Tagarchief: immuumsysteem

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-4)

.

Inenten is een onderwerp dat telkens weer tot (hevige) discussies leidt, vooral als je er genuanceerd over denkt, dus, wanneer wél of wanneer niet. 
Hoe je denkt over opvoeding, over de ontwikkeling van een kind, speelt daarbij een rol. 
Kennelijk zijn  (veel?) vrijeschoolouders terughoudender met ‘prikken’, waardoor we regelmatig kunnen lezen dat er op vrijescholen meer kinderen niet ingeënt zijn tegen bijv. de mazelen, dan op niet-vrijescholen.
Dat wordt snel verward met ‘dat de vrijeschool tegen vaccineren’  is.* 
‘School’ is een leeg begrip. Er werken mensen die een opvatting hebben over opvoeding en meestal – vooral als ze zelf kinderen hebben – over inenten. Maar als institutie – de mensen samen – bestaat er geen opvatting over inenten die van deze mensen – ‘school’ – een ‘must’ is voor de ouders.
De beslissing over het vaccineren ligt helemaal bij de ouders – daarover hebben anderen – ‘school’ – niets te zeggen.
Je kan elkaar wel vertellen over je gezichtspunten.
Dat gebeurt ook op deze blog.
Wat hier over inenten wordt geschreven is niet DE mening van de vrijeschool – zoals gezegd: die is er niet en mocht die er wél zijn, dan is dat m.i. niet terecht.

 

Aart van der Stel, huisarts, Weleda Puur Kind, lente 2005, nr.15
.

HET NIEUWE OPVOEDEN: INTUÏTIE ÉN BEWUSTWORDING

Weinig discussies overleven zo goed de veranderende tijden ais die rond het wel of niet inenten tegen kinderziektes. Terwijl de ( overheid tegen steeds meer ziektes laat inenten, is er een vaste kern van weigeraars tegen een of meer van de prikken. Hoe kun je als ouder je weg vinden in de stortvloed van argumenten voor en tegen?

De voors en tegens in de inentingsdiscussie zijn eigenlijk in al de jaren hetzelfde gebleven: de overheid wil geen zieke kinderen om sociaal-economische redenen en wil zoveel mogelijk ziektes de wereld uit helpen en de tegenstanders, de ‘kritische prikkers’, zien allerlei gevaren van het inbrengen van entstof, hebben religieuze bezwaren of vinden dat ziek zijn voor hun kinderen een bepaalde betekenis heeft.

Tot op zekere hoogte behoor ik zelf tot de laatste groep. Volgens mij kan het geen kwaad wanneer een gezond kind waterpokken of de bof krijgt en ik zie ook niet veel bezwaar in het doormaken van rode hond. Maar polio of hersenvliesontsteking wens ik niemand toe, evenmin als een infectie met de haemophylus influenzabacterie (HIB). Die ziektes berokkenen veel schade bij een relatief groot deel van de groep kinderen die daarmee besmet raakt. Het lijkt me dan ook goed dat we kinderen niet blootstellen aan relatief veel voorkomende en veel schade toebrengende ziektes.

Het probleem is echter wel dat je je kind door inenten steeds minder gelegenheid geeft om ziek te zijn. Is dat erg? Het antwoord op die vraag hangt mede af van je visie op de opvoeding van je kind. Wat is het doel van de opvoeding en wat gebeurt er met een kind als hij ziek is? Zijn er inzichten die een uitweg bieden uit een botsing tussen verschillende opvattingen?

Het prettige aan ziek zijn

Als je kind ziek is, al dan niet door een kinderziekte, heeft het koorts waardoor alle levensprocessen in het lichaam sneller gaan. Hij zweet, heeft diarree of een natte hoest. Hij wordt als het ware ‘opgelost’.

Eten lukt vaak niet, drinken meestal nog wel, en dat is maar goed ook, want zeker bij heel kleine kinderen ligt uitdroging altijd op de loer. Hij heeft nergens zin in, behalve in op de bank liggen. Je kunt dus zeggen dat alle normale activiteiten tijdelijk stoppen.

