Tagarchief: kosmische ademhaling

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-6-1)

.

In dit artikel ging het om

‘De mens als kosmisch wezen’

Daarin werd opgenomen uit GA 294, 2e voordracht Steiners uiteenzetting over de samenhang van de mens met de kosmos, met als uitgangspunt het ademen.

Op andere plaatsen spreekt hij daar ook over, vaak weer net iets anders. 

GA 192     blz. 77

Wir sehen hin auf unsere Atmung. Wir haben beim normalen Atmen 18 Atemzüge in der Minute. Das gibt in einem Tage bei 24 Stunden ungefähr 25.920 Atemzüge. So daβ wir in einem Tage rhythmisch hintereinander vollziehen das Einatmen und das Ausatmen ungefähr 25.920 mal. Das ist das kleinste Atmen das unser individueller Mensch entfaltet. Schon im Alten Testament hat man das Patriarchealter auf 70 Jahre ungefähr angenommen. Das sind ungefähr 25.920 Lebenstage.
Wenn Sie nun nehmen jenen groβen Atemzug, der mit uns gemacht wird, indem wir am Morgen untertauchen mit unserem Ich und Astralleib in unsern Ätherleib und physischen Leib, so daβ wir morgens einatmen unser Geistig-Seelisches und abends wieder ausatmen, wenn Sie das nehemen als einen Atemzug, der jeden Tag vollzogen wird, dann vollzieht unser Lebenstag, der ungefähr 71 Jahre umfaβt 25.920 Atemzüge.Das heiβt, jener groβe Geist, der da atmet, indem wir geboren werden und sterben, der atmet in seinem Lebenstag, der unser ganzes Menschenleben umfaβt, so oft ein und aus wie wir in 24 Stunden. So sind wir angepaβt mit unserem menschlichen Atmen jenem geistigen Atmen das der Geist vollzieht, für den das Ein-und Ausatmen ist, was für uns Geborenwerden und Sterben ist. Wir sind das Ergebnis seiner Atemzúge in unserem Wach-und Schlafesleben. Und die Sonne, von der Sie ja wenigstens ahnen können, daβ sie eine Beziehung zu unserem Erleben hat: der Mensch beobachtet wie ihr Aufgang vorrückt im Tierkreisbild um eine bestimmte Anzahl Grade jährlich, so daβ, wenn der Frühlingspunkt liegt an einer bestimmten Stelle eines bestimmten Tierkreisbildes, er das nächsdte Jahr weiter verschoben ist usw. So kreist der Aufgangpunkt der Sonne scheinbar um die ganze Ekliptik herum, in dem, was ein platonisches Weltenjahr genannt wird, und das umfaβt 25920 Jahre.

Laten we onze ademhaling nemen. Wanneer we normaal ademhalen, doen we dat 18 keer per minuut. Dat is op een dag van 24 uur ongeveer 25920 keer. Zodat we op een dag ongeveer 25920 keer ritmisch achter elkaar in- en uitademen. Dat is het kleinste ademhalingsritme dat wij als individuele mens hebben.
Al in het Oude Testament heeft men de leeftijd van de aartsvaders op ongeveer 70 jaar gesteld*. Dat zijn om en nabij 25920 levensdagen.
Wanneer we nu de grote ademhaling nemen die we ’s morgens ondergaan wanneer ons Ik en astraallijf bezit neemt van ons etherlijf en fysieke lichaam, zodat we ’s morgens ons geest-zielenwezen inademen en dat ’s avonds weer uitademen, beschouwen als een ademhaling die iedere dag plaatsvindt, dan voltrekt zich dat wat op één dag uit ons leven dat ongeveer 71 jaar duurt, in 25920 ademhalingen.
Dat betekent dat die grote geest die ademt wanneer we geboren worden en sterven, tijdens zijn levensdagen die ons hele mensenleven omvat, zo vaak in- en uitademt als wij doen in 24 uur.
Zo zijn we met ons ademen als mens aangepast aan het geestelijk ademen dat de geest voltrekt voor wie het in- en uitademen is, wat voor ons geboren worden en sterven betekent. Wij zijn het resultaat van zijn ademhaling in ons waak- en slaapleven.
En de zon waarvan je op z’n minst wel een gevoel kan hebben dat die iets met ons leven op aarde te maken heeft: de mens neemt waar dat het punt waar zij opkomt in het sterrenbeeld jaarlijks met een paar graden opschuift, zodat het lentepunt op een bepaalde plaats in een bepaald dierenriemteken ligt en dat dit jaarlijks wat verschoven is. Zo loopt het punt waar de zon opkomt schijnbaar door de hele ecliptica wat een platonisch wereldjaar wordt genoemd en dat ongeveer 25920 jaar duurt
Een dag in ons leven bevat 25920 ademhalingen, ons leven tussen geboorte en dood omvat 25920 levensdagen, een groot zonnejaar ongeveer 25920 levensjaren.
Zo voegen wij ons naar datgene wat ademen is in het zon-aardeproces door een platonisch wereldjaar. Hier zie je een wereldritme waarmee de mens deel uitmaakt van de kosmos.
GA 192/77

*Daar is vrij veel onderzoek naar gedaan. Men heeft wel iets gevonden dat bijv. de hoge leeftijd van Methusalem verklaart en als men dan een andere berekening hanteert is hij i.p.v. 969 jaar, 78 jaar. Maar dat had tot gevolg dat ermet deze berekening iemand is geweest die op 3-jarige leeftijd een kind heeft verwekt. Kortom: die leeftijden zijn raadselachtig en de aartsvaders zijn geen 70, zoals Steiner hier zegt, maar rond de 180 jaar. 

GA 201    blz. 57

Der Mensch hat in seinem Atmungsrhythmus-die 18 Atemzüge in der Minute-etwas, was in einer merkwürdigen Übereinstimmung steht mit anderem im Weltenall. Wir haben 18 Atemzüge, die ausgerechtnet für den Tag, 25920 tägliche Atemzüge ergeben. Das ist aber dieselbe Zahl, die man bekommt, wenn man ausrechnet wieviel Tage eine so normale Lebensdauer von etwas 72 Jahren hat. Auch das sind ungefähr 25920 Tage. So daβ in einem Tag irgend etwas ausatmet unseren astralischen Leib und unser Ich, und wiederum einatmet beim Aufwachen, aber nach demselben Zahlen-rhythmisch.Und wiederum, wenn wir die Zahl der Jahre nehmen, welche die Sonne braucht, wenn sie scheinbar oder wirklich, darauf kommt es jetzt nicht an, vorrückt in ihrem Frülingspunkte-immer schreitet sie um ein Stückchen vor jedes Jahr-so braucht sie 25920 Jahre, um einmal ihren Frühlingsausgangspunkt um den ganzen Himmel herumzuführen: ein platonisches Jahr.
Es ist eigentlich dieses menschliche Leben bis ins Kleinste, bis in den Atemzug und bis in seine irdische Begrenzung zwischen Geburt und Tod nachgebildet den Gesetzen des Weltenalls.

