Tagarchief: dag en nacht

VRIJESCHOOL – Ritme (3-18)

.

slapen/waken
.

Overlevingskansen en het omgaan met dag en nacht

Dag en nacht – waken en slapen: een ritme dat niet door ieder als vanzelfsprekend wordt ervaren. De een wordt ’s ochtends fris en verkwikt wakker, de ander heeft de hele dag nodig om te herstellen van de slaap en begint ’s avonds pas weer te leven.
Ate Koopmans: ‘Een machtige paradox die het leven met zich meebrengt’.

De toekomst heeft vele kanten. Vooraan in het bewustzijn staat de bedreiging door de massale kernbewapening. Andere bedreigingen voor het leven van de mensheid zoals milieucatastrofes, grondstoffengebrek, overbevolking, golven zo nu en dan in het bewustzijn omhoog om daarna weer een tijdlang weg te ebben. Men herinnere zich in dit verband de publicaties van de Club van Rome.

Het eigenaardige van deze bedreigende toekomstperspectieven is dat ze alle in wezen geen toekomstperspectieven hebben. Je bent ervan overtuigd dat het belangrijk is ze te verhinderen. Maar het zijn perspectieven van een einde, van dood en ondergang.

Er zijn ook toekomstperspectieven die met het leren te maken hebben. Het eigenaardige van deze perspectieven is echter, dat ze niet, of slechts met grote innerlijke inspanning tot bewustzijn gebracht kunnen worden.

Het leven voltrekt zich in ritmen; bij de plant in biologische ritmen, bij de mens ook in bewustzijnsritmen. De meest opvallende is het ritme van dag en nacht. Het belangrijkste perspectief van de toekomst is voor mij het omgaan met dag en nacht, met slapen en waken, geworden. Net iets belangrijker nog dan de verhindering van de catastrofes die ons bedreigen. Omdat het in het laatste geval gaat om het verhinderen van doodsprocessen, in het eerste geval om het ontwikkelen van nieuw leven.

De stedelijke bevolking – en wie behoort daar tegenwoordig niet toe – heeft zich in aanzienlijke mate geëmancipeerd van het dag- en nachtritme. Wie gaat er tegenwoordig nog voor twaalf uur naar bed? Een steeds zeldzamer categorie. De landbevolking – zeker die van voor de oorlog – schudde meewarig het hoofd bij ’t idee de kippen in hun eentje op stok te laten gaan. Dit was tegennatuurlijk, eigenlijk een soort opstand tegen Onze Lieve Heer. Het proces van verstedelijking en het losraken, zich emanciperen van het ritme van dag en nacht hangen naar mijn gevoel duidelijk samen. De mens slaapt steeds meer wanneer hij wil – met of zonder pillen.

De wijze van slapen en ontwaken is zeer verschillend. Ieder heeft daar zijn eigen grondtype in (uiteraard kan dat veranderen gedurende het leven). De een wordt ’s ochtends wakker en is onmiddellijk present. Fris en fluitend stapt hij of zij het bed uit en het bad in. Vertelt dan sterke verhalen aan het ontbijt. Voor een ander die dit moet meemaken is dat een grote ramp, uiterst vermoeiend. Die ander behoort wellicht tot een heel andere categorie van wakker worden. Het grootste deel van de dag is een kwestie van dofheid en dufheid. Pas tegen de avond begint hij te leven. En naast deze extremen zijn er oneindig veel varianten. ‘Zeg mij hoe gij slaapt en waakt en ik zal u zeggen hoe ge in elkaar zit.’ Het klinkt misschien wat boud, maar hoeft niet ver naast de waarheid te zijn. Mensen van het laatste extreem – pas tegen de avond beginnen te leven – zullen bij onbevangen waarneming tot de conclusie komen dat slapen een rampzalige zaak is. Je kunt weliswaar niet zonder, maar als je je eraan overgeeft, maakt het je doodziek en je hebt een groot deel van de dag nodig om je ervan te herstellen. De eerste groep – de ‘frisse jongens’ – zal het daar totaal niet mee eens zijn: slaap verkwikt, in de slaap herstel je je, slaap is de gezondste bezigheid die je je kunt denken. Een machtige paradox die het leven met zich meebrengt. Beiden spreken uit ervaring!

Kijken we eens nader door dit poortje van ervaringen van een gezondmakende slaap en een ziekmakende slaap! Er slapen kennelijk twee verschillende mensen in ons. In de één is die slaper een gezondmaker, in de ander een ziekmaker.

Voor deze paradox is het antroposofische mensbeeld werkelijk een machtige ‘toverdoos’. Vier geledingen in de mens doordringen elkaar twee aan twee: het fysieke en het levenslichaam samen als het levende lijf dat in bed blijft liggen; anderzijds het zielenlichaam (of: astraallichaam) en het ik, die zich beide gedurende de slaap anders tot het slapende lijf verhouden dan in de waaktoestand.

