Tagarchief: inenten

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-4)

.

Inenten is een onderwerp dat telkens weer tot (hevige) discussies leidt, vooral als je er genuanceerd over denkt, dus, wanneer wél of wanneer niet. 
Hoe je denkt over opvoeding, over de ontwikkeling van een kind, speelt daarbij een rol. 
Kennelijk zijn  (veel?) vrijeschoolouders terughoudender met ‘prikken’, waardoor we regelmatig kunnen lezen dat er op vrijescholen meer kinderen niet ingeënt zijn tegen bijv. de mazelen, dan op niet-vrijescholen.
Dat wordt snel verward met ‘dat de vrijeschool tegen vaccineren’  is.* 
‘School’ is een leeg begrip. Er werken mensen die een opvatting hebben over opvoeding en meestal – vooral als ze zelf kinderen hebben – over inenten. Maar als institutie – de mensen samen – bestaat er geen opvatting over inenten die van deze mensen – ‘school’ – een ‘must’ is voor de ouders.
De beslissing over het vaccineren ligt helemaal bij de ouders – daarover hebben anderen – ‘school’ – niets te zeggen.
Je kan elkaar wel vertellen over je gezichtspunten.
Dat gebeurt ook op deze blog.
Wat hier over inenten wordt geschreven is niet DE mening van de vrijeschool – zoals gezegd: die is er niet en mocht die er wél zijn, dan is dat m.i. niet terecht.

Aart van der Stel, huisarts, Weleda Puur Kind, lente 2005, nr.15
.

HET NIEUWE OPVOEDEN: INTUÏTIE ÉN BEWUSTWORDING

Weinig discussies overleven zo goed de veranderende tijden ais die rond het wel of niet inenten tegen kinderziektes. Terwijl de ( overheid tegen steeds meer ziektes laat inenten, is er een vaste kern van weigeraars tegen een of meer van de prikken. Hoe kun je als ouder je weg vinden in de stortvloed van argumenten voor en tegen?

De voors en tegens in de inentingsdiscussie zijn eigenlijk in al de jaren hetzelfde gebleven: de overheid wil geen zieke kinderen om sociaal-economische redenen en wil zoveel mogelijk ziektes de wereld uit helpen en de tegenstanders, de ‘kritische prikkers’, zien allerlei gevaren van het inbrengen van entstof, hebben religieuze bezwaren of vinden dat ziek zijn voor hun kinderen een bepaalde betekenis heeft.

Tot op zekere hoogte behoor ik zelf tot de laatste groep. Volgens mij kan het geen kwaad wanneer een gezond kind waterpokken of de bof krijgt en ik zie ook niet veel bezwaar in het doormaken van rode hond. Maar polio of hersenvliesontsteking wens ik niemand toe, evenmin als een infectie met de haemophylus influenzabacterie (HIB). Die ziektes berokkenen veel schade bij een relatief groot deel van de groep kinderen die daarmee besmet raakt. Het lijkt me dan ook goed dat we kinderen niet blootstellen aan relatief veel voorkomende en veel schade toebrengende ziektes.

Het probleem is echter wel dat je je kind door inenten steeds minder gelegenheid geeft om ziek te zijn. Is dat erg? Het antwoord op die vraag hangt mede af van je visie op de opvoeding van je kind. Wat is het doel van de opvoeding en wat gebeurt er met een kind als hij ziek is? Zijn er inzichten die een uitweg bieden uit een botsing tussen verschillende opvattingen?

Het prettige aan ziek zijn

Als je kind ziek is, al dan niet door een kinderziekte, heeft het koorts waardoor alle levensprocessen in het lichaam sneller gaan. Hij zweet, heeft diarree of een natte hoest. Hij wordt als het ware ‘opgelost’.

Eten lukt vaak niet, drinken meestal nog wel, en dat is maar goed ook, want zeker bij heel kleine kinderen ligt uitdroging altijd op de loer. Hij heeft nergens zin in, behalve in op de bank liggen. Je kunt dus zeggen dat alle normale activiteiten tijdelijk stoppen.

Bij veel kinderziektes speelt de huid een belangrijke rol: aan het soort vlekjes of bultjes kun je de ziekte herkennen. Zonder al te diep op de functie van de huid in te gaan kun je zeggen dat de huid voor een mens heel belangrijk is. Hij vormt de afscheiding van de buitenwereld en biedt ook de mogelijkheid om via de tast contact te maken met de buitenwereld. Je kunt de wereld buitensluiten, je kunt je eigen warmte binnenhouden of je kunt invloeden van buitenaf zoals tastervaringen, warmte en eventueel zelfs geneesmiddelen (pleisters!) toelaten.

Er is ‘iets’ in het menselijk lichaam dat daarin stuurt en tot keuzes komt. Dat ‘iets’ kun je op lichamelijk niveau weerstand, op psychisch niveau assertiviteit en op persoonlijk niveau individualiteit noemen.