Bij veel kinderziektes speelt de huid een belangrijke rol: aan het soort vlekjes of bultjes kun je de ziekte herkennen. Zonder al te diep op de functie van de huid in te gaan kun je zeggen dat de huid voor een mens heel belangrijk is. Hij vormt de afscheiding van de buitenwereld en biedt ook de mogelijkheid om via de tast contact te maken met de buitenwereld. Je kunt de wereld buitensluiten, je kunt je eigen warmte binnenhouden of je kunt invloeden van buitenaf zoals tastervaringen, warmte en eventueel zelfs geneesmiddelen (pleisters!) toelaten.

Er is ‘iets’ in het menselijk lichaam dat daarin stuurt en tot keuzes komt. Dat ‘iets’ kun je op lichamelijk niveau weerstand, op psychisch niveau assertiviteit en op persoonlijk niveau individualiteit noemen.

Al die woorden drukken uit dat je in staat bent om je in de wereld staande te houden en zo met je omgeving om te gaan, dat je er in elk geval niet minder maar het liefst beter van wordt, in die zin dat groei en ontwikkeling mogelijk zijn. En het prettige van ziek zijn is, dat je er weerstand aan over houdt.

Een kind komt met een nagenoeg leeg afweersysteem ter wereld en vult dat met kennis hoe ziektes af te weren door de binnendringende ziektekiemen te leren kennen, onschadelijk te maken en te onthouden hoe het dat gedaan heeft. Zo ontstaat het immuunsysteem. Het probleem is echter dat bij sommige ziektes de prijs die je voor die kennis moet betalen hoog kan zijn. Zo geeft polio relatief veel complicaties en zo’n ziekte kan dan uit de vaart worden genomen door het kind immuniteit te geven door inenten. Het krijgt dan als het ware kennis en instrumenten aangeboden zonder dat het daar zelf enige moeite voor hoeft te doen. Dat is in de opvoeding normaal: je leert een kind ook veilig de straat over te steken of van een hete koffiepot af te blijven zonder hem eerst een mogelijk gevaarlijke eigen ervaring op te laten doen.

Van voeden naar opvoeden

Eigenlijk zijn al je pedagogische acties erop gericht je kind wegwijs en weerbaar te maken. Je voedt op tot zelfstandigheid waar weerstand de lichamelijke uiting van is. In de eerste jaren van zijn leven gaat het vooral om zijn lichamelijke ontwikkeling en later steeds meer om zijn psychische en sociale groei. Je kunt dus zeggen dat je van voeden gaandeweg overgaat op opvoeden om te eindigen in voorzichtig en vooral onzichtbaar begeleiden.

In de ‘voedingsfase’ is alles nog gericht op de lichamelijke zelfstandigheid, dus op het ontwikkelen van weerstand. Uitgerekend de kinderziektes hielpen ouders daarbij, zonder dat ze zich daarvan bewust waren. Kinderziektes laten doormaken was een onbewuste manier van opvoeden. Ouders wisten intuïtief dat het ergens goed voor was.

Nu leven we in een tijd waarin iedereen ‘zijn eigen ding wil doen’ en zelf wel uitmaakt hoe hij zijn kinderen opvoedt. En dat is ook goed, want het komt de individualiteit van het kind ten goede als hij wordt benaderd als een uniek wezen. De tijden dat elke pedagogische ingreep werd getoetst aan Spock of een andere opvoedkundige icoon is voorbij. Opvoeden staat of valt bij het maken van eigen keuzes en dat geldt ook voor het inenten. Om het heel ongenuanceerd te zeggen: het maakt voor je kind misschien niet eens zo heel veel uit of hij wel of niet wordt ingeënt, maar wel of jij daarin een bewuste keuze hebt gemaakt. Kinderziektes waren normaal in een tijd waarin nog niet zo bewust werd omgegaan met opvoeding. Ik sluit niet uit dat er, met het toenemen van bewustzijn over de rol die je als ouder in het opgroeien van je kind wilt innemen, steeds minder behoefte is aan ‘onbewuste pedagogie’ i.c. aan kinderziektes. Kinderziekte als hulpje bij het opvoeden heeft misschien wel afgedaan. Maar wanneer het onbewuste opvoeden plaats maakt voor eigen keuzes in de opvoeding, ontstaat daarmee wel de uitdaging om dat wat kinderziektes eertijds deden, bewust na te bootsen of een nieuwe vorm te geven.

