VRIJESCHOOL – Ritme (3-13)

.

De verankering van de tijd aan de aarde

In het scheppingsverhaal van de Bijbel worden door de scheppende Godheid op de Vierde Scheppingsdag de tijd-ritmen ingevoerd, die ten grondslag zullen liggen aan de schepping en aan het leven op aarde. Op deze vierde scheppingsdag worden zon, maan en sterren geschapen en in beweging gezet. die het ritme van dag en jaar bepalen, die het beeldschrift aan de hemel schrijven, dat het leven op aarde zal inspireren in zijn veelvoudige aspecten. En God sprak: ‘Lichten mogen schijnen aan het hemelgewelf om te onderscheiden tussen de dag en de nacht, en zij mogen worden tot tekenen en tot gezette tijden en tot dagen en jaren.’

De schrifttekens aan de hemel vormden de grondslag van het tijdbewustzijn van de mensen, in alle opeenvolgende cultuurperioden over de gehele aarde. Dit schrift te kunnen lezen gold als hoogste wijsheid. Deze wijsheid doordrong en ordende het menselijke leven in al zijn samenhangen en uitingen, en gaf inzicht in het wezen van de natuur, waarin de mens leefde. De verschijningen aan de hemel, in hun wetmatig zich wijzigende bestendigheid, eerden door wijze leidsmannen ervaren als goddelijke aanwijzingen en gaven hun de innerlijke zekerheid en kracht, om de hun toevertrouwde mensengemeenschappen te leiden en de natuur tot een menswaardige omgeving om te vormen.

In dit tijdsbeleven was de zon onveranderlijk trouw, in de afwisseling van dag en nacht, in de gang door het jaar. Haar dagelijkse gang werd beleefd aan hitte en koelte en aan de steeds wisselende licht- en schaduwverhoudingen, waarvoor de mens nog een open oog had. (Het kan in deze tijd voor ons een enthousiasmerende belevenis zijn om bijvoorbeeld in de vakantie deze tijdwaarnemingen te scholen, en te proberen de tijd waar te nemen uit zonnestand en schaduwwerking, uit het schaduwverloop in het bergdal of uit de licht- en kleurnuances van de zee in de loop van de dag!) De zonnejaargetijden, de seizoenen, spiegelden zich in de atmosferische verschijnselen en in planten- en dierenwereld (storm, regen, enz.).

De maan, met haar wisselende gestalten, bewerkstelligde maand en week, doorkruiste het zonnejaar, waartoe zij slechts iedere 18 jaar dezelfde verhouding terug vond. De Israëlieten schiepen de week van zeven dagen en nieuwe maan was voor hen het begin van de maand. Om de drie jaar moesten deze maan-maanden weer aan het zonnejaar worden aangepast. De oude Perzen, de zonaanbidders, hadden al de twaalf maanden ingevoegd in het zonnejaar, onafhankelijk van het maanverloop.

Deze wisselende, in een levende gelijkmatigheid voortgaande hemelse schrift  eiste van de mensen een voortdurende waakzaamheid en aandacht voor hun omgeving, die de huidige mens niet meer kent, waartegenover hij, zo te zeggen, in een diepe slaap is verzonken. Wie kijkt nog naar de hemel en weet, waar maan en planeten te vinden zijn? Hoe hun wegen gaan? Wie ervaart nog in de nuancering van het daglicht de voortgang van de tijd?

De mens is volledig aardeburger geworden, de hemel werd voor hem gesloten, de goden trokken zich terug uit hun werk. Dat moest ook zo zijn, want de mens moest volwassen worden en niet langer aan de leiband der goden gaan. Zo verloor hij allengs de mogelijkheid om in aarde- natuur- en hemelverschijningen het goddelijke oerbeeld te kunnen herkennen. De hemelse schrift werd zuivere mechanica, die echter, tot ergernis van de mannen van de wetenschap, toch geen helemaal sluitende rekening te zien gaf.

De sterrenwereld bleef zo dynamisch, dat zij niet in wetten was te vatten zonder voortdurende correcties door waarneming van de werkelijke verschijnselen. Zelfs de beweging van de nabije maan kan niet volledig berekend worden, omdat de maan niet alleen onder invloed van zon en aarde staat, maar eveneens onder invloed van alle andere planeten. De maan alleen al spiegelt in zijn beweging om de aarde de gehele planetaire beweging van ons zonnestelsel aan de aarde toe. De mens zocht nu zijn tijdbepaling op de aarde zelf. Eerst was het nog de zonnewijzer, die de tijd aangaf (zandloper en waterklok waren al duizenden jaren in gebruik, meten echter een bepaalde tijdsduur, niet een tijdstip in de loop van dag of jaar). In de late middeleeuwen werd de mechanische klok ontwikkeld, die op mechanische wijze de beweging van zon en sterren kon uitdrukken. Bij deze klokken probeerde men nog zover mogelijk het beeld van het zonnestelsel in mechanische constructies in te bouwen: de uurcirkel liet de gang van de zon langs de twaalf tekens van de dierenriem zien, de maangestalte verscheen op de wijzerplaat; ook werden gecompliceerde planetaria geconstrueerd. Er ontstond een grote geestdrift om de verschijningen van de hemel in mechanische constructies af te beelden. Al spoedig bleek het echter onmogelijk om met aardse middelen, als de mechanica is, te voldoen aan de oneindige verscheidenheid en veranderlijkheid van de verschijnselen aan de hemel. De aarde zelf is zo geschapen, zoals ook uit het scheppingsverhaal blijkt, dat zij alleen een eeuwig-gelijkblijvend ritme kan voortbrengen. De mechanische klok kon de schommelingen in de ware zonnetijd niet uitbeelden en zo keerde men de zaak om en verzon de ‘middelbare’ zonnetijd, die deze schommelingen uitwiste.