Al die woorden drukken uit dat je in staat bent om je in de wereld staande te houden en zo met je omgeving om te gaan, dat je er in elk geval niet minder maar het liefst beter van wordt, in die zin dat groei en ontwikkeling mogelijk zijn. En het prettige van ziek zijn is, dat je er weerstand aan over houdt.

Een kind komt met een nagenoeg leeg afweersysteem ter wereld en vult dat met kennis hoe ziektes af te weren door de binnendringende ziektekiemen te leren kennen, onschadelijk te maken en te onthouden hoe het dat gedaan heeft. Zo ontstaat het immuunsysteem. Het probleem is echter dat bij sommige ziektes de prijs die je voor die kennis moet betalen hoog kan zijn. Zo geeft polio relatief veel complicaties en zo’n ziekte kan dan uit de vaart worden genomen door het kind immuniteit te geven door inenten. Het krijgt dan als het ware kennis en instrumenten aangeboden zonder dat het daar zelf enige moeite voor hoeft te doen. Dat is in de opvoeding normaal: je leert een kind ook veilig de straat over te steken of van een hete koffiepot af te blijven zonder hem eerst een mogelijk gevaarlijke eigen ervaring op te laten doen.

Van voeden naar opvoeden

Eigenlijk zijn al je pedagogische acties erop gericht je kind wegwijs en weerbaar te maken. Je voedt op tot zelfstandigheid waar weerstand de lichamelijke uiting van is. In de eerste jaren van zijn leven gaat het vooral om zijn lichamelijke ontwikkeling en later steeds meer om zijn psychische en sociale groei. Je kunt dus zeggen dat je van voeden gaandeweg overgaat op opvoeden om te eindigen in voorzichtig en vooral onzichtbaar begeleiden.

In de ‘voedingsfase’ is alles nog gericht op de lichamelijke zelfstandigheid, dus op het ontwikkelen van weerstand. Uitgerekend de kinderziektes hielpen ouders daarbij, zonder dat ze zich daarvan bewust waren. Kinderziektes laten doormaken was een onbewuste manier van opvoeden. Ouders wisten intuïtief dat het ergens goed voor was.

Nu leven we in een tijd waarin iedereen ‘zijn eigen ding wil doen’ en zelf wel uitmaakt hoe hij zijn kinderen opvoedt. En dat is ook goed, want het komt de individualiteit van het kind ten goede als hij wordt benaderd als een uniek wezen. De tijden dat elke pedagogische ingreep werd getoetst aan Spock of een andere opvoedkundige icoon is voorbij. Opvoeden staat of valt bij het maken van eigen keuzes en dat geldt ook voor het inenten. Om het heel ongenuanceerd te zeggen: het maakt voor je kind misschien niet eens zo heel veel uit of hij wel of niet wordt ingeënt, maar wel of jij daarin een bewuste keuze hebt gemaakt. Kinderziektes waren normaal in een tijd waarin nog niet zo bewust werd omgegaan met opvoeding. Ik sluit niet uit dat er, met het toenemen van bewustzijn over de rol die je als ouder in het opgroeien van je kind wilt innemen, steeds minder behoefte is aan ‘onbewuste pedagogie’ i.c. aan kinderziektes. Kinderziekte als hulpje bij het opvoeden heeft misschien wel afgedaan. Maar wanneer het onbewuste opvoeden plaats maakt voor eigen keuzes in de opvoeding, ontstaat daarmee wel de uitdaging om dat wat kinderziektes eertijds deden, bewust na te bootsen of een nieuwe vorm te geven.

In bad

Het koortsende lijfje van een ziek kind kun je het beste vergelijken met een potje dat op het vuur staat te koken, waarbij de inhoud van de pot veranderingen ondergaat. Koortsende ziektes spreken de wil (tot verandering) van het kind aan. Al groeiend is hij enorm in beweging en verandering en hij verdraagt daarbij geen stagnatie.

Stagnaties worden zo snel mogelijk onschadelijk gemaakt. Het organisme wordt door de ziekte aan de kook gebracht om de vaart er weer in te krijgen. Maar bij het nieuwe opvoeden zonder kinderziektes moet je zelf signaleren dat er sprake is van een stagnatie, dat je kind duidelijk ‘ergens tegenaan hangt’. En je zal ook zelf moeten bedenken hoe je hem weer in beweging kunt krijgen.

Het gaat dan uiteraard niet om het letterlijk nabootsen van de kinderziekte – dat kan eenvoudigweg niet eens – maar om het zoeken naar een manier om de intenties van de ziekte te benaderen. Wat wilde of deed een ziekte en hoe bied je dat in een nieuwe vorm aan? Een voorbeeld van zo’n nieuwe manier is het zogenaamde voedingsbad, waarbij een kwakkelend kind een reeks baden krijgt waarbij melk, ei, honig en citroen worden gebruikt. Al deze substanties werken op een bepaald facet van het organisme en oefenen een vitaliserende werking uit. Interessant genoeg zie je halverwege de reeks baden een soort crisis optreden: het kind wordt nog miezeriger dan het al was. Het is goed om van tevoren te weten dat dit een gewenst effect is. Het is een verschijnsel dat sterk doet denken aan de crisis die je vroeger bij een sterk koortsende ziekte als longontsteking zag. Kwam je er door dan bleef je leven en hoorde je bij de sterken. Dat komt dankzij antibiotica uiteraard niet meer vaak voor, maar door het voedingsbad kan je kind zonder gevaar nog wel iets dergelijks doormaken. Door het bad kan het kind iets in zichzelf in beweging brengen en veranderen.