In bad

Het koortsende lijfje van een ziek kind kun je het beste vergelijken met een potje dat op het vuur staat te koken, waarbij de inhoud van de pot veranderingen ondergaat. Koortsende ziektes spreken de wil (tot verandering) van het kind aan. Al groeiend is hij enorm in beweging en verandering en hij verdraagt daarbij geen stagnatie.

Stagnaties worden zo snel mogelijk onschadelijk gemaakt. Het organisme wordt door de ziekte aan de kook gebracht om de vaart er weer in te krijgen. Maar bij het nieuwe opvoeden zonder kinderziektes moet je zelf signaleren dat er sprake is van een stagnatie, dat je kind duidelijk ‘ergens tegenaan hangt’. En je zal ook zelf moeten bedenken hoe je hem weer in beweging kunt krijgen.

Het gaat dan uiteraard niet om het letterlijk nabootsen van de kinderziekte – dat kan eenvoudigweg niet eens – maar om het zoeken naar een manier om de intenties van de ziekte te benaderen. Wat wilde of deed een ziekte en hoe bied je dat in een nieuwe vorm aan? Een voorbeeld van zo’n nieuwe manier is het zogenaamde voedingsbad, waarbij een kwakkelend kind een reeks baden krijgt waarbij melk, ei, honig en citroen worden gebruikt. Al deze substanties werken op een bepaald facet van het organisme en oefenen een vitaliserende werking uit. Interessant genoeg zie je halverwege de reeks baden een soort crisis optreden: het kind wordt nog miezeriger dan het al was. Het is goed om van tevoren te weten dat dit een gewenst effect is. Het is een verschijnsel dat sterk doet denken aan de crisis die je vroeger bij een sterk koortsende ziekte als longontsteking zag. Kwam je er door dan bleef je leven en hoorde je bij de sterken. Dat komt dankzij antibiotica uiteraard niet meer vaak voor, maar door het voedingsbad kan je kind zonder gevaar nog wel iets dergelijks doormaken. Door het bad kan het kind iets in zichzelf in beweging brengen en veranderen.

Het wiel uitvinden

Zoals het voedingsbad, afgekeken van de natuurlijke manier van ziek zijn, een bewust voltrokken pedagogische ingreep is, zo moet er nog meer te bedenken zijn. Maar hoe ‘bedenk’ je een bijna tot in het lichamelijke toe ingrijpende opvoedkundige maatregel? Van louter bedenken kan natuurlijk geen sprake zijn. Je moet er op komen. Het moet ontstaan, als een intuïtie. Die intuïties komen pas als je je bewust met de unieke individualiteit van je kind bezig houdt. Kinderziektes, daar wijst ook de besmettelijkheid op, waren groepsziektes die door de kinderen aan elkaar werden doorgegeven. In het nieuwe opvoeden, dat zich minder baseert op overgeleverde inzichten en meer op door ouders zelf gegenereerde intuïties, is minder plaats voor gezamenlijkheid. Voor elk kind moet het wiel opnieuw worden uitgevonden. Tot op zekere hoogte natuurlijk, want het is niet zo dat elke ouder zelf op het idee van bijvoorbeeld het voedingsbad hoeft te komen. Er is niets op tegen om je door anderen te laten inspireren, want er zijn in het kinderleven nog steeds veel problemen die elk kind zo ongeveer hetzelfde doormaakt.

Mediteer over je kind

Om je kind zo goed te leren kennen dat je voor zijn groeiproblemen zelf oplossingen kunt vinden, moet je je grondig in hem verdiepen. Net zo lang en net zo diep tot de oplossing ontstaat. Zo’n intensief inlevingsproces kun je rustig een meditatie noemen. Probeer over je kind te mediteren.

