Tagarchief: klas 4 dierkunde

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (14)

Als leerkracht kun je nooit genoeg weten als het om de antwoorden gaat die je zou moeten en willen geven op vragen van de kinderen.

Wie weet ‘zomaar’ hoe de staart van een kameel eruit ziet.
Zo kun je tientallen vragen van allerlei aard op je afgevuurd krijgen, waarop je het antwoord in eerste instantie schuldig moet blijven. Natuurlijk beloof je er ‘de volgende dag’ op terug te komen en gelukkig kun je alles opzoeken, want er bestaat een enorme feitenkennis.

Hier volgt een overzichtje van:

DE SNELHEID VAN DIEREN

giraf

(mooi voor een bordtekening)

snelheid dieren 1 - 0014

de onderste blauwe tabel gaat verder met:

zeemeeuw       180 km
adelaar            193 km
zwaluw            210 km
edelvalk          314 km
gierzwaluw    320 km
fregatvogel    400 km

snelheden gemeten onder zeer gunstige omstandigheden.

Een Amerikaanse geleerde, Chapman Andrews, was de directeur van een bekend natuur-historisch museum. Hij was de leider van een wetenschappelijke expeditie door India.
Terwijl hij met zijn jeep de woestijnachtige vlakte bij de grens met Nepal doorkruiste, zag hij in de verte een dier, dat zich lenig tussen het dorre gras bewoog. Toen Chapman dichterbij kwam, herkende hij het dier. Het was een jachtluipaard. Chapman stuurde zijn jeep in de richting van het dier. Dit ging onmiddellijk op de vlucht. Het gaspedaal van de jeep werd dieper ingetrapt om het vluchtende dier te achtervolgen.

Tot zijn verbazing zag Chapman de wijzer van de snelheidsmeter steeds verder uitslaan. De wijzer trilde naar 80…, 90… en kwam bij 100 kilometer per uur tot rust. De poten van het dier waren nauwe­lijks te onderscheiden, zo vlug roffelden ze over de vlakte. Het jachtluipaard zag nog kans om de snelheid te verhogen. Bij 110 km per uur kon de jeep niet sneller.

De jachtluipaard bleek gewoonweg sneller te zijn dan een mense­lijke machine.

In de dierenwereld is snelheid een levensvoorwaarde. Roofdieren komen alleen aan hun voedsel, als ze sneller zijn dan hun prooi. Omgekeerd is het voor de prooi van belang om door snelheid proberen te ontsnappen.
Dus is snelheid in de dierenwereld belangrijk voor het voortbestaan van de soorten. De natuur heeft hiervoor dieren ontwikkeld met waarschijnlijk hoge snelheden.

De landdieren vinden hun kracht voornamelijk in de spierbundels en de lenigheid. De vogels krijgen hun snelheid door de sterke vleugels en de gestroomlijnde vorm van hun lichaam. De stroomlijn geldt ook voor de vissen en de zoogdieren die in het water leven. De vleugels van de vogels lijken dan op de vinnen van de vissen.

In de overzichten is af te lezen wat de snelheid van elk dier is. De metingen zijn verricht onder normale omstandigheden, behalve bij de adelaar en de fregatvogel: daar waren de omstandigheden zeer gunstig.

Als er zeer gunstige omstandigheden zijn, zoals tijdens duikvluchten of bij sterke rugwind, kunnen nog hogere snelheden gemeten worden!

fregatvogel

snelheid dieren 5 - 0016

 

dierkunde: alle artikelen 

Rudolf Steiner over dierkunde

822

VRIJESCHOOL – Grohmann: Leesboek voor de dierkunde (1) – het rendier

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 7                                                                            hoofdstuk 1

HET RENDIER

Het rendier is een hertensoort dat boven de poolgrens in het hoge noorden van Europa, heel Azië en Canada voorkomt.
Het is een kuddedier, wild, maar ook getemd. Tamme kudden kunnen wel uit duizenden beesten bestaan.
Het wilde rendier in het bijzonder, heeft een erg mooi, machtig gewei, dat naar voren toe gebogen is en aan de uiteinden zijn schoffels gevormd. Ook de oogspitsen van het gewei die bij onze herten, zoals bekend eenvoudig blijven, vertakken zich bij het rendier en dragen daardoor niet weinig bij het koninklijk voorkomen van het dier bij, zeker bij oudere dieren waarbij ook weer schoffels gevormd worden. Ook de rendierkoe, zoals men het wijfje noemt, heeft hoorns, maar hier ontwikkelt het gewei zich kleiner en minder statig dan bij de stieren. In de winter werpen de stieren en de koeien hun gewei af. Dan kun je de ‘stangen‘ in het bos vinden en vossen en wolven knagen eraan. Zolang het nieuwe gewei nog groeit, zit er een vel over, de bast, en daarom ziet het er dik en als een vacht uit.
Voor een reiziger is het altijd een geweldige beleving, wanneer hij voor de eerste keer zo’n prachtige geweidrager ziet lopen.
De kop zelf is niet helemaal zo edel gevormd als bij ander herten, bijv. bij ons edelhert; de poten zijn wat gedrongener en ook iets korter, maar het rendier, in het bijzonder wanneer het in het wild leeft, is desondanks een heel trots, statig en flink dier. Zijn hoeven zijn veel breder dan bij de andere hertensoorten en de tenen zijn dieper gespleten, daardoor kunnen zij die ook wijd spreiden. De achtertenen strekken zich heel ver naar onderen, zodat ze zich mede van de grond kunnen opdrukken. Zo moeten de voeten van een dier gebouwd zijn, dat niet in de sneeuw, maar ook niet in het moeras moet wegzakken.

Wat zijn voedsel betreft is het rendier met weinig tevreden en bescheiden. Bergplantjes of de gewassen van de boomloze toendra moeten het voeden. Dikwijls genoeg is het alleen maar mos dat eerst met de hoeven vanonder de sneeuw vandaan gekrabd moet worden; of van stenen afgeknaagd moet worden. Het rendiermos dat het rendier tot voedsel dient, is er zelfs naar genoemd. Wanneer in de lente de knoppen en de eerste jonge blaadjes aan de struiken uitbotten, breekt er voor het rendier, na het gebrek aan voedsel, een goede tijd aan. De vermagerde dieren komen weer aan en weldra werpen ze de dikke wintervacht af.

Ook de tamme herten hebben geen warme stal waarin ze in de winter hun toevlucht kunnen zoeken en gevoerd kunnen worden. Bij bijtende kou moeten zij het in het boomloze hooggebergte of misschien nog tussen de bomen aan de randen van een meer zien uit te houden. De storm dwingt hen dicht bij elkaar te blijven en de herders met hun trouwe honden moeten zich ook overgeven aan die guurheid. Maar zelfs deze weersomstandigheden lijken geen vat te krijgen op de kudde. Ze worden beschermd door een warme wintervacht van wel 5 cm dik en om hun hals krijgen ze lange ruwe haren als manen. Ook het vel van hun poten wordt in de winter hariger. De wintervacht is veel lichter van kleur dan de zomerhuid en daarom vallen de kudden in de sneeuw veel minder op. Wie zo goed ingepakt is, kan wel wat kou verdragen en daarbij komt nog dat het zonder meer een dier van het hoge noorden is.

Drom altijd samen, jullie rendieren en trotseer de wind en doe je kop naar beneden en droom van de lente.

De volken van het Europese en Aziatische noorden voor wie het leven in de wildernis pas mogelijk wordt door het weinig eisende rendier, zijn nomaden. Ze verkrijgen van hun kudden die zij als enig bezit koesteren en verzorgen, vlees en melk, waaruit dan weer kaas bereid wordt. Het bloed wordt opgedronken als het nog warm is; de maaginhoud wordt als een bijzondere lekkernij opgepeuzeld, omdat er veel plantenresten in zitten. Je kunt je wel indenken hoe onontbeerlijk de huiden van de geslachte dieren zijn om er kleren, allerlei riemen, schoenen, waterzakken, ja zelfs tenten met de inrichting van te maken. Eveneens worden ze versneden en gekauwde pezen gebruikt als naaidraad; botten en gewei worden tot alles en nog wat aan gebruiksvoorwerpen en siervoorwerpen verwerkt. Er is dus niets van het dier dat niet in de strijd tegen de harde natuur een waardevolle dienst kan bewijzen!
Het rendier wordt ook benut als lastdier, bijvoorbeeld wanneer de familie, door de seizoenen gedwongen, aan hun verre omzwervingen beginnen. Dan worden de dieren met de tenten en alle have en goed bepakt. Op het laatst komen de kleine kinderen er nog bovenop. Daarbij komt ook nog dat men van oudsher het rendier als trekdier afgericht heeft, maar slechts zelden gebruikt men het als rijdier, zoals in Noord-Siberië. Dan moet er een speciaal zadel boven de voorpoten gelegd worden, want een ruiter als een paard te dragen, daarvoor is de rug van een rendier te zwak.

Het rendier komt in het wild voor in Noord-Scandinavië, maar ook op IJsland en op Spitsbergen tref je ze aan. Op de toendra van Canada loopt een bijzonder mooie variëteit, de kariboe, die tijdens de zomer op lange omzwervingen zelfs over de bevroren zee tot in Groenland komt.

De jacht op wilde rendieren is nog moeilijker dan de jacht op gemzen, alleen al omdat men zich in volstrekt onbewoonde, onherbergzame gebieden zonder bomen moet wagen waar ook geen herdershutten staan om je tegen kou en regen te beschermen of waar je zou kunnen slapen. Dan geldt: geen inspanning uit de weg te gaan. Men moet voor vele dagen proviand meenemen en hoog de bergen ingaan, waar allang geen bomen meer groeien, alleen nog een paar dicht tegen de grond gedrongen dwergstruiken, waarachter een mens – om niet gezien te worden – hooguit plat liggend zich kan verbergen. Men moet uren-, ja dagenlang overgeleverd aan de schrale wind over schots- en scheef liggend puin met scherpe kanten klimmen, omhoog klauteren langs glibberige rotswanden en wanneer er een stortbeek komt, mag men er niets om geven om tot op de huid toe nat te worden, ja, als het moet er op handen en voeten doorheen te kruipen om maar niet gezien te worden. Zo moet je een roedel wilde rendieren naderen.
Misschien ligt er net een te rusten op een gletsjerrand of een besneeuwd veld die je ook in de zomer in het hoge noorden overal aantreft, om te herkauwen. De koelte boven biedt gedurende de zomermaanden bescherming tegen de lastige steekmuggen of dazen, die vreselijke kwelgeesten, ook van de stropers. Maar het hoofd van de roedel is waakzaam. Hij is niet gaan liggen, maar kijkt en ruikt met zijn scherpe zintuigen die veel beter zijn dan die van de mens, naar alle kanten. Wanneer hij moe wordt en gaat liggen, staat er meteen een ander dier op om in zijn plaats de wacht over te nemen. Nu moet de jager precies de windrichting zoeken, zodat hij tegen de wind in en niet met de wind mee verder sluipt, anders geeft de leider een waarschuwing en de hele kudde stuift er gezind vandoor, om pas honderden meters verder weer stil te houden. Dan kunnen voor de jagers onder deze omstandigheden de moeite en de kwellingen van vele dagen tevergeefs zijn geweest.
En hoe moeilijk is het niet om een kudde wilde rendieren in het hooggebergte te ontdekken. En met welke zinsbegoocheling krijgt een jager niet te maken, want de kleur van de dieren wijkt nauwelijks af van de rotsige bodem!
Ook roofdieren, beren en wolven, die maar al te graag een jong rendier grijpen, wordt dit door de waakzaamheid en de weerbaarheid van de roedel bijna onmogelijk gemaakt.

Het rendier heeft dus de eenzame, afgelegen streken waar geen mens leeft, als zijn veilige woongebied uitgezocht. Gedurende zijn trektochten in de herfst en het voorjaar vermijdt het zelfs angstvallig het lichte berkenbos van de dieper gelegen meeroevers, omdat het zich daar niet meer zeker voelt. Zo schuw en voorzichtig is het rendier!

Maar zelfs de getemde kudden hebben zich nog lang niet zo vertrouwd bij de mens aangesloten als de huisdieren. Ze africhten zodat ze kunnen dragen of sleeën kunnen trekken is een heel moeilijk en tijdrovende werk. Steeds opnieuw komen wildheid en de niet te beteugelen drang naar vrijheid naar buiten. Om ze te kunnen melken moeten de koppige rendierkoeien eerst met touwen vastgebonden worden, willen ze dat toelaten. Als een dier voor het werk nodig is, moet het met een lasso gevangen worden, waarbij het gewei natuurlijk wel handig is.

Bijzonder ervaren rendierherders zijn de in Noord-Scandinavië wonende Lappen. Als echte nomaden moeten zij hun leven helemaal aan het leven van hun rendieren aanpassen. Deze kudden zijn hun grote trots, maar ook hun plaag, want het leven in de eenzaamheid van de bergen in weer en wind in hun lichte tenten is hard. Het kan voorkomen dat de kleine kinderen ingesneeuwd zijn, wanneer ze ’s morgens wakker worden, omdat ’s nachts de tent door een storm weggewaaid is.
Hoe groter de kudde is die een Lap zijn eigendom kan noemen, des te gelukkiger voelt hij zich en des te meer aanzien heeft hij ook. Daarom is het voor een Lap ook veel erger, wanneer hij door een epidemie of een andere ongeluk zijn kudden verliest, dan wanneer een boer zijn vee kwijt raakt. Hele gezinnen die eerst rijk waren, raken in armoede en bittere ellende.

Voor de kudden rendieren breekt een moeilijke tijd aan, wanneer de zon in de lente overdag in de bergen al zo warm is, dat de sneeuw zacht wordt. Dan ontstaan er ’s nachts ijskorsten en wanneer de rendieren daar met hun hoeven doorzakken, raken ze door de scherpe kanten gewond aan hun poten. Nog meer ellende hebben de kudden, maar ook de herders, natuurlijk  van de roofdieren, die hongerig rondzwerven. Allereerst moet je de beren noemen, maar ook de veelvraat, dat bloeddorstige, marterachtige roofdier van het noorden. Met zijn bijna duivelse moordzucht kan die erg gevaarlijk zijn. Juist de dieren die buiten de kudde zijn geraakt, vallen ten prooi aan deze rovers. Voor de kudden zijn in het bijzonder de wolven gevaarlijk, omdat deze ook als roedel te werk gaan. Alleen al hun huiveringwekkend gehuil jaagt de kudden angst aan, ja dat kan hen volledig in de war brengen. Maar daar zijn de sluwe wolven nu juist op uit. Een deel van de meute loopt in een grote boog om de kudde heen en drijft de bange dieren naar de andere wolven. Ook al kan een rendier zich met zijn gewei en krachtige, weerbare voorpoten goed tegen een enkele wolf verdedigen, dan toch worden de vreedzame weidedieren, alleen al om hun jongen, van een door honger huilende wolfsroedel wild van schrik. De kudde kan ook een gevechtslinie vormen, wanneer ze worden aangevallen. Dicht tegen elkaar aangedrukt, worden de jongen in het midden gehouden en de sterke stieren stellen zich met hun koppen naar beneden, naar de buitenkant gericht, op. Tegen zo’n gevechtslinie is het ook voor de wolven erg moeilijk er op af te rennen en toch wordt meestal wel een of ander dier naar de grond getrokken. Hongerige wolven zijn nu eenmaal razende woestelingen.

Om zo’n overval te voorkomen, moeten de herders dikwijls dag en nacht op wacht staan. Ten tijde van bijzonder gevaar, kunnen ze het niet wagen om zelfs maar te slapen. Dan moeten ze de nacht doorbrengen, leunend op een stok. Ook dat behoort tot het zware leven van de herders in het hoge noorden.

Eenmaal per jaar is het voor de Lappen een heel bijzondere dag, of liever gezegd, een heel bijzondere nacht. Wanneer de jonge rendieren gemerkt worden. In de grote kudden worden de dieren van verschillende eigenaren gemeenschappelijk gehoed en je moet toch weten van wie welk dier is. Zolang de kalfjes, die in het voorjaar worden geboren nog bij de moeder lopen, zie je dat gemakkelijk. In de herfst echter gaan de kalveren bij de moeder weg. Kort van te voren spreken de Lappen een dag af, waarop de kudden uit de bergen in de dalen worden gebracht. De dieren die de kudde leiden worden met een lasso gevangen en in de dalen gebracht. Geduldig volgt de hele kudde. Ze worden over de van oudsher kilometers lange wegen geleid. Vaak moeten ze door rivieren waden of meren overzwemmen: een onvergetelijk schouwspel voor ieder die het kan zien, wanneer alleen de koppen boven water uitkomen en daarboven een woud van geweien.
Uiteindelijk zijn de kudden dan op de verzamelplaatsen, die eveneens ieder jaar weer worden gebruikt. Het moet nacht zijn, omdat de kudden dan niet onrustig worden door de muggen en de dazen. Maar de nacht is aan deze kant van de poolcirkel nog altijd licht genoeg. Het is alleen wat schemerig. Ongeduldig wachten zij die in het dal achtergebleven zijn op de aankomst van de dieren. Plotseling duiken in de verte de kudden op en weldra hoor je ook het getrappel van de dicht opeengepakte dieren en ook het typische getik wanneer de hoeven elkaar raken. Van alle kanten komen ze aan, deze geweigolven. Als ze eindelijk allemaal bij elkaar staan, wordt de kraal afgesloten. De dieren lopen nog gejaagd rond of vormen aparte rijen. Midden in het gewoel en de opwinding echter, staan rustig de Lappen met volgens de regels der kunst opgerolde lasso’s over de arm en wie bij de Lappen op bezoek is, mag ook mee binnen de kraal om te kijken naar het mooie wat daar wordt gedaan. Soms komt er een rij rendieren, aangevoerd door een sterke stier op je af gegaloppeerd. Je bent al bang onder de voet te worden gelopen, maar met een ruk blijven ze allemaal staan en de stroom splitst zich en raast links en rechts aan je voorbij.

Ondertussen werpen de Lappen zoals het hoort en behendig de lasso’s om de kalveren. De lus slaat – dat hangt er vanaf – om de hals of de poten van de jonge dieren. De Lap trekt het touw vast aan en trekt ze op de grond. Dan gaat hij erop zitten, trekt zijn scherp geslepen mes en kerft zijn merkteken in het oor. Het doet geen pijn, ja het bloedt zelfs niet eens. Soms ook weer ontworstelt het kalf zich aan de lus en springt er vandoor. Zijn eindelijk alle kalveren gemerkt, wat bij de grote kudden de hele nacht duurt, dan wordt de afsluiting weggehaald en de kudden mogen weer in hun bergen het voedsel zoeken.

In veel streken betekent het merken van de dieren groot feest waar ook de kinderen en familieleden, die anders in  de dalen wonen, naartoe komen. Op deze dag voelt de Lap hoe gezegend hij is. Wat een gejuich wanneer de gehoornde scharen vanaf de berghoogten aankomen!

Het getemde rendier wordt natuurlijk niet bejaagd, maar geslacht. Ook het slachten betekent groot feest, waarbij veel gegeten wordt. De geselecteerde dieren worden door een messteek in de borst gedood en sterven snel. Het vlees dat als voorraad dient, wordt in de buitenlucht gedroogd, het is de jaaroogst van de Lappen. Het vel van verschillende lichaamsdelen wordt steeds voor bepaalde doeleinden gebruikt: voor kleren, mutsen, schoenen, dus waarvoor het het meest geschikt is. Zo worden bijvoorbeeld de heel kleine kinderen in de wieg gelegd op delen van het vel die van de buik van het rendier komen, want daar is het vel bijzonder zacht en donzig.
Maar wie als klein kind op rendiervel in bed is gelegd, zou voor hem ook later, wanneer hij groot is geworden, het rendier niet een geliefd en vertrouwd dier zijn?
Zijn hele leven zal hij ermee verbonden blijven.

.

Grohmann: leesboek dierkunde: inhoudsopgave
.

Eigen vertaling van ‘Lesebuch der Tierkunde’
.

dierkunde: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

.

790

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – Duits (1)

Duits lagere klassen
Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

Naturkunde  bei den Kleinen (3. Klasse)

Das Rind

Personen:
Die Kuh
Der Stier
Ein Kind im roten Kleid
Ein Zuschauer

Die Kuh

(zum Kind, behabig und breit)

Ich bin die Kuh
Und mache »Muh!«
Und mahl’ in Ruh’
Mein Futter dazu;
Ich fresse stündlich,
Doch dafür gründlich,
Und dreh’ mit Fleiss
Mein Maul im Kreis

(lafit sich langsam nieder)

Und beug’ die Glieder
Und lass mich nieder
Und kaue wieder,
Was ich da frass
Vom grünen Gras,
Und durch mein Euter
Geb’ ich es weiter
Als fromme Milch.
Auch mach’ ich Mist,
Der nützlich ist.
Ja, ich bin gut,
Hab’ ruhig Blut,
Hab’ keine Eil’ und keine Sorgen,
Und, komm’ ich heut’ nicht, komm’ ich morgen

Der Stier

(feurig kraftvoll)

Der Stier bin ich,
Mit StoB und Stich
So wehr’ ich mich!
Hab’ Feuer im Blick,
Kraft im Genick,
Die Adern strotzen,
Wer kann mir trotzen?!

(gegen das Kind)

Ein rotes Tuch
Reizt mich genug:
Die Beine steil’ ich,
Die Muskeln schwell’ich,
Den Kopf gesenkt
Und losgesprengt!
In schnellem Lauf
Spiess’ ich dich auf!
Zu nah nicht mir!
Das rat’ ich dir!
Ich bin der Stier.

(Stösst das Kind um.)

Der Zuschauer

(hebt das weinende Kind auf und spricht zu ihm in belehrendem Ton)

Mein liebes Kind,
Zusammen sind
Die zwei das Rind!

Eine Kinderszene von Hans Rutz, Mitteilungen 6-Dez.1924)

Dit spelletje dat nu zo’n 90! jaar geleden werd geschreven, vinden kinderen ook nu nog heerlijk om te spelen.
Twee uitgesproken rollen: voor het naar binnen gekeerde, rustige kind – we kunnen hier spreken van flegmatische uitingen – de koe – en voor het veel meer op de buitenwereld gerichte kind – we kunnen hier spreken van cholerische uitingen – de stier -, waarin we met gemak de cholerische kwaliteit zien.

Een jaar later – in klas – zal in de dierkundeperiode de koe opnieuw ter sprake komen. Het nog eens reciteren van dit spelletje zal het karakteriseren van de koe eenvoudiger maken.

Duits lagere klassen
Niet-Nederlandse taal: alle artikelen

zie vooral: uitgaven verschenen bij ‘Forschungsstelle beim Bund der Freien Waldorfschule

711

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 10

 .

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

voordracht 1
de bladzijden verwijzen naar de vertaling van 1993

Velen – ik ook – vinden deze voordracht verre van gemakkelijk.
Hierin worden dé achtergronden van de dierkunde behandeld.

Gelukkig hoef je lang niet alles te kunnen navertellen om een goede periode dierkunde te kunnen geven – op veel andere plaatsen vertelt Steiner e.e.a. veel eenvoudiger en geeft hij in direct spraakgebruik als waren er kinderen aanwezig, voorbeelden.

Toch wil ik een poging doen bepaalde onderwerpen uit deze voordrachten nader te bekijken.

HOOFD EN ZON

Op 1 september 1919 gaat Steiner in ‘Algemene menskunde als basis voor de pedagogie’ [1] veel uitgebreider in op wat hij in ‘Opvoedkunst’, 7e vdr. [2] al had aangestipt.