De mens heeft in zijn ademritme de 18 ademhalingen per minuut – iets wat op een bijzondere manier overeenkomt met iets anders in de wereldruimte. Wij hebben 18 ademhalingen, dat is per dag 25920 ademhalingen. Dat is echter hetzelfde getal dat je krijgt wanneer je uitrekent hoeveel dagen een normale leeftijd van 72 jaar heeft. Ook dat zijn ongeveer 25920 dagen. Net zo als we op één dag ons Ik en astraallijf uitademen en bij het wakker worden weer inademen, volgens dezelfde getallen, ritmisch.
En ook, wanneer we het getal van het aantal jaren nemen dat de zon nodig heeft, wannneer die, schijnbaar of in werkelijkheid, daar komt het niet op aan, verder gaat met het lentepunt – ze gaat steeds een stukje verder, ieder jaar – dan heeft ze 25920 jaar nodig om weer bij beginlentepunt te komen: een platonisch jaar. [ik meen gelezen te hebben, maar ik weet niet meer waar – dat ook dit punt iets verder ligt dan 25920 jaar geleden]. Eigenlijk is dit menselijk leven tot in het kleinste, tot in de ademteug en tot in zijn aardse begrenzing tussen gebooret en dood nagevormd naar de wetten van het wereldal.

blz. 58

Nehmen Sie die 18 Atemzüge in der Minute, das gibt in der Stunde 1080, in 24 Stunden 25920 Atemzüge. Das heiβt, wir muβten multiplizieren 18 mit 60 mal 24, um 25920 Atemzüge im Tage zu bekommen. Nehmen wir das aber als den Umlauf des Frühlingspunktes um den Himmel. Würden wir das nun dividieren durch 60 mal 24, so würden wir natürlich wiederum 18 bekommen. Wir würden 18 Jahre bekommen. 18 Jahre, was würde denn das eigentlich sein? Überlegen wir uns das einmal, was diese 18 Jahre bedeuten würden. Die 25920 Atemzüge entsprechen einen 24 stündigen Menschentag beziehungsweise sagen wir, dieser 24stündige Menschentag ist also der Tag des Mikrokosmos. 18 Atemzüge entsprechen der Einheit des Rhythmus. Nehmen wir jetzt einmal-scheuen wir uns dessen nicht-den ganzen Umlauf des Frühlingspunktes um den Himmel als einen groβen Himmelstag, nicht bloβ als das platonische Jahr, sondern als einen groβen Himmelstag. Nehmen wir ihn als Himmelstag oder Weltentag, wie sie wollen, als Tag des Makrokosmos. Wenn wir die Atemzüge aufsuchen würden im Makrokosmos die entsprechen würden den Atemzüge des Menschen in einer Minute, wie lange müβten die denn dauern? Es müβten diese Atemzüge 18 Jahre dauern. Ein 18jähriges Atmen, ausgeführt von demjenigen Wesen das dem makrokosmos entspricht.

Neem nu eens de 18 ademhalingen per minuut, dat zijn er in een uur 1080, in 24 uur 25920. Dat betekent dat we 18 moeten vermenigvuldigen met 60 keer 24 om aan 25920 ademhalingen per dag te komen. Dat nemen we nu als de omlooptijd van het lentepunt langs de hemel. Als we dat zouden delen door 60 keer 24, dan zouden we natuurlijk weer 18 krijgen. Wij zouden 18 jaar hebben. 18 jaar, wat is dat dan? Je moet goed nadenken over deze 18 jaar. De 25920 ademhalingen komen overeen met een dag van 24 uur bij de mens, we zeggen dus a.h.w. deze dag van 24 uur in een mensenleven is als de dag van de microkosmos. 18 ademhalingen komen overeen met de eenheid van het ritme. Maar nu nemen we – we hoeven er niet voor terug te schrikken – de hele omloop van het lentepunt langs de hemel als één grote hemeldag, niet alleen als het platonisch jaar, maar als een grote hemeldag. We beschouwen deze als hemeldag of werelddag, wat u wil, als dag van de macrokosmos.
Wanneer we de ademhalingen zouden zoeken in de macrokosmos die overeenkomen met de ademhalingen van de mens in een minuut, hoe lang zouden die dan moeten duren? Die zouden 18 jaar moeten duren. Een ademhalingsperiode van 18 jaar, uitgevoerd door het wezen dat met de macrokomos overeenkomt.
GA 201/57
Niet vertaald

blz. 63

Viele tausend Jahre vor unserer Zeitrechnung war es den Ägyptern bekannt, daβ nach 72 Jahren die Fixsterne in ihrer scheinbaren Bewegung der Sonne um einen Tag vorausgeeilt sind. Die Sonne dreht sich [scheinbar] wesentlich langsamer als die Fixsterne, und nach 72 Jahren sind die Fixsterne schon ein Stück vorausgeeilt.Deshalb verschiebt sich ja der Frühlingspunkt, weil die Fixsterne vorauseilen wenn der Frühlingspunkt weiter und weiter rückt, dann müssen sich ja die Fixsterne gegenüber dem Stand der Sonne verschoben haben. Nun, die Sache ist so, daβ nach 72 Jahren tatsächlich die Fixsterne der Sonne um einen Tag voraus sind. So findet man, daβ nach 72 Jahren die Sterne Ende des 30.Dezember an einem bestimmten Punkte ankommen, die Sonne kommt erst Ende des 31.Dezember an demselben Punkte an. Sie ist also langsamer gegangen um einen Tag. Nach 25920 Jahren bleibt sie so weit zurück, daβ der ganze Umkreis vollendet ist, daβ sie wiederum an den Punkt zurückkomt, den wir vorher notiert haben. Nach 72 Jahren ist die Sonne um einen Tag zurückgeblieben hinter den Fixsternen. Das ist aber eben ungefähr die normale Lebensdauer eines Menschen, das sind die 72 Jahre, die 25920 Tage sind. Und nehmen wir diese 72 Jahre 360 mal, dann haben wir eben wenn wir das Menschenleben als einen Tag betrachten und 360 Weltentage annehmen, in denen die Sonne einmal herumgeht, da haben wir dann das Menschenleben als einen Tag des Makrokosmos-der Mensch gleichsam ausgeatmet aus dem Makrokosmos-das Menschenleben als einen Tag im makrokosmischen Jahr.

Vier duizend jaar voor onze jaartelling was het bij de Egyptenaren bekend dat na 72 jaar de dierenriemtekens in hun schijnbare bewegingen een dag verder zijn dan de zon. De zon draait (schijnbaar) wezenlijk langzamer dan de direnriemtekens en na 72 jaar zijn deze al een stukje verder.  Het lentepunt verschuift omdat de dierenriemtekens vooruitgaan; wanneer het lentepunt steeds verder komt te liggen dan moeten de dierenriemtekens t.o.v. de stand van de zon verschoven zijn.
Nu, het zit zo dat na 72 jaar inderdaad de dierenriemtekens één dag uitgelopen zijn op de zon. Dan vind je dat na 72 jaar de sterren op het eind van 30 december op een bepaalde plaats aankomen en dat de zon op het eind van 31 december op hetzelfde punt aankomt. Zij is dus 1 dag langzamer gegaan. Na 25920 jaar is ze zover achter, dat de hele omloop voltooid is; dat ze opnieuw op het punt terug is, dat we van te voren genoteerd hebben. Na 72 jaar is de zon één dag achtergebleven op de dierenriemtekens. Dat is ongeveer ook de normale leeftijd van een mens, 72 jaar en dat zijn 25920 dagen.
En als we deze 72 jaar 360 keer nemen, dan hebben we ook wanneer we het mensenleven als een dag beschouwen en 360 werelddagen nemen waarin de zon één keer haar omloop voltrekt, het mensenleven als één dag van de macrokosmos – de mens a.h.w. uitgeademd vanuit de macrokosmos – het mensenleven als een dag in het macrokosmische jaar.
GA 201/63-64

GA 205     blz.  112

Wir atmen, nicht wahr, und ich habe Ihnen das letzte Mal die Atemzüge ausgerechnet für vierundzwanzig Stunden. Rechnen wir achtzehn Atemzüge auf die Minute, so haben wir in der Stunde sechzig mal acht­zehn, und in vierundzwanzig Stunden 25920 Atemzüge in Tag und Nacht. Wenn Sie nun einen andern Rhythmus im Menschen nehmen, so ist es der Rhythmus von Tag und Nacht selber. Am Morgen beim Aufwachen saugen Sie in Ihren physischen Leib und Ätherleib hinein den Astralleib und das Ich. Es ist auch ein Atmen. Sie atmen morgens herein, und Sie atmen am Abend beim Einschlafen den astralischen Leib und das Ich wieder aus, also ein Atemzug in vierundzwanzig Stunden, in einem Tag. Das sind dreihundertfünfundsechzig solche Atemzüge im Jahr. Und nehmen Sie das Durchschnittsalter eines Men­schen, zweiundsiebzig Jahre, so haben Sie ungefähr dieselbe Zahl; würde ich nicht zweiundsiebzig genommen haben, sondern etwas dar­unter, so würde ich dieselbe Zahl bekommen haben. Das heißt, wenn Sie das gesamte irdische Leben des Menschen nehmen und Sie sehen in einem Tag im Einschlafen und Aufwachen einen Atemzug, so haben Sie in einem Leben auch so viel solches Ein- und Ausatmen des astra­lischen Leibes und des Ich, wie Sie in vierundzwanzig Stunden Atemzüge haben. Sie machen während eines Lebens auch so viel solche Atemzüge, 205/113 die im Ausatmen und Einatmen des Ich und des astralischen Lei­bes bestehen. Diese Rhythmen entsprechen sich durchaus, und wir sehen, wie da der Mensch in die Welt eingefügt ist. Das Leben des Tages, Sonnenauf- und -untergang, also das einmalige Herumgehen entspricht einem inneren Sonnenauf- und -untergang, der von der Ge­burt bis zum Tode dauert.