In zijn boek Over verdrietige, angstige en onrustige kinderen beschrijft Henning Koehler een heel hanteerbare vorm van meditatief bezig zijn met je kind. Hij raadt aan om je voor het naar bed gaan een moment innerlijk met hem bezig te houden, zijn probleem voor je neer te zetten en een vraag te formuleren die je meeneemt in je slaap. De kans bestaat dat er de volgende morgen of in de loop van een aantal morgens een antwoord bij je opkomt. Mogelijk biedt deze manier ook een houvast om tot de goede beslissing inzake het vaccineren van jouw kind te komen, dan je op sleeptouw te laten nemen door overtuigde voor- of tegenstanders. Trouwens, je kind omhullen met je meditatieve aandacht is misschien ook wel een soort inenten. Niet met fysieke entstof, maar met een heel andere substantie: eerbied voor het unieke van elk kind.

* [69]

 

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2199

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-3)

.

Aart van der Stel, Weleda Puur Kind, lente 2003, nr 11

.

Het allergische kind is een rebel

Steeds meer kleine kinderen krijgen eczeem, astma of diarree van gewone dingen als melk, noten of eieren. Wat is er aan de hand met melk dat een kind daar zo extreem op kan reageren?

Hoe komt het toch dat steeds meer kinderen overgevoelig blijken voor ogenschijnlijk heel normale prikkels? De wetenschap bevestigt de toename van allergieën – die overigens niet alleen voor kinderen geldt – maar heeft er geen verklaring voor. Voor zover er onderzoek wordt gedaan, richt dat zich vooral op nieuwe geneesmiddelen die op steeds jongere leeftijd kunnen worden toegediend. Dat laatste is belangrijk, want overgevoeligheidsproblemen doen zich op steeds jongere leeftijd voor. Veel baby’s worden bij wijze van spreken al met eczeem geboren.

Als oorzaken voor die toename van allergische klachten worden meestal de milieuvervuiling en de toevoegingen in voedingsmiddelen aangewezen. Het is zeker zo dat veel kinderen opknappen als bijvoorbeeld het glutamaat uit hun eten wordt weggelaten of als ze geen frisdrank meer krijgen. Toch is het een beetje te gemakkelijk deze gezondheidsproblemen geheel op het conto van het vervuilde milieu en de toevoeging van de E’s te schrijven. Er is duidelijk meer aan de hand. Om dat duidelijk te maken is het nodig eerst een beeld te schetsen van de manier waarop een kind zich ontwikkelt en te kijken wat daarin mis kan gaan.

Huurhuis

Als een baby na de geboorte zijn leven begint, kun je hem vergelijken met een jonge volwassene die aan het eind van de puberteit het ouderlijk huis uitgaat en een huurhuis met geleende meubels betrekt.

Het is niet precies wat hij zoekt, maar hij heeft in elk geval een plek. Geleidelijk aan wordt het steeds meer zijn eigen huis, omdat hij de geleende meubels eruit gooit en vervangt door spullen die hij zelf uitzocht en op de voordeur een bordje met zijn naam schroeft. Een onpersoonlijke plek maakt hij tot zijn eigen huis, met zijn persoonlijke sfeer waarin hij zich goed en geborgen voelt en waarin hij alleen iets toelaat wanneer hij dat wil.

Het kleine kind dat met de groei van zijn lichaam bezig is, gaat net zo te werk als iemand die zijn eigen huis inricht. Zijn lichaam is aanvankelijk ook geleend – geërfd – van zijn ouders. De eerste zeven jaar van zijn leven is hij bezig dat geërfde materiaal om te vormen tot zijn eigen lichaam. Aan het einde van die zeven jaren is het kind zo thuis in zijn lichaam dat hij kracht over heeft er iets mee te gaan doen. Dan is het tijd voor de intellectuele ontwikkeling. Op de basisschool stelt hij zich open voor alles wat er in de wereld te beleven en te leren valt.