In de slaap gebeuren er – grofweg gesproken – twee dingen. Het astraallichaam heeft zich losgemaakt uit de organen die het bewuste dagleven verzorgen – zoals de zintuigen en de hen verzorgende zenuwen. In de slaap werkt het astraallichaam anders op de organen en processen in. Het bemiddelt tussen een kosmische wereld van werkende oerbeelden en het slapende lichaam. Derhalve trekt het astraallichaam zich in de slaap als het ware terug op zijn thuisfront, dat wil zeggen het land waar de kosmische oerbeelden, de plannenmakers van de organen werkzaam zijn. Daarom is de naam astraallichaam (sterrenlichaam) weliswaar misschien wat ‘geladen’, maar wel zinvol. Het verkwikkende van de slaap is te danken aan deze opbouwende, ‘voedende’ werkzaamheid van het astraallichaam uit de krachten van de kosmische oerbeelden van de organen.

Totaal anders is het met het levende lichaam dat in bed blijft liggen. Ook daar gaan de processen door, maar nu tijdens de slaap met een zekere eenzijdigheid. De belangrijke werkzaamheid van het astraallichaam en het ik zijn immers weggevallen: we slapen. Het levende lichaam is in een aantal zeer belangrijke processen en organen verlaten door het meest eigenlijke van de mens: het astraallichaam en het ik. Het slapende lichaam heeft daardoor de neiging van de ‘eigenlijke’ mens te vervreemden. We kunnen dat waarnemen bij het ontwaken als we onze oplettendheid vergroten. Het gevoel van ‘niet goed wakker’ te kunnen worden, is daar een globaal en wat al te grof voorbeeld van. Bij een nauwkeuriger waarneming ondervinden we dat dit proces veel genuanceerder kan plaats vinden. We kunnen bemerken dat achter dit ‘ergens’ niet goed wakker kunnen worden bepaalde ziektetendensen in ons liggen. En wel van zeer verschillende aard. Degene die pas ’s avonds begint te leven komt uit zijn lichamelijkheid een heel bepaalde, misschien heel onschuldige ‘vervreemdingstendens’ tegen. Maar zo’n tendens kan ook bij de fris-uit-het-bed-springer te vinden zijn, maar dan bijvoorbeeld beperkt tot één proces, of één orgaan.

Wat zit hier achter? Om dit te doorzien moeten we het levenslichaam leren kennen. Zoals het fysieke lichaam verwant is met de zichtbare stof, zo is het levenslichaam dat met de onzichtbare wereld van de elementen, van elementaire wezens. Zo moet men hier uiteindelijk heel zakelijk, en vooral zonder in paniek te geraken, spreken over demonische elementaire wezens die in het levenslichaam kunnen werken, hun werkzaamheid uitbreiden nu de ‘eigenlijke mens’ er in de slaap niet bij is. Zij uiten zich of op natuurlijke wijze – in een lichamelijk ziekteproces – of op het psychische of morele vlak. Het demonische karakter ligt- objectief besloten in het feit dat ze de menselijke lichamelijkheid vervreemden van het astraal lichaam en het ik.

Op deze wijze kunnen we met het antroposofisch mensbeeld een schuchter begin maken ervaringen met slapen en waken te doorlichten. Een korte tussenopmerking over de vraag: waar haal je het recht vandaan op een bepaald moment die ‘toverdoos’ er bij te halen? Je begon eerst fatsoenlijk fenomenen te beschrijven, maar plotseling kwam je met het antroposofisch mensbeeld om de hoek.
Rudolf Steiner zegt dat hij deze verschillende wezensdelen van de mens en hun doen en laten schouwt, ‘ziet’. Wij kunnen dit misschien alleen denken. De vraag is nu echter wat we met die gedachten en ideeën doen.

Op dat gebied kunnen we de accenten heel verschillend leggen. We kunnen met het speculatieve verstand over de ideeën gaan denken. Bijvoorbeeld over hoe waarschijnlijk of onwaarschijnlijk ze zijn, etcetera. We kunnen ze echter ook nog op een of andere manier beproeven, namelijk door de ideeën als het ware te investeren in de waarnemingen en ervaringen en dan te kijken wat er met dit, dat wil zeggen ons ervaringsgebied, gebeurt. Doet het iets? Worden de ervaringen misschien doorzichtiger? Of veranderen we zelf? Kunnen we het betreffende gebied anders hanteren, of veranderen misschien zelfs de ideeën zelf. Gaan ze groeien, worden ze minder ‘dun’, meer concreet, verzadigder, zodat we ze bijna ‘met ogen zien’. Kortom: we gaan een ‘spiritueel pragmatisme’ hanteren, als we in filosofisch jargon willen spreken.

Zoals je bij het astraallichaam gedurende de slaap naar de kwaliteit van bemiddelaar van kosmische oerbeelden kunt zoeken, kun je ook vragen naar de kwaliteit van het ik in de nacht. Het meest dichtbij, lijkt me, is uit te gaan van de heel gewone vraag: wat wil ik eigenlijk gaan doen? Je stelt hem bijvoorbeeld ook op die wijze in de levensfase van een beroepskeuze. Wat wil ik eigenlijk? Of wat wil ik eigenlijk met dit leven of met de komende levensperiode? Een vraag die door de meesten van ons zo tussen zestien en eenentwintig jaar voor het eerst bewust wordt gesteld – en dan het hele leven door op gezette tijden terug kan komen (wat te hopen is). Als je die vraag nu eens ‘omstulpt’ – buiten je gewone zelf plaatst. ‘Wat zou voor mijn zelf – vanuit een objectief perspectief van mens te willen worden – het beste zijn door te maken op aarde’. Je voelt nu onmiddellijk: houd ik die vraag uit?