– We hebben het wezen van de mens besproken vanuit het ge­zichtspunt van de ziel en van de geest. Althans, we hebben globaal belicht hoe de mens beschouwd kan worden uitgaande van geest en ziel. We zullen dat wat op deze wijze vanuit deze twee gezichtspunten bekeken is, moeten completeren door de drie gezichtspunten van geest, ziel en lichaam met elkaar te verbinden, opdat we een volledig overzicht van de mens zullen krijgen en dan over kunnen gaan tot het doorgronden, het be­grijpen van ook de fysieke verschijningsvorm.-

Voor wie moeite heeft met de inhoud van de begrippen geest en ziel zoals Steiner deze gebruikt, kunnen mijn uiteenzettingen daarover wellicht tot  hulp zijn.
Zie daarvoor mijn blog: ‘antroposofie, een inspiratie

Bij de dierkunde gaat het, wanneer aan het begin daarvan de mens wordt besproken, om de driedeling: hoofd, romp en ledematen.
Steiner wijst dan allereerst op de vorm: het ronde hoofd; de romp als segment van een kogel en de stralenvormige ledematen.

Bij die vormen horen bepaalde functies. Bij het hoofd het denken; bij de romp het voelen en bij de ledematen het doen, het willen. En bij deze vormen en functies horen nog de organen: hoofd: zenuw/zintuigorganen; romp: ademhaling-bloedsomlooporganen; ledematen: stofwisselingsorganen.
Zo wordt de indeling meestal kortweg weergegeven.

Je kunt daarin nog uitbreiden en preciezer onderscheiden:

(1) Elementair levensproces:
      bewegingssysteem, locomotie
bijbehorend deelproces:
energieverbruik – vermoeidheid
arbeidsprestatie, bijdrage aan de wereld
orgaansysteem:
 extremiteiten: benen, armen, handen

(2) Elementair levensproces:
stofwisseling, metabolisme
bijbehorend deelproces:
stofopname, stofomwerking, stofuitscheiding, excretie, reproductie
orgaansysteem:  
digestieve systeem, urogenitaal stelsel

(3) Elementair levensproces:
adem, respiratie
bijbehorend deelproces:
zuurstofopname, gaswisseling, koolzuuruitscheiding
orgaansysteem:
        ademhalingsstelse
l, respiratoire systeem

(4) Elementair levensproces:
bloedsomloop, circulatiesyteem
bijbehorend deelproces:
instromen van substantie; transport; verdeling; uitstromen van                         substantie
orgaansysteem: 
circulatiestelsel

(5) Elementair levensproces:
informatiewisseling, sturing
bijbehorend deelproces:
       opname van prikkels; verwerking van de prikkels, beantwoorden van de        prikkels
 orgaansysteem:
 zintuigorganen, zenuwsysteem,  endocriensysteem [3]

Wanneer je met de kinderen in de 4e klas naar de mens kijkt, gaat het eigenlijk alleen maar om de elementaire drieledigheid: hoofd, romp en ledematen. 

Nieuw is dat Steiner de vormen van hoofd, romp en ledematen verbindt met de kosmos: het hoofd met de zon; de romp met de maan en de ledematen met de sterren.

Eerst zullen we ons nogmaals te binnen brengen wat ons vanuit verschillende perspectieven moet zijn opgevallen: na­melijk dat de mens in de drie gebieden van zijn wezen verschil­lende vormen heeft. We hebben erop gewezen (GA 294/7e vdr) dat de vorm van het hoofd in essentie die van de bol is, en dat deze bolle vorm van het hoofd het eigenlijke, lichamelijke wezen van het men­selijk hoofd uitdrukt. Vervolgens hebben we erop gewezen dat de borst van de mens een fragment van een bol is, zodat we dus – wanneer we het schematisch tekenen – het hoofd een bolle vorm en de borst de vorm van een maansikkel kunnen geven en het ons zodoende duidelijk is dat deze maansikkel een fragment, een deel van een bol is. Met andere woorden, we kunnen de sikkelvorm van de menselijke borst completeren. En u zult dit middengebied van het wezen van de mens, de vorm van de borst, slechts dan op de juiste wijze zien, wanneer u ook dit als een bol beschouwt – maar dan als een bol waarvan slechts een gedeelte, een sikkel, zichtbaar is en waarvan het andere gedeelte onzichtbaar is [zie tekening 1].

dierkunde Steiner 2

Daaraan kunt u wellicht zien, dat men in vroeger tijd, toen men meer dan later het vermogen had vormen te zien, geen ongelijk had, wanneer men zei dat de vorm van het hoofd overeenkomt met de zon en de vorm van de borst met de maan. En zoals men ook slechts een fragment ziet van de maan, wanneer ze niet vol is, zo ziet men in de vorm van de borst eigenlijk slechts een fragment van het middengebied van de mens. U ziet dus dat het hoofd van de mens hier in de fysieke wereld een tamelijk voltooide vorm heeft. De vorm van het hoofd manifesteert zich fysiek als iets voltooids. Ze is als het ware helemaal zoals zij zich voordoet. Ze verbergt het minst van zichzelf.

In de 7e vdr. “Opvoedkunst” zegt Steiner dat je dit zou kunnen boetseren, uit was, of brooddeeg.
Ik heb dat in al mijn 4e klassen gedaan. Je kunt er nog bepaalde gezichtspunten bij in de praktijk brengen, al hoeft dit niet. Ik heb het hoofd weleens uit blauwe bijenwas gemaakt – blauw als kleur van ‘het koele’ dat bij de functionaliteit van het hoofd hoort als het ‘koele’ denken. Geel voor de stralende ledematen en groen als midden tussen blauw en geel.
Toen ze klaar waren, zeiden kinderen altijd: ‘net babytjes’.
Ik vond de vorm eigenlijk net een embryo.

dierkunde Steiner 5

Wie schetst mijn verbazing toen ik in een boek van Blechschmidt [4] deze foto zag:

dierkunde embryo 1

Foetus op het einde van de 3e maand, 75 mm lang. Je ziet de figuur weer waarover in de voordracht wordt gesproken. [4.1]

Plato:
Welnu, allereerst moet ge dan iets weten over de gedaante van de mens en zijn gevoelens. Want onze allereerste verschijningsvorm als mens was heel anders dan nu. Zo waren er, wat het menselijk geslacht betreft, drie soorten en niet twee zoals tegenwoordig het mannelijk en het vrouwelijk geslacht. Nee, er bestond ook een derde geslacht dat het gemeenschappelijke van de twee andere in zich droeg. Nu bestaat alleen de naam ervan nog, en de geslachtsvorm zelf is verdwenen. In de oertijd was er dus een man/vrouw-vorm die bestond uit het gemeenschappelijke tussen man en vrouw, zowel in naam als in vorm. Nu kennen wij dat begrip nog uitsluitend als een scheldwoord. De verschijningsvorm van ieder mens was toen bovendien helemaal rond, want rug en zijde waren cirkelvormig. Ieder mens had vier handen en evenveel benen. Bovendien had hij twee gezichten die geheel identiek waren en op een ronde nek stonden. Maar op de beide gezichten, die een tegengestelde kant uitkeken, was een schedel geplaatst. Wel waren er vier oren, twee geslachtsdelen en voorts alle andere organen in hun overeenkomstige verhouding. Het schepsel liep rechtop, net als wij, en kon gaan waar het wilde. En wanneer die mens het op een lopen zette, deed hij dat als een ware acrobaat met gestrekte benen die in een cirkelvormige beweging rond- en rondgingen, en ook zijn armen gebruikte hij zodat hij op acht ledematen steunde die razendsnel rondgingen.

Het bestaan van deze drie geslachtssoorten en hun verschijningsvorm vond zijn oorzaak in het feit dat het mannelijk principe uit de zon te voorschijn is gekomen en het vrouwelijk uit de aarde, terwijl het geslacht dat het midden houdt tussen beide van de maan afstamt. Want ook de maan houdt het midden tussen twee: de aarde en de zon. Zij waren allemaal bolvormig en leken sterk op elkaar, zowel in wezen als in vorm, omdat zij op hun ouders leken. Bovendien kenmerkten zij zich door hun grote kracht en macht en hun geestkracht was zo groot dat zij zelfs samenzweerden tegen de goden. Van hen wordt dan ook hetzelfde verhaal verteld als Homeros vertelde over Ephialtos en Otos, die de hemel wilden bestormen om de goden te bevechten. Daarop overlegden Zeus en de andere goden wat hun te doen stond, maar zij konden geen raad schaffen. Enerzijds hadden zij de middelen niet om het menselijk geslacht uit te roeien zoals zij met het geslacht der giganten hadden gedaan, dat ze door middel van de bliksem verdelgden. Met de mensen was dat niet mogelijk, want dan zouden tevens alle eerbewijzen en offers, die immers van hen afkomstig zijn, verdwijnen. Anderzijds konden de goden dit opstandig gedrag toch niet toestaan. Maar ten langen leste kreeg Zeus een ingeving en sprak: ‘Ik geloof dat we toch over het middel beschikken om een eind te maken aan de opstandige goddeloosheid van de mensen zonder hen uit te roeien; dat is mogelijk door ze te verzwakken. Want ik zal nu ieder van hen doormidden snijden en door hun groter aantal zullen zij tegelijkertijd nuttiger voor ons, goden, worden. Zij zullen rechtop lopen op twee benen, maar als zij doorgaan met hun opstandig gedrag en zich niet rustig houden, dan zal ik ze nogmaals doormidden klieven zodat zij eenbenig door het leven moeten.’ Zo sprak hij, en tegelijkertijd sneed hij alle menselijke wezens in tweeën. Het leek net de kwalsterbezievrucht die men doorsnijdt om die te drogen, of op het doorsnijden van een ei met een haar. En bij het doorklieven van ieder menselijk wezen droeg hij Apollo op om gezicht en hals een halve slag te draaien naar de kant van de snede zodat ieder mens bij het zien van zijn eigen wond weer tot bezinning zou komen. En voorts droeg hij Apollo op om de wonden te genezen. Dus draaide Apollo het gezicht van alle mensen een halve slag en trok hij de huid van de zijkanten bijeen en legde de huid op wat voortaan de buik wordt genoemd: het leek net op het dichttrekken van een beurs met een koordje. In het midden van de buik liet hij een kleine opening, wat wij nu de navel noemen.De vele andere huidplooien streek hij glad, terwijl hij beide borsthelften in de borstkas met elkaar verbond. Dat deed hij met een bepaald instrument dat lijkt op wat leersnijders gebruiken wanneer zij de geplooide vellen leer over hun leest leggen om ze glad te maken. Toch liet hij een paar plooien zitten en wel bij de maag en bij de navel als blijvende herinnering aan deze jammerlijke gebeurtenis. Toen dus de mens zag dat zijn gedaante in tweeën was gesneden, ontstond in iedere helft het verlangen om weer samen een geheel te vormen, en zo legden ze de armen om elkaar heen in een innige omhelzing, ernaar verlangend dat de aparte delen weer aaneen zouden groeien. En ze dreigden van honger en uitputting om te komen, omdat zij weigerden iets los van elkaar te ondernemen. En wanneer de ene helft stierf en de andere dus alleen achterbleef ging die helft op zoek naar een wederhelft en omhelsde vervolgens de eerste de beste helft van een hele vrouw of van een man die hij vond (want nu waren man en vrouw gescheiden). Op deze manier ging het mensenras zijn ondergang tegemoet. Maar Zeus had medelijden met de mens en verschafte nog een ander middel door hun geslachtsdelen naar de voorzijde van het lichaam te verplaatsen. Want tot op dat ogenblik hadden zij ook hun geslachtsdelen aan wat oorspronkelijk de buitenkant was en zij plantten zich niet voort door elkaar te bevruchten, maar in de aarde zoals krekels doen. Die organen verplaatste hij dus naar de voorkant waardoor hij het voortplantingsproces naar het lichaam zelf verlegde, met het mannelijk lid in het vrouwelijk deel. Hij deed dit met de bedoeling dat wanneer een man in zijn omarming een vrouw trof, een verwekking kon plaatsvinden en het mensenras zou blijven voortbestaan. Maar wanneer een man een man trof, zou uit dat samenzijn tenminste bevrediging en rust kunnen voortkomen waardoor zij aan het werk zouden gaan om hun brood te verdienen. Zo is dus sinds die scheiding bij de mensen het liefdesverlangen ingeplant, waardoor de oorspronkelijke staat van de mens weer wordt hersteld en tevens de wens ontstaat om uit twee een te maken en de oorspronkelijke natuur van de mens te helen. [5]

ZON EN HOOFD
Wanneer de zon aan een heldere hemel ondergaat en de horizon nadert, kun je de ronde vorm prachtig zien. Dat geldt ook wanneer deze opkomt: langzaam, maar toch vrij snel verschijnt ze als segmentje om daarna in haar volle rondheid boven de kim uit te stijgen. De schemering die voorafging aan haar verschijnen verdwijnt en de wereld ‘gaat een licht op’.  De ochtendnevel verdwijnt: het wordt warmer.

Diezelfde ronde vorm is ook waar te nemen bij een zonsverduistering. Bij dit proces lijkt het wel op de wereld de adem inhoudt. Indrukwekkend hoe stil alles wordt; hoe het lijkt of het leven op aarde ophoudt; het wordt donker – niet ‘aardedonker’- en de dieren maken geen geluid meer. Het vogelgezang verstomt; de mensen zwijgen. Wanneer de zon dan weer begint te verschijnen verkeert dit proces in zijn tegendeel: alles komt weer in beweging: de vogels kwetteren; een haan kraait; de mensen praten weer met normaal stemgeluid; vanuit de hemel komt het verblindende licht weer naar je toe.

De zon = leven. Leven is ritme: dag en nacht; de seizoenen. Tijd. Maar ook ruimte: zonder de aanwezigheid van licht zouden we die in de drie dimensies niet kunnen beleven.

In liederen en gedichten wordt de zon bejubeld. Ze is de onvoorwaardelijke voorwaarde voor het leven.

Franciscus van Assisi

‘Wij danken U, o Heer
Voor al Uw scheppingen.
En wel het meest voor zuster Zon
Die ons verlicht en warmte geeft.
Haar schone stralende flonk’rende pracht
Getuigt, o Heer, van Uw godd’lijke macht.

Hans Andreus (1926-1977)

Liggen in de zon

Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht.

Ik lig languit lig in mijn huid te zingen
lig zacht te zingen antwoord op het licht
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
te zingen van het licht dat om en op mij ligt

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder
te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
er ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.

Maria Vasalis

RA

De ochtendstond onthulde zijn gezicht
gegoten door het duister van de nacht.
Hij sliep, maar door de vingren van het licht
werden zijn trekken langzaam naar omhoog gebracht.

Het voorhoofd hoog, gekoepeld als een oude tempel,
’t verzegeld heiligdom der ogen in een donkre nis
onder de dubbele streng-getrokken drempel,
de neus gekromd, de mond verlengd in droefenis.

Zo lag hij neer, toen zag ik zijn gestrekte armen
als vleugels aan weerskanten uitgespreid.
Eenzaam, buiten bereik van elk erbarmen
maar in uiteindelijke onkwetsbaarheid.

Ik waakte en zag, in eerbied en in vrezen:
hij was een vogel en een god, nachtlijks gestorven,
dagelijks herrezen.

0-0-0

Heel het plantendek over de aarde is a.h.w. een antwoord op de verhouding ervan t.o.v. van de zon; drukt de relatie uit die het heeft met ‘de hemel’.

Dit is o.a. onderwerp in de plantkundeles in klas 5, zoals hier beschreven.

Voor het leven betekent de zon zoveel, dat we haar gerust het centrale punt van de kosmos kunnen noemen, maar ook de belangrijkste planeet.

Wanneer ze ’s morgens opgaat, gaat de aarde letterlijk een licht op. Daardoor wordt weer zichtbaar hoe de voorwerpen zich tot elkaar in de ruimte verhouden: we zien het weer voor ons. Er is weer orde. Is het toeval dat wij – wanneer ons iets duidelijk wordt – zeggen dat er ons een licht opgaat? Is het toeval dat we spreken van ‘ons licht ergens over laten schijnen’ wanneer we bedoelen dat we willen weten hoe ‘het ene’ zich t.o.v. ‘het andere’verhoudt?

Klaarheid, helderheid, overzicht zijn zonder de zon op aarde niet mogelijk. De verwantschap met ons denken is duidelijk zichtbaar. Zoals de zon–voor onze be-leving – het centrale punt van de kosmos is – zo is ons denken het centrale punt vanwaaruit wij licht werpen op onze leefwereld. Met klaarheid, helderheid en overzicht staan wij als denkende wezens in de wereld.

Ons hoofd met het denken, gecentreerd in de hersenen in onze schedel is in bovenstaande vergelijking een soort zon.

Aan het hoofd van het embryo en de pasgeborene, zelfs nog bij oudere baby’s is duidelijk het ronde, de bol- de kogelvorm waarneembaar, zelfs nog bij de kin.

dierkunde baby

[6]

Bij de hoofdvorm die we waterhoofd noemen, is de bolvorm nog sprekender.

dierkunde waterhoofd

[7]

Hoewel aan het kind zowat alles nog verandert, is het toch in het oog springend dat de schedelvorm – met de oren – eigenlijk niet meer verandert, alleen groter wordt. Het gezicht, de borst en de ledematen veranderen gedurende het hele leven.

dierkunde baby 2

[8]

De oren lijken al bijna ‘klaar’. Zij veranderen niet meer, worden alleen groter.

In dit opzicht is de gedachte niet zo vreemd, dat het hoofd – de schedel – ‘oud’ is; de rest van het lichaam nog ‘jong’. Dit moet zijn vorm, die ook nooit definitief wordt, nog krijgen. De definitieve vorm lijkt die van het gestorven lichaam te zijn.

Gezichtsschedel, romp en ledematen zijn onderhevig aan de grootste veranderingen.

dierkunde grijsaard

Deze 90 jaar oude Jagan-Indiaanse was in 1950 een der 9 laatste Jagans die van dit volk overgebleven waren [9]

Bij het ouder worden komt het eigen gezicht steeds meer uit de bol/kogeltendens te voorschijn.

Zeer vruchtbaar om tot beter inzicht te komen, is de opmerking van Steiner dat de werkelijkheid pas tot ons begint te spreken wanneer we deze in tegenstellingen proberen te zien.

Wanneer je er op begint te letten, zie je dat Steiner dit ook doet: denken tegenover willen; geest tegenover lichaam; wakker tegenover slaap, enz.

De gelaatsuitdrukking van de baby tegenover die van de grijsaard is op bovenstaande foto’s duidelijk waarneembaar. De neus en de kin zijn bij de eerste nog nauwelijks ontwikkeld; bij de grijsaard bijna tot een afsluiting gekomen.
Je kunt je dus afvragen welke krachten hier werkzaam zijn.
Steiner heeft daarover veel gezegd, o.a. in GA 294.
Daar gaat het bv. om krachten die vanuit het hoofd werkzaam zijn in de rest van het lichaam en tegenovergestelde krachten, die werken vanuit het lichaam op het hoofd.
Ook werkt hij dit nog zo uit dat hij van bepaalde onderwijsvakken zegt dat ze de krachtenstroom vanuit het hoofd versterken ( al dan niet negatief) en dat er door deze vakken vanuit het lichamelijke op het hoofd gewerkt wordt (al dan niet negatief).
En dan zijn er nog de krachten die vanuit het lichamelijke ‘naar buiten’ werken en krachten die vanuit de periferie ‘naar binnen’ werken.

Wie ‘denken, voelen en willen’ als leidraad gebruikt om mens en wereld beter te begrijpen, zal, wanneer het denken nader onderzocht wordt, dit als functie van de in het hoofd aanwezige hersenen opvatten. En dat dit denken zich veelal uit in het hebben van voorstellingen. Deze komen tot stand door onze zintuigen. Eerst zien we iets concreets; later kunnen we ons dit als (voorstellings)beeld weer voor de geest! roepen.
Maar dit beeld is t.o.v. het concreet aanschouwde, onstoffelijk maar ook ‘nieuwer’; soms zie je bij de bakker een poster hangen van een heerlijk uitziende taart. Je kunt er zeker van zijn, dat die concrete taart allang weg is: opgegeten, bedorven, in de compostbak. Het beeld leeft voort. Dat kan er na jaren nog zijn, zoals we beseffen wanneer we het fotoboek van onze jeugd opslaan.
Het is niet vergezocht, vind ik, dat ‘hoofd’ als voorstellingsorgaan, met ‘oud’ kan worden geassocieerd.
Wanneer jouw leidraad om mens en wereld te onderzoeken ook wordt een keuze voor het standpunt dat het leven niet uit de dood ontstaat, maar de dood uit het leven, m.a.w. dat niet de materie het leven voortbrengt, maar het leven de materie nodig heeft zich te manifesteren, kun je niet om het begrip ‘reïncarnatie’ heen. In dit verband is ‘vorig’ ‘oud’ en de al zo ver volmaakte schedelvorm bij de pasgeborene kan in dit opzicht ‘oud’ genoemd worden. (Soms gaat dit zelfs zo ver dat bepaalde baby’s – die te laat? werden geboren er de eerste dagen als oude mannetjes of vrouwtjes uitzien – in hun gezicht vooral, dat er later weer heel jong! uitziet).

In GA 201 zegt Steiner:
( ) De schedelbeenderen worden gevormd door die krachten die op de mens inwerken tussen dood en nieuwe geboorte ( ). 
De bouw en functionaliteit van het hoofd (Hauptesorganisation) zoals wij die zien tussen geboorte en dood, is het gevolg van die vormingsprocessen die plaatsvonden vanaf de laatste dood tot aan de aardse belichaming in dit leven. 
Het hoofd brengen wij mee wanneer we worden geboren. Daarom is het hoofd eerst niet aangepast aan de aardse verhoudingen, maar aan de verhoudingen die eigenlijk buitenaards zijn.
Het hoofd krijgen we als het resultaat van de vorige incarnatie, als voorstellingsdrager; maar de wilskrachten gaan vanuit de rest van het organisme uit.10]

Het ‘oude’ betreft dus vooral de hersenschedel met de ‘zonnevorm’.
Het nieuwe voor de nieuwe incarnatie drukt zich uit in de ontwikkeling van de borst en de ledematen die weerspiegeld worden in de aangezichtschedel: de borst (adem) in de neus; de ledematen (stofwisseling) in de mond met de beweeglijke onderkaak.

BORST EN MAAN
Het borstgedeelte verbergt al heel veel van zichzelf; het laat een deel van zijn wezen onzichtbaar. Voor het inzicht in het wezen van de mens is het zeer belangrijk voor ogen te houden, dat een groot stuk van het borstgedeelte onzichtbaar is. En zo kunnen we zeggen: het borstgedeelte toont aan de achterkant zijn fysieke verschijningsvorm, naar de voorkant gaat het over in de ziel. Het hoofd is geheel en al lichaam; de borst van de mens is naar achteren toe lichaam en naar voren toe ziel. Het werkelijk lichamelijke aan ons is dus alleen het hoofd dat op de schouders rust. We hebben lichaam en ziel doordat we in onze borst, als afgezonderd deel van de gehele borst, de ziel opne­men en laten werken.

