Tagarchief: imaginatie

VRIJESCHOOL – Vertelstof – mythen

 

Geen enkel onderwijstype heeft in zijn leerplan zoveel ‘cultureel erfgoed’ als de vrijeschool.
Sprookjes, fabels. legenden, verhalen uit het Oude Testament, volksverhalen en mythen.

Wie (klassen)leerkracht is, weet uit de ervaring, hoe de kinderen vrijwel allemaal opgaan in deze verhalen die rond een bepaalde leeftijd worden verteld.

Soms wordt er ‘op hoger niveau’ gediscussieerd over de waarde van of het gevaar van, of over ‘de ideologie van’ enz.

Lang geleden schreef Edith Boeke  n.a.v. zo’n vraagstelling een artikel, waarvan de inhoud niet achterhaald is – al zijn aanleiding en omstandigheden wel gedateerd.

DE OPKOMST VAN HET MYTHISCH DENKEN

Terug naar af?

In september vorig jaar* werd in Brussel een bijeenkomst gehouden onder de cryptische naam: Het Transpersonale Congres.
In Haagse Post schreef columniste Emma Brunt een week later: ‘Vertegenwoordigers van misdadige therapeutische stromingen, religieuze laaienlichters, alternatieve knollenkwekers met een medicinale kruidentuin en een ongezonde belangstelling voor De Heilige Grond, crypto-fascisten als Mellie Uyldert die wars zijn van ‘rasvermenging’, de Elfen van Findhorn, kortom het hele scala van obscurantistische warhoofden dat de afgelopen twintig jaar campagne heeft gevoerd tegen de rationaliteit in naam van een meer verlichte levenswijze, had zich daar verenigd onder leiding van ene mevrouw Ferguson die dit zootje ongeregeld wil drillen tot een internationale stoottroep, de Aquarian Conspiracy’.
Het feit dat deze ‘reïncarnatie van het bijgeloof’, opgekomen in de jaren zestig, gevestigd in de jaren zeventig, niet in de jaren tachtig is bezweken onder de druk van de economische recessie, zet haar aan het denken. ‘Waren de antroposofen, Baghwan, de Soefi’s, de Yoga-aanhangers, de Zenmeesters en hoe ze verder mogen heten, inmiddels aan het zieltogen, dan zou iedere socioloog vergenoegd opmerken dat hij het wel had zien aankomen, net als ik trouwens’, merkt Emma Brunt niet zonder spijt op. Maar het ‘magisch denken’ en de ‘pseudo-wetenschap’ houden stand en de columniste kan en wil haar ongenoegen daarover niet verhelen.

Deze citaten uit de Haagse Post vormen een topje van een publicitaire ijsberg. Er is het afgelopen jaar veelvuldig geschreven over het verschijnsel dat het ‘mythische denken van de jaren zestig’ kennelijk meer was (is) dan een hedonistisch en narcistisch modeverschijnsel, mogelijk gemaakt door economische groei en aanwas van vrije tijd.
In NRC-Handelsblad van 21 november 1984 stelt Andre Spoor de vraag: ‘Is het mystische denken onweerstaanbaar in opmars?’ Hij doet dat naar aanleiding van een conferentie in New York: The Presence of Myth in Contemporary Life. Spoor concludeert dat de opkomende belangstelling voor mythische elementen niet per se atavistische, reactionaire of obscurantistische trekken hoeft te hebben. Vaak is dat naar zijn mening echter wél het geval.

Vergelijkbare bedenkingen drijven mee in het kielzog van de aantijgingen tegen de antroposofie, als zou deze niet vrij zijn van racistische smetten. In een artikel van de heer Zondergeld, gepubliceerd in ’t Kan Anders, wordt Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie, ‘mistige occulte prietpraat’ aangewreven, bijvoorbeeld over Atlantis. (‘een reeds lang en breed achterhaald bij geloof’). Eenzelfde teneur spreekt uit een recentelijk artikel in de Haagse Post, waarin ‘de opmars’ van de antroposofen wordt beschreven. Een laatste voorbeeld uit de vele publicaties over het mythische denken is een uitvoerig en kritisch artikel in een zaterdagbijlage van De Volkskrant door Johanneke van Slooten over de zogenaamde New Age-beweging. Een citaat: ‘De mythe is net een stofzuiger. Hij ruimt alle twijfels, alle problemen op, zodat er weer orde heerst’.