We halen adem, niet waar en ik heb de vorige keer het aantal ademhalingen uitgerekend per 24 uur. Wanneer we 18 ademhalingen per minuut rekenen, dan hebben we er per uur 60 x 18 en in 24 uur 25920 ademhalingen dag en nacht. Wanneer we nu een ander ritme in de mens nemen, dan is het dat van dag en nacht zelf. ’s Morgens wanneer we wakker worden neemt u [letterlijk ‘zuigt’] uw Ik en astraallijf weer op in uw etherlijf en fysiek lichaam. Dat is ook een ademhalen.
U ademt ’s ochtends in en ’s avonds bij het inslapen ademt u het astraallijf en Ik weer uit, dus één ademhaling in 24 uur, op 1 dag. Dat zijn 365 van zulke ademhalingen in het jaar. En neem nu de gemiddelde leeftijd van de mens, 72 jaar, dan krijg je ongeveer hetzelfde getal; zou ik geen 72 genomen hebben, maar iets lager, dan zou ik toch hetzelfe getal hebben gekregen. D.w.z. wanneer je het totale aardse leven van de mens neemt en je ziet op 1 dag inslapen en wakker worden als een ademhaling, dan krijg je in zijn leven ook zoveel in- en uitadelingen van het astraallijf en het Ik, als je in 24 uur aan ademhalingen hebt. U maakt gedurende een leven zoveel van de in- en uitademingen die het Ik en het astraallijf maken. Die ritmen staan in verhouding tot elkaar en we zien hier hoe de mens deel uitmaakt van de wereld. Het leven van de dag, zonsopkomst en zonsondergang, dus de eenmalige zonsomloop staat in verhouding tot een innerlijke zonsopkomst en -ondergang, die van de geboorte tot de dood duurt.
GA 205/112-113
Niet vertaald

.

over: 25920 jaar

Algemene menskunde: voordracht 2alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1578

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-9)

.

RITME DRAAGT HET LEVEN

Pas in de laatste decennia* worden ritmische verschijnselen systematisch onderzocht. Tegenwoordig wordt het ritme als zelf­standige factor, die intensief op bijna alle biologische processen inwerkt, algemeen erkend en er bestaat zelfs een omvangrijke li­teratuur over.

Het duidelijkst zijn ritmische processen in astronomisch verband te bestuderen: daar openbaart zich zonder meer het wezen van het ritme. Het gaat om de doorlopende herhaling van iets dat echter nooit precies hetzelfde blijft. Bij een planeet bijvoorbeeld is de omloop nooit precies dezelfde als de vorige, de verhoudingen variëren steeds en toch voltrekt het geheel zich soepel in volmaakte harmonie.
Kepler heeft deze hogere wetmatigheden onderkend en zijn voornaamste werk ‘Harmonices Mundi’ genoemd.
In de kosmos vindt nooit een herhaling van hetzelfde plaats, dat zou men ‘maat’ moeten noemen, terwijl ‘ritme’ is: herhaling van een motief dat nooit ten volle aan zichzelf gelijk blijft.
‘Maat herhaalt, ritme hernieuwt (L. Klages). Maat is de voortdurende herhaling van hetzelfde, ritme het doorlopend modificeren van een be­paald gegeven. In een ritmisch proces heerst daardoor harmonie die mogelijkheden tot nieuwe ontwikkeling openlaat, terwijl bij maat weliswaar (door herhaling van hetzelfde) grotere ‘exactheid’ ontstaat, maar tege­lijkertijd verstarren en vastleggen: een proces wordt bevroren in een toestand die zichzelf gelijk blijft en wordt daarin gefixeerd. Maat leidt tot isolatie uit een bepaald verband, tot het volgen van eigen wetten, terwijl ritme in harmonie is met alles wat leeft. Maat is ge­storven ritme. Daardoor werkt maat ver­moeiend, werkelijk ritme bezielend. En daarom hoort maat bij een mechanisch, ritme bij een levend systeem.
Op elk levensgebied is een afspiegeling van het kosmische ritme te vinden. Ritme zelf is – zoals warmte – half geestelijk: het is weliswaar stoffelijk waarneem­baar, maar naar zijn wezen is het immateri­eel, waardoor het een bovenzinnelijk principe kan dragen. Ritmische processen zijn noch in de natuur, noch in de mens iets stoffelijks. Men zou ze half-geestelijk kunnen noemen. Het stoffelijke als zodanig gaat op in het ritmische gebeuren’. ‘Het ritme heeft door de geest in de materie wortel gescho­ten; de mens draagt het ritme in zich als er­fenis van zijn geestelijke afstamming’.
Intussen bestrijkt het samengaan van biologisch-organische en kosmische ritmen een zeer groot gebied van onderzoek.
Tot voor kort werd het afhankelijk-zijn van de maan in het voortplantingsritme van vele lagere dieren niet au sérieux genomen, terwijl daar tegenwoordig niet meer aan getwijfeld wordt.

De kosmisch-planetarische invloeden op de plantengroei zijn weliswaar onweerlegbaar bewezen, maar daar is veel minder van bekend.
Voor de mens ligt het anders, door­dat de totale zowel als de individuele
ont­wikkeling ritmisch verloopt. Daarbij gaat het om tijdsgolven van zeer lange en om tijdsgolven van korte duur. Aan de eerste groep wordt tegenwoordig weinig aandacht besteed.

Het langste kosmische interval is het plato­nische wereldjaar (de tijd waarin de richting van de aardas de dierenriem doorloopt) van gemiddeld 25.920 jaar. Rudolf Steiner heeft erop gewezen dat dit getal in de levensloop van de mens ook weerspiegeld wordt: een volwassen mens in rust doet gemiddeld 18 ademhalingen in de minuut, dat is in een uur 1080 en in 24 uur 24 x 1080 is 25.920 adem­halingen. Gaat men bij de mens uit van een gemiddelde levensduur van 71 jaar en van een jaar van 365 dagen, dan blijkt dat de mens gemiddeld 365 x 71 is 25.915 dagen leeft. In deze tijd beleeft hij dus het slaap-waak-ritme evenveel keren als in een et­maal het ademritme. Deze samenhang is geenszins alleen uiterlijk maar stemt overeen met het incarnatieproces: in iedere in-ademing is een incarnatie-tendens aanwezig, zoals iedere uitademing met een excarnatie overeenkomt. En zo is het wakkerworden ’s morgens een incarnatieproces, het inslapen een uittreden van het Ik uit het lichaam.
Er bestaat dus een inner­lijke verwantschap tussen het ademhalings­ritme en het slaap-waak ritme: het incarnatieproces, dat wil zeggen de verhouding van de mens tot de aarde drukt zich in beide uit. De mens is een afspiegeling van het kos­misch gebeuren; als microkosmos draagt hij de wetten van de macrokosmos in zich.
De kortere ritmen zijn makkelijker te her­kennen: de menstruatiecyclus van 28 dagen is zonder meer een maanritme, zoals über­haupt de voortplanting met de maan samen­hangt. Op het – ten dele zelfs buitengewoon ‘betrouwbare’ verband tussen voortplanting en maanritme bij lagere dieren werd al eer­der gewezen. Het menstruatieritme loop echter niet meer synchroon met de maancyclus. Er voltrekt zich een verinnerlijking en daarmee een loskomen van het kosmische systeem: het verschijnsel vertoont nog wel zijn oorsprong en zijn karakter, maar het is zelfstandig geworden en is niet meer direct afhankelijk.