Hier heb ik iets beschreven van de fysieke bouw van de mens. Wat de botvorming betreft, staat het hoofd met zijn verstarde, vast geworden schedelbotten, het dichtst bij wat aan karakteristieks voor het fysieke is gevonden: het levenloze, meest verdichte, doodse, onbeweeglijke. Tegenover de beweeglijkheid van de ledematen. De romp neemt een  – letterlijke – middenpositie in. De botten van de wervelkolom verdichten zich naar boven toe en openen zich naar onder, in de zwevende ribben die a.w.h. ook ledemaat zouden willen worden.

De wervelkolom vertoont in zijn bouw een sterk ritme, maar ook de organen van de borst: hart en longen zijn bij uitstek de organen waar het ritme direct zichtbaar is.

 

dierkunde embryo 2

de maanvorm in: Embryo in week 5  [4] [4.2]

Nu zijn er in deze beide delen van de mens ledematen in­geplant, uiterlijk gezien vooral in het borstgedeelte. Het derde deel is immers de ledematenmens. Hoe kunnen we de ledematenmens nu eigenlijk begrijpen? De ledematenmens kunnen we alleen begrijpen, wanneer we voor ogen houden dat bij de lede­matenmens andere stukken van de bolvorm zijn overgebleven dan bij de borst. Bij het borstgedeelte is een stuk van de perife­rie overgebleven. Bij de ledematen is meer iets van het binnen­ste overgebleven, van de radiussen van de bol, zodat de binnen­ste delen van de bol dus de ledematen vormen.

Het werkt echter niet – zoals ik u al zo vaak heb gezegd -wanneer men de verschillende delen slechts schematisch met elkaar in verband brengt. Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven. We zeggen: we hebben de ledematenmens en die bestaat uit de ledematen. Maar nu moet u weten dat ook het hoofd zijn lede­maten heeft. Wanneer u de schedel nauwkeurig bekijkt, dan vindt u daaraan onder andere de boven- en onderkaak [zie tekening 2]. Die zitten er net als ledematen aan. De schedel heeft ook zijn ledematen; de boven- en onderkaak zijn als lede­maten aan de schedel bevestigd. Alleen zijn ze aan de schedel onderontwikkeld. Ze zijn tot volle wasdom gekomen aan de rest van de mens, maar aan de schedel zijn ze verkommerd – daar zijn ze eigenlijk alleen vormingen van het bot. En er is nog een verschil: wanneer u de ledematen van de schedel, de onder- en bovenkaak dus, bekijkt, dan zult u zien dat zich daarbij voorna­melijk de werking van het bot manifesteert. Wanneer u de ledematen aan ons lichaam bekijkt, dus het eigenlijke wezen van de ledematenmens, dan zult u de essentie moeten zoeken in de omhulling met de spieren en bloedvaten. In zekere zin zijn de botten in onze armen, benen, handen en voeten alleen maar aanwezig ten behoeve van ons spier- en bloedstelsel. En in zekere zin zijn bij de boven- en onderkaak – als ledematen van het hoofd – de spieren en bloedvaten geheel onderontwikkeld. Wat betekent dat? De wil bedient zich van bloed en spieren, zoals we al gehoord hebben. Daarom zijn voor de wil hoofdza­kelijk de armen, benen, handen en voeten gevormd. Bloed en spieren – de voornaamste dienaren van de wil – zijn tot op ze­kere hoogte onthouden aan de ledematen van het hoofd, omdat daarin ontwikkeld moet zijn wat naar het intellect, naar het kennende denkvermogen neigt. Wilt u dus bestuderen hoe de wil van de wereld zich in de uiterlijke vormen van het lichaam openbaart, bestudeert u dan armen en benen, handen en voe­ten. Wilt u bestuderen hoe de intelligentie van de wereld zich openbaart, bestudeert u dan het hoofd als schedel en kijkt u hoe het uit botten is opgebouwd en hoe aan het hoofd de boven- en onderkaak vastzitten – en ook andere delen die er als ledematen van het hoofd uitzien. U kunt namelijk overal de uiterlijke verschijningsvormen beschouwen als openbaringen van het in­nerlijk. En u begrijpt de uiterlijke vormen slechts, wanneer u ze ook als openbaringen van het innerlijk ziet.

Ik heb altijd geconstateerd dat het voor de meeste mensen heel moeilijk te begrijpen is welk verband er bestaat tussen de pijpbeenderen van armen en benen enerzijds en de platte been­deren van het hoofd anderzijds. Het is juist voor een leraar goed om zich hier een begrip eigen te maken dat volstrekt niet gang­baar is. En daarmee komen we bij een heel, heel moeilijk hoofd­stuk, misschien voor ons voorstellingsvermogen wel het moeilijkste dat we moeten behandelen in deze pedagogische voordrachten.

U weet dat Goethe als eerste zijn aandacht heeft gericht op de zogenaamde werveltheorie van de schedel. Wat wordt daar­mee bedoeld? Daarmee wordt bedoeld: de toepassing van de idee van de metamorfose op de mens en zijn verschijnings­vorm. Wanneer je de wervelkolom van de mens bekijkt, dan zie je, zoals u weet, dat de ene wervel boven de ander ligt. Het ruggenmerg gaat daar doorheen. We kunnen dan één wervel met zijn uitstulpingen apart nemen [Rudolf Steiner schetst een wervel]. In Venetië heeft Goethe aan de hand van de schedel van een schaap als eerste waargenomen dat alle botten van het hoofd omgevormde ruggenwervelbotten zijn. Dat wil zeggen, wanneer men zich voorstelt dat bepaalde organen groter zijn geworden en andere organen kleiner, dan krijgt men uit deze wervelvorm het schaalvormige bot van het hoofd. Op Goethe heeft dat een grote indruk gemaakt, want hij heeft daaruit moe­ten concluderen – wat voor hem van grote betekenis was – dat de schedel een gemetamorfoseerde, een op een hoger plan om­gevormde wervelkolom is.

Men kan nu betrekkelijk gemakkelijk inzien dat de botten van de schedel door omvorming, door metamorfose, zijn ont­staan uit de wervels van de ruggengraat. Maar nu wordt het heel moeilijk om ook de botten van de ledematen als omvorming, als metamorfose van de wervels, respectievelijk de botten van het hoofd, op te vatten. Het is al moeilijk bij de ledemaatbotten van het hoofd, dus bij boven- en onderkaak. Goethe heeft dit ge­probeerd, maar nog op een uiterlijke wijze. Waarom is dat moeilijk? Nu, dat berust op het feit dat ieder bot van het lichaam dat buisvormig is wel degelijk ook een metamorfose, een omvorming van het bot van het hoofd is – maar op een heel bijzondere wijze. Men kan zich vrij eenvoudig voorstellen dat de ruggengraatwervel gemetamorfoseerd wordt tot het bot van het hoofd, door zich sommige delen vergroot en andere ver­kleind voor te stellen. Maar het lukt niet zo gemakkelijk de stap te maken van de pijpbeenderen van armen of benen naar de botten van het hoofd, die schaalvormig zijn. Als u dit wilt bereiken, dan moet u namelijk eerst een bepaalde procedure volgen. U moet met de pijpbeenderen van armen en benen hetzelfde doen, wat u zou doen als u bij het aantrekken van een kous of handschoen deze eerst binnenstebuiten zou keren: u moet het binnenste eerst naar buiten keren, u moet het omstul­pen. Nu is het vrij eenvoudig zich een handschoen of kous binnenstebuiten gekeerd voor te stellen. Maar het pijpbeen is niet gelijkmatig gebouwd. Het is niet zo dun, dat het binnen en buiten op dezelfde wijze gevormd is. Het is binnen en buiten verschillend gevormd. Zou u uw kous zo construeren, dat u hem aan de buitenkant een kunstzinnige vorm geeft met allerlei uitstulpingen en holtes, en zou u hem dan elastisch maken en omkeren, dan zou u aan de buitenkant niet meer dezelfde vorm krijgen die zich na omkering aan de binnenkant bevindt. En zo is het ook bij het pijpbeen. Men moet het binnenstebuiten keren, dan ontstaat de vorm van het bot van het hoofd, zodat de menselijke ledematen niet alleen gemetamorfoseerde botten van het hoofd zijn, maar bovendien ook nog binnenstebuiten gekeerde.

Waarom is dat zo? Dit is zo, omdat het hoofd zijn middel­punt ergens in zichzelf heeft: een concentrisch middelpunt. De borst heeft haar middelpunt niet in het midden van de bol; het middelpunt van de borst is heel ver weg. Dat is hier in de tekening slechts fragmentarisch weergegeven, want het zou een heel grote tekening worden, wanneer alles erop zou moeten staan. De borst heeft een middelpunt dat heel ver weg is.

En waar is het middelpunt van het ledematenstelsel? Met deze vraag komen we op de tweede moeilijke kwestie. Het lede­matenstelsel heeft zijn middelpunt in de gehele periferie. Het middelpunt van het ledematenstelsel is een bol – het omge­keerde dus van een punt. Het oppervlak van een bol. Dat mid­delpunt is eigenlijk overal; daardoor kunt u naar alle kanten bewegen; van alle kanten richten de stralen van de bol zich naar binnen. Ze verenigen zich met u.

Wat in het hoofd is, gaat van het hoofd uit; wat door de ledematen gaat, gaat naar binnen en concentreert zich daar. Daarom ook moest ik in de andere voordrachten zeggen: u moet zich de ledematen voorstellen als zijnde ingeplant. Wij zijn werkelijk een hele kosmos, alleen wat daar van buitenaf in

dierkunde Steiner 3

ons door wil stralen, dat verdicht zich slechts aan het uiteinde en wordt alleen daar zichtbaar. Een minuscuul deeltje van wat we eigenlijk zijn, wordt zichtbaar in onze ledematen, zodat de ledematen weliswaar iets fysieks zijn, maar slechts een miniem deeltje van wat eigenlijk leeft in de ledematen van de mens: het geestelijke. Lichaam, ziel en geest leven in het ledematenstelsel van de mens. Het lichaam is slechts in aanzet aanwezig; maar in de ledematen leven ook de ziel en de geest, welke in feite de gehele kosmos omvat.

Nu zou men ook nog een andere tekening van de mens kun­nen maken. Men zou kunnen zeggen: de mens is in de eerste plaats een reusachtige bol, die de gehele kosmos omvat; vervol­gens een kleinere bol en een nog kleinere. Alleen de kleinste bol wordt geheel zichtbaar; de grotere bol wordt slechts ten dele zichtbaar; de grootste bol wordt alleen zichtbaar aan de uitein­den van de stralen – de rest blijft onzichtbaar. Zo heeft de mens vanuit de kosmos zijn vorm gekregen.

dierkunde Steiner 4

We keren terug naar het middengebied, het borststelsel, waar het hoofdstelsel en het ledematenstelsel samengaan. Wanneer u kijkt naar de ruggengraat met de aanhechtingen van de ribben, dan zult u zien dat dat de poging is zich naar voren toe af te sluiten. Van achteren is het geheel afgesloten, naar voren toe is het bij een poging gebleven: het afsluiten lukt niet helemaal. Hoe dichter de ribben bij het hoofd liggen, des te meer lukt het hun zich af te sluiten, maar hoe verder ze naar onderen liggen, des te minder lukt het. De laatste ribben sluiten zich niet meer aaneen, aangezien ze daar tegengewerkt worden door de kracht die van buiten komt en in de ledematen leeft.

De Grieken hadden nog een zeer sterk bewustzijn van deze samenhang tussen de mens en de gehele macrokosmos. En de Egyptenaren wisten het heel goed, maar hun kennis was enigs­zins abstract. U kunt dat ook aan Egyptische of andere oude beelden zien, waarin deze gedachte over de kosmos tot uitdruk­king wordt gebracht. U begrijpt niet wat de mensen in vroeger tijd gemaakt hebben, wanneer u niet weet dat ze dat gemaakt hebben in overeenstemming met hun geloof: het hoofd is een kleine bol, een wereldlichaam in het klein; de ledematen zijn een deel van het grote wereldlichaam waar dit overal met zijn stralen in de menselijke gestalte dringt. De Grieken hadden daarvan een mooie, harmonische voorstelling – daarom was hun ruimtelijke vormgeving ook zo goed en waren ze zulke goede beeldhouwers. Ook tegenwoordig kan niemand de plasti­sche kunst werkelijk doorgronden, wanneer hij zich niet be­wust wordt van deze samenhang van de mens met de kosmos. Anders aapt hij alleen maar gebrekkig en uiterlijk de vormen van de natuur na.

Nu zult u, beste vrienden, juist naar aanleiding van wat net gezegd is kunnen inzien, dat de ledematen meer op de wereld zijn gericht en het hoofd meer op de individuele mens is ge­richt. Waarnaar zullen de ledematen dus met name gericht zijn? Naar de wereld, waarin de mens zich beweegt en zelf zijn positie voortdurend verandert. De ledematen zullen in verband staan met de bewegingen van de wereld. Neemt u dat goed in u op: de ledematen zijn betrokken op de bewegingen van de we­reld.

In ons bewegen, in ons handelen in de wereld, zijn we ledematenmens. En wat is nu de taak van ons hoofd ten opzichte van dit bewegen van de wereld? Ik heb u al vanuit een ander perspectief gezegd dat het hoofd op de schouders rust. Het hoofd heeft ook de opgave om voortdurend het bewegen van de wereld in zichzelf tot rust te brengen. Wanneer u zich met uw geest verplaatst in het hoofd, dan kunt u zich daarvan een goed beeld vormen door u even voor te stellen dat u in een trein zit; de trein beweegt vooruit en u zit er in alle rust in. Zo zit uw ziel in rust in het hoofd, dat zich door de ledematen laat voortbewe­gen, en brengt de beweging innerlijk tot rust. U kunt zelfs gaan liggen in de trein – als er plaats is – en rusten, hoewel die rust eigenlijk niet echt is, want u rijdt, misschien wel in een couchet­te, met sneltreinvaart door de wereld; maar toch, u heeft een gevoel van rust. Zo brengt het hoofd ook alle bewegingen die de ledematen in de wereld uitvoeren in uzelf tot rust. Het borst-gedeelte bevindt zich daar midden tussen. Dat gedeelte ver­bindt de bewegingen van de buitenwereld met dat wat door het hoofd tot rust wordt gebracht.

Denkt u zich eens in: ons doel als mens is nu juist de bewe­gingen van de wereld door onze ledematen na te bootsen, op te nemen. Wat doen we dan? We dansen. U danst in feite; wat men gewoonlijk dansen noemt, is maar een deel van het echte dansen. Het was het uitgangspunt van elk dansen, de bewegin­gen van de planeten en andere hemellichamen – ook van de aarde – in de bewegingen van de ledematen na te bootsen.

Maar hoe zit dat dan met het hoofd en met de borst, wanneer we de kosmische bewegingen dansend nadoen in onze bewe­gingen als mens? Welnu, het lijkt alsof de bewegingen die we in de wereld maken worden tegengehouden in het hoofd en in de borst. Ze kunnen zich niet door de borst tot in het hoofd voort­zetten, want dat heerschap rust op de schouders – die laat de bewegingen niet door tot in de ziel. De ziel moet in rust aan de bewegingen deelnemen, omdat het hoofd op de schouders rust. Wat doet de ziel dus? Ze begint vanuit zichzelf te reflecteren wat de ledematen dansend uitvoeren. Ze begint te brommen wanneer de ledematen onregelmatige bewegingen uitvoeren; ze begint te fluisteren wanneer de ledematen regelmatige bewe­gingen uitvoeren en ze begint zelfs te zingen wanneer de har­monische kosmische bewegingen door de ledematen uitge­voerd worden. Zo wordt de dansende beweging, die naar buiten gericht is, naar binnen toe omgezet in zang en muziek.

De fysiologen die zich met de zintuigen bezighouden zullen nooit in staat zijn te begrijpen wat gewaarwording is, wanneer ze de mens niet als kosmisch wezen zien; ze zullen altijd zeggen: in de buitenwereld treden bewegingen van de lucht op, in zijn innerlijk neemt de mens klank waar. Hoe het verband is tussen de bewegingen van de lucht en de klank, dat kan men niet weten. – Dit staat in de fysiologie- en psychologieboeken, in de eerste aan het eind, in de laatste aan het begin; dat is het enige verschil.

Hoe komt dat? Dat komt doordat de psychologen en fysiolo­gen niet weten, dat datgene wat uiterlijk beweging is bij de mens, innerlijk in de ziel tot rust gebracht wordt en daardoor in klanken begint over te gaan. En zo is het met alle andere zin­tuiglijke waarnemingen ook. Omdat de organen van het hoofd niet meedoen aan de uiterlijke bewegingen, kaatsen ze deze uiterlijke bewegingen in de borst terug en maken ze deze bewe­gingen tot een klank, tot een andere zintuiglijke gewaarwor­ding. Daar ligt de oorsprong van de gewaarwordingen. Maar daar ligt ook de samenhang van de kunstvormen.” De vormen van muziek, van toonkunst, ontstaan uit de plastische en
archi­tectonische kunst, doordat de plastische en architectonische kunsten naar buiten toe zijn, wat de muzikale kunst naar bin­nen toe is. De weerspiegeling van de wereld van binnen naar buiten, dat is de muzikale kunst. – Op deze wijze heeft de mens een plaats in de kosmos. Beschouwt u een kleur eens als een tot rust gekomen beweging. De beweging neemt u uiterlijk niet waar – net zoals u, liggend in de trein, de illusie kunt hebben dat u in rust bent. U laat de trein buiten u bewegen. Zo laat u uw lichaam door fijne bewegingen van de ledematen, die u niet waarneemt, meebewegen met de wereld buiten u, en zelf neemt u in uw innerlijk kleuren en klanken waar. Dat heeft u te dan­ken aan het feit dat uw hoofd – als vorm – in een toestand van rust gedragen wordt door het ledematenorganisme.

Ik zei u al dat dit een ingewikkeld punt is; dat is het vooral, omdat in onze tijd niets gedaan wordt om deze dingen te begrij­pen. Alles wat we in de huidige tijd als opvoeding en onderwijs ontvangen, zorgt ervoor dat de mensen onwetend blijven over zoiets als wat ik vandaag verteld heb. Wat gebeurt er nu ei­genlijk door onze huidige opvoeding en door het onderwijs in deze tijd? Tja, de mens leert een sok of een handschoen echt niet volledig kennen, wanneer hij hem niet ook eens omkeert, want hij weet dan nooit waarmee zijn huid eigenlijk in aanra­king komt. Hij kent alleen de buitenkant. Zo kent de mens door opvoeding en onderwijs in deze tijd enkel en alleen de buiten­kant van de dingen. Daardoor heeft men alleen begrippen ter beschikking die van toepassing zijn op de helft van de mens. En men kan niet eens de ledematen begrijpen. Want de geest heeft die al binnenstebuiten gekeerd.

We kunnen dit ook nog anders bekijken. We kunnen zeggen: laten we de gehele, volledige mens, zoals hij in de wereld voor ons staat, in eerste instantie als ledematenmens beschouwen; hij manifesteert zich als zodanig als geest, ziel en lichaam.

Beschouwen we hem als borstmens, dan manifesteert hij zich als ziel en lichaam. De grote bol [zie de tekening op blz. 154]: geest, lichaam, ziel; de kleinere bol: lichaam, ziel; de kleinste bol: alleen maar lichaam. Tijdens het concilie van 869 hebben de bisschoppen van de katholieke kerk de mensheid verboden iets over de grote bol te weten te komen. Ze hebben toen tot dogma verklaard, dat alleen de middelste en kleinste bol bestaan: dat de mens slechts bestaat uit lichaam en ziel, en dat iets geestelijks alleen maar als een eigenschap van de ziel bestaat. De ziel zou naar één kant ook iets geestachtigs zijn. Geest bestaat niet meer – sinds 869 – voor de van het katholicisme uitgaande cultuur van het avondland. – Maar met de afschaffing van de verbinding met de geestelijke wereld is ook de verbinding van de mens met de wereld afgeschaft. De mens is meer en meer op zijn ego teruggeworpen. Daardoor werd de religie zelf steeds egoïstischer, en tegenwoordig leven we in een tijd waarin we – laten we het zo uitdrukken – weer vanuit de geestelijke waarneming de verbinding van de mens met de geestelijke wereld en daardoor met de wereld moeten leren kennen.

Wie is er eigenlijk schuldig aan, dat we een natuurweten­schappelijk materialisme hebben gekregen? Dat we een natuur­wetenschappelijk materialisme hebben gekregen, is voorname­lijk te wijten aan de katholieke kerk, want die heeft in 869 op het Concilie van Constantinopel de geest afgeschaft. Wat is er toen eigenlijk gebeurd? Kijkt u nog eens naar het menselijk hoofd. Dit heeft zich in de loop van het wereldgebeuren zo ontwik­keld, dat het nu het oudste deel van de mens is. Het hoofd is eerst voortgekomen uit hogere dieren of, nog verder terug­gaand, uit lagere dieren.0 Wat ons hoofd betreft, stammen we af van de dierenwereld. Daar is niets aan te doen – het hoofd is alleen maar een verder ontwikkeld dier. Wanneer we de voor­ouders van ons hoofd willen zoeken, komen we bij de lagere dieren uit. Onze borst is pas later aan het hoofd aangezet; die is niet meer zo dierlijk als het hoofd. De borst hebben we pas in een later tijdperk gekregen. De ledematen hebben wij mensen pas het laatst gekregen; dit zijn de allermenselijkste organen. Dat zijn geen metamorfoses van dierlijke organen, maar ze zijn er later aan toegevoegd. De dierlijke organen zijn zelfstandig uit de kosmos gevormd, ten behoeve van de dieren; de men­selijke organen zijn later zelfstandig aan de borst toegevoegd. Maar doordat nu de katholieke kerk het menselijk bewustzijn van zijn verbinding met de kosmos, het bewustzijn dus van de eigenlijke aard van zijn ledematen heeft laten verdoezelen, heeft ze aan later tijden slechts weinig kennis van de borst doorgegeven en voornamelijk kennis van het hoofd, van de schedel. En toen is het materialisme tot de ontdekking gekomen dat de schedel van de dieren afstamt. Nu zegt men dat de gehele mens van de dieren afstamt, terwijl de organen van de borst en ledematen er pas later bij gevormd zijn. Juist doordat de katho­lieke kerk voor de mens de ware aard van zijn ledematen, zijn verbinding met de wereld, heeft verborgen, is ze er de oorzaak van dat de latere materialistische tijd een gedachte koestert die alleen voor het hoofd geldt, maar door het materialisme voor de gehele mens gehanteerd wordt. In wezen heeft de katholieke kerk het materialisme op het gebied van de evolutieleer ge­creëerd. Vooral de leraren in deze tijd zouden zulke dingen moeten weten, want zij dienen interesse te hebben voor wat er in de wereld gebeurd is. En zij dienen de ware achtergronden van de gebeurtenissen in de wereld te doorzien.