Marge
Wij zullen bij de beoordeling van elk tijdsverschijnsel – en zeker bij dat van de opkomst van het ‘mythische denken’ – steeds rekening moeten houden met het feit dat er altijd vanuit het verleden en vanuit de toekomst iets in de mensen bij elkaar komt. Die ene stroom vanuit het verleden draagt ons oude mythische beelden aan: als gymnasiast moesten we ons nog een Helleense Mythos aanschaffen, ‘een lusthof van bonte verhalen’, speels en grappig, karikaturaal dus, verlucht voor jonge lieden. De Griekse tragedies, voortgekomen uit de mysteriën, mochten eeuwenlang onverdacht literatuur, schilderkunst en muziek inspireren: van speelse wulpserieën van de klassieke Franse schilderkunst tot Sartre’s Les Mouches, Anouilhs Antigone, en talloze herscheppingen van Arthur Miller, Steinbeck, Kafka, Vestdijk, Nijhoff, enzovoort. In deze werken wordt vooral dat ‘tragische’ levensbesef uitgedrukt dat als dimensie ontbreekt aan de westers rationeel christelijke levensbeschouwing. Het vindt zijn weg in de kunst, en dus in de marge.

In toenemende mate zien wij de volgende schizofrenie optreden: er is een manier van denken, van leven en van maatschappelijke ordening die ‘erkend’ wordt: het is de geasfalteerde weg waarover we innerlijk en uiterlijk te lopen hebben; de weg is die van wat ooit het rationalisme is geweest, de natuurwetenschap en de staatserkenning: een patriarchaal hiërarchische ordening. Daardoor ontstaat er aan de kant van de officiële weg, in de marge, natuurlijk van allerlei: op smalle weggetjes, in bosjes en verborgen hoekjes speelt zich van alles af dat op de grote weg niet mag. Kunst is dan in zoverre ‘erkend’ dat zij de wegkant mag opsieren, maar echt meedoen is er niet bij. Kortom: er bestaan uitlaatkleppen te over voor de menselijke ziel, in allerlei alternatieven, die zeker als gemeenschappelijk uitgangspunt kritiek op de brede asfaltweg van een smalle rationaliteit en efficiency hebben. Het zou de rationalisten en materialisten tot zelfreflexie kunnen aansporen: wat schort er aan onze manier van doen en denken?

Hoopgevend in dit verband is dat kritiek op het rationalisme niet alleen uit ‘obscurantistische’ hoeken komt (en die obscure hoeken zijn er zeker; er wordt voortdurend en terecht op de ‘wetenschapskritiek’ van de nazi’s gewezen, op hun irrationaliteit en hun oneigenlijk gebruik van begrippen als instinct en intuïtie) – maar ook van de kant van door en door te goeder trouw zijnde denkers en schrijvers als de christen-marxist Garaudy en de humanistisch-socialist Erich Fromm bijvoorbeeld. De werkelijk zinvolle kritiek komt vooral van de kant van mensen die het politiek en levensbeschouwelijk onverenigbare in hun eigen ziel en denken tot een eenheid proberen te brengen. Zonder innerlijke strijd of zelfreflexie hebben wij geen nieuwe cultuurwaarden te verwachten.

Garaudy bijvoorbeeld streeft naar een volheid van bestaan, waarin plaats is voor het geloof waar Jezus van Nazareth van getuigde en dat Liefde als kern heeft. De traditionele rede kan geen antwoord geven op levensvragen. Jezus van Nazareth is voor de traditionele rede echter evenzeer een mythe als Zeus of Donar.

Erich Fromm bekritiseert de oppermachtige logica en vindt een paradoxale logica, niet alleen bij Hegel of Marx, maar ook bij Heraclites. Ook bij Fromm wordt de laatste werkelijkheid niet door het denken begrepen, maar in de beleving van de eenheid. Er is dus sprake van een zeer wezenlijke en gerechtvaardigde kritiek op de rationele, hiërarchisch-logische manier van denken die zich van de levende werkelijkheid heeft afgesneden en zich heeft prijsgegeven aan de technologie en tot een mechanisch denken is geworden. Deze kritiek wil een kwaliteitsdimensie aan leven, mens en milieu toevoegen; een kwaliteitsdimensie ook aan het eigen beleven.