Het ritme dat zonder twijfel het beste waargenomen kan worden en dat dan ook tot nu toe het meest bestudeerd is gewor­den, is het zogenaamde circadiane ritme, de periode van 24 uur. Het daglicht werkt onder normale omstandigheden o.a. als ‘tijd­wijzer’ (Aschoff), zodat het endogene (van binnen uit veroorzaakte) ritme en het dagritme streng gecoördineerd zijn. Ook hier heeft de mens echter een eigen ritme van ca. 24 uur, dat bijvoorbeeld bij doorlopende verlichting of bij doorlopende duisternis au­tonoom ‘doorloopt’. De mens is dus in hoge mate aan het zonneritme gebonden, maar aan het maanritme heeft hij zich enigszins onttrokken.

Hier treedt nu reeds een wezenlijk verschil tussen mens en dier aan de dag, want juist de lagere dieren vertonen nog duidelijk de af­hankelijkheid van de maan, terwijl de mens dit ritme verinnerlijkt en zelfstandig heeft gemaakt. Daardoor is hij vrij geworden van het kosmische oerbeeld, wat men moet zien als een schrede vooruit in de ontwikkeling. Een zeker verband moet echter wel bewaard blijven, want als de mens zich volledig ten opzichte van de kosmos zou isoleren, zou hij zich ook voor de krachten van het leven af­sluiten. De ‘Levensboom’ moet onaangetast blijven, moet in hoge mate aan individueel ingrijpen worden onttrokken, terwijl de ‘Boom der Kennis’ door de mens kan wor­den benaderd. Vandaar dat lichamelijke pro­cessen in sterke mate in een natuurlijk ritme moeten verlopen, terwijl de mens vanuit zijn Ik onritmisch kan leven en vrijwillig de harmonie van zijn organisme kan doorbre­ken, waarmee hij het dan ‘verstoort’.
Tot op zekere hoogte is dit ook nodig. Hoe meer de menselijke levensomstandigheden naar het geestelijke gingen tenderen des te meer moesten de lichamelijke processen hun orde­ning prijsgeven.

De mens handelt vanuit zijn Ik en probeert met min of meer succes zijn zielenroerselen te beheersen, maar hij kan niet direct, dat wil zeggen wilsmatig, op zijn levensfuncties in­werken. Die verlopen dan ook ‘vanzelf’ met de wijsheid en de wetmatigheid die zij mee­gekregen hebben.

Bij alle functies die dichter bij het bewust­zijn liggen – zoals het ritme van slapen en waken – kan het natuurlijke verloop zonder meer worden verbroken. De ‘dieperliggende’ biologische ritmes echter – zoals dat van de lever – kunnen niet bewust worden beïn­vloed, zij zijn niet omkeerbaar door middel van een andere levenswijze: de natuurlijke fase is bestendig.
Sedert onheuglijke tijden heeft men ervaren dat de slaap vóór
midder­nacht de meest gezonde is; tegenwoordig worden op dit gebied ook waarnemingen ge­daan bij arbeiders die in ploegen werken. Het voorgaande kan op deze laatste voorbeelden een verhelderend licht laten vallen. Daar de regeneratie altijd uitgaat van het ether- of levenslichaam, en bij de mens de ritmische processen aan een regulatiesysteem zijn on­derworpen, is hij in staat om jarenlang nega­tieve invloeden op te heffen. Überhaupt is men pas de laatste decennia opmerkzaam ge­worden op de invloed van het onritmische of zelfs a-ritmische leven dat de huidige beschaving met zich meebrengt, zoals
bij­voorbeeld in sterke mate bij nachtarbeid het geval is. In de toekomst zal zeker meer aan­dacht moeten worden geschonken aan de be­tekenis van gestoorde ritmen, vooral met betrekking tot het ontstaan van chronische ziekten.

Iedere vorm van onritmisch leven, dus ook ordeloos denken, voelen en willen, stoort het innerlijke ritme en daarmee de gezondheid. De mens heeft zich dus  geëmancipeerd van de gegeven innerlijke orde, waarin hij oorspronkelijk als het ware ingebed was. Daar­mee heeft hij deze orde geschonden, maar zijn vrijheid bevochten. ‘Onze tijd wordt bij uitstek gekarakteriseerd door het feit dat het oude – uiterlijke – ritme verloren is gegaan en dat nog geen nieuw innerlijk ritme is ge­vonden. Wij zijn aan de natuur ontgroeid en nog niet in de geest ‘ingegroeid’.
De mens moest, om zijn vrijheid te veroveren, het oor­spronkelijke ritme loslaten. Maar in zich­zelf moet hij weer de wetten vinden, waar­naar ‘het uurwerk’ (zijn astrale lichaam) ge­regeld kan worden. In het huidige tijdperk heeft hij geen innerlijk denkpatroon, geen in­nerlijk gedachteritme, en de mensheid zou volkomen in verval geraken, als zij zich niet een innerlijk ritme eigen zou maken’.
In vrijheid een innerlijke orde op hoger niveau te scheppen is een opgave voor deze tijd; deze opgave is niet te volbrengen zonder in­zicht in de verhouding van de mens tot de kosmos en tot de geestelijke wereld.

Onbewust voltrekt zich deze verbinding in de slaap: het organisme wordt ‘aan zichzelf overgelaten’. Het is in de slaap niet langer onderworpen aan de impulsen van het Ik zo­als dat bij wakker bewustzijn het geval is. Tijdens de slaap zijn veel wijzere impulsen en machten aan het werk, die het menselijk or­ganisme weer opbouwen, dat wil zeggen re­genereren: ’s nachts voltrekt zich het herstel­len van de orde, de genezing. Overdag echter wordt – uitgaande van het Ik – deze orde voortdurend verstoord. Tot op zekere hoogte is dit nodig, maar het mag niet leiden tot verwoesting. Wanneer namelijk de natuurlij­ke ritmen voor een of andere prestatie worden gebruikt, voert dit zelfs tot een ver­hoging van die prestatie. Dit nu is het geheim van ‘het juiste ogenblik’, waarvoor men nog in het oude Griekenland het begrip kairos had. Modern uitgedrukt zou men kunnen zeggen, dat handelen en werken van de mens met biologische en kosmische ritmen zou­den moeten overeenstemmen. Dit zou niet alleen een ontlasten, een verlichten ten ge­volge hebben, maar ook een economischer gang van zaken en een meer harmonische levenswijze.

In zeer oude tijden bijvoorbeeld werd vanuit een zekere oer-wijsheid het weekritme ge­schapen als afspiegeling van het zevenvoudig planetarisch beeld en werden de kosmisch georiënteerde jaarfeesten vastgesteld. Hoewel het jaar-, maand-, en dagritme bij de mens niet is te overzien en bijna ieder orgaan tot in onderdelen van een seconde een min meer typerend ritme heeft, kan men toch het ritmisch proces het duidelijkst beleven in ademhaling en hartslag. Er werd reeds eerder op gewezen, dat de mens zich onafhankelijk heeft gemaakt van het kosmische maanritme en zijn eigen maanritme zelfstandig heeft doen worden. Dit was mogelijk doordat hij hiervoor een or­ganisme bezit: het ritmische systeem. Dit systeem heeft een zekere eigen wetmatig­heid, zodat de ritmen een zelfstandig ver­loop kunnen hebben en niet beslist van een ‘tijdwijzer’ afhankelijk zijn. Door middel van het ritmische systeem slaagt het organisme erin de ontregeling van het biologische pro­ces, die door inspanning, onritmische le­venswijze enz. is ontstaan, weer te ordenen. Daarmee is de voorwaarde voor de vereiste harmonie gegeven – en ook de mogelijkheid tot genezing.