We hebben vandaag geprobeerd te belichten hoe het komt dat onze tijd materialistisch geworden is, aan de hand van iets heel anders: van de bolvorm en de maanvorm en van de stralenvorm van de ledematen. We zijn namelijk begonnen met iets dat schijnbaar het tegendeel is, om een grote, geweldige cul­tuurhistorische gebeurtenis toe te lichten. Maar het is
noodza­kelijk dat vooral de leraren in staat zijn de ware achtergronden van culturele gebeurtenissen te doorgronden, anders kunnen ze met opgroeiende mensen niets beginnen. Wanneer de leraar zich in de achtergronden verdiept, dan zal hij iets in zich opne­men wat noodzakelijk is, wil hij vanuit zijn innerlijk, via on- en onderbewuste verbindingen met het kind, op de juiste wijze opvoedend werken. Want dan zal hij werkelijk eerbied hebben voor de mens als schepping. Hij zal in de vorm van de mens overal verbindingen met de grote wereld zien. Hij zal zich anders opstellen tegenover het bouwwerk van de mens dan wanneer hij in de mens alleen maar een soort beter ontwikkeld beestje ziet, een beter ontwikkelde diergestalte. De leraar van tegenwoordig stelt zich – hoewel hij wel eens in zijn bovenka­mer de illusie heeft dat dat anders is – toch zo op, dat volgens hem de opgroeiende mens een klein beestje, een klein diertje is, en dat hij dit diertje moet ontwikkelen – iets verder dan de natuur al gedaan heeft. Hij zal heel andere gevoelens hebben, wanneer hij zegt: daar is een mens; van hem uit bestaan er verbindingen met de hele wereld; in ieder afzonderlijk kind dat opgroeit leeft iets – wanneer ik daaraan werk, dan doe ik iets wat betekenis heeft voor de hele wereld. We zijn in de klas. In ieder kind ligt een centrum van de wereld, van de macrokosmos uit gezien. Deze klas is het middelpunt, ja, er zijn hier vele middelpunten voor de macrokosmos. – Denkt u zich eens in, voelt u dat eens mee, wat dat betekent! Dat betekent dat daar de idee van het heelal en zijn verbinding met de mens overgaat in een gevoel dat alle afzonderlijke handelingen in het onderwijs tot heilige daden maakt. Zonder zulke gevoelens over de mens en de kosmos zullen we niet in volle ernst en op de juiste wijze kunnen onderwijzen. Zodra we zulke gevoelens hebben, wor­den ze via onderaardse verbindingen op de kinderen over­gedragen. Ik heb u in ander verband al gezegd dat het altijd een wonderlijke indruk maakt, wanneer men ziet hoe de draden naar koperen platen in de aarde gaan en de aarde de elektriciteit zonder draden verder geleidt.0 Stapt u de school in met enkel egoïstische mensengevoelens, dan heeft u allerlei draden-woorden namelijk – nodig, om met de kinderen te communice­ren. Heeft u grote kosmische gevoelens, die opgeroepen wor­den door ideeën als die welke wij net ontwikkeld hebben, dan gaat er een onderaardse leiding naar het kind. Dan bent u één met de kinderen. Dat is een facet van de geheimzinnige verbin­dingen die er bestaan tussen u en de schoolklas. Wat wij peda­gogie noemen, moet uit zulke gevoelens opgebouwd zijn. De pedagogie mag geenszins een wetenschap zijn, ze moet een kunst zijn. En waar bestaat er een kunst die men kan leren zonder voortdurend in gevoelens te leven? Maar de gevoelens waarin men moet leven, om die grote levenskunst die pedagogie heet uit te kunnen oefenen, deze gevoelens die men moet heb­ben ten behoeve van de pedagogie, die ontvlammen alleen wan­neer men het grote heelal beschouwt en zijn verbinding met de mens.

[1] GA 293
 Algemene menskunde als basis voor de pedagogie, voordracht 10
[2] GA 294
GA 294 Opvoedkunst – methodisch-didactische aanwijzingen, voordracht         7
[3] Rohen, Joh.W. ‘Morphologie des menschlichen Organismus,
Stuttgart, 2000, door Leber aangepast
[4] Blechschmidt, E. ‘Vom Ei zum Embryo’ 1968, Stuttgart
[5] Plato Symposion
[6,7,8] Nieuwe medische encyclopedie, Rotterdam, 1981
[9] Wonderen der evolutie, Amsterdam 1981
[10] GA 201 voordracht 9 en 10

.

Algemene menskunde: alle artikelen

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

.

266-251

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde – 4e klas (4-1)

.

HET RUND 

Wie een kudde koeien die op een weide graast, langzaam vooruitloopt en dan liggend in zichzelf verzonken herkauwt, op zich laat inwerken, krijgt een indruk van grote rust.

De dieren vertonen weinig activiteit naar buiten toe. De wezenlijke processen schijnen zich meer ìn hun organisme te voltrekken.

Er zijn dieren die je slechts begrijpt wanneer je volgt wat zij in hun omgeving doen. Zou je de runderen vanuit dit gezichtspunt bekijken, dan zou je iets over de rangorde in de kudde, over sociale contacten en schermutselingen ervaren. Dit echter is in vergelijking met wolf, bever of steenbok niet erg indrukwekkend.
Je moet voor elk dier het standpunt vinden van waaruit je zijn eigenheid kan ontdekken.

De vorm
Wanneer je naast de koe een paard ziet, bemerk je hoe haar vorm zich concentreert in de massieve romp. De kop staat veel minder los van de romp dan bij het paard. Wanneer de koe de kop optilt, loopt de zo opvallende horizontale ruglijn door in de hals. Van een zich richten op de wijdheid van de ruimte is niets te merken. De poten zijn kort. Ze maken een stevig gebouwde indruk en dragen het massieve lijf. Snelle en elegante bewegingen zijn niet mogelijk, wanneer de massa van de romp zo zwaar op de ledematen drukt. Dit drukken komt in heel de bouw van de botten tot uitdrukking, in de sterk hoekige gewrichten van de poten, in de zware borstkas en zelfs in de hals.

dierkunde koe 1

dierkunde koe kranich 5

Omtrek van het rund met skelet en pens. Aan het skelet wordt de zwaar drukkende lichaamsbouw indrukwekkend zichtbaar. de pens vult de linker helft van de buikholte vanaf het middenrif tot het einde. Bij de 8 ste rib zie je eronder een deel van de lebmaag. [1]

Wat de romp zo omvangrijk maakt, zijn de stofwisselingsorganen. Ieder kind leert op school dat de runderen niet één, maar vier magen hebben. De grootste daarvan, de pens, vult volledig de linkerkant van de buikholte. Die strekt zich uit vanaf het middenrif tot helemaal naar achteren; en is goed voor een ruimte van pakweg 150 liter. De andere magen, netmaag, boekmaag en lebmaag zijn kleiner. Met de pens samen, een volume van ongeveer 200 liter. Bij geen ander dier treedt de maag zo sterk op de voorgrond als bij het rund.

dierkunde koe kranich 2

links: maag van de mens                    koeienmaag van de rechter kant
1: pars oesophaga                                 1.slokdarm
(overgang slokdarm/                               a. pens
maag)                                                         b. netmaag
c. boekmaag
a t/m c vormen de voormaag
d. lebmaag                       [2]

Hoe wordt deze zo groot? Van de vier magen komt eigenlijk alleen de lebmaag overeen met die van de meeste zoogdieren en de mens. Dat zie je aan de vorm. Een klein gedeelte van de zoogdiermaag die direct aansluit op de slokdarm, de zgn. pars oesophaga, wordt bij de herkauwers enorm groot. Zo ontstaan de drie zgn. voormagen. Deze intensivering van de maagvorming bereikt bij het rund een hoogtepunt.

De dominantie van de vertering
Van dit gezichtspunt kun je naar de koe kijken. Hoe komen deze zo groot geworden stofwisselingsorganen in het organisme en in het gedrag tot uitdrukking? Iedereen weet dat uit een lege maag het hongergevoel opstijgt en hoe er een gevoel van bevrediging volgt wanneer genoeg voedsel in de maag is opgenomen. Zulke gewaarwordingen spelen in het leven van de koe een overheersende rol. Ze uiten zich in de sterke drang gras en kruiden of hooi op te eten en in de overgave waarmee de koe zich bij het grazen met haar voedsel verbindt. Vooraan de kop bij de bek is de huid zacht en vochtig. De klierrijke slijmhuid die anders de mondholte bekleedt, gaat nog verder in de neusspiegel naar buiten toe. Hier is eigenlijk geen begrenzing t.o.v. de omgeving. Zo trekt de koe het gras niet met haar lippen af, maar bijt het met de tanden af. Ze legt de vochtige tong eromheen en ervaart daarbij door haar buitengewoon fijne smaakzintuig de kwaliteit. Met een gebaar van sympathie trekt ze gras en kruiden in haar bek naar binnen en slikt dan meer porties samen door naar de pensmaag.

’s Morgens vroeg eet de koe op deze manier zo’n 2 ½  à 3 uur lang gras en kruiden van het weiland op. In de machtige holte van de pens begint dan onder langzame samentrekkingen het verteringsproces. Een grote hoeveelheid kleinste eencellige organismen neemt aan dit proces deel. Wanneer je je voedt met stengels en bladeren, moeten sterke stofwisselingsprocessen deze zware substantie verteren. Wanneer de pens tot ongeveer de helft gevuld is, begint na een pauze van een half uur tot een uur, de tweede fase van het verteringsproces, het herkauwen. De meeste runderen gaan dan liggen, de zware stieren nog vaker dan de koeien. Ze trekken zich nog sterker in de kern van hun organisme terug. Nu komen uit de pens, en de netmaag kleine porties van de planten die het eerst verteerd zijn, door de slokdarm in de brede ruimte van de mondholte terug. Hier worden ze door het ritmische proces van het vermalen door het werk van de kiezen verder opgelost. Dat gebeurt met een grote regelmaat. Zo herkauwt de koe langer dan een uur de ene portie na de andere, bv. met 49, 50 of 51 kauwbewegingen van de kaken. Daarbij vloeit uit de grote speekselklieren rijkelijk vocht voor de vertering. Zo wordt de mondholte min of meer tot een vijfde maag.
Hoe intensief het verteringsproces  in de kop verdergaat, kun je aan een paar nuchtere getallen aflezen. De koeien grazen op de wei acht tot tien uur per dag; bijna net zo lang duurt het doezelige herkauwen. Gedurende deze tijd gaan de verteringsprocessen in de maag en in de darmen vanzelfsprekend verder. De koe wijdt zich nu van voor tot achter aan de omwerking van de opgenomen substantie. Wanneer ze vers groenvoer neemt, scheiden de speekselklieren op een dag ongeveer 110 liter speeksel af, bij droog hooi 180 liter. De speekselklieren zijn een veelvoud groter dan de hersenen. En  de doorbloeding van de kop dient veel meer de speekselvorming dan de levensprocessen in de hersenen. Zeker krijgt de koe ook indrukken binnen door ogen en oren. De belangrijkste zintuigprocessen zijn echter de smaak en de reuk. Zo is de koe in de kop minstens even sterk naar binnen als naar buiten gericht. Want de instinctieve gewaarwording voor de planten waar ze van houdt en van welke niet, en lust en onlust bij het proeven en het ruiken spelen in het leven van de koe een grote rol.

dierkunde koe kranich 3

De speekselklieren in de kop van het rund:
1.bovenste wangspeekselklier
2.middelste wangspeekselklier
3.onderste wangspeekselklier
4.onderkaakspeekselklier
5.oorspeekselklier                                [3]

Deze eenzijdigheden vinden hun uiting tot in de bouw van de schedel. Het verteren als oplossingsproces is het tegenovergestelde van vormgeven. Het is dus niet verwonderlijk dat de tandvorming afgezwakt is. Er komen geen hoektanden, maar bovendien in de bovenkaak geen snijtanden. Zo mist de koe, evenals de andere herkauwers een begrenzing tegenover de omgeving, die in andere gevallen door de onder- en bovensnijtanden gevormd wordt. Het voorhoofdsbeen is aan de schedel helemaal naar achteren gericht. Het schedelbeen en het achterhoofdsbeen die anders het hoofddeel van de schedelholte vormen, worden naar buiten toe helemaal niet zichtbaar. Ongeveer daar, waar anders dit deel van de schedel zou beginnen, vormen zich de hoorns, wanneer de huid afsterft en aldus een dood omhulsel uit hoorn om de beenpit van het voorhoofdsbeen ontstaat en een rijk doorbloed weefsel.
Hier vindt de binnenwereld zo’n sterke afsluiting tegenover de omgeving, dat iedere betrekking tot de buitenwereld onderdrukt wordt. Dat de hoorns voor een koe van betekenis zijn, toont o.a het feit, dat koeien zonder hoorns zich niet in de gebruikelijke orde van een kudde inpassen.

De kop bestaat dus bijna alleen uit de krachtige kaken met de grote mondholte en de neus. Eigenlijk zou je daar niet van een kop moeten spreken. Het is te begrijpen dat deze in zijn geheel nauw verbonden is met de romp en zich niet losmaakt daarvan door een langere hals.
Lange halzen zijn voor dieren karakteristiek die zich met hun zintuigen wakker op de omgeving richten.

De koe slikt het herkauwde voedsel door naar de boekmaag. Hier komt het tussen een aantal lamellen die van bovenaf in de holte hangen. Deze zuigen een groot deel van het vloeibare en de spijsverteringssappen op en be-eindigen daarmee de eerste grote fase van de vertering van het plantenvoedsel. In de lebmaag wordt deze oplossing dan verder gevoerd met nieuwe sappen; op één dag wordt wel 100 liter aangemaakt.

dierkunde koe kranich 4

Dwarsdoorsnede door de boekmaag [2]

Nu kun je merken hoe de overmatig sterke vorming van de maag niet alleen de vorm van het organisme in de richting naar voren naar de kop bepaalt, maar ook naar achteren. Want na de lebmaag volgt een darm die meestal meer dan 50 m lang is. Hier vindt de laatste fase van het verteren plaats en de opname van de opgeloste substantie in het bloed en de lymfe. De rest wordt uitgescheiden. De dikke darm heeft net zoals bij de andere herkauwers de vorm van een vlakke spiraal. Bij het rund is deze met 1½ tot 2 naar binnen gewikkelde windingen tegenover de 3 tot 4 bij bv. het schaap en de geit maar relatief zwak gevormd. Op deze manier wordt het water ook matig opgenomen, de oplossingsprocessen van de vertering worden niet sterk ingeperkt. De ontlasting vloeit a.h.w. het dier uit – ook vanachter is bij het dier geen duidelijke begrenzing. Het is simpeler aan zijn omgeving, aan het groeiende leven van de natuur  gebonden dan andere dieren. Het leeft als verteringswezen midden in zijn voedsel. Het vreet en bemest tegelijkertijd.

Het bloed in dienst van de vertering en de vorming van melk
Overzie je wat tot nog toe genoemd is, dan kan duidelijk worden, dat de maag het hele organisme van de koe bepaalt. Dat komt ook in veel andere feiten tot uitdrukking waarvan we er maar een paar noemen.
Het bloed staat in hoge mate de vertering ten dienste. Wanneer een liter verteringssap gevormd moet worden, moet er ongeveer 300 liter bloed door de klieren stromen. Ook wordt een groot deel van de afgescheiden vloeistof opnieuw in het bloed opgenomen. Ten slotte neemt het bloed in de pens en in de dunne darm de verteerde, opgeloste substanties op. Die dienen voor de voeding van het lichaam. Is samen met de vertering ook het voedingsproces verhoogd, dan wordt het lichaam groot en zwaar. Bij de zwartbonte runderen, het meest verbreide ras, zijn de koeien 600 tot 700 kg zwaar, de stieren 1000 tot 1200 kg; bij het sterk gebouwde gevlekte vee (bruin-wit) bedraagt het gewicht 750, resp. 1200 kg. En bij het bruine vee van de Alpen en de Voor-Alpengebieden bereiken de koeien een gewicht van 650 tot 750 kg, de stieren 1000 tot 1200 kg.

Een groot deel van de door het bloed opgenomen substantie maakt nog eens een belangrijk veranderingsproces door. Dat komt in de uier terecht Wanneer hier een liter melk gevormd wordt, moet 300 tot 500 liter bloed door de uier stromen.

Een koe die melk moet geven, moet ieder jaar een kalf krijgen. Een paar uur voor de geboorte zondert zij zich af van de kudde en zoekt een beschutte plaats. Daar wordt dan, meestal ’s nachts, na een draagtijd van 9 maanden het kalf geboren. Het wordt meerdere maanden door zijn moeder gezoogd. Eerst zijn de voormagen nog tamelijk klein; bij het pas geboren kalf is de pens minder dan half zo groot als de lebmaag. Tijdens de zoogperiode neemt het kalf al ruw voer. Daardoor wordt de pens reeds dubbel zo groot als de lebmaag.

Door de kunst van het fokken door de mens ging de melkproductie ver boven de oorspronkelijke hoeveelheid uit. Een koe kan tegenwoordig meer dan 20* liter melk per dag geven. Zeker is het dat de grens van wat de dieren kunnen verdragen bij de zgn. hoge melkproductiekoeien is overschreden. Een koe zou niet tot een fysiologisch apparaat van melkvorming gereduceerd moeten worden.

Melkvorming en voeding zijn nauw met elkaar verweven. Door het melken ontstaat in de koe een behoefte om te drinken en te vreten. Voor de koe is de dag door de afwisseling tussen vreten en herkauwen ingedeeld. Normaal volgen vier van deze perioden van ’s ochtends vroeg tot in de late avond en ’s nachts elkaar op. Op de ene dag nemen de runderen grote hoeveelheden vers voer, kleinere rassen zo’n 50 kg, grotere 80. Dan drinkt een rund, wanneer het melk geeft, per dag tot zo’n 100 liter water. Deze getallen wijzen op de belangrijke processen van het omwerken van substantie, die aan de uiterlijke blik van de mens onttrokken zijn en die voor de mens van zo’n grote betekenis zijn – door de vorming van melk, maar ook door het vlees.

Over het gedrag
Bij alles wat we geschreven hebben, moet je bedenken dat het rund geen solitair wezen is als de beer of de lynx. Het leeft als lid van zijn kudde. Wat één koe doet, vreten, rusten of herkauwen, doet ze meestal samen met de andere dieren van de kudde. Het zijn groepsprocessen. En alleen wanneer een koe binnen de hele kudde leeft, bereiken haar levensprocessen de grootste sterkte. Een koe apart vreet minder, drinkt minder en geeft minder melk.
Veel van het wezen rund kun je vinden in hoe het zich uit. Het doffe ‘boehhhhh’  ontstaat  in het strottenhoofd, de keel- en de mondholte. Wat je hoort, schijnt echter uit de diepte van het lijf omhoog te komen. Je ervaart in het donkere, volle en warme geluid iets van het zielenwezen van het rund. Men weet uit de vele waarnemingen, dat er  nauwelijks een orgaan is dat zo gevoelig op gemoedstoestanden en emoties met klierprocessen en bewegingen als de maag en de darmen reageert. Ziel is hier diep verweven met de levensprocessen. En zoals deze zeer onbewust verlopen, worden deze zielenuitingen door de bewusteloosheid van de stofwisselingsorganen en – processen bepaald.
Zo wordt veel begrijpelijk van wat ons tegemoet komt in het gedrag van het rund – in het bijzonder de met kracht gevulde dofheid. Wanneer op een weiland een schot klinkt, vliegen de vogels op hetzelfde ogenblik uiteen, het paard reageert onmiddellijk en bij het rund merk je pas na een korte tijd een dromerig doffe reactie.

Bijna geen dier verbindt zich zo intens met de stoffen en krachten van de aarde. Dat geeft het hele wezen zijn uitdrukking – in zijn gestalte, in de vorm van de organen en hun levensprocessen en in het gedrag.
In een pregnante  formulering heeft R.Steiner op de reden gewezen van dit samenhangende karakter.

In de koe is datgene wat in de mens stofwisselingsorganen zijn, eenzijdig gevormd. [4]. Van het rund kan men zeggen: het is een en al maag. [5]

Zoals de ziel in de levensprocessen onderduikt, zo voegt het dier met heel zijn lichaam zich diep naar de krachten van de zwaarte. In het bijzonder bij de stieren krijg je de indruk dat zij met hun doffe wilskrachten er helemaal van doortrokken zijn en bijna als geen ander wezen zo aan de aarde gebonden.
.

(Ernst-Michael Kranich, Erziehungskunst, jrg. 58 nr.3, 1994)

*sinds het verschijnen van dit artikel is die productie al weer hoger geworden.

[1] Tank, Dierenanatomie voor kunstenaars, Ravensburg 1984 (Duits)
Berg, Toegepaste en topografische anatomie van huisdieren, Stuttgart 1974 (Duits)
[2] Loeffler, Anatomie en fysiologie van huisdieren, Stuttgart 1974 (Duits)
[3] Krahmer, Schröder, Atlas van de anatomie van huisdieren, Leipzig 1986, (Duits)
[4] Steiner, GA 305: Nederlands: (keuze) Opvoeding en onderwijs
[5] Steiner, GA 301: Duits

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klaskoe

.

230-216

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (3-1/1)

.

DE OCTOPUS

De naam ‘octopus’ betekent ‘acht voeten’ en het dier heeft inderdaad acht armen die aan hun basis een soort valscherm vormen en die samen een gesnavelde bek omgeven.

Octopussen verschillen duidelijk van de pijlinktvissen en de sepia’s, de andere bekende vertegenwoordigers van de koppotigen, doordat bij hen het extra paar lange armen ontbreekt.
Bovendien zijn hun zuignappen, waarmee de armen bezet zijn, niet verstevigd door hoornringen, zoals de zuignappen van de pijlinktvissen.

Andere verschilpunten zijn, dat octopussen geen inwendige schelp hebben en dat hun lichaam kort en rond is in plaats van gestroomlijnd. De 150 soorten octopussen zijn verspreid over alle wereldzeeën, maar ze zijn vooral talrijk in warme wateren. De kleinste, minder dan 5 cm lang, is de octopus arborescens. De grootste is de Pacifische octopus, o. hongkongensis, die in totaal bijna 10 m is, ofschoon zijn bekervormig lichaam slechts 0,5 m groot is. De blinde diepzeesoort cirrothauma uit de noordelijke Atlantische Oceaan heeft twee grote vinnen aan zijn lichaam. De vliezen tussen zijn armen reiken bijna tot aan de uiteinden en hij zwemt door deze ‘paraplu’ open en dicht te doen. behalve de zuignappen aan de onderzijde van zijn armen heeft hij nog rijen uitsteeksels die waarschijnlijk dienen om voedsel te vangen.

De gewone octopus, de soort waar het hier in hoofdzaak om gaat, leeft aan de kusten van tropisch en subtropisch Afrika en de Atlantische kusten van Amerika en is vooral talrijk in de Middellandse Zee. Hij kan bij wijze van uitzondering een grootte bereiken van 3 m, maar is gewoonlijk veel kleiner. De kleine o. komt voor van Noorwegen tot de Middellandse Zee. Hij is zelden groter dan 75 cm en heeft een enkele rij zuignappen op zijn armen, i.p.v de dubbele rij van de gewone octopus.

