Tagarchief: voedingsbad

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen

.

Inenten is een onderwerp dat telkens weer tot (hevige) discussies leidt, vooral als je er genuanceerd over denkt, dus, wanneer wél of wanneer niet. 
Hoe je denkt over opvoeding, over de ontwikkeling van een kind, speelt daarbij een rol. 
Kennelijk zijn  (veel?) vrijeschoolouders terughoudender met ‘prikken’, waardoor we regelmatig kunnen lezen dat er op vrijescholen meer kinderen niet ingeënt zijn tegen bijv. de mazelen, dan op niet-vrijescholen.
Dat wordt snel verward met ‘dat de vrijeschool tegen vaccineren’. 
‘School’ is een leeg begrip. Er werken mensen die een opvatting hebben over opvoeding en meestal – vooral als ze zelf kinderen hebben – over inenten. Maar als institutie – de mensen samen – bestaat er geen opvatting over inenten die van deze mensen – ‘school’ – een ‘must’ is voor de ouders.
De beslissing over het vaccineren ligt helemaal bij de ouders – daarover hebben anderen – ‘school’ – niets te zeggen.
Je kan elkaar wel vertellen over je gezichtspunten.
Dat gebeurt ook op deze blog.
Wat hier over inenten wordt geschreven is niet DE mening van de vrijeschool – zoals gezegd: die is er niet en mocht die er wél zijn, dan is dat m.i. niet terecht.

 

Aart van der Stel, huisarts, Weleda Puur Kind, lente 2005, nr.15
.

HET NIEUWE OPVOEDEN: INTUÏTIE ÉN BEWUSTWORDING

Weinig discussies overleven zo goed de veranderende tijden ais die rond het wel of niet inenten tegen kinderziektes. Terwijl de ( overheid tegen steeds meer ziektes laat inenten, is er een vaste kern van weigeraars tegen een of meer van de prikken. Hoe kun je als ouder je weg vinden in de stortvloed van argumenten voor en tegen?

De voors en tegens in de inentingsdiscussie zijn eigenlijk in al de jaren hetzelfde gebleven: de overheid wil geen zieke kinderen om sociaal-economische redenen en wil zoveel mogelijk ziektes de wereld uit helpen en de tegenstanders, de ‘kritische prikkers’, zien allerlei gevaren van het inbrengen van entstof, hebben religieuze bezwaren of vinden dat ziek zijn voor hun kinderen een bepaalde betekenis heeft.

Tot op zekere hoogte behoor ik zelf tot de laatste groep. Volgens mij kan het geen kwaad wanneer een gezond kind waterpokken of de bof krijgt en ik zie ook niet veel bezwaar in het doormaken van rode hond. Maar polio of hersenvliesontsteking wens ik niemand toe, evenmin als een infectie met de haemophylus influenzabacterie (HIB). Die ziektes berokkenen veel schade bij een relatief groot deel van de groep kinderen die daarmee besmet raakt. Het lijkt me dan ook goed dat we kinderen niet blootstellen aan relatief veel voorkomende en veel schade toebrengende ziektes.

Het probleem is echter wel dat je je kind door inenten steeds minder gelegenheid geeft om ziek te zijn. Is dat erg? Het antwoord op die vraag hangt mede af van je visie op de opvoeding van je kind. Wat is het doel van de opvoeding en wat gebeurt er met een kind als hij ziek is? Zijn er inzichten die een uitweg bieden uit een botsing tussen verschillende opvattingen?

Het prettige aan ziek zijn

Als je kind ziek is, al dan niet door een kinderziekte, heeft het koorts waardoor alle levensprocessen in het lichaam sneller gaan. Hij zweet, heeft diarree of een natte hoest. Hij wordt als het ware ‘opgelost’.

Eten lukt vaak niet, drinken meestal nog wel, en dat is maar goed ook, want zeker bij heel kleine kinderen ligt uitdroging altijd op de loer. Hij heeft nergens zin in, behalve in op de bank liggen. Je kunt dus zeggen dat alle normale activiteiten tijdelijk stoppen.