Ook al is het verloop van bijna alle levens­processen ritmisch, toch zijn er organen, die hun ritme duidelijk demonstreren: lon­gen en hart zijn de typische representanten van het ritmische systeem. Hoewel ook hier afhankelijkheid van uiterlijke omstan­digheden kan voorkomen (gevoeligheid voor het weer bij astmalijders, hartbezwaren bij weersverandering enz.), zijn deze orgaanfuncties meer naar binnen georiënteerd en op elkaar afgestemd. Het ritmische sys­teem staat in zoverre tussen zenuw-zintuig­systeem en stofwisselingssysteem in, dat het afwisselend voor beide impulsen openstaat. De samentrekkende dynamiek, die de ten­dens van het zenuwstelsel karakteriseert, kan men terugvinden in het inademen en in de systole; de uitzettende dynamiek van de stofwisseling in het uitademen, respectievelijk de diastole. Longen en hart richten zich dus afwisselend op het zenuw-zintuig-stelsel en op het stof­wisselingsstelsel. Dit proces voltrekt zich echter bepaald niet passief; met het wisse­lend waarnemen van deze impulsen is een reactie verbonden, dus een actief antwoord in de zin van uitbalanceren en aanpassen aan wat vereist wordt. Zowel van het zenuw-zin­tuigstelsel als van het stofwisselingsstelsel gaan ziekmakende tendensen uit (namelijk sclerose en ontsteking). Deze worden door het ritmisch systeem waargenomen en actief beheerst, getemperd, d.w.z. in principe genezen.

Hier ligt de diepe betekenis van de zin: ‘Ritme draagt het Leven’. Daarom ook is het ritmisch systeem drager van de gezond­heid.
Van het ritmisch systeem gaan de ge­nezende krachten uit; Rudolf Steiner noemt het gehele ritmische systeem een arts. Drager van de gezondheid dus, terwijl van de beide andere systemen ziekmakende tendensen uitgaan.
Niet alleen vanwege de ligging, maar ook vanwege de activiteit staat het ademritme dichter bij het zenuw-zintuigstelsel, en de polsslag dichter bij het stofwisselingssys­teem. Daardoor is de verhouding tussen pols­slag en adem bij uitstek een indicatie ten opzichte van het herkennen van de gezond­heidstoestand, respectievelijk van de ziekte-aanleg van de mens, een verschijnsel dat in­tussen door Hildebrandt nauwkeurig is bestudeerd.

Er is hier sprake van een geordend verband, een ‘ritmische ordening van functies’, een ‘ritmisch systeem’. Het gaat daarbij om een endogene factor, die verband houdt met de menselijke structuur voor zover die in de tijd tot uiting komt. Het leven van de mens in de tijd echter, zijn ‘tijds-gestalte’ zou men kun­nen zeggen, is uitdrukking van het levens-of etherlichaam.
Maar hierdoor alleen komt het ritme niet tot stand.

Hoe ontstaat ritme?
Als wind over water waait ontstaan er gol­ven, die alle kenmerken van ritme verto­nen; iedere golf lijkt in hoge mate op de an­dere, maar is er nooit helemaal aan gelijk. Hetzelfde fenomeen doet zich voor als water over zand stroomt, ook hier een zichtbaar geworden ritme.

Dit fenomeen kan men eindeloos op de meest verschillende gebieden waarnemen. De strijkstok die de snaren aanstrijkt veroor­zaakt trillingen evenals de luchtstroom van de adem in een fluit die een luchtkolom in trilling brengt.

Aan al deze verschijnselen ligt ten grondslag dat iets dat in beweging is, in relatie treedt tot iets dat in rust (of betrekkelijk in rust) is. Hierdoor wordt een toestand van labiliteit geschapen die de mogelijkheid opent tot het inwerken van bepaalde krachten. Golven en tonen zijn plastisch en kunnen daardoor een kracht van hogere orde dragen. In de mens ontstaat door samenwerken van zenuw-zin­tuig- en stofwisseling-ledematenstelsel het ritme. Hun dynamiek is verschillend. Tegenover het relatief in rust verkerende ze­nuwstelsel staat het stofwisseling-ledematen­stelsel dat voortdurend in beweging is. De bewegingen van deze beiden verhouden zich tot elkaar als 1 : 4. Het ritmische systeem met als voornaamste organen longen en hart, staat daar actief tussenin, men zou kunnen zeggen: als bemiddelaar.
Plato heeft iets aan­gevoeld van het ingeschakeld-zijn van het hart in de polariteit van zenuw-zintuig en stofwisselingsysteem, toen hij het karakteri­seerde als bron van het bloed, als wachter ze­telend in het midden, tussen hoofd- en begeertecentrum.

Het samenspel van longen en hart drukt ener­zijds de overwegende tendens van een van beide systemen uit; anderzijds begint van hieruit een nieuwe ordening. In deze gedachtegang kan men de functie van het ritmisch systeem zien als het verlenen van indicatie en genezing beide. Hij maakt het de mens mogelijk om vanuit een min of meer ongeordend psychisch beleven tot een nieu­we evenwichtstoestand te komen.

(Otto Wolf, arts. Jonas 6 18-11-1977)

.

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.]

537-494

 

 

 

 

]

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-4)

.

DE ADEMHALING VAN DE AARDE

Ten gevolge van de catastrofale gebeurte­nissen en toestanden van de laatste tijd* -Tschernobyl, ozongat, enz.- is er een besef ontwaakt ten opzichte van de hele aarde.
Met grote verbazing bestuderen tegenwoor­dig journalisten, hoe dit nieuwe bewustzijn bij de grote politieke leiders heel snel ontstond en zich verder ontwikkelt. Dit inzicht werkt door tot in de politieke doelstellingen. Men weet tegenwoordig dat men als totale mens­heid in één en dezelfde boot zit en dat het tegenover de verouderde ideologieën van “de vijand” veel zinrijker is één lijn te trek­ken om de ecologische toestand van de to­tale aardbol in leven bevorderende banen te leiden.

Dennis Meadows publiceerde in 1972 een studie in opdracht van de Club van Rome met de titel “De grenzen van de groei”. Die publicatie baarde enig opzien, maar slechts weinigen gingen er serieus op in. Tegenwoordig echter spreken allerlei re­geringsleiders alsof ze onder t gehoor van Meadows waren geweest. Hijzelf zegt hier­over: “Ik heb lang genoeg als een soort evangelist gepreekt en daarbij geleerd, dat ik de wereld niet kan veranderen. Boven­dien gedraagt de mensheid zich als een zelf­moordenaar en het heeft geen zin meer met iemand te discussiëren als hij al uit het raam is gesprongen.”

De etherische vormkrachten
Hoewel het dus eigenlijk al te laat is voor nieuwe argumenten, willen wij toch met na­druk wijzen op publicaties die reeds twee generaties vóór de huidige catastrofale toestanden zijn verschenen.

Zo is er het boek van Guenther Wachsmuth “Erde und Mensch”, dat in 1945 verscheen, maar in wezen uit de studie “Die ätherischen Bildekrafte” (1924) ontsproot. De 4e oplage van 1980 van “Erde und Mensch” is in de boekhandel nog verkrijgbaar!
Wachsmuth gaat in dit werk uit van de op­vatting van Rudolf Steiner, dat het niet alleen natuurkundig-chemische – d.w.z. materiële-processen zijn die de grondslag van de ver­schijnselen in de levende natuur zijn, maar dat er etherische vormkrachten zijn die deze verschijnselen uiteindelijk teweeg bren­gen.
Hij zegt hierover: “Aldus zullen ook on­derzoekingen naarmate zij meer op het biologische zijn gericht, steeds meer nieuwe krachtvelden ontdekken. Vooral gebieden, die niet zoals de radio-activiteit e.d. uit af­braak en verval bestaan maar die met op­bouw en vormgeving te maken hebben… Wij begrijpen de aarde als totaliteit niet als wij haar slechts als een levenloos, mecha­nisch bewogen, fysiek-stoffelijk lichaam zien, maar pas als wij ook haar levende vormkrachtenlichaam gaan ontdekken. Hiermee is een hoger organisme bedoeld waarin de tot dusver eenzijdig onderzoch­te, stoffelijk chemisch-natuurkundig interpre­teerbare processen zijn geïntegreerd. Vanuit dit hogere organisme ontvangen zij verschij­ning en geleding, dynamiek en ritmiek en in alle levensprocessen en metamorfosen de voor elk organisme specifieke impulsen en wetmatigheden van hun ontwikkeling.”