Als in de 20ste eeuw de meetinstrumenten en meetmethoden tot een steeds grotere nauwkeurigheid worden ontwikkeld en tegelijkertijd de kennis van de aardestoffen steeds verder wordt verdiept, voldoen ook de mechanische constructies niet meer voor tijdmeting. Als grondslag voor tijdmeting worden de stabiele en elektrisch op te wekken trillingen van een kristal genomen, waarvoor kwarts zeer geschikt bleek. In de kwartsklok, en nu ook het kwartshorloge, vervangen deze ‘piëzo-elektrische’ trillingen van een kwartskristalletje de vroegere mechanische onrust, die nodig was om de gang van het uurwerk gelijkmatig te doen verlopen. Dit was het begin van de verankering van de tijdmeting, nu niet alleen aan de aardse mechanica, maar aan de aardse materie zelf. Het ging echter nog verder: in het jaar 1955 werd de atoomklok ingevoerd, die berust op de zeer stabiele absorptie- en resonantietrillingen van bepaalde metaalatomen en die volgens wetenschappelijke berekening in 300.000 jaar slechts één sekonde verkeerd kan lopen.

De tijdmeting, die voor de huidige natuurwetenschap bruikbaar is, is nu volledig verankerd aan de aardematerie en de hemel wordt voortaan overgelaten aan de wetenschap van de astronomie. In het dagelijkse leven, waaraan in werkelijkheid geheel andere wetmatigheden ten grondslag liggen, kan men nu beleven, wat in de wetenschap begon. Ook voor het dagelijkse leven wordt de hemel oninteressant. Men kan reeds bemerken, dat de wijzerklok alleen nog esthetische waarde heeft; de digitale klok is in de mode gekomen. Daaruit blijkt, dat men er zich nog maar nauwelijks van bewust is, dat het beeld (van de wijzerstand in de uurcirkel) veel sneller en sterker werkt dan het getal. De mechanische klok, die altijd weer gecontroleerd en gelijk gesteld moet worden, wordt afgelost door de kwartsklok met elektrische batterij-aandrijving, die zelfs al als dameshorloge in mini-formaat te verkrijgen is. Want deze lopen altijd gelijk. Wat echter tijd in werkelijkheid is, wat zij te betekenen heeft in het leven van mens en aarde als levend, richtinggevend, wisselend ritme, dat kan de mens nu volledig vergeten, hij verzinkt, wat de tijd betreft, in de diepe slaap van de monotonie. In de christelijke kerk was het levende inzicht in de kosmisch-goddelijke wetmatigheden van de hemelse wereld al vroeg verloren gegaan of tot dogma’s verstard. Zo verloor, in de loop van de verdere cultuurontwikkeling, ook de kerk de hemel, die zij had moeten beschermen tegenover de steeds materialistischer wordende natuurwetenschap.

Wij hebben het aan Rudolf Steiner te danken, dat hij de wetenschappelijke methoden van de natuurwetenschap weer heeft kunnen verbinden met een helder inzicht in de goddelijk-geestelijke wetmatigheden van ons zonnestelsel; dat hij aarde en mens weer in samenhang heeft kunnen brengen met de zonne-planeten-wereld zoals zij ook in de bijbelse scheppingsgeschiedenis in een onscheidbare samenhang waren gedacht.

In de scheppingsgeschiedenis worden mens en dier pas geschapen als de hemelse ordeningen van zon, maan en sterren zijn ingezet. De ziel heeft ritme nodig om te kunnen existeren, geordend in dag en nacht, in waken en slapen, in week en maand, in jaargetijden, in 7-jaar-perioden, in geboorte en dood. Aan deze ritmen kan zij steeds nieuwe impulsen ontlokken, die haar de mogelijkheden schenken tot een voortdurende, nooit eindigende ontplooiing. *)

Juist in het voortdurende verstarringsproces van de aarde, ingeleid door de zondeval, heeft de mens de dynamiek nodig van het hemelgebeuren, om zich te kunnen ontworstelen aan de aardse, statische monotonie. De mens is in het aardse gebeuren ingeschakeld als stadhouder Gods, alleen hij heeft de mogelijkheid en dientengevolge de taak zich steeds verder te ontwikkelen en zich en zijn wereld te leren kennen in hun levende, vanuit het goddelijke vormgegeven wetmatigheden, om vanuit die kennis daaraan leiding te kunnen geven.

Om opnieuw de weg naar de hemel te vinden, moet de mens uit zichzelf een sterk bewustzijn ontwikkelen, het wordt hem niet meer geschonken. De aarde kan door haar massieve resistentie deze bewustzijnskrachten sterken. Staande op de aarde en omhoogziend tot de hemel verkrijgt de mens pas zijn werkelijke menszijn.
.

Ruth Scherpenhuijsen Rom, Jonas 24, 27-07-1979

.

*) Zie ook D. Lauenstein, Wetmatigheden in de levensloop van de mens, Christofoor, Rotterdam, 1978.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.