Het wiel uitvinden

Zoals het voedingsbad, afgekeken van de natuurlijke manier van ziek zijn, een bewust voltrokken pedagogische ingreep is, zo moet er nog meer te bedenken zijn. Maar hoe ‘bedenk’ je een bijna tot in het lichamelijke toe ingrijpende opvoedkundige maatregel? Van louter bedenken kan natuurlijk geen sprake zijn. Je moet er op komen. Het moet ontstaan, als een intuïtie. Die intuïties komen pas als je je bewust met de unieke individualiteit van je kind bezig houdt. Kinderziektes, daar wijst ook de besmettelijkheid op, waren groepsziektes die door de kinderen aan elkaar werden doorgegeven. In het nieuwe opvoeden, dat zich minder baseert op overgeleverde inzichten en meer op door ouders zelf gegenereerde intuïties, is minder plaats voor gezamenlijkheid. Voor elk kind moet het wiel opnieuw worden uitgevonden. Tot op zekere hoogte natuurlijk, want het is niet zo dat elke ouder zelf op het idee van bijvoorbeeld het voedingsbad hoeft te komen. Er is niets op tegen om je door anderen te laten inspireren, want er zijn in het kinderleven nog steeds veel problemen die elk kind zo ongeveer hetzelfde doormaakt.

Mediteer over je kind

Om je kind zo goed te leren kennen dat je voor zijn groeiproblemen zelf oplossingen kunt vinden, moet je je grondig in hem verdiepen. Net zo lang en net zo diep tot de oplossing ontstaat. Zo’n intensief inlevingsproces kun je rustig een meditatie noemen. Probeer over je kind te mediteren.

In zijn boek Over verdrietige, angstige en onrustige kinderen beschrijft Henning Koehler een heel hanteerbare vorm van meditatief bezig zijn met je kind. Hij raadt aan om je voor het naar bed gaan een moment innerlijk met hem bezig te houden, zijn probleem voor je neer te zetten en een vraag te formuleren die je meeneemt in je slaap. De kans bestaat dat er de volgende morgen of in de loop van een aantal morgens een antwoord bij je opkomt. Mogelijk biedt deze manier ook een houvast om tot de goede beslissing inzake het vaccineren van jouw kind te komen, dan je op sleeptouw te laten nemen door overtuigde voor- of tegenstanders. Trouwens, je kind omhullen met je meditatieve aandacht is misschien ook wel een soort inenten. Niet met fysieke entstof, maar met een heel andere substantie: eerbied voor het unieke van elk kind.

* [69]

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2199

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (69)

.

Op 22 juni 2019 verscheen in ‘De Stentor’ – Zutphen – een artikel met als kop:

PvdA-Statenlid Karin Jeurink: verplichte prik voor ieder kind

Mevrouw Jeurink – en zij zeer zeker niet alleen – brengt het ‘niet-vaccineren’ in verband met de vrijeschool:

‘Vrienden van mij zijn behoorlijk antroposofisch. Hun kinderen gaan naar de vrijeschool en alles, maar ze zijn wel gevaccineerd. Dat vind ik heel mooi, maar ze zijn op school wel de vreemde eend in de bijt. Op de vrijeschool doen ze niet aan inenten. De gedachte is dat je lichaam zelf die antistoffen moet aanmaken.”

Vooral met die zin: ‘op de vrijeschool doen ze niet aan inenten’ koppelt dit Statenlid automatisch ‘niet-inenten’ aan de vrijeschool. 

Dat is vreemd: geen enkele school ‘doet aan inenten’. 
Dat kunnen alleen ouders. En deze beslissen over wat ze met hun kinderen doen.

Ook op de vrijeschool. 

Mevrouw Jeurink zegt dat de gedachte achter het niet-inenten door sommige vrijeschoolouders is ‘dat je lichaam zelf die antistoffen moet aanmaken.’*

Dat is echter niet de reden waarom sommige vrijeschoolouders niet kiezen voor het inenten tegen kinderziekten: in Steiners antroposofische opvattingen bieden deze ziekten ontwikkelingsmogelijkheden – o.a.  het overwinnen van erfelijkheidsfactoren. (Daar horen echter geen polio en hersenvliesontsteking bij, om er maar een paar te noemen.) 
Daarin zullen zich ook veel vrijeschoolleerkrachten kunnen vinden, maar wat pedagogie, didactiek en methode betreft, wordt daarmee – terecht – niets gedaan.