Ademhalingssfeer en dagritme
Het was Kepler, die de aarde als een ani­maal, levend wezen beschreef. Maar wat is het kenmerkende van een levend wezen? Heel simpel: het ademt. Hoe echter voltrekt zich de ademhaling van de gehele aarde? Wij kunnen dit aflezen aan een gedeelte van de atmosferische processen, de bewegin­gen van de lucht:

dag nacht ritme

Wezenlijk in dit gebeuren is, dat het totale proces kennelijk wordt veroorzaakt door de fasen van het zonneritme. Men zou ver­wachten, dat er een maximum rond 12 uur en een minimum rond 24 uur is. Maar prak­tisch constant blijken de keerpunten van 15 en 3 uur in alle fasen van het atmosferisch proces. Hieruit blijkt duidelijk, dat het orga­nisme van de aarde t.o.v. de buitenaardse invloeden een zekere mate van vrijheid heeft; een vrijheid waar richting aan wordt gegeven door de vormkrachten van de aar­de. Het zijn niet alleen de bewegingen van de lucht, die aan zo’n ritme zijn onderwor­pen. Er is ook een hele reeks factoren, die dit ritme eveneens volgen: bijvoorbeeld het elektrische veld van de aarde, de hoog­testraling, de radio-activiteit van de bodem, het aardmagnetisme, de hoeveelheid neerslag, vele processen van de plantenfy­siologie, te beginnen bij de glucoseproductie via de assimilatie, de ademhalingsfre­quentie, de nectaruitscheiding, de zetmeelvorming, de concentratie van groeistoffen tot en met de sapstroom.
Al deze verschijnse­len volgen het hierboven beschreven geo-fasische dagritme tussen 3 uur ‘s-nachts en 15 uur ‘s-middags. Voor het totale verschijn­sel, dat opkomt, zich uitbreidt en weer samentrekt, geldt de benaming “adem­halingssfeer”. Deze strekt zich van het bin­nenste van de aarde tot een hoogte van 23 km (stratosfeer) en ook nog tot ver boven de 46 km uit.

“Door al die lagen van de binnenste atmos­feer (mesosfeer) voltrekt zich dit ademha­lingsproces in aansluiting van de ver­schuiving der fasen in de van plaats ver­anderde “ademhalingssfeer van de totale aarde”, aldus Wachsmuth.

Deze grote dagelijkse gang van expansie en concentratie van de ademhalingssfeer der aarde heeft talloze parallellen in de men­selijke fysiologie.
Er bestaat bijvoorbeeld een dagelijks op en neer van het hart-ademhalingsritme, van de galvorming en -uitscheiding, de bloedsuiker, de opslag van glucose, de nierfuncties en vochtuitscheiding. Al deze functies zijn ingebed in het da­gelijkse grondritme dat tussen 3 en 15 uur werkt. Hier is een totaal nieuw gebied van onderzoek ontstaan dat de adembewegingen van de geo-fasische ritmiek en in ’t bij­zonder van het menselijk organisme be­studeert.

ritme jaar

 

Het ademhalingsritme in het jaarverloop
Het beschreven dagelijkse ademhalingsproces, dat het aardoppervlak van het oosten naar het westen omgeeft, vertoont nog een wijder proces, dat een jaarritme heeft en dat gedurende een half jaar in het noorden en een halfjaar in het zuiden zichtbaar wordt: het ritme van 12 maanden gedurende één jaar. Bij dit proces blijkt een heel ander rit­me, dat niet van het oosten naar het westen trekt, maar meer tussen noord en zuid pen­delt – een middenzone in het gebied van de evenaar tussen 231/2° noorder- en zuider­breedte.

Bij dit ritme in het jaarverloop is er veel an­ders. De periodiciteit van de dag bleek in hoge mate door eigen ritmen van de aarde tot stand gebracht. Daarentegen is het ademhalingsritme in het jaarverloop veel meer door de relatie van de aarde met de kosmos bepaald, leder kent de verschijnse­len in de natuur in het jaarverloop: het ont­kiemen en ontluiken rondom Pasen, processen die zich hoofdzakelijk op het aard­oppervlak afspelen. Vervolgens in het mid­den van de zomer het opstijgen van de ademhalingsatmosfeer tot in de ozonsfeer, stuifmeel komt duizenden meters hoog tot in de stratosfeer terecht. In de herfst is het vitale proces gelijk aan dat van omstreeks Pasen en in de winter is er een uiterste con­centratie van de vitale processen in het ge­bied van de wortelvorming onder het sneeuwdek en in de grond, waar echter be­gin december de sappen al gaan stijgen.

De aarde – een levend wezen
De aarde ademt. Haar atmosfeer is uit­eindelijk geen uitsluitend chemisch-natuurkundig aggregaat. Meteorologen thans zeggen hieromtrent: “Er bestaan publikaties of ook hele boeken, die de atmos­feer slechts als een warmtemachine, een stralingssysteem, een vloeistof, maar ook als een bewegend gasvormig omhulsel, een vast roterend lichaam of wel een colloïde zien. Die veelzijdigheid biedt allerlei mogelijk­heden. De atmosfeer heeft in zeker opzicht altijd de mogelijkheid uit te wijken voor een van buiten komende energetische invloed, hem te veranderen, te verdelen of ook te concentreren. Door dit vermogen lijkt de at­mosfeer in zeker opzicht op een organisme”.

“De aarde is een levend wezen”, zei Kepler.
Het is van belang om die gedachte, die Rudolf Steiner en diens leerling Guenther Wachsmuth hebben opgenomen en verder ontwikkeld, steeds voor ogen te houden.

ritme jaar 2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(Heinz Herbert Schöffler, arts, Weledaberichten nr.152, *dec.1990)

.

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

447-416

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-3)

.

DE KOSMISCHE ADEMHALING

Het begrip kosmische ademhaling zal de meeste mensen in deze tijd waarschijnlijk niet bekend zijn, hoewel iedereen wel weet wat met “ademhaling” wordt bedoeld. Maar wel wordt tegenwoordig dikwijls over “stra­ling uit de wereldruimte” gesproken en wordt er daardoor op een kosmisch element geduid. Dientengevolge behoeft ook het be­grip “kosmische ademhaling” niet zo ver weg te liggen als het op het eerste gezicht lijkt.
Sinds het echtpaar Curie ontdekte, dat materie uitstraalt, zich oplost, door straling uiteenvalt, is er sedert het einde van de 19e eeuw een stralingswetenschap ontwikkeld, waarvan de draagwijdte nauwelijks is te overzien. Temidden van de talrijke “stra­lingsbronnen”, die van betekenis zijn voor onze beschouwing, noemen wij de zoge­naamde materie- en veldstraling.
Als oor­sprong hiervan worden de wereldruimte of de sterren gezien. Ook de aardatmosfeer, de aardkorst en de oceanen worden als bronnen genoemd. Eensgezind worden als uit de wereldruimte komend de kosmische ultrastraling, de zogenaamde zonnewind, het zichtbare licht, de infrarood- en de hoog-frequentiestraling genoemd, waartoe ook de röntgen- en ultraviolettestraling behoren. Daardoor is het begrip “kosmisch” ook in de huidige natuurwetenschap gangbaar ge­worden – zij het alleen natuurkundig. Aldus heeft de moderne natuurwetenschap zelf door de ontdekking en het onderzoek om­trent de verschillende soorten stralingen het begrip “kosmisch” overgenomen.