Een meester in het vermommen
De gewone o. leeft tussen rotsen in ondiep water, terwijl hij de meeste tijd doorbrengt in een hol in de rotsen of in een ‘villa’ opgebouwd uit stenen. Wanneer hij buiten zijn woning is, kruipt hij de meeste tijd rond op zijn armen, waarbij hij de zuignappen gebruikt om zich vast te grijpen, ofschoon hij ook kan zwemmen. Gewoonlijk zwemt hij achteruit, zijn armen achter zich aanslepend, doordat hij water door de trechter naar buiten spuit. Evenals bij de sepia en de pijlinktvis wordt dit water uitgestoten uit de mantelholte, waarin de kieuwen liggen en waarin de nieren, de einddarm, de voortplantingsorganen en de inktzak uitmonden. Ook kan hij een inktwolk uitstoten om achtervolgers op een dwaalspoor te brengen. Er is geen bewijs dat octopussen reageren op geluid. De armen reageren op aanraking en smaakstoffen en de ogen zijn goed ontwikkeld. Dat het zien belangrijk is, blijkt ook uit het feit dat ze uitstekend in staat zijn van kleur te veranderen. Dat wordt gedaan met 2 soorten chromatoforen of pigmentcellen in de huid, die van kleur verschillen al naar gelang ze zijn uitgespreid of samengebald. Een soort varieert van zwart tot roodbruin en een andere van rood tot bleek oranjegeel. Onder deze chromatoforen ligt een laag kleine deeltjes, zgn. iridocyten die wit licht weerkaatsen of een blauwe of groene structuurkleur veroorzaken. Het verschil in verschijningsvorm is echter niet alleen een kwestie van kleur, maar ook van houding en bouw. De armen kunnen uitgestrekt zijn, ingetrokken of stijf opgerold over het lichaam ter verdediging. De zuignappen kunnen onzichtbaar zijn of vooruitgestoken om de armen een golvend aanzien te geven. Wanneer kleur, houding en bouw nauwkeurig op elkaar zijn afgestemd, kan een octopus volledig samensmelten met zijn omgeving, zodat het buitengewoon moeilijk is om hem te ontdekken. O. verraden zich soms aan vissers die naar hen zoeken door het zgn. dymantisch gedrag, dat optreedt wanneer o. schrikken van grote objecten. Het dier wordt platter, rolt zijn armen op naast zijn lichaam en spreidt het vlees dat de armen verbindt er overheen. Het lichaam wordt lichter van kleur, maar rond de ogen staan donkere kringen en de rand van het valscherm wordt ook donker. Het doel van dit gedrag is waarschijnlijk om roofvijanden zolang af te schrikken dat de o. de tijd heeft om van kleur te veranderen, inkt uit te stoten en weg te schieten. Met hun grote hersenen en hun aanpassingsvermogen zijn o. het onderwerp geweest van een aantal interessante onderzoekingen omtrent leervermogen en hersenfunctie bij lagere dieren. In gevangenschap raken ze spoedig op hun gemak en wennen aan hun oppassers.

Aanval van een octopus
Een o. valt meestal alleen bewegende voorwerpen aan. Hij glijdt geruisloos naar zijn prooi toe, staat even stil en springt dan naar voren door plotseling een krachtige straal water naar achteren uit te stoten. Kleine prooien, hoofdzakelijk vis en schaaldieren worden gevangen onder het uitgespannen net tussen de armen en dan gegrepen met de papegaaiensnavelachtige hoornige kaken rond de mondopening. Tegelijkertijd scheidt hij een gif af, dat de prooi verlamt. Een gemiddelde o. eet ongeveer 25 kleine krabben per dag. Men leest vaak dat mensen door o. gegrepen worden en vastgehouden. Waarschijnlijk gebeurt dit ook wel eens en vooral in warme zeeën; het schijnt echter dat dit geen opzettelijke aanvallen zijn, maar meer het onderzoeken van een bewegend voorwerp en men heeft ondervonden dat, wanneer men zich rustig houdt, de o. het slachtoffer korte tijd aftast en dan laat gaan.

Koele hofmakerij
Bij de paring, welke verscheidene uren kan duren, zitten wijfje en mannetje apart. Er is bijna geen paringsspel, ofschoon het mannetje soms enige buitengewoon grote zuignappen aan de basis van het 2e paar armen laat zien, alsof hij avances wil maken bij het wijfje. Het enige contact dat hij met haar heeft, geschiedt door één enkele arm, die hij uitsteekt om haar te liefkozen. Deze arm is altijd de 3e arm aan de achterkant, die speciaal voor dit doel is gevormd  en een lepelvormig uiteinde heeft. Hij wordt de hectocotylusarm genoemd. Het uiteinde wordt in de mantelholte van het wijfje gebracht en de zaadcellen worden bij de opening van haar eileider afgezet in keurige pakketjes, spermatoforen genaamd. Een wijfje legt ca 150.000 eieren in ongeveer een week, ieder in een ovaal kapsel ter grootte van een rijstkorrel. Zij worden met korte stelen samengevoegd tot langere snoeren, die het hol van de moeder versieren. De moeder waakt gedurende een aantal weken over de eieren, maakt ze vaak schoon met haar armen of spuit er water over d.m.v. haar trechter. Gedurende deze tijd eet ze weinig. Ze kan weken vasten, bij één soort zelfs 4 maanden en bij een broedend wijfje in een aquarium zag men dat zij het voedsel dat bij haar gebracht werd, verplaatste en ver wegwierp. De kortarmige jongen zijn ca 3 mm lang wanneer ze uitkomen en zij zweven enige tijd rond voor zij hun eigen leven op de bodem beginnen; dan zijn ze 1,5 cm groot en enige weken oud. De gewone o. broedt zelden aan onze kust, wel worden er ieder jaar larven voor de Belgische kust waargenomen en in ongeveer een week trekken ze van Zeeland naar Den Helder.

Waar of niet waar
Er wordt soms beweerd dat de o. zich voeden met schelpdieren door stenen tussen de kleppen te steken, zodat ze niet meer dicht kunnen. Biologen uit vroeger eeuwen meenden dat een o. die een grote mossel niet open kon krijgen, in zo’n geval van een steen gebruik maakte. Dat is een aardig verhaal en hoeft niet onmiddellijk naar het rijk der fabelen te worden verwezen, maar toch hebben verschillende zoölogen tevergeefs getracht dit gedrag waar te nemen. Sommigen hebben daartoe met o. in aquaria geëxperimenteerd, maar zonder succes. Bovendien is het niet waarschijnlijk dat de o. ooit zulke ingewikkelde bewegingen kan uitvoeren. De moeilijkheid is dat de vorm van het lichaam te veranderlijk is, zodat het zenuwstelsel  zeer complex zou moeten zijn om rekening te houden met alle buigingen en krommingen in de armen en tegelijkertijd zo’n intelligente handeling te controleren en te beheersen.

De goed ontwikkelde ogen van de o. hebben een groot netvlies, waardoor zij een gezichtsveld hebben van 180’.

Bioloog Frans de Waal over de octopus:

‘Dat is een heel vreemd beest. Hij heeft ongewoon grote centrale hersenen, zeker voor een weekdier. Maar hij heeft ook nog eens zenuwknopen in al zijn acht armen en elk van zijn tweeduizend zuignappen. Die zijn allemaal verbonden, als een soort servers, waardoor hij op het internet lijkt. De octopus denkt met zijn hele lichaam, en dan kan hij ook nog licht waarnemen met zijn huid en communiceren door van kleur te veranderen.’

Bron: Trouw, 23-04-2016

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld 4e klas: inktvis

 

.

 

225-213

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (2-1/4)

.

MENS- EN DIERKUNDE IN DE 4E KLAS

Fier rechtop, het hoofd omhoog
de rug gestrekt, staat de mens op aard.
Hij kan denken en voelen en handelen
Doordacht, doorvoeld, bedaard.
De dieren zwoegen moeizaam
de koppen naar omlaag
en streven heel hun leven
naar het vullen van hun maag.

Een gedichtje uit de mens- en dierkundeperiode waarmee in een groot gebaar de echte verschillen tussen mens en dier in dich­terlijke vrijheid worden weergegeven.
Er heerst in de klas aan het begin van de periode een zekere opwinding. Vele kinderen hebben al een boek meegenomen, bv. ‘De wereld der zoogdieren’; ‘de diepzee’; ‘Voorwereldlijke dieren’ enz. Er is wat het vak dierkunde betreft werkelijk een ‘mer à boire” om te behandelen.

Maar waar te beginnen? Enige systematiek in de aanpak is toch de ruggengraat voor elk vak.

Rudolf Steiner geeft de aanwijzingen om vanuit de mens te beginnen. Natuurlijk, dat is bekend terrein voor de kinderen. En algauw spreken we over hoofd, romp en ledematen. Hoe ver­schillend die in hun bouw en uiterlijk zijn; hoe verschillend in hun activiteit vooral.
Er worden verrassende ontdekkingen gedaan, bv. dat de mens een “gestrekt” wezen is en daarnaast het enige gestrekte wezen op aarde. De lijn knie-ruggengraat-hoofd is een verticale. De kinderen noemen andere rechtop­lopers; bv. pinguïn, kangoeroe, maar worden er zich op het­zelfde ogenblik van bewust, dat deze dieren op hun hurken zitten.
Het begin van een levensvraag is er even als er een met stelligheid zegt: “We stammen van de apen” en de ander, met enige twijfel in de stem: “Nee, toch meester. God heeft ons toch geschapen?”

Ze worden groot, de 4e-klassers. Niet alleen aan hun verder reikende interesse is dat te merken; de gesprekken over de dieren, de ijver waarmee er in de boeken gezocht en gesnuffeld wordt, de stukjes die erover geschreven worden, al deze dingen geven aan welke groei er in enkele maanden heeft plaatsgevonden.

Het is dan ook mogelijk om de inktvis te behandelen (als dat dier, dat “het hoofd” het meest nabij komt, kop met ingewanden zonder romp of ledematen: z’n tentakels zijn geen armen, maar “lippen”; en tevens zijn omgeving, voedsel, vijanden, voort­planting; terwijl we enkele dagen later het jachtgedrag van de leeuw in de brandende hitte van de Afrikaanse steppe be­schrijven.

Grote sprongen maken we van het ene klimaat naar het andere, van het ene werelddeel naar het andere.

Natuurlijk komen ook de ons meest bekende viervoeters aan de beurt: de hond, in zijn rol als heldhaftig mensenredder en vieze snuffelaar tegelijk, de hand likkend die hem slaat en de kat, die u de eer aandoet om bij u te wonen. In dit stadium komen de verhalen pas goed los: We besluiten de periode met een “verzoekdier”, het werd de pinguïn, wonderlijke vogel in zijn deftig pakje, vliegend door het water.

Er is veel geleerd in die paar weken, veel geschreven, ge­tekend en geschilderd. Ook de beroepskeuze werd bepaald. Veel kinderen worden nu dierenarts of dierenverzorger. (Ouders, hoedt u voor de periode Geld-rekenen! )

(M.v.d.Made, nadere gegevens ontbreken)

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw 

 

223-211

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde – 4e klas (2-1/3)

.

KINDEREN EN DIERKUNDE

In de vierde klasse staat dierkunde vermeld op het leerplan. Een van de duidelijke aanwijzingen van het leerplan: “Behandel dierkunde met vierdeklassers!” Waarom juist in de vierde klas? Even afwachten! De kinderen in kwestie zijn 9 1/2  a 10 jaar oud en reageren zeer enthousiast. Bij de aankondiging “nu gaan we het enkele weken over dierkunde hebben” weerklinkt een woest en luid haaa-geroep! Dat is echt geen bravigheid of zo, geen re­actie van zoete mannekes en lieve meidjes.

Neen, het is een natuurlijke reactie op leerstof (eigenlijk ontwikkelingsstof, zie artikel van E.B. over het schoolwerkplan in deze schoolkrant). En wel leerstof, die te rechter tijd wordt aangeboden. Wat is er met deze, vrij woelige snuiters aan de hand? Als kleintjes hielden zij altijd al van dieren. Zij vertroetel­den konijntjes en poezen, knuffelden ratjes en hamsters, stoei­den met honden, bokjes en geiten, trachtten paarden en veulens, ezels, schapen en varkens te voeren en wat niet al. Maar ineens is er iets veranderd. De verhalen gaan er in als koek, aan de kinderhanden ontworstelen zich vele tekeningen, vele kleibeeldjes van diergestalten. Maar de aandacht, het enthousiasme voor dieren heeft iets objectiefs, bijna zou men zeggen “wetenschappelijks” gekregen. Waardoor komt dit? De kinderen van een vierde klas maken een belangrijk moment in hun ontwikkeling door. Zij zijn klein kind af. Zij staan op de drempel van een persoonlijke zielenontwikkeling. Zij zijn zich bewust geworden van iets: Er is een scheiding ontstaan.
Hun “ik” als persoonlijkheidskern wordt voor het eerst echt beleefd. En dat houdt in, dat al “het andere”, de gehele om­geving, de wereld, met alle mensen en dieren, planten en mineralen niet meer met dat “ik” verbonden wordt gevoeld.
Vóór deze belangrijke – en niet zo prettige – beleving voelde het kind zich met alles verbonden. Nu gaat het kind ont­dekken, dat hij in een merkwaardige wereld staat met op zijn minst vier grote natuurrijken: het mensenrijk, het dierenrijk, het plantenrijk en het minerale rijk. Vierledig is zijn natuurlijke omgeving, waartoe hij een nieuwe verhouding moet krijgen. Het mensenrijk is ons het naast. Mensen verwekten en baarden ons, voedden, wasten, kleedden en knuffelden ons, brachten ons door hun voorbeeld tot lopen, spreken en denken. De taal is een communicatiemiddel dat alleen mensen met elkaar gemeen hebben. Naar het mensenrijk gaat de eerste belangstelling van de eenzame, die zichzelf als “ik” voelt. Maar de mensen zijn ook moeilijk voor de vierdeklasser. Is het te verwonderen, dat de nieuwe stroom van sympathiekrachten zijn uitweg zoekt naar het tweede rijk, dat men als kind van tien jaar buiten zichzelf ziet staan en dat men dus bewust gaat zien? Het dierenrijk in een nieuwe visie. De fabels geven het “dier van binnenuit”: als beeld van gulzigheid of slimheid, hardheid of domheid. Maar voor de dieren van buitenaf was de belangstelling minder.

“Vanaf het tiende jaar maakt juist de verscherping van de
bewustzijnskrachten bij het kind, dat het veel meer kan opmerken: De ogen zijn opengegaan voor uiterlijke details van lichaamsbouw, beweging, gedrag. Het dier is interessant door uiterlijke details. Het dier is ook een hulp om een deel van de wereld op een ander niveau terug te vinden. Want het kind in zijn nieuwe toestand heeft hulp nodig. Onbewust stelt het aan zijn opvoeders de vraag: “Wat moet ik nu? Ik heb mijn plaats in de wereld verloren! Ik maak nergens meer deel van uit! Wat is mijn plaats in de wereld? Hoe vind ik de verbinding met alles terug? Waar is de werkelijkheid?”

De leraar moet dit kunnen aanvoelen en het kind tactvol duidelijk trachten te maken, dat zijn oude toestand nooit meer zal terug keren, en dat ieder menselijk wezen deze vervelende tussentoestand, dit proces, zal doormaken, of al doorgemaakt heeft. Er is iets ver­loren, maar ervoor in de plaats gekomen is: een scherp waarnemings­vermogen en een grote interesse voor de werkelijkheid! Verheug je op de nieuwe mogelijkheden.

Zo kan de sympathiestroom voor het kind gericht worden op de mogelijkheden van de nieuwe werkelijkheid. Die sympathiestroom wordt dan met graagte op het dierenrijk gericht.

Dus. .. dierkunde.

Rudolf Steiner geeft echter een niet te verwaarlozen raad: begin eerst met de mens! Behandel de mens globaal in zijn betrekking tot het dierenrijk.
Er wordt namelijk bij de tienjarige een nieuw wereldbeeld en dus ook een nieuw mensbeeld op touw gezet.
Het zou mogelijk zijn nu al, na honderdvijftig jaar, een studie te schrijven waarin de verkeerde voorstelling van de betrekking tussen mens en dier niet alleen grondig zou worden herzien terwijl tevens de onbeschrijflijk negatieve invloed van een verkeerd begrepen evolutieleer op de menselijke psyche uit de doeken zou worden gedaan.
Op deze plaats is het voldoende aan te duiden, dat er genoeg ge­gevens zijn om dierlijke afstamming van de mens te weerleggen. De mens was nooit een dier, zal het nooit zijn.
Het is een enorme steen des aanstoots, dit geloof in de dierlijke afstamming van de mens, veel meer dan men denken zou.
In de beschouwing van Rudolf Steiner wordt het duidelijk, dat de mens een samenvatting van het dierenrijk is. Vandaar de indeling in kopdieren (inktvissen en schaaldieren), rompdieren (muizen, egels enz.) en ledemaatdieren (paarden, olifanten, hoefdieren, roofdieren), voor de schoolkinderen.
Vandaar de op het eerste gezicht vreemde combinatie van inktvis, muis, paard, walvis, olifant, kat.

Een nieuw mensbeeld mag op de achtergrond staan: De mens als
geestwezen.

P.C.Veltman, vrijeschool Leiden.

Nota bene:  Veltman rekent de roofdieren tot de ledematendieren – zie echter:
Kranich: de leeuw

.

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

.

222-210

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (2-1/2)

.

OVER MENS- EN DIERKUNDE IN DE VIERDE KLAS

” De wereld en ik “, zo gaat het kind zich rond het negen­de jaar voelen.  Eerst was het met de wereld en alles wat daarop leeft één geheel, het maakte nog geen onderscheid. Nu komt het kind steeds meer tegenover de wereld te staan en is daardoor in staat de dingen exacter waar te nemen. Daarom kan er nu ook meer een beroep op zijn begrip gedaan worden. Het kind is echter nog steeds op een gevoelsmatige manier met het dierenrijk verbonden. Vandaar dat het van belang is, in dit jaar een begin te maken met mens- en dierkunde.
We gaan uit van de mens. We maken een onder­scheid tussen het hoofd, de romp en de ledematen. Vanuit de vorm van het menselijk lichaam gaan we over naar dier­kunde. We onderscheiden “kopdieren” en “rompdieren”, de mens is een ledematenwezen.
Steeds vergelijken we het dier met de mens en kijken naar verschillen en overeen­komsten.
Een voorbeeld van een kopdier is een inktvis. Uit de beschrijving van de leraar moet duidelijk worden, dat dit dier waarneemt met z!n gehele lichaam, terwijl het bij de mens vooral het hoofd is dat ruikt, ziet, proeft, hoort enz. De meeste dieren zijn rompdieren. We beschrijven het dier zo in zijn omgeving met zijn vrienden en vijanden, dat het kind een beeld krijgt van de geaardheid van het dier. De bedoeling is dat de kinde­ren inzien dat de poten of vleugels in dienst staan van de romp en het in stand houden van de eigen soort. Bij het kijken naar de vorm en functie van onder andere ogen, oren, neus, tanden, poten en staart valt op, dat ieder dier ergens in gespecialiseerd is. De mens daaren­tegen is veelzijdig. De mens gaat rechtop, zodat zijn handen vrijgemaakt zijn om te werken, niet alleen voor zichzelf maar ook voor anderen. Het is van groot belang dat de kinderen zich tijdens deze periode bewust worden dat de mens zijn handen vrij kan gebruiken. Ook heeft hij de vrijheid zelf te kiezen waarheen zijn benen hem dragen zullen. De mens is niet gebonden aan één plek maar heeft in feite de hele wereld tot zijn beschikking.
Het kind kan tot de conclusie komen, dat hij mens is door zijn handen en daarom een ledematenwezen is. Het is voor de klas een bijzondere belevenis het verschil tussen mens en dier in deze vorm gepresenteerd te krijgen.

 

Een dierkundeperiode in de vierde klas.
De dierkundeperiode begint met menskunde. Eerst wordt het hoofd onder de loep genomen. ” Wat doe je met je hoofd?” vraagt de lerares.
‘Denken, zien, horen, ruiken, proeven, praten. ‘Het lijkt of je hoofd veel doet, maar in werkelijkheid is het erg “lui”.  Dat is misschien maar goed ook. Stel je voor dat je hoofd aldoor moet bewegen. Kun je dan nog goed zien wat er om je heen gebeurt? Dat willen de kinderen wel eens uitproberen. Alle hoof­den wiebelen, draaien, schudden en giebelen. Nee, dat gaat niet. Een “lui” hoofd merkt meer op. Het gesprek gaat over naar de romp.
“Als je bang bent in het donker, waar voel je dat dan?” Daar heeft ieder kind wel een antwoord op. De een voelt een steen in zijn buik, de ander hoort zijn hart bonken, bij een derde stokt de adem en de vierde heeft het gevoel van “vlinders­ in je buik”, dat wordt door velen herkend. “Kijk maar eens of jij het ook wel eens zo voelt”,  zegt de juf en zij noemt een aan­tal bekende zegswijzen:

Mijn hart klopte in mijn keel.
Mijn hart trilt van blijdschap.
De schrik slaat mij om het hart.
Dat is een pak van mijn hart.
Mijn hart breekt.
Zij  luisteren met ingehouden adem.
Hij haalde opgelucht adem.
Het is een adembenemend verhaal.

Nu blijven de ledematen nog over. “Waar gebruik je die voor?” Eerst noemen de kinderen allerlei dingen die henzelf bezig houden: spelen, rennen, zwemmen,  fietsen, springen, tekenen. Maar ten slotte beginnen zij over: werken, timmeren, metselen, schilderen, vegen. “Je benen dragen je waarheen je wilt”-. Je hebt je armen en handen vrij om er van alles mee te doen, voor jezelf maar ook voor anderen.

Dieren hebben dit niet. Die lopen ook niet de hele dag recht­op zoals de mens. Wel is elk dier ergens heel goed in. Mensen kunnen ook wat dieren kunnen, maar ze hebben er vaak gereed­schappen voor nodig.
Een mol is  “gespecialiseerd”  in graven. Jij gebruikt bij het graven een schep. Wij  snijden harde din­gen niet met onze tanden door zoals de muis, maar met een mes.
De kinderen zijn verbaasd en opgetogen tegelijk. Zo hebben ze het nog nooit bekeken.  Koortsachtig zoeken zij naar andere voorbeelden.

De klas leert nu een gedichtje over het hoofd, de romp en de ledematen. Voor het eerste couplet zit ieder­een op zijn knieën op de grond en laat de kin op het tafel­blad rusten. De eerste keer moet iedereen even om zich heen kijken om te zien hoe zo’n klas met alleen maar hoofden er­uit ziet. Maar daarna houden zij allemaal het hoofd zo stil mogelijk en reciteren zij met rustige stemmen:

In mijn hoofd rond en rustig.
Zie en hoor, ruik en proef ik van de wereld om mij heen.

Dan klimmen zij op hun tafels, knielen daarop neer, hou­den de armen op de rug en ademen een paar keer flink in en uit.  Het tweede couplet:

Ruim is mijn romp met zijn ademstroom, daar doorleef ik vreugde of pijn, moed of schroom.

Ze springen weer op de grond,  lopen “in de maat” om hun tafels heen en ieder laat op zijn eigen manier zijn armen “vrij” zijn voor het derde couplet:

Door benen gedragen waarheen ik wil, zo ga ik rechtop met mijn armen vrij, maak met mijn daden mensen en dieren blij.

Wanneer de kinderen dit gedicht uit het hoofd kennen, komt het op het bord te staan en schrijven zij het over op de eerste bladzijde van het dierkundeschrift.

Op de tekenbladzijde ernaast maken zij een tekening van een mens. Die ziet er bij ieder kind anders uit.