Dan is er nog iets vreemds in ieder bericht over inenten-of-niet.
Ook in de opvatting van mevrouw Jeurink:

Telkens is er sprake van dat de niet-ingeënte kinderen een gevaar zouden vormen voor de andere kinderen i.v.m. de besmettingskans.
Maar hoezo een gevaar voor de andere kinderen als deze wél zijn ingeënt. Kunnen deze dan toch nog besmet raken? Wat is de inenting dan waard?
En bang dat andere niet-ingeënte kinderen besmet raken hoef je niet te zijn: immers de ouders hebben daarvoor gekozen. 

Dat besmettingsgevaar bestaat alleen daar waar niet-ingeënte kinderen in aanraking komen met kinderen onder de 14 maanden, want vóór die tijd wordt er geen prik gegeven tegen bv. de mazelen. 

Ook komt in de berichtgeving – ook hier – veelvuldig naar voren dat het zou gaan om ‘desastreuze’ gevolgen. 

In Trouw van 22 mei 2019 verscheen daarover een ingezonden brief:

Beeld mazelen klopt niet met cijfers

 

In eerste instantie hadden wij onze kinderen niet laten inenten tegen bof, mazelen en rode hond, vanuit de filosofie dat je als mens niet moet ingrijpen op wat de natuur zelf al goed regelt. Later hebben wij onze kinderen toch laten inenten tegen de mazelen, want ik wil niet dat andere mensen slachtoffer worden van mijn keuzes.

Maar nu doen steeds meer apocalyptische beelden over de mazelen de ronde. Waarbij het beeld ontstaat dat je je kind aan acuut levensgevaar blootstelt als je hem of haar naar een kinderdagverblijf stuurt waar ook ongevaccineerde kinderen worden toegelaten. Ik had het gevoel dat dat niet klopte. Dus wilde ik dit toch zelf graag eens toetsen aan gegevens die gewoon voor iedereen beschikbaar zijn: de CBS-statistieken.

Allereerst sterven er wereldwijd, voornamelijk in ontwikkelingslanden, duizenden zo niet miljoenen kinderen aan de mazelen. Maar hoe zit het in Nederland? Voorzitter Gjalt Jellesma van de ouderorganisatie Boink stelt, onweersproken door medische wetenschappers, dat het mazelenvaccin vele duizenden dodelijke slachtoffers heeft voorkomen- Als we in de CBS-jaarcijfers kijken naar de hoeveelheid sterfgevallen door mazelen van voor 1976 (toen mazelen in het rijksvaccinatieprogramma werd opgenomen) dan zien we jaarlijks ongeveer 20 sterfgevallen met een dalende tendens richting 1976.

Als we dat door zouden trekken naar 2019, 43 jaar later, zijn dus door het vaccin maximaal een kleine 1000 sterftegevallen voorkomen. Nog steeds veel, maar niet vele duizenden, zoals Jellesma stelt.

Ook wordt gesteld dat een vaccinatiegraad van ten minste 95 procent nodig is om sterfte bij kinderen onder de veertien maanden te voorkomen (kinderen worden pas met veertien maanden ingeënt). Maar hoe zat het eigenlijk met sterfte onder kinderen onder veertien maanden voor 1976, toen de
vaccinatiegraad nul was? Wie de statistieken bekijkt, ziet dat sterfte onder deze kinderen vrijwel niet voorkwam. Het gaat om nul of één, maximaal twee sterfgevallen per jaar.

Medici en politici roepen op om voorlichting op grond van werkelijke feiten. Wie zich wil baseren op die feiten, weet dan ook: het gaat niet om vele duizenden sterfgevallen vanwege de mazelen die in Nederland door het vaccin worden voorkomen, maar tussen de 5 en 20 per jaar. Het streven naar een 95 procent vaccinatiegraad voorkomt iets wat met een o procent vaccinatiegraad ook al niet voorkwam (sterfte aan mazelen bij kinderen onder de veertien maanden).

Ook het weigeren van kinderen op kinderdagverblijven vanwege het besmettingsgevaar van kinderen onder de veertien maanden voorkomt iets wat eigenlijk niet bestaat: het gevaar is gezien de statistieken van vóór de vaccinatie verwaarloosbaar. Kinderen die herstellen van de mazelen, doen dat eigenlijk zonder uitzondering zonder verdere gevolgen en zijn hun hele verdere leven beschermd tegen de mazelen, iets waar het vaccin niet aan kan tippen.

Ook is het raar dat kinderen bij het mazelenvaccin ook meteen het bof- en rodehondvaccin krijgen. Bij die ziektes gaat het om buitengewoon kleine risico’s. De bof heeft als verschijnsel vooral dat mannen die de bof op latere leeftijd krijgen een uiterst kleine kans lopen om onvruchtbaar te worden.

Bij rode hond worden kinderen amper ziek – vergelijkbaar met de waterpokken. Vroeger was de standaardactie als er rode hond heerste om ervoor te zorgen dat iedereen het kreeg, vooral de meisjes. Simpelweg door de kinderen met elkaar te laten spelen. Waardoor de natuur zelf vrijwel altijd voorkwam dat een zwangere vrouw rode hond kreeg (wat zou kunnen leiden tot misvorming van de vrucht), doordat ze vanuit haar jeugd al beschermd was.

