Tagarchief: opvoeding en techniek

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven‘

.

Zie ‘voorwoord‘.

De artikelen in de brochure zijn a.h.w. een verslag van de ontwikkeling van een aspect van het vrijeschoolleerplan.
We zien iets soortgelijks bij de 3e klas, bv. bij ‘de ploeg’. Aan de hand van het ‘oermodel’ kan de ontwikkeling begrepen worden van de moderne ploeg.
Voor het begrijpen van bv. het fabriceren van weefstoffen, kan dit aan de hand van zelf wezen met het spinnewiel.
Gezien de tijd waarin de brochure verscheen, is nog geen sprake het ‘doorgronden’ van de pc of de smartphone. Daar wordt momenteel in diverse bovenbouwen aan gewerkt. 
.

Alexander Strakosch
.

Over het doel en de betekenis van techniekonderwijs in Rudolf Steiners opvoedingskunst

.

Onderwijs in het spinnen aan het spinnewiel 

Een fundamentele vereiste van een ware opvoedingskunst is dat onderwijs niet louter mag bestaan ​​uit het overdragen van leerstof; veeleer moet er, door het werken met het materiaal – en door de wijze waarop dit aan de leerling wordt gepresenteerd en door hem wordt ervaren – iets in de ziel van de leerling tot ontplooiing komen dat vrucht kan dragen. Terwijl de leerling de uiterlijke kennis verwerft die tegenwoordig onmisbaar is, ondergaat hij innerlijke ervaringen die transformeren tot de zielskrachten die nodig zijn voor het leven in de moderne wereld.

Het is duidelijk dat vanuit dit perspectief het doel en de betekenis van de afzonderlijke vakken uiteenlopen; toch zullen de meeste mensen het erover eens zijn dat ‘techniek’ – als schoolvak – een vak is waarvan men werkelijk zou kunnen zeggen: “er zit niets achter.”

Op het eerste gezicht lijkt de inhoud van wat tegenwoordig doorgaans ‘techniek’ wordt genoemd, inderdaad het meest oppervlakkige vak dat men zich kan voorstellen. Het lijkt louter te gaan over technische apparaten en systemen. Toch sprak Rudolf Steiner over techniekonderwijs – en dan met name de vorm die hij wilde introduceren op de Vrije Waldorfschool in Stuttgart, die onder zijn leiding stond – als een vorm van ‘levenskunde’ (‘Lebenskunde’).

Voordat we echter ingaan op het specifieke karakter van techniekonderwijs in deze context, moeten we de vraag beantwoorden: waarin verschilt techniekonderwijs van het onderwijs in de plantkunde, dierkunde, mineralogie of fysische en astronomische geografie?
Het verschilt vooral hierin, dat de leerstof van die andere disciplines ook zonder de mens zou bestaan, terwijl niets van wat als “technologie” kan worden aangeduid, überhaupt zou bestaan ​​als de mens het niet in het leven had geroepen.

Wat echter door menselijk handelen op technologisch gebied is gecreëerd, vormt onze directe omgeving. Hoe zelden komen we in aanraking met bossen, velden, bergen, de zee en het leven daarin, vergeleken met ons voortdurende gebruik van gefabriceerde voorwerpen en technische systemen – telefoons, trams, auto’s, enzovoort. Zelfs de boer raakt steeds meer vervreemd van de natuur door de mechanisering en chemisering van de landbouw die zich tegenwoordig verspreiden; bovendien worden bepaalde functies van het menselijk bewustzijn overgenomen door machines – bijvoorbeeld boekhoudmachines. 

Laten we ons afvragen: hoeveel mensen weten eigenlijk wat er gebeurt wanneer ze een telefoongesprek starten? De verbinding wordt tot stand gebracht door het apparaat zelf, dat – op een bijna onheimelijke wijze – een handeling van het menselijk bewustzijn vervangt. Hoevelen weten hoe een auto of een tram zich voortbeweegt? Wat weten ze over de vervaardiging van de voorwerpen die we dagelijks gebruiken – papier, bijvoorbeeld?