Materie- en veldstraling       
Bij de “materiestraling” gaat het om beweging van “materiedeeltjes”. De “veldstraling” wordt als elektromagnetisch, d.w.z. als energiestraling gedefinieerd, hierdoor kan reeds op de kwaliteiten “stof” en “kracht” worden gewezen, die hieronder ter sprake zuilen komen. Het hele spectrum van het licht (van het ultraviolette tot het infrarode ge­bied) – die kosmische stralingskwaliteit van de grootste betekenis voor mens, dier en plant – wordt ingedeeld bij de veldstraling”. In verband met deze stralingen spreekt men van de “stralingsgordels” van de aarde waar­van de concentratie en uitbreiding voortdurend varieert. Men spreekt dan over “ademen van de stralingsgordels” waar­door in het begripssysteem van de moderne natuurwetenschap ook het begrip “ademhaling” wordt betrokken.
Wij kunnen dus de benaming “kosmische ademhaling” aan de beschouwingen van de huidige natuurkundige zienswijze ten opzichte van de wereld ontlenen.
De volgende stap, die wij ondernemen, gaat verder dan de zuiver natuurkundige zienswijze.
Het begrip “ademhaling” omvat zonder twij­fel een ritmisch proces. In- en uitademing wisselen elkaar af als er sprake is van ade­men. Bij plant, mens en dier en – zoals wij zagen – zelfs als kosmische kwaliteit is het steeds de ritmische beweging tussen twee polen, die zich in dit proces manifesteert. In nog ruimere betekenis worden wij dit ge­waar in het verschijnsel waken en slapen, dood en geboorte, ontstaan en vergaan, op­bouw en afbraak.

Ritmische levensprocessen
Als wij de activiteit van de groene plant bestuderen, zien wij heel duidelijk een ademhalingsproces. De plant neemt met haar groene bladeren het koolzuur uit de lucht op en scheidt in plaats daarvan zuurstof uit. Deze, als assimilatie bekende, aan het dag – en nachtritme gekoppelde activiteit, wijst in wezen op een verband met kosmische krachten; zij is immers – als fotosynthese – met de krachten van het licht ver­bonden. Die leerden wij kennen als kosmische straling. In wezen is dit proces even gecompliceerd als belangrijk. Hier willen wij het slechts vanuit een bepaald ge­zichtspunt benaderen.
Ondanks omvangrijk en intensief onderzoek is de huidige bioloog in het geheel niet in staat de scheikundige kant van de fotosyn­these te doorgronden. Dit behoeft niet te ver­bazen: zolang dit inzicht slechts met de methodes van de gangbare scheikunde wordt gezocht, moet die poging noodzake­lijkerwijs falen, want in werkelijkheid gaat het om levensprocessen. Desondanks – de ont­dekking van dit ritmische proces, het wet­matige ingebed-zijn in het ritme van 24 uur, d.w.z. van een ritme, dat berust op de rela­tie van het aardse met het buitenaardse (de aarde en de zon) – kan onze gedachte in een bepaalde richting leiden. Immers: het licht is onzichtbaar, d.w.z. bovenzinlijk. Het ver­schijnt voor onze blik in samenspel met de aardse materie als kleur en getuigt op die manier van zijn wezen. Alles dus, wat als levende plantensubstantie wordt geschapen, heeft in werkelijkheid zijn oorsprong te danken aan een “kosmi­sche ademhaling”, die een relatie aangaat met de “aardse ademhaling”. En men komt tot de slotsom, dat de totale behoefte aan voedsel van de mensheid honderdduizend keer geringer is dan de jaarlijkse “stralings-oogst” van de aarde ten gevolge van die “straling vanuit de wereldruimte”. Anders gezegd: de kosmos schenkt aan de aarde een rijke overvloed van stralende krachten die hier een gedaanteverwisseling ondergaan en als substantie-vormende, voedsel-scheppende krachten zichtbaar worden.

Gevaar en uitweg
Maar dit proces is tegenwoordig aan een voortdurend toenemend gevaar
bloot­gesteld. Aan de ene kant is de plantenwe­reld ten gevolge van door de mens toegepaste maatregelen eenzijdig naar de aardse kant gericht. Dit gebeurt door de toe­passing van kunstmest, het toevoeren van levenloze substanties om het groeien te sti­muleren. Dat echter bevordert eenzijdig de werking van de aardse krachten en houdt geen rekening met de andere pool, de hier­boven beschreven “kosmische adem­haling”. Dat geldt vooral voor de stikstof, de basis voor de eiwitvorming van de plant. Bij de tegenwoordig gebruikelijke toepassing van kunstmest wordt deze substantie als levenloze materie meestal in overmaat aan de plant toegevoegd, zodat maar al te vaak het gevaar van schadelijke nitrietvorming optreedt. Daardoor wordt de plant losge­maakt uit haar kosmische ademhalingsverband, aan het aards-levenloze gebonden en verliest steeds meer aan voedingswaarde.
“De stikstof… die met de mest moet worden toegevoegd, die moet worden gevormd onder de invloed van de kosmos, moet levend zijn… Niemand beseft tegenwoordig, dat het juist al die minerale meststoffen zijn, die in hoge mate ertoe bijdragen dat deze degeneratie van de landbouwproducten steeds meer optreedt”. Aldus Rudolf Steiner reeds in 1924 in zijn “Landbouwcursus”.
Tegenwoordig is het zeker niet alleen de sindsdien zeer verhoogde toevoeging van kunstmest, maar ook de daarbij behorende aanvulling met pesticiden en niet minder, de toenemende luchtvervuiling die de ontplooiing van de kosmische ademhalingskrachten belemmeren. Zo bezien is de betekenis, zelfs de absoluut noodzakelijke “omme­zwaai” naar de biologisch-dynamische land­bouwmethode het allerlaatste redmiddel. Als men echter bedenkt, dat bijvoorbeeld in West-Duitsland op dit ogenblik* slechts 0,2% van het landbouwareaal “alternatief wordt bewerkt” – d.w.z. zonder kunstmest, maar ook zonder de kosmische ademhaling hierin te betrekken – dan wordt onze bezorgheid nog eens zo groot t.o.v. de te verwachten en reeds veelvuldig zichtbaar geworden ge­volgen.

Betekenis voor de mensheid
Op dit punt moeten wij aan onze beschouw­ing nog een extra dimensie, die van grote betekenis is, toevoegen. Als wij de samen­werking van kosmische en aardse krachten als een wezenlijke voorwaarde voor het was­dom van de planten zien, waarbij de “stra­ling van het wereldal” en de “kosmische ademhaling” ter sprake kwamen, dan stui­ten wij op het volgende probleem: welke plaats heeft daarin de mens?
Aan de ene kant heeft hij dagelijks door zijn voedsel uit het plantenrijk daarmee te maken – aan de andere kant echter is hij als levend organisme volledig in die stroming van het wereldal ingebed.

In het kader van deze beschouwing kunnen wij in dit verband slechts één wezenlijk aspect belichten. Wij wijzen erop dat het moderne onderzoek deze straling van stoffen en krachten die naar de aarde en haar levende wezens uit de kosmos toestroomt, vaststellen en gedeeltelijk ook toepassen kon zowel als “materiestraling” ais “veldstraling”. Omtrent de laatstgenoemde is in het kader van ultraviolette en infrarode straling, maar ook van “kosmische ultrastra­ling” en “hoge frequentiestraling” onder­zoek verricht.

Ook de röntgenstraling wordt tot dit gebied gerekend. Met betrekking tot de “mate­riestraling” hebben onderzoekingen aange­toond, dat het gewicht van de aarde dagelijks met ongeveer 1000 ton stijgt ten­ gevolge van meteorieten die op de aarde neerkomen. “Kosmische materie” komt in een grote hoeveelheid op de aarde terecht, a.h.w. als een bevruchting uit het wereld-al. Dit feit maakt het eenvoudiger een ont­dekking te begrijpen van nog veel grotere betekenis die aan het geesteswetenschap­pelijk onderzoek van Rudolf Steiner is te danken.

