder de aandacht te brengen. Undugu, ooit opgezet door een Nederlandse priester, ge­bruikt digitale middelen om jongeren hun er­varingen te laten delen. “We hebben een paar iPads want die zijn kindvriendelijk. Daarmee kunnen ze hun verhaal vertellen in woord, beeld en geluid”, vertelt Garnet Maina van Un­dugu. “Het is een manier om de omgeving van de kinderen, ouders of hulpverleners, te tonen wat de kinderen bezighoudt. Zo kunnen de kinderen communiceren met anderen.” 

Op de Undugu-school in de sloppenwijk Maathare Valley bij Nairobi zit Brenda Jeska (17) in de verhalengroep. Samen met Engels is het haar favoriete les. “Ik houd niet alleen van schrijven maar ook van tekenen en foto’s ne­men. Eigenlijk alle artistieke dingen vind ik leuk”, vertelt ze. De inhoud van haar verhaal is vooralsnog geheim. Ze liep van huis weg om­dat haar moeder het schoolgeld niet kon op­brengen voor een staatsschool. De Undugu-school waar ze nu op zit, is gratis. “Ik wil zo graag wat bereiken in mijn leven en heb on­derwijs nodig. Ik kan wel zeggen dat het ver­haal gaat over mezelf en mijn familie. Ik denk dat mijn familie er iets van kan opsteken.” Haar klasgenoot Samson Muturi (16) deelt en­thousiast de inhoud van zijn verhaal. Het gaat over geld stelen. “Ik heb dat zelf een keer ge­daan en dat is niet goed. Met mijn verhaal pro­beer ik uit te leggen waarom ik het deed en waarom het niet goed is.” 

Hij vindt verhalen vertellen net zo leuk als er­naar luisteren. “Mijn vader vertelt ook verha­len. Eentje ging over hoe belangrijk het is om tijdens de rekenles goed op te letten. Mijn va­der legde uit dat het me kan helpen als ik op een dag rijk ben en mijn geld moet tellen.” Brenda knikt en voegt eraan toe: “Je kunt iets leren van verhalen maar ik kan er ook bij weg­dromen. Dan maak ik de wereld mooi. Zoals ik het wil en daar word ik heel blij van.” 

Maasai 

Timmerman David Muriga snapt wat de tiener bedoelt. Hij vertelt zijn collega’s graag verha­len omdat het hem blij maakt. Hij, een weduw­naar met zes kinderen, kan even zijn eigen zor­gen vergeten. “Mijn vrouw was Maasai, een an­der volk dan waar ik toe behoor. Ze maakte mijn leven rijker, vooral ook door verhalen te vertellen van haar volk.” 

“Toen God Maasinta, de eerste Maasai, op aar­de zette, had hij geen vee. Na een tijdje riep God Maasinta en gaf hem de opdracht een flink stuk land te omheinen. Toen die klus geklaard was, zei God: “Morgenvroeg wil ik dat je tegen de buitenmuur van jouw huis gaat staan en je heel goed vasthoudt. Ik ga je iets geven dat vee heet. Hou je heel stil.”
Heel vroeg in de ochtend ging Maasinta bij zijn buitenmuur staan en hield zich vast aan een hoek. Kort daarop klonk een donderend geraas en zag hij hoe God langs een touw vee uit de hemel naar de aarde liet gaan, rechtstreeks in het omheinde stuk land. Maasinta hield zijn adem in. Dorobo, de huisgenoot Van Maasinta, kwam op het ge­luid af en zodra hij buiten kwam en het spek­takel zag, schreeuwde hij: ‘Ayieyieyie!’ God maakte direct een einde aan de stroom vee. Hij zei tegen Maasinta, denkend dat hij degene was die had gegild: ‘Jouw schreeuw betekent blijkbaar dat je genoeg vee hebt. Dit was een­malig, je krijgt niets meer. Van nu af aan ga je een nomadenbestaan leiden en van dit vee houden op dezelfde manier waarop ik van jou houd.’ Dat verklaart waarom de Maasai heel veel van hun vee houden, meestal meer dan van hun eigen vrouwen.” 

.

Vertelstof:  alle artikelen

Spraakoefeningen: alle oefeningen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3602-3395

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 12 (12-3/1)

.

een onderwerp in de plantkundeperiode 

waarvan je je af kan vragen:

is het antroposofie in het onderwijs

kan ik er iets mee; moet ik er iets mee?

In voordracht 12 [12-3] spreekt Steiner over de relatie borst/romp en de plantenwereld.
In GA 295 – de werkbesprekingen met de leerkrachten van de 1e Waldorfschool – werkt hij dit verder uit:

Ik heb gisteren geprobeerd om de romp van de mens te tekenen als een soort onvolledige bol. [Algemene menskunde]  Wat daar nog bij hoort, wat men zou krijgen als men die bolvorm volledig zou maken, dat nu heeft een zekere gelijkenis met de plant in haar verhouding tot de mens. Ja, men zou nog een stap verder kunnen gaan en zeggen: als u de mens zou ‘opvullen’ met name wat zijn middelste zintuigen betreft, de warmtezin, het gezicht, de smaak en de reuk, dan zou u allerlei plantenvormen krijgen. Neem me de vergelijking niet kwalijk! U zult hem nog in een voor kinderen begrijpelijke vorm moeten omzetten. Eenvoudig doordat u een of ander zacht materiaal in de mens stopt, zou dat vanzelf vormen van planten aannemen. De plantenwereld is in zekere zin een soort negatief van de mens.
Met andere woorden: als u inslaapt gaat uw eigenlijke ziel uit uw lichaam. Als u wakker wordt gaat uw ziel, uw ik en uw eigenlijke ziel, weer het lichaam binnen. Met dat lichaam, dat in bed blijft liggen, kunt u de plantenwereld niet goed vergelijken. Maar u kunt de plantenwereld wel vergelijken met de ziel zelf die in en uit het lichaam gaat. En als u door velden en weilanden loopt en de glanzende bloemen van de planten ziet, dan kunt u zich heel goed afvragen: wat is dat voor een temperament dat daar verschijnt? Dat is vurig! U kunt die overweldigende groeikrachten die in de bloemen aan u verschijnen vergelijken met eigenschappen van de ziel. Of u loopt door een bos en u ziet zwammen, paddenstoelen, en u denkt: wat is dat voor een temperament dat daar verschijnt? Waarom staat dat niet in de zon? Dat zijn de flegmatici, die paddenstoelen.
Dus als u de stap maakt naar de zielenwereld, dan vindt u overal vergelijkingsmogelijkheden met de plantenwereld. Probeert u die maar eens te ontwikkelen!

Terwijl u de dierenwereld meer met het lichaam van de mens moet vergelijken, moet u de plantenwereld meer vergelijken met de ziel van de mens, met datgene wat de mens ‘opvult’ wanneer hij ’s morgens wakker wordt, de ziel namelijk. De plantenwereld is een aanvulling van de mens, zoals zijn ziel hem aanvult. Zouden we de vormen opvullen, dan zouden we vormen van planten krijgen. U zou ook zien, als het u zou lukken om de mens als een mummie te conserveren en dan alle bloedvaten en zenuwbanen leeg te laten en er een heel zachte stof in te gieten, dan zou u allerlei soorten vormen krijgen in de holten van de mens.
Zo is de relatie van de plantenwereld met de mens, en u moet proberen om de kinderen uit te leggen dat de wortels vooral verwant zijn aan de gedachten van de mens en de bloemen vooral aan de gevoelens van de mens, zelfs aan zijn affecten, zijn emoties. Daardoor komt het ook dat de meest volmaakte planten, de hogere bloeiende planten, het minst dierlijk lijken. Het meest dierlijk zijn de paddenstoelen. en de lagere planten, die men ook het minst kan vergelijken met de ziel van de mens. Werkt u er dus aan dat u deze gedachte – uitgaan van de ziel en naar het karakter van planten zoeken – uitbreidt tot de meest verschillende planten.
( ) De plantenwereld is overal het omgekeerde van de mens.
( ) Ieder mens die in zijn jeugd planten leert kennen volgens wetenschappelijke principes, moet ze eigenlijk eerst leren kennen zoals wij ze beschrijven, in vergelijking met zieleneigenschappen van de mens.

De plantenwereld is de zichtbaar geworden zielenwereld van de aarde. 

( ) De plantenwereld is de zichtbaar geworden zielenwereld van de aarde en kan daarom vergeleken worden met de ziel van de mens.

En als voorbeeld volgt dan:

De anjer is koket. De zonnebloem is zo’n echte boerenbloem. Zonnebloemen houden ervan zo boers te glimmen. Bijzonder grote bladeren van planten zouden in de zielenwereld betekenen: niets kunnen afmaken, veel tijd voor alles nodig hebben, onhandig zijn, vooral dingen niet af kunnen maken. Je denkt: nu is hij klaar, maar nee hoor, hij is nog steeds bezig.

Zoek de zielenwereld in de vormen van de planten! 

De mens neemt zijn gevoelens, hartstochten en affecten en dergelijke mee in de slaap, maar in de slaap zouden ze er uitzien als planten. Wat wij onzichtbaar in onze ziel hebben, de verborgen eigenschappen van de mens, koketterie bijvoorbeeld, dat wordt zichtbaar in de planten. Bij iemand die wakker is zien we dat niet, maar bij iemand die slaapt zou het helderziend waargenomen kunnen worden. Koketterie, ja, die ziet eruit als een anjer. Een kokette dame zou uit haar neus voortdurend anjers laten groeien. Bij een saai iemand zouden uit zijn hele lichaam reusachtige bladeren groeien, als u hem zou kunnen zien.

Ik heb me zelf wel serieus beziggehouden met dit onderwerp, maar ik mis ten enenmale het vermogen om bv. in de anjer ‘behaagzucht, koketterie’ te zien en al helemaal niet dat ik die vorm uit de neus van een behaagzieke kan zien komen, wanneer deze slaapt.
Aan dit deel, ondanks Steiners oproep, heb ik me niet gewaagd.

Het gaat hier ook om een vormenwereld en daar kun je met de kinderen heel goed naar kijken, m.n. als je duidelijk in het oog lopende tegenstellingen neemt, zoals bv. de eik en de berk, of het fijne blad van paardenbloem of boterbloem t.o.v. het blad van het groot hoefblad.
En op de vraag ‘als dit nu een mens was, hoe zou die dan in het dagelijks leven zijn?’ kwamen antwoorden vanuit een bepaalde vorm van fantasievolle, vaak beeldende inleving en dat vonden ‘mijn’ kinderen leuk om te doen. Ik heb zelf nooit een bevestiging gegeven van ‘juist of onjuist’ simpelweg omdat ik het niet weet. Op de een of andere manier werd de band tussen kind en plant er wel wat door verdiept en voor mij daarom toch waardevol.

Ik heb maar heel weinig aan beschrijvingen van dit deel van de plantkundeperiode gevonden.

Op zijn site ‘Vrijeschoolcoaching’ besteedt Ruud Gersons er wel aandacht aan:

Hoe dit te doen?
We blijven nu dus in ons eigen land en verzamelen in een onderling klassengesprek alles wat de leerlingen van “onze” planten weten. Karakteristieke planten nemen we er uit: de eik tegenover de berk; de lelie tegenover de roos; de rijst tegenover de mais enz. Men voelt de tegenstellingen!
Al gauw geven de leerlingen zelf de eigenaardige karaktertrekken aan. We zien in de eik moed en kracht uitgedrukt: moed en kracht in de wortels, de stam, de takken en bladeren; in de berk kunnen we bescheidenheid en eenvoud en een zekere “elegantie” herkennen.  ( )
Deze ontdekking, dat het is alsof de planten uitdrukking geven aan verschillende zieleneigenschappen, wordt een vreugde voor de leerlingen en het stroomt van voorbeelden:
• de vrolijke, frisse brutaliteit van de paardenbloem,
• de vrome reinheid van de lelie,
• de behaagzucht van anjeliertjes,
• de haast van de tulp om snel tot bloei te komen;
• de eenvoud en trouw van de den,
• de ijdele, luie zelfgenoegzaamheid van de waterlelie, enz. enz.
Bron klik HIER

De tegenstellingen bekijken onthullen zeer zeker iets van het wezen van de plant, zoals hier genoemd eik en berk. Of lelie en roos.
Maar daarmee zijn we nog niet bij wat Steiner beoogde: dat die en die plant corresponderen met dit of dat specifieke gevoel.
Het behaagzieke, het kokette van de anjelier is rechtstreeks op Steiner terug te voeren. Het kan zijn dat bij Gersons een kind dit heeft gezegd – en dan is het juist? – maar wat, als het wat anders zegt.
Ga je dan Steiners antwoorden geven, of wat je wellicht nog bij anderen hebt gevonden, bv. bij Kranich ‘Pflanzen als Bilder der Seele‘?*

*Aan de hand van fijnzinnige waarnemingen van bloemen en een verkenning van zielstemmingen laat Ernst-Michael Kranich zien dat de kleuren, vormen, groeipatronen en bloesemstructuren van individuele planten corresponderen met specifieke menselijke emoties. Houdingen en gebaren van de ziel manifesteren zich niet alleen bij de mens, maar ook in de plantenwereld. Dit leidt tot het besef van een wereld waarin mens en natuur op innerlijk niveau bij elkaar horen.
De kleurenfoto’s bij deze nieuwe uitgave – die een aanvulling vormen op de beschrijvingen – brengen de lezer nog dichter bij de afgebeelde planten.
In vijfentwintig studies van bekende bloeiende planten onderzoekt Ernst-Michael Kranich hun unieke kenmerken en bevordert hij het inzicht in hoe de plantenwereld – die zich door de seizoenen heen ontwikkelt – aansluit bij menselijke gemoedstoestanden; individuele planten vertonen een verwantschap met gevoelens die we in onszelf kunnen ontdekken en waarnemen. De plant fungeert als beeld dat op indirecte wijze de innerlijke staat van de mens weerspiegelt – variërend van het verlangen in de vroege lente, via hoop en enthousiasme, tot de weemoed van de herfst. Met methodische helderheid ontwikkelt Kranich een benadering die kan helpen de kloof tussen mens en natuur te overbruggen.
.

Plantkunde: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 5e klas plantkunde        bloemvormen uit de natuur

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over sprookjes, mythen, sagen (GA 100)

.

Eens vroeg een jonger kind mij wat ‘de eeuwigheid’ is.

Het is al lang geleden en het was in een tijd dat in het onderwijs de tendens heerste om de kinderen ‘gewoon’ te zeggen hoe de dingen zijn.
Dat begon steeds meer ook de houding te worden bij de seksuele voorlichting: er geen doekjes omwinden, de nuchtere werkelijkheid.

Dus lag het op de loer om over de eeuwigheid ‘begripsmatige’ antwoorden te geven: de woordenboekomschrijving of nu de AI-beschrijving.

Omdat ik toen net iets begon te begrijpen van wat ‘beeld’ is, koos ik voor een ander antwoord: ik vertelde het sprookje van ‘Het herdersjongetje’ (Grimm 152)
Het komt er (met veel meer woorden) op neer dat er elke honderd jaar een vogeltje komt dat zijn snaveltje aan de berg slijpt. Wanneer de hele berg is afgesleten, is er één seconde van de eeuwigheid voorbij. 

Toen ik klaar was, verzuchtte het kind: “O, DAT is lang!

Het begrip ‘eeuwigheid’ was op dat ogenblijk voor dit kind helemaal gevuld met beeld.

Hoewel de aanleiding om dit te zeggen vanuit een ander onderwerp komt, kunnen deze opmerkingen van Steiner ook op wat ik hierboven schrijf toegepast worden, denk ik:

( ) vergleichen Sie dies mit dem trockenen, nüchternen Verstandesbegriff, den Ihnen die heutige Wissenschaft gibt, dann haben Sie den Unterschied von Imagination und bloßem verstandesmäßigem Denken, die ganzen Weltvorgänge ins Bild gefaßt! Das ist wichtig, weil die bloßen Verstandesbegriffe, so wie sie der Mensch heute hat, nicht schaffend sind; bei dem, der diese Begriffe zum Bilde fügt, sind diese Bilder wirklich schaffend. Das hat man in alten Zeiten gefühlt, und das ist sogar bei der Erziehung des Kindes zu beachten. Ich möchte da eine aktuelle Frage besprechen. Man sagt heute so leicht: Was haben unsere Altvordern uns Kinder doch für dummes Zeug gelehrt mit dem Märchen vom Storch! Wir müssen heute den Kindern die Wahrheit sagen. – Wenn unsere Nachkommen uns so behandeln werden, wie wir unsere Vorfahren, dann werden sie auch über uns lachen, und werden dann sagen: Unsere Vorfahren haben gedacht, daß der Mensch durch materielles Zusammenwirken zustande kommt! – Und sie werden auf jene Zeit hinblicken, wo die Menschen den Kindern im Geiste diesen Vorgang klargemacht haben. Die Alten haben in den Zeiten, wo das Storchenmärchen aufgekommen ist, selbst daran geglaubt, weil sie ganz gut gewußt haben, daß, wenn ein Mensch geboren wird, die Seele aus der geistigen Welt herunterkommt; sie haben das immer in Beziehung gebracht zu etwas Geflügeltem. Und Sie können das auch noch in Kinderliedern wiederfinden, zum Beispiel in dem Liedchen:

Vergelijk dit eens met het droge, nuchtere begrip van het verstand dat de hedendaagse wetenschap u biedt, dan hebt u het verschil tussen imaginatie en louter rationeel denken, waarmee u alle wereldprocessen in beeld hebt gebracht! Dat is belangrijk, omdat de louter rationele begrippen, zoals de mens die tegenwoordig heeft, niet scheppend zijn; maar bij degene die deze begrippen tot een beeld samenvoegt, zijn deze beelden werkelijk scheppend.

Dat voelde men in vroeger tijden, en daar moet zelfs bij de opvoeding van het kind rekening mee worden gehouden. Ik wil daar een actuele kwestie bespreken. Men zegt tegenwoordig zo gemakkelijk: wat hebben onze voorouders ons kinderen toch voor onzin geleerd met dat sprookje over de ooievaar! We moeten de kinderen vandaag de waarheid vertellen. – Als onze nakomelingen ons net zo zullen behandelen als wij onze voorouders, dan zullen zij ook om ons lachen en dan zeggen: Onze voorouders dachten dat de mens door materiële samenwerking tot stand komt! – En zij zullen terugkijken naar die tijd waarin de mensen dit proces in de geest aan de kinderen duidelijk maakten. De ouderen geloofden er in de tijd dat het ooievaarssprookje ontstond zelf ook in, omdat ze heel goed wisten dat, wanneer een mens wordt geboren, de ziel uit de geestelijke wereld neerdaalt; ze brachten dat altijd in verband met iets gevleugelds. En u kunt dat ook nog terugvinden in kinderliedjes, bijvoorbeeld in het liedje:

Flieg, Käfer, flieg!
Dein Vater ist im Krieg!
Deine Mutter ist im Pommerland.
Pommerland ist abgebrannt!
Flieg, Käfer, flieg!

Dieses «flieg», das ist als ein Bild gemeint für die Menschenseele, weil man eine Ahnung hatte von dem astralen Raum, von den dort fliegenden Körpern, die von da hereinkommen in die physische Welt. Und was ist «Pommerland»? «Pommer», oder was dasselbe ist: «Pummerle», ist nichts anderes als der Name für ein kleines Kind; und Pommerland, Pummerleland ist das Kinderland, woher die Mutter das kleine Kind holt. Man muß das nur ganz aus der geistigen Welt heraus erklären. Wenn Sie sich dann erinnern, daß tatsächlich dieses Bild vom Storch, der die Kinder bringt, ein Bild ist für einen geistigen Vorgang, die Reinkarnation, dann werden Sie einsehen, wie unendlich wichtig es ist, daß der Mensch zuerst im Bilde etwas aufnimmt, weil sein Gemütszustand ein ganz anderer ist, wenn man dem Kinde zuerst das Bild für den geistigen Vorgang beibringt, so daß es in heiliger Ehrfurcht auch den physischen Vorgang hören kann. Nun werden Sie wiederum selbst an den Storch glauben können, wenn Sie dieses wissen: dieser Storch ist Ihnen das Bild für die herabfliegende Seele! Ihre Unterweisung wird die Phantasie des Kindes beflügeln, und wenn Sie die Wahrheit einsehen, wird ein geheimnisvolles Fluidum davon ausgehen, und das überträgt sich auf das Kind. So ist es mit allen Imaginationen. Man kann alles den Kindern beibringen. Haben Sie die Frage vorliegen: Wie ist es mit dem Leben nach dem Tode? – dann führen Sie das Kind zu einer Schmetterlingspuppe: wie der Schmetterling aus der Puppe, so fliegt die Seele aus dem Körper heraus, nur daß man es nicht sehen kann. Aber nur der wird es mit Überzeugung dem Kinde beibringen, der selbst daran glaubt, und für den das Herauskommen des Schmetterlings aus der Puppe auf niederer Stufe dasselbe ist wie das, was auf höherer Stufe mit der Seele vorgeht. Wenn die Geisteswissenschaft wiederum die Menschen in das Verstehen der geistigen Welt taucht, so daß in den Herzen der Menschen Bilder leben werden, dann werden die Menschen auch wiederum in ganz anderer Weise erziehen können und nicht dem Kinde die trockenen Verstandeswahrheiten geben, die das Gemüt roh machen. Man muß sie nur nicht ins Groteske und Komische ziehen, sondern sich klarmachen, was für wichtige Lebensdinge dahinterstehen.

Vlieg, kevertje, vlieg!
Je vader is in de oorlog!
Je moeder is in Pommerland.
Pommerland is afgebrand!
Vlieg, kevertje, vlieg!

Dit ‘vlieg’ is bedoeld als een beeld voor de menselijke ziel, omdat men een vaag idee had van de astrale ruimte, van de daar rondvliegende lichamen* die van daaruit de fysieke wereld binnenkomen. En wat is ‘Pommerland’? ‘Pommer’, of wat op hetzelfde neerkomt: ‘Pummerle’, is niets anders dan de naam voor een klein kind; en Pommerland, Pummerleland is het kinderland, waar de moeder het kleine kind vandaan haalt. Men moet dit alleen helemaal vanuit de geestelijke wereld uitleggen. Als u zich dan herinnert dat dit beeld van de ooievaar die de kinderen brengt inderdaad een beeld is voor een geestelijk proces, de reïncarnatie, dan zult u inzien hoe oneindig belangrijk het is dat de mens eerst iets via het beeld opneemt, want zijn gemoedstoestand is heel anders wanneer men het kind eerst het beeld van het geestelijke proces bijbrengt, zodat het in heilige eerbied ook naar het fysieke proces kan luisteren. Nu zult u zelf weer in de ooievaar kunnen geloven, als u dit weet: deze ooievaar is voor u het beeld van de neerdalende ziel! Uw onderricht zal de verbeelding van het kind prikkelen, en als u de waarheid inziet, zal daaruit een mysterieuze uitstraling voortkomen, die zich op het kind overbrengt. Zo is het met alle verbeeldingen. Men kan kinderen alles bijbrengen.

*Dat doet wellicht grotesk aan, maar in deze voordrachtenreeks heeft Steiner over deze ‘wezenheden’ in de astrale wereld gesproken die daar niet statisch, maar bewegend aanwezig zijn. 

Als je de vraag krijgt: hoe zit het met het leven na de dood? – leid het kind dan naar een vlinderpop: net zoals de vlinder uit de pop komt, zo vliegt de ziel uit het lichaam, alleen kun je dat niet zien. Maar alleen degene die er zelf in gelooft, en voor wie het tevoorschijn komen van de vlinder uit de pop op een lager niveau hetzelfde is als wat er op een hoger niveau met de ziel gebeurt, zal dit met overtuiging aan het kind kunnen bijbrengen. Als de geesteswetenschap de mensen weer onderdompelt in het begrijpen van de geestelijke wereld, zodat er beelden in de harten van de mensen gaan leven, dan zullen de mensen ook weer op een heel andere manier kunnen opvoeden en het kind niet de droge verstandelijke waarheden geven die de ziel verruwen. Men moet het alleen niet in het groteske en komische trekken, maar zich realiseren welke belangrijke levenszaken erachter schuilgaan.
GA 100/175-176
Niet vertaald
.

Rudolf Steiner over mythen en sagen: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3600-3393

.

.

.

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het geheugen (4)

.

In deel 3 belichtte ik een bepaalde kant van ‘het sterker maken’ van het etherlijf van het kind.
Sterker maken omdat het de drager is van het geheugen en het geheugen is een zeer belangrijk vermogen om mens te kunnen zijn.

Zonder geheugen zou het leven niet meer menswaardig zijn: we zouden geen verleden kennen; we zouden iedere dag alles weer van voren af aan moeten leren.