We worden dus omringd door een veelheid aan voorwerpen en systemen die we niet doorgronden. Gezien de oppervlakkige manier waarop mensen tegenwoordig met hun omgeving omgaan, beseffen ze nauwelijks het bijna onheimelijke karakter van hun situatie. Idealiter zou iedereen zich moeten afvragen: “Hoe kan ik een innerlijke houding bewaren tegenover een omgeving vol voorwerpen en systemen die ik niet begrijp – maar die ik wel gebruik, en waaraan ik me zelfs toevertrouw, zoals bij vervoersmiddelen? Ik word immers omringd door een wereld die voor mij een raadsel is!”

Maar dan zou men ook moeten zeggen: “Dit alles is immers door mensen bedacht en in het leven geroepen.” En het is werkelijk van groot belang dat de mensheid vandaag de dag het punt heeft bereikt waarop ze dergelijke dingen kan voortbrengen. Tot in de moderne tijd werd de mens altijd omringd door de natuur; tegenwoordig bestaat een groot deel van onze directe omgeving uit dingen en structuren die door de mens zelf zijn gecreëerd – het zogenaamde “technologische domein”. Hoewel het weliswaar zijn eigen schepping is, oefent het toch invloed op hem uit als zijn dagelijkse omgeving. Hij moet zich tegen deze invloed wapenen om geen schade te laten toebrengen aan zijn zielskrachten.

Uit een diepgaand onderzoek blijkt dat onderwijs dat de mens in zijn geheel aanspreekt, een fundamentele invloed kan hebben. Het spreekt voor zich dat elk vak niet slechts als een hoeveelheid kennis moet worden beschouwd, maar als een middel tot opvoeding en vorming; dit roept de vraag op hoe er in de klas met het vakgebied techniek moet worden omgegaan.

Vóór hun veertiende levensjaar komen kinderen in aanraking met aspecten van techniek wanneer ze leren hoe mensen hun leven tegenwoordig inrichten, en ook – na hun twaalfde – door de toepassing van natuurwetten die in de lessen natuur- en scheikunde worden gedemonstreerd.

Het eigenlijke onderwijs in techniek begint in het zestiende levensjaar; aanvankelijk wordt daarbij niet zozeer een beroep gedaan op het verstand, maar krijgt het de vorm van praktische activiteit waarbij de mens als geheel betrokken is. Het gaat hierbij niet om technisch werk in industriële zin, maar veeleer om ambachtelijke activiteit. Zodra de leerlingen – zowel jongens als meisjes – hebben leren werken met een spinnewiel, wordt de overstap naar moderne techniek gemaakt door een vraag te behandelen die voor de hedendaagse mens relevant is: hoe kunnen het spinnen, alle bijbehorende voorbereidende werkzaamheden en de verdere verwerking van het garen machinaal worden uitgevoerd? Vervolgens maken de leerlingen kennis met deze machines – en de mensen die ze bedienen – in een echte fabrieksomgeving. Het handweefgetouw wordt toegelicht en – met deze voorbereiding – bekijken de leerlingen het machinaal weven in de fabriek. Mechanische weefgetouwen maken een oorverdovend lawaai. De leerkracht kan slechts door middel van gebaren de aandacht op specifieke details vestigen; mondelinge uitleg is onmogelijk. Als het bezoek aan een dergelijke ruimte echter lang genoeg duurt, zullen waarschijnlijk meerdere leerlingen bij het verlaten ervan uitroepen: “Hoe kan een mens dit de hele dag, jaar in jaar uit, volhouden?” Er bestaan ​​vaak uiteenlopende misvattingen over het daadwerkelijk aanleren van het spinambacht. Sommigen zien het louter als een nutteloos tijdverdrijf en tijdverspilling, anderen als een activiteit die losstaat van de werkelijkheid; weer anderen denken aan Gandhi en zijn streven om zich aan de macht van de machine te ontworstelen. De zaak ligt echter heel anders. Het gaat niet zozeer om de praktische waarde die het vermogen om eigen garen te spinnen in bepaalde landen vandaag de dag nog heeft, maar veeleer om — zoals dat bij de gehele pedagogische benadering van Rudolf Steiner het geval is —  een ​​maatregel die in de hoogste zin opvoedkundig is en die invloed uitoefent op de diepere lagen van de mens.