Het is een karmische vraag, de vraag naar een levenslot dat ik zoek of kies of intendeer. Waar wordt die vraag gesteld? Die vraag leidt ons als het ware naar de kwaliteit van het ik gedurende de slaap. Gedurende de slaap treedt het ik in relatie tot zijn eigen hoger wezen. Uit deze sfeer komen besluiten, zoals het ‘inbouwen’ in je lichaam van een handicap als uitdaging om bijvoorbeeld heel bepaalde wils- of gevoelskrachten in het leven te ontwikkelen. De vraag van het ‘wat wil ik eigenlijk’ staat hier in een heel andere dimensie: sub specie aeternitatis – in het perspectief van de eeuwigheid. En niet alleen met betrekking tot jezelf, maar ook ten opzichte van andere mensen, andere wezens.

Wat heeft dit te maken met de toekomst? Zoals reeds gezegd: ik geloof zeer veel. Onze verregaande emancipatie van slapen-waken van het dag-nachtritme is slechts een uiterlijk symptoom van de emancipatie van de mens van de natuur en van de kosmos. Deze emancipatie voltrok en voltrekt zich. Daar is niets tegen in te brengen. Parallel aan deze emancipatie ontwikkelt zich niet alleen de stedencultuur, maar ook de wetenschap, de industrie, de milieuproblematiek, de hygiëne met de bevolkingsexplosie, de kernsplitsing met de atoombom, enzovoort. Dat is een zeer veelzeggende samenhang, waarop in het verleden wel vaker werd gewezen. Maar ik geloof niet dat er vaak de conclusie aan werd verbonden: mens, zorg voor de toekomst dat je iets nieuws leert in het omgaan met slapen en waken. Niet terug naar de ‘natuurlijke staat’ van met de kippen op stok, maar op een manier die perspectieven biedt voor een ontwikkeling.

Het wezenlijke van de antroposofie ligt mijns inziens in het feit, dat zij een praktijk-gerichte wetenschap is om de verhouding van slapen en waken op een nieuwe wijze te leren hanteren. En wel zo dat daaruit gezond-makende, genezende impulsen voor de menselijke samenleving voortkomen. Dat lijkt een vreemde en boute ‘definitie’. Maar als je kijkt naar de door Rudolf Steiner gegeven schilderingen van de antroposofische scholingsweg met de verschillende oefeningen en hun werking en ook maar de eerste stappen en ervaringen hebt opgedaan, dan merk je dat dit te maken heeft met inslapen en ontwaken. Als je de dag zo beëindigt dat je in een beeld of een spreuk geconcentreerd en met de grootst mogelijke innerlijke activiteit een korte tijd leeft, beïnvloed je de slaaptoestand. Je neemt met deze ‘meditatie’ in de waaktoestand een initiatief waardoor je anders leert slapen. Dat wil zeggen dat je gunstig en bevorderend werkt op de genezende, gezondmakende werking van de slaap uit de wereld van de oerbeelden. Maar dat is niet het enige. Je komt tevens in een bewustere relatie tot dat wezen dat zich onder andere manifesteert in de vraag: wat wil ik eigenlijk – morgen, in de komende levensfase, met dit leven.

En een andere aanbeveling is deze meditatie te laten voorafgaan door een terugblik op de dag. Maak in deze terugblik beelden van de mensen waarmee je te maken had, van je ontmoetingen of uiteenzettingen met mensen: exacte en concrete, sappige beelden. De energie en de krachten die je daarin investeert, doen je in de slaaptoestand anders in relatie treden tot de mensen-ikken waar je mee te maken had. Ook zij zijn het die zich verbergen achter de vraag ‘wat wil ik eigenlijk’. Op deze wijze werk je als het ware via de omweg van de nacht tevens op de sociale vermogens die in het dagleven van ons verlangd worden. En ook in het sociale en maatschappelijke leven kun je over ziekte en gezondheid spreken, in een hogere zin.

Het omgaan met dag en nacht is zowel in natuurlijk als ook in sociaal opzicht een vraagstuk van ziektetendensen en genezende, gezondmakende krachten. Uit de nacht haalt de mens diepe morele impulsen, positieve en negatieve. Gezondheid en ziekte, christelijke naastenliefde en kernbommen komen beide in zekere zin uit de wereld van de nacht, maar wel op verschillende wijze en uit verschillende bron. Die verschillende wijzen en die verschillende bronnen bewust op het spoor te komen is daarom zo belangrijk, omdat daaruit pas echte keuzes kunnen voortkomen.

.

Ate Koopmans, Jonas, 18-03-1983

.

Ritme: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1581

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Ritme (3-16)

.