In deel 1 en 2 van deze serie zijn daar van Steiner diverse uitspraken over te vinden, die allemaal neerkomen op:

( ) die Eindrücke von gestern werden durch das Gedächtnis dauernd für meine Seele.

Door middel van de herinnering bewaart de ziel het gisteren;
GA 9/39
Vertaald/54

Wanneer je Steiners uitspraken over het etherlijf bestudeert, zal je zeer veel tegenkomen dat het ‘de drager van gewoonten’ is. Soms doet hij net iets meer mededelingen, waardoor je telkens ook nieuwe gezichtspunten krijgt.

(  )  der Träger der Gewohnheiten, der bleibenden Neigungen, des Temperamentes und des Gedächtnisses.

(het etherlijf ) de drager van gewoonten, van diepgewortelde neigingen, van het temperament en het geheugen.
GA 34/317
Vertaald

Was im Gedächtnis lebt, was wir uns merken von Tag zu Tag, lebt in unserem Äther- oder Lebensleib. Daß wir einmal ein Klavierstück spielen, liegt in unserem astralischen Leibe; daß wir die Fähigkeit, die Gewohnheit des Spielens erwerben, liegt im Ätherleibe. Alle Gewohnheiten sind im Ätherleibe oder Lebensleibe. Wenn wir ein sittliches Urteil fällen, so ist das wieder eine Tat des astralischen Leibes. Wenn sich uns eine gewisse Richtung des Urteilens durch wiederholtes Urteilen einprägt, so wird das sittliche Urteil zu einem dauernden, zum Gewissen.

Wat in ons geheugen voortleeft – wat we van dag tot dag behouden – zetelt in ons ether- of levenslichaam. Het daadwerkelijke spelen van een pianostuk op een bepaald moment behoort tot het astraallijf; het verwerven van de vaardigheid of gewoonte om te spelen behoort tot het etherlijf. Alle gewoonten zetelen in het ether- of levenslichaam. Wanneer we een moreel oordeel vellen, is dat op zijn beurt een daad van het astraallijf. Als een bepaalde manier van oordelen in ons verankerd raakt door herhaalde oordeelsvorming, dan wordt het morele oordeel iets blijvends: het wordt geweten.
GA 57/272-273
Niet vertaald

Alles, was der Mensch an seinem Ätherleib ausbildet, entwickelt sich, wenn auch sehr langsam, und die Erziehung kann dafür sorgen, ganz bestimmte Gewohnheiten heranzuziehen. Das, was im Ätherleib im einen Leben vorgeht, kommt im nächsten Leben im physischen Leibe zum Dasein. Alle Neigungen und Gewohnheiten des jetzigen Ätherleibes geben im nächsten Leben die Disposition zu Gesundheit oder Krankheit.

Alles wat iemand in zijn etherlijf ontwikkelt, groeit – zij het heel langzaam – en door opvoeding kunnen bepaalde gewoonten worden bevorderd. Wat zich in het ene leven in het etherlijf afspeelt, manifesteert zich in het volgende in het fysieke lichaam. Alle neigingen en gewoonten van het huidige etherlichaam bepalen de aanleg voor gezondheid of ziekte in het volgende leven.
GA 95/65
Vertaald: Antroposofie voor het leven/v.a. blz. 63

Dieser Ätherleib ist der Träger der Gewohnheiten des Menschen. Er ist vor allem der Träger des Gedächtnisses und des Temperamentes, überhaupt von alledem, was bleibende seelische Eigenschaften im Menschen sind. Wenn wir vom Seelischen des Menschen sprechen, so meinen wir nicht zuletzt das Temperament und die ursprüngliche Charakteranlage. Das drückt sich der Form nach im Ätherleibe aus.

Dit etherlijf is de drager van de gewoonten van een mens. Het is bovenal de drager van het geheugen en het temperament – ​​ja, van alles wat de blijvende zielskwaliteiten van een mens uitmaakt. Wanneer we over de menselijke ziel spreken, doelen we niet in de laatste plaats op temperament en aangeboren karaktereigenschappen; deze vinden hun uitdrukking in de vorm van het etherlijf.
GA 96/106
Niet vertaald

Was also im Leben vorübergehend in uns aufleuchtet und wieder verschwindet, haftet im Astralleib. Was jedoch zum blei­benden Lebensstock des Menschen gehört, insofern es sich seelisch ausdrückt, alles was in die Gewohnheit eingeht, so daß der Mensch es sich durch lange Zeit des Lebens hindurch, vielleicht auf immer merkt, alles, was mit dem Temperament zu tun hat, das ist im Ätherleib, der dichter ist als der Astralleib. Wenn es dem Menschen ge­lingt, eine Gewohnheit, eine Temperamentseigenschaft zu ändern, wenn er zum Beispiel eine gewohnheitsmäßige Nachlässigkeit ablegt und ein achtsamer Mensch wird, so zeigt sich das im Ätherleib und nicht bloß im Astralleib. Wenn ein Mensch viel lernt und es so auf-nimmt, daß es nach und nach ganz sein seelisches Eigentum und Bestandteil seines Inneren wird, so daß er es nicht nur weiß, sondern im tieferen Sinne besitzt, so ändert er damit die Konfiguration seines Ätherleibes. Wenn jemand einen moralischen Grundsatz aufnimmt und sich immer wieder sagen muß: Der Grundsatz besteht, daher befolge ich ihn – dann haftet er doch nur im Astralleib. Wenn er aber so in ihn einzieht, daß er nicht mehr anders kann, dann haftet er im Ätherleib. Das Übergehen vom Astralleib in den Ätherleib vollzieht sich im Leben langsam und allmählich.

Alles wat tijdens het leven tijdelijk in ons opflakkert en vervolgens weer verdwijnt, hecht zich dus aan het astraallijf. Wat echter tot de blijvende substantie van iemands leven behoort – voor zover dit tot uitdrukking komt in de ziel –, alles wat een gewoonte wordt (zodat men het langdurig, misschien wel voor altijd, behoudt) en alles wat met het temperament samenhangt, zet zich vast in het etherlijf; dit is dichter van aard dan het astraallijf. Wanneer iemand erin slaagt een gewoonte of een temperamenttrek te veranderen – bijvoorbeeld door een gewoonte van slordigheid af te leggen en een oplettend mens te worden –, dan manifesteert deze verandering zich in het etherlijf, en niet slechts in het astraallijf. Wanneer iemand veel leert en dit zodanig in zich opneemt dat het geleidelijk een wezenlijk deel van het innerlijk wordt – zodat men het niet alleen weet, maar in diepere zin ook bezit –, verandert men daarmee de configuratie van het etherlijf. Als iemand een moreel principe aanvaardt, maar zichzelf steeds moet voorhouden: “Dit principe bestaat, dus zal ik ernaar handelen”, dan blijft dit slechts in het astraallijf verankerd. Maar als dat principe zo diep in de aard van de persoon overgaat dat deze niet anders meer kan handelen, dan hecht het zich aan het etherlijf. Deze overgang van het astraallijf naar het etherlijf voltrekt zich langzaam en geleidelijk in de loop van een mensenleven.
GA 96/108
Niet vertaald

Der Ätherleib hat die beiden Hauptaufgaben einmal alle Lebensfunktionen des physischen Körpers anzuregen, das heiβt, die Substanz des physischen Körpers dauernd vor dem Zerfall zu schützen und den Aufbau dieser Substanz zu regeln; dann aber bildet der Ätherleib den Sitz des Gedächtnisses.

Het etherlijf heeft twee hoofdtaken: ten eerste het stimuleren van alle vitale functies van het fysieke lichaam – dat wil zeggen: de substantie van het fysieke lichaam voortdurend beschermen tegen verval en de opbouw van die substantie reguleren; en ten tweede dient het  als zetel van het geheugen.
GA 100/38
Niet vertaald

Dit zijn maar enkele citaten uit een groter aantal.

M.n. in GA 96 geeft Steiner aanwijzingen voor wat er in de tijd van 7 – 14 jaar voor het etherlijf moet gebeuren:

1] Goede gewoontes aan te leren.

2] In deze periode moet ook aan het geheugen worden gewerkt. Het is daarom noodzakelijk dat het kind degelijke gewoontes aanleert en een schat aan kennis uit het hoofd leert.

3] Naast het goede voorbeeld, ook directe instructie op basis van autoriteit.
Door het kind voortijdig vrij te laten wat de autoriteit betreft, ontneem je het etherlijf de kans op een grondige vorming.

4] Voorbeelden en gelijkenissen geven i.p.v. bewijzen en oordelen.

5] Het kind moet zoveel mogelijk over grote persoonlijkheden worden verteld.
Het is net zo belangrijk om het kind geen morele principes bij te brengen, maar morele parabels.
Hoe meer je beeldspraak gebruikt, hoe meer effect je op het kind hebt.

6] Het etherlijf verkommert, wordt zwak en ongeschikter als het geen inspiratie kan putten uit grote voorbeelden.

Op deze aspecten zal in aparte artikelen worden ingegaan (nog niet oproepbaar)

.

Rudolf Steiner over: geheugen

Geheugen, herinneren: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3599-3392

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 305 – slotwoord

.

In de vertaling van GA 305 :
‘Onderwijs en opvoeding’ zijn de voordrachten 10, 11 en 12 niet opgenomen.

Die staan op deze blog vertaald [10]  [11]  [12]

Het slotwoord van 28 augustus 1922 ontbreekt eveneens in de Nederlandse uitgave.

Het wordt hieronder weergegeven.

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst
Spirituelle Werte in Erziehung und sozialem Leben

Opvoeding en onderwijs
Spirituele grondslagen

Schlusswort
anläßlich einer Gründungsversammlung einer Vereinigung, die in
England im Sinne dieser Vorträge wirken wollte

Slotwoord
bij de oprichtingsbijeenkomst van een vereniging
die in Engeland in de geest van deze voordrachten wil werken

Blz. 255

Oxford, 28 augustus 1922

Meine Damen und Herren, aus der Art, wie ich mir erlaubte, diese Vorträge hier vor Ihnen zu halten, werden Sie ja entnehmen können, wie ernst mir die Summe der Impulse ist, welche durch die besondere Erziehungsmethode ja nur, ich möchte sagen, einen partiellen Ausdruck finden für das Gebiet desjenigen, was nach meiner Meinung im gegenwärtigen Augenblicke der Menschheitsentwickelung durch eine vertiefte Lebensauffassung, durch eine wirklichkeitsgemäße Lebensauffassung geschehen soll. Und wenn Sie den Grundton nehmen, den ich glaube eingehalten zu haben in diesen Vorträgen, dann werden Sie mir glauben, daß es aus dem tiefsten Herzen heraus gesprochen ist, wenn ich Ihnen herzlich dafür danke, nicht so sehr selber als im Namen der Sache, für die ich ja mein ganzes Dasein einstellen möchte, wenn ich Ihnen herzlich danke dafür, daß Sie sich entschlossen haben, hier für diese Gegend die Sache in die Hand zu nehmen.

Dames en heren, uit de wijze waarop ik deze voordrachten aan u heb gepresenteerd, zult u ongetwijfeld opmaken hoe serieus ik de samenhang van impulsen beschouw – impulsen die via deze specifieke onderwijsmethode weliswaar slechts ten dele tot uitdrukking komen, maar die toch verband houden met wat in mijn ogen in dit stadium van de menselijke evolutie bereikt zou moeten worden door een verdiept, op de werkelijkheid gericht levensinzicht. En als u let op de grondtoon die ik in deze voordrachten heb trachten te handhaven, zult u mij geloven wanneer ik – vanuit het diepst van mijn hart, en niet zozeer uit eigen belang als wel ten dienste van de zaak waaraan ik mijn gehele bestaan ​​wil wijden – u oprecht dankzeg voor uw besluit om deze zaak hier in deze regio ter hand te nemen.

Es ist zu wünschen, daß innerhalb der Gemeinschaft, die Sie zu bilden beschlossen haben, aus den Entschlüssen heraus, die Sie sich vorgenommen haben, eine Anzahl von Persönlichkeiten sich einfindet, welche mit ihrer Kraft dasjenige tragen, von dem Sie sich nach dem heutigen Meeting einiges versprechen.
Es handelt sich bei einer solchen Sache immer, meine Damen und Herren, darum, daß Persönlichkeiten die Sache tragen. Und dasjenige, was anthroposophische Bewegung genannt wird, kann nur dadurch in der Welt vorwärtskommen, daß einzelne Persönlichkeiten sie tragen.
Vereinigungen, Gesellschaften müssen da sein; aber das Wichtigste ist, daß Persönlichkeiten herauswachsen aus den Gesellschaften, die mit der unmittelbaren Kraft des Menschen dasjenige tragen, was als das Richtige eingesehen werden muß.
Wenn wir an die so wichtige Position denken, in der sich insbesondere die Bevölkerung dieses Landes im gegenwärtigen welthistorischen Augenblicke befindet, und wenn wir ernst nehmen die Verantwortung, die aus dieser Position hervorgeht, dann können wir uns auch sagen, daß aus einem solchen Beschlüsse, wie Sie ihn heute gefaßt haben, etwas außerordentlich Wichtiges hervorgehen kann.

Het is te hopen dat er binnen de gemeenschap die u voornemens bent te vormen – en voortvloeiend uit de besluiten die u heeft genomen – een aantal individuen zal opstaan ​​die op eigen kracht datgene zullen dragen waarvan u na de bijeenkomst van vandaag zoveel verwacht.
Bij een onderneming als deze, dames en heren, hangt alles af van individuen die de zaak vooruithelpen. De beweging die bekendstaat als de antroposofische beweging kan in de wereld immers alleen vooruitkomen als individuele persoonlijkheden haar schragen. Uiteraard moeten er verenigingen en genootschappen bestaan; toch is het allerbelangrijkste dat er vanuit deze genootschappen individuen naar voren treden die – puttend uit de directe kracht van de menselijke geest – staande houden wat als juist wordt erkend.
Wanneer we de cruciale positie beschouwen waarin de bevolking van dit land zich op dit specifieke moment in de 

Blz. 256

welthistorischen Augenblicke befindet, und wenn wir ernst nehmen die Verantwortung, die aus dieser Position hervorgeht, dann können wir uns auch sagen, daß aus einem solchen Beschlüsse, wie Sie ihn heute gefaßt haben, etwas außerordentlich Wichtiges hervorgehen kann. Denn mag auch heute
das Häuflein der Menschen noch klein sein, die sich sagen: Die Welt
braucht einen Einschlag ins Geistige —, es wird davon abhängen, ob das
kleine Häuflein zu einer immer größeren Masse wird, daß die Welt
überhaupt durch neue Impulse in ihrer Entwickelung vorwärtskomme.
Was ich heute morgen im Vortrag mir zu sagen erlaubte: Die alten
Impulse, sie sind im Grunde genommen alle abgelaufen. Wir reden noch
in den alten Worten; Zahlen, und starke Parteien reden in den alten
Worten. Versuchen wir in neuen Worten zu reden, und versuchen wir, daß die Sache in die Wirklichkeit eindringe. Berauschen wir uns nicht daran, daß wir spirituelle Werte hineintragen wollen in die Entwickelung. Berauschen wir uns nicht daran! Seien wir uns klar darüber, daß «Hineintragen spiritueller Werte in die Wirklichkeit», geradeso Schlagwort werden kann, wie irgend etwas anderes Schlagwort geworden ist.

wereldgeschiedenis bevindt, en wanneer we de verantwoordelijkheid die uit die positie voortvloeit serieus nemen, kunnen we tegen onszelf zeggen dat er uit het besluit dat u vandaag heeft genomen, wel eens iets van buitengewoon belang zou kunnen voortkomen. Want ook al is het aantal mensen dat tegen zichzelf zegt – “de wereld heeft een injectie van het spirituele nodig” – vandaag de dag nog klein, het hangt ervan af of dat kleine groepje uitgroeit tot een steeds grotere
massa, wil de wereld in zijn evolutie überhaupt vooruit kunnen komen
door middel van nieuwe impulsen.
Wat ik in mijn voordracht van vanochtend [11] naar voren bracht, was dit:
De oude impulsen zijn in wezen allemaal uitgewerkt.
We spreken nog steeds in de oude termen; grote aantallen mensen en
machtige groeperingen spreken nog steeds in de oude termen. Laten we proberen in nieuwe termen te spreken en ervoor zorgen dat deze zaak
doordringt tot in de werkelijkheid. Laten we ons niet bedwelmen door het idee
dat we spirituele waarden in de evolutie willen brengen.
Laten we ons daardoor niet bedwelmen! Laten we ons goed realiseren dat
“het brengen van spirituele waarden in de werkelijkheid” net zo goed
een holle frase kan worden als al het andere.

Es kommt darauf an, daß wir mit vollem Herzen mit ganzem Gemüte einstehen für dasjenige, was aus dem Leben, durch das Leben, für das Leben geführt, gedacht und gewollt werden soll. Das ist es, worauf es ankommt.
Und wenn zunächst aus dieser Vereinigung hervorgeht dasjenige, was der Erziehung gegeben werden kann, und ich glaube, heute gegeben werden muß, so wird sicher etwas außerordentlich Schönes, und etwas, was mit den Entwickelungsbedingungen der Menschheit im gegenwärtigen Zeitraum zusammenhängt, aus diesen Ihren Entschlüssen hervorgehen.
Das ist es, was ich mir nur als ein paar Worte des herzlichsten Dankes
erlauben wollte zu sagen dafür, daß Sie heute Ihre Herzen vereinigt haben mit demjenigen, was in diesem Kursus vielleicht in Ideen ausgesprochen worden ist, aber was eigentlich durchaus ernstlich gemeint war und durch fühlendes Menschenwesen herausgeholt werden sollte aus der Entwickelung der Menschheit, um einen Impuls abzugeben für die Entwickelung in die Zukunft hinein.

Waar het op aankomt, is dat wij met hart en ziel staan ​​voor datgene wat vanuit het leven, door het leven en ten behoeve van het leven geleid, gedacht en gewild moet worden. Dat is wat telt.
En als uit deze verbondenheid datgene voortkomt wat aan het onderwijs kan – en, naar mijn overtuiging, vandaag de dag ook moet – worden meegegeven, dan zal er uit uw besluiten ongetwijfeld iets buitengewoon moois ontstaan, iets dat ten diepste verbonden is met de voorwaarden voor de menselijke ontwikkeling in het huidige tijdperk.
Ik wilde graag deze woorden van oprechte dank uitspreken, omdat u vandaag uw hart heeft verbonden met wat in deze cursus wellicht slechts als ideeën werd verwoord – maar wat wel met de grootste ernst was bedoeld en door voelende mensen aan de evolutie van de mensheid moest worden ontleend, om zo een impuls te geven aan de toekomstige ontwikkeling.
GA 305/25-256   

Voordracht 1 t/m 9 vertaald.    Voordracht 10      voordracht 11     voordracht 12
.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Rudolf Steiner over pedagogie: vindplaatsen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3598-3391

.

.

.

.

           

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 305 – voordracht 12

.

GA 305 bevat 12 voordrachten, 2 toespraken en een slotwoord.
De eerste negen voordrachten werden vertaald.
De vertaalde toespraken vind je op deze blog, evenals het slotwoord.

De laatste drie gaan niet specifiek over vrijeschoolpedagogie(k), maar wel over sociale driegeleding. Vrijheid van onderwijs is een voorwaarde om het door Steiner bedoelde vrijeschoolonderwijs te kunnen realiseren.

Sociale driegeleding en vrijeschool hebben in Nederland niet zo’n hechte relatie, terwijl je zou kunnen zeggen dat de sociale driegeleding de moederschoot van de vrijeschoolpedagogie(k) is.

Er zullen redenen zijn om de voordrachten 10 t/m 12 niet op te nemen. Hopelijk is daar de ‘desinteresse’ niet bij……

Inhoud van de voordracht:

De huidige overgangsperiode: zich losmaken van alle bindingen om
eenvoudigweg een vrij mens te zijn.
De noodzaak van een op vrijheid gebaseerd wereldbeeld.
Geweten en individuele morele intuïtie.
Opvoeding die vertrouwen in het individu bevordert; liefde voor de mensheid;
een mondiaal perspectief.
De noodzaak om te leren denken “in cirkels” in plaats van in een rechte, programmatische lijn.
Het misverstand dat de “kernpunten” een leer over sociale klassen zouden zijn. Geen indeling van mensen, maar de structurering van het sociale organisme
door middel van regelingen die menselijk handelen in staat stellen in te grijpen en door te werken in het sociale geheel.
De drie aspecten van het sociale organisme.
Voorbeelden van hoe je dynamisch kan blijven denken over hun evolutie: kapitalisme; arbeid; het geldwezen.
Het denken terugbrengen in het leven.
Dankwoord.

GA 305

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst
Spirituelle Werte in Erziehung und sozialem Leben

Opvoeding en onderwijs
Spirituele grondslagen

Der Mensch in der sozialen Ordnung:
Individualität und Gemeinschaft

Het individu in de maatschappelijke orde:
Individualiteit en gemeenschap

Blz. 223

Voordracht 12, Oxford, 29 augustus 1922 

Meine Damen und Herren, wenn ich heute noch versuche, die Schilderung des sozialen Lebens der Gegenwart und der sozialen Forderungen der Zeit in einer gewissen Weise abzuschließen, so bin ich mir bewußt, daß alles dasjenige, was ich hier sagen konnte und werde sagen können über das soziale Leben und die sozialen Fragen, nur ganz spärliche Richtlinien sein können. Denn die soziale Frage in unserer Zeit ist eine sehr umfassende, sehr universelle, und vor allen Dingen sind zwei Betrachtungen notwendig für denjenigen, der einen Gesichtspunkt gewinnen will in der sozialen Frage. Zuerst ist es notwendig, ins Auge zu fassen den gegenwärtigen geschichtlichen Augenblick der Menschheit, und auf der anderen Seite ist es notwendig, die unmittelbaren äußeren, irdisch-räumlichen Verhältnisse ins Auge zu fassen.

Dames en heren, nu ik vandaag tracht mijn beschrijving van het hedendaagse maatschappelijke leven en de maatschappelijke eisen van deze tijd tot een zekere afronding te brengen, ben ik mij er terdege van bewust dat alles wat ik hier over het maatschappelijk leven en maatschappelijke vraagstukken heb kunnen zeggen – en nog zal zeggen – slechts de meest schetsmatige richtlijnen kan bieden. Want de sociale kwestie van onze tijd is omvangrijk en van universele strekking; wie er een helder beeld van wil krijgen, dient vooral twee gezichtspunten in acht te nemen. Ten eerste moet je  het huidige historische moment in de levensloop van de mensheid beschouwen, en ten tweede moet je rekening houden met de directe uiterlijke voorwaarden – de aardse, ruimtelijke omstandigheden.

Der gegenwärtige geschichtliche Augenblick der Menschheit ist ein solcher, der mit dem denkbar unbefangensten Verständnis angesehen werden muß. Man geht sehr leicht aus Vorurteilen und namentlich Vorgefühlen über dasjenige hinweg, was in den Tiefen, ich sage nicht einmal der Menschenseelen, sondern der Menschennaturen in der Gegenwart geschieht.
Man wird sehr leicht mißverstanden, wenn man so etwas sagt, weil fast zu jeder Zeit die Menschen es gesagt haben und es auch heute sagen: Wir leben in einer Übergangszeit. Gewiß, wir leben immer in einer Übergangszeit, nämlich von der Vergangenheit in die Zukunft, und es handelt sich eben nicht darum, zu wissen, man lebe in einer Übergangszeit – das ist selbstverständlich, das ist eine Trivialität -, sondern es handelt sich darum, worinnen der Übergang charakterisiert ist, worinnen der Übergang besteht. Und da muß man sagen: Gegenwart umfaßt nicht etwa das jetzige Jahr oder auch nur das jetzige Jahrzehnt, sondern Gegenwart umfaßt einen langen Zeitraum. Vorbereitet hat

Het huidige historische moment voor de mensheid moet met een zo groot mogelijke openheid van geest worden beschouwd. Het is maar al te gemakkelijk om – gedreven door vooroordelen en, bovenal, door vooropgezette meningen – over het hoofd te zien wat zich in de diepten van het heden afspeelt: niet slechts in de menselijke ziel, maar in de menselijke natuur zelf.
Je wordt gemakkelijk verkeerd begrepen wanneer je dergelijke dingen zegt, omdat mensen in vrijwel elk tijdperk hebben gezegd – en ook vandaag de dag nog zeggen –: “We leven in een overgangstijd.” Uiteraard leven we altijd in een overgangstijd – namelijk van het verleden naar de toekomst – en het gaat er niet simpelweg om te weten dat je in een overgangstijd leeft (dat spreekt voor zich; het is een gemeenplaats); waar het werkelijk op aankomt, is het begrijpen van het specifieke karakter van deze overgang – wat deze feitelijk inhoudt. En hier moet worden opgemerkt: het “heden” omvat niet slechts het huidige jaar of zelfs het huidige decennium; het beslaat een lange tijdsperiode. 