Kortom, alle opwinding rond de mazelen is nauwelijks te rijmen met deze statistische feiten.

Hans Voerknecht, lezer uit Pijnacker

voor een genuanceerde oordeelsvorming zie ook:

Mazelen (1)

vaccineren

*Waar het wél om gaat staat in dit artikel, met ook – door een antroposofisch arts – genuanceerde standpunten:        Over mazelen en andere uitdagingen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

Opspattend grind: alle artikelen

.

1840

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Mazelen (1)

.

Wanneer  op gezette tijden de mazelen weer eens uitbreken, ontstaat ook steevast de discussie over vaccineren.

Ik ben geen arts en voel mij niet geroepen hierover een oordeel te geven.

In mijn bewaarde artikelen vond ik er een over ‘mazelen’ uit 1988 van de hand van huisarts Arie Bos, bekend van o.a. zijn :Hoe de stof de geest kreeg‘ en ‘Mijn brein denkt niet, ik wel

Ik vroeg hem of hij nog achter zijn artikel stond en of ik het mocht publiceren.

Hij had daartegen geen bezwaar, maar voegde deze  opmerkingen toe waarvan ik de strekking als volgt weer geef:

Ouders van nu geven aan hun kinderen geen antistoffen meer mee. Daarmee is de situatie een andere geworden. Dokter Bos vindt vaccineren daardoor heel begrijpelijk en raadt het zeker niet af.

De reden dat ik hier zijn artikel en zijn opmerkingen plaats, ligt vooral in de opdracht die dokter Bos nu aan de pedagogie stelt:
‘de ontwikkeling van het kind moet nu van de pedagogie komen’.

Dit vraagt m.i. niet meer of minder om een nieuwe bezinning op de ontwikkeling van kinderen, in samenhang met mazelen of kinderziekten in het algemeen.

Artikel dokter Bos:

ANGST VOOR MAZELEN

In de zomer van 1956 waarschuwde de akela van ons groepje welpen dat we niet te wild mochten spelen. We moesten vooral niet be­zweet raken, meende ze, want voor je het wist kon de kinderverlamming toeslaan. In mijn herinnering was het een prachtige zomer, zoals alle zomers in de jeugd, die in een on­kinderlijke rust moest worden doorge­bracht. Zwemmen was er zeker niet bij: het water borg het grootste gevaar in zich. Er werden dat jaar meer dan tweeduizend kin­deren ziek. In het jaar daarop gingen we op een dag met de hele klas naar het gebouwtje van de ggd waar we in een onafzienbare rij klaar stonden om in de arm te worden ge­prikt. Er was niemand op deze gereformeer­de school die zich niet liet vaccineren. Nooit eerder was er een polio-epidemie (kinderver­lamming) van een dergelijke omvang ge­weest. Een aantal kinderen had blijvende verlammingen overgehouden. We weten nu dat het poliovirus de paradoxa­le neiging heeft pas ziekte en verlammingen te veroorzaken wanneer de hygiëne in een land groter wordt. In landen waar een min­der hoge hygiënische standaard is, vormt verontreinigd water een alom tegenwoordig reservoir van poliovirussen. Ieder kind wordt al vroeg in zijn leven besmet, in een tijd dat het nog door van de moeder afkomstige afweerstoffen wordt beschermd. De antistof­fen die het daardoor ontwikkelt, bescher­men het weer tegen een eventuele latere be­smetting die dan in een milde vorm of vol strekt ongemerkt voorbij gaat. Epidemieën krijgen zo geen kans om te ontstaan omdat iedereen over afweerstoffen beschikt. Een heel andere situatie ontstaat wanneer door een grotere hygiëne het virus niet meer circuleert. Oudere kinderen die vrijwel geen afweerstoffen meer van hun moeder over hebben, zijn dan onbeschermd en kunnen erg ziek worden wanneer incidenteel de ziekte in de vorm van een epidemie toeslaat. Deze situatie bestond in onze streken voor het jaar 1957, toen een systematische inen­ting tegen polio myelitis op gang kwam. Al vrij snel was een percentage van 98 procent gevaccineerden bereikt, wat tot de dag van vandaag nog steeds het geval is. De hoop bestond dat de hoge vaccinatie­graad van de bevolking de verspreiding van het virus effectief zou voorkomen zodat ook de niet gevaccineerden onder de ‘vaccinatie­paraplu’ van de anderen zouden kunnen meeschuilen. Dat bleek niet het geval te zijn. In 1971 en in 1978 ontstond er in enkele streng gereformeerde gemeenschappen, waar om principiële reden niet wordt in­geënt, een polio-epidemie die relatief veel verlammingsslachtoffers eiste. Het lijkt er al­dus op dat naarmate een bevolking door vac­cinatie beter is beschermd tegen een ziekte, de ongevaccineerden door het ontbreken van antistoffen een groter risico lopen om de ziekte op volle sterkte te moeten doormaken.