Bij veel kinderziektes speelt de huid een belangrijke rol: aan het soort vlekjes of bultjes kun je de ziekte herkennen. Zonder al te diep op de functie van de huid in te gaan kun je zeggen dat de huid voor een mens heel belangrijk is. Hij vormt de afscheiding van de buitenwereld en biedt ook de mogelijkheid om via de tast contact te maken met de buitenwereld. Je kunt de wereld buitensluiten, je kunt je eigen warmte binnenhouden of je kunt invloeden van buitenaf zoals tastervaringen, warmte en eventueel zelfs geneesmiddelen (pleisters!) toelaten.

Er is ‘iets’ in het menselijk lichaam dat daarin stuurt en tot keuzes komt. Dat ‘iets’ kun je op lichamelijk niveau weerstand, op psychisch niveau assertiviteit en op persoonlijk niveau individualiteit noemen.

Al die woorden drukken uit dat je in staat bent om je in de wereld staande te houden en zo met je omgeving om te gaan, dat je er in elk geval niet minder maar het liefst beter van wordt, in die zin dat groei en ontwikkeling mogelijk zijn. En het prettige van ziek zijn is, dat je er weerstand aan over houdt.

Een kind komt met een nagenoeg leeg afweersysteem ter wereld en vult dat met kennis hoe ziektes af te weren door de binnendringende ziektekiemen te leren kennen, onschadelijk te maken en te onthouden hoe het dat gedaan heeft. Zo ontstaat het immuunsysteem. Het probleem is echter dat bij sommige ziektes de prijs die je voor die kennis moet betalen hoog kan zijn. Zo geeft polio relatief veel complicaties en zo’n ziekte kan dan uit de vaart worden genomen door het kind immuniteit te geven door inenten. Het krijgt dan als het ware kennis en instrumenten aangeboden zonder dat het daar zelf enige moeite voor hoeft te doen. Dat is in de opvoeding normaal: je leert een kind ook veilig de straat over te steken of van een hete koffiepot af te blijven zonder hem eerst een mogelijk gevaarlijke eigen ervaring op te laten doen.

Van voeden naar opvoeden

Eigenlijk zijn al je pedagogische acties erop gericht je kind wegwijs en weerbaar te maken. Je voedt op tot zelfstandigheid waar weerstand de lichamelijke uiting van is. In de eerste jaren van zijn leven gaat het vooral om zijn lichamelijke ontwikkeling en later steeds meer om zijn psychische en sociale groei. Je kunt dus zeggen dat je van voeden gaandeweg overgaat op opvoeden om te eindigen in voorzichtig en vooral onzichtbaar begeleiden.

In de ‘voedingsfase’ is alles nog gericht op de lichamelijke zelfstandigheid, dus op het ontwikkelen van weerstand. Uitgerekend de kinderziektes hielpen ouders daarbij, zonder dat ze zich daarvan bewust waren. Kinderziektes laten doormaken was een onbewuste manier van opvoeden. Ouders wisten intuïtief dat het ergens goed voor was.

Nu leven we in een tijd waarin iedereen ‘zijn eigen ding wil doen’ en zelf wel uitmaakt hoe hij zijn kinderen opvoedt. En dat is ook goed, want het komt de individualiteit van het kind ten goede als hij wordt benaderd als een uniek wezen. De tijden dat elke pedagogische ingreep werd getoetst aan Spock of een andere opvoedkundige icoon is voorbij. Opvoeden staat of valt bij het maken van eigen keuzes en dat geldt ook voor het inenten. Om het heel ongenuanceerd te zeggen: het maakt voor je kind misschien niet eens zo heel veel uit of hij wel of niet wordt ingeënt, maar wel of jij daarin een bewuste keuze hebt gemaakt. Kinderziektes waren normaal in een tijd waarin nog niet zo bewust werd omgegaan met opvoeding. Ik sluit niet uit dat er, met het toenemen van bewustzijn over de rol die je als ouder in het opgroeien van je kind wilt innemen, steeds minder behoefte is aan ‘onbewuste pedagogie’ i.c. aan kinderziektes. Kinderziekte als hulpje bij het opvoeden heeft misschien wel afgedaan. Maar wanneer het onbewuste opvoeden plaats maakt voor eigen keuzes in de opvoeding, ontstaat daarmee wel de uitdaging om dat wat kinderziektes eertijds deden, bewust na te bootsen of een nieuwe vorm te geven.