De verankering van de tijd aan de aarde

In het scheppingsverhaal van de Bijbel worden door de scheppende Godheid op de Vierde Scheppingsdag de tijd-ritmen ingevoerd, die ten grondslag zullen liggen aan de schepping en aan het leven op aarde. Op deze vierde scheppingsdag worden zon, maan en sterren geschapen en in beweging gezet, die het ritme van dag en jaar bepalen, die het beeldschrift aan de hemel schrijven, dat het leven op aarde zal inspireren in zijn veelvoudige aspecten. En God sprak: ‘Lichten mogen schijnen aan het hemelgewelf om te onderscheiden tussen de dag en de nacht, en zij mogen worden tot tekenen en tot gezette tijden en tot dagen en jaren.’

De schrifttekens aan de hemel vormden de grondslag van het tijdbewustzijn van de mensen, in alle opeenvolgende cultuurperioden over de gehele aarde. Dit schrift te kunnen lezen gold als hoogste wijsheid. Deze wijsheid doordrong en ordende het menselijke leven in al zijn samenhangen en uitingen, en gaf inzicht in het wezen van de natuur, waarin de mens leefde. De verschijningen aan de hemel, in hun wetmatig zich wijzigende bestendigheid, eerden door wijze leidsmannen ervaren als goddelijke aanwijzingen en gaven hun de innerlijke zekerheid en kracht, om de hun toevertrouwde mensengemeenschappen te leiden en de natuur tot een menswaardige omgeving om te vormen.

In dit tijdsbeleven was de zon onveranderlijk trouw, in de afwisseling van dag en nacht, in de gang door het jaar. Haar dagelijkse gang werd beleefd aan hitte en koelte en aan de steeds wisselende licht- en schaduwverhoudingen, waarvoor de mens nog een open oog had. (Het kan in deze tijd voor ons een enthousiasmerende belevenis zijn om bijvoorbeeld in de vakantie deze tijdwaarnemingen te scholen, en te proberen de tijd waar te nemen uit zonnestand en schaduwwerking, uit het schaduwverloop in het bergdal of uit de licht- en kleurnuances van de zee in de loop van de dag!) De zonnejaargetijden, de seizoenen, spiegelden zich in de atmosferische verschijnselen en in planten- en dierenwereld (storm, regen, enz.).

De maan, met haar wisselende gestalten, bewerkstelligde maand en week, doorkruiste het zonnejaar, waartoe zij slechts iedere 18 jaar dezelfde verhouding terug vond. De Israëlieten schiepen de week van zeven dagen en nieuwe maan was voor hen het begin van de maand. Om de drie jaar moesten deze maan-maanden weer aan het zonnejaar worden aangepast. De oude Perzen, de zonaanbidders, hadden al de twaalf maanden ingevoegd in het zonnejaar, onafhankelijk van het maanverloop.

Deze wisselende, in een levende gelijkmatigheid voortgaande hemelse schrift eiste van de mensen een voortdurende waakzaamheid en aandacht voor hun omgeving, die de huidige mens niet meer kent, waartegenover hij, zo te zeggen, in een diepe slaap is verzonken. Wie kijkt nog naar de hemel en weet, waar maan en planeten te vinden zijn? Hoe hun wegen gaan? Wie ervaart nog in de nuancering van het daglicht de voortgang van de tijd?

De mens is volledig aardeburger geworden, de hemel werd voor hem gesloten, de goden trokken zich terug uit hun werk. Dat moest ook zo zijn, want de mens moest volwassen worden en niet langer aan de leiband der goden gaan. Zo verloor hij allengs de mogelijkheid om in aarde- natuur- en hemelverschijningen het goddelijke oerbeeld te kunnen herkennen. De hemelse schrift werd zuivere mechanica, die echter, tot ergernis van de mannen van de wetenschap, toch geen helemaal sluitende rekening te zien gaf.

De sterrenwereld bleef zo dynamisch, dat zij niet in wetten was te vatten zonder voortdurende correcties door waarneming van de werkelijke verschijnselen. Zelfs de beweging van de nabije maan kan niet volledig berekend worden, omdat de maan niet alleen onder invloed van zon en aarde staat, maar eveneens onder invloed van alle andere planeten. De maan alleen al spiegelt in zijn beweging om de aarde de gehele planetaire beweging van ons zonnestelsel aan de aarde toe. De mens zocht nu zijn tijdbepaling op de aarde zelf. Eerst was het nog de zonnewijzer, die de tijd aangaf (zandloper en waterklok waren al duizenden jaren in gebruik, meten echter een bepaalde tijdsduur, niet een tijdstip in de loop van dag of jaar). In de late Middeleeuwen werd de mechanische klok ontwikkeld, die op mechanische wijze de beweging van zon en sterren kon uitdrukken. Bij deze klokken probeerde men nog zover mogelijk het beeld van het zonnestelsel in mechanische constructies in te bouwen: de uurcirkel liet de gang van de zon langs de twaalf tekens van de dierenriem zien, de maangestalte verscheen op de wijzerplaat; ook werden gecompliceerde planetaria geconstrueerd. Er ontstond een grote geestdrift om de verschijningen van de hemel in mechanische constructies af te beelden. Al spoedig bleek het echter onmogelijk om met aardse middelen, als de mechanica is, te voldoen aan de oneindige verscheidenheid en veranderlijkheid van de verschijnselen aan de hemel. De aarde zelf is zo geschapen, zoals ook uit het scheppingsverhaal blijkt, dat zij alleen een eeuwig-gelijkblijvend ritme kan voortbrengen. De mechanische klok kon de schommelingen in de ware zonnetijd niet uitbeelden en zo keerde men de zaak om en verzon de ‘middelbare’ zonnetijd, die deze schommelingen uitwiste.