Zes sterfgevallen

Het is indertijd een geniale gedachte geweest van Edward Jenner, de dokter uit Berkely in Engeland die omstreeks 1798 de vaccinatie uitvond, en een goed voorbeeld van een vruchtbare samenwerking die het waarne­men met het denken kan aangaan, wanneer niet uitsluitend bij een esthetische ontroe­ring wordt stilgestaan. Jenner vroeg zich na­melijk af waarom hij boerenmeisjes aantrek­kelijker vond dan burger- of adellijke meis­jes. Dat kwam omdat de eersten in tegenstel­ling tot de laatsten meestal over gave gezichtjes beschikten. De pokken, destijds een alge­mene (kinder)ziekte, hadden bij de anderen dikwijls een extra reliëf in het gezicht achter­gelaten. Een boerin wees Jenner er op dat de boerenmeisjes wel pokkenlittekens op hun handen hadden die ze hadden overgenomen van de uiers van de door hen gemolken koeien. Dat waren de zogenaamde koepok­ken. Jenner begreep dat de relatief onschul­dige koepokken (vaccinia, van vacca is koe) beschermden tegen kinderpokken. Daar­mee is de term vaccinatie ontstaan. Het kwam echter voor dat na inenting ie­mand toch over het gehele lijf koepokken kreeg. Al waren het dan in dit geval koepok­ken, de gevolgen waren niet minder ernstig. Een vergelijkbaar probleem kan zich nog steeds voordoen wanneer met een levend maar verzwakt virus wordt gevaccineerd, zo­als bij voorbeeld via het ‘suikerklontje’ tegen polio. Zo’n verzwakt virus kan zich toch, wel­iswaar langzaam, vermenigvuldigen, weer uitgescheiden worden en sterker besmette­lijk zijn dan in zijn oorspronkelijke, afge­zwakte vorm. In Nederland gebruikt men daarom tegen polio liever het met formaline gedode virus.

Ook nu nog leveren sommige inentingen problemen op, zoals de dktp-prik, vooral door de kinkhoesttoxinen, en de mazelenprik met het afgezwakt maar levend virus. (dktp is: difterie, kinkhoest, tetanus en po­lio). In 1986 werden zes sterfgevallen van kin­deren na vaccinatie gemeld aan het Rijksin­stituut voor Volksgezondheid en Milieuhy­giëne (rivm). Vijf gevallen betroffen van te voren niet-zieke kinderen, van wie vier na een dktp-enting overleden en het vijfde na een mazelenvaccinatie. Het zesde kind leed aan een ernstig hartgebrek. Een verband tussen vaccinatie en overlijden kon niet wor­den bewezen omdat geen sectie werd ver­richt; zij werden als ‘wiegedood’ geduid. In hetzelfde jaar werd twee maal een hersen­vliesontsteking gemeld — één maal na een mazelenprik en één maal na een dktp-inenting — en verder nog tweeënveertig andere ernstige bijwerkingen van een van beide vac­cinaties. De melding is vrijwillig, zodat vol gens het rivm moet worden aangenomen dat lang niet alle gevallen bekend worden. Dat dit soort bijwerkingen voorkomen, is al­gemeen bekend in de medische wereld en heeft, hoezeer het ook ernstig moet worden genomen, nooit geleid tot een door kranten en televisie aangewakkerde angstgolf. Wat kan er dan de reden van zijn dat bij de laatste mazelenepidemie breeduit de publiciteit is gezocht? De aanleiding werd gevormd door het overlijden van een zesjarig jongetje en een week later een vijfjarig meisje aan, zo werd bericht, een complicatie van mazelen. Het is opmerkelijk dat nooit is bekend ge­maakt aan welke complicaties de kinderen zijn overleden en of er nog andere omstan­digheden hierbij een rol hebben gespeeld. Het is namelijk al jaren bekend dat bij de zeldzame gevallen van overlijden na maze­len vrijwel altijd sprake is van een vooraf­gaand lijden, zoals bij voorbeeld een hartge­brek of mongolisme. De longontsteking als complicatie is in het algemeen goed te be­handelen.

Indringer

Nederland beroemt zich er op met 95 pro­cent tot de landen met het hoogste percenta­ge ingeënten te behoren. De volkswoede naar aanleiding van de sterfgevallen richtte zich dan ook gemakkelijk op de overblijven­de vijf procent. Opvallend is dat deze volks­woede werd aangewakkerd en verwoord door enkele hoogleraren. De hoogleraar ge­zondheidsrecht Roscam Abbing uit Maas­tricht meent dat ouders die hun kinderen niet tegen mazelen laten inenten uit de ou­derlijke macht moeten worden ontzet. Professor Dupuis, hoogleraar ethiek te Leiden, die vaker blijk geeft van een zekere hang naar dwangmaatregelen, vindt dat inenten ver­plicht moet worden. En Professor Huisman, sociaal geneeskundige te Rotterdam, be­weert zelfs dat een derde van de kinderen die de mazelen hebben gehad daar psychische schade van overhoudt of spasticiteit! Het lijkt een duidelijke zaak: de twee sterfgeval­len die het gevolg zouden zijn van een tot voor kort onschuldige kinderziekte, zijn de schuld van de ouders die hun kind geen ma­zelenvaccinatie hebben gegund. De zaken liggen echter iets genuanceerder. Vroeger kwamen complicaties bij mazelen in de westerse wereld maar zelden voor. De enige ernstige complicatie die moet worden gevreesd, is de encefalitis, immers de long­ontsteking is goed te behandelen. In het be­gin van de jaren zestig gold bij voorbeeld in Duitsland een getal van 1:14500 gevallen van mazelen waarbij encefalitis als complicatie van mazelen optrad. Er wordt aangenomen dat vijftien procent van de kinderen met en­cefalitis overlijdt. Inmiddels, sinds de vacci­naties, geldt een getal van 1:1000 a 1:2000. Het is overigens de vraag of dit ernstiger ver­loop alleen te wijten is aan het gebrek aan an­tistoffen bij de niet gevaccineerden, of dat ook de behandeling van de ziekte er een rol in speelt.