Het eerste dier waarover de juf vertelt is de inktvis. Zij be­schrijft zo nauwkeurig mogelijk hoe hij eruit ziet, maar toch op zo’n verhalende manier, dat de kinderen het voor zich kunnen zien. Zij vertelt over zijn  ‘papegaaiensnavel’ waarmee hij zelfs krabben kan kraken, over zijn tentakels die zich stevig om zijn prooi vastkronkelen,  over de ongelooflijke kracht van de zuignappen. Met gretigheid luisteren de kinderen naar hoe hij zich gedraagt, hoe hij bijna onbeweeglijk op de bodem van de zee zit, maar ondertussen alles in de gaten heeft van wat er in zijn omgeving gebeurt. Wanneer hij een visje ziet langszwemmen, schiet hij plotseling uit en grijpt zijn prooi met zijn vangarmen.
In een tekening op het bord zien de kinderen op de begroeide zeebodem een inktvis op weg naar zijn hol.
Nu wil de lerares een vergelijking maken tussen de inktvis en de mens. “Waarop vind je de inktvis het meeste lijken: op het hoofd, op de romp, of op de ledematen;”  “De ledematen natuur­lijk!” roepen de kinderen. Dan gaat de lerares gehurkt achter de tafel zitten en laat alleen haar hoofd op het tafelblad rusten. Het beweegt bijna niet, maar zij loert onmiskenbaar naar alle kanten. De kinderen herkennen hierin toch wel de inktvis. Zij noemen de inktvis een kopdier omdat hij met zijn hele lichaam waarneemt. Naast de tekening van de inktvis op de zeebodem schrijven de kinderen in het schrift:

 De inktvis
In rotsen,  spleten of in holen
houdt de inktvis zich verscholen.
Daar wacht hij op een vis of krab
en stuwt zichzelf dan rap
door het water naar zijn prooi.
Komt de vijand te dichtbij,
dan spuit hij inkt en is weer vrij.
Die dichte donkere wolk onttrekt
de inktvis aan het jagend oog.

Na de inktvis komt er een heel andere diersoort aan de beurt: de haas.
De juf vertelt weer allerlei bijzonder­heden waarover de kinderen zich verwonderen. Met zijn lange oren, die lepels worden genoemd, hoort hij haar­scherp wanneer er onraad dreigt. Zittend op zijn achter­poten spitst hij zijn oren naar alle richtingen. Hij  snuf­felt even met zijn zachte neus of hij het hazenpad moet kiezen. Komt de vos eraan, dan zal de haas tijdens zijn vlucht steeds een grote sprong opzij maken om zijn vij­and het spoor bijster te laten raken. Ook de haas ontkomt niet aan een vergelijking met de mens. Bij dit dier kun je niet van “een en al waarneming” spreken zoals bij de inktvis. Integendeel, bij de haas zijn die lange oren er extra bovenop “gebouwd”. De haas is dus geen kopdier.
In een leestekst hebben de kinderen gelezen hoe een haas en een muis van elkaar schrokken en op de vlucht sloegen. Heeft de haas dan gevoel? Ja, hij  kan schrikken,  bang zijn, vrolijk zijn, boos worden en onraad ruiken. De lerares noemt de haas een rompdier.  “Maar hij heeft toch pootjes waarmee hij springen kan?”  “Dat zijn toch ledematen!” werpt een meisje tegen. “Juist’,  antwoordt de juf, “maar de ledematen staan in dienst van zijn romp”.  Dat kun je van de mens niet altijd zeggen. Die werkt ook met zijn handen om anderen te helpen. Het moet even doordringen. Dan knikt het meisje: ” Ja, daar zit wel iets in.”
De kinderen willen graag spreekbeurten houden over dieren. Ze spreken met de juf af wie op welke dag zijn spreek­beurt doet en de juf geeft aan op welke vragen antwoord gegeven moet worden:

Hoe ziet het dier eruit?
Hoe leeft het? In welke omgeving? Waarmee voedt het zich? Wie zijn zijn vijanden? Wat doet het in de verschillende seizoenen? Vertel iets over de jongen.

Van nu af aan begint elke dag met twee spreekbeurten.
De kinderen die luisteren krijgen de opdracht: om er thuis een korte tekst of gedichtje over te schrijven. Ze hoeven niet over elke spreekbeurt te schrijven, maar mogen een keuze maken. Het niveauverschil blijkt erg groot te zijn: sommige kinderen vertellen uitgebreid en boeiend, doen zelfs de bewegingen en de geluiden van hun dier na en laten verduidelijkende plaatjes en tekeningen zien. Andere zijn een aantal onderdelen ver­geten of hebben hele stukken uit een dierenboek overgeschreven en kunnen hun ogen niet van het spiekblaadje afhouden. Aan hun verteltoon is te horen dat ze de inhoud zelf ook niet altijd snappen. De lerares vraagt na elke spreekbeurt aan de klas wat ze ervan vonden: Wat vond je leuk?’ en ‘Wat zou je anders doen?’ Opvallend is hoeveel consideratie de kinderen met elkaar hebben. Dat bleek ook al tijdens de spreekbeurten: ze luisteren goed naar elkaar, ook al is het verhaal niet voor iedereen interes­sant.
Een van de kinderen vertelt over de chimpansee. Het spreekt de klas erg aan. De volgende dag vinden de kinderen een apenfamilie in het oerwoud op het bord getekend, geflankeerd door een gedichtje:

De chimpansee
De chimpansee loopt over stammen en takken,
Een dier met vier handen, voor ‘t lopen en voor ‘t pakken.
Zijn oren wijd uitstaand, zijn pels glanzend zwart,
Heel lang zijn z’n vingers, heel kort is z’n staart.
En zwaaiend en draaiend, heel fraai heen en weer,
Zo bungelt de slungel, ’t is feest keer op keer.
Hij voedt zich met vruchten en noten van ’t woud,
Is slim als geen ander, heel lief maar ook stout.

De lerares vertelt nog over de beer en de olifant.
Daar be­staan vele spannende en wonderlijke verhalen over. De Lappen geloven bijvoorbeeld dat beren vrouwen en kinderen niets doen. Ze doen ook niets als je “dood” op de grond ligt en je adem inhoudt. De beer snuffelt dan wel even aan je en probeert je met zijn poot heen en weer te rollen, maar als je stil blijft liggen, verliest hij zijn belangstelling voor je.

Van de kracht van de olifanten bestaan vele indrukwekkende voorbeelden. Maar dat een olifant schrikachtig is, zelfs onrustig door een muis kan worden, weten de meeste kinde­ren niet. Ook niet dat een olifant zich nog jaren later “herinnert” wie hem kwaad heeft gedaan. Prachtige teke­ningen van olifanten in het oerwoud maken de kinderen. Ze doen erg hun best om de dieren te tekenen zoals ze er­uit zien. De lerares heeft het uiterlijk van de olifant heel nauwkeurig beschreven  (het gesproken woord moet immers beeld opwekken), dus ze weten precies waarop ze moeten letten. De bordtekening mogen ze als voorbeeld gebruiken, maar de meeste kinderen tekenen toch liever hun eigen olifant. Wanneer zij de dikhuid ook nog geschilderd hebben en de schilderingen aan de muur hangen, is opvallend hoe raak zij de olifanten getypeerd hebben.
De klas heeft ge­leerd dat beren en olifanten telgangers zijn, dat wil zeggen dat zij bij het lopen de linker voor- en achter­poot tegelijk optillen en daarna de rechter voor- en achterpoot. Dat geeft een schommelend en log effect.
Na­tuurlijk willen de kinderen zelf ook even uitproberen hoe dat loopt. Ineens is het lokaal gevuld met schommelende zware beren. Op de laatste zaterdagochtend van de periode gaat de klas naar Artis. De kinderen hebben de hele dieren­tuin voor zich alleen: de stad slaapt nog uit. Zij kijken met heel andere ogen naar de dieren dan bij vorige bezoeken. “Hoe zien ze er precies uit?” willen ze weten. Ze willen met eigen ogen zien dat olifanten en beren als telgangers lopen en ze ontdekken dat kamelen en dromedarissen zich ook zo voortbewegen. Ze vinden in Artis veel van de dieren terug die in de spreekbeurten behandeld zijn.

Dan gaan ze het aquarium binnen en hopen daar de inktvis te vinden. Inderdaad, hij  is er, maar hij  zit stilletjes in elkaar gedoken. De hele klas staat vol verwachting voor het ver­lichte raam. Sommigen proberen hem wakker te maken en tikken voorzichtig tegen het glas, maar hij verroert zich niet. Een voor een druipen de kinderen af en verspreiden zich naar de andere aquaria. De vissen die daar rondzwem­men zijn ook de moeite waard van het bekijken.

“Juffie” galmt het plotseling door de lege zaal, “de inktvis is uit zijn hol gekomen.” Roffelende voetstappen van dertig paar voeten hollen er naar toe. Het behaagt de inktvis zich in volle glorie te laten bekijken. Zijn tentakels kronkelen naar alle kanten.  Met grote ogen kijken de kinderen hoe zijn grijparmen in sierlijke spiralen veranderen. Zo’n spektakel hadden ze niet verwacht. “Hij  is veel mooier dan jij hem op het bord hebt getekend,” krijgt de lerares te horen. Geen enkele afsluiting van de periode had meer indruk kunnen maken dan deze onverwacht demonstratie.

(Uit een publicatie – ‘heemkunde ‘ – van de Geert Grooteschool, Amsterdam)

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

Over de haas: zie artikelen over Pasen

 

221-209

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (2-1/1)

.

MENS-EN DIERKUNDE IN KLAS 4

“Wat voor een periode krijgen we hierna?”, vraagt een van de kinderen belangstellend. ‘Volgende week gaan we het hebben over de mens en over een heleboel dieren, een mens- ­en dierkundeperiode dus.’

Met veel enthousiasme wordt dit bericht luidkeels ontvangen.
Dan is het maandag. Wat zijn de kinderen rustig! Ze zijn misschien nieuwsgierig naar wat er komen gaat.
We beginnen met het bekijken van de mens, en wat is er makkelijker met zoveel prachtexemplaren in de klas: een jongen van klein formaat wil zich gerust aan een nauwkeurig onderzoek laten onderwerpen en klimt moedig op een tafel om dan grijnzend de klasgenoten aan te kijken.

‘Als je naar hem kijkt, wat zie je dan?’ “Hij lacht”, zegt een kind. Dat valt niet te ontkennen. ‘Wat valt op als je naar een mens kijkt?’
Er komen vele antwoorden, maar het “gezicht” en het “hoofd” voeren toch de boventoon.
Langzamerhand ontdekken we, dat de mens bestaat uit het hoofd, de romp en de ledematen. Daarna wordt het hoofd nauwkeurig geïnspecteerd. We zien de ogen waarmee je van alles kunt zien, de oren. Roodkapje leerde, dat je er goed mee kon horen, de neus om te ruiken en de mond om mee te spreken en te proeven. Alles is aanwezig om de wereld om ons heen goed te kunnen opnemen.
Waar gaat dit alles naar toe? De lucht die je inademt gaat naar je longen, de boterham die je eet naar je maag en als je iets moois ziet of hoort voel je dat in je buik. Kortom, het gaat naar je romp. “En dan naar je ledematen,” zegt een kind. De benen en armen worden bekeken, waartoe dienen ze de mens? De benen om op te lopen, om ergens naar toe te kunnen gaan. De armen, hoe kan het anders in een knikkerperiode, om te knikkeren. Zo wordt er van alles opgenoemd wat we met onze armen en benen kunnen doen en we komen tot de conclusie, dat we met onze handen iets kunnen doen om­dat de benen ons dragen.

Dan gaan we naar de dieren kijken, o.a. naar de inktvis, de muis en de mier. Het kenmerkende van een bepaald dier wordt naar voren gehaald. Steeds wordt het dier vergeleken met de mens. Een vogel kan heel goed vliegen, een mens niet. Een vis kan heel goed zwemmen, de mens niet zo goed. Zo zien we de eenzijdigheid van het dier en de veelzijdigheid van de mens. De mens kan van alles iets, terwijl een dier zijn specialisme heeft.

Elke dag werden er spreekbeurten gehouden over een dier dat de kinderen zelf uit mochten kiezen. Vele kinderen vonden dit erg leuk om te doen en hebben er erg veel aandacht aan besteed. Anderen keken eerst liever de kat uit de boom en deden de spreekbeurt dan ook prima.

Dat er echte belangstelling was voor elkaar bleek uit de vele vragen, opmerkingen en verhalen die los kwamen. Zeer veel werd er verteld over bekende en onbekende dieren. Bij een spreekbeurt over de lynx werd er onmiddellijk gevraagd of er ook rechtsen waren. Uit een zacht gefluisterd gesprek vernam ik dat een kameleon een soort kameel is! Je kunt heel wat leren van elkaar! Weet u trouwens het verschil tussen een haas en een konijn? Een haas wordt kant-en-klaar geboren en een konijn niet!

Na nog veel over verschillende dieren gehoord te hebben, wisten de kinderen deze dieren uitstekend neer te zetten in een spel waarbij ze een dier moesten uitbeelden,  terwijl de anderen mochten raden. Steeds weer nieuwe dieren werden bedacht en er werd veel gelachen. Teleurstelling als we stopten.

Misschien is er te veel verteld over dierlijk gedrag, want dit werd op het plein ook af en toe vertoond. Soortgenoten die met elkaar ruzieden op leven en dood.

De krachten worden gemeten. Grote buit wordt binnengehaald: knikkers.

Gelukkig komt het vaker voor dat ze als mieren elkaar helpen en een te zwaar vrachtje voor de één wordt dan overgenomen door de ander.

Dat de klas soms net een mierenhoop is zal u misschien niet verwonderen.

(H.M., nadere gegevens ontbreken)

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

 

220-208

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (1-4)

.

DE LEEUW

Wanneer de kinderen ‘de leeuw’ op een bepaalde manier verteld hebben gekregen, wanneer ze dus vanuit het woord het dier hebben leren kennen, wanneer ze meebeleefd hebben hoe het leeft – misschien is een spannend jachttafereel verteld waarbij ze met ingehouden adem luisterden, moeten, naast ‘hoofd en hart’ ook de handen nog deel hebben aan het dieper begrijpen van de leeuw.

Dat kan d.m.v. tekenen, schilderen en boetseren.

Bij het tekenen gaat het vooral om de beweging van de vorm. In dit geval de leeuwenvorm.

Wat is karakteristiek – hoe kom je aan een soort ‘oervorm’.

In haar boek ‘Zeichnen =  Sehen lernen'[1]  -‘ tekenen is leren kijken’ [2], geeft de schrijfster Anke-Usche Clausen een inspirerende leerweg.

Belangrijk om tot een voor de kinderen bevredigend resultaat te komen, is dat ze vanaf klas 1 levendig hebben leren tekenen; vooral met de wasblokjes die mogelijk maken in kleurvlakken te werken. Minder met potloden die te snel – wanneer je de schetstechniek nog niet beheerst, leiden tot een te star, statisch geheel.
Het resultaat is in zekere zin in het begin niet belangrijk. Het gaat om het oefenen, het meebeleven van de vorm(en), het inleven in de beweging.

Ik gaf de kinderen meestal een stapeltje tekenpapier -groot formaat – waarop ze naar hartenlust konden oefenen: nog eens en nog eens. Pas nadat het resultaat voldoende was, dat is dus, wanneer de kinderen iets geleerd hadden, mocht de tekening die ze dan zelf uit hun probeerwerk kozen, in het periodenschrift.

Natuurlijk geven de ‘blokjes’ een mooi kleurig resultaat; het is zelfs al mogelijk voor een 4e-klasser om met gebruikmaking van hier eens wat lichter en dunner, daar wat meer en zwaarder, een zeker perspectief te krijgen. Maar ook met potlood kan nu goed geschetst worden. De ‘dikke’ kleurpotloden uit de 1e klas – gebruikt bij het schrijven – hebben een punt die niet meteen tot een verstarde vorm leidt.
Nieuw kan hier zijn: de houtskool. (NB besteed van te voren veel aandacht aan hoe je hiermee omgaat: uitdelen, ophalen, schoonmaken handen/tafels/vloer – let op kleren enz).

Het schetsen met de houtskool waarbij je heel gemakkelijk de lijn kan onderbreken, wat de levendigheid ten goede komt, maakt een be- of inleving van en in de dierenvorm heel goed mogelijk.

De methode van Clausen volgend kunnen de kinderen (en leerkrachten!) heel wat leren.

Ze citeert Rudolf Steiner [3]
‘Zoek eens op wat Goethe in zijn ‘Metamorfose van de plant’ geschreven heeft, wat hij de ‘oerplant’ noemde; zoek eens op wat hij het ‘oerdier’ noemde en je zult vinden dat je met deze begrippen ‘oerplant’ en ‘oerdier’ alleen maar verder komt, wanneer je ze beweeglijk denkt. Wanneer je de beweeglijkheid in je opneemt, waarover Goethe zelf spreekt, dan krijg je geen abstract, in de vorm begrensd begrip, maar je hebt dan wat in de vormen leeft, wat door heel de ontwikkeling van het dieren- of plantenrijk heen gaat; wat in dit erdoorheen gaan net zo verandert als een driehoek die verandert in een scherpe- of stomphoekige en wat nu eens ‘wolf’ en ‘leeuw’, dan weer ‘kever’ kan zijn, dat komt doordat deze beweeglijkheid zo veranderen kan, dat deze  zich manifesteert tot in het detail. Goethe bracht de starre begrippen en vormen weer in beweging.

(Clausen blz.100)

Naast dit citaat staan deze tekeningen:

dierkunde leeuw 7

De driehoek onder de leeuw is een uitstekend uitgangspunt. De driehoek steeds verder tot ‘leeuwbeweging’ maken en omvormen tot in meer details – alles wat schetsmatig; meer een ‘aangeven’ waar de details ongeveer zitten – dan blijft het levendig en kunnen de kinderen verder komen in de richting van een ‘echte’ leeuwentekening.

dierkunde leeuw 8

(blz.102)

Een variant kan bv. later worden geoefend of kan een opgave zijn voor kinderen die al weer wat verder zijn. Het gaat om de middelste tekening. Ik heb deze tussen de andere laten staan, omdat het voor ons belangrijk is de metamorfose in de vormenwereld te ontdekken. Iets daarvan zie je in deze vormen terug.

dierkunde leeuw 10

Katachtigen in verschillende bewegingen:
luipaard, panter, tijger, leeuw, kat.
Aangegeven voor klas 8/9, maar heel goed te gebruiken in de 4e klas. (blz.110)

dierkunde leeuw 11

(blz. 108)

Uiteraard komen ook andere katachtige roofdieren ter sprake. Ook die kunnen getekend worden:

Omdat de populariteit van de huiskat heel groot is – veel kinderen hebben thuis een poes – ‘moet’ ook deze worden getekend.
Clausen volgt bovenstaande weg:

Je kunt, met een kleine aanpassing, bovenstaande en onderstaande katten ook als ‘leeuwen’ oefenen.

dierkunde leeuw 9

blz. 109)

Hoewel deze ‘katten’ door Clausen zijn bedoeld als oefenwerk in klas 7/8 zijn ze zeer goed bruikbaar in klas 4. Je kunt ook deze heel makkelijk als leeuw (of andere grote kat) tekenen.
Kinderen die thuis een kat hebben, kunnen nu natuurlijk hun eigen poes ook tekenen.

Na de dierkundeperiode, wanneer vele dieren de revue zijn gepasseerd, is het vanaf die tijd mogelijk, wanneer kinderen eens even niets te doen zouden hebben, dat ze bv. in een schetsboek, verder oefenen met dieren tekenen; met wat ze aan techniek geleerd hebben, kunnen ze hun fantasie de vrije loop laten bij het ontwerpen.

Op ouderavonden deed ik dit ook wel met de ouders. Er waren er altijd bij die bij voorbaat zeiden niet te kunnen tekenen. Hoe verrassend was het niet, dat ze dat met deze methode wél konden en bijna zo trots als een kind naar huis gingen met hun werk. Sommigen lieten het ook liggen op de tafel van hun kind dat dan de andere morgen kon zien wat pap en/of mam ervan gemaakt hadden.

Je zult als leerkracht veel op het bord moeten voorschetsen. Dat betekent dat je zelf een poos intensief met deze methode moet oefenen – al naar gelang van je eigen talent, natuurlijk.

Suggesties, aanvullingen van harte welkom.

Pieter HA Witvliet

[1] Zeichnen = Sehen lernen! van Anke-Usche Clausen en Martin Riedel. Uitg. Mellinger, Stuttgart, 1968
[2] Er bestaat geen Nederlandse vertaling
[3] GA 151, Der menschliche und der kosmische Gedanke, Steiner (blz.15)

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

219-207

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (1-3)

.

DE LEEUW

Voorheen waren leeuwen algemeen in Zuid-Europa, Zuid-Azië, naar het oosten tot Noord- en Midden-India en geheel Afrika. De laatste leeuw in Europa stierf tussen 80 en 100 na Christus. In 1884 waren de enige overgebleven leeuwen in India die in het Girwoud – ongeveer een dozijn in aantal – en zij waren vermoedelijk elders in Zuid-Azië bv. in Irak en Perzië, kort na die datum uitgestorven. Sedert het begin van deze eeuw zijn de Gir-leeuwen beschermd en een aantal jaren geleden werd hun aantal geschat op 300. Een latere schatting in 1968 bracht dit getal echter terug tot 170. In Noord-Afrika en in Zuid-Azië zijn de leeuwen buiten het Kruger Park uitgeroeid.

De total lengte kan 2.70m bedragen, waarvan ca 90 cm door de staart wordt ingenomen; hij kan een gewicht van 250 kg bereiken. De leeuwin is kleiner. De vacht is bruingeel; de manen van het mannetje zijn bruin tot zwart, dicht of spaarzaam; in sommige districten komen leeuwen zonder manen voor. De manen groeien op kop, nek en schouders en kunnen zich zelfs tot de buik uitstrekken.

Leeft in troepen
Leeuwen leven in open terrein met struikgewas, verspreid staande bomen of rietvelden. Zij zijn de enige sociaal levende leden van de kattenfamilie; ze jagen en leven in troepen van ten hoogste 20 – in uitzonderingsgevallen 30 dieren, bestaande uit een of meer volwassen leeuwen en een aantal leeuwinnen met hun jongen.
De leden van een troep gaan niet alleen samen op jacht, waarbij ze de prooi besluipen en in een hinderlaag jagen, maar verdedigen zich ook gezamenlijk. Bij het jagen wordt er meestal niet gebruld, ofschoon men leeuwen wel tijdens de jacht kan horen grommen om met elkaar contact te houden. Een leeuw is in staat snelheden van 60 km per uur te ontwikkelen, maar alleen over korte afstanden. Hij kan uit stand sprongen maken van 3,5 m hoog en 12 m ver. Leeuwen klimmen normaal niet in bomen, maar leeuwinnen springen wel eens op de laagste takken om te zonnen; soms klimmen zij ook net als de mannetjes in een boom om de buit van een luipaard, verborgen in de oksel van een tak, te bemachtigen. Er is een waarneming over een leeuw die een luipaard in een boom najoeg, kennelijk met de bedoeling hem te doden, maar ze moest het opgeven toen de luipaard de kleinere takken in de top van de boom beklom, die haar gewicht niet konden dragen.

Niet uitsluitend vlees
Ofschoon ze voornamelijk vlees eten, nemen leeuwen ook wel afgevallen vruchten. Gewoonlijk verkrijgen leeuwen, als aanvulling op de eiwitten, koolhydraten en zouten, hun vitaminen uit de ingewanden van de graseters die zij doden. Het is karakteristiek voor leeuwen om eerst de ingewanden en het achterlijf te verslinden en zo naar voren te werken. In gevangenschap doen de leeuwen het ’t best, wanneer vitaminen aan hun dieet van rauw vlees worden toegevoegd. Ofschoon de leeuwinnen vaak de prooi doden, eten de leeuwen het eerst (vandaar de uitdrukking ‘het leeuwendeel’, daarna de leeuwinnen en ten slotte de welpen. Over het algemeen vormen antilopen en zebra’s de voornaamste prooien van de leeuw, maar bijna elk dier kan hiervoor in aanmerking komen: van rietrat tot olifant, nijlpaard, giraf, buffel en zelfs struisvogels.