Als in de 20ste eeuw de meetinstrumenten en meetmethoden tot een steeds grotere nauwkeurigheid worden ontwikkeld en tegelijkertijd de kennis van de aardestoffen steeds verder wordt verdiept, voldoen ook de mechanische constructies niet meer voor tijdmeting. Als grondslag voor tijdmeting worden de stabiele en elektrisch op te wekken trillingen van een kristal genomen, waarvoor kwarts zeer geschikt bleek. In de kwartsklok, en nu ook het kwartshorloge, vervangen deze ‘piëzo-elektrische’ trillingen van een kwartskristalletje de vroegere mechanische onrust, die nodig was om de gang van het uurwerk gelijkmatig te doen verlopen. Dit was het begin van de verankering van de tijdmeting, nu niet alleen aan de aardse mechanica, maar aan de aardse materie zelf. Het ging echter nog verder: in het jaar 1955 werd de atoomklok ingevoerd, die berust op de zeer stabiele absorptie- en resonantietrillingen van bepaalde metaalatomen en die volgens wetenschappelijke berekening in 300.000 jaar slechts één seconde verkeerd kan lopen.

De tijdmeting, die voor de huidige natuurwetenschap bruikbaar is, is nu volledig verankerd aan de aardematerie en de hemel wordt voortaan overgelaten aan de wetenschap van de astronomie. In het dagelijkse leven, waaraan in werkelijkheid geheel andere wetmatigheden ten grondslag liggen, kan men nu beleven, wat in de wetenschap begon. Ook voor het dagelijkse leven wordt de hemel oninteressant. Men kan reeds bemerken, dat de wijzerklok alleen nog esthetische waarde heeft; de digitale klok is in de mode gekomen. Daaruit blijkt, dat men er zich nog maar nauwelijks van bewust is, dat het beeld (van de wijzerstand in de uurcirkel) veel sneller en sterker werkt dan het getal. De mechanische klok, die altijd weer gecontroleerd en gelijk gesteld moet worden, wordt afgelost door de kwartsklok met elektrische batterij-aandrijving, die zelfs al als dameshorloge in mini-formaat te verkrijgen is. Want deze lopen altijd gelijk. Wat echter tijd in werkelijkheid is, wat zij te betekenen heeft in het leven van mens en aarde als levend, richtinggevend, wisselend ritme, dat kan de mens nu volledig vergeten, hij verzinkt, wat de tijd betreft, in de diepe slaap van de monotonie. In de christelijke kerk was het levende inzicht in de kosmisch-goddelijke wetmatigheden van de hemelse wereld al vroeg verloren gegaan of tot dogma’s verstard. Zo verloor, in de loop van de verdere cultuurontwikkeling, ook de kerk de hemel, die zij had moeten beschermen tegenover de steeds materialistischer wordende natuurwetenschap.

Wij hebben het aan Rudolf Steiner te danken, dat hij de wetenschappelijke methoden van de natuurwetenschap weer heeft kunnen verbinden met een helder inzicht in de goddelijk-geestelijke wetmatigheden van ons zonnestelsel; dat hij aarde en mens weer in samenhang heeft kunnen brengen met de zonne-planeten-wereld zoals zij ook in de Bijbelse scheppingsgeschiedenis in een onscheidbare samenhang waren gedacht.

In de scheppingsgeschiedenis worden mens en dier pas geschapen als de hemelse ordeningen van zon, maan en sterren zijn ingezet. De ziel heeft ritme nodig om te kunnen existeren, geordend in dag en nacht, in waken en slapen, in week en maand, in jaargetijden, in 7-jaar-perioden, in geboorte en dood. Aan deze ritmen kan zij steeds nieuwe impulsen ontlokken, die haar de mogelijkheden schenken tot een voortdurende, nooit eindigende ontplooiing. *)

Juist in het voortdurende verstarringsproces van de aarde, ingeleid door de zondeval, heeft de mens de dynamiek nodig van het hemelgebeuren, om zich te kunnen ontworstelen aan de aardse, statische monotonie. De mens is in het aardse gebeuren ingeschakeld als stadhouder Gods, alleen hij heeft de mogelijkheid en dientengevolge de taak zich steeds verder te ontwikkelen en zich en zijn wereld te leren kennen in hun levende, vanuit het goddelijke vormgegeven wetmatigheden, om vanuit die kennis daaraan leiding te kunnen geven.

Om opnieuw de weg naar de hemel te vinden, moet de mens uit zichzelf een sterk bewustzijn ontwikkelen, het wordt hem niet meer geschonken. De aarde kan door haar massieve resistentie deze bewustzijnskrachten sterken. Staande op de aarde en omhoogziend tot de hemel verkrijgt de mens pas zijn werkelijke menszijn.
.