Het is een bekend verschijnsel dat rond het zestiende of zeventiende levensjaar de zich snel ontwikkelende denkkracht leidt tot een overmatige nadruk op het intellectuele — ofwel het ‘hoofdgerichte’ — aspect. Dit uit zich in een neiging tot scherpe kritiek (zo kenmerkend voor deze leeftijd) of in een ontwikkeling van het puur intellectuele element dat, hoewel op zichzelf positief, buitensporig eenzijdig wordt. Het is alsof alle bewustzijnskrachten naar het hoofd toe stuwen. Dit verschijnsel is bekend, maar wordt vaak met argwaan bekeken; men probeert het dikwijls tegen te gaan door middel van intensieve sportbeoefening, maar bereikt daarmee juist het tegenovergestelde van wat men beoogde. In plaats van evenwicht te bereiken, wordt het bewustzijn — bij wijze van spreken — te sterk naar de ledematen getrokken, waardoor er onvoldoende energie overblijft voor een gezonde ontwikkeling ervan. Dit doet zich met name voor bij voetbal.

De krachten die op deze leeftijd te sterk naar het hoofd — en daarmee naar het intellect — toe dringen, worden door de activiteit van het spinnen aan een wiel op zeer harmonieuze wijze naar de ledematen geleid. Tussen de uitersten van overmatige mentale activiteit en een wil die te krachtig in de ledematen wordt gedreven, biedt deze activiteit de mogelijkheid tot een evenwichtstoestand waarin een gezond gevoelsleven kan gedijen.

Dit mag op velen wellicht wat vreemd overkomen; toch kan iedereen die meer dan tien jaar op deze wijze les heeft gegeven — en daarbij de gunstige uitwerking op het karakter van de jongeren heeft waargenomen — en die urenlang aan het zoemende wiel heeft gezeten, de waarde van dit inzicht van Rudolf Steiner uit eigen ervaring bevestigen. Vaak openbaren zich tijdens zo’n lesperiode van vier tot vijf weken voorheen onbekende kanten van het karakter van een leerling; vaak slaagt een leerling erin een remming te overwinnen; en bijna altijd wordt een harmonisering van de innerlijke toestand zichtbaar.

Aan het begin van zo’n periode gaat het er vaak levendig aan toe; soms rijst de vraag: “Wat heb je er eigenlijk aan om te leren spinnen?” Tegen het einde van de periode zoemen de wieltjes en verloopt het werk bedrijvig, maar opgewekt en ontspannen; uiteindelijk betreurt iedereen het dat de prachtige tijd van het draaien ten einde is gekomen. Niemand komt nog op het idee om te vragen wat het doel van dit alles was; iedereen voelt vanbinnen aan hoe weldadig de ervaring is geweest. Sommige groepen vragen zelfs of ze later, buiten de lesuren om,  spinavonden mogen houden. Men komt ’s avonds samen – vooral in de adventstijd – waarbij iedereen een lichtje meebrengt; er worden liederen gezongen en verhalen verteld. Men zou zich echter vergissen door hier een sentimenteel element te zoeken; de sfeer is volkomen natuurlijk en kenmerkt zich door die ongekunstelde authenticiteit die eigen is aan vrijeschoolleerlingen.

Het spinnen biedt leerlingen ook allerlei kansen tot persoonlijke ontdekking. Iemand die voorheen een hoge dunk van zichzelf had vanwege een overactieve geest, kan zich hulpeloos voelen achter het spinnewiel en de nodige grappen van klasgenoten moeten incasseren; omgekeerd kan een bescheiden maar innerlijk evenwichtige leerling respect afdwingen bij stoerdere klasgenoten door als een van de eersten draad van zo’n hoge kwaliteit te spinnen dat deze getwijnd kan worden.

Dr. Steiner omschreef het doel van de instructie eenvoudig: de leerlingen moesten in staat zijn een behoorlijke draad te spinnen. Maar wie aan het werk gaat, beseft hoeveel er schuilgaat achter zo’n eenvoudige uitspraak.