Blz. 224

sich dieser Zeitraum seit dem 15. Jahrhundert, und das 19. Jahrhundert bedeutete seine Kulmination. Wir stehen heute in diesem Zeitraum drinnen, aber die Menschheit im allgemeinen hat sich noch wenig Verständnis erworben für das Eigentümliche dieses weltgeschichtlichen Augenblicks, in dem wir drinnenstehen. Man muß sagen: Was gegenwärtig, wenn man überhaupt in das soziale Leben hineinsehen will, anzuschauen notwendig ist, das ist, daß
der Mensch aus alten Bildungen überall herausstrebt und lediglich
Mensch sein will, freier Mensch sein will.
Daher brauchen wir heute vor allen Dingen eine Weltanschauung – wie man im Deutschen sagen kann -, eine Weltanschauung der Freiheit, hier muß man sagen, weil das Wort Freiheit hier eine andere Bedeutung hat: Eine Weltanschauung der spirituellen Aktivität, des Handelns, des Denkens, des Fühlens, aus der menschlichen geistigen Individualität heraus.
Ich versuchte im Beginn der neunziger Jahre das Bild des Menschen, wie er gegenwärtig strebt, wie er ist, wenn man nicht auf seinen Kopf, sondern auf sein Unterbewußtes sieht, in meiner «Philosophie der Freiheit» zu zeichnen, die ja hier ins Englische übersetzt ist. Der Mensch war früher in Bindungen drinnen, die sein Denken und sein Handeln bestimmten. Man sehe sich einen Menschen des Mittelalters an:

Deze periode is al sinds de 15e eeuw in voorbereiding, met de 19e eeuw als hoogtepunt. Wij bevinden ons vandaag de dag in deze periode, en toch heeft de mensheid in het algemeen weinig inzicht gekregen in de unieke aard van dit wereldhistorische moment waarin wij staan. Er moet worden gezegd: wat vandaag de dag essentieel is om waar te nemen – wil je enig inzicht krijgen in het maatschappelijk leven – is dat mensen overal ernaar streven zich los te maken van oude structuren en simpelweg mens te zijn; vrije mensen te zijn.
Daarom hebben we bovenal een wereldbeeld nodig – een wereldbeeld van vrijheid; al moeten we dat hier, omdat het woord ‘vrijheid’ een andere betekenis heeft, een wereldbeeld van geestelijke activiteit noemen – van handelen, denken en voelen – dat voortkomt uit de menselijke geestelijke individualiteit.
Begin jaren negentig van de negentiende eeuw heb ik in mijn *Filosofie van de vrijheid* GA 4 (dat in het Engels is vertaald) geprobeerd de mens te schetsen zoals hij vandaag de dag streeft – zoals hij werkelijk is wanneer je niet naar zijn intellect kijkt, maar naar zijn onderbewustzijn. In het verleden waren mensen gebonden door banden die hun denken en handelen bepaalden. Denk maar aan de mens uit de middeleeuwen:

Er ist ja nicht in dem Sinne Mensch, wie der heutige, er ist vor allen Dingen der Angehörige eines Standes, einer Kaste. Er ist nicht Mensch, er ist Christ, er ist Adeliger, er ist Bürger. Alles, was er denkt, ist bürgerlich oder adelig oder priesterhaft. Der Mensch wurde erst im Laufe der letzten Jahrhunderte aus solchen Zusammenhängen gelöst. Man fragte in früheren Zeiten, wenn es sich darum handelte, sich sozial hineinzustellen in die menschliche Gemeinschaft als Individuum, man fragte: Was ist gut priesterhaft? Wie verhält man sich als Priester zu den anderen Menschen? Wie verhält man sich als Bürger zu den anderen Menschen? Wie verhält man sich als Adeliger zu den anderen Menschen? – Heute fragt man: Wie verhält sich der Mensch, wenn er sich
seiner Menschenwürde und seiner Menschenrechte voll bewußt sein
kann?
Da muß aber dann der Mensch in sich etwas finden.

Hij is geen mens in de zin waarin mensen dat tegenwoordig zijn; bovenal is hij lid van een maatschappelijke stand of kaste. Hij is niet louter een mens; hij is christen, edelman of burger. Alles wat hij denkt, wordt gevormd door zijn status als burger, edelman of priester. Pas in de loop van de laatste eeuwen is het individu uit dergelijke verbanden bevrijd. Wanneer het er in vroeger tijden om ging de eigen plaats als individu binnen de menselijke gemeenschap in te nemen, luidde de vraag: wat is passend gedrag voor een priester? Hoe gedraagt ​​een priester zich tegenover anderen? Hoe gedraagt een burger zich tegenover anderen? Hoe gedraagt ​​een edelman zich tegenover anderen? Tegenwoordig luidt de vraag: hoe gedraagt een mens zich wanneer hij zich ten volle bewust kan zijn van zijn menselijke waardigheid en zijn mensenrechten?
In dit geval moet het individu echter iets in zichzelf vinden.

Blz. 225

Er muß die Antriebe, die ihm früher das Bürgertum, das Adelstum, das Priestertum gegeben und die ihn zu seinem sozialen Handeln getrieben haben, er muß diese Antriebe in sich selber finden. Und er kann sie nicht in seinem Körper finden, er muß sie in dem Geiste, der eingeprägt ist seiner Seele, finden. Deshalb bezeichnete ich in meiner «Philosophie der Freiheit» den sittlichen Impuls, der zu gleicher Zeit der tiefste soziale Impuls ist, das moralisch Impulsierende im Menschen, das bezeichnete ich als moralische Intuition. Es muß etwas aufgehen in dem Menschen drinnen, was ihm sagen soll im konkretesten Falle des Lebens:
So sollst du handeln.
Sehen Sie, da ist alles auf die menschliche Individualität gestellt. Da muß man den einzelnen Menschen, die Individualität anschauen und muß voraussetzen: In diesem Herzen, in dieser Seele sind moralische Intuitionen. Darauf muß alle Erziehung hinauslaufen, diese moralischen Intuitionen zu wecken, so daß jeder Mensch fühlt von sich: Ich bin nicht von dieser Erde allein, ich bin nicht bloß ein Produkt der physischen Vererbung, ich bin aus den geistigen Welten heruntergestiegen auf die Erde und habe etwas zu tun auf dieser Erde als dieser
einzelne individuelle Mensch.

Hij moet in zichzelf de drijvende krachten vinden – krachten die voorheen door de bourgeoisie, de adel en de geestelijkheid werden aangereikt en die hem tot maatschappelijk handelen aanzetten. En hij kan deze niet in zijn lichaam vinden; hij moet ze vinden in de geest die in zijn ziel is ingeprent. Daarom heb ik in mijn *Filosofie van de vrijheid* de morele impuls – die tegelijkertijd de diepste sociale impuls en de morele drijfveer in de mens is – aangeduid als ‘morele intuïtie’. Er moet in de mens iets opgaan dat hem, in de meest concrete levenssituatie, zegt: “Zo moet je handelen.”
Alles draait hier immers om de menselijke individualiteit. Je moet naar de individuele mens kijken – naar de individualiteit – en ervan uitgaan: “In dit hart, in deze ziel, bevinden zich morele intuïties.”
Alle opvoeding moet erop gericht zijn deze morele intuïties te wekken, zodat ieder mens voelt: “Ik ben niet slechts van deze aarde; ik ben niet louter een product van fysieke erfelijkheid; ik ben vanuit de geestelijke werelden naar de aarde afgedaald en heb hier een taak te vervullen als deze specifieke, individuele mens.”

Aber da muß man wissen nicht bloß, daß man etwas zu tun hat, sondern was man zu tun hat. Man muß in sich finden in der einzelnen konkreten Situation darinnen, was man zu tun hat. Das muß einem die Seele sagen. Das unbestimmte Gewissen muß zur moralischen individuellen Intuition werden. Das heißt: Frei werden als Mensch -, das heißt: Nur bauen auf dasjenige, was in dem Menschen selber drinnen ist.
Und das haben manche Menschen sehr übelgenommen, weil sie gemeint haben, dann sei alles Moralisch-Soziale in die Willkür des einzelnen Individuums gegeben. Das ist es nicht, sondern es ist gestellt auf diejenige Basis, auf der allein das soziale Leben stehen kann; nämlich einerseits auf der Basis des Vertrauens. Dieses Vertrauen, wir müssen es gewinnen können auch den großen Angelegenheiten des Lebens gegenüber. Den kleinen Angelegenheiten des Lebens gegenüber, da haben wir es; denn wenn ich hier hinausgehe zur Tür, und Mr. K. begegnet mir draußen, habe ich ein unbewußtes Vertrauen, daß er nicht auf mich loskommt und mich niederstößt, i

Maar hier moet je niet slechts weten dat er iets gedaan moet worden, maar *wat* er gedaan moet worden. Binnen de specifieke, concrete situatie moet je zelf ontdekken wat er moet gebeuren. De ziel zelf moet dit onthullen. Een vaag geweten moet zich ontwikkelen tot een individuele morele intuïtie. Dit betekent vrij worden als mens – het betekent uitsluitend vertrouwen op wat in de mens zelf ligt.
Sommige mensen namen hier groot aanstoot aan, in de veronderstelling dat dit betekende dat alle morele en maatschappelijke kwesties werden overgelaten aan de willekeur van het individu. Dat is niet het geval; integendeel, het wordt geplaatst op het enige fundament dat het maatschappelijk leven kan dragen – namelijk het fundament van vertrouwen. We moeten dit vertrouwen ook kunnen ontwikkelen met betrekking tot de grote levenszaken. Wat de kleine zaken van het leven betreft, bezitten we dit al; want als ik door die deur naar buiten loop en buiten de heer K. tegenkom, heb ik een onbewust vertrouwen dat hij niet op mij af zal stormen en mij omver zal lopen 

Blz. 226

indem er gerade seinen Weg geht; ich richte mich selber nach diesem Vertrauen ein und wir weichen einander gegenseitig aus, damit wir uns nicht stoßen.
Das tun wir in den kleinen Details des Lebens. Das ist etwas, was, wenn sich der freie Mensch richtig versteht, überall in allen Angelegenheiten des Lebens
angewandt werden kann. Aber es ist notwendig, daß Vertrauen herrscht von Mensch zu Mensch. In diesem Vertrauen – was ein goldenes Wort ist -, in der Erziehung zu diesem Vertrauen, zu dem Glauben an den einzelnen Menschen, nicht bloß an die Nation oder an die Menschheit, in dieser Erziehung zu dem Glauben an den einzelnen Menschen liegt dasjenige, was allein Impuls sein kann für das soziale Leben der Zukunft; denn von dem einzelnen Menschen zur Gemeinschaft führt auf der einen Seite nur dieses Vertrauen.
Und die andere Basis ist diese: wir müssen, wenn niemand dasteht, der uns zwingt, irgend etwas zu tun, den Antrieb in uns selber finden.
Auch den Gefühls-, den Gemüts-, den Seelenantrieb müssen wir in uns
selber finden.

terwijl hij zijn eigen weg gaat; ik gedraag me op basis van dit vertrouwen en we gaan voor elkaar opzij om een ​​botsing te voorkomen. We doen dit in de kleine details van het leven. Dit is iets wat – mits het vrije individu zichzelf werkelijk begrijpt – overal kan worden toegepast, in alle levensverhoudingen. Toch is het essentieel dat er vertrouwen heerst tussen mensen. In dit vertrouwen – een werkelijk gouden woord – en in het koesteren van dit vertrouwen (het vertrouwen in het individuele mens, veeleer dan louter in de natie of de mensheid) ligt precies datgene wat als enige impuls kan dienen voor het sociale leven van de toekomst; want dit vertrouwen is de enige weg die van het individu naar de gemeenschap leidt.
En de andere grondslag is deze: wanneer er niemand is die ons dwingt iets te doen, moeten we de drijvende kracht in onszelf vinden. We moeten die impuls – vanuit het gevoel, het hart, de ziel – in onszelf vinden.

Was heißt das? Wenn ich früher Priester gewesen bin, so wußte ich, wie ich eingeordnet bin in das soziale Leben. Ich brauchte da nicht gerade in ein Buch hineinzuschauen, aber ich habe gewußt: So habe ich mich zu verhalten. Hatte ich das Ordenskleid an, so wußte ich, indem ich das Ordenskleid anhabe, das legt mir ganz bestimmte Pflichten auf.
Hatte ich den Adelsdegen, so wußte ich, daß der Adel meine Menschlichkeit bestimmt. Ich war gerichtet, ich war geordnet im sozialen Leben. War ich Bürger, war das ebenso.
Das ist etwas, was, man kann es nun tadeln oder loben, darauf kommt es nicht an, in dem gegenwärtigen Augenblick der Menschheit wegfällt. Sie können noch so viele Menschen finden, die das alles wieder zurückhaben möchten, die Weltgeschichte sagt eben anderes. Da nützt es nichts, abstrakte Programme aufzustellen für allerlei Gemeinschaften, da nützt es nur, die Weltgeschichte sich anzuschauen.
Und da kommen wir zu der Frage: Was soll jetzt der Gefühlsimpuls werden für dasjenige, was soziales Handeln ist, wenn nicht mehr die Priestertugend, nicht mehr die Bürgertugend, nicht mehr die Adelstugend, die Tugend des vierten Standes von hinten treibt?

Wat betekent dit? Als ik in het verleden priester was, wist ik hoe ik in het maatschappelijk leven stond. Ik hoefde niet per se een boek te raadplegen; ik wist simpelweg: zo moet ik mij gedragen. Als ik het religieuze gewaad droeg, wist ik dat dit dragen specifieke verplichtingen met zich meebracht.
Als ik het zwaard van de adel droeg, wist ik dat mijn adellijke status mijn menszijn bepaalde. Ik wist waar ik stond; ik had een vaste plek in het maatschappelijk leven.
Als ik burger was, gold hetzelfde.
Dit is iets – of je het nu prijst of bekritiseert, doet er niet toe – dat in het huidige tijdperk van de menselijke geschiedenis aan het verdwijnen is.
Je kan talloze mensen vinden die dit alles graag terug zouden zien, maar de wereldgeschiedenis vertelt een ander verhaal. Het heeft geen zin om abstracte programma’s op te stellen voor allerlei gemeenschappen; het enige dat helpt, is kijken naar de wereldgeschiedenis.
En dit brengt ons bij de vraag: wat wordt nu de emotionele impuls die maatschappelijk handelen drijft, als priesterdeugd, burgerdeugd, adelsdeugd en de deugd van de vierde stand niet langer die stuwende kracht vanuit de achtergrond leveren?

Blz. 227

Es kann nur das werden: wenn wir zu dem, was wir zu tun haben, namentlich gegenüber anderen Menschen, ein solches Vertrauen fassen können, wie wir es zu einem Menschen fassen, wenn wir ihn lieben.
Frei sein heißt: in Handlungen sich ausleben, die man liebt.
Vertrauen ist das eine goldene Wort, das in der Zukunft das soziale Leben beherrschen muß. Liebe zu dem, was man zu tun hat, ist das andere goldene Wort. Und in der Zukunft werden diejenigen Handlungen sozial gut sein, die aus allgemeiner Menschenliebe gemacht werden.
Aber man muß diese allgemeine Menschenliebe erst verstehen lernen. Man muß sich nicht in bequemer Weise einreden, sie ist schon da.
Sie ist eben nicht da. Und je mehr man sich sagt: sie ist nicht da, desto besser ist es. Denn diese allgemeine Menschenliebe, die muß eben die Liebe zu Taten sein, die muß aktiv werden, die muß sich in Freiheit ausleben können. Dann wird sie aber allmählich aus einem Urteil des häuslichen Herdes oder der Kirchturmnähe zu einem Universellen, zu einem Welturteil

Dit kan alleen werkelijkheid worden als we hetzelfde vertrouwen kunnen stellen in de taken die we moeten verrichten – vooral die waarbij andere mensen betrokken zijn – als in een persoon van wie we houden. Vrij zijn betekent vervulling vinden in handelingen waar men van houdt. Vertrouwen is het ene gouden woord dat in de toekomst richtinggevend moet zijn voor het maatschappelijk leven. Liefde voor het werk dat men moet doen, is het andere gouden woord. En in de toekomst zullen die handelingen maatschappelijk goed zijn die voortkomen uit een universele liefde voor de mensheid.
Je moet echter eerst leren begrijpen wat die universele liefde voor de mensheid inhoudt. Je mag jezelf niet op zelfvoldane wijze wijsmaken dat deze al bestaat.
Het feit is dat ze niet bestaat. En hoe meer je erkent dat ze er niet is, des te beter. Want deze universele liefde voor de mensheid moet een liefde zijn die zich in daden uitdrukt; ze moet actief worden en haar vervulling vinden in vrijheid. Dan zal ze zich geleidelijk ontwikkelen van een opvatting die geworteld is in de huiselijke kring of de directe lokale gemeenschap, tot iets universeels – een opvatting met een wereldwijde reikwijdte.

Und nun frage ich Sie von diesem Gesichtspunkte aus: Wie stellt sich ein solches Welturteil zum Beispiel zu dem, was jetzt als, ich möchte sagen, die furchtbarste Illustration des sozialen Chaos herzzerbrechend zu uns spricht, zu der furchtbaren Not in Osteuropa, in Rußland? Wie stellt es sich dazu?
Da handelt es sich darum, einer solchen Angelegenheit gegenüber die richtige Frage zu stellen. Und die richtige Frage ist diese: Gibt es heute auf der Erde – und die Erde muß hier angezogen werden, denn wir haben seit dem letzten Drittel des 19. Jahrhunderts nicht mehr Nationalwirtschaft, sondern Weltwirtschaft, das ist das Wichtige, was im sozialen Leben zu beachten ist -, gibt es heute auf der Erde zuwenig Nahrungsmittel für die gesamte Menschheit? Das wird niemand bejahen. Es gibt nicht zuwenig Nahrungsmittel auf der Erde für die gesamte Menschheit! Mag einmal die Zeit kommen, dann müssen die Menschen aus ihrem Genius heraus andere Mittel finden. Heute müssen wir noch sagen: Wenn an einem Fleck der Erde unzählbare Menschen hungern, dann sind es die menschlichen Einrichtungen der letzten Jahrzehnte, die das bewirkt haben. Denn dann sind diese menschlichen Einrichtungen nicht so, daß auf den hungernden Fleck der Erde in der richtigen Zeit die richtigen Nahrungsmittel hinkommen.

En nu vraag ik u, vanuit dit gezichtspunt: hoe verhoudt zo’n mondiaal oordeel zich bijvoorbeeld tot wat ons nu zo aangrijpend treft als – ik zou bijna zeggen – het meest verschrikkelijke voorbeeld van maatschappelijke chaos: de vreselijke nood in Oost-Europa, in Rusland? Hoe verhoudt het zich daartoe?
Het gaat er hier om de juiste vraag te stellen met betrekking tot een dergelijke kwestie. En de juiste vraag luidt: is er vandaag de dag op aarde – en de aarde moet hierbij in beschouwing worden genomen, want sinds het laatste derde deel van de 19e eeuw hebben we niet meer te maken met een nationale economie, maar met een wereldeconomie; dat is de cruciale factor die in het maatschappelijk leven onderkend moet worden – is er vandaag de dag op aarde te weinig voedsel voor de gehele mensheid? Niemand zou die vraag bevestigend beantwoorden. Er is op aarde geen tekort aan voedsel voor de gehele mensheid! Er kan een tijd komen waarin dat verandert, en dan zullen mensen door hun eigen vindingrijkheid andere wegen moeten vinden. Maar vandaag de dag moeten we nog steeds zeggen: als talloze mensen in een bepaald deel van de wereld honger lijden, dan zijn het de menselijke instellingen van de afgelopen decennia die dit hebben veroorzaakt. Want die menselijke instellingen zijn niet zodanig ingericht dat het juiste voedsel op het juiste moment dat hongerlijdende gebied op aarde bereikt.

Blz. 228

Es kommt darauf an, wie die Menschen auf der Erde diese Nahrungsmittel im
richtigen Augenblick in der richtigen Weise verteilen.
Was ist geschehen? In einem historischen Augenblicke ist in Rußland ein großes Gebiet der Erde durch eine aus reinem Intellektualismus, aus reiner Abstraktion geborenen Fortsetzung des Zarentums abgeschlossen worden von der Welt, eingesperrt worden. Ein für ein großes, aber doch für ein Territorium sich festlegendes Nationalgefühl hat Rußland abgesperrt von der Welt und verhindert, daß jene sozialen Einrichtungen über die Erde hin herrschen, die es möglich machen, daß, wenn einmal die Natur an einem Orte versagt, die Natur an einem anderen Orte durch Menschenhände in ausgiebiger Weise eingreifen kann.
Es müssen die Blicke, die heute das soziale Elend schauen, wenn man den richtigen Gesichtspunkt hat, dahin führen, daß die Menschen «mea culpa» sagen, daß jeder Mensch «mea culpa» sagt. Denn daß der einzelne Mensch als Individualität sich fühlt, schließt nicht das aus, daß er auch mit der ganzen Menschheit sich verbunden fühlt. Man hat in der Menschheitsentwickelung nicht das Recht, sich als Individualität zu fühlen, wenn man sich nicht zu gleicher Zeit als Angehöriger der ganzen Menschheit fühlt.

Het hangt ervan af hoe de mensen op aarde deze voedingsmiddelen verdelen – op het juiste moment en op de juiste wijze. Wat is er gebeurd? Op een cruciaal moment in de geschiedenis werd een uitgestrekt deel van de aarde – Rusland – van de rest van de wereld afgesneden en afgegrendeld door een voortzetting van het tsaristische regime, dat voortkwam uit louter intellectualisme en louter abstractie. Een besef van nationale identiteit – weliswaar van betekenis, maar ook gefixeerd op een specifiek grondgebied – isoleerde Rusland van de wereld. Dit verhinderde de totstandkoming van wereldwijde maatschappelijke structuren die het mogelijk zouden maken dat menselijk ingrijpen op de ene plek doeltreffend compenseert wanneer de natuur op een andere plek tekortschiet. Vanuit het juiste perspectief bezien, moet de aanblik van de huidige maatschappelijke ellende mensen ertoe aanzetten “mea culpa” te zeggen – ieder individu ertoe brengen “mea culpa” te zeggen. Want het feit dat iemand zichzelf als individu ervaart, sluit niet uit dat hij zich ook verbonden voelt met de mensheid als geheel.
In de loop van de menselijke evolutie heeft men niet het recht zichzelf als individu te beschouwen zonder zich tegelijkertijd als lid van de mensheid als geheel te voelen.

Das ist, ich möchte sagen, der Grundton, die Grundnote, die aus einer jeden Philosophie der Freiheit kommen muß, die den Menschen in einer ganz anderen Art hineinstellen muß in die soziale Ordnung.
Die Fragen werden dann ganz anders.
Was ist alles gefragt worden in sozialer Beziehung in den letzten  Jahrhunderten, namentlich im 19. Jahrhundert, und was ist aus diesen Fragen, die zuerst aufgetaucht sind in den höheren Ständen, bei dem Millionenproletariat geworden? Warum ist das Millionenproletariat heute auf Abwegen nach der Ansicht vieler? Weil es falsche Lehren angenommen hat von den höheren Ständen. Es war der Schüler der höheren Stände; das Proletariat hat diese Lehren nicht selber geprägt.
Worauf es ankommt, ist, daß man einmal klar sieht. Die Leute haben gesagt: Der Mensch ist das Produkt der Verhältnisse; wie die sozialen Verhältnisse, die sozialen Einrichtungen ringsherum sind, so ist der Mensch. Andere haben gesagt: Die sozialen Verhältnisse sind so, wie die Menschen sie sich gemacht haben

Dit is – zo zou je kunnen zeggen – de grondtoon, de leidende toon, die moet voortkomen uit elke filosofie van de vrijheid – een filosofie die de mens op een geheel andere wijze binnen de maatschappelijke orde moet plaatsen. De vraagstukken krijgen daardoor een totaal ander karakter.
Denk aan de vragen die de afgelopen eeuwen – en dan vooral de negentiende – rond maatschappelijke kwesties zijn opgeworpen, en aan wat er met die vragen (die aanvankelijk in de hogere klassen ontstonden) gebeurde toen ze het miljoenen tellende proletariaat bereikten. Waarom is dit enorme proletariaat volgens velen vandaag de dag op een dwaalspoor geraakt? Omdat het verkeerde opvattingen van de hogere klassen heeft overgenomen. Het was de leerling van de hogere klassen; het proletariaat heeft deze opvattingen niet zelf voortgebracht.
Waar het om gaat, is dat we de zaken helder zien. Men heeft gezegd: de mens is het product van de omstandigheden; het individu wordt gevormd door de maatschappelijke verhoudingen en instellingen waarin het leeft. Anderen hebben gezegd: de maatschappelijke verhoudingen zijn wat de mensen ervan hebben gemaakt.