Een onderzoek van de Haarlemse arts B. Witsenburg in Afrika, waar mazelen een ernstiger verloop heeft dan in Europa, liet zien dat overlijden aan complicaties bij ma­zelen statistisch beduidend vaker voorkomt bij kinderen die koortswerende middelen krijgen. Dat is ook te verwachten, want koorts is een van de manieren waarop het li­chaam zich tegen een dergelijke indringer verweert.

Mazelen vormde eigenlijk nooit een pro­bleem. Het was een ziekte die je gehad moest hebben en die ook vrijwel iedereen van bo­ven de vijftien jaar heeft doorgemaakt. Het betekende een paar dagen ziek thuis blijven met koorts, hoesten en rode vlekken op ge­zicht en lijf, vertroeteld worden door je moe­der en weer beter worden. En beter worden kon je heel letterlijk nemen. Je moeder vond dat je veranderd was en dat vond je zelf ook. Je armen staken verder uit je mouwen en broekspijpen, je keek anders uit je ogen, je was minder kind en meer mens geworden. Hoge koorts betekent een inspanning voor het lichaam; er moet tenslotte een ziekte worden overwonnen. Iedereen weet dat je door inspanning sterker wordt. Dat geldt ook voor het afweersysteem. Nu de kinderziekten al bijna volledig zijn uitgeroeid, overspoelt een grote golf van ver­kouden, hoestende en benauwde kindertjes het spreekuur van de huisarts. Vooral huid­- en luchtwegproblemen — de gebieden waar de klassieke kinderziekten de strijd laten af­spelen — nemen bij kleine kinderen enorm toe. Een ‘kinkhoest’ die vaak serologisch (wat betreft antistoffen) niet tot de echte kinkhoest is te herleiden en ook ‘vlekjesziekten’, die lijken op de klassieke kinderziekten maar het niet zijn, vormen een vrijwel dage­lijks beeld. Het lijkt wel of een kind niet zon­der kinderziekten kan. Het belang van het doormaken van kinder­ziekten wordt vanuit de antroposofische ge­neeskunde als volgt verduidelijkt. In het kort gezegd komt het er op neer dat een mens als geestelijk wezen zijn ouders heeft uitgezocht om een lichaam voor hem te vormen. Dat ge­boren lichaam heeft echter aanvankelijk meer de kwaliteiten en eigenschappen van de ouders dan van het kind dat er in woont. Het lichaam moet worden omgebouwd om eigen te kunnen worden. Daarvoor moet grote kracht worden gemobiliseerd. Koorts bij voorbeeld. Alle kinderziekten hebben een eigen terrein waar ze ‘verbouwingswerk­zaamheden’ mogelijk maken: de huid, de luchtwegen, de slijmvliezen en het zenuw­weefsel. Na roodvonk, dat met langdurige hoge koorts gepaard gaat, vervelt een kind zelfs en komt als nieuw weer te voorschijn. In het medisch tijdschrift The Lancet van 5 januari 1985 is een artikel verschenen waarin de resultaten van een veertig jaar durend on­derzoek naar de gevolgen van mazelen wer­den gepubliceerd. Er bleek een statistisch significant verband te bestaan tussen het niet doorgemaakt hebben van mazelen en het op latere leeftijd ontstaan van immuniteitsziek-ten, bot- en kraakbeenziekten en tumoren. Het rivm heeft het op zich genomen om be­halve de ernstige ziekten difterie, tetanus en polio en de niet zo ernstige kinkhoest, ook de voor kinderen onschuldige bof, rode hond en mazelen weg te vaccineren. Dit is voor veel, vooral antroposofische ouders, die om nog weer andere overwegingen dan streng gereformeerde ouders kinderziekten positief waarderen, geen reden om zich te laten wijs­maken dat deze ziekten uiterst gevaarlijk zijn. Ze zijn hoogstens erg lastig. Wanneer door het hoge vaccinatiepercenta­ge en de daardoor ontstane afwezigheid van afweerstoffen, mazelen in de toekomst een gevaarlijke ziekte zou worden, zal dat voor veel antroposofische ouders een nieuw ele­ment betekenen in de overweging wel of niet te vaccineren. Ze zijn dan wel gedwongen te­gelijkertijd tegen de bof en de rode hond te laten enten. Of deze ‘vooruitgang’ ook een verbetering van de gezondheidstoestand van de Nederlandse bevolking zal betekenen, is echter de vraag.