In 1923 heeft Rudolf Steiner aangetoond, dat “in werkelijkheid substantie en activiteit, d.w.z. kracht en stof één zijn. Maar zij wer­ken naar de wereld toe op verschillende wijze”.
En met het oog op het deel hebben van de mens aan die kosmische straling, die kosmische ademhaling, blijkt uit dit onder­zoek, dat inderdaad “voortdurend zo’n pro­ces plaats vindt”, waarbij “door de ademhaling en zelfs door de zintuigen uit de hele omgeving” de mens zo’n kosmische stroom van substanties en krachten op­neemt, die als “kosmische voeding” met de aardse voeding wetmatig samengaat.
“Wij leven niet alleen van wat wij eten, maar ook van de uiterst subtiele voedende substan­ties in de lucht, die wij inademen”, aldus Rudolf Steiner.
Beide stromingen staan in een verschillend ritme met elkaar in ver­binding.
Terwijl de dagelijkse substantiële voeding, die wij opnemen, een ritme van 24 uur volgt, d.w.z. relatief snel de wetten van opbouw en afbraak volgt, verloopt de
acti­viteit van de kosmische voedselstroom in de mens veel langzamer, maar met een grote­re continuïteit.

Deze regenereert de mens niet binnen 24 uur, maar pas na zeven jaren. Beide ritmes werken echter samen, doordringen elkaar en vernieuwen vanuit de kosmos en de aar­de onophoudelijk ons organisme. De gevolgen van deze ontdekking door de moderne geesteswetenschap zijn verstrek­kend. Zij maken niet alleen een nieuwe, aan de werkelijkheid afgelezen visie op de voeding mogelijk, maar ook een nieuwe voedingshygiëne, een voedingspraktijk die tot in de sociale omstandigheden genezend kan ingrijpen. En niet in de laatste plaats kan daardoor voor het belangrijke vraagstuk van de samenwerking van lichaam, ziel en geest een in onze tijd aanvaardbare oplossing worden gevonden.

Rudolf Steiner kon er in dit verband op wij­zen dat wij “als wij voeding via de ademha­ling opnemen, uit de wereldruimte tevens het psychische opnemen, niet alleen de substantie. Dit psychische leeft immers te­vens in de ademhaling, wij communiceren dus door die kosmische voeding – die kosmi­sche ademhaling – zowel met de levens- als met de zielenwereld, de etherische als met de astrale wereld, d.w.z. met de sterrenwereld.” Hier verschijnt tegelijkertijd een ge­weldig nieuw gebied van onderzoek dat stellig nog ver na de eeuwwisseling de mensheid zal moeten bezighouden. Pas daaruit kunnen de genezende krachten ont­spruiten, die aan de vernietiging van de aar­de en de mens – tot in zijn kosmische ademhalingsbronnen – paal en perk stellen en een ommekeer mogelijk maken. Op grond van dergelijke inzichten kan zon­der meer blijken, dat niet alleen een totaal nieuwe zienswijze met betrekking tot de kwaliteit van ons voedsel nodig is. Tevens ontstaan er volkomen nieuwe inzichten om­trent de betekenis en de toepassing van de huidverzorging, een werkelijke “cosmetica” (uit dat woord blijkt al, wat die term in wer­kelijkheid betekent). Maar ook de waarde en de werking van de zogenaamde ”uitwen­dige middelen”, van baden en compressen, behandelingen met zalven e.d. zullen in een nieuw licht verschijnen. Niet minder echter zullen de gevaren waaraan de huid blootstaat en die tegenwoordig bijzonder ac­tueel zijn, bijvoorbeeld door ongecontroleer­de bestraling met het zonlicht, een grote waakzaamheid vereisen. En – om een laatste positief aspect in dit opzicht te noemen – de totale samenwerking van het uiterlijke en in­nerlijke, van de huid met de organen maar ook van de mens als totaliteit met de om­vattende wisselwerkingen van de kosmos, de “kosmische ademhaling”, zal voor een nieuwe, heilzame opvatting vruchtbare ge­zichtspunten opleveren. Wij menen, dat ook een toekomstige kosmologie en menskunde niet zonder met deze gezichtspunten rekening te houden zal kunnen bestaan. Deze stoelen op het begrip van de “ademhalingsprocessen van het wereldal”. Het materiaal daarvoor is thans voorhanden.
.

(Gerhard Schmidt-Kennedy, arts; Weledaberichten nr.152, *dec. 1990)

.

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

446-415

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (19)

 

.

MICHAËLSFEEST

“In spring, de boog gaat in.”

Men kan de wisseling van seizoenen in de loop van één jaar als een soort ademhaling beleven.
In de zomer is de aarde groot geworden. De aarde, als totaliteit van mineralen, planten en dieren, breidt zich uit naar de periferie. De bomen hebben hun bladertooi naar buiten gebracht. De planten bloese­men, het stuifmeel vliegt op, de geuren van de bloemen verbreiden zich. Ook de dieren zijn overal zichtbaar. De vlinders fladderen rond, de leeuwerik stijgt al zingend steeds hoger. Kortom: de aarde ademt zich geheel uit.

Na de zomer begint alles zich weer terug te trekken. Het zaad is in de aarde gevallen, de bladeren verdorren, de sapstroom neemt af. Ook de dieren trekken zich terug in hun holen, korven en stallen. Naar de midwinter toe ademt de aarde steeds meer in.

Zoals op één uit- en inademing bij de mens vier hartslagen plaatsvin­den, zo zijn er in één jaarcyclus ook vier concentratiepunten, waar het duidelijkst de kwaliteit van dat jaargetijde beleefbaar is; mid­zomer, middenherfst, midwinter en middenlente. Tot uitdrukking ko­mend in de jaarfeesten van Johannes de Doper (midzomer), Michal (herfst), Kerstmis en Pasen.

Het gebaar van in- en uitademing, dat de aarde maakt, vindt men bij de mens in de loop van het jaar terug. In de zomer is ons innerlijk het meest naar buiten gekeerd, we beleven de ontmoeting met de na­tuur. We geven ons er in zekere zin (vooral in de vakantie) aan over en worden er af en toe wat dromerig bij. In de zomertijd zijn we van nature wat gemakkelijker “buiten ons zelf” (uitgeademd). Naar de winter toe komen we meer “tot ons zelf”, we zijn meer naar binnen gekeerd (ingeademd). De mens is in de winter wakkerder, meer tot beschouwen en nadenkendheid in staat.

Zomer en winter zijn gemakkelijke tijden van het jaar, omdat ze zo extreem, zo uitgesproken zijn. Óf helemaal uitgeademd, óf helemaal ingeademd. Daar kun je even in verwijlen; net zoals de ademhaling op zijn diepste punt van in of uit even stilstaat. De tijden daar­tussen zijn veel moeilijker, omdat het overgangstijden zijn. Het is telkens weer anders, je moet a.h.w. op een rijdende trein springen. Sommige mensen krijgen daarom in lente of herfst klachten. Maagzwe­ren komen juist in deze seizoenen voor. En ook depressies treden vaker op in de tijd, dat de blaadjes aan de bomen komen of er weer vanaf vallen.

Wat zou je in de herfst kunnen doen, om deze overgangstijd zinvol door te maken? In vroegere tijden was Michaeli een boerenfeest; het oogstfeest. De vruchten en de granen werden binnengehaald. Voor ons is dat moeilijker. We komen van vakantie terug en moeten weer iets hervatten. Hebben we iets te oogsten? Ik geloof, in principe wel. Maar onze vruchtbomen en graanvelden zitten meer binnen. Het zijn al die indrukken en belevenissen van de lente- en zomertijd, die nu in onze ziel verder zijn gerijpt. Het is goed om deze met de kinde­ren nog eens in herinnering te roepen en te verwerken en op deze manier te “oogsten”. De noodzaak tot oogsten ligt niet buiten, maar binnen.

In de herfsttijd is een geliefkoosd spel: het touwtje springen. Twee kinderen zwaaien het touw rond en er staat een hele rij klaar om er in te springen. “In spring, de boog gaat in.” Het is een hele toer om nét op het goede moment naar binnen te gaan én om er weer uit te springen. En daar gaat het juist om in deze tijd van het jaar: om er op het juiste moment in te springen. De Michaël-herfsttijd is de tijd van het initiatief, van het willen van binnen uit.
Sint-Joris passeerde een stad, die belaagd werd door een draak, die elk jaar mensenoffers verlangde. Net op het moment, dat hij aankwam, moest de dochter van de koning geofferd worden. Toen “sprong hij er in.”

(J.van Dam,  nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

Touwtjespringen


.
267-252

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.