Blz. 229

Alle diese Lehren sind ungefähr so klug, als wenn jemand sagt oder fragt: Ist der physische Mensch das Produkt seines Kopfes oder das Produkt seines Magens?
Der physische Mensch ist eben weder das Produkt seines Kopfes noch das Produkt seines Magens, sondern das Produkt der fortwährenden Wechselwirkung zwischen Kopf und Magen. Die müssen immer zusammenwirken. Der Kopf ist Ursache und Wirkung; der Magen ist
Ursache und Wirkung. Und wenn wir tiefer eingehen auf die menschliche Organisation, so finden wir sogar, daß der Magen vom Kopf gemacht wird; denn im embryonalen Leben entsteht zuerst der Kopf, und dann bildet sich erst der Magen; und dann wiederum macht der Magen den Organismus. So müssen wir nicht fragen: Sind die Verhältnisse, das Milieu die Ursache, daß die Menschen so und so sind? Oder sind es die Menschen, die das Milieu, die Verhältnisse gemacht haben? Wir müssen uns klar sein, daß jedes Ursache und Wirkung ist,
daß alles ineinanderwirkt, und daß wir vor allen Dingen heute die Frage auf werfen müssen: Was für Einrichtungen müssen da sein, damit die Menschen die richtigen Gedanken haben können in sozialer Beziehung? Und was für Gedanken müssen da sein, damit im Denken auch diese richtigen sozialen Einrichtungen entstehen?

Al deze opvattingen zijn ongeveer net zo zinvol als de vraag: is de fysieke mens het product van zijn hoofd of van zijn maag? De fysieke mens is in feite noch het product van het hoofd, noch dat van de maag, maar veeleer het resultaat van de voortdurende wisselwerking tussen hoofd en maag. Ze moeten altijd samenwerken. Het hoofd is zowel oorzaak als gevolg; de maag is zowel oorzaak als gevolg. En als we dieper ingaan op de menselijke constitutie, zien we zelfs dat de maag door het hoofd wordt voortgebracht; want in het embryonale stadium ontwikkelt het hoofd zich als eerste en vormt de maag zich pas daarna – waarna de maag op haar beurt het organisme vormgeeft. We moeten ons dus niet afvragen: zijn de omstandigheden – de omgeving – de oorzaak van hoe mensen zijn? Of zijn het de mensen zelf die die omgeving en die omstandigheden hebben gecreëerd? We moeten goed begrijpen dat alles zowel oorzaak als gevolg is, dat alles met elkaar in wisselwerking staat en dat we ons vandaag de dag vooral de vraag moeten stellen: wat voor soort instellingen zijn er nodig zodat mensen zich de juiste gedachten kunnen vormen over maatschappelijke verhoudingen? En wat voor soort gedachten zijn er nodig opdat deze juiste maatschappelijke instellingen uit ons denken kunnen voortkomen?

Die Menschen haben nämlich gerade, wenn es auf das äußere praktische Leben ankommt, die Ansicht: Erst kommt dieses, dann kommt dieses. Damit kommt man in der Welt nicht vorwärts. Man kommt nur vorwärts, wenn man im Kreise denkt. Da denken aber die meisten Menschen: Da geht einem ein Mühlrad im Kopfe herum. Das können sie nicht. Man muß im Kreise denken; man muß sich denken, wenn man die äußeren Verhältnisse anschaut, sie sind vom Menschen gemacht, aber sie machen auch die Menschen; oder wenn man die menschlichen
Handlungen anschaut, sie machen die äußeren Verhältnisse, aber werden auch wiederum getragen von den äußeren Verhältnissen. Und so müssen wir fortwährend mit unseren Gedanken hin- und hertanzen, wenn wir die Wirklichkeit haben wollen. Und das wollen die Menschen nicht. Die Menschen möchten, wenn sie irgend etwas anordnen, vor allen Dingen ein Programm: Erstens, zweitens, drittens bis zwölftens meinetwegen, und zwölf ist das letzte und eins ist das erste.

Wat het praktische, uiterlijke leven betreft, zijn mensen geneigd te denken dat de dingen een lineair verloop volgen: eerst gebeurt dit, dan dat. Op die manier kom je in de wereld niet ver. Je boekt alleen vooruitgang als je in cirkels denkt. Wanneer mensen echter met het idee van cirkelvormig denken worden geconfronteerd, stellen ze zich vaak een ronddraaiend molenrad in hun hoofd voor – iets waartoe ze naar hun gevoel niet in staat zijn. Toch *moet* men in cirkels denken; men moet beseffen dat uiterlijke omstandigheden weliswaar door mensen worden gecreëerd, maar op hun beurt ook de mens vormen; of – kijkend naar menselijk handelen – dat dit handelen weliswaar uiterlijke omstandigheden schept, maar zelf weer door diezelfde omstandigheden in stand wordt gehouden. We moeten onze gedachten voortdurend op deze manier heen en weer laten dansen als we de werkelijkheid willen doorgronden. En dat is precies wat mensen niet willen. Bij het opzetten van iets willen ze vooral een programma: eerst, tweede, derde – tot aan de twaalfde stap, laten we zeggen – waarbij twaalf de laatste stap is en één de eerste.

Blz. 230

Aber das ist leblos. Denn jedes Programm muß so sein, daß man es auch umkehren kann, daß man auch bei zwölf anfangen kann bis eins zurück,
geradeso wie der Magen den Organismus ernährt, und wenn die Nerven, die unter dem kleinen Gehirn liegen, nicht ordentlich sind, kann nicht ordentlich geatmet werden. Geradeso wie das sich umkehrt im Leben, so hat man auch im sozialen Leben hinzuschauen darauf, daß alles sich umkehrt.
Und so hat mein Buch: «Die Kernpunkte der sozialen Frage» aus den sozialen Verhältnissen heraus Leser voraussetzen müssen, welche mit ihren Gedanken sich umkehren können. Aber das wollen die Menschen nicht, sie wollen vom Anfang bis Ende lesen und dann wissen: Jetzt haben sie das Ende erreicht. Daß das Ende der Anfang ist, darauf wollen sie nicht eingehen. Und so war das das ärgste Mißverständnis dieses sozial gemeinten Buches, daß man es falsch gelesen hat. Und man fährt fort, es falsch zu lesen. Man will sich nicht mit den Gedanken dem Leben anpassen, sondern man will, daß das Leben sich dem Denken anpasse. Das ist aber ganz und gar nicht die Voraussetzung der sozialen Einrichtungen, die diesen Darstellungen zugrunde liegen. Ich werde
dies dann gleich im nächsten Teile fortsetzen.

Maar dat leeft niet. Want elk programma moet zo zijn opgezet dat het ook kan worden omgekeerd – dat men bij twaalf kan beginnen en terug kan tellen naar één – net zoals de maag het organisme voedt; als de zenuwen onder de kleine hersenen niet goed functioneren, kan de ademhaling niet correct verlopen. Zoals deze omkering in het leven plaatsvindt, zo moet men ook in het maatschappelijk leven inzien dat alles omkeerbaar moet kunnen zijn.
En daarom moest mijn boek *De kernpunten van de sociale vraag* – dat voortkwam uit maatschappelijke verhoudingen – uitgaan van lezers die in staat waren hun gedachtegang om te keren. Maar mensen willen dat niet; ze willen van begin tot eind lezen en dan het gevoel hebben dat ze bij de conclusie zijn aangekomen. Ze willen niet begrijpen dat het einde het begin is. Het gevolg was dat het grootste misverstand rond dit boek – dat bedoeld was om maatschappelijke vraagstukken te behandelen – erin bestond dat het verkeerd werd gelezen. En men blijft het verkeerd lezen. Men wil het eigen denken niet aan het leven aanpassen; men wil juist dat het leven zich aan het eigen denken aanpast. Dat is echter geenszins het uitgangspunt van de hier beschreven maatschappelijke ordening. Hierop zal ik in het volgende gedeelte nader ingaan.

Meine Damen und Herren, als die Dreigliederung des sozialen Organismus anfing etwas besprochen zu werden unter den Menschen, da konnte ich ein merkwürdiges Urteil hören. Die Dreigliederung wirft ihren Blick auf die drei Strömungen im sozialen Leben, die ich in diesen Tagen charakterisiert habe, auf das Geistesleben als solches, wie es heute besteht als Erbschaft der Theokratie; denn alles geistige Leben ist zum Schluß zurückzuführen auf dasjenige, was in den Theokratien zunächst als Ursache gelegen hat. Zweitens auf dasjenige, was ich juristisch-staatliches Leben nenne; drittens auf dasjenige, was ökonomisches, wirtschaftliches Leben zu nennen ist. Als der Blick auf die drei Ideen der Dreigliederung, den Impuls der Dreigliederung geworfen wurde, da kamen zunächst diejenigen Menschen, die vielleicht mit ihrem Körper ganz gut in der Welt drinnenstehen, vielleicht sogar Fabrikanten sind in ihrem äußeren Leben, Pastoren sind in ihrem äußeren Leben, also mit ihrer Leiblichkeit irgendwo im äußeren Leben lokalisiert sind, sie kamen und sie dozierten nun:

Dames en heren, toen men voor het eerst begon te spreken over de drieledigheid van het sociale organisme, hoorde ik een opmerkelijk oordeel uitspreken. Dit concept van drieledigheid richt zich op de drie stromingen van het maatschappelijk leven die ik de afgelopen dagen heb gekarakteriseerd: ten eerste op het geestelijk leven als zodanig – dat vandaag de dag voortbestaat als een erfenis van de theocratie, aangezien al het geestelijk leven uiteindelijk kan worden herleid tot de oorspronkelijke oorzaken in theocratieën; ten tweede op wat ik de rechts-politieke sfeer noem; en ten derde op wat de economische sfeer wordt genoemd. Toen de aandacht op deze drie ideeën werd gevestigd – op de impuls van de drieledigheid – traden er bepaalde mensen naar voren: individuen die wellicht stevig verankerd waren in de materiële wereld – fabriekseigenaren of geestelijken in hun uiterlijke leven, mensen wier fysieke bestaan ​​in de uiterlijke sfeer was geworteld – en zij begonnen hun betoog:

Blz. 231

Ach ja, nun können wir froh sein, nun taucht eine neue Idee auf, die endlich wieder die alte grandiose Plato-Idee zur Geltung bringt, denn es ist ja nur ein Aufwärmen desjenigen, was Plato als Gliederung der Menschen hingestellt hat in Nährstand, Wehrstand, Lehrstand. Da haben wir den alten Plato wiederum zu Ehren gebracht.
Nun, meine Damen und Herren, ich hatte nichts anderes zu sagen, als: Für all jene Menschen, die zunächst, wenn eine neue Idee auftaucht, in die Bibliothek gehen und nachschauen, wo die registriert ist, mag das so sein; für denjenigen, der die Dreigliederung versteht, ist die Dreigliederung das Gegenteil von dem, was Plato geschildert hat als Nährstand, Wehrstand und Lehrstand, das genaue Gegenteil. Und zwar, weil Plato so und so viel Jahre vor dem Mysterium von Golgatha gelebt hat. Für die damalige Zeit war die Gliederung im Nährstand,
Lehrstand und Wehrstand richtig; heute sie wiederum auffrischen zu
wollen, ist absurd.

We kunnen ons nu wel verheugen over het opkomen van een nieuw idee – een idee dat het oude, grootse platonische concept eindelijk weer in ere herstelt – maar in feite is het slechts een herhaling van de door Plato voorgestelde indeling: de klasse van de voortbrengers, de klasse van de verdedigers en de klasse van de leraren. Op die manier hebben we de oude Plato opnieuw eer bewezen.
Dames en heren, ik wil hier slechts dit over zeggen: voor wie bij het opkomen van een nieuw idee onmiddellijk naar de bibliotheek snelt om te zien waar het is gecatalogiseerd, mag die opvatting juist lijken; maar voor iedereen die de drieledige sociale orde begrijpt, is dat concept precies het tegenovergestelde van wat Plato beschreef – lijnrecht het tegenovergestelde. En de reden daarvoor is simpelweg dat Plato zoveel jaren vóór het Mysterie van Golgotha ​​leefde. Voor dat tijdperk was de indeling in voortbrengers, leraren en verdedigers juist; pogingen om die vandaag de dag nieuw leven in te blazen, zijn absurd.

Denn bei der Dreigliederung des sozialen Organismus handelt es sich nicht darum, daß hier wiederum die Menschen gegliedert werden, so daß einer drinnensteckt in dem Lehrstand, der andere in dem Wehrstand, in dem juristischen und Kriegerstand, der andere drinnensteckt in dem Nährstand, sondern es handelt sich um Einrichtungen, um Institutionen, in denen abwechselnd jeder drinnen sein kann, weil wir es in der neueren Zeit mit Menschen zu tun haben, und nicht mit Ständen. So daß es sich darum handelt, daß eine Institution da ist, in welcher universell das geistige Leben des Menschen gepflegt wird, das lediglich auf die Fähigkeiten der Individualitäten
gebaut sein muß; daß zweitens da ist die staatlich-juristische Institution in ihrer Selbständigkeit, ohne Intentionen, die anderen Glieder des sozialen Organismus zu verschlingen, und daß drittens da ist eine Institution, die rein wirtschaftlich ist. Die staatlich-juristische wird es zu tun haben mit all dem, was der einzelne Mensch mit dem anderen abzumachen hat, was von Mensch zu Mensch festzusetzen ist.
Im geistigen Leben kann nicht jeder ein Urteil haben; im geistigen Leben kann jeder nur das Urteil haben, zu dem er befähigt ist. Da muß alles aus der Individualität herauskommen.

Bij de driegeleding van het sociale organisme gaat het niet om het indelen van mensen in vaste categorieën – zoals de ene persoon die tot de onderwijssfeer behoort, de andere tot de rechts- en legersfeer en een derde tot de economische sfeer. Het gaat veeleer om structuren en instellingen waaraan ieder op verschillende momenten kan deelnemen, aangezien we in de moderne tijd te maken hebben met individuele mensen en niet met starre maatschappelijke standen. Het doel is een instelling waarin het geestelijk leven van de mensheid op universele wijze wordt gecultiveerd – een leven dat uitsluitend moet rusten op de vermogens van individuele persoonlijkheden; ten tweede een onafhankelijke staatsrechtelijke instelling die niet de intentie heeft de andere sferen van het sociale organisme op te slokken; en ten derde een instelling die van zuiver economische aard is.
De staatsrechtelijke sfeer zal zich bezighouden met alle zaken die individuen onderling moeten regelen – alles wat vastgelegd moet worden in de verhoudingen tussen mensen onderling.
Op het gebied van het geestelijk leven kan niet iedereen over elk onderwerp een mening hebben; in het geestelijke leven kan iedereen slechts het oordeel vellen waartoe hij in staat is. In deze sfeer moet alles voortkomen uit de individuele persoonlijkheid.

Blz. 232

Das geistige Leben muß auf die Individualitäten gebaut sein. Das geistige Leben macht notwendig, daß es ein in sich geschlossener, einheitlicher Körper ist. – Sie werden sagen: Das ist es nicht. – Aber ich werde gleich darauf zu sprechen kommen.
Das staatlich-juristische Leben macht es notwendig, daß die Menschen im Sinne der schon einmal heraufgekommenen Demokratie, wo der Mensch als Mensch Gelegenheit hat, von Mensch zu Mensch sich verständigen zu können über dasjenige, worüber jeder Mensch ein Urteil haben muß, worüber es nicht Sach- und Fachkenntnis gibt, sondern worüber jeder Mensch ein Urteil haben muß. Es gibt ein solches Gebiet des Lebens, das ist das Juristisch-Staatliche.
Und drittens das ökonomische Gebiet. Da zeigt sich, wie da alles nicht von dem einzelnen Urteil ausgehen kann – das Urteil des einzelnen ist gleichgültig, denn es kann niemals richtig sein -, sondern von den Assoziationen, von den Gemeinschaften der Menschen, die aus dem Zusammenfluß ihrer Urteile ein gemeinschaftliches Urteil heraus zustande bringen. Nicht darauf kommt es an, daß man sagt, man solle den Staat oder sonst irgendeine Gemeinschaft in drei Glieder teilen, sondern darauf kommt es an, daß von diesen drei Gliedern jedes
dasjenige tun kann, was es tun soll, damit der soziale Organismus
richtig wirkt.

Het geestesleven moet gefundeerd zijn op individualiteiten. Het geestesleven vereist dat het een op zichzelf staand, samenhangend geheel vormt. — Je zou
kunnen zeggen: dat is niet het geval. — Maar daarop kom ik zo dadelijk terug.
De rechts-politieke sfeer vereist dat mensen handelen in de geest van de democratie die is ontstaan ​​— waarin de mens, als mens, de mogelijkheid heeft
om tot overeenstemming te komen met anderen over zaken waarover iedereen zich een oordeel moet vormen — zaken die niet afhangen van gespecialiseerde technische deskundigheid, maar waarover ieder individu een opvatting moet hebben. Er bestaat inderdaad zo’n levenssfeer: het rechts-politieke domein.
En ten derde: de economische sfeer. Hier zien we dat de zaken niet kunnen uitgaan van het individuele oordeel — het oordeel van het individu doet er niet toe, want het kan nooit juist zijn — maar veeleer van associaties, van gemeenschappen van mensen die, door het samenbrengen van hun oordelen, tot een gezamenlijk oordeel komen.
Het gaat er niet simpelweg om voor te stellen de staat — of welke gemeenschap dan ook — in drie delen te splitsen; het cruciale punt is dat elk van deze drie delen zijn eigenlijke functie kan vervullen, zodat het sociale organisme
goed kan functioneren.

Mit der Denkweise, die ich hier vertrete, meine Damen und Herren, kann man drinnenstehen in der Welt. Man kann unter Umständen – ich will jetzt nur hypothetisch das anführen -, man kann aus seinen Fähigkeiten heraus das oder jenes wollen, man kann vielleicht sogar die Geschicklichkeit, die Technik dazu haben, das oder jenes zu wollen; aber dasjenige, was man selber als Mensch tut, wird ja weiter getan durch andere Menschen. Ich handle; darauf kommt etwas an, aber nicht alles und nicht die Hauptsache. Es kommt darauf an, daß meine Handlung von dem anderen verständig weitergeführt wird, daß sie weiter von einem dritten, vierten, xten geführt wird. Dazu muß aber der soziale Organismus so geführt werden, daß die Spuren meiner Handlung nicht verschwinden. Sonst tue ich etwas in Oxford; es wird weiter getan, weiter getan; aber in Whitechapel ist keine Spur mehr davon vorhanden. Dann sehen wir nur das äußere Symptom, dann sehen wir nur, daß dort Elend ist.

Met de denkwijze die ik hier uiteenzet, dames en heren, kan je midden in de wereld staan. Je kan — ik noem dit slechts hypothetisch — dit of dat willen doen
op grond van eigen vermogens; je kan wellicht zelfs beschikken over de vaardigheid en de techniek om dergelijke doelen na te streven; toch wordt datgene wat je als individu doet, voortgezet door andere mensen. Ik handel; dat is zeker van belang, maar het is niet alles, en evenmin de hoofdzaak. Waar het om gaat, is dat mijn handeling op intelligente wijze door een ander wordt voortgezet, dat ze wordt doorgegeven door een derde, een vierde, een -tigste persoon.
Wil dit echter kunnen gebeuren, dan moet het sociale organisme zo worden bestuurd dat de sporen van mijn handeling niet verloren gaan.
Anders zou ik iets in Oxford kunnen doen — het wordt voortgezet en voortgezet — maar in Whitechapel blijft er geen spoor van over.
Dan zien we slechts het uiterlijke symptoom; dan zien we alleen dat daar ellende bestaat.

Blz. 233

Das Elend muß aber hervorgehen, wenn die menschlichen Kräfte nicht in der richtigen Weise eingehen können in den sozialen Organismus.
Wir schauen nach Rußland – Elend. Warum? Weil die sozialen Kräfte nicht richtig eingreifen können in den sozialen Organismus; weil der soziale Organismus nicht in der richtigen Weise nach seinen naturgemäßen drei Gliedern gegliedert ist. Wenn ein sozialer Organismus so gegliedert ist, daß darinnen das Geistesleben frei auf die Individualitäten gestellt ist, daß ein juristisch-staatliches Leben da ist, welches alle die Angelegenheiten ordnet, wofür jeder Mensch kompetent ist, gleichgültig was er für einen Bildungsstand und so weiter hat, und wenn drittens ein selbständiges wirtschaftliches Leben da ist, das es nur zu tun hat mit Produktion, Warenkonsumtion und Zirkulation, dann ist dieser Organismus so gegliedert, daß die einzelne Handlung, die einer tun kann, wirklich so durchfließt durch den sozialen Organismus, wie das Blut durch den Menschen durchfließt.
Ja, das kann man aus einer wirklichen realen Welterkenntnis heraus. Aber aus einer solchen realen Welterkenntnis heraus müssen es auch die Menschen verstehen.

Er zal echter onvermijdelijk ellende ontstaan wanneer menselijke krachten niet op de juiste wijze het sociale organisme kunnen binnentreden.
We kijken naar Rusland – ellende. Waarom? Omdat sociale krachten niet op de juiste manier kunnen ingrijpen in het sociale organisme; omdat het sociale organisme niet op de juiste wijze is gestructureerd volgens zijn natuurlijke drieledigheid. Wanneer een sociaal organisme zo is gestructureerd dat het geestesleven wordt overgelaten aan de vrijheid van de individuen daarbinnen,
dat er een rechts- en staatssfeer bestaat die alle zaken regelt waartoe ieder mens bekwaam is – ongeacht opleidingsniveau of dergelijke – en wanneer er ten derde sprake is van een zelfstandig economisch leven dat zich uitsluitend richt op productie, consumptie van goederen en circulatie, dan is dit organisme zodanig gestructureerd dat het individuele handelen van een mens werkelijk door het sociale organisme stroomt, net zoals bloed door het menselijk lichaam stroomt.
Dit kan inderdaad worden begrepen vanuit een werkelijke kennis van de wereld.
Maar mensen moeten het ook gaan begrijpen op basis van een dergelijke werkelijke kennis van de wereld.

Wenn heute so etwas gesagt wird, und es kommt dann jemand und erklärt es theoretisch mit doktrinärem Marxismus und Intellektualismus, dann wird das natürlich gar nicht aufgefaßt, dann weiß man gar nicht, was der nun meint, der nun nicht an der Oberfläche bleibt und an der Oberfläche das Elend sieht, und sagt: Da kann man nichts bessern, man muß erst die Menschen in solche soziale Zusammenhänge hineinbringen, daß aus den Zusammenhängen der Menschen heraus das Elend verschwindet. Das ist es.
Und da müssen wir uns klar sein, allmählich hat das, was ursprünglich Theokratie war, vom Leben sich entfernt. Denn in denjenigen Stätten, wo die ursprünglichen Theokraten gelebt haben, da gab es keine Bibliotheken, da war nicht die Wissenschaft in Bibliotheken eingereiht; da setzte man sich nicht hin, wenn man sich vorbereitete, um eine Wissenschaft zu beherrschen, und studierte alte Bücher, sondern da lebte man mit dem lebendigen Wesen des Menschen. Da sah man den Menschen an. Da fragte man sich: Was ist da draußen mit dem Menschen zu tun.

Wanneer zoiets tegenwoordig wordt gezegd, en iemand komt aanzetten met een theoretische uitleg in termen van doctrinair marxisme en intellectualisme, komt de boodschap simpelweg niet over; men begrijpt niet wat de spreker bedoelt – iemand die weigert aan de oppervlakte te blijven en slechts de ellende daar te observeren, maar in plaats daarvan betoogt dat daar niets te verbeteren valt; men moet de mens integendeel in zodanige sociale verbanden plaatsen dat de ellende verdwijnt als gevolg van die menselijke verhoudingen zelf. Dat is de kern van de zaak.
En we moeten ons één ding goed realiseren: wat oorspronkelijk theocratie was, is gaandeweg losgeraakt van het leven zelf. Want op de plekken waar de oorspronkelijke theocraten leefden, waren geen bibliotheken; kennis werd niet in bibliotheken opgeslagen; men ging niet zitten studeren in oude boeken om zich een kennisbestand eigen te maken – men leefde in plaats daarvan in verbinding met de levende essentie van de mens. Men keek naar de mens. Men vroeg zich af: wat moet er daar buiten met de mens gebeuren?