Een dergelijke behoefte leeft onder een steeds  groter aantal mensen. De Mythe van Moedertje Staat en haar alles dirigerende en wetende Ambtenaren – de priesters van de Farao – voldoet niet meer. De Godin van de Rede is oud geworden, en een mensbeeld waarin het hart als pomp en de melk als motor functioneert, kan de dorst van de ziel niet lessen. Zo is het begrijpelijk dat er mensen zijn die terugkeren tot oude mythische voorstellingen. Begrijpelijk en ook gevaarlijk. Want voor we het weten is de mythe tot ideologie verheven, zoals ook de nazi’s hebben gedaan. Per definitie is de mythe geen ideologie. Maar wat is zij dan wel?

Beeldbewustzijn
Mythen vormen de neerslag van een totaal ander, in lang vervlogen tijden algemeen menselijk bewustzijn: het beeldbewustzijn. Daaruit stammen niet alleen de mythische voorstellingen, maar ook sagen en sprookjes. Om een indruk van dit oude bewustzijn te krijgen, moeten we naar de oude verhalen van heel veel verschillende volkeren kijken: van de Australische Aboriginals, de indianen, Egyptenaren, Babyloniërs, Perzen, Indiërs, Chinezen, de Slaven, Germanen, Grieken tot aan de Lappen en Eskimo’s toe. Totaal verschillende verhalen, totaal verschillende dimensies, maar één ding hebben zij gemeen, er is een sterke samenhang, een directe verbondenheid tussen natuur, cultuur en godsdienst. De inmenging van goden en geestelijke wezens, hoe verschillend ook, is existentieel. De hele natuur is doordrongen van goddelijk-geestelijke wezens van allerlei rangorden:  de hele natuur is terug te voeren op deze, voor het menselijk bewustzijn in oude tijden reëel zichtbare en beleefbare wezens, die in de aarde-natuur, in de kosmos en in de mens werkzaam zijn.

Het oude beeldbewustzijn bedient zich aanvankelijk helemaal niet van begrippen: taal is daar nog die puur magisch-cultische oorsprong van de poëzie (de ‘toverspreuk’). Er is dus in plaats van een begripsbewustzijn (door de westerse mens ontwikkeld tot de ontzagwekkende hoogte van abstractie bij Kant en Hegel), een bewustzijn dat de wereld in en buiten zich direct in beelden beleeft.

Een goed voorbeeld is hier het begrip tijd. Dat begrip is voor ons volledig geabstraheerd en vermaterialiseerd tot de tijdsindeling op een horloge en de uitspraak ‘time is money’. Zo niet voor het oude beeldbewustzijn, van de Grieken in dit geval. Het Griekse woord voor tijd is Chronos. Chronos wordt ook wel met ruimte vertaald. Alles wat in de ruimte bestaat, alles wat dus een materiële vorm heeft aangenomen, is onderhevig aan vertering, gaat ten onder, verslijt. Met andere woorden: tijd werd gezien in beeld als vuur, zelfs als een wezen vuur, wiens activiteit erin bestaat alles te verteren, te verbruiken van het leven van een ander wezen, namelijk Chtoon. In de natuur en mens verteert Chronos Chtoon. In de activiteit van het vuur heeft men tegelijkertijd een beeld van de tijd. Later wordt het wezen Chtoon tot het begrip materie. In de beeldspraak van de poëzie vinden we veel wat wezenlijk terugwijst op het oude beeldbewustzijn. Zo is het beeld bij ons begrip hoop, dat van een opstijgende leeuwerik, en voor die van een opkomende gedachte: een kiemend plantje.