Ruth Scherpenhuijsen Rom, Jonas 24, 27-07-1979

.

*) Zie ook D. Lauenstein, Wetmatigheden in de levensloop van de mens, Christofoor, Rotterdam, 1978.

Ritme: alle artikelen

1533

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-13)

.

De tijd als ritme van de dag

Van de tijdseenheden waarmee we leven, spreekt de dag van 24 uur ons het meest direct aan. In ritmisch opzicht is er ook een duidelijke polariteit: dag en nacht. De verdere indeling in 24 uren is dan meer een rekensommetje: 8 uur slapen en 16 uur om te verdelen over werk, eten en ontspanning. Die verdeling wordt meestal door de praktijk bepaald, door het werk dat er te doen is, door de verbreidheid die optreedt, door het eten dat op vaste uren op tafel staat, enz.
De maaltijden brengen voor het grootste deel van de mensen een heel bepaalde dagindeling, een zeker ritme met kleine variaties. Voor deze mensen is er dus door onze leefgewoonten een bepaalde dagindeling. Die kan meer of minder ritmisch zijn maar ze is er en ze speelt zich voor het grootste gedeelte buiten ons bewustzijn af. Voor 25 procent van de werkende mensen ligt de zaak anders. Deze 25 procent werken namelijk in continuediensten en -bedrijven. Hieronder vallen niet alleen de arbeiders bij Hoogovens of Philips e.a., maar ook bijvoorbeeld buschauffeurs, trambestuurders, verpleegkundigen, horecapersoneel. Dit is een zichzelf ontwikkelende toestand, want naarmate er meer mensen in continuedienst werken, moet er meer nachtelijk vervoer zijn, enz. Dit alles grijpt in elkaar en voert steeds meer tot het niet beleven van dag en nacht. Men denke hier ook aan mijnwerkers bijvoorbeeld die overdag ondergronds werken en in de winter nooit het daglicht zien. Het werkt ook door in de gezinnen. De kinderen leven nog min of meer regelmatig door hun schooltijden en dergelijke, maar de huismoeders worden voortdurend heen en weer geslingerd tussen de regelmaat van het leven van de kinderen en het onregelmatige leven van de man-vader. Voor de kinderen treedt een grote onregelmatigheid op in de tijden dat ze de vader zien. Behalve sociale problemen kan dit ook innerlijke conflicten oproepen.

Voor een deel van onze tijdgenoten is dus ritmisch leven uitgesloten. Iedere bedrijfsarts kan vertellen, hoeveel groter het ziekteverzuim is bij degenen die in onregelmatige diensten werken, dan bij degenen die hun vaste werktijden hebben. Aan het ziek worden door een onritmisch leven, kan in eerste instantie, de betekenis van het ritme voor de dagindeling worden afgelezen.

Er zijn blijkbaar wetten in onze dagindeling, die we niet straffeloos kunnen negeren, bijvoorbeeld slapen overdag en werken ’s nachts, het onregelmatig innemen van de hoofdmaaltijden en alles wat met deze ritmen samenhangt. Juist voor de mensen, die dit betreft, is het echter belangrijk te weten, dat er bepaalde wetten zijn, die met het ritme van de dag te maken hebben, ook al kan men aan de eigen levenssituatie op het moment niet veel veranderen.

Hier komt de vraag op, of men niet individueel dit ritme veranderen kan. Tot op zekere hoogte is dit mogelijk, wanneer het bewust gehanteerd wordt en het onritmische of een tijdsindeling met eigen ritme bewust gecorrigeerd wordt. Men kan bijvoorbeeld zeker zijn eigen middernacht scheppen, maar moet dan wel weten wat men doet en hoe men dit doen kan. Daartoe is het nodig te zien, of er een ‘objectief’ ritme is in de dag van 24 uur. We zullen daartoe uit moeten gaan van de geografische en biologische gegevens, om daarna te komen tot de werking op ziel en geest en omgekeerd van geest en ziel op deze natuurlijke gegevens.

Een etmaal kent twee grote polariteiten. We kunnen van de eerste polariteit uitgaan, die van dag en nacht. In onze wereld, die in tijdszones is ingedeeld, klopt de middernacht niet met 0 uur op de klok en de middag niet met 12 uur. Onze klokken lopen circa 50 minuten voor. De zon staat dagelijks op haar hoogste punt als het horloge 12.50 uur aanwijst. In de zomer wordt dat zelfs 13.50 uur. Ook deze tijden zijn een benadering, daar er tussen Amsterdam en Arnhem bijvoorbeeld nog een verschil van enkele minuten ligt. Dit vertroebelt ons beleven van de tijd. Vooral omdat we het hoogste punt van de zon, pas met veel oefening en ervaring kunnen waarnemen. De middernacht nemen we nooit waar aan de zon. Wel is dit mogelijk aan de maan, bijvoorbeeld bij volle maan. Dan staat hij te middernacht op de hoogste plaats aan de hemel, voor die nacht. Omdat deze hoogste plaats voor elke dag en nacht weer een andere is, behoort deze waarneming praktisch voor de gewone mens tot de onmogelijkheden. Wij leven naar ons horloge en moeten ons dus voor het beleven van de werkelijke middag of middernacht telkens even omschakelen, omdat het horloge ons maar ongeveer met de werkelijkheid verbindt. Daarin ligt reeds een stuk vervreemding van de natuur, dat wil zeggen van licht en duisternis. Als we weten hoe belangrijk het licht is voor alle leven, kunnen we ook tot het inzicht komen, dat het bewust waarnemen van licht en duisteris wel eens belangrijk zou kunnen in.