In bad

Het koortsende lijfje van een ziek kind kun je het beste vergelijken met een potje dat op het vuur staat te koken, waarbij de inhoud van de pot veranderingen ondergaat. Koortsende ziektes spreken de wil (tot verandering) van het kind aan. Al groeiend is hij enorm in beweging en verandering en hij verdraagt daarbij geen stagnatie.

Stagnaties worden zo snel mogelijk onschadelijk gemaakt. Het organisme wordt door de ziekte aan de kook gebracht om de vaart er weer in te krijgen. Maar bij het nieuwe opvoeden zonder kinderziektes moet je zelf signaleren dat er sprake is van een stagnatie, dat je kind duidelijk ‘ergens tegenaan hangt’. En je zal ook zelf moeten bedenken hoe je hem weer in beweging kunt krijgen.

Het gaat dan uiteraard niet om het letterlijk nabootsen van de kinderziekte – dat kan eenvoudigweg niet eens – maar om het zoeken naar een manier om de intenties van de ziekte te benaderen. Wat wilde of deed een ziekte en hoe bied je dat in een nieuwe vorm aan? Een voorbeeld van zo’n nieuwe manier is het zogenaamde voedingsbad, waarbij een kwakkelend kind een reeks baden krijgt waarbij melk, ei, honig en citroen worden gebruikt. Al deze substanties werken op een bepaald facet van het organisme en oefenen een vitaliserende werking uit. Interessant genoeg zie je halverwege de reeks baden een soort crisis optreden: het kind wordt nog miezeriger dan het al was. Het is goed om van tevoren te weten dat dit een gewenst effect is. Het is een verschijnsel dat sterk doet denken aan de crisis die je vroeger bij een sterk koortsende ziekte als longontsteking zag. Kwam je er door dan bleef je leven en hoorde je bij de sterken. Dat komt dankzij antibiotica uiteraard niet meer vaak voor, maar door het voedingsbad kan je kind zonder gevaar nog wel iets dergelijks doormaken. Door het bad kan het kind iets in zichzelf in beweging brengen en veranderen.

Het wiel uitvinden

Zoals het voedingsbad, afgekeken van de natuurlijke manier van ziek zijn, een bewust voltrokken pedagogische ingreep is, zo moet er nog meer te bedenken zijn. Maar hoe ‘bedenk’ je een bijna tot in het lichamelijke toe ingrijpende opvoedkundige maatregel? Van louter bedenken kan natuurlijk geen sprake zijn. Je moet er op komen. Het moet ontstaan, als een intuïtie. Die intuïties komen pas als je je bewust met de unieke individualiteit van je kind bezig houdt. Kinderziektes, daar wijst ook de besmettelijkheid op, waren groepsziektes die door de kinderen aan elkaar werden doorgegeven. In het nieuwe opvoeden, dat zich minder baseert op overgeleverde inzichten en meer op door ouders zelf gegenereerde intuïties, is minder plaats voor gezamenlijkheid. Voor elk kind moet het wiel opnieuw worden uitgevonden. Tot op zekere hoogte natuurlijk, want het is niet zo dat elke ouder zelf op het idee van bijvoorbeeld het voedingsbad hoeft te komen. Er is niets op tegen om je door anderen te laten inspireren, want er zijn in het kinderleven nog steeds veel problemen die elk kind zo ongeveer hetzelfde doormaakt.

Mediteer over je kind

Om je kind zo goed te leren kennen dat je voor zijn groeiproblemen zelf oplossingen kunt vinden, moet je je grondig in hem verdiepen. Net zo lang en net zo diep tot de oplossing ontstaat. Zo’n intensief inlevingsproces kun je rustig een meditatie noemen. Probeer over je kind te mediteren.