Blz. 234

Die Bibliothek war die Welt. Man schaute nicht in Bücher, sondern auf die menschliche Physiognomie, man achtete auf menschliche Seelen, man las in ihnen; man schaute nicht in die Bücher hinein, sondern man schaute auf die Menschen. In die Bibliotheken ist allmählich unsere Wissenschaft hineingegangen oder sonst irgendwie aufgespeichert, vom Menschen getrennt.
Wir brauchen ein Geistesleben, das wiederum ganz in der Welt drinnensteht, wir brauchen ein Geistesleben, wo die Bücher aus dem Leben heraus geschrieben sind, ins Leben hinein wirken und nur Anregungen sind für das Leben, nur Mittel und Wege sein wollen für das Leben. Wir müssen aus der Bibliothek heraus. Wir müssen gerade im geistigen Leben in das Leben hinein. Und wir müssen ein Erziehungswesen haben, das nicht nach Regeln verfährt, das nach den Kindern verfährt, die real da sind, nach Menschenkenntnis; aus Menschenkenntnis heraus die Kinder kennenlernt und aus dem Kinde selbst herausliest, was zu tun ist jeden Tag, jede Woche, jedes Jahr.

De bibliotheek was de wereld. Men keek niet in boeken, maar naar de menselijke gelaatstrekken; men had oog voor menselijke zielen en las daarin; men keek niet in boeken, maar naar mensen. Gaandeweg is onze wetenschapsbeoefening naar bibliotheken verhuisd – of daar op andere wijze opgeslagen – en losgeraakt van de mens.
We hebben behoefte aan een geestesleven dat weer volledig in de wereld verankerd is; een geestesleven waarin boeken vanuit het leven zelf worden geschreven, op het leven inwerken en slechts als prikkel voor het leven dienen – als eenvoudige middelen en wegen om te leven. We moeten de bibliotheek verlaten. Op het gebied van de geest moeten we ons rechtstreeks in het leven begeven.
En we hebben een onderwijssysteem nodig dat niet volgens abstracte regels werkt, maar inspeelt op de werkelijk aanwezige kinderen – geleid door inzicht in de menselijke natuur; een systeem dat de kinderen door dat inzicht leert kennen en – vanuit het kind zelf – bepaalt wat er elke dag, elke week en elk jaar moet gebeuren.

Wir brauchen ein staatlich-juristisches Leben, in dem Mensch dem Menschen gegenübersteht, wo nur nach dem geurteilt wird, wozu eine berechtigte Kompetenz jeder einzelne hat, wie ich schon sagte, gleichgültig in welchem Beruf, in welcher sonstigen Situation er drinnensteht. Das gehört in das staatlich-juristische Leben hinein; was alle Menschen gleich macht.
Was wird dann in das geistige Leben hineinkommen, wenn das geistige Leben so aufgefaßt wird, wie ich es jetzt beschrieben habe? Vom wirtschaftlichen Leben wird von selbst nach und nach die Kapitalverwaltung in das geistige Leben hineinkommen. Schimpft man heute über den Kapitalismus – man kann ja nichts machen gegen den Kapitalismus, man braucht doch den Kapitalismus. Es handelt sich nicht darum, daß Kapital da ist, Kapitalismus da ist, sondern: welche sozialen Kräfte in dem Kapital und Kapitalismus wirken. Der Kapitalismus ist entstanden aus der geistigen Erfindungsgabe der Menschheit. Er ist schon aus dem Geistigen heraus entstanden durch Arbeitsteilung und
geistige Erkenntnis. Ich habe nur zur Illustration, weil ich keine Utopie geben wollte, in meinen «Kernpunkten» gesagt, wie etwa dieses Hinströmen des Kapitals zum geistigen Glied des sozialen Organismus geschehen könnte, indem derjenige, der zunächst Kapital erworben hat

We hebben een sfeer van staats- en rechtsleven nodig waarin de ene mens tegenover de andere staat en waarin oordelen uitsluitend gebaseerd zijn op zaken die binnen de legitieme bevoegdheid van elk individu vallen – ongeacht, zoals gezegd, het beroep of de situatie waarin zij zich bevinden. Dit behoort tot de sfeer van het staats- en rechtsleven: het domein dat alle mensen als gelijken behandelt.
Wat treedt er dan binnen in de sfeer van het geestelijk en cultureel leven, als we die sfeer opvatten zoals ik zojuist heb beschreven? Geleidelijk en op natuurlijke wijze zal het beheer van kapitaal verschuiven van de economische sfeer naar de geestelijk-culturele sfeer. Mensen geven vandaag de dag af op het kapitalisme, en toch kan er niets worden gedaan om het af te schaffen; het kapitalisme is essentieel. Het gaat niet om het loutere bestaan ​​van kapitaal of kapitalisme, maar om de aard van de maatschappelijke krachten die daarin werkzaam zijn. Het kapitalisme is voortgekomen uit het menselijk vermogen tot geestelijke vindingrijkheid; het is ontstaan ​​vanuit het domein van de geest, door middel van arbeidsdeling en geestelijk inzicht. Louter ter illustratie – en zonder de pretentie een utopie te schetsen – heb ik in mijn boek *De kernpunten* uiteengezet hoe kapitaal zou kunnen toevloeien naar het geestelijk-culturele deel van het sociale organisme: een individu dat kapitaal heeft verworven – 

Blz. 235

und dadurch Kapital arbeitend hat, und mit seiner eigenen Person bei dieser Arbeit des Kapitals dabei ist, indem der so, wie man es heute mit den Büchern macht, die nach dreißig Jahren an die Allgemeinheit übergehen, dafür sorgt, daß das Kapital an die Allgemeinheit übergeht.
Ich habe es nicht als einen utopischen Standpunkt aufgestellt, sondern gesagt, so könnte man vielleicht dazu kommen, dem Kapital diese Strömung zu geben, so daß es, statt daß es überall stockt, in die Blutzirkulation des sozialen Lebens hineinkomme. Alles das, was ich gesagt habe, ist gesagt als Illustration, sind nicht Dogmen, nicht utopische Begriffe, sondern ich wollte etwas anführen, was vielleicht durch die Assoziation geschehen wird.
Es kann vielleicht aber etwas ganz anderes geschehen. Derjenige, der lebensvoll denkt, setzt nicht Dogmen hin, die ausgeführt werden sollen, sondern rechnet mit Menschen, die aus ihrem Zusammenhang dasjenige herausbringen, was sozial ziel- und zweckvoll ist, wenn diese Menschen in der richtigen Weise in den sozialen Organismus hineingestellt sind. Überall ist gerechnet mit Menschen und nicht mit Dogmen.

en het aldus heeft aangewend terwijl hij persoonlijk bij dat proces betrokken bleef – zou ervoor zorgen dat het kapitaal overgaat naar de gemeenschap als geheel, vergelijkbaar met de manier waarop boeken tegenwoordig na dertig jaar in het publieke domein terechtkomen.
Ik heb dit niet naar voren gebracht als een utopisch standpunt; eerder suggereerde ik dat men er zo wellicht in zou kunnen slagen het
kapitaal zodanig te laten stromen dat het – in plaats van overal te stagneren –
in de bloedsomloop van het maatschappelijk leven terechtkomt. Alles wat ik
heb gezegd, was bedoeld als illustratie; het zijn geen dogma’s of utopische
concepten, maar voorbeelden van wat er door middel van associatie zou kunnen ontstaan.
Er kan echter ook iets heel anders gebeuren. Wie levend denkt, stelt geen dogma’s op die moeten worden uitgevoerd, maar vertrouwt erop dat mensen – vanuit hun eigen context – datgene voortbrengen wat maatschappelijk zinvol en doeltreffend is, mits zij op de juiste wijze in het maatschappelijk organisme zijn geplaatst. De nadruk ligt steeds op de mens, niet op dogma’s.

Aber ich habe es ja erleben müssen: Dasjenige, was eigentlich gemeint war mit den «Kernpunkten», ist gar nicht diskutiert worden. Dagegen haben die Leute gefragt: Wie wird man es dahin bringen, daß das Kapital sich nach so und so viel Jahren an den Fähigsten vererbt?
Und so weiter. Die Menschen wollen ja nichts Wirkliches, wollen nur Utopien. Das ist es aber, was gerade gegen die unbefangene Aufnahme eines solchen Impulses spricht, wie er in der Dreigliederung vorliegt.
Und so wird man sehen, wenn das juristisch-staatliche Leben in der richtigen Weise sich auswirken kann, daß dieses juristisch-staatliche Leben vor allen Dingen dann die Arbeit des Menschen einbezieht. Die Arbeit des Menschen steckt ja heute ganz im wirtschaftlichen Leben drinnen. Sie wird nicht behandelt als etwas, was von Mensch zu Mensch bestimmt wird. Ich habe etwa 1905 einen Aufsatz geschrieben über die soziale Frage, und habe da klarmachen wollen, daß unter unserer heutigen Arbeitsteilung Arbeit nur eine Ware wird, indem sie hineinfließt in den ganzen übrigen Organismus. Für uns selber hat in Wirklichkeit unsere Arbeit nur einen Scheinwert. Nur was die anderen für uns tun, hat einen Wert; während das, was wir tun, für die anderen einen Wert haben soll. Das ist etwas, was die Technik schon erreicht hat.

Toch moest ik het zelf vaststellen: juist datgene wat met de ‘kernpunten’ eigenlijk was beoogd, werd helemaal niet besproken. In plaats daarvan vroeg men: hoe kunnen we ervoor zorgen dat kapitaal na een bepaald aantal jaren overgaat op de meest bekwame personen? En dergelijke vragen meer. Men wil niets werkelijks; men wil slechts utopieën. En precies dat staat een open ontvangst in de weg van een impuls zoals die vervat ligt in de sociale driegeleding. Wanneer de rechts- en staatkundige sfeer op de juiste wijze tot werking komt, zal blijken dat deze sfeer bovenal de menselijke arbeid omvat. Tegenwoordig is menselijke arbeid volledig ingebed in het economisch leven; ze wordt niet behandeld als iets dat tussen mensen onderling wordt bepaald. Rond 1905 schreef ik een essay over de sociale kwestie, waarin ik duidelijk wilde maken dat arbeid – binnen onze huidige arbeidsverdeling – louter tot waar wordt wanneer deze in de rest van het sociale organisme vloeit. Voor ons persoonlijk heeft onze eigen arbeid eigenlijk slechts een schijnwaarde. Alleen wat anderen voor ons doen, heeft waarde – terwijl wat wij doen waarde zou moeten hebben voor anderen. Dat is iets wat de techniek reeds heeft bereikt.

Blz. 236

Das ist etwas, was die Technik schon erreicht hat. Nur sind wir mit unserer Moral noch nicht nachgekommen. Technisch, innerhalb der heutigen sozialen Ordnung, kann man nichts für sich machen, nicht einmal einen Rock. Sogar wenn man sich den Rock selber macht, so hat er einen solchen Preis, wie er ihn haben würde, wenn er innerhalb der ganzen sozialen Ordnung von einem anderen gemacht wird. Das heißt, was den Rock ins ökonomische hineinstellt, das ist universell, ist aus der Gemeinschaft heraus bestimmt. Es ist nur ein Scheingebilde, wenn man meint, der vom Schneider für sich selbst hergestellte Rock sei billiger. Man kann das ausrechnen mit Zahlen, da erscheint es billiger. Würde man es aber hineinstellen in eine Gesamtbilanz, so würde man sehen: Ebensowenig wie man aus seiner eigenen Haut herausfahren kann, ebensowenig kann man, indem man sich selber ein Kleidungsstück macht, das ökonomische ändern oder ausschalten. Auch das Kleidungsstück, das man für sich selbst gemacht hat, muß insgesamt bezahlt werden. Die Arbeit ist dasjenige, was der Mensch für den Menschen macht, die nicht darnach geordnet werden kann, wieviel Arbeitszeit man in der Fabrik braucht. Die Bewertung der Arbeit führt im eminentesten Sinne hinein in das Gebiet des Rechts, der staatlich-juristischen Ordnung.

Dit is iets wat de technologie al heeft bereikt; onze moraal is echter niet in hetzelfde tempo meegegroeid. Vanuit technisch oogpunt – en binnen het kader van de huidige maatschappelijke orde – kan je niets uitsluitend voor jezelf produceren, zelfs geen jas. Ook al maakt je de jas zelf, er hangt hetzelfde prijskaartje aan als wanneer deze door iemand anders binnen de bredere maatschappelijke orde zou zijn vervaardigd. Met andere woorden: de factor die de jas in de economische sfeer plaatst, is universeel; deze wordt bepaald door de gemeenschap als geheel. Het is een illusie te denken dat een jas die een kleermaker voor eigen gebruik maakt, goedkoper is. Je kan de kosten berekenen en het op papier goedkoper laten lijken; wie het echter in de context van een algehele balans bekijkt, ziet de waarheid: net zoals je niet uit je eigen vel kan stappen, kan je economische realiteiten niet veranderen of omzeilen door een kledingstuk voor jezelf te maken. Ook voor een kledingstuk dat voor persoonlijk gebruik is gemaakt, moet de volledige prijs worden betaald. Arbeid is wat de ene mens voor de andere verricht; dit laat zich niet simpelweg regelen door de hoeveelheid arbeidstijd die in een fabriek vereist is. De waardering van arbeid voert ons – in de meest wezenlijke zin – naar het domein van het recht en de rechtsorde van de staat.

Daß das nicht unzeitgemäß, sondern zeitgemäß ist, das können Sie daraus entnehmen, daß die Arbeit überall geschützt wird, gesichert wird und so weiter. Aber das sind alles nicht halbe, das sind Viertelsmaßregeln, die nur dann voll zur Geltung kommen können, wenn eine richtige Dreigliederung des sozialen Organismus da ist. Denn dann wird erst der Mensch dem Menschen gegenüberstehen und wird erst die Arbeit eine richtige Regelung finden, wenn Menschenwürde gegen Menschenwürde sprechen wird, aus dem heraus, für das alle Menschen kompetent sind.
Dann werden Sie sagen: Ja, da kann einmal nicht genügend Arbeit da sein, wenn auf diese Weise im demokratischen Staat dann die Arbeit bestimmt wird. Ja, da ist einer der Punkte, wo das Soziale hineinführt in das Allgemein-Historische, in die allgemeine Menschheitsentwickelung. Das wirtschaftliche Leben darf nicht die Arbeit bestimmen. Es muß eingeschlossen sein auf der einen Seite zwischen der Natur, auf der anderen Seite zwischen der staatlich festgesetzten Arbeit.

Dat dit niet losstaat van de tijdgeest, maar er juist mee in overeenstemming is, blijkt uit het feit dat arbeid overal wordt beschermd, gewaarborgd, enzovoort. Toch zijn dit geen halve, maar slechts kwartmaatregelen; ze kunnen pas werkelijk effectief worden als er sprake is van een daadwerkelijke driegeleding van het sociale organisme. Want pas dan zullen mensen werkelijk tegenover elkaar staan ​​en pas dan zal arbeid zijn juiste ordening vinden – wanneer menselijke waardigheid tot menselijke waardigheid spreekt, vanuit die sfeer waarin alle mensen competent zijn.
Je zou kunnen tegenwerpen: “Maar wat als er niet genoeg werk beschikbaar is wanneer arbeid op deze wijze binnen de democratische staat wordt bepaald?” Hier raken we aan een punt waarop de sociale kwestie overgaat in de bredere context van de geschiedenis en de algemene evolutie van de mensheid. Het economische leven mag niet de kracht zijn die de arbeid bepaalt; het moet zich veeleer situeren tussen de natuur enerzijds en de door de staat gereguleerde arbeid anderzijds.

Blz. 237

Geradesowenig wie ein Komitee jetzt bestimmen kann, wie viele Regentage
im Jahre 1923 da sein sollen, damit man richtig wirtschaften kann im Jahre 1923, wie man das hinnehmen und damit rechnen muß als einem Gegebenen, mit demjenigen, was die Natur gibt, so wird man auch im selbständigen wirtschaftlichen Organismus rechnen müssen mit dem Gegebenen als mit einer Arbeitsmenge, die innerhalb des staatlich-juristischen Organismus sich ergibt. Das kann ich nur im allgemeinen erwähnen als eine Charakteristik.
Im ökonomischen Glied des sozialen Organismus werden die Assoziationen dastehen, in denen werden Konsumenten und Produzenten und Händler in gleicher Weise aus ihren Lebenserfahrungen heraus ein assoziatives Urteil – nicht ein individuelles, das gar keine Bedeutung hat -, ein assoziatives Urteil abgeben. Das kann man heute nicht erreichen, wenn man die kleinen Ansätze nur verfolgt, welche da sind.
Daß diese kleinen Ansätze da sind, beweist, daß unbewußt in der Menschheit die Intention besteht, es so zu machen. Man gründet Genossenschaften, Gewerkschaften, alle möglichen Gemeinschaften. Gewiß, das bezeugt, daß der Drang da ist.

Zoals een commissie momenteel niet kan bepalen hoeveel regendagen er in 1923 moeten zijn om een ​​goed economisch beheer te waarborgen – en wij in plaats daarvan moeten aanvaarden en rekening moeten houden met wat de natuur als gegeven aanreikt – zo zullen wij ook binnen een autonoom economisch organisme rekening moeten houden met een gegeven factor: de hoeveelheid werk die binnen het staatsrechtelijke organisme ontstaat. Ik kan dit hier slechts in algemene termen, als kenmerkend aspect, aanstippen.
In de economische sfeer van het sociale organisme zullen verenigingen bestaan ​​waarin consumenten, producenten en handelaren – puttend uit hun levenservaring – gezamenlijk tot een associatief oordeel komen (en niet slechts tot een individueel oordeel, dat geen gewicht in de schaal legt). Dit kan vandaag de dag niet worden bereikt door simpelweg voort te bouwen op de kleinschalige initiatieven die reeds bestaan.
Het bestaan ​​van deze kleinschalige initiatieven bewijst dat er bij de mensheid een onbewust streven leeft om op deze wijze te werk te gaan. Er worden coöperaties, vakbonden en allerlei gemeenschappen opgericht; dit getuigt onmiskenbaar van het bestaan ​​van die impuls.

Aber wenn sie heute eine Genossenschaft gründen neben der übrigen sozialen Ordnung, so muß diese Genossenschaft entweder hineinwachsen in die übrige soziale Ordnung, gerade solche Preise haben, geradeso die Ware auf den Markt bringen, wie dies üblich ist, oder aber sie muß zugrunde gehen. Dasjenige, um
was es sich bei der Dreigliederung des sozialen Organismus handelt, ist nicht, aus einem utopistischen Gedanken heraus Wirklichkeiten zu schaffen, sondern das, was wirklich ist, anzufassen; diejenigen Institutionen, die gegenwärtig da sind, diejenigen, die konsumieren, die produzieren, der Unternehmer, das, was da ist selber ohne Neugründung, das soll in Assoziationen zusammengefaßt werden. Man soll gar nicht fragen; Wie gründet man neue Assoziationen? – Sondern; Wie faßt man die wirtschaftlichen Verbände, die wirtschaftlichen Institutionen, die da sind, in Assoziationen zusammen? – Dann wird vor
allen Dingen innerhalb dieser Assoziationen aus der wirtschaftlichen
Erfahrung heraus eines richtig erfolgen, woraus tatsächlich eine soziale Ordnung kommen kann – wie aus dem gesunden menschlichen 

Wanneer er echter vandaag de dag naast de bestaande maatschappelijke orde een coöperatie wordt opgericht, moet deze óf in die orde opgaan – door dezelfde prijsstructuren en marktpraktijken te hanteren als gebruikelijk zijn – óf ze is gedoemd te mislukken. Het doel van de drieledige sociale orde is niet om werkelijkheden te creëren op basis van een utopisch idee, maar om aan te sluiten bij wat reeds bestaat: de huidige instellingen – consumenten, producenten, ondernemers en de bestaande structuren zelf – dienen in associaties te worden georganiseerd. De vraag moet niet luiden: “Hoe richten we nieuwe associaties op?”, maar veeleer: “Hoe organiseren we bestaande economische lichamen en instellingen tot associaties?” Dan zal er binnen deze associaties – en geworteld in economische ervaring – een vitaal proces ontstaan ​​waaruit zich een ware sociale orde kan ontwikkelen 

Blz. 238

Organismus eben die menschliche Gesundheit kommt im menschlichen Leben-, eine ökonomische Zirkulation: Produktionsgeld, Leihgeld und Schenkungsgeld, Stiftung. Ohne daß diese drei Glieder darinnen sind, gibt es keinen sozialen Organismus. Man kann heute noch so viel wettern gegen die Stiftungen, Schenkungen, sie müssen da sein. Die Menschen machen sich nur etwas vor. Sie sagen sich: Ja, in einem gesunden sozialen Organismus gibt es keine Schenkungen. Aber sie zahlen ihre Steuern. Die Steuern sind ja nur der Umweg; denn darin sind die Schenkungen, die wir an die Schulen und so weiter abgeben, das sind die Schenkungen.
Die Menschen sollten aber eine solche soziale Ordnung haben, wo sie immer sehen, wie die Dinge laufen, und sich nicht etwas vormachen. Wenn sie das soziale Leben herauskriegen allmählich aus demjenigen, was jetzt konfundiert alles in sich enthält, dann werden sie, wie sie jetzt in dem gesunden menschlichen Organismus das Blut laufen sehen, so das Geld laufen sehen als Produktionsgeld, Leihgeld, Schenkungsgeld.

net zoals menselijke gezondheid voortkomt uit een gezond menselijk organisme: een economische kringloop die bestaat uit productiekapitaal, leenkapitaal en schenkings- of stichtingskapitaal. Zonder de aanwezigheid van deze drie geledingen bestaat er geen sociaal organisme. Men kan vandaag de dag nog zo fel afgeven op schenkingen en giften, maar ze zijn onontbeerlijk. Men houdt zichzelf slechts voor de gek. Men zegt tegen zichzelf: “In een gezond sociaal organisme bestaan ​​geen giften.” Toch betaalt men belasting. Belastingen zijn slechts een omweg; de giften die we aan scholen en dergelijke doen – dát zijn de werkelijke giften.
Men zou moeten streven naar een maatschappelijke orde waarin men steeds kan zien hoe de processen verlopen, in plaats van zichzelf iets wijs te maken. Als men het maatschappelijk leven geleidelijk losmaakt uit de huidige verwarring – waarin alles door elkaar loopt – dan zal men, net zoals men nu het bloed ziet circuleren in het gezonde menselijk organisme, het geld zien circuleren als productiekapitaal, leenkapitaal en schenkingskapitaal.

Und sie werden sehen, wie mit dem Menschen zusammenhängt auf der einen Seite im Handels-, Zirkulations-, Produktions- und Erwerbsgeld dasjenige Geld, das angelegt wird, damit es auf dem Wege des Leihens, indem es verzinst wird, wiederum in die Produktion übergeht, und auf der anderen Seite das Schenkgeld, das zufließen muß dem, was freies Geistesleben ist.
So nur können die Menschen am sozialen Geschehen teilnehmen, daß jeder in der freien Assoziation sieht: So läuft das Leben – dann kann Gesundheit hineinkommen in den sozialen Organismus. Dieser Dreigliederungsidee gegenüber ist alles abstrakte Denken verpönt. Da gibt es nur lebendiges Denken.
Aber wir haben ja heute auch im ökonomischen nicht mehr lebendiges Denken. Wir haben überall abstraktes Denken. Denn wo lebt denn die heutige Ökonomie? Wie hat sie begonnen, als sie sich herausgearbeitet hat aus der Zeit, wo man noch irgendeinen schmutzigen Fetzen Papier genommen hat und sich seine Einnahmen und Ausgaben aufgeschrieben hat. Als die Sache komplizierter geworden ist, da nahm man dafür diejenigen, die im Priestertum waren, die Kleriker; die wurden die Schreiber.

En mensen zullen het verband gaan zien tussen de mens en – enerzijds – het geld dat een rol speelt in handel, circulatie, productie en verwerving (geld dat wordt geïnvesteerd om via leningen en renteopbrengst weer in de productie terug te vloeien), en – anderzijds – het geld dat als gift wordt gegeven en dat naar het domein van het vrije geestesleven moet stromen.
Alleen op die manier kunnen mensen deelnemen aan maatschappelijke processen – waarbij iedereen binnen vrije associaties ziet hoe het leven zich werkelijk voltrekt; alleen dan kan er gezondheid in het sociale organisme komen. Wat dit idee van de sociale driegeleding betreft, is abstract denken misplaatst; er is alleen ruimte voor levend denken.
Toch beschikken we tegenwoordig, zelfs in de economische sfeer, niet meer over levend denken; overal overheerst het abstracte denken. Want waar leeft de hedendaagse economie eigenlijk? Hoe is ze ontstaan, toen ze voortkwam uit het tijdperk waarin men simpelweg een vuil stukje papier nam om inkomsten en uitgaven te noteren? Naarmate de zaken complexer werden, wendde men zich tot leden van de priesterstand – de geestelijkheid – om als schrijver op te treden.