Om de genoemde effecten te begrijpen, moet men inzicht hebben in de werking van het spinproces. Men denkt vaak dat de afzonderlijke vezels door de vingers van de linkerhand in elkaar worden gedraaid. In werkelijkheid wordt dit werk verricht door het mechanisme van het spinnewiel, dat met grote regelmaat door de rechtervoet wordt aangedreven. De rechterhand blijft grotendeels in rust en grijpt slechts kortstondig in – bijvoorbeeld om wat vezels van de spinrok los te maken of om het werk van de linkerhand over te nemen wanneer deze de vingers in het bakje water doopt [Duits ‘Netz-Schüsselchen] dat aan elk wiel bevestigd is. De vingers moeten namelijk vochtig worden gemaakt (vandaar de naam) zodat de afzonderlijke vlasvezels – die door het water soepeler worden – beter aan elkaar hechten en zo een gladde, sterke draad vormen. De vezels lopen tussen de wijsvinger en de duim van de linkerhand door. Wanneer het wiel draait, roteren de spoel en de spil met verschillende snelheden; hierdoor draait de draad die in wording is om zijn eigen lengteas, waardoor hij stevig wordt. De duim moet licht tegen de wijsvinger drukken; anders zou de draaiing van de draad te ver teruglopen in de vezels die nog aan de spinrok zitten, waardoor er te veel vezels worden meegetrokken en de draad te dik wordt – of onregelmatig, als er geen sprake is van de juiste, constante druk van de duim de toevoer van de vezels die naar beneden komen reguleert. Hieruit is de bekende uitdrukking ontstaan: “Je moet er je duim op houden.” Toch moet die druk ook telkens weer even worden verminderd, precies genoeg om de voldoende getwijnde draad op de spoel te laten wikkelen en tegelijkertijd nieuwe vezels van de spinrok te laten afkomen. Een te strak getwijnde draad knapt, terwijl een te los getwijnde draad aan stevigheid inboet. Alles hangt af van het tastgevoel tussen de wijsvinger en de duim van de linkerhand, en van het gelijkmatige ritme van de rechtervoet die het pedaal bedient.

Wie dit proces nauwkeurig observeert, merkt dat bewuste intellectuele activiteit ontbreekt; alles voltrekt zich vanuit een wilsimpuls – die wordt gevoeld en tot bewustzijn komt – en die een verbinding tot stand brengt: van de bal van de rechtervoet, via het pedaalmechanisme, de aandrijfsnaar, de spil, de spoel en de voltooide draad, tot aan de draad die vorm krijgt tussen de duim en wijsvinger van de linkerhand.

Zo wordt men tijdens het spinnen op aangename wijze weggevoerd van de gewoonlijke dominantie van het verstand, naar de activiteit van de ledematen en een ritme dat volledig vrij is van dwang of starheid. Het vertoont geen enkele gelijkenis met de strakke maat van een metronoom; het ritme komt veeleer voort uit de gewenste dikte van de draad en de eigenschappen van het materiaal – de variërende soepelheid van vlas-, hennep- of wolvezels.

Spinnen brengt een harmonieus evenwicht teweeg: gedachten die tot rust zijn gekomen, een gevoel dat opgaat in de taak, en een wil die zinvol handelt binnen een zacht ritme. De leerlingen zijn niet langer geneigd problemen op de spits te drijven of zich tegen de leraar af te zetten – zoals vaak gebeurt op deze leeftijd van ongeveer zestien of zeventien jaar – en hun stemming wordt bedachtzaam en reflectief. Aan het begin van deze periode is er wel sprake van enige onrust, voortkomend uit ongeduld. Leren spinnen vereist veel geduld, en dat is op deze leeftijd niet bepaald een sterk punt. Zodra de groep enige vaardigheid heeft opgedaan en niet langer voortdurend een beroep doet op de leraar om iets aan het spinnewiel te verhelpen – zoals het aanpassen van een instelling die de leerling nog niet zelf kan regelen, het voordoen van een techniek of het opnieuw verbinden van een gebroken draad met de spinrok – ontstaat er een mooie, rustige sfeer. De leerlingen beginnen samen liederen te zingen; soms vragen ze de leraar ook om een ​​mooi verhaal te vertellen – bij voorkeur een sprookje of een legende.