Een onderzoek in het Kruger Park bracht aan het licht dat de prooidieren in volgorde van belangrijkheid zijn: wildebeest (gnoe), impala, zebra, waterbok, koedoe, giraf, buffel. Een later onderzoek gaf de volgende volgorde te zien: waterbok, wildebeest, koedoe, giraf, zwarte paardantilope, zebra, buffel, rietbok, impala.
Als een leeuw door ouderdom of verwondingen niet in staat is een prooi te vangen, bepaalt hij zich tot stekelvarkens en kleinere knaagdieren, tot schapen en geiten of wordt hij een mensendoder waarbij hij vooral kinderen en vrouwen aanvalt. Mensen eten kan echter een gewoonte worden; een groep leeuwen in Tsavo heeft een tijdlang de bouw van de Oegandaspoorweg opgehouden door hun aanvallen op de spoorwegarbeiders. Honden worden soms gedood, maar niet gegeten.

Overdreven voorstelling van kracht
Een veel gehoord verhaal is dat van de leeuw die een stal binnendringt, een koe steelt en daarmee over de omheining springt. In een tijdschrift uit 1960 staat dat dat onmogelijk is. Leeuwen die een bezoek brengen aan een boerderij gaan nooit alleen naar binnen. Mogelijk springt één van hen over de omheining, doodt een dier en sleept dat onder de omheining door naar de soortgenoten. Mogelijk ook raakt het vee in paniek, waarbij het gemakkelijk kan gebeuren dat een dier de omheining omver loopt en dan onmiddellijk door de troep leeuwen wordt verscheurd.
De leeuw jaagt in stilte en het is meestal de leeuwin die de prooi doodt. De gebruikelijke methode is, de prooi te bespringen en de nek te breken met een slag van de voorpoten. Soms grijpt de leeuw zijn prooi bij de keel met zijn tanden of drukt diens keel of neusgaten dicht met de voorpoten. Een andere methode is de prooi van achteren te bespringen en hem tegen de grond te drukken. Een leeuw doodt een nijlpaard door zijn vlezige lijf te bewerken met zijn klauwen tijdens de achtervolging. Leeuwen doden en eten verder krokodillen en ze eten ook aas, vooral als het nog vers is. Een leeuw eet zelfs zijn dode soortgenoten. Men hoort nog wel eens het oude verhaal van de leeuw die zichzelf tot razernij geselt met een ‘klauwtje’ aan de staart, maar dit is niet meer dan een wervelvergroeiing.

Natuurlijke bevolkingsregulatie
Leeuwen nemen voor het eerst aan de voortplanting deel als ze twee jaar oud zijn, maar bereiken hun volwassenheid na 5 jaar. De mannetjes zijn polygaam. Er wordt flink wat gebruld voor en tijdens de paring en er vinden gevechten plaats met mannelijke indringers.
De draagtijd is ca 105-112 dagen; het aantal welpen bedraagt per worp 2 – 5; ze worden blind en met een gevlekte vacht geboren. De ogen gaan na 6 dagen open; de zoogperiode duurt 3 maanden, waarna de leeuwin de welpen het jagen leert. Na een jaar zijn ze volleerde jagers. Welpen hebben een hoog sterftecijfer, omdat ze bij het eten pas het laatst aan de beurt zijn; ze hebben vaak te lijden van voedseltekort, vooral wat vitaminen betreft. Dat fungeert als een natuurlijke regulatie van de bevolkingsdichtheid. Zou het aantal leeuwenin een gebied door een of andere oorzaak afnemen, bv. wanneer leeuwen door de mens worden gejaagd, dan kunnen de overblijvende dieren gemakkelijker een prooi doden waardoor er meer voedsel is. Leeuwinnen doden dan speciaal voor hun welpen die dan ook het eerst te eten krijgen. Dit rijkere voedselaanbod maakt de overlevingskansen van de welpen groter, waardoor uiteindelijk het evenwicht van de bevolkingsdichtheid wordt hersteld.

Gevaren voor de Koning der Dieren
Er zijn behalve de mens geen werkelijke vijanden van de leeuw, maar er gebeuren nog wel eens ongelukken vooral met de jonge en onervaren dieren. De zebrahengst kan een leeuw gevoelige trappen bezorgen, bv. tegen het gebit, waardoor hij voor de rest van zijn leven nog slechts kleiner wild kan jagen. De zwarte paardantilope is zeer wel in staat een enkele leeuw het hoofd te bieden en ook andere antilopen hebben wel leeuwen op hun hoorns gespietst. Een kudde buffels kan een leeuw vertrappen of hem van het ene paar hoorns op het andere paar gooien, totdat hij dood is; daar staat tegenover dat twee leeuwen een grote buffel de baas kunnen. Er bestaat een melding van een girafwijfje dat een leeuwin die trachtte haar kalf te doden, te lijf ging. Door gebruik te maken van de hoeven van voor- en achterpoten en bovendien klappen met haar nek uit te delen, takelde ze de leeuwin flink toe en joeg haar over een afstand van 100 m achterna. Deze giraf bracht het er beter af dan de meeste neushoorns doen. Een leeuw kan neushoorns nog doden als die al  bijna volwassen zijn.

Plan de campagne
Leeuwenstrategie waargenomen in het Kruger Park. Na een kudde gnoes te hebben ontdekt, verdeelden 16 leeuwen zich in 3 groepen. Tijdens deze veldtocht met bijna menselijke opzet hield de leider zijn groepen onder controle door signalen met de staart te geven. De gnoes zwenkten op tijd af, maar het scheelde een haar of zij waren in de zorgvuldig voorbereide hinderlaag gelopen.

dierkunde leeuw 6

uit Spectrum Encyclopedie

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

218-206

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (1-2)

.

DE LEEUW

De bekendste van alle katachtige dieren is wel de leeuw. Het is dan ook een indrukwekkend dier, vooral als het een mannetje is. Dat is makkelijk her­kenbaar aan de fraaie haartooi aan de kop en het voorste deel van het lichaam. Dit is op zichzelf vreemd, want bij de andere katten is juist heel moei­lijk te zien wie meneer en wie mevrouw is. De ver­klaring voor dit verschil zal wel liggen in de even­zeer verschillende manier van doen van de leeuw. Anders dan de meeste katten leven leeuwen namelijk in troepjes. En als je alleen leeft heeft het weinig betekenis om te laten zien of je een mannetje of een vrouwtje bent. Dat krijgt pas zin als je geregeld met andere dieren in contact komt. Ook zoekt men wel eens een verklaring voor de manen van de leeuw door aan te nemen dat ze bescherming bieden als een soort kussen, dat de slagen kan opvangen bij vecht­partijen tussen de mannetjes onderling om de heer­schappij. Maar daartegenover staat, dat in verschil­lende streken leeuwen voorkomen die van nature heel weinig manen bezitten. Trouwens, zulke grote en mooie manen als je in de dierentuin bij leeuwen vaak ziet, hebben ze in de natuur meestal niet.

Net als we al hebben gezien bij horens, geweien en slagtanden zullen de manen wel dienen ter ver­fraaiing van het uiterlijk van de mannetjes. En dan vooral om de nodige indruk te maken op tegen­standers. De vrouwtjes blijken weer – in tegenstel­ling tot wat men meestal verwacht – weinig onder de indruk te zijn van het uiterlijk van de heren. In feite zijn het de vrouwtjes die de gang van zaken in de groep bepalen. Dit zal wel te maken hebben met het feit dat zij de jongen bij zich hebben. Ze moeten veel actiever zijn dan de mannetjes, die alleen voor zich zelf hebben te zorgen. Dat schijnt zelfs bij het jagen te merken te zijn. De leeuw jaagt namelijk ook in groepen, en men heeft de indruk dat het mannetje er zich vaak toe bepaalt de prooi op te jagen. Vrou­wen en kinderen liggen dan in een hinderlaag. Zij zijn het die dus in feite de prooi pakken, en meneer mag dan ook wel een hapje meeëten. Dat hapje be­staat heel vaak uit grote dieren zoals antilopen en zebra’s, hoewel een hongerige leeuw evenmin als een tijger een klein dier versmaadt. Leeuwen eten bijvoorbeeld vaak sprinkhanen. Vroeger kwamen leeuwen ook in Azië voor; nu alleen nog in Afrika.

Tekst: Han Rensenbrink; illustraties: Rien Poortvliet; uitgave ‘Op verkenning bij de dieren’ , Scheltema & Holkema, Amsterdam, 1962

dierkunde leeuw 4

dierkunde leeuw 5

Leeuw – felis leo, groot katachtig dier, dat oorspronkelijk  Afrika en een groot deel van Azië bewoonde. Komt nu vooral voor op open terrein. Jaagt op allerlei dieren, vooral hoefdieren. Leeft in groepjes; het mannetje is herkenbaar aan de meer of minder sterke ontwikkeling van de manen. Kan met staart mee wel 3 m. lang worden.

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

 

217-205

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (1-1)

.

DE LEEUW

Een belangrijk gezichtspunt voor het geven van dierkunde in klas 4 is het belang van ‘de samenhang der dingen’.

In de afgelopen decennia zijn de mensen steeds meer doordrongen geraakt van het feit dat in de natuur ‘alles met alles samenhangt’.

Steiner benadrukte dit in zijn voordrachten met vele voorbeelden en met name ook in de pedagogische, omdat hij het voor het welzijn van mens en wereld van het grootste belang achtte dat de mens, als zelfbewustzijnswezen, zijn plaats en die van de overige natuurrijken in hun samenhang zou kennen; het kind dus zou leren kennen.

‘MENSKUNDE’ GAAT VOORAF
In dit kader is het niet vreemd dat hij het vak dierkunde laat beginnen met een beschouwing van de mens, voor het kind van 10 jaar hoeft dat niet veel meer te zijn dan een begrip voor de driedeling hoofd, romp en ledematen.

Wat de romp, de borst betreft, zullen ze die leren kennen als de plaats waar vooral hart en longen zich bevinden, die een ritmisch leven vertonen.

Wanneer een dier op fenomenologische manier wordt beschreven – dat is karakteriserend – blijkt er een verrassende samenhang te bestaan tussen bv. de leeuw en het ritmisch leven.

Ernst-Michael Kranich schreef daar in . ‘Erziehungskunst’ een interessant artikel over, hieronder vertaald:

DE LEEUW
In zijn pedagogische voordrachten heeft Rudolf Steiner zich vaker over het dierkunde-onderwijs uitgesproken. Daarin komen formuleringen voor, die op het eerste gezicht vreemd aandoen: de vogel zou ‘een-en-al-long-zijn’, het rund, ‘geheel maag’ [1] Zulke opmerkingen duiden op een bepaalde manier van waarnemen.

Tegenwoordig worden de dieren als wezens beschreven met een hoeveelheid specifieke eigenschappen, vanzelfsprekend ook met een bepaald gedrag en met een bepaalde verhouding tot de omgeving. De kop met de zintuigen, het gebit enz. is op een bepaalde manier gevormd, net zo de romp met de verschillende organen en de poten. De verborgen samenhang blijft onduidelijk. Men begrijpt in het algemeen niet waarom bij een dier samen met de bijzondere vorm van zijn ledematen, de hals een bepaalde lengte heeft en de long een bepaalde vorm en grootte. Klaarblijkelijk is het niet genoeg de dieren in hun vorm, hun gedrag enz. te beschrijven, als in het in de school niet alleen om het weten, maar ook om het doorgronden moet gaan. Dan moet men tot in de methodiek onder ogen zien dat een dier een organisme is.

Tijdens de wording deelt het organisme zich in meerdere organen en deze staan met elkaar in allerlei wisselwerkingen. De levensprocessen van een orgaan, bv. de long, werken stimulerend op andere organen. Door een onderling vervlochten zijn is een organisme geen optelsom, maar een geheel.

Kijkt men alleen maar de dierengestalte vanuit een ruimtelijk aspect dan ziet men de totale samenhang over het hoofd en sluit men voor de kinderen de weg tot begrijpen af. De sleutel voor het begrijpen vindt men, wanneer men de dieren als samenhangend organisme opvat en bemerkt dat bij een bepaalde diersoort een van de organen bijzonder sterk gevormd is. Dat is op het geheel van invloed, wanneer dit orgaan met de daarin geïntensiveerde processen zich laat gelden. Heel het organisme krijgt de dominantie van het betreffende orgaan opgelegd.

Voorbeelden van zo’n manier van waarnemen die recht doet aan het leven vindt men tegenwoordig bij een paar onderzoekers. Allereerst werden deze door Goethe in 1775 geschetst [2] en dan in 1886 door R.Steiner wetenschappelijk-theoretisch gefundeerd [3]

Wanneer het er in de toekomst omgaat dat er in jonge mensen door de school een diepere verbinding met de natuur ontstaat als voorwaarde voor een ecologische ethiek, moeten  weetjes tot doorgronden verruimd worden, moet men kinderen een aanleiding geven dieren niet alleen uiterlijk te bekijken, maar ook hoe ze gevormd zijn om hun wezen van binnenuit te begrijpen. Dan beleef je en begrijp je hoe de dieren hun vorm, het specifieke gedrag en het karakteristieke van hun verhouding tot de hen omringende natuur, danken aan een dominantie van bepaalde organen.

dierkunde leeuw 1

Vrijwel geen ander dier staat in de achting van de mens zo hoog als de leeuw. In hem bewonderen we de geweldige kracht, zijn treffen met veel grotere dieren, zoals de buffel en heel zijn verschijning.
Een leeuw die in een houding van rust, de kop licht omhoog de wereld in kijkt, maakt op de waarnemer een majestueuze indruk. Men ervaart hoe lichamelijke energie samengebald en agressieve emoties in deze met kracht gevulde rust afgezwakt zijn. Aan de uitdrukking van de kop merkt men echter hoe deze in het lijf meevibreren. En wanneer de leeuw zijn bek iets opendoet, wordt de sterke fysionomie van de woestheid zichtbaar. Aan de leeuw kan iemand zich bewust worden dat men bij de dieren ook steeds het karakter van de ziel moet meenemen.

Zoals bekend behoort de leeuw tot de orde der roofdieren die alle alleen al op de manier van het verkrijgen van voedsel bepaalde innerlijke eigenschappen vertonen. Bij de hoefdieren op de weiden is een diepe doffe drang naar voedsel. Honger en bevrediging bepalen de regelmatige gang van voedselopname en vertering.
Bij de roofdieren is het verkrijgen van voedsel een dramatische gebeurtenis; bij het beloeren, bij het besluipen of bij het opjagen, bij het te pakken krijgen, bij de strijd en bij het doden wordt dit door een scala van emotionele krachten doorgloeid. Wat begeerte, emotie en hartstocht betreft vertonen de roofdieren veel meer ziel dan de hoefdieren. Deze ziel komt bij de verschillende groepen roofdieren, bij de marters en beren, de hondachtigen, de hyena’s, de civetkatten, de katten pas echt verschillend tot uitdrukking. De meest karakteristieke onder de roofdieren zijn, volgens Julius [4], de katachtigen. Hoe moeten we dat begrijpen?

Wat bij de katachtige roofdieren bijzonder in het oog springt, is hun soepele lichaam. Al van verre kan men de hond en de kat aan hun bewegingen onderscheiden – het regelmatige, ietwat stijve lopen van de hond en het vloeiend-soepele van de kat. De katten lopen op de kussentjes, d.w.z. met hun vingers, hun tenen veel gevoeliger. De gewrichten zijn duidelijk gebogen. Men ondervindt in iedere fase van de beweging een levend samenspel tussen spanning en ontspanning; zelfs wanneer een kat staat, speelt dit wisselspel in de ledematen mee. Plotseling kan heel de houding gespannen of juist minder gespannen worden. Dit vibreren van de spieren merkt men in het hele lijf. Van de stramheid en het mechanische van het bottensysteem die bij het paard en het rund zo sterk in verschijning treedt, is bij de katten niets te zien. Het bottensysteem is helemaal opgenomen door het spierstelsel. De ledematen zijn relatief kort en tot de periferie gevoelig en beweeglijk; zij sluiten zich zoals bij het paard en andere hoefdieren niet van binnenuit af. In tegendeel, de innerlijke belevingen dringen door tot in de buitenste periferie van de klauwen. In de eigenaardige schoonheid van het lichaam komt bij de luipaard meer nog dan bij de andere grote katachtigen de souplesse tot uitdrukking, bij de leeuw samenballing en kracht.

Tijger, luipaard en jaguar zijn door hun agressie onverdraagzame solitairen. De leeuw is de enige onder de grote katten die met andere samen in een troep leeft. Hij heeft in zijn wezen een groter scala en een breder spectrum aan gedrag. Dat moet men in de gaten houden, wanneer men zich een weg banen wil dit betekenisvolle dier te doorgronden.

dierkuknde leeuw 2

Omtrek en skelet van de leeuw (naar Tank, dieranatomie voor kunstenaars). Men krijgt een indruk van de beweeglijkheid van het skelet en het hele lichaam

Tussen behaaglijkheid en agressie
De leeuw heeft een innerlijke verhouding tot die gebieden van de aarde waarin de zon het landschap sterk doorgloeit, tot de savanne en de galerijbossen van Afrika, ook tot de halfwoestijn zoals de Kalahari. Daar liggen de dieren van een groep vele uren bv. in de schaduw van een boom. Ze slapen of genieten doezelend van de warmte. Sommige zijn met uitgestrekte ledematen volledig ontspannen, andere tillen het bovenlichaam en de kop een beetje op en kijken voor of om zich heen. Men kan ook waarnemen hoe twee leeuwinnen zachtjes de koppen tegen elkaar aanwrijven, de ogen gesloten om zich helemaal aan het welbehagen over te geven. Misschien voegt een leeuwin zich weer bij de groep en begroet de andere door met de breedte van haar lijf dat van de ander aan te raken. Ze glijdt langzaam aan hen voorbij, alsof ze de andere leeuwin van de wangen tot de staart wil strelen. De sympathiek-aangename gewaarwording van het aanraken speelt een grote rol. Niet zelden zoeken de leeuwinnen ook wanneer ze liggen de behaaglijkheid door lichamelijk contact.

Ongeveer 20 uur per dag brengen de leeuwen in een tamelijk trage toestand door. Dat in tegenstelling tot de zebra’s, gnoes en antilopen die zich de meeste tijd bewegen en actief zijn. Leeuwen zijn heel duidelijk geen dieren waarbij de ledematen de bepalende organen zijn.

Dan merken plotseling een of twee of meerdere leeuwinnen in de verte een kudde gnoes of zebra’s op, ze staan op en nu begint het besluipen dat langer dan een uur kan duren. Want alleen van dichtbij kan een leeuw een zebra, een gnoe of een antiloop te pakken nemen. Hij voert geen lange drijfjacht uit zoals de hyenahonden of het luipaard. Hoe dichter de leeuwin bij de prooi komt, des te meer gaat het sluipen over in een soort laag bij de grond kruipen. Vanaf een afstand van ongeveer 30 meter schiet de leeuwin met snelle, krachtige sprongen naar voren en stort zich op de prooi. Leeuwen kunnen hun prooi ook bespieden; bewegingsloos wachten ze op een goed verborgen plaats, soms meerdere uren.
Tot dan toe verloopt de jacht als een strategisch plan wanneer twee of drie leeuwinnen zich in het gras verbergen, andere om de zebra’s of antilopen heen sluipen en deze dan in de hinderlaag drijven.
Om hun prooi te doden, springt de leeuwin van opzij of van achteren op de rug en probeert die met haar gewicht op de grond te trekken. Met haar gebit doorboort ze dan de luchtpijp en trekt de halsslagader kapot; de prooi stikt of verliest het bewustzijn. Ondertussen trekt de leeuwin met haar geweldige hoektanden tussen twee halswervels de halswervelkolom en het ruggenmerg doormidden.
Spoedig komen met de rest van de groep ook de mannetjesleeuwen aan de beurt. Zij jagen zelf uiterst zelden. Eerder nemen ze de prooi af van een luipaard of hyena. Ze zijn groter en zwaarder dan de leeuwinnen. Door het gewicht van het lichaam ballen de wilskrachten zich sterker samen dan bij de vrouwtjesdieren. Deze zijn door de mindere massa beweeglijker en beter voor het jagen uitgerust. Voor de kracht van de mannelijke dieren wijken zij bij de buit terug, anders worden ze op niet zachtzinnige wijze verdrongen. Bovendien gaat het bij de buit vaak agressief toe. De leeuwinnen moeten de leeuwen voor laten gaan, de jongere dieren de vrouwtjes. Op het laatst komen de welpen. Onverbiddelijk heerst het emotioneel-agressieve wezen van de leeuw en het recht van de sterkere. De honger en de begeerte brengen de emoties in opwinding.
Eerst wordt het spiervlees gevreten. Sommige dieren nemen ook de inwendige organen. Alleen de maag blijft onaangeroerd. Men heeft vastgesteld dat een uitgehongerde leeuw tot 45 kilo vlees in een keer verslinden kan, een uitgehongerde leeuwin 30 kilo. Na het maal gaan de dieren vaak drinken uit een dichtbij gelegen rivier, een meer of een waterplas. Hier heerst dan de vredige stemming van het bevredigd zijn.

Na dit crescendo van emoties en hartstochten volgt dan weer een fase van behaaglijkheid, van ontspanning; deze afwisseling tussen de grootst mogelijke samenballing van krachten en emoties en het welbehagen in grootste ontspanning bepaalt met een hoeveelheid tussenfasen het leven van de leeuw.
Leeuwen jagen in verschillende gebieden op te onderscheiden tijden op een dag. Leven ze in een omgeving die door struiken goede dekking geeft, dan gaan ze vooral overdag op jacht; in open gebied vaker ‘s nachts. Ze kunnen in het duister uitstekend zien, hebben echter ook goede oren en een voortreffelijke neus. In de nachten waarin de maan niet schijnt is het jachtsucces groter dan in de door de maan hel verlichte. Wat de leeuw in het bijzonder in een jachtstemming brengt, is een dreigend onweer. De grandioze ontladingen in de atmosfeer brengen de emoties in de leeuw zo in opwinding dat hij zelfs meer dieren doodt dan hij voor zijn honger nodig heeft.

Het brullen van de leeuw
Tot de meest indrukwekkende uitingen van de leeuw behoort het brullen. ’s Avonds, voor of na zonsondergang verheft de leeuw zijn machtige stem. In ritmische opeenvolging slingert hij, in naar beneden gaande toonhoogte zijn klankenergie eruit. Het is als een vulkaanuitbarsting waarbij niet rook en lava, maar emoties de ruimte ingeslingerd worden. ‘Wanneer een geluid de betekenis van door merg en been gaand verdiend, dan is dit het gebrul van een leeuwengroep van dichtbij in de Afrikaanse wildernis bij nacht. Het diepe grommen doorklieft de nachtelijke stilte van de Afrikaanse savanne als een onaangekondigde donderslag. Komt het gebrul slechts vanaf een paar honderd meter, dan heeft men het gevoel dat de leeuwen vlak naast je staan. Men verwondert zich dat het tentzeil niet meetrilt en dat er geen dingen omvallen. [5]
Het brullen heeft een actieradius van ongeveer 16 kilometer.
In dit gebrul – bij de leeuwinnen komt het iets minder voor en niet zo erg sterk als bij de leeuwen, openbaart zich het emotionele geweld dat in deze dieren leeft, min of meer ontdoen ze zich van deze energie. En daardoor bevrijden ze zich wellicht tot op zekere hoogte, zoals ook de mens door een woede-uitbarsting zijn ziel opschoont. Het kan dus zijn dat de overeenkomstige energieën bij de andere grote katten, de tijger, de panter en de jaguar aan het organisme gebonden zijn. Hun bewegingen zijn ook meer door agressieve energie doortrokken; in het patroon van de vacht komt als in een beeld de inwendig vlammende of de samengebalde opwinding tot uitdrukking.
De leeuw is in zijn houding en beweging, ook in de kleur van zijn vel, veel rustiger. Kan hij als enige grote kat in een sociaal verband leven omdat hij brult? Wanneer men in het brullen de emotionele erupties beleeft, dan is men geneigd deze vraag positief te beantwoorden.