Blz. 239

Die leiteten nun von ihren Kenntnissen aus dasjenige, was sie verstanden von dem äußeren Leben. Heute – wer ist der Nachfolger des Klerikers, des Schreibers, der aus der Kirche heraus genommen wurde, um die Ökonomie des Fürsten zu registrieren? Das ist der Buchhalter. Der Buchhalter, er hat in seinem Kassabuch, in seinem Hauptbuch nur noch eine ganz kleine Erinnerung daran, die auch nur noch in wenigen Gegenden vorhanden ist. Wenn man aufschlägt die erste Seite – ich weiß nicht, ob es hier auch noch so ist – da steht: «Mit Gott.» Solche Buchhaltungsbücher gibt es in gewissen Gegenden. «Mit Gott» steht da. Es erinnert noch an alte Zeiten. Wenn man weiterblättert, da findet man wenig, was «mit Gott» ist. Nun, da ist hinein abstrahiert alles dasjenige, was aber volles Leben sein muß, was in den Assoziationen als Leben dastehen muß, was nicht in die Bücher hineinkommen kann.
Und so handelt es sich bei der Dreigliederung wirklich nicht darum, wiederum in alter Weise, diese Begriffe, die wir haben: Geistesleben, Staatsleben, wirtschaftliches Leben so herumzukollern, und ein bißel anders herumzukollern, als man es in der jüngsten Zeit versucht hat, herumzukollern; sondern es handelt sich darum, überhaupt einmal den Begriff des Organismus zu erfassen, und dasjenige, was allmählich so ungeheuer stark hineingedrängt hat in das Abstrakte, wiederum zum Leben zurückzuführen.

Uit hun kennis putten zij hun inzicht in het uiterlijke leven. Wie is tegenwoordig de opvolger van de geestelijke, de schrijver die vanuit de kerk werd aangesteld om de financiën van de vorst bij te houden? Dat is de boekhouder. In zijn kasboek of grootboek bewaart de boekhouder slechts een vage herinnering hieraan – iets dat nog maar in enkele regio’s voortbestaat. Als men de eerste bladzijde openslaat – ik weet niet of dat hier nog steeds het geval is – treft men het opschrift aan: “Met God”. Dergelijke boeken bestaan ​​in bepaalde streken; er staat “Met God” in geschreven. Het is een overblijfsel uit vervlogen tijden. Toch vindt men bij het doorbladeren weinig dat getuigt van dat “met God”. In die boeken is alles geabstraheerd wat eigenlijk volle, levende werkelijkheid zou moeten zijn – elementen die als levende krachten binnen de gemeenschappen zouden moeten bestaan, maar die niet in boekhoudkundige registers kunnen worden vastgelegd. De sociale driegeleding is dan ook niet louter een kwestie van het op de oude manier jongleren met de begrippen waarover we beschikken – geestelijk leven, politiek leven en economisch leven – of van het op een iets andere wijze herschikken ervan dan de laatste tijd is geprobeerd. Het gaat er veeleer om het begrip ‘organisme’ werkelijk te doorgronden en datgene weer tot leven te wekken wat zo krachtig in de sfeer van de abstractie is gedrongen.

In diesem Zurückführen zum Leben liegt dasjenige, worauf es ankommt. Denn in den Assoziationen des Wirtschaftslebens werden alle sitzen; auch die Vertreter des geistigen Lebens werden drinnensitzen, denn sie essen. Es werden die Staatsvertreter drinnensitzen. Und umgekehrt werden in den anderen Gliedern alle drinnen sein.
Dann aber ist etwas die notwendige Folge, was die Leute furchtbar schockiert, wenn man in der Gegenwart davon spricht – natürlich setzt man manchmal etwas Paradoxes hin, um die Sache genauer zu charakterisieren. Ich habe einmal einem Industriellen, der ein ausgezeichneter Mensch auf seinem Gebiete ist, gesagt: Wir werden erst recht ins Leben hineinkommen, wenn Sie in der Fabrik einen Menschen haben, der sich ins volle Leben der Fabrik hineinstellt, der mit seinem ganzen Wesen dadrinnen steht; dann kommt irgendeine Hochschule, eine technische Hochschule, die nimmt sich diesen Menschen aus der Fabrik heraus, nicht den, der gerade zubereitet ist, sondern diesen aus dem Leben heraus nimmt sie.

In deze terugkeer naar het werkelijke leven ligt de kern van de zaak. Iedereen zal immers deelnemen aan de associaties van het economische leven; ook vertegenwoordigers uit het domein van het geestelijke en culturele leven zullen daaraan meedoen – zij moeten immers ook eten. Ook vertegenwoordigers van de staat zullen deelnemen. En omgekeerd zal iedereen betrokken zijn bij de andere domeinen.
Dit brengt echter een noodzakelijk gevolg met zich mee – een gevolg dat mensen diep schokt wanneer het vandaag de dag ter sprake komt (hoewel men natuurlijk soms iets paradoxaals poneert om de zaak nauwkeuriger te typeren). Ik zei ooit tegen een industrieel – een uitstekend man in zijn vakgebied – dat we pas werkelijk het echte leven zouden binnengaan wanneer er binnen de fabriek iemand zou zijn die zich volledig in het fabrieksleven onderdompelde, die er met zijn hele wezen middenin stond; en wanneer vervolgens een instelling voor hoger onderwijs – een technische hogeschool – deze persoon uit de fabriek zou halen: niet iemand die slechts op die rol was ‘voorbereid’, maar iemand die rechtstreeks uit het midden van het werkelijke leven was gehaald.

Blz. 240

Sie stellt ihn hin, damit er nun fünf oder zehn Jahre dasjenige den Jungen oder Mädchen zu sagen hat, was zu sagen ist aus dem Leben. Dann, wenn das ein bißchen altbacken geworden ist, mag er wieder zurückgehen in die Fabrik. – Es wird das Leben kompliziert, aber das fordert die Zeit, das läßt sich nicht anders
machen.
Geradeso wie immer neues Leben die soziale Ordnung durchströmen wird, oder die soziale Ordnung wird in die Dekadenz kommen, so muß man sagen: Entweder muß der Mensch wirklich Mensch werden, das heißt, er muß mit seinen Fähigkeiten zirkulieren können im sozialen Organismus, oder wir kommen in die Dekadenz hinein. Man kann ja die Dekadenz wählen, wenn man will, wenn man auf dem alten Standpunkt stehenbleiben will; aber Stehenbleiben, das läßt uns eben die Evolution nicht. Das ist es, auf was es ankommt.

Hij wordt daar geplaatst zodat hij gedurende vijf of tien jaar aan de jongens of meisjes kan overbrengen wat er over het leven gezegd moet worden. Wanneer die rol vervolgens wat sleets is geworden, kan hij naar de fabriek terugkeren. Het leven wordt ingewikkeld, maar de tijd vereist het; er is geen andere weg.
Zoals er voortdurend nieuw leven door de maatschappelijke orde moet stromen – wil die orde niet in verval raken – zo moeten we zeggen: de mens moet werkelijk mens worden – dat wil zeggen: hij moet in staat zijn om met behulp van zijn vermogens binnen het maatschappelijk organisme te circuleren – of we zullen in verval raken. Men kan natuurlijk voor verval kiezen als men wil vasthouden aan het oude standpunt, maar de evolutie staat nu eenmaal niet toe dat we stilstaan. Dat is het cruciale punt.

Abschließend möchte ich sagen: Ich konnte mehr in einem Gefühle entwickeln, was von dem Gesichtspunkte aus, von dem ich hier sprach, zu sagen war. Dieser Gesichtspunkt soll nicht in einseitiger Weise als ein spiritueller aufgefaßt werden, sondern spirituell nennt er sich nur deshalb, weil er aus dem Geiste des Lebens heraus sein will. So konnte ich mehr nach dem Gefühl den Impuls nur charakterisieren, der ja leben soll durch diese soziale Idee. Mehr kann man nicht in drei Vorträgen.
Aber, meine Damen und Herren, daß ich dieses konnte und durfte hier, das ist dasjenige, wofür ich Ihnen jetzt, wo ich diese Vorträge abschließen werde, auf das allerherzlichste danke. Ich empfinde diesen Dank wirklich im tiefsten Herzen in erster Linie gegenüber Mrs. Mackenzie an der Spitze dieses Komitees, ohne deren Bemühungen die ganze Oxforder Unternehmung unmöglich hätte zustande kommen können. In erster Linie sei Mrs. Mackenzie der aufrichtigste, herzlichste Dank ausgesprochen, und dann dem ganzen Komitee, das ihr hilfreich zur Seite gestanden hat. Insbesondere danke ich auch dafür, daß dasjenige, was wir durften einordnen als Künstlerisches dem Streben, das wir von Dornach aus in die Welt hineinschicken möchten, daß auch das Eurythmisch-Künstlerische in konkreter Art hat hier zur Geltung kommen dürfen in Oxford während dieses Meetings.

Tot slot wil ik zeggen dat ik – meer vanuit een aanvoelen van de zaak – heb kunnen overbrengen wat er vanuit het hier geschetste perspectief gezegd moest worden. Dit perspectief mag niet eenzijdig als louter ‘spiritueel’ worden beschouwd; het wordt slechts zo genoemd omdat het wil voortkomen uit de levensgeest zelf. Zo heb ik – vooral door middel van het gevoel – de impuls kunnen typeren die door dit sociale idee tot leven moet komen. Meer kan men in drie lezingen niet doen.
Toch, dames en heren, ben ik u zeer dankbaar dat ik dit hier heb mogen doen, nu ik deze lezingenreeks afsluit. Ik voel deze dankbaarheid diep in mijn hart – allereerst jegens mevrouw Mackenzie, de voorzitster van deze commissie; zonder haar inzet had het hele initiatief in Oxford onmogelijk kunnen plaatsvinden. Mijn oprechte, diepgevoelde dank gaat in de eerste plaats uit naar mevrouw Mackenzie en vervolgens naar de gehele commissie die haar zo kundig heeft bijgestaan. Ik ben ook bijzonder dankbaar dat het artistieke element – ​​dat wij willen integreren in de strevingen die wij vanuit Dornach de wereld in sturen – hier in Oxford tijdens deze bijeenkomst concrete gestalte heeft kunnen krijgen, met name door de kunst van de euritmie.

Blz. 241

Dafür allen denjenigen, die sich dafür Verdienste erworben haben, herzlichsten Dank!
Sie werden fühlen, daß dieser Dank ein ernster sein muß, wenn ich Ihnen sage, daß ja doch das Goetheanum in Dornach hingestellt worden ist als ein Ausgangspunkt für dasjenige, was erst real wird, wenn solche Dinge geschehen, wie sie jetzt hier in Oxford geschehen sind. Und daß das Verständnis und gute Herzen braucht, das werden Sie aus dem ersehen können, was ich nicht als Anspielung sage, wirklich nicht, aber erwähnen doch möchte, daß wir wohl werden im November unseren Bau unterbrechen müssen, nicht werden fortsetzen können, weil wir nicht die nötigen Geldmittel haben. Wir glauben aber, daß sie noch in der Welt vorhanden wären, und daß also auch da irgendwo etwas stockt.
Wenn die Sachen so weitergehen, wie sie im richtiggehenden sozialen Organismus weitergehen würden, dann – aber das ist etwas, was uns in Dornach gerade mit der allergrößten Sorge bedrückt, daß dieses
Werk unternommen wurde und durch die Ungunst der Zeitverhältnisse, wenn nicht zur rechten Zeit sich Verständnis für die Fortsetzung findet, unterbrochen werden müßte. Ich will das aus dem Grunde erwähnen, damit Sie sehen, wie herzlich der Dank gemeint ist, den ich Ihnen hier ausspreche

Mijn oprechte dank gaat uit naar allen die zich op dit vlak verdienstelijk hebben gemaakt!
U zult aanvoelen dat deze dankbetuiging diep gemeend is wanneer ik u vertel dat het Goetheanum in Dornach werd opgericht als uitgangspunt voor iets dat pas werkelijkheid wordt wanneer er gebeurtenissen plaatsvinden zoals die welke hier in Oxford zojuist hebben plaatsgehad.
En u zult beseffen dat hiervoor begrip en welwillendheid nodig zijn – niet slechts als een toespeling, zeker niet, maar als een feit dat ik moet noemen – wanneer ik zeg dat we de bouw in november waarschijnlijk zullen moeten stilleggen, niet in staat om verder te gaan, simpelweg omdat de nodige middelen ontbreken.
Toch geloven wij dat de middelen wel degelijk in de wereld aanwezig zijn, en dat er ergens een blokkade in de loop der dingen zit.
Als de zaken zouden verlopen zoals in een werkelijk gezond sociaal organisme, dan – maar het baart ons in Dornach grote zorgen dat dit werk ter hand is genomen, om vervolgens het risico te lopen te worden onderbroken door ongunstige omstandigheden – tenzij er tijdig begrip voor de voortzetting ervan wordt gevonden. Ik vermeld dit opdat u kunt zien hoe oprecht de dank is die ik
hier aan u uitspreek.

Wenn ich den Versuch gemacht habe, auf der einen Seite das Erziehungsmäßige auseinanderzusetzen, auf der anderen Seite das Soziale, so möchte ich doch darauf aufmerksam machen, daß das von Dornach aus gepflegt werden soll als ein Universelles. Zunächst ist ja vom Weltanschauungs-, vom Erkenntnisstandpunkte ausgegangen worden, als die anthroposophische Bewegung gegründet worden ist. Und erst als Menschen gesehen haben und gefühlt haben in unserer Zeit aus dem, was in unserer Zeit an Niedergangskräften lebt, daß in erzieherischer Weise und auch in sozialer Weise etwas geschehen muß, da sind die Menschen herangekommen an mich mit der Frage: Was hat Anthroposophie zu sagen für Schulgründungen, die mit dem vollen Leben rechnen, mit einer Zukunft, die aus den tieferen Menschenkräften hervorgeht? Denn aus der Oberfläche der Menschenkräfte läßt sich für die Zukunft zunächst nichts gewinnen.

Hoewel ik heb geprobeerd enerzijds op het pedagogische en anderzijds op het sociale aspect in te gaan, wil ik benadrukken dat dit werk vanuit Dornach als iets universeels tot ontwikkeling moet komen. Bij de oprichting van de antroposofische beweging vormde immers een op wereldbeschouwing en kennis gebaseerd perspectief het uitgangspunt. Pas toen men in onze tijd – de krachten van verval waarnemend – besefte en aanvoelde dat er zowel op pedagogisch als op sociaal vlak gehandeld moest worden, wendde men zich tot mij met de vraag: wat heeft de antroposofie te bieden voor de oprichting van scholen die zich verhouden tot het leven in zijn volle omvang – tot een toekomst die voortkomt uit de diepere krachten van de mens? Want vanuit het oppervlakkige niveau van menselijke krachten alleen valt er voor de toekomst niets te winnen.

Blz. 242

Nicht aus irgendeiner Schrulle heraus, auch nicht aus einer abstrakten Idee ist die erzieherische Strömung entstanden, sondern weil Menschen gekommen sind, die an die Anthroposophie diese Frage gestellt haben, die wissen wollten, was Anthroposophie da zu sagen habe aus dem Leben heraus, nicht aus einer sektiererischen Bestrebung.
Und in noch höherem Maße war das der Fall mit der sozialen Frage.
Auch da sind Menschen, denen das Herz brach über dasjenige, was in der Gegenwart in den Niedergang hineinführt, gekommen und wollten wissen, was anthroposophische Erkenntnis an wirklichem Eindringen in die Realität zu sagen hat über Impulse, die von der Gegenwart in die Zukunft hineingeschickt werden sollen.
Daß ich hier Verständnis dafür fand, dafür sage ich am Schlüsse meinen herzlichsten Dank, indem ich noch betone, daß dasjenige, was gerade so gesagt werden muß, darauf angewiesen ist, daß es aufgenommen wird in das volle Leben, daß es aus dem College hinauswirkt in die Welt, wo die Menschen stehen, daß es also nicht antiquarische Wissenschaft sei, sondern daß gerade in den Stätten des geistigen Lebens die Impulse entstehen, die bewirken, daß auch in den Fabriken die richtigen Menschen stehen, die gerade das Kapital verwalten, von denen Leben ausgeht.

Deze onderwijsbeweging is niet voortgekomen uit een loutere gril of een abstract idee; ze ontstond veeleer doordat mensen met een vraag naar de antroposofie kwamen – gedreven door de realiteit van het leven zelf, en niet door een sektarische agenda – en wilden weten wat de antroposofie over deze kwestie te zeggen had.
Hetzelfde gold, en wel in nog sterkere mate, voor de sociale kwestie.
Ook daar kwamen mensen wier hart gebroken was door de krachten van verval die in het heden werkzaam zijn; zij wilden weten wat antroposofisch inzicht – vanuit een oprechte betrokkenheid bij de werkelijkheid – kon bieden met betrekking tot de impulsen die vanuit het heden naar de toekomst toe moeten worden uitgedragen.
Tot slot wil ik mijn oprechte dank uitspreken voor het begrip dat ik hier heb mogen ervaren, en daarbij benadrukken dat ideeën die op deze wijze verwoord moeten worden, afhankelijk zijn van hun opname in de volle breedte van het leven; ze moeten vanuit het College uitstralen naar de wereld waarin mensen daadwerkelijk staan. Ze mogen geen louter antiquarische geleerdheid blijven; juist vanuit deze centra van geestelijk leven moeten de impulsen voortkomen die ervoor zorgen dat in onze fabrieken de juiste mensen worden gevonden – mensen die kapitaal beheren op een wijze die het leven bevordert.

Daß das charakterisiert wurde mit Beispielen, die sich darbieten, wird man mir nicht übelnehmen, wenn ich auf der anderen Seite wiederhole, was ich schon mehrmals gesagt habe, daß es mir mit ein ganz besonderes beglückendes Gefühl war, diese Impulse hier in Oxford auseinandersetzen zu können, wo jeder Schritt
auf die Straße inspirierend wirkt aus dem ehrwürdigen Alter heraus, wo das ganz besonders wirkt, was derjenige braucht, der aus dem Geiste heraus sprechen will.
In älteren Zeiten war nicht der Geist lebendig, der heute lebendig werden muß, und der in die Zukunft hinein wirken soll, aber es war Geist lebendig. Und dieser Geist kann inspirierend wirken. Deshalb war es mir auch tief befriedigend, gerade hier unter dem Eindruck des Altehrwürdigen, des Verehrungswürdigen in Oxford diese Vorträge halten und diese Anregungen geben zu dürfen.
Ich muß zum Schluß noch einen Dank aussprechen. Sie werden alle verstehen, daß ich außerordentlich dankbar bin Mr. Kaufmann, der mit großer Liebe hier die Übersetzungen geleistet hat.

U zult het mij niet kwalijk nemen als ik, na deze kwestie te hebben toegelicht aan de hand van voorbeelden die zich als vanzelf opdringen, nogmaals herhaal wat ik al vaker heb gezegd: dat het mij een heel bijzonder en bevredigend gevoel gaf om hier in Oxford – een plaats waar elke stap op straat inspireert door de eerbiedwaardige ouderdom en waar de sfeer een unieke kracht bezit voor wie vanuit de geest wil spreken – uiteenzettingen te mogen geven over deze impulsen.
In vroeger tijden was de geest die vandaag tot leven moet komen – en die bestemd is om in de toekomst door te werken – nog niet actief; toch was er destijds wel een geest werkzaam, en die geest kan als inspiratiebron dienen. Daarom heb ik het als zeer vervullend ervaren om hier, te midden van de indrukwekkende, eerbiedwaardige sfeer van Oxford, deze voordrachten te mogen houden en deze ideeën te mogen uiteenzetten.
Tot slot wil ik nog een dank uitspreken. U zult begrijpen dat ik de heer Kaufmann buitengewoon dankbaar ben, die hier met zoveel toewijding voor de vertalingen heeft gezorgd.

Blz. 243

Wenn man weiß, wieviel Mühe die Übersetzung verhältnismäßig schwieriger Dinge macht, wieviel das von den Kräften des Menschen auch in kurzer Zeit
wegnehmen kann, dann weiß man zu würdigen, welche Arbeit gerade
Mr. Kaufmann in den letzten Wochen in Oxford für diese Holiday Konferenz geleistet hat. Ich spreche ihm hier, und hoffentlich tun das auch noch viele, diesen Dank aus, und bitte, daß er mir diesen letzten Ubersetzerdienst noch tut, und dasjenige, was ich eben hier gesagt habe, auch so treu und wörtlich noch übersetzt, wie er das vorige übersetzt hat.

Wie weet hoeveel inspanning het vertalen van relatief complexe teksten vergt – en hoeveel energie dat kan kosten, zelfs in korte tijd – leert het werk waarderen dat de heer Kaufmann de afgelopen weken in Oxford voor deze vakantieconferentie heeft verricht. Ik wil hem hierbij mijn dank betuigen – zoals ik hoop dat velen anderen dat ook zullen doen – en ik verzoek hem deze laatste vertaaldienst voor mij te verlenen: datgene wat ik zojuist heb gezegd net zo getrouw en letterlijk te vertalen als hij de voorgaande opmerkingen heeft vertaald.
GA 305/223-243  
Voordracht 1 t/m 9 vertaald.    Voordracht 10      voordracht 11
.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Rudolf Steiner over pedagogie: vindplaatsen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3597-3390

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Emil Molt

.
.

Tussen fabriek en pedagogiek

Emil Molt was naar buiten gericht en onwankelbaar overtuigd van de kracht van het spirituele. Gedreven door een moedige intuïtie maakte hij in 1919 de oprichting van de eerste vrijeschool mogelijk, dankzij een bijzondere samenwerking tussen het personeel en de ondernemer. Op 14 april j.l. was het 150 jaar geleden dat hij werd geboren.

Een van de opmerkelijke aspecten van de sociale constellatie die leidde tot de oprichting van de Waldorfschool in 1919, is enerzijds het dringende verzoek om een ​​nieuwe school van de kant van de arbeiders van een sigarettenfabriek, en anderzijds de onafhankelijke, parallelle stappen die voorafgaand daaraan waren gezet door de Stuttgartse ondernemer Emil Molt, die al maandenlang toewerkte naar de oprichting van een dergelijke school. Het is historisch uniek dat de basis voor de oprichting van een school – geworteld in een bijzondere sociale wisselwerking tussen het personeel en de ondernemer – in de eerste plaats gelegen was in een bedrijfsmatige onderneming.

De markante persoonlijkheid van Emil Molt kwam tot uiting in zijn indrukwekkende verschijning: “De kleine, gedrongen, gezette gestalte met een fraai gevormd, groot en kaal hoofd verraadde een man met een sterke wil. Zijn kleine blauwe ogen waren levendig en straalden een intelligente, doordringende en energieke blik uit. Zijn grote mond met dunne lippen en een krachtige kin gaven zijn zeer innemende gezicht een markant karakter.” [1]

Zijn positie binnen de kring van antroposofen van zijn tijd was net zo uniek als zijn verschijning. Hij bouwde niet alleen een bloeiend bedrijf met honderden werknemers op en leidde dit, maar was ook – zowel persoonlijk als maatschappelijk – diep geworteld in zakenkringen die tot ver buiten Stuttgart reikten; hij kende politici en alle prominente figuren uit het toenmalige openbare leven. Hij deelde hun zorgen en vreugden, sprak hun taal, was sociaal vaardig en maakte wezenlijk deel uit van hun wereld. Hij ging om met schrijvers en kunstenaars en nodigde hen vaak bij zich thuis uit. Een bijzondere vriendschap verbond hem met Hermann Hesse, een vriend uit zijn kindertijd in Calw. “Molt is die vermogende vriend bij wie ik […] te gast was en van wie ik in zekere mate afhankelijk ben vanwege leningen, terwijl hij mij erkent als intellectueel en kunstenaar […].” [2]
Molt had Hesse graag in Stuttgart gezien om hem te winnen voor steun aan zijn activiteiten aldaar.