In zeker opzicht kunnen we dat ook. De polariteit van dag en nacht, staat in een zekere verhouding tot de polariteit van zomer en winter. In de winter zijn de dagen kort en de nachten lang, in de zomer is het omgekeerd. In onze streken is de kortste dag nog geen 8 uur en de langste iets meer dan 16 ½ uur. Van Kerstmis tot St.-Jan worden de dagen steeds langer en wel onregelmatig. Eerst langzaam en dan steeds sneller tot Pasen toe, na Pasen gaat het weer langzamer.
Omstreeks St.-Jan en Kerstmis blijven de dagen gedurende een week ongeveer even lang, omstreeks Pasen en Michael scheelt het per dag 4 of 5 minuten. Daarin zit dus reeds een zeker ritme; we leven iets versneld met het licht naarmate we van Kerstmis verder gaan naar Pasen, van Pasen tot St.-Jan worden we langzamer in de verlenging van de dagen, van St.-Jan tot Michael treedt weer een versnelling op, terwijl het van Michael tot Kerstmis weer vertraagt. Loopt dit niet merkwaardig parallel met het beleven van de ochtend en de avond ten opzichte van het nidden van de dag? Direct na zonsopgang neemt de hoeveelheid licht sneller toe dan later op de ochtend, en ’s avonds neemt het sneller af. Hierin onderscheidt zich het ritme duidelijk van regelmaat.

Daarmee zijn we tegelijkertijd bij de andere polariteit van de dag, namelijk morgen en avond. Naar uren gemeten duurt de schemering niet zo lang, maar kwalitatief zijn het opgaan van de zon en haar ondergaan hoogst belangrijk. Ze zijn dat voor het biologische leven maar vooral ook voor het zielenleven. Met wat voor een verlangen kunnen we in een slapeloze nacht uitzien naar de komst van het eerste licht. En hoe kan een kind ernaar verlangen dat het met St.-Maarten, St.-Nikolaas of Kerstmis donker wordt, of dat met St.-Jan het licht zo lang mogelijk blijft.

Er zijn echter ook ‘objectieve’ kenmerken van ochtend en avond. De kleuren zijn bijvoorbeeld anders dan overdag, intensiever en meer gedifferentieerd. Iedereen kent het verschijnsel dat de vogels een half uur voor zonsondergang zwijgen. Vaak kan men ook waarnemen, hoe voor de zonsopgang de wind sterker wordt en bij zonsondergang gaat liggen. Beleven we dag en nacht vooral bijna vertikaal als licht en duisternis, scherpe tegenstellingen, het beleven van ochtend en avond is meer het gaan van een horizontale weg. We gaan onze levensweg van de morgen tot de avond begeleid door ons wakkere bewustzijn, de dag en de nacht daarentegen kennen de tegenstelling van bewustzijn en bewusteloosheid. Vooralsnog is ons slechts 2/3 van ons leven min of meer bewust. Daartussen ligt telkens 1/3  waarvan we niets weten.

Hoe kunnen we nu met deze ritmen omgaan? Als we ontwaken worden onze zintuigen werkzaam. Bij sommige mensen ineens, bij anderen langzaam aan. Misschien wisten we eerst bij het wakker worden nog net iets van een droom, maar enkele minuten later is dat verdwenen. Onze wakkerheid neemt toe in de loop van de ochtend, maar midden op de dag is het net of we weer wat slaperig worden, een zekere loomheid overvalt ons. We hebben ons met onze zintuigen zo aan de wereld overgegeven, dat we onszelf als het ware aan de wereld verliezen.

In de Oud-Griekse wereld wist men, dat de natuur ons dan teveel gevangen nam en ons bewustzijn wat uitdoofde. Het hoofd van alle natuurwezens, de god Pan nam de mensen dan in het ootje en er ontstond paniek. Paniek ontstaat als de buitenwereld sterker wordt dan ons bewustzijn. Dat is midden op de dag een beetje het geval. Het is goed om er rekening mee te houden. Oude legenden kennen de middagsvrouw, die ons domme dingen laat doen.

De middernacht is anders. We hebben dan de diepste slaap. In de slaap beleven wij verfrissing. Dat komt omdat het bewustzijn overdag onze levenskrachten afbreekt. In de nacht kan zich dat herstellen. Maar de ziel heeft in de nacht ook haar eigen leven. Soms speelt er in onze dromen iets door, dat we in de nacht verwerken, wat we overdag hebben beleefd. Daardoor kijken we na een verfrissende nacht anders tegen de problemen van de vorige dag aan. We hebben er een nachtje over geslapen.