Maar je huis ziet er heel anders uit als je niet de tijd of de kans krijgt om het je daarin naar de zin te maken. Het huis blijft kaal en onpersoonlijk als je niet de moeite neemt – of het geld hebt – je eigen meubels uit te zoeken. Zonder een goed slot op de deur kan iedereen naar binnen en zonder gordijnen voor de ramen zit je de hele dag te kijk. Je voelt je onprettig en onveilig in je eigen huis en eigenlijk zou je er liever niet in wonen. Ook die situatie komt voor bij kinderen. Dat gebeurt als ze niet voldoende tijd en rust krijgen zich thuis te gaan voelen in hun eigen lijf. Een kind kan niet ongestoord orde op zaken stellen in zijn eigen lichaam als het niet in zekere mate wordt afgeschermd van de buitenwereld en als het niet de gelegenheid krijgt de wereld in zijn eigen tempo te ontdekken. Als hij niet ongestoord kan spelen zal hem dat ook in zijn ontwikkeling storen, want spelen is voor het kind ongeveer hetzelfde als zijn lichaam opbouwen. En daar kan een deel van het probleem beginnen. Want eigenlijk worden kinderen voortdurend gestoord. Dat gebeurt al voor de geboorte, bijvoorbeeld met echo’s. Als onderzoeker of ouder betreedt je dan privé-terrein, meestal zonder dat dat echt nodig is.

Rommel opruimen 

Een klein kind raakt makkelijk overprikkeld. Door geluiden die het niet thuis kan brengen of door de lichten van voorbij flitsende auto’s. Het zijn prikkels die het niet begrijpt en dus ook niet kan verwerken. Dat kinderen de eerste jaren veel omhulling en bescherming tegen indrukken nodig hebben, is een besef dat de laatste tijd leek te verdwijnen. Gelukkig wordt het langzaam maar zeker weer gewoon om baby’s te bakeren of te wikkelen, mutsjes op te zetten en kunststof kleertjes te vervangen door wol en zijde. Want warmte en een rustige omgeving zijn basisvoorwaarden voor het thuis raken in je lichaam. Door het wikkelen krijgt een kind bovendien een gezond gevoel voor grenzen omdat het voortdurend zijn eigen huid, dus zijn eigen grenzen, voelt. De huid wordt één groot tastorgaan dat het kind in staat stelt de grens tussen zijn eigen lichaam en de wereld om hem heen te verkennen.

Storende factor voor het vertrouwd raken met het eigen lichaam is ook druk op ouders om ervoor te zorgen dat kinderen jong aan allerlei leerprocessen beginnen. Kinderspel wordt zo omgebogen dat het zich richt op het vroeg aanleren van allerlei weetjes en speelgoed wordt steeds meer ‘leergoed’. Daardoor beginnen kinderen aan hun intellectuele ontwikkeling voordat ze hun lichamelijke ontwikkeling zo hebben afgerond dat ze goed in hun vel zitten. Zo zijn er tal van invloeden te bedenken die verhinderen dat het ‘huis’ van een kind de persoonlijke inrichting krijgt die het nodig heeft voor zijn verdere leven. Het krijgt niet de rust en de tijd om zijn lichaam in alle hoeken en gaten te verkennen, onbruikbare rommel op te ruimen en te vervangen door eigen spullen. Het lichaam blijft als het ware een beetje leeg en wordt niet echt goed bewoond of, beter gezegd, het kind beleeft zijn lichaam niet als van hemzelf.

Paniek

Bij veel kinderen kun je merken dat ze wel goed in hun hoofd, in het verstandelijke en waarnemende deel van het lichaam zitten. Vaak zelfs wat al te goed. De zintuigen staan wagenwijd open en geen indruk ontgaat hen. Dat is bij allergische kinderen het geval. Zij nemen dikwijls uitzonderlijk goed waar en kunnen ook niet anders. Probleem is dat ze al die zintuigindrukken niet kunnen verwerken. Er wordt van alles het huis binnengedragen, zonder dat het een plek kan krijgen. Overal staan nieuwe meubelen en rollen tapijt, die niet in het interieur worden geïntegreerd. Lichamelijk gezien betekent dit dat het kind van alles inslikt, maar het niet kan afbreken, verteren en stofwisselen. De indrukken, of het nu gaat om visuele prikkels of om voedsel, kunnen niet worden omgevormd tot eigen lichaamssubstantie. Er is dan ook vaak letterlijk sprake van een stofwisselingsstoornis.