In zijn boek Over verdrietige, angstige en onrustige kinderen beschrijft Henning Koehler een heel hanteerbare vorm van meditatief bezig zijn met je kind. Hij raadt aan om je voor het naar bed gaan een moment innerlijk met hem bezig te houden, zijn probleem voor je neer te zetten en een vraag te formuleren die je meeneemt in je slaap. De kans bestaat dat er de volgende morgen of in de loop van een aantal morgens een antwoord bij je opkomt. Mogelijk biedt deze manier ook een houvast om tot de goede beslissing inzake het vaccineren van jouw kind te komen, dan je op sleeptouw te laten nemen door overtuigde voor- of tegenstanders. Trouwens, je kind omhullen met je meditatieve aandacht is misschien ook wel een soort inenten. Niet met fysieke entstof, maar met een heel andere substantie: eerbied voor het unieke van elk kind.

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (2-4)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.

Weerbaar de winter in

Verkoudheid, gezwollen neusamandelen en oorpijn: zodra de bladeren gaan vallen, zijn ze present in het leven van het kleine kind. Vooral peuters lijken geen kans onbenut te laten om elkaar aan te steken. Wat kun je eraan doen – en wat moet je vooral niet doen – om je kind weerbaar de winter door te helpen?

Soms kun je er wanhopig van worden. De ene verkoudheid van je kind is nog niet over of de volgende kondigt zich met hangerigheid en een beetje verhoging alweer aan. Je vraagt je af waarom juist jouw kind toch voortdurend wordt aangestoken. Hoe komt het toch dat hij zo weinig weerstand heeft en zo slecht in zijn vel zit?

Ziek zijn is voor een klein kind eigenlijk heel normaal, zeker als je bedenkt dat je kind op zijn eigen manier bezig is om juist beter in zijn vel te komen. Iedere infectie die hij oploopt geeft hem de gelegenheid zijn immuunsysteem te oefenen en zijn weerstand en weerbaarheid op te bouwen. Als je zo tegen je zieke kind kunt aankijken, ligt het voor de hand dat je niet altijd meteen in de weer gaat met krachtige geneesmiddelen om de ziekte snel te bestrijden. Wat niet wegneemt dat je hem kunt proberen te helpen om zijn weerstand te vergroten. Daarvoor is het belangrijk uit te gaan van de aard van je kind.

Wisselbaden

Het niet zo beweeglijke kind dat eten een feest vindt en regelmatig een beetje zit weg te dromen, heeft vaak snel ontstoken amandelen, opgezette klieren en een snotneus. Het lijkt wel of de stofwisseling, die bij hem graag en veel aan het werk is, zich niet tot zijn buikje weet te beperken, maar zelfs tot in zijn koppie werkzaam is. Je kunt hem helpen die woekerende stofwisseling een beetje in het gareel te krijgen door hem zure voeding te geven; dus geen zoete melkproducten, maar yoghurt en karnemelk. Zo nu en dan een zoutbad helpt hem ‘er wat meer bij’ te zijn. (In het vorige nummer [op deze blog in dit artikel] kun je lezen over het hoe en waarom van therapeutische baden voor kinderen.)

De overwakkere spring-in-het-veld, die door zijn rusteloosheid snel een beetje buiten zichzelf is, heeft meestal een warm hoofdje maar koude voetjes. Zelfs als hij koorts heeft, zijn zijn voetjes nog koud. Weerstand opbouwen betekent bij zo’n kind: zorgen dat de warmte evenwichtiger over zijn lichaam wordt verdeeld. Dat kun je voor elkaar krijgen door zijn voetjes wisselbaden te geven. Daarvoor heb je twee bakken nodig, een badthermometer, een badhanddoek en een paar warme sokken.

Vul een bak met water van 38 graden waar het kind vijf minuten met zijn voetjes in gaat. Dompel ze vervolgens tien tellen in de andere bak die je hebt gevuld met koud water. Warm intussen het eerste badje op tot 40 graden en laat hem daar weer 5 minuten in. Tot slot gaat hij met zijn voetjes nogmaals tien tellen in het koude water. Droog ze goed af en laat je kind op dikke sokken wat rondlopen. Bij een heel ongedurig kind kun je aan het warme voetbad een dopje Lavendelbad toevoegen. Dan kun je er zeker van zijn dat hij met warme voeten naar bed gaat en lekker zal inslapen.