Het is algemeen bekend dat de gebroeders Grimm een ​​groot deel van hun sprookjes verzamelden tijdens de spinbijeenkomsten die in die tijd gebruikelijk waren. ’s Avonds, na het werk, kwamen vrouwen en meisjes in groepen bijeen en gingen ze bij toerbeurt bij elkaar op bezoek; de vaste vraag was: “Bij wie gaan we vanavond voor het ‘licht’ zitten?” Deze uitdrukking kwam voort uit het feit dat alle spinners in een kring rond één enkele lichtbron zaten. Mannen hadden geen toegang; pas als het tijd was om naar huis te gaan, mochten de jongemannen binnenkomen en stil achter de ‘hocker’ (een krukje zonder rugleuning) van het meisje op wie ze een oogje hadden gaan staan, om vervolgens haar spinnewiel naar huis te dragen.

Uiteraard is het spinonderwijs niet bedoeld om oude gebruiken nieuw leven in te blazen, maar – zoals gezegd – een puur educatieve maatregel. Dr. Steiner wees erop dat meisjes zich waarschijnlijk meer aangetrokken zouden voelen tot het eigenlijke spinnen, terwijl jongens meer geïnteresseerd zouden zijn in de technische aspecten van het proces; van de jongens werd ook verwacht dat ze de meisjes hielpen als die tegen technische problemen aanliepen.

De lessen omvatten ook het – door middel van praktijkoefening – leren hoe spinvezel wordt gewonnen uit vlas dat in de zon is ‘geroosterd’; een proces dat bestaat uit breken, zwingelen en hekelen. Leerlingen leren ook over andere vezelmaterialen: waar ze vandaan komen, hoe ze worden geproduceerd en verhandeld, en waarvoor ze worden gebruikt.

Tot slot wordt in de klas besproken hoe machines die deze taken kunnen uitvoeren eruit zouden kunnen zien, gevolgd door bezoeken aan relevante industriële faciliteiten. Daar ervaren de leerlingen het geratel, gekletter en gezoem van de spinmachines en zien ze arbeiders in een omgeving die nauwelijks langer dan een paar minuten te verdragen lijkt. Enerzijds raakt men gefascineerd door de machines – zo ingenieus bedacht, en in staat elke taak met grote precisie en snelheid uit te voeren; anderzijds dringt het contrast tussen de traditionele spinkamer en de machinehal zich op. Men beseft dat de gezellige, gemeenschappelijke spinkamer tot het verleden behoort, en begint wellicht aan te voelen dat de zielloze, ontmenselijkende arbeid aan de machine in evenwicht moet worden gebracht door een levendig intellectueel leven. Dit blijft echter onuitgesproken; als innerlijke ervaring bewaard, kan het later vruchten afwerpen voor de ziel.

.

Zie ook: handvaardigheid klas 10

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3568-3352

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Over opvoeding

.

Rudolf Steiner: Je kan er niet mee volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar je moet dit onderwijs vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.
Wegwijzer 12

.

‘Opvoeding is een groot goed’ schreef iemand in onderstaand artikel.
Ik vond het nog ergens in ‘Documenten’, maar weet niet van wie het is en van wanneer en waar het stond.

Onmiskenbaar geschreven door een ouder die koos voor de vrijeschool.

opvoeding is een groot goed
.

‘Education is a great gift. As parents, where we send our kids to school can become a task filled with stress over which school will give our kids the best opportunities in life. Many parents have no choice, their kids go to the nearest public school. No matter what the choice, or lack there of, we hope that our children will learn, become stronger, and move on to pursue some form of higher education whether that be at a trade school, college, or university.

I have spent a lot of time in schools over the last few years, being inspired by the passion for education by the teachers and students. There are amazing things happening in schools today.

When our oldest son was born, within a year or two there was a sudden pressure to decide about pre-schools, kindergarten, and elementary schools. Stories of parents camping out for days in front of schools to get their children registered were commonplace. So we began to research options.