Tegelijkertijd koesterde Molt, als antroposoof, een onwankelbaar en compromisloos geloof in de werkzaamheid van de spirituele wereld. Voor hem was kennis van deze spirituele wereld onlosmakelijk verbonden met de vraag hoe zijn eigen handelen – en zijn zelfbeeld als dienaar van deze impulsen – het mogelijk konden maken dat spirituele impulsen zich zouden manifesteren. Rudolf Steiner merkte bij diverse gelegenheden dankbaar op dat deze houding van Molt het voor hogere spirituele krachten mogelijk maakte om zich te verbinden met de oprichting van de school.[3]

Molt was in 1900 voor het eerst met de antroposofie en Rudolf Steiner in aanraking gekomen via de ondernemer José del Monte uit Stuttgart. Hij voelde zich bijzonder sterk verbonden met de antroposofen Adolf Arenson en Carl Unger uit Stuttgart. Hij beschouwde hun voortdurende, intensieve en buitengewoon gedegen spirituele arbeid als een onmisbaar fundament voor het succes van de praktische activiteiten in Stuttgart. “Er loopt een directe lijn van dit werk naar het feit dat juist in Stuttgart al in 1911 het eerste afdelingscentrum kon worden opgericht, gevolgd door de Waldorfschool en de beweging voor de sociale driegeleding in 1919. Het is zeker veelzeggend dat er zoveel actieve zakenmensen samenkwamen in de plaatselijke afdeling aldaar.” [4]

Evenzeer van belang voor de succesvolle oprichting van de Waldorfschool was het feit dat Molt de twee pionierende Waldorfleerkrachten al jaren kende uit antroposofische kringen. In 1909 maakte Molt deel uit van de groep mensen die aanwezig was bij de ceremoniële inwijding van het modelgebouw in Malsch, een project dat was gerealiseerd door de 21-jarige Karl Stockmeyer. Enkele maanden daarvoor was hij ook aanwezig geweest toen Herbert Hahn – destijds pas 18 jaar oud – Rudolf Steiner voor het eerst hoorde spreken in Heidelberg.

Moedige intuïtie

Hoewel hij zichzelf in de eerste plaats als zakenman zag, baseerde hij de belangrijkste beslissingen in zijn leven niet op kleingeestige financiële berekeningen; in plaats daarvan handelde hij vrijgevig, geleid door een moedige intuïtie die in spiritualiteit geworteld was. “De afdelingshoofden en adjunct-directeuren van de fabriek tikten veelbetekenend tegen hun voorhoofd wanneer ze – bij afwezigheid van de baas – spraken over zijn visionaire plannen om een ​​school op te richten. Ik kan niet tellen hoe vaak ik dat gebaar destijds heb gezien.” [5]

Toch werd de gedurfde koers van Molt uiteindelijk met succes bekroond. Hij stelde aanzienlijke bedragen uit zijn privévermogen ter beschikking voor antroposofische initiatieven, wendde kapitaalopbrengsten uit zijn fabriek aan voor spirituele doeleinden en wist – dankzij zijn uitgebreide netwerk – ook financiering uit andere bronnen te verwerven. Hij beheerde enorme bedragen met persoonlijke bescheidenheid en een sterk besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid. In zijn fabriek stond hij bekend als “Vader Molt”; op school werd hij “Schoolvader” en “Beschermheer” genoemd; voor het Eerste Goetheanum trad hij op als de door Rudolf Steiner aangestelde beheerder; en hij vervulde leidinggevende functies bij de naamloze vennootschappen “Der Kommende Tag” in Stuttgart en “Futurum” in Zwitserland. Hij zag zijn rol als die van een schakel naar de “buitenwereld” en als facilitator bij het realiseren van antroposofisch geïnspireerde projecten.

“Men had de indruk dat een deel van zijn ziel – net als in een intense dagdroom – verdiept was in belangrijke plannen en fundamentele overwegingen.” [6]

Hij droeg de last van de verantwoordelijkheid moedig, maar moest talloze persoonlijke conflicten doorstaan ​​en lange tijd machteloos toezien hoe de ondernemingen economisch achteruitgingen. Gezien zijn cholerische temperament vormde het beoefenen van de deugd van vertrouwen in sociale contacten – iets waartoe Rudolf Steiner hem bijzonder had aangespoord – een bijzondere uitdaging. Tot aan het einde van zijn leven hield hij zich intensief bezig met het mislukken van de beweging voor sociale vernieuwing en zijn eigen rol daarin; er bestaan ​​talrijke, voorheen ongepubliceerde manuscripten van zijn hand over dit onderwerp.

De oprichting en bloei van de school vormden het absolute hoogtepunt van zijn levensverhaal. [7] De school vervulde het hart van een man die altijd bereid was te geven. Hij had alles – tot het uiterste toe – over voor de school, de leraren en de leerlingen; en als hij niets meer te geven had, bood hij op zijn minst dozen vol Waldorf-Astoriasigaretten aan.

Aan het einde van het eerste schooljaar, toen het lerarenkorps zijn dominante rol binnen de school probeerde in te dammen en hem degradeerde tot ‘adviseur financiële zaken’, was hij diep gekwetst – zozeer zelfs dat Rudolf Steiner als bemiddelaar moest ingrijpen. Zijn vrouw Berta – ‘de ziel van zijn leven’ – deelde in alle vreugdevolle en moeilijke momenten en steunde hem onvoorwaardelijk; zelf maakte ze deel uit van het lerarenkorps als lerares handwerken. Zijn zoon Walter bracht hem regelmatig in gênante situaties – en niet alleen door ijverig sigaretten uit te delen aan zijn klasgenoten. In de tiende klas besloot Walter van school te gaan, een stap die zijn vader onbegrijpelijk vond.

Onbevreesd stond hij in de voorste linie bij de verdediging tegen aanvallen op Rudolf Steiner – zoals de campagne onder leiding van generaal-majoor Gerold von Gleich. Al in december 1919(!) schreef Dietrich Eckart – de sinistere, inspirerende figuur achter Adolf Hitler – kritisch over Molt en de oprichting van de school:

“Wat een heksensabbat is dit! Er opent zich een wereld die de rillingen over de rug doet lopen. De goede ‘schoolvader’! Als hij nog lang doorgaat met deze ‘Steiner-affaire’, vrees ik dat hij op een broeierige zomernacht door de lucht naar de Brocken zal zoeven, met de ‘dokter in de zwarte kunsten’ aan zijn zijde.” [8]

Slechts vier maanden voor zijn dood, toen hij voorzitter was van de schoolvereniging, voerde hij een gesprek met Leo Tölke – vertegenwoordiger van de nationaal-socialistische ouderengroep aan de Freie Waldorfschule Uhlandshöhe – over de opheffing van de vereniging. Hij stelde:

“Je kunt niet zomaar beweren dat de Waldorfschoolvereniging een organisatie is die op een specifieke wereldbeschouwing is gebaseerd, enkel omdat enkele prominente figuren deel uitmaakten van het bestuur van de Antroposofische Vereniging. Je kunt de pedagogie immers niet losmaken van de antroposofie!”

Daarop vroeg Leo Tölke: “Gelooft u dat men antroposoof moet zijn om deze pedagogie in de praktijk te brengen?” Molt antwoordde: “Ja! Je kunt de pedagogie niet louter aan de oppervlakte imiteren. Ze kan alleen op de juiste wijze worden toegepast als men een antroposofisch leerkracht is. Zonder dat kan men deze pedagogie nooit werkelijk gestalte geven.” [9] 

Ook hier toonde hij een voorbeeldige, heldere en moedige houding.

Tegen deze achtergrond verbaast de oproep van Herbert Hahn – die Molt goed kende uit eigen ervaring – ons niet: “Het zou […] binnen de gehele Waldorf-schoolbeweging een spirituele praktijk moeten worden om het beeld van Emil Molt, naast dat van Rudolf Steiner, levend te houden in het bewustzijn van zowel leerkrachten als leerlingen.”[10] 

Voorste rij 3e van links, met hoed, Emil Molt

[1] Rudolf Grosse, Erlebte Pädagogik. Schicksal und Geistesweg. Verlag am Goetheanum, Dornach 1998, S. 37.
[2] Elke Schlösser und Tomas Zdrazil, Kindheits- und Jugenderlebnisse von Hermann Hesse und seine Freundschaft mit dem Schulgründer und Hesse-Mäzen Emil Molt. In: Hermann-Hesse-Jahrbuch, Band 16, 2023, S. 146.
[3] Zum Beispiel siehe: Rudolf Steiner, Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik. Rudolf-Steiner-Verlag, Dornach 1992, S. 18.
GA 293  vertaald  Op deze blog zie: artikel
[4] Emil Molt, Entwurf meiner Lebensbeschreibung. Freies Geistesleben, Stuttgart 1972, S. 133.
[5] Herbert Hahn, Begegnungen mit Emil Molt. In: Erziehungskunst, 23. Jg., H. 9, 1959, S. 253.
[6] Ebd. S. 251.
[7] Emil Molt, a. a. O., S. 207.
[8] Eckart nach Tomas Zdrazil, Freie Waldorfschule in Stuttgart. Rudolf Steiner – das Kollegium – die Pädagogik. Edition Waldorf, Stuttgart 2019, S. 276 f.
[9] Dietrich Esterl, Emil Molt. 1876–1936. Tun, was gefordert ist. Meyer, Stuttgart 2012, S. 229 f.
[10] Herbert Hahn, a. a. O., S. 25.

In het Nederlands:

Sophia Christine Murphy ‘Emil & Berta Molt Oprichters van de eerste Vrije School’

In ‘Vrije Opvoedkunst‘

Algemene menskunde: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Sociale driegeleding: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3596-3389

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – 12e klas – geschiedenis

.
Onderstaand artikel is van 1953. Dat is bijna 75 jaar geleden.
In die 75 jaar is er weer heel wat gebeurt waarover in dit artikel uiteraard niets is te vinden.
Inmiddels is het ook moeilijker geworden door o.a. exameneisen de aanwijzingen van Steiner voor het geschiedenisonderwijs in klas 12 te volgen.
En inmiddels zijn er ook veel jongere leerkrachten die met een geschiedenisopleiding achter de rug dit vak moeten geven, zonder dat ze wellicht van de oorspronkelijke visie op de hoogte zijn.
Van die visie vinden we in dit artikel nog van alles terug.
Wellicht kan het de gezichtspunten voor deze tijd helpen verdiepen.
Vandaar de vertaling.
Literatuur waarnaar verwezen wordt, vermeld ik gewoon, in het besef dat er voor het Nederlandse taalgebied ook andere belangrijk werk is.
.

Johannes Tautz, Erziehungskunst jrg. 17 nr.9 1953
.

De samenhang van historische ontwikkeling

Voor geschiedenislessen in de twaalfde klas 

In de twaalfde klas wordt van de achttienjarige verwacht dat hij een overzicht krijgt van de verschillende kennisgebieden.
Bij geschiedenis is het doel om dieper op de stof in te gaan en – op een boeiende en op het individu gerichte wijze – de stap te zetten van een louter oorzakelijke benadering van de geschiedenis naar het geheel. Dit is het uitgangspunt in het leerplan van de Vrije Waldorfschool.

Niemand zal de moeilijkheid onderschatten om “geschiedenis als geheel” te behandelen. Het idee dat de geschiedenis, als een organisme in de tijd, haar eigen ontwikkelingswet in zich draagt, wordt al honderd jaar met scepsis bekeken.

In de tijd van Goethe ontstond de behoefte aan een alomvattende visie op de geschiedenis. Lessing vatte deze op als de voortschrijdende opvoeding van de mensheid. “De opvoeding van het menselijk geslacht” werd zijn testament. Onder invloed van dit werk ontwikkelde Herder zijn “Ideeën voor een filosofie van de geschiedenis van de mensheid“. Hij zocht naar de geschiedenis binnen de geschiedenis, naar de innerlijke samenhang van het geheel. Hegel bestudeerde de ontwikkelingsstadia. Voor hem was de geschiedenis “de vooruitgang van de mensheid in het bewustzijn van vrijheid.” Schiller vroeg: “Wat is wereldgeschiedenis en met welk doel bestuderen we die?” Hij antwoordde: Wereldgeschiedenis onderzoekt de gebeurtenissen die een aanzienlijke invloed hebben gehad op de huidige gedaante van de wereld en van de mensheid. Men bestudeert wereldgeschiedenis om de eigen positie en taak in het heden te kunnen herkennen.
Uit dit inzicht ontstaan ​​dankbaarheid voor de erfenis van het verleden en de vastberadenheid om aan de toekomst te werken.
   Sinds de tijd van Goethe bestaat er bij mensen een diepgewortelde behoefte
om inzicht te krijgen in de ware, geestelijke samenhang van de historische
ontwikkeling. Het hedendaagse historische onderzoek heeft echter nog niet in deze behoefte voorzien. Daarom wordt van de leraar verwacht dat hij het antwoord geeft dat hij voor zichzelf heeft uitgewerkt.
   Voor de geschiedenisles in de twaalfde klas neemt de leerling een overzicht mee van de voorchristelijke wereldgeschiedenis uit de tiende klas en een overzicht van de christelijke wereldgeschiedenis uit de elfde klas. Hij heeft kennisgemaakt met de wortels van de westerse cultuur in het Middellandse Zeegebied, het Nabije Oosten en Zuidoost-Azië, en heeft de verschuiving van culturele centra van oost naar west gevolgd.
Buiten de westerse cultuursfeer lagen het Verre Oosten (China), het Verre Westen (het precolumbiaanse Amerika) en vroege volkeren – de zogenaamde ‘primitieve’ samenlevingen. Deze komen in de twaalfde klas aan bod, evenals de wereldwijde verspreiding van de Europese natuurwetenschap en technologie.
Het leerplan schrijft voor dat de geschiedenis in haar geheel vanuit het perspectief van de huidige ontwikkelingen wordt besproken en dat er uiteindelijk een blik wordt geworpen op de vormen die de toekomst aanneemt.
Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben ontwikkelingen geleid tot een situatie waarin vrijwel de gehele wereldbevolking in twee groepen is verdeeld.
De scheidslijn loopt dwars door Duitsland heen. Terwijl de westerse dominantie in het oosten en zuidoosten afneemt, ontstaat er in het westen een krachtig zwaartepunt. Centraal-Europa – politiek machteloos en economisch afhankelijk – wordt opgeroepen een culturele bijdrage te leveren.
Leerlingen zullen ontdekken welke vorm deze bijdrage kan aannemen; zij hoeven slechts inzicht te krijgen in de moderne eisen ten aanzien van de mensheid, die voor het eerst tijdens de Franse Revolutie werden verwoord.
Ernst von Aster besluit zijn werk *De Franse Revolutie in de ontwikkeling van haar politieke ideeën* als volgt: “Vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn de idealen van de Revolutie. De Revolutie van 1789 werd gevoerd in naam van de vrijheid; die van 1793 in naam van de gelijkheid. Wanneer zal de revolutie komen die het idee van broederschap boven beide verheft? Als zij er moet komen — als deze revolutie van de toekomst mogelijk moet zijn — dan moet zij ongetwijfeld dieper graven en verder reiken dan een louter politieke omwenteling of zelfs een maatschappelijke vernieuwing; het moet een revolutie van de geest en de ziel zijn.” Zodra dit werkelijkheid wordt, zal vrijheid zegevieren op het gebied van het culturele en geestelijke leven, gelijkheid op het gebied van rechten en staat, en broederschap op het gebied van het economische leven. Rudolf Steiner wees in 1919 op deze oplossing. [1]
Dit brengt de noodzaak met zich mee om een ​​historische onderbouwing te bieden voor het sociale organisme, gestructureerd in de sferen van cultureel-geestelijk leven, rechts- en staatsleven en economisch leven. Docenten zullen waardevol studiemateriaal vinden in Diether Vogels *Freiheitliche Ordnung von Kultur, Staat und Wirtschaft. Die soziale Problematik im Lichte von Goethes Metamorphosenlehre* [Een vrije orde van cultuur, staat en economie: De sociale kwestie in het licht van Goethe’s metamorfosenleer]. 

   Uit de les kwam de volgende samenvatting naar voren: de hoogstaande beschavingen van het Oude Nabije Oosten, het Verre Oosten en het Verre Westen waren theocratieën. Religie, die vanuit de tempelcentra uitstraalde, stond centraal in het leven. Het recht deed zich voor als een goddelijk gebod. De economie speelde slechts een ondergeschikte rol. In Griekenland en Rome werden de fundamentele vormen van het sociaal-politieke leven ontwikkeld – vormen die vandaag de dag nog steeds Griekse en Latijnse namen dragen (democratie, republiek). Politiek bestuur ontstond naast het priesterkoningschap. In de middeleeuwen uitte dit dubbele leiderschap zich in het conflict tussen het pausdom en het keizerrijk. De economie bleef haar ondergeschikte rol behouden. In de moderne tijd werd de economie steeds dominanter. Het theocratische tijdperk werd gevolgd door het politieke tijdperk, en dit weer door het industriële. In de huidige tijd zijn de drie geledingen van het sociale organisme tot ontwikkeling gekomen, maar ontbreekt de juiste onderlinge verhouding. De economie en het geestesleven blijven verweven met de staat; de culturele, politieke en economische sferen moeten echter uiteindelijk tot zelfbestuur komen.
De leerling dient te beseffen dat de toekomst mede afhangt van zijn eigen verantwoordelijkheid.
Wanneer het werk in dit geschiedkundige tijdperk dit stadium heeft bereikt, volgt de ontwikkeling van de moderne staat op organische wijze. Hierbij hoeft de leerkracht slechts de studies van Karl Heyer te volgen, waarvan het belang reeds werd erkend in het tijdschrift *Erziehungskunst* (1952, nr. 8). [niet op deze blog] In deze context krijgt de typering van Frederik II, zoals gegeven door Burckhardt in zijn werk *De cultuur der Renaissance*, betekenis. De Hohenstaufenheerser creëerde in Zuid-Italië het model van de moderne machtsstaat. De steden in Midden- en Noord-Italië volgden dit voorbeeld. Deze ontwikkeling zette zich voort in Frankrijk: het tijdperk van het absolutisme brak aan. Een matiging van dit systeem deed zich voor in de vorm van het zogenaamde ‘verlicht absolutisme’ van Frederik van Pruisen en Jozef van Oostenrijk. Er begonnen zich tegenkrachten te roeren die zich verzetten tegen de almacht van de staat. In Frankrijk brak een revolutie uit.
Gangbare beschrijvingen van de Franse Revolutie belichten de oorzaken en gevolgen ervan. In de twaalfde klas dient de docent echter verder te kijken dan louter causale historische aspecten – door middel van een aanpak die zowel levendig is als gericht op het individu – om zo het totaalbeeld te kunnen vatten. Het onlangs verschenen werk van Karl Heyer, *Gestalten und Ereignisse vor der Französischen Revolution* (Figuren en gebeurtenissen vóór de Franse Revolutie; 301 blz., 1952, is in dit opzicht van onschatbare waarde.
De *Großer Ploetz* stelt: “Alle onevenwichtigheden en grieven werden steeds scherper ervaren, omdat vanaf het midden van de eeuw de kritische geest de Franse samenleving beheerste. Naast de encyclopedisten en hun rationalisme – dat geen enkele autoriteit onbetwist liet – kwam Rousseaus gepassioneerde roep om vrijheid naar voren.”
Karl Heyer beschrijft tot in detail hoe een moment van inspiratie de bron werd voor Rousseaus wereldveranderende geschriften. Gezien het belang ervan is hier het verslag opgenomen dat Rousseau in een brief aan Malesherbes over deze inspirerende ervaring gaf:
‘Ik was onderweg om Diderot te bezoeken, die destijds in Vincennes gevangen zat. Ik had een exemplaar van de *Mercure de France* bij me en bladerde er onderweg doorheen. Mijn oog viel op de prijsvraag van de Academie van Dijon – precies de vraag die aanleiding gaf tot mijn eerste geschrift. Als er ooit iets op een plotselinge ingeving leek, dan was het wel de emotionele vloedgolf die me overviel toen ik die woorden las. Plotseling werd mijn geest verblind door duizend lichtstralen; een menigte levendige ideeën drong zich tegelijkertijd aan me op, met zo’n kracht en in zo’n overvloed dat ik in een staat van onbeschrijfelijke verbijstering raakte. Ik voelde een duizeling in mijn hoofd die op dronkenschap leek. Een hevige onrust maakte zich van mij meester en deed mijn borst op en neer gaan. Omdat ik tijdens het lopen niet op adem kon komen, liet ik me onder een van de bomen langs de weg zakken; ik verkeerde daar een half uur lang in zo’n staat van opwinding dat ik, toen ik weer opstond, merkte dat de voorkant van mijn jas volledig doordrenkt was van de tranen die ik had vergoten zonder dat ik het zelf in de gaten had gehad. Och, had ik maar een kwart kunnen opschrijven van wat ik onder die boom zag en voelde! Met wat een helderheid zou ik alle tegenstrijdigheden van de maatschappelijke orde hebben blootgelegd; met wat een kracht zou ik de misstanden van onze instellingen aan de kaak hebben gesteld; met wat een eenvoud zou ik hebben aangetoond dat de mens van nature goed is en dat het louter onze instellingen zijn die mensen slecht maken. Toch is van die schat aan grote waarheden die mijn geest verlichtten tijdens die kwartier onder de boom, slechts een vage en verbrokkelde herinnering overgebleven in de drie belangrijkste van mijn geschriften.” (Heyer, op. cit., blz. 101 e.v.)

   Een achttienjarige dient vertrouwd te raken met dergelijke feiten. Ze illustreren hoe de ontwikkeling verloopt en hoe de wereld verandert. Iemand kan een bijdrage gaan leveren aan zijn eigen tijdperk – en zelfs aan de wereldgeschiedenis als geheel – zodra de geestelijke samenhangen duidelijk worden.
In de moderne tijd is de economie de overheersende kracht geworden; jongeren moeten zich daarom vertrouwd maken met de fundamentele realiteit ervan. Zoals de menskunde aantoont, begint het begrip hiervan na het twaalfde levensjaar, naarmate de lichamelijke rijping nadert. Daarom doen leerlingen op vrijescholen vanaf hun dertiende jaar ervaring op met overzichtelijke economische ondernemingen, zoals een zeepfabriek of een spinnerij.
De geschiedenislessen in de twaalfde klas, waarin de economische evolutie wordt behandeld, kunnen op dit fundament voortbouwen. Ter oriëntatie voor de leerkracht wordt gewezen op het werk van Folkert Wilken (recentst: *Selbstgestaltung der Wirtschaft* [Zelfvorming van de economie], Freiburg 1949) en *Vom Wesen der Weltwirtschaft* [Over de aard van de wereldeconomie] van Emil Leinhas (Lorch-Stuttgart, z.j.).
Uit de klassengesprekken kwam de volgende samenvatting naar voren: Sinds het einde van de negentiende eeuw is er, naast (en aanvankelijk als aanvulling op) de wereldhandel, een ‘wereldeconomie’ ontstaan. Deze ontwikkeling maakt de industrie afhankelijk van de regelmatige invoer van buitenlandse grondstoffen. Geen enkele nationale economie kan in afzondering bestaan; ze zijn onderling van elkaar afhankelijk. De aarde begint één economische sfeer te vormen. Deze evolutie naar een wereldeconomie stuit echter op tal van obstakels. De doorslaggevende weerstand komt voort uit de moderne economische mentaliteit, die het belang van het individu of de natie als drijvende kracht van de economie beschouwt. In plaats van een wereldeconomie in de ware zin van het woord, hebben zich grootschalige regionale economische blokken gevormd. In het tijdperk van de nationale economie heerste nationaal egoïsme; in het tijdperk van grootschalige economische blokken heerst imperialistisch egoïsme. Toch kan de wereldeconomie niet op egoïsme gebaseerd zijn; omdat ze de gehele aardbol omspant, vereist ze wederzijdse consideratie tussen de economische actoren.

   Vanuit deze basis wordt het mogelijk om de “sociale hoofdwet” [2] te bespreken die Rudolf Steiner in 1905 formuleerde.
Een grondige uiteenzetting vereist aandacht voor de “Industriële Revolutie”, waarvan de tweede fase na de laatste wereldoorlog begon.
Bij een geslaagde aanpak kan een afsluitende samenvatting de fundamentele krachten van het heden zichtbaar maken. Het vormgeven van deze krachten zal de taak van de jongere worden. Zij dienen zich het inzicht van Novalis eigen te maken: “Het Duitse wezen is kosmopolitisme, vermengd met de krachtigste individualiteit.”
Er wordt inderdaad veel gevraagd: alomvattende overzichten die de rede bevredigen; een verdieping in het geestelijke die het gevoelsleven verwarmt; en verbindingen met het heden, gecombineerd met een toekomstvisie die de wilskracht aanwakkert.
Als dit uitblijft, bestaat het gevaar dat jongeren bezwijken onder de geestelijke verlamming die velen vandaag de dag in haar greep houdt. Gelatenheid ten aanzien van de huidige omstandigheden neemt toe. Toch zouden jongeren, wanneer ze vanuit school het leven instappen, hun energie moeten inbrengen in een omgeving die vernieuwing behoeft. Geschiedenisonderwijs van de soort die hier wordt beoogd, kan hen tot “deelnemers aan de grote besluiten van het lot” maken (zoals Goethe over zichzelf zei tijdens zijn verblijf in Italië). Dan kan in hen op een dag het besluit rijpen: wij willen medewerkers worden bij de grote daden die ons tijdperk vereist.
.
[1] Sociale driegeleding: alle artikelen

[2] Over de sociale hoofdwet

12e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.