Wat speelt zich hier af? Aan de wisseling van dag en nacht worden we ons als Ik bewust. Ik neem waar en ik denk zolang ik wakker ben. Bij het in slaap vallen verliezen we het bewustzijn van het Ik. Juist door deze wisseling worden we ons van ons Ik bewust. Maar het bewustzijn verliezen, is niet hetzelfde als het verloren gaan van het Ik. Ons waarnemingsvermogen schiet tekort. Uit het verwerken van de dag in de nacht blijkt de activiteit van het Ik, want er is continuïteit van de ene dag op de andere. Het Ik lijkt alleen in de nacht vaak wijzer te zijn dan overdag. We moeten vaak veel moeite doen, om met ons dagbewustzijn te begrijpen wat we bij het ontwaken ‘intuïtief’ weten. Ja, we moeten zelfs moeite doen om dat weten niet onmiddellijk te vergeten. Reeds Nietzsche wist dat de nacht wijzer is dan de dag (‘Die Nacht ist weiser als der Tag gedacht’ uit Zarathustra).

Daarom zijn de overgangen van dag naar nacht en nacht naar dag zo belangrijk. Op dit gebied is wel vrijwel ieder mens geëmancipeerd van de natuurlijke gang van zaken. Wij gaan niet met de kippen op stok en staan niet op bij het hanengekraai. We doen dat naar eigen ritme.

Wie de gewoonte neemt om ’s avonds de dag te overzien, zal na korte tijd de vruchten daarvan bemerken in een meer consequent leven. We bereiden daardoor voor, wat we in de nacht onbewust gaan doen. We bereiden dat bewust voor. We brengen een klein stukje bewustzijn naar de nacht toe. Dit proces wordt bevorderd wanneer we deze terugblik teruglopend doen, dus beginnen bij de avond. Het voert hier te ver om dat geheel te funderen. Hier moet naar de werken van Rudolf Steiner verwezen worden, met name naar die boeken waarin de scholingsweg beschreven wordt. Een weg om te begrijpen wat hier gebeurt, is wanneer we ons duidelijk maken wat er gebeurt als we fysiek terug lopen. We moeten dan ‘ogen in de rug’ ontwikkelen, dat wil zeggen zekerheid krijgen van binnen uit, niet vertrouwend op de zintuigen, maar op een innerlijk gevoel. Als we ons verder op de nacht willen voorbereiden, is het goed ons te verdiepen in alles wat met het leven van de ziel te maken heeft wanneer het uiterlijke zich niet opdringt. Wie zich de tijd geeft om tot een gebed of meditatie te komen, versterkt zijn mogelijkheid om de nacht bewuster te gaan beleven. Want gebed en meditatie betekenen zich verdiepen in inhouden, die de ziel vervullen buiten de zintuigelijke indrukken om. Iedereen kent de ervaring dat een teveel aan zintuigelijke indrukken ons uitloogt. In het waarnemen door de zintuigen versterken wij ons Ik, we worden wakkerder. Maar een gezonde ontwikkeling van het Ik verlangt nu ook het polaire, het zich terugtrekken van de zintuigelijke indruk en het rust zoeken in zichzelf. Maar daarvoor moet er wel een inhoud zijn, omdat anders alleen de zintuigelijke indrukken nawerken.

Zo ontstaat dan een verdere versterking van het Ik. Het Onze Vader is een gebed dat in de eerste drie beden de hogere wereld zoekt en in de volgende vier (brood – schuld – verzoeking – het boze) de aardewereld zoals die er vanuit de geesteswereld uitziet. In dit laatste ligt vooral de zin van ochtendgebed en -meditatie: het leven in de nachtelijke zielen-geesteswereld als het ware mee te nemen in het leven met de zintuigen. Het is daarbij van belang dat dit in volle wakkerheid gebeurt. In het leven is iedere overgang van groot belang. Het wakker beleven van een overgang, bevrijdt ons van schrik en bewusteloosheid. De dingen overvallen ons dan niet meer, maar we treden ze tegemoet.

Zulk een overgang is ook het middaguur. We spraken eerder reeds over de paniek. Het toenemen van het licht is op het middaguur voorbij. De sterkte van de zintuigelijke indrukken neemt af. We hebben het allermeest uitgeademd en gaan nu weer inademen. Het is zaak niet buiten adem te raken en ons niet te laten overweldigen. Enkele minuten concentratie op een geestelijke inhoud zijn voor iedereen praktisch mogelijk. Als het meer dan enkele minuten kunnen zijn, werkt het sterker.

Tenslotte: vanuit het inzicht in dit ademingsproces van de dag en van dag en nacht zullen we – indien ons werk dat mogelijk maakt – ’s ochtends kunnen komen tot meer creatieve arbeid, ’s middags en ’s avonds tot een meer bezonnen opnemen. Voor de meeste mensen is dit nog niet mogelijk. Een ordening in die zin, hoort ook in een nieuwe maatschappij thuis, maar het weten omtrent deze wetten kan ook tot vindingrijkheid leiden.

.

Jacobus Knijpenga, Jonas 8/9, 15-12-1978

.

Ritme: alle artikelen

.

1523

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.