We heard about the Waldorf School through one of my wife’s clients. Their children had gone through Waldorf and they raved about it. As we began to do some reading, the philosophy of the school spoke to us. As an artist, I appreciated the focus on creativity in learning.

We signed up our son for a parent/tot program, and toured the school, and saw there was something very different about Waldorf from traditional schools. Technology fills most modern classrooms from computers, iPads to smart boards, but Waldorf classrooms have none of those things, at least until grade eight when they do begin to do limited work on computers.

Many people get hung up on the lack of technology in the classrooms at Waldorf, worried that kids will be left behind, but listen to what is said in the video about this. Does technology really make education better? Multitasking is a myth, and leading neuroscience shows that our children’s brains are being rewired in unhealthy ways. The other big challenge of our education system is the use of standardized tests, and that many schools teach to the test.

Not all schools are like this, but the pressure to perform for the test, to pressure by parents on teachers to get kids into university is transferring to the kids.) There are new teaching methods like inquiry based learning and Galileo method that are interesting, but the focus is still often on the technology and how the technology is supposed to get kids more engaged.

I love looking at the work that kids at Waldorf put into their presentations, everything by hand. Hand drawn pictures, not photos searched from Google. It begs the question: what education is for? Our modern education system may not be serving our needs. The pressure on kids to achieve, in many cases, robs them of that most vital time in a person’s life: childhood.

I could go on about why we love Waldorf, but the video I posted does a great job of eliciting the nuances and beauty of the Waldorf philosophy and approach. I admit I teared up a few times during it listening to graduates of the program talk about what Waldorf meant to them.

Here are two of my favourite moments at Waldorf so far. When our son started grade one in the fall, each child was led one by one by their kindergarten teacher down the hallway through a flower strewn pathway, and introduced to the grade one teacher. Their teacher shook their hand, gave them a hug, and then they went into the classroom. The ceremony is simple, but a beautiful and gentle introduction into the big school.

Then all of the kids in the grade one class were paired with a mentor from the grade nine class. At the very first assembly, the school gathered, and the grade nines brought in  their grade one “buddy” and introduced them to the student body. Then each child was given a rose. What is powerful about this is the building of community within the school. The children are taught to be responsible for each other.

Waldorf is a choice. It may not be right for every family, but the choice has been good for us. We like the whole person approach, and the focus on creative thinking. Waldorf classrooms are filled with movement and music, a technique that stimulates right brain/ left brain thinking.

I would love to hear any thoughts or comments about the videos or this post. I do not mean it to be evangelical, rather I am offering a choice, opening a dialogue of where education might evolve to. And, think of the savings – instead of spending millions on technology, that money could be put into more teachers and other resources.’

Opvoeding is een groot goed. Voor ons  als ouders die onze kinderen naar school sturen kan het een spannende opgave worden een school te vinden die onze kinderen de beste mogelijkheden voor het leven geeft. Veel ouders hebben geen keus, hun kinderen gaan naar de dichtstbijzijnde openbare school. Wat de keuze, of het gebrek daaraan ook is, we hopen dat onze kinderen zullen leren, sterker zullen worden en door kunnen om een of andere vorm van hoger onderwijs te kunnen volgen of dat nu een handelsschool, college of universiteit is.

De laatste paar jaar heb ik heel wat tijd doorgebracht op scholen geïnspireerd door het enthousiasme  voor opvoeding bij de leerkrachten en de leerlingen.

Er vinden prachtige dingen plaats in de scholen van vandaag.

Toen onze oudste zoon werd geboren, ontstond er binnen 2 jaar een plotselinge druk om een besluit te nemen over voorschoolse opvang, kleuterschool en basisonderwijs. Heel gewoon waren de verhalen van ouders die dagenlang voor scholen hadden gebivakkeerd om hun kind aangemeld te krijgen. Dus begonnen wij de mogelijkheden te onderzoeken.

Via een van de cliënten van mijn vrouw hoorden we over de Waldorfschool. Hun kinderen hadden op de vrijeschool gezeten en ze waren er helemaal weg van. Toen we het een en ander begonnen te lezen, sprak de achtergrond van de school ons aan.

Als kunstenaar was ik ingenomen met de aandacht voor de creativiteit in het leerproces.