3595-3388
.
.
.
.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 23 maart 1921

.

Zie ‘het woord vooraf‘

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven.
Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan.
De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

Onrustige klas – hoe werkt het imponderabele <1>
8e klas geschiedenis: lezen Schiller ‘De dertigjarige oorlog’ <2>
Leerlingen lezen elkaar voor in Engelse les klas 7 Christmas Carol <3>

RUDOLF STEINER

.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart

1919 bis 1924

Erster Band

Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1

Het eerste en tweede schooljaar

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

Toevoegingen in blauw zijn van mij.

GA 300A

Blz. 273

Konferenz vom Mittwoch 23. März 1921, wohl abends

Vergadering van woensdag 23 maart 1921 – waarschijnlijk ’s avonds

Dr. Steiner (zu Ruhtenberg, der vertretungsweise die 5b übernommen hatte): Wie haben Sie sich hineingefunden in die 5. Klasse?

<1> (tot Ruhtenberg, die tijdelijk de leiding over klas 5b op zich had genomen): Hoe is het in de vijfde klas gegaan?

X.: Die Kinder sind schwatzhaft und unruhig.

X.: De kinderen zijn kletserig en onrustig.


Dr. Steiner: Auf was ist die Schwatzhaftigkeit zurückzuführen? Die frühere Lehrerin, Fräulein Lang, ist immer zurechtgekommen.

Wat is de oorzaak van dat kletsen? De vorige leerkracht, juffrouw Lang, had de zaak altijd goed onder controle.

X.: Ich habe bei ihr zugehört, bei ihr waren die Kinder durchaus ruhig.

X.: Ik heb haar lessen bijgewoond; bij haar waren de kinderen volkomen stil.

X.: Diese Klasse war immer besonders schwierig.

X.: Deze klas is altijd al bijzonder lastig geweest.

Dr. Steiner: Das ist eine eigentümliche Erscheinung. Fräulein Lang hat sie ruhig gehalten, da liegt immerhin ein Rätsel verborgen.

Dat is een merkwaardig verschijnsel. Juffrouw Lang hield ze rustig; daar schuilt een raadsel in.

X.; Sie war sehr streng.

X.: Ze was erg streng.

Dr. Steiner: Ich mache Sie darauf aufmerksam, daß da etwas vorliegt, was für uns wichtig ist. Fräulein Lang ist eine in Württemberg geprüfte Lehrerin. Wenn wir beurteilt werden, dann wird man die Neigung haben, die stramme Disziplin auf die seminaristische Ausbildung in Württemberg zurückzuführen. Als dazumal die drei inspizierenden Weisen in der Schule waren, da hat einer ganz besonders bei der Frau K. gesagt: Man hätte gesehen, daß es mit der Disziplin nicht ginge bei den nicht Geprüften. Sie hätten es in der Klasse gemerkt, wenn eine richtig geprüfte Lehrerin da war.

Ik wil u erop wijzen dat hier iets aan de hand is dat voor ons van belang is. Juffrouw Lang is een in Württemberg gediplomeerd leerkracht. Bij inspecties zal men geneigd zijn die strenge discipline toe te schrijven aan de lerarenopleiding die zij in Württemberg heeft gevolgd. Toen de drie inspecterende wijzen de school bezochten, merkte een van hen op – specifiek met betrekking tot
mevrouw K. – dat het duidelijk was dat de discipline niet gehandhaafd kon worden door ongediplomeerde leerkrachten; ze konden in de klas het verschil merken wanneer er een gediplomeerd leerkracht aanwezig was.

X.: Ich habe den Eindruck, es liege daran, daß es mir nicht genügend möglich war, mich zu präparieren.

X.: Ik heb de indruk dat het voortkomt uit het feit dat ik me niet voldoende heb kunnen voorbereiden.

Dr. Steiner: Da kommen wir zu den Imponderabilien. Es ist nicht bloß wichtig, was der Lehrer tut, sondern was der Lehrer ist, wie er in der Seelenverfassung ist. Das ist einmal durchaus so. Das muß in Betracht gezogen werden. Solche Dinge treten einem besonders stark entgegen an den Gymnasien, wo sehr häufig die Lehrer des Morgens mit starkem Kater in die Schule kommen, weil sie abends in der Kneipe sind. Da ist der Teufel los, nur durch die Tatsache, daß der Lehrer einen Brummschädel hat. Das gehört zu den Imponderabilien. Das ist der radikalste Fall. Sobald das Eigentümliche eintritt, daß man nicht genügend präpariert ist, da vibriert die Seele anders als sonst. Das spiegelt sich sehr leicht in der Disziplinlosigkeit. Daß man wirklich präpariert ist, das ist die Schwierigkeit bei unseren Lehrern in der Waldorfschule. Es ist bei der anstrengenden Tätigkeit furchtbar schwer, zu präparieren. Warum lachen Sie?

Dat brengt ons bij de niet-meetbare factoren. Het gaat niet alleen om wat de leraar doet, maar om wat de leraar *is* – de toestand van zijn ziel. Dat is zeker het geval; daarmee moet rekening worden gehouden. Dergelijke zaken komen vooral aan het licht op gymnasiums, waar leraren ’s ochtends vaak met een enorme kater op school verschijnen omdat ze de avond ervoor in de kroeg hebben doorgebracht. Er ontstaat chaos, simpelweg omdat de leraar bonzende hoofdpijn heeft. Dat valt onder de categorie van het imponderabele. Dat is het meest extreme voorbeeld. Zodra zich de situatie voordoet dat men niet voldoende voorbereid is, trilt de ziel anders dan gewoonlijk. Dit vertaalt zich maar al te gemakkelijk in een gebrek aan discipline. Werkelijk voorbereid zijn – dat is de moeilijkheid voor onze leraren op de vrijeschool. Gezien de zwaarte van het werk is het ontzettend moeilijk om zich voor te bereiden. Waarom lacht u? <1>

Blz. 274

X.; Weil es so ist!

X. Omdat het zo is!

Dr. Steiner: Wollen wir uns noch einmal zum Bewußtsein bringen, welche Lehrkräfte wir brauchen. — Ja, da wäre die 6. Die braucht nicht geteilt zu werden. 54 Kinder, das kann man noch ertragen.
Aber dann müssen wir an die 9. denken. Dann müssen wir eine 10. anschließen. Da werden wir eine Einteilung treffen.

Es werden die Klassen mit ihren Klassenfachlehrern durchgegangen und verteilt.

Laten we ons nog eens voor de geest halen welke leraren we nodig hebben. — Wel, er is de zesde klas. Die hoeft niet gesplitst te worden. 54 kinderen – dat is nog wel te doen.
Maar dan moeten we kijken naar de negende klas. En dan moeten we een tiende klas toevoegen. Daar zullen we regelingen voor treffen.

De klassen worden samen met de vakleerkrachten doorgenomen en de taken worden verdeeld.

Dr. Steiner: Ich möchte, daß Fräulein Dr. Röschl herkommt. Ich finde sie sehr geeignet. Ich möchte sie sehr gerne hier haben für Lateinisch und Griechisch. Sie kann erst vom Herbst an.
Ist Ruhtenberg frei? Mit Rücksicht darauf, daß ich Fräulein Dr. Röschl durchaus dahaben möchte, würde ich meinen, daß es gut wäre, wenn diese 5b für die Dauer von Herrn Ruhtenberg besorgt würde.
Es würde sich dann nur um zwei neue Lehrkräfte handeln.
Ist nicht Fräulein Klara Michels Fachlehrerin? Sie würde dann wohl nur für eine höhere Klasse in Betracht kommen.
Dr. Kolisko sagt, daß er vom Herbst an an die Schule kommen könnte.

Ik zou graag willen dat Fräulein Dr. Röschl hierheen komt. Ik acht haar zeer geschikt. Ik zou haar hier heel graag hebben voor Latijn en Grieks. Ze kan echter pas in de herfst beginnen.
Is Ruhtenberg beschikbaar? Aangezien ik absoluut wil dat Fräulein Dr. Röschl hier komt, lijkt het me goed als de heer Ruhtenberg voorlopig deze klas 5b op zich neemt.
Dat zou betekenen dat we nog maar twee nieuwe leraren nodig hebben.
Is Fräulein Klara Michels geen vakleerkracht? Zij zou waarschijnlijk alleen voor een hogere klas in aanmerking komen.
Dr. Kolisko zegt dat hij vanaf de herfst naar de school zou kunnen komen.

Dr. Steiner: Wenn dann Dr. Kolisko eintritt, könnte es sich etwas verschieben. — Es ist nicht leicht, Lehrkräfte zu finden. Beworben haben sich riesig viele, aber keine brauchbaren.

Als Dr. Kolisko er dan bij komt, kan de situatie misschien wat verschuiven. — Het is niet eenvoudig om leraren te vinden. Er hebben zich enorm veel mensen aangemeld, maar niemand was geschikt.

X.: Ich bin im Geschichtsunterricht in der 9. Klasse bei der Gegenwart angekommen.

X.: In mijn geschiedenislessen aan de negende klas ben ik bij het heden aangekomen.

Dr. Steiner: Sie dachten zu Jean Paul überzugehen. Ich würde meinen, das, was wir festgelegt haben, müßte fest eingehalten werden. Mit der 8. sind Sie auch bis zur Gegenwart gekommen? Ich würde Ihnen empfehlen, mit der 8. Klasse zu lesen die ersten Kapitel von Schillers „Dreißigjährigem Krieg”. Darin ist sehr viel Bildendes; darin sind sehr viele Dinge, die bis zur Gegenwart gehen.

U was van plan over te gaan op Jean Paul. Ik ben van mening dat we ons strikt <2> aan de gemaakte afspraken moeten houden. Bent u met de achtste klas ook al bij het heden aanbeland? Ik zou u aanraden om met de achtste klas de eerste hoofdstukken van Schillers *Dertigjarige Oorlog* te lezen. Dat bevat veel vormend materiaal; het behandelt tal van zaken die tot in het heden doorwerken. <2>

X.: Sollte es nicht möglich sein, im englischen Unterricht in der 7. Klasse irgend etwas aus einem Buch zu lesen?

<3> X.: Zou het niet mogelijk zijn om tijdens de Engelse les in de zevende klas iets uit een boek te lezen?

Dr. Steiner: Vielleicht ist es doch möglich. Wieviel Zeit werden Sie haben, um zu lesen? Wie könnte man das bewirken, daß „Christmas Carol” gelesen würde? Es ist außerordentlich instruktiv, wenn jedes Kind das Buch hat und man sie einzeln herausruft und vor den anderen in zwangloser Weise vorlesen läßt, damit sie zusammenlesend denkend arbeiten. 6a, 6b: Poetisches; Prosa nach der Poesie.

Misschien is dat toch mogelijk. Hoeveel tijd heeft u voor het lezen? Hoe zouden we het kunnen aanpakken om *A Christmas Carol* te lezen? Het is buitengewoon leerzaam als elk kind het boek heeft en u ze individueel vraagt ​​om op een ontspannen manier voor de klas voor te lezen, zodat ze samenwerken – waarbij ze gezamenlijk lezen en nadenken. 6a, 6b: Poëtisch materiaal; proza ​​volgend op poëzie. <3>

Blz. 275

Im Lateinkurs kann man Ovid oder Vergil lesen. Plutarch, kleine Geschichten.

Bij Latijn kan men Ovidius of Vergilius lezen. Plutarchus – korte verhalen.

X. sagt, er habe Ovid gelesen.

X. zegt dat hij Ovidius heeft gelezen.

Dr. Steiner: Bleiben Sie dabei, bis sie arg viel können.

Blijf ermee doorgaan totdat ze de stof goed beheersen.

Es wird nach Plinius gefragt.

Er wordt een vraag gesteld over Plinius.


Dr. Steiner: Plinius ist eine gute Lektüre. Livius für die ältesten Schüler: da muß man auf die Intimitäten eingehen. Livius hat eine sehr schlechte Überlieferung; er ist der berühmte Schriftsteller, bei dem man immer Konjekturen macht.
Im Griechischen würde ich solche Sprüche mit ihnen durchnehmen
(Dr. Steiner gibt ein Beispiel); es gibt sehr viel solche Zweizeiler im Griechischen.

Plinius is goede lectuur. Livius voor de oudste leerlingen – daar moet men dieper ingaan op de fijnere punten. De tekstoverlevering van Livius is zeer gebrekkig; hij is de beroemde auteur wiens werk voortdurend om tekstcorrecties vraagt.
Bij Grieks zou ik dergelijke spreuken met hen doornemen (Dr. Steiner geeft een voorbeeld); er zijn heel veel van zulke disticha in het Grieks.

Es wird gefragt wegen des Religionsunterrichts.

Er wordt een vraag gesteld over godsdienstonderwijs.

Ein Klassenlehrer: Ich war mit darin in der Klasse 6b. Das ging ganz gut.

Een klassenleerkracht: Ik heb de les in klas 6b ook bijgewoond. Het verliep heel goed.

Dr. Steiner: Man kann jemandem viel helfen, wenn man mit in der Klasse ist.

Je kunt iemand enorm helpen door in de klas aanwezig te zijn.

Wie steht die Sache mit der Eurythmie? Da wollte ich, daß es Frau Doktor hört.

Hoe staat het met de euritmie? Ik wilde dat Mevrouw Steiner daarvan op de hoogte is.

Es wird berichtet. Es war eine Extraklasse gemacht worden.

Er wordt verslag uitgebracht. Er was een extra klas opgezet.

Frau Dr. Steiner: Für einige junge Herren und Damen ist es nicht schlecht, wenn sie bloß zuschauen.

Mevrouw Steiner: Voor sommige jongemannen en jonge vrouwen is het niet erg als ze alleen maar toekijken.

Dr. Steiner: Es ist das Prinzip, die Eurythmie der Schule zu zeigen, dadurch durchbrochen, daß man einen Extrakurs macht. Wenn es richtiges Schulprinzip ist, wird man das nicht machen; man wird nicht eine Extragruppe zubereiten. Aus dem gewöhnlich verlaufenden Schulunterricht würde man es dadurch herausnehmen. Daß man eine Schüleraristokratie macht, das ist etwas, was das Pädagogische in der Schule stört.

Het principe van het presenteren van de euritmie van de school wordt geschonden door een aparte cursus te geven. Als men het ware schoolprincipe volgt, zou men dat niet doen; men zou geen speciale groep voorbereiden. Dat zou de activiteit losmaken uit de reguliere stroom van schoollessen. Het creëren van een aristocratie van leerlingen verstoort het pedagogische werk van de school.

X: Es ist deshalb gemacht worden, weil einige Kinder für Aufführungen gebraucht wurden.

X: Het gebeurde omdat er enkele kinderen nodig waren voor optredens.

Dr. Stemer: Es müssen unter den gewöhnlichen Schülern einige sein, die man brauchen kann. Daß man extra welche präpariert, in einer besonderen Gruppe, das ist unpädagogisch.

Er moeten onder de reguliere leerlingen wel enkelen zijn die ingezet kunnen worden. Er een paar uitpikken om ze in een speciale groep voor te bereiden, is onpedagogisch.

X.: Ich habe mit Herrn N. gesprochen, und er meinte, ob es nicht besser wäre,einen Kurs außerhalb der Schule zu machen.

X: Ik heb met de heer N. gesproken en hij vroeg zich af of het misschien beter zou zijn om een cursus buiten de school om te houden.

Blz. 276

Dr. Steiner: Dann können wir niemals sagen, daß wir die Waldorfschulkinder vorführen. Das ist ein Gesichtspunkt, der für die Öffentlichkeit in Betracht kommt. Es ist niemals in einer Konferenz von einem solchen Extrakurs die Rede gewesen.

Dan kunnen we nooit zeggen dat we de vrijeschoolleerlingen tentoonstellen. Dat is een gezichtspunt dat voor het publiek van belang is. Er is in een lerarenvergadering nooit sprake geweest van zo’n speciale cursus.

X.: Das hat sich bei der ersten Aufführung ergeben.

X.: Dat idee ontstond tijdens de eerste uitvoering.

Dr. Steiner: Es müßten solche einschneidenden Sachen innerhalb der Konferenz zur Sprache kommen. Sonst könnte eines Tages von irgendjemand beschlossen werden, eine Anzahl Kinder auszuwählen und einen Schachkurs zu machen. Prinzipiell ist es dasselbe. Es geht eigentlich nicht. Es ist eine Aristokratie, die man bildet.

Zulke belangrijke zaken moeten in de lerarenvergadering worden besproken. Anders zou iemand op een dag kunnen besluiten een aantal kinderen te selecteren en een schaakcursus te geven. In principe komt het op hetzelfde neer. Dat kan echt niet. Het creëert een soort aristocratie.

Frau Dr. Steiner: Ich begreife das.

Mevrouw Steiner): Dat begrijp ik.

X.: Ich wollte fragen, ob der Gedanke an den Kindergarten aufgegeben ist.

X.: Ik wilde vragen of het idee van de kleuterschool is opgegeven.

Dr. Steiner: Aufgegeben ist er nicht. Wir müssen nur warten, bis wir ihn einrichten können.

Die is niet opgegeven. We moeten alleen wachten tot we het kunnen opzetten.

X.; Wir wollten die Frage der Fortbildungsschule vorbringen.

X.: We wilden de kwestie van de vervolgschool aan de orde stellen.

Dr. Steiner: Gibt es da konkrete Möglichkeiten? Wir müssen einmal den Lehrplan der 10. Klasse festsetzen. Da muß etwas hinein, was wirkliche Lebenspraxis ist. Aber Fortbildungsschule? Liegen denn konkrete Möglichkeiten dafür vor?

Zijn daar concrete mogelijkheden voor? We moeten op enig moment het leerplan voor de tiende klas vaststellen. Dat moet iets bevatten dat verband houdt met de praktijk van alledag. Maar een vervolgschool? Zijn daar concrete mogelijkheden voor?

X.: Es handelt sich um die Kinder, die ausgetreten sind, daß man die gefaßt hätte. Es war jetzt nicht möglich, aus Platzmangel und Geldmangel. Man müßte es vorbereiten für das nächste Jahr.

X.: Het gaat om de kinderen die de school hebben verlaten; het idee was om hen samen te brengen. Dat was op dit moment niet mogelijk vanwege een gebrek aan ruimte en middelen. We zouden ons daarop moeten voorbereiden voor volgend jaar.

Dr. Steiner: Die Vorbereitung würde darin bestehen, zu sorgen, daß die Behörden uns nicht in die Suppe spucken.

De voorbereiding zou eruit moeten bestaan ​​dat we ervoor zorgen dat de autoriteiten geen roet in het eten gooien.

X.: Es ist so, daß nichtstaatliche Fortbildungsschulen vorgesehen sind. Sie müssen nachweisen, daß der Lehrplan nicht unter dem der andern ist.

X.: De situatie is zo dat er voorzieningen zijn voor niet-overheidsgebonden scholen voor vervolgonderwijs. Men moet aantonen dat het leerplan niet onderdoet voor dat van de andere scholen.

Dr. Steiner: Wir hätten den Wahnsinn machen sollen, die Kinder in spezielle Sachen hineinzustecken. Wir können das nicht mitmachen, wenn wir bei unserer Pädagogik bleiben wollen. Wir können doch nur dasjenige einrichten, was den Menschen vorwärtsbringt. Wenn wir Fortbildungsschulen errichten wollen, müssen wir es so einrichten, daß die Kinder etwas davon haben für ihre menschliche Fortbildung. Von uns wird entschieden, was für eine Schule wir errichten wollen. Es hat kein Mensch bezweifelt, daß Strakosch berufen war zu einer

We zouden hebben moeten meegaan in de waanzin om de kinderen in gespecialiseerde programma’s onder te brengen. Daar kunnen we niet aan meedoen als we trouw willen blijven aan onze onderwijsaanpak. We kunnen immers alleen iets opzetten dat de menselijke ontwikkeling bevordert. Als we scholen voor vervolgonderwijs willen oprichten, moeten we ze zo inrichten dat de kinderen er daadwerkelijk baat bij hebben voor hun menselijke ontwikkeling. Het is aan ons om te beslissen wat voor soort school we willen oprichten. Niemand twijfelde eraan dat Strakosch de juiste persoon was voor een

Blz. 277

allgemeinen Fortbildungsschule. Es sollte eine Art praktisch-gymnasiale Fortbildung sein, eine menschliche Fortbildungsschule. Eine andere Sache zu errichten, haben wir nicht die geringste Veranlassung. Es ist doch nicht nötig, daß man dasselbe macht, was die anderen auch machen.

algemene school voor vervolgonderwijs. Het was de bedoeling dat het een soort praktisch en tegelijk gymnasiumvervolgonderwijs zou worden – een school voor menselijke ontwikkeling. We hebben niet de minste reden om iets anders op te zetten. Het is niet nodig dat wij precies doen wat anderen doen.

X.: Die Sache ist so: die Kinder, die in einen Beruf hineinkommen, müssen eine von den staatlichen Schulen besuchen.

X.: De situatie is als volgt: kinderen die een vakopleiding volgen, moeten naar een van de staatsscholen.

Dr. Steiner: Die, die schon in solche Fachschulen gehen, kommen doch nicht zu uns hinein. Wir werden niemand darinnen haben in unseren Klassen. Was uns fehlt, ist die Möglichkeit, die Kinder vom fünfzehnten Jahr an nach unserem Lehrplan zu unterrichten. Das ist dazumal konstatiert worden. Die Frage ist vorläufig erledigt. Das haben wir schon einmal verhandelt; wir können es hier nicht weiter erörtern. Die ganze Frage ist die akuteste: wie ist die Zeit auszufüllen zwischen Volksschule und Hochschule? Wenn wir die Möglichkeit dadurch schaffen könnten, daß wir die Behörden dazu kriegen, uns anzuerkennen, dann würden wir furchtbar Zulauf haben. Ist denn eine Möglichkeit vorhanden, wenn nicht eine solche Lehrlingszeit vorliegt, daß jemand solche Leute in einen Betrieb aufnimmt?

Degenen die al dergelijke beroepsscholen bezoeken, zullen niet naar ons toe komen. Wij zullen hen niet in onze klassen hebben. Wat ons ontbreekt, is de mogelijkheid om kinderen vanaf hun vijftiende levensjaar volgens ons eigen leerplan les te geven. Dat is destijds zo vastgelegd. De zaak is voorlopig afgehandeld. We hebben dit al besproken; we kunnen er hier niet verder op ingaan.
De allerbelangrijkste vraag is: hoe moet de tijd tussen de lagere school en het hoger onderwijs worden ingevuld? Als we de mogelijkheid zouden kunnen creëren — door erkenning van de autoriteiten te verkrijgen — dan zouden we een enorme toestroom van leerlingen zien.
Bestaat er, bij gebrek aan een dergelijke leerlingopleiding, een mogelijkheid voor iemand om zulke jongeren in een bedrijf op te nemen?

X.: Wer nicht bei einem anerkannten Meister gelernt hat, kann nicht angestellt werden.

X.: Iemand die niet is opgeleid door een erkende meester, kan niet worden aangenomen.

Dr. Steiner: Man kann nichts machen! Es ist alles so abgezirkelt, daß es bloß noch kein Gesetz gibt, wie man die Gabel halten muß. Die Frage müßte studiert werden, auf welche Weise man Fortbildungsschulen einrichten kann, daß sie im Sinne der volkspädagogischen Aufsätze Fortbildungsschulen sein können. Die Waldorfschule müßte versuchen, das bei den Behörden durchzudrücken. Man müßte der Schule mehr Ansehen verschaffen.

Er is niets aan te doen! Alles is zo streng gereguleerd dat alleen een wet die voorschrijft hoe men een vork moet vasthouden, nog ontbreekt. We moeten onderzoeken hoe we scholen voor vervolgonderwijs kunnen opzetten zodat ze ook werkelijk als zodanig functioneren, in de geest van de essays over openbaar onderwijs. De Waldorfschool zou moeten proberen dit bij de autoriteiten gedaan te krijgen.
We moeten meer aanzien voor de school verwerven.
.

GA 300A/273-277

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.