De groep
Het leven in de groep verloopt niet zo gelijkmatig als het, na het schetsen van het voorafgaande, lijkt. In een groep zijn er als regel twee of drie mannelijke dieren, vijf tot tien vrouwtjes en hun kleintjes. Noch bij de leeuwen, noch bij de leeuwinnen vindt men een rangorde zoals anders bij dieren die in verband samenleven. Bij deze koninklijke dieren heerst in beide groepen gelijkheid. Is bij een van de ruzies een leeuwin de verliezer, dan heeft dit geen gevolg voor het verdere samenleven. Bovendien, in de groep zijn de leeuwen de heersers, ook al zijn de leeuwinnen op veel terreinen  meer actief. De leeuwinnen vormen de meer stabiele kern van de groep. Veelal met tussenpozen van jaren probeert een nieuwe groep van jongere leeuwen de groep te veroveren. De indringers verdrijven na heftige, gewelddadige strijd, de dominanten tot dan toe. Nu moeten ze ook nog de vrouwtjes veroveren, die aanvankelijk de nieuwe heersers agressief terugwijzen. Pas na dagen van dramatische en wilde strijd wordt het weer rustiger. Nu hebben de leeuwen ook de jongste nakomelingen van de leeuwinnen gedood. De leeuwinnen hebben nu geen jongen meer te zogen en worden hitsig. De veroveraars hebben hun doel bereikt en stichten een nieuw tijdperk. Zo worden in een groep met langere tussenpozen korte fasen van het heftigste agressieve vechten afgewisseld door lange fasen van overwegend rustig samenleven.

Vóór de geboorte zondert een leeuwin zich af van de groep en zoekt een beschermde plek in de doornenstruiken, in het kreupelhout of in een grot. Daar worden na een draagtijd van 100 tot 116 dagen de jongen geboren, in de regel twee of drie, soms vier. In het begin zijn deze echt hulpeloos. De ogen gaan op z’n vroegst na een week open. Hun moeder voedt ze zes weken lang alleen met melk. Dan beginnen ze ook vlees te eten. Dan keert de leeuwin met haar jongen naar de groep terug. Ze is bij het kattenkwaad en de drukte van wat ze ondernemen geduldig en liefdevol. Ook de andere leeuwinnen gedragen zich zeer vriendelijk. De kleintjes mogen bij hen zelfs drinken, als ze zelf ook jongen hebben. Het echte leeuwenleven begint ongeveer in de vierde maand, wanneer de jongen de eerste hoektanden krijgen. Dan gaan ze als kleine onhandige sukkeltjes mee op jacht. Het actieve jagen begint pas wanneer de vaste tanden ongeveer op 1-jarige leeftijd doorbreken. De mannelijke nakomelingen leven iets meer dan drie jaar in de groep van hun moeder. Daarna struinen ze in kleine groepjes door de savanne en veroveren later eventueel een groep. Zes jaar oud bereikt de leeuw zijn volle grootte; dan hebben de mannelijke dieren ook manen.

Duidelijk doortrekt een wetmatigheid met vele variaties het leven der leeuwen. Een onderzoeker die verschillende tientallen jaren leeuwen in de verschillende streken van Afrika bestudeerd heeft, werpt in een van zijn boeken de vraag op: ‘agressief of verdraagzaam…?’
De leeuw is een dier met een groot spectrum wat zijn innerlijke leven aangaat. Dat gaat van volledig ontspannen zijn  en weldadige behaaglijkheid, over tederheid, gelatenheid en samengebalde rust tot aandoeningen van ontevredenheid die zich o.a uiten in gegrom, in woede en wilde agressie. En het leven van de leeuw is een ritme, een pendule die in voortdurende afwisseling dan eens naar de ene richting dan eens naar de andere uitslaat. Hoe is dit karakteristiek pulserende bestaan in het organisme van de leeuw verankerd?

Grandioze eenzijdigheid
We hebben er al op gewezen dat de ledematen van de leeuw een heel andere verhouding tot de romp hebben dan bij een paard. De benen van een paard zijn door de geïntensiveerde botvorming tot organen geworden, waarmee het dier zich intensief invoegt in de uiterlijke kracht van de zwaarte en de mechanica. Wat de spieren doen werkt geheel in dit krachtbereik. Men kan zeggen: in de bewegingsorganen zijn de botten het bepalende deel. Bij een leeuw worden de botten t.o.v. de spieren teruggehouden. Dat komt duidelijk tot uitdrukking in het aandeel dat de botten hebben in het totaalgewicht van het lichaam. Bij het paard bedraagt dit 20, bij de leeuw slechts 13 %. Zo bepaalt de inwendige beweeglijkheid van de musculatuur het voortdurende wisselspel van samentrekking en slapper worden, van spanning en ontspanning iedere fase van beweging en houding. Het beenderstelsel is zo beweeglijk dat daarin dit spel van afwisseling tot werkelijkheid kan worden. Een leeuw kan net als onze huiskat zijn rug krommen en ver doordrukken wanneer hij zich rekt en strekt. De geweldige sprongen in de laatste beslissende fase van de jacht zijn een snelle ritmische opeenvolging van intensieve contractie  en een zich snel voorwaarts strekken. Deze beweeglijkheid is de voorwaarde voor het zich kunnen uitleven van het rijke spectrum aan innerlijke belevingen. Om de bewegingen, de houdingen en de posities van het liggen te begrijpen, moet men dus niet naar het beenderstelsel en de uiterlijke kracht kijken.

Het spierstelsell staat ook met de inwendige organen in verbinding, boven alles met het stofwisselingsysteem. Het bloed is niet alleen verantwoordelijk voor de doorademing en voeding van de spieren. In het slagaderlijk deel van het circulatiesysteem wordt dit gepulseerd door het ritme van het hart. En dit is nauw met het ademen verbonden. Bij de leeuw heerst een bijzondere harmonie tussen deze beide ritmen. In rust, zonder opwinding, ademt de volwassen leeuw 10 keer per minuut in en uit, het hart klopt 40 keer [7], het pols-ademquotiënt is dus 4.
Ook andere feiten wijzen erop dat de ritmisch pulserende organen in het organisme van de leeuw een bijzondere betekenis hebben. Het aandeel van de longen in het totale gewicht bedraagt bij het paard 0,7 %, bij het rund 0,72 %. Bij de leeuw is dit 2,12% hoger dan bij bijna alle zoogdieren. [8] Ook het hart is met 0,54 % [9 ] gezien zijn grootte goed gevormd.

Deze organen begrijpt men niet volledig wanneer men ze alleen maar fysiologisch bekijkt. De ritmen van hart en longen kunnen sterk afwijken in frequentie en amplitude. Zulke afwijkingen treden echter niet op als gevolg van lichamelijke activiteit en rust. De opwinding in de ziel manifesteert zich meteen in een sneller worden van pols en adem; bij de overgang naar innerlijke ontspanning en behaaglijk welbevinden worden pols en adem langzamer en vlakker, bij hartstochtelijke gevoelens sneller en dieper. Longen en hart zijn die organen waarin de mens zijn gevoelens, zijn emoties en hartstochten beleeft. Ze leven in de modulatie van adem en pols. Zo wordt een belangrijk feit en de samenhang duidelijk. De kracht en het innerlijke spectrum van emoties en hartstochten van de leeuw staan in verbinding met de buitengewoon sterke vorming van zijn longen en zijn goed ontwikkelde hart. Ze werken in het op en neer gaan van adem en hartslag. Wat innerlijk in het ademen op en neer golft, kan in het brullen naar buiten dringen. Wat in de hartslag aan zielenkrachten vibreert, doordringt het lichaam van de leeuw tot in de spieren. Men kan zonder een zweem van metaforisch spreken zeggen: bij de leeuw grijpt het innerlijke leven van long en hart het hele dier. Wanneer de emotionele krachten met de hartslag in de stofwisselingsorganen die bij de leeuw echt niet zoveel betekenen [10], opleven, dan wordt de honger tot een dwingende, hartstochtelijke begeerte. En de zebra’s, gnoes of antilopen die de leeuw eerst nog nauwelijks waargenomen heeft, worden nu voorwerpen waarmee hij deze brandende begeerde bevredigen moet.

Echt indrukwekkend uit het rijke innerlijke leven zich in de kop van de leeuw, met name het aangezicht. Er zijn studies van uitdrukkingen die tonen hoe het leeuwengelaat een buitengewoon levendige spiegel is van de innerlijke belevingen.
Zoals in het brullen, spinnen en grommen dringt het innerlijk naar buiten en wordt zichtbaar. En de manen van de leeuw vertonen in een geïntensiveerde haarvorming als een uiterlijk teken, dat tussen romp en kop innerlijke krachten in de uiterlijke verschijningsvorm dringen.

Ook aan de schedel manifesteert zich het wezen leeuw. De kaken zijn zoals aan de romp de ledematen, tamelijk kort. De spieren echter krachtig. Een leeuwin kan met de bek een zebra die ze te pakken heeft een heel stuk wegslepen. Aan de plastische bouw van de onderkaak kan men zien hoe sterk de spieren zijn die hier zitten. De hartstochtelijke agressie in het doden en opvreten wordt in de vorm van geweldige hoektanden als in een verstard gebaar zichtbaar. Die wordt ook zichtbaar in de smalle achterkiezen met de puntige knobbels. Bijzonder groot is aan de kop dat deel gevormd dat staat voor de borstholte met de longen en het hart, nl. de neusholte.

dierkunde leeuw 3

schedel van een volwassen leeuw (uit Kahn, overzicht van de dierkunde (Duits)

Zo kan het duidelijk worden wat R .Steiner met de uitspraak dat de leeuw de ‘eenzijdige uitwerking is van in het bijzonder de borstholte’ bedoelt. Zo’n formulering moet men niet banaal of oppervlakkig nemen. Ze is het  geconcentreerde resultaat van een diepgaand onderzoek. Dringt men met zijn denken en fantasie door in het bijzondere karakter van de verschillende vormen en uitingen, dan ontdekt men hoe daarin de in het borstorganisme werkende krachten tot uitdrukking komen. Men ziet en beleeft de leeuw echter als daarvoor; men begrijpt hoe hij in zijn wezen en zijn organisme eenzijdig is – maar wel op grandioze wijze.

[1]In GA 301
[
2]Erster Entwurf einer allgemeinen Einleitung in die vergleichende Anatomie, ausgehend von der Osteologie, in ‘Goethes Naturwissenschaftliche Schriften’ Steiner, Dornach 1975
[3]Grundlinien einer Erkenntnistheorie der Goethe’schen Weltanschauung,
GA 2 1979
[4]Het dier tussen mens en kosmos, F.H.Julius, 1970 (Duits)
[5]Het boek van de leeuwen, W. en  H.Hagen 1992 (Duits)
6 ontbreekt
[7]Biologie in getallen, R.Flindt, (blz. 82, 66) 1985 (Duits)
[8]Flindt, blz 80
[9]Handboek van de biologie, Gessner, (blz 992), 1977
[10]De darm is gemiddeld 6,9 m lang. De relatieve darmlente (de verhouding van darmlengte tot lichaamslengte) bedraagt slechts 3,9 m, bij het paard 12 en bij het rund 22 tot 29 m, Flindt, (blz. 44 en 45)

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

 

216-204

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Antroposofische indoctrinatie in het vrijeschoolonderwijs? (2-2)

.

In mijn vorige artikel moest ik tot de conclusie komen de opvatting van de heer Perra, dat er middels de vertelstof antroposofie aan de kinderen wordt doorgegeven – indoctrinerend nog wel – op grond van kennis én ervaring niet te kunnen onderschrijven. Dat hij dat op vrijescholen in Frankrijk heeft waargenomen, kan ik bevestigen noch ontkennen. De stelling dat ‘op vrijescholen kinderen met antroposofie worden geïndoctrineerd’ is op grond van dit voorbeeld voor het vertellen in het algemeen, niet aangetoond.

VOORBEELD 2

Dierkunde klas 4

De heer Perra geeft nog een voorbeeld : dierkunde in klas 4 :

In the fourth grade (CM1), Waldorf students study zoology and tackle the physiology of various animals, like the lion, the cow, and the eagle. At first glance, their class work appears to be an objective study of the behavior of these animals. At least that’s what an inspector will see in the students’ notebooks. But the teacher will also orally tell the students that the eagle must be understood in relation to the human head, the cow in relation to the human metabolic system and limbs, and the lion in relation to the human rhythmic system (the heart and lungs). Thus, the teacher conveys basic elements of Rudolf Steiner’s doctrine, namely that man is a tripartite being having within himself, in a latent state, the various animal kingdoms. [6]

Samengevat: dierkunde in klas 4: de verschijningsvorm van verschillende dieren, als leeuw, koe en adelaar. In het periodenschrift zal de inspecteur iets objectiefs vinden over het gedrag van deze dieren, maar mondeling zal de leerkracht de dieren in verband brengen met hoofd, romp en ledematen – dit is met Steiners drieledige mens die de verschillende dierenrijken latent in zich aanwezig vindt.

Een paar achtergronden bij het vak dierkunde
Wanneer wij een berg- of heuveltop beklimmen en we zijn op het hoogste punt aangekomen, blikken we over de wijde, voor ons zich uitstrekkende omgeving. Al kijkend zien we steeds meer details: daar een meertje, daar een paar koeien; een hutje, in de verte, beneden een dorpje, waarvan de kerktoren het eerst opvalt.

Met talloze andere voorbeelden kan iedereen, want iedereen heeft deze ervaringen, tot de makkelijk te trekken conclusie komen: eerst zien we het geheel, dan de delen.

Ook in het ‘verborgene’, in onze cellen b.v. gaat de vermenigvuldiging daarvan door deling van het geheel naar geledingen, wat zo prachtig is te volgen bij embryonale ontwikkelingen.

Dit ‘van het geheel naar de delen’ ligt in zekere zin van nature in de mens besloten.

Zo bekeken behoort dit ‘bij het leven’.

In Steiners pedagogische voordrachten komen we dit ‘bij het leven’* nog al eens tegen:
Wir gehen immer von dem Ganzen aus. Wie wir im Rechnen von der Summe aus­gehen, nicht von den Addenden, und die Summe zergliedern, so gehen wir auch hier von dem Ganzen ins Einzelne. Das hat den großen Vorteil für die Erziehung und den Unterricht, daß wir es erreichen, das Kind wirklich auch lebendig in die Welt hineinzustellen; denn die Welt ist ein Ganzes, und das Kind bleibt in fortwährender Verbindung mit dem lebendigen Ganzen.[1]

‘We gaan steeds uit van het geheel. Zoals we bij het rekenen uitgaan van de som (het totaal), niet van de optellers en het totaal verdelen, zo gaan we ook hier van het geheel naar het aparte. Dat heeft het grote voordeel voor de opvoeding en het onderwijs dat wij bereiken dat het kind werkelijk ook levend in de wereld komt te staan; want de wereld is een geheel en het kind blijft voortdurend in verbinding met dit levende geheel.*

We gaan steeds uit van het geheel.
Steiners opvatting: de wereld is een totaliteit (die Welt ist ein Ganzes) mag dan nu als vanzelfsprekend klinken, in 1919 was dat niet zo.

Er bestond geen milieuprobleem. Met name de laatste 20 jaar is de mensheid – als totaliteit –  door schade en schande tot het inzicht gekomen dat ‘alles met alles’ samenhangt: CO2-uitstoot-opwarming van de aarde; houtkap-meer erosie, meer overstromingen, aardverschuivingen; landbouwgif – bijensterfte; bijensterfte – 4 jaar na het uitsterven van de bijen, sterft volgens Einstein de mensheid, planten, met name het fruit, sterven uit doordat er geen bestuiving meer plaatsvindt. Enz.enz.

Een aspect van het vrijeschoolonderwijs: zo te werken dat het kind in een voortdurende levende relatie staat tot het levende geheel.

Tegen deze achtergrond is het niet verwonderlijk dat Steiner het vak dierkunde, met betrekking tot de mens’ behandelt.

Ja, dat is ‘mensbeeld’, zoals het ook ‘mensbeeld’ is, het vak dierkunde niet met betrekking tot de mens te geven en slechts het dier te beschrijven in zijn habitat.

Dit is o.a. wat mensen die vrijeschoolleerkracht worden en ouders die hun kind op een vrijeschool willen hebben, aanspreekt: het gaat erom dat de mens van de toekomst – het kind – met eerbied en enthousiasme de schoonheid –hier ‘de samenhang der dingen’, zijn een-zijn met de totaliteit van de wereld beleeft.

NIET NIEUW
De idee van de samenhang van mens en dier is niet nieuw; is niet van Steiner en is daarom ook geen antroposofie. Ook de drie- en vierledige mens zijn dat in de kern niet. Wel heeft Steiner, zoals zo vaak met oudere, bestaande ideeën, deze opnieuw, meer in overeenstemming met de denktrant van nu geformuleerd–en wanneer hij dat in de jaren, ruwweg 1880-1925 – doet, is dat veel minder in de denktrant van die tijd, dan in de denktrant van heden.

De filosofische gezichtspunten in b.v. ‘De filosofie van de vrijheid’ -1894! – zijn, ruim 100 jaar later – nog steeds actueel.

De samenhang van mens en dier wordt b.v. door Lorenz Oken uitgewerkt; ook door Goethe; Darwin, niet te vergeten.

Het ‘drieledige’ is geen exclusief antroposofisch begrip.

Hoofd, romp en ledematen zijn niet door Steiner bedacht.

Ook niet dat in het hoofd de voornaamste zintuigen zetelen; dat in het romp/borstgebied hart en longen ritmisch** pulseren en dat we een stofwisseling hebben, geconcentreerd in de stofwisselingsorganen.

DIERKUNDEPERIODE
Ik herinner me nog als de dag van gisteren de dierkundeperioden.

Een aspect van het vrijeschoolonderwijs: zo te werken dat het kind in een voortdurende levende relatie staat tot het levende geheel.

‘Wat zie je allemaal aan de mens’ kan een vraag zijn aan het begin van een dierkundeperiode.

Als alle losse benamingen zo gerubriceerd worden dat ze wat meer bij elkaar horen, kan plotseling het geheel weer in het oog springen: hoofd, romp en ledematen.

Bij het hoofd kwamen te staan; oren –gehoor; ogen – zien/(ge)zicht; neus –reuk; mond – smaak: zout, zuur (enz)

De andere dag b.v. begon ik dan een dier ‘te spelen’. Ik noemde het niet meteen bij naam; de kinderen die het zagen, mochten het niet meteen roepen. En zo schetste ik, met woorden en bewegingen de karakteristiek van het te behandelen dier. Voor kinderen én leerkracht buitengewoon animerend.

‘Had de mens zulke ogen als ik’, liet ik het dier zeggen, ‘dan zag meester, die nu recht voor zich uitkijkt, tegelijkertijd óók het plafond én zijn schoenen’.

Uit het karakteriseren van de inktvis, blijkt dat het dier ‘bijna helemaal zintuig is’.

Het is niet moeilijk voor wie open waarneemt tot de conclusie te komen dat in de dieren een specialisatie op de voorgrond treedt. Daar is niets ‘antroposofisch’ bij.

Vissen zwemmen sneller dan mensen; vliegen kunnen de mensen niet.

‘Met een vliegtuig’, roepen de kinderen; om tot ontdekking te komen dat dit eerst ‘bedacht’ moest worden.

‘Een mens heeft ideeën’, zei een leerling.

En om die tot uitvoering te brengen: handen.

Daarmee is de mens het meest mens: ‘met zijn handen’.

Die kunnen opbouwen, maar ook afbreken; slaan,  én strelen.

‘‘Een dier doet, wat het moet’, een bekende uitspraak van dokter Leen Mees [2]

Dieren zijn specialisten – niet vrij.

De mens is geen specialist – hij kan het op een bepaald gebied worden.

De dieren zijn in hoge mate afhankelijk; de mens is veel vrijer; heeft daarom een grote verantwoordelijkheid naar de dieren (en de medemens).

Het in samenhang zien van mens en dier op deze wijze, noemt de heer Perra ‘indoctrinatie’.

De mens leren zien in samenhang met de wereld zodat dit eerbied en verwondering teweegbrengt, is opvoeding en ontwikkeling.
Je afvragen wat je met je handen doet, vormt je moraliteit.

Net als bij de vertelstof: ik weet niet hoe dierkunde in de Franse vrijescholen gegeven wordt.

Dit kan ik ook niet opmaken uit de woorden van de heer Perra.

Van indoctrinatie bij de vakken vertelstof en dierkunde, gegeven op bovengeschetste manier – dat is in de trant waarin ze gegeven dienen te worden, is geen sprake.

Ook de heer Perra’s 2e voorbeeld moet ik als onzinnig kwalificeren.

Voortdurend doen mensen pogingen aan te tonen dat er in vrijescholen geprobeerd wordt antroposofie ‘binnen te loodsen’.

Door wie dan? Antroposofische leerkrachten? Wie of wat zijn dat dan? Wat is dan hier ‘antroposofie’? Met welk doel dan?

Op vragen aan critici kreeg ik of geen antwoord; of ze weerden mij van hun blog of ze kwamen elders met onzinnige kretologie.

Voor mij zijn de voorbeelden van de heer Perra die zo zwaarwegend worden aangekondigd als ‘indoctrinatie van vrijeschoolleerlingen met antroposofie’ als de zoveelste muis die naast de olifant op de brug triomfantelijk uitroept: ‘Wat stampen we weer, hè!”

* wie dit tot zich door laat dringen, bedenkt zich wel een paar keer, voor hij het woord ‘sektarisch’ in de mond neemt.

**zie voor een samenhang romp/hart/longen: de leeuw

[1]Steiner Erziehungskunst -Methodisch-Didaktisches
GA 294
[2]Mees  Dieren zijn wat mensen hebben

Perra’s 1e voorbeeld betreft het vertellen van sprookjes in klas 1 en is hier te vinden.

 

vrijeschool en antroposofie: alle artikelen

.
Meer commentaren op onzinnige kritiek:

Geschiedenis of hoe een schriftjesgeleerde stokpaardje rijdt

Atlantis of hoe de Jonghe een kreupel stokpaardje als oude koe uit de sloot haalt
Een belegen berichtje als bewijs

De Jonghes Atlantis
Het belegen berichtje in een nieuw jasje

In een sukkeldrafje verder op een kreupel (Trojaans) paardje

Atlantis: generaliseren en erin leggen
Vertaling van Andreas Lichte generaliseren und hineininterpretieren

Atlantis, ooooo die schriftjes toch
“bewijzen” voor racisme in geschiedenisschriftjes uit klas 5

 

215-203

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.