We tekenden in voor een ouderprogramma en bezochten de school en we zagen dat er iets heel verschillends was tussen de vrijeschool en de traditionele scholen. De meeste moderne klaslokalen zijn gevuld met technologie: van computers, i-pads tot digitale borden, maar de vrijeschoolklassen gebruiken deze dingen niet, tenminste tot klas 8 waarin in beperkte mate met computers wordt gewerkt.

Veel mensen vallen over het gebrek aan technologie in de vrijeschoolklassen, bezorgd dat de kinderen achter komen, maar luister eens wat hierover wordt gezegd op de video. [de link ontbreekt]

Maakt technologie het onderwijs echt beter? Multitasking is een mythe [1] en de toonaangevende neurowetenschap toont dat de hersenen van onze kinderen op een ongezonde manier worden gevormd (rewired)

Niet alle scholen zijn zo, maar de druk  om te presteren bij de test, de druk van ouders op de leerkrachten om hun kinderen op de universiteit te krijgen wordt overgebracht op de kinderen. (www.racetonowhere.com) (Deze site bestaat niet meer)

Er bestaan nieuwe onderwijsmethoden zoals “inquiry based learning” en de Galileo-methode die interessant zijn, maar de technologie is vaak het middelpunt en hoe de technologie verondersteld wordt het kind gemotiveerder te maken.

Ik houd ervan om naar het werk te kijken dat vrijeschoolleerlingen maken: alles handmatig. Tekeningen, geen foto’s via Google. Het roept de vraag op: waarvoor is de opvoeding? Ons modern opvoedingssysteem zou onze behoeften wel eens niet kunnen bevredigen. De druk op kinderen om succes te behalen berooft hen in veel gevallen van het meest essentiële in iemands leven: zijn jeugd.

Ik zou door kunnen gaan met waarom wij zo van de vrijeschool houden, maar de video die ik geplaatst heb, laat heel goed de nuances en het mooie van de vrijeschoolfilosofie en benadering zien. Ik geef toe dat ik een paar keer heel erg bewogen was toen ik luisterde naar de schoolverlaters in het programma die erover spraken wat de vrijeschool voor hen had betekend.

Dit zijn 2 van mijn lievelingsmomenten bij de vrijeschool tot nog toe. Toen onze zoon in de herfst in de 1e klas startte, werd ieder kind, één voor één door de kleuterjuf/meester door de hal gevoerd over een pad met bloemen bestrooid en voorgesteld aan de eersteklasleerkracht. Die gaf het een hand en een knuffel en toen gingen ze het lokaal binnen.

De plechtigheid is eenvoudig, maar een mooi en waardig opgenomen worden in de grote school.

Toen kregen alle eersteklassers een begeleider uit klas 9.  Tijdens de allereerste schoolsamenkomst brachten de 9e –klassers hun  eersteklasmaatje binnen bij de schoolbevolking. Ieder kind kreeg een roos. Wat hier zo sterk aan is, is de vorming van saamhorigheid binnen de school. De kinderen worden onderwezen in het voor elkaar verantwoordelijk zijn.

Vrijeschool is een keuze. Misschien is deze niet geschikt voor ieder gezin, maar voor ons is de keus juist geweest. We vinden de persoonlijke benadering fijn en het punt van creatief denken. Vrijeschoolklassen zijn gevuld met beweging en muziek, een vaardigheid die het denken met de rechter-en linkerhersenhelft stimuleert.

Ik zou graag een paar gedachten of opmerkingen op de video’s of op dit artikel krijgen.

Ik wil niet evangeliseren, ik geef een mogelijkheid, een opening voor een dialoog over waar opvoeding tot zou moeten leiden. En denkend aan besparingen – in plaats van miljoenen aan technologie uit te geven, dat geld zou besteed kunnen worden aan meer onderwijskrachten en andere middelen.

[1] Het vaak gebruikte ‘mythe’ of ‘sprookje’ om aan te geven dat iets onwaar of niet juist is, gaat voorbij aan wat de beeldentaal van het sprookje en/of de mythe is. → Sprookjes

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3267-3074

.

.

.

.