In dit licht zou je een allergische reactie kunnen zien als een uiting van paniek. Er is op een gegeven moment zoveel in het lichaam aanwezig dat niet door het kind is bewerkt tot eigen substantie, dat er heftig verzet ontstaat. Alles wat hem in de weg staat, gaat hij het lichaam uitwerken.
Ook dingen die wel van nut zijn voor de lichamelijke groei, zoals melk of graanproducten, worden zonder pardon verder geweigerd. Het hoort dus bij allergie dat je het onderscheidingsvermogen kwijtraakt tussen wat nuttig is voor je lichamelijke ontwikkeling en wat niet.

Dat onderscheidingsvermogen ligt lichamelijk gezien verankerd in het immuunsysteem, het stelsel van lymfebanen en -klieren waarin de kennis ligt opgeslagen over ongewenste indringers in het lichaam en het benodigde verweer daartegen. Je bent ergens immuun voor wanneer je een ongewenste prikkel als zodanig kunt herkennen en weet wat je moet doen om ervan af te komen. Een baby vormt zijn immuunsysteem bijvoorbeeld door in zijn eerste levensjaar vaak verkouden te zijn. Allergische kinderen lijken er echter twee verschillende immuunsystemen op na te houden: een systeem dat hen, net als bij ieder ander, in staat stelt zich tegen bacteriën of virussen te verweren, en een ander systeem dat zich verweert tegen invloeden waartegen verweer objectief gezien geen zin heeft. Dat laatste systeem is vooral op ‘emotie’ gebaseerd. Het komt voort uit een wanhoopspoging van het kind zich in zijn overvolle huis toch nog een eigen plekje te verwerven. Dat er sprake is van twee immuunsystemen blijkt overigens ook uit het feit dat bij allergische reacties andere immunoglobulines een rol spelen dan bij gewone afweerreacties.

Beschermen en begrenzen

Allergische reacties spelen zich altijd af op plekken in het lichaam waar sprake is van een grensvlak tussen binnen en buiten: huid- long- of neusslijmvlies en darmwandbekleding. De huid is wel het meest opvallende strijdtoneel tussen de invloeden van buitenaf en de eigen wil van het kind. Bij het allergische kind komt er te veel binnen en het enige wat het kan doen is het weer met geweld eruit gooien. Eczeem en slijm uit de neus kun je zien als net zo’n uitscheidingsgebaar als het je ontdoen van urine of ontlasting, alleen op de verkeerde manier en de verkeerde plaats.

Om in het beeld van het huis te blijven: de deuren en ramen staan wagenwijd open waardoor er van alles naar binnen komt. En het enige wat de eigenaar weet te bedenken is alles weer door dezelfde openingen naar buiten te gooien. Sommige allergische ‘bewoners’ worden echt rebels. Ze spijkeren alle ramen en deuren dicht en laten niets meer binnen. Dat is het geval als een kind helemaal geen voedsel meer verdraagt of wanneer elk luchtje in staat is een astma-aanval uit te lokken. Een overdreven reactie die echter wel past bij het allergische immuunsysteem. Eczeem kun je in die zin interpreteren als een poging een extra dikke huid te creëren en daarmee dus extra bescherming tegen de buitenwereld.

Wanneer je het allergische kind wilt helpen, komt dat in feite neer op: beschermen, afbakenen en begrenzen. Zorg ( ervoor dat er niet te veel prikkels binnenkomen. Of het nu gaat om kleding, voeding of kinderopvang, bij alles zou je je moeten afvragen of het kind het aankan en het hem de bescherming biedt die het voor zijn lichamelijke ontwikkeling nodig heeft. Uiteraard moet je een kind dat allergisch is voor melk een dieet bieden dat geen melkproducten bevat. Maar daarnaast kun je ook kijken naar wat je nog meer kunt doen om ervoor te zorgen dat je kind niet in paniek hoeft te rebelleren tegen de dingen die op hem af komen.#

Opvoedingsvragen: alle artikelen 

.

1833

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.