Bloedsbanden
Het beeldbewustzijn was sterk gekoppeld aan bloedsbanden, aan mensengroepen die zich als de vingers aan de hand van hun volk, hun clan,  hun familie beleefden. In de Bhagavad Gita wordt het schokkende moment beschreven waarop Ardjuna door Krishna, de wagenmenner – die zich later als Godheid openbaart – wordt aangespoord de strijd tegen zijn familieleden aan te binden. Hij voelt zich alsof zijn linkerhand met zijn rechter moet strijden. Maar in de loop van het verhaal, dat eigenlijk is opgebouwd uit de leringen (de Yoga’s) van Krishna, komt hij tot een moderner soort bewustzijn: individueler en abstracter. Ardjuna is dan zijn tijd vooruit.
Bij een terugval op de mythologie, zoals bijvoorbeeld bij de nazi-ideoloog Rosenberg, wordt vaak aan deze bloedsbanden en rassen volkskenmerken geappelleerd. Maar die bloedsbanden vormen al lang geen wezenlijke kracht meer. Al bij de oude Grieken putten kunst, staatkunde en filosofie uit mysteriewijsheid uit het Europese noorden, het Aziatische oosten en het Egyptische zuiden. De bloedsbanden van de families werden vervangen door de nieuwe banden die de polis, de stadstaat, schiep.

Schijnwerkelijkheid
Bij de oude Grieken vinden we ook op allerlei manieren de overgang van het oude beeldbewustzijn naar die ons zo vertrouwde van het rationele denken. Het geeft hun verhalen iets herkenbaars, terwijl voor veel westerse mensen de verhalen uit de nog oudere culturen en van de natuurvolken eerder bizar en verheven overkomen.

Zo zien we de Achaeische helden rond koning Agamemnon bij de belegering van Troje: wanneer hun kamp met Gods wraak door pest wordt geteisterd, worden niet alleen zoenoffers gebracht aan de toornige Zeus, maar ook heel rationeel het kamp met zeewater ontsmet. En we zien de priester-arts Hippokrates van Kos zijn patiënten niet alleen in een heilzaam werkende tempelslaap brengen, maar ook notitie nemen van het klimaat waarin de patiënten woonden, de voedingsgewoonten, polsslag en ademhaling.

De grootste historische figuur in wiens werk de overgang van beeld naar rationeel bewustzijn zichtbaar wordt is Plato. Algemeen bekend is zijn ideeënleer. Om deze leer te brengen maakt Plato gebruik yan een beeld: de beroemde allegorie van de grot. De mensen zijn eigenlijk gevangen in de grot. Daarvan zijn zij zich niet bewust. Als enige realiteit ervaren ze de schaduwbeelden van wat zich buiten in het heldere licht van de zon afspeelt. Buiten de grot zijn de wezenlijke dingen; binnen ziet men niets dan hun schaduw. De grot stelt het aardse leven van mensen voor, en wat wij voor wezenlijk houden is schijnwerkelijkheid. Buiten is het licht van de zon (de geestelijke werkelijkheid)  leven de ideeën van alle dingen, dat is zoveel als hun wezen: de hoogste idee en oorzaak van alles is de zon als idee van het goede.

Wanneer we nu kijken naar het Griekse woord idee, dan staat daar eidos of idea. (Ons woord idee is daar dus rechtstreeks van afgeleid.) Nu betekenen deze woorden in de eerste plaats (zie gewoon woordenboek) gezichtsbeeld, gestalte, uiterlijk. Pas daarna volgt als betekenis totaalindruk, denkbeeld, idee. Dit laatste als bijzonderheid bij Plato: ‘Idee, als voorstelling van de formule die de veelzijdige werkelijkheid aan algemene normen bindt’. Deze explicatie is duidelijk al een interpretatie. Voor Plato hadden zijn ideeën nog een gezicht, een gestalte; voor hem manifesteerde het wezen der dingen zich in de idee.

Verbrokkeling
Als moderne mensen, zeker de ‘idealisten’ onder ons, kunnen we dit abstracte wezen van alle dingen, deze ideeën en idealen, misschien beter benaderen, wanneer we er de functie, de functionaliteit voor nemen. Het wezen van de verschillende dingen is datgene waardoor iets functioneert. Een werkelijk ideaal kan niet anders dan werkelijk functioneren. Bij Aristoteles wordt het begripsmateriaal verder uitgewerkt en gesystematiseerd in categorieën, zoals deze filosoof ook de dierenwereld in verschillende soorten onderbracht.

We kunnen in de loop van de geschiedenis waarnemen hoe steeds meer verschijnselen zich als het ware ontvouwen, ontwikkelen en verzelfstandigen vanuit een oorspronkelijke eenheid. Wanneer ziel en natuur en geest, wanneer religie, wetenschap en kunst uit elkaar gaan liggen, ontstaat de ons omringende wereld in steeds fijnere vertakkingen onderdelen en specialismen, onderwerp van onze waarneming, en buiten onze innerlijke belevingswereld geplaatst. Een voortdurend verder analyseren en differentiëren; de eenheid is zoek, de verbrokkeling totaal.

Wild Man
Geen wonder dus als men op congressen (behalve de genoemde te Brussel en New York ook een op Kreta, en wel over ‘Mythos, yesterday en today’) op zoek gaat naar de eenheid, en de mythisch-logische reconstructie van de mens. ‘Misschien kom ik over een week wel herboren uit dit congres te voorschijn en start ik mijn nieuwe leven met een nieuwe mythe, wordt opgemerkt (journaliste Johanneke van Slooten van de Haagse Post maakte het congres op Kreta mee en schreef er een -wellicht terecht – zeer kritische beschouwing over). Ook de aanwezige Duitse schrijver Günter Kunert merkt op dat het ‘zoeken naar de mythe de zucht is naar een nieuwe religiositeit, naar een geloven en niet naar nieuwe kennis of inzichten’. Op dat niveau ligt ook de ideologie-vorming.

De nieuwe ideologieën concentreren zich tijdens dit congres dan vooral rond neo-matriarchale verheerlijking van het oorspronkelijk-vrouwelijke, en de daar natuurlijk direct bij aansluitende mythe van de Dionysische ‘Wild Man’. In een rationele, koude en verburgerlijkte samenleving is de erotiek uiteraard in de marge geschoven, wat zich dan wreekt met de harde seks-en porno business. Wanneer we de mythologieën al te letterlijk nemen, en dus niet meer als beeld, valt er niet alleen op het gebied van de erotiek veel te halen, maar worden de sluizen open getrokken voor anachronismen van allerlei soort.
Iemand die daar rijkelijk uit put is Mellie Uyldert. In een betrekkelijk recent  verleden werden bloedsband-theorieën van de Nationaal Socialisten en het Derde Rijk direct op de oude Germaanse mythologieën geënt: daar liggen de gevaarlijke interpretaties, waar men de historische dimensie van de mythe wil terug halen. Dan roepen de Italianen om hun Romeinse Caesaren, en Duitsers om niet meer bestaande bloedsbanden.

Reactionair
Behalve de sensus historicus (al die verhalen hebben zich ooit eens ergens gedurende de mensheidsontwikkeling op de een of andere manier afgespeeld), kunnen de mythe en het sprookje ook als beeld in hun allegorische betekenis worden begrepen. Het beeld werkt sterk op de ziel (sensus moralis), want het werkt met archetypen zo men wil; met duidelijke beelden van goed en kwaad, met de diepste problemen van dood en leven, met thema’s als opstanding en loutering. Niet voor niets werkten de Griekse tragedies als een loutering van de ziel, een catharsis; en in feite moet iedere werkelijke kunst een dergelijke doorleving mogelijk maken. In die zin gebruiken psychotherapeuten in navolging van Jung en Marie-Louise von Franz de beelden ook als genezingsmiddel.

Tenslotte is er nog een sensus eschatologicus aan ieder verhaal: een interpretatielaag die zich tot in de toekomst uitstrekt. Zo vinden we in de Griekse mythologie veel eschatologie in de zin van een waarschuwend bedacht zijn op de scheiding van het mannelijke en vrouwelijke, als kwaliteit begrepen: het vrouwelijke gevoel dat het mannelijke rationele denken bijstaat in het verhaal van Ariadne en Theseus; het vrouwelijke dat geofferd wordt aan het mannelijke (het offer van Iphigeneia). Verschillende, zowel negatieve als positieve aspecten van het vrouwelijke en mannelijke zijn in deze verhalen herkenbaar voor de menselijke ziel, in wie al deze krachten in verschillende verhoudingen leven.

Zo kunnen we van de mythologieën als beeld veel leren, over onze eigen ziel, en over onze eigen ‘beschaving’. We kunnen er echter geen ideologie aan ontlenen; terug naar het Oude Eenheidsbeleven, de natuur en de bloedsbanden die niet meer bestaan, gaat nu eenmaal niet. Overal waar het verleden onveranderd in het heden wordt geprojecteerd, ontstaat het reactionaire, conservatieve, retarderende kwaad.

Nieuwe imaginaties
En dan is daar met betrekking tot de hernieuwde belangstelling voor mythen en sprookjes, ook de stroom die de mensen uit de toekomst tegemoet komt: de stroom die doet verlangen naar de ontwikkeling van een nieuw beeldend (‘imaginatief’) bewustzijn. Dit imaginatieve bewustzijn kan niet voortborduren op oude beelden; integendeel. Het zal geheel opnieuw in mensen zelf moeten worden ontwikkeld en aangeleerd.

In deze zin – het is goed daar eens duidelijk op te wijzen – onderscheidt de antroposofie zich zeer in het bijzonder van de andere alternatieven: het geeft stap voor stap een bewuste, denkende weg tot dat nieuwe bewustzijn aan. De nieuwe ‘imaginaties’ kunnen denkend begrepen worden; het zijn werkelijke denkbeelden in de zin van totaalbeelden, die niet illustratief, maar levend-
groeiend zijn en voor steeds verdere uitwerking en toepassing vatbaar. Zo ontwikkelde Goethe zo’n eerste imaginatie, toen hij aan de hand van
plantenstudies – niet in de zin van determineren, maar juist van relateren van de verschillende groeifasen tot zijn beeld van de oerplant kwam: het wezen dat aan alle planten ten grondslag ligt, de functie die in alle planten werkzaam is.

Nieuwe imaginaties zullen functionele denkbeelden zijn; geen abstracties of theorieën die de werkelijkheid onrecht doen, maar bruikbare en in de levende werkelijkheid wortelende voorstellingen.

Een belangrijke imaginatie heeft Rudolf Steiner ontwikkeld in de vorm van het beeld van de drieledige mens: de mens die met een zenuw-zintuigstelsel, een ademhalingsstelsel, en een stofwisselingsgebied het belangrijkste middelpunt voor het denken in het hoofd heeft, voor het voelen in het ‘ritmische’ middengebied, en voor het willen in de onderpool van het stofwisselingsstelsel. Aan dit beeld geeft hij een zowel fysiologische als psychologische grondslag, die het uitgangspunt vormen voor een geheel nieuwe, intussen in talrijke scholen gepraktiseerde pedagogie.

Hiermee samenhangend – hoewel zeker niet analoog – is een andere belangrijke imaginatie gegeven: die van de driegeleding van het sociale organisme. Waar alle maatschappelijke, economische en politieke problematiek zich uiteindelijk concentreert rond de vragen van individu en collectiviteit, van vrijheid, gelijkheid en broederschap, wordt door de driegeleding van het sociale organisme (en dat is net zomin een driedeling als dat mensen uit een losse kop, een losse borst en een los onderlijf bestaan) deze problematiek in haar juiste verhoudingen gezien: wij zijn vrij, en optimaal individueel binnen het gebied van het geestesleven, wij zijn volstrekt gelijk aan alle anderen voor het politieke rechtsleven, en wij hebben in allerlei verhoudingen van broederlijkheid en zusterlijkheid met elkaar te maken in het economisch leven.

In zo’n maatschappij krijgt de menselijke beleving die kwalitatieve aanvulling waar zo naar wordt gezocht. Vanuit een creatief, want vrij, geestelijk-cultureel leven, kan de menselijke redelijkheid zich werkelijk in een politiek-actief rechtsleven oefenen, en kan ‘de leer van Jezus van Nazareth, waarvan de kern liefde is’, door ieder van ons in het economische leven worden gepraktiseerd.

Een ‘nieuwe mythe’ zou die van een organische, rechtvaardige, broederlijke wereldeconomie kunnen zijn: de grootste algemeen menselijke band die er bestaat. Dat is meer dan een verhaal. Dat is een functioneel idee.

Edith Boeke†, Jonas 13, *15-02-1985

vertelstof: alle artikelen

drieledige mens

 

953
Advertenties

VRIJESCHOOL – Burn out

.

Dit artikel van dokter Aart van der Stel heeft mij veel inzicht verschaft in bepaalde situaties in mijn vrijeschoolleven.

Het lijkt me nog altijd actueel, ook al werd het in de jaren 1980 geschreven.

Afgeknapt uit onvermogen in het hier en nu te leven

Het burnt out-syndroom bij leerkrachten

Doen wat er op dit moment aan de orde is, het is een van de sleutelbegrippen als het om gezond zijn en blijven gaat. Dat klinkt heel sim­pel, maar ga d’r maar aanstaan in de praktijk… Bijvoorbeeld als je leraar bent.

Het valt mij op dat er veel leraren zijn die zich ziek voelen of bang zijn om ziek te worden. Het vervangprobleem is groot. Veel leerkrachten ervaren hun beroep als (te) zwaar. Vakanties zijn broodnodig om ‘het weer aan te kunnen’. Sommige verplichtingen zoals de leraars­vergadering – over andere activiteiten kan ik niet oordelen- kan men niet nakomen.

Op zichzelf is er niets tegen ziek zijn. Ziek zijn is een manier om beter te wor­den, niet alleen als leerkracht, maar als mens. Ziekte dient met enige eerbied en terughoudendheid bejegend te worden. In het ziek zijn wordt een mogelijkheid geboden om in te grijpen in de biografie en te veranderen, te verbeteren en rijker te worden. Dat is het ‘betere’ van de genezing. Wil je echt beter worden, dan moet je hard werken. Wanneer je het ziek zijn beëindigt zodra het bestaan weer enigszins draaglijk geworden is, en niet tot het einde gegaan bent, dan leg je daarmee de basis voor een nieuwe ziekte. De beker moet geheel geleegd worden. Daarover straks. Eerst de vraag: waarom wordt een mens eigenlijk ziek?

Binnen en buiten
Een mens functioneert tussen twee uiter­sten: tussen enerzijds de buitenwereld om hem heen en anderzijds de ‘binnen­wereld’, de eigen wilsimpulsen, dat wat helemaal ‘ik’ is. De buitenwereld omvat alles wat je om je heen kunt waarnemen, stoffelijk en onstoffelijk. Dus niet alleen de natuur, onze medemensen (leerlingen en hun ouders bijvoorbeeld) en de cultuur waarin wij leven, maar ook de ideeën en idealen die voortkomen uit die cultuur, uit onze opvoeding of onze wereldbeschouwing. Wij baden, zo niet verdrinken in de voorstellingen, idealen en verwachtin­gen waaraan wij moeten voldoen als mens, partner, leerkracht, ouder enzovoort. Die voorstellingen zijn allemaal opgeslagen in het geweten, dat een samenstel is van allerlei bewuste, half- ­en niet-bewuste geboden en verboden, idealen en voorstellingen welke ooit in ons zijn verankerd. Het gevolg is dat we van onszelf moeten voldoen aan een hele reeks verwachtingen en dat valt niet altijd mee.
In dit verband heeft ‘bui­ten’ alles te maken met ‘zoals het nu eenmaal is…’, met de geworden wereld die in het verleden is ontstaan. Over ‘binnen’ kun je alleen maar spreken in omschrijvende termen als ‘mijn diepste zelf’, ‘ik’, ‘dat wat bij mij hoort’ etcetera. ‘Binnen’ heeft te maken met het lot, met je karma. Het is het antwoord op de vraag ‘Wat is nu zo typisch voor mijn leven, wat herken ik als echt van mijzelf?’
‘Binnen’ uit zich in de plotse­linge opwelling, de gedrevenheid die je, soms tot je eigen verbazing voelt ten aanzien van bepaalde zaken als interes­ses, liefdes of je toekomstverwachting.

Gezondheid
Als het goed is, is de mens in staat om binnen en buiten, oftewel toekomst en verleden tijd, met elkaar in evenwicht te brengen en te houden en daardoor in het hier en nu te leven. Daar hoort een andere gemoedstoestand bij dan bij ver­leden en toekomst. In het