Voedingsbad

Als een kind werkelijk chronisch tegen ziek zijn aansuddert, kun je ook voedingsbaden overwegen. Een voedingsbad kun je eigenlijk altijd aan een kind geven als hij het om wat voor reden dan ook zwaar te verduren heeft. Bijvoorbeeld omdat hij verzwakt is na een kinderziekte als kinkhoest of een longontsteking, maar ook na schokkende ervaringen als een auto-ongeluk. Een voedingsbad mag nooit warmer zijn dan 37 graden.

Hoe maak je het? Aan het badwater voeg je een halve liter melk toe waarin een ei is losgeklopt. Snijd onder water een citroen in partjes en pers het sap eruit. Het water flink omroeren en het kind erin zetten.

Laat het 10 minuten lekker spelen met de citroenschillen, dep het droog en stop het onder de wol. Of het nu voor het middagslaapje is of ’s avonds voor het naar bed gaan, na een voedingsbad is absoluut bedrust nodig.

Voedingsbaden geef je meestal als kuur om de paar dagen met een totaal van zeven keer. Het is een ritueel dat in eerste instantie misschien wat wonderlijk overkomt, maar zulke baden hebben een zeer versterkende werking op het hele organisme.

Vitamines

Het geven van extra vitaminepreparaten is overbodig als een kind goede voeding krijgt. Alle kinderen hebben wel eens een periode dat ze niets eten. Dat is geen ramp.

Maar als dat langdurig het geval is kun je wel overwegen wat extra vitaminen te geven. Hetzelfde geldt voor de A-D druppeltjes. Op het consultatiebureau worden ze uit routine voorgeschreven ter voorkoming van rachitis. Dat is een begrijpelijke, maar ook een wat ongenuanceerde benadering. Een kind dat ’s zomers voldoende buiten is en ’s winters als hij buiten is zijn muts niet helemaal over zijn voorhoofd heeft getrokken zodat die aan het daglicht is blootgesteld, heeft geen extra A-D nodig.

Huisapotheek

Er zijn een paar milde geneesmiddelen waarvan het zinvol is ze in je huisapotheek te hebben, omdat ze je kind bij de opbouw van zijn weerstand kunnen helpen.

Anaemodoron zorgt ervoor dat het ijzer in de voeding beter door het lichaam wordt opgenomen. Dat is niet alleen goed voor slechte etertjes, maar ook voor kinderen die voortdurend verkouden zijn omdat ze vaak ook wat bloedarmoede hebben.

Het is zinvol om Kinfludo bij de hand te hebben als je kind vaak grieperig is. Geef het niet preventief, want het kan griep niet voorkomen. Maar is het eenmaal zover, dan kan het heel heilzaam werken.

Voor de hoest is er Hoestelixer of Echinacea hoestdruppels. En met een klein beetje Neuscrème kan je verkouden kind ook weer wat opgeluchter ademhalen.

 

.

Petra Weeda met dank aan George Maissan, huisarts, Weleda Puur Kind herfst 1998 nr. 2

.

Petra Weeda, Weleda Puur Kind nr.1, lente 1998

.
ontwikkelingsfasenalle artikelen

menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen

*Dit is geen commerciële blog; onderstaande afbeeldingen zijn niet op verzoek van Weleda geplaatst.

Ik ben een groot deel van mijn leven al blij met Weleda! Van veel producten heb ik de weldadige werking mogen ondergaan. Maar ook onze kinderen, zolang ze thuis woonden. En op school. Hoe vaak heb ik geen builen, kneuzingen e.d. snel kleiner en minder pijnlijk zien worden door de niet genoeg te prijzen Arnicazalf, b.v.
Daarom, als een soort eerbewijs en tegelijkertijd een vorm van dankbaarheid dat het bestaat, zal ik in deze artikelenreeks over het jongere kind af en toe een genoemd product als afbeelding toevoegen.

1621

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.