Het lijkt meer zo te zijn dat de vaccinatiepa­raplu waaronder ook de niet gevaccineerden kunnen schuilen, het karakter van een sterie­le broeikas gaat aannemen waarin kwetsba­re plantjes opgroeien. Zo schept de techno­logische gezondheidszorg zijn eigen proble­men.

Arie Bos

(Jonas 13, 19 februari 1988)
.

JAAP V/D WEG  IN TROUW, 08-08-2013

Het geloof in reïncarnatie* speelt ook een rol in de beslissing om kinderen niet in te enten, schrijft Jaap van de Weg.

Ieder mens leeft vanuit een be­paald mens- en wereldbeeld. De uitbraak van mazelen, doordat er mensen zijn die hun kind niet inenten, heeft duidelijk gemaakt hoe moei­lijk het is voor de ene groep om de andere te begrijpen. De reac­ties op de uitbraak zijn divers, vaak emotioneel en veroordelend. Die
di­versiteit wordt gevormd door drie verschillende mens- en wereldbeel­den waarnaar mensen leven.

Het eerste is het mens- en wereld­beeld in de sfeer van de orthodox protestant christelijke georiënteerde bevolking. Overwegingen om niet te vaccineren: God heeft de mens ge­schapen en beschikt over wat er met het leven gebeurt. Zij aanvaarden Gods wilsbeschikking. Zijn wijsheid is van een hogere orde dan de mens kan overzien. Uit eerbied wordt deze sturing aanvaard.

Het tweede mens- en wereldbeeld is dat van antroposofen. Antroposo­fie is een geesteswetenschap, waarin wetenschappelijke methoden ge­bruikt worden om het onzichtbare te onderzoeken. Dat is ruimer dan ‘an­troposofie is de leer van Rudolf Steiner’. Overwegingen om niet te vacci­neren: het leven op aarde is een ervaringsweg die op ontwikkeling is gericht. In die ontwikkeling is alles van belang, ook ziekte. Na het leven op aarde volgt een evaluatie van dat leven in de geestelijke wereld, om la­ter met een nieuw levensplan een nieuw aardeleven aan te gaan.

Vanuit een dergelijke visie wordt ge­nuanceerd gekeken naar wat voor ri­sico aanvaard wordt voor het leven, en wat niet.

Het derde mens- en wereldbeeld voert nu de boventoon, al wordt dat zelden expliciet genoemd en be­schreven. Het is het geloof in de vrije markteconomie. Ik noem het een ‘geloof omdat er nergens bewezen is dat dit de beste manier van samen­leven is. We hebben er vertrouwen in en leven ermee. We nemen de voor- en de nadelen. Ook dit geloof heeft consequenties voor ziekte en gezondheid. De markt is open, alles mag aangeboden worden. Het is nor­maal dat in de supermarkt veel uitgestald ligt waarvan bekend is dat het ongezond is. Niet omdat er een primaire vraag was, maar omdat de markt moet groeien. De consequen­ties: kinderen die te dik worden, dia­betes, hart- en vaatziekten.

Ouders die hun kinderen de maze­len laten ondergaan, krijgen kritiek dat dit kindermishandeling is. Is het dan ook geen kindermishandeling om kinderen te dik te laten worden? Als inenten verplicht wordt, verbied dan ook ongezonde voedingsmidde­len. Maar dat is geen optie, vanwege het geloof in de vrije markt.

In het spanningsveld tussen de ver­schillende mensbeelden zie je dat bij antroposofisch geïnspireerde men­sen de nadruk op gezonde voeding groot is en er minder problemen met zaken als obesitas zijn.

Strijdpunt

Een tweede aspect van het algemene hedendaagse geloof is dat je maar één keer leeft, en dus: geniet daar­van. Ook dit is een strijdpunt tussen mensbeelden. Het maakt nogal ver­schil of je leeft vanuit het beeld dat er meerdere levens zijn en dat je met de consequenties van je leven, zowel positief en negatief, verbonden blijft. De vraag of er meerdere levens zijn, is gedelegeerd naar de religie, of wordt gezien als een persoonlijke en subjectieve zaak. Wetenschappelijk gezien kun je echter ook stellen dat het hier ook om feiten gaat. Maar hoe onderzoek je die feiten?

Op de achtergrond van de mazelen­epidemie zie ik een tipje van de
te­genstrijdigheid die er tussen verschil­lende mens- en wereldbeelden bestaat. Als ieder mens vanuit een bepaald mensbeeld leeft, kunnen we daar ruimte voor maken en daarin de ontmoeting met elkaar aangaan?

(Jaap van de Weg, arts en antroposoof)

*dat zegt v.d. Weg in dit artikel NIET

Over mazelen en andere uitdagingen

antroposofie en wetenschap

ik en reïncarnatie

 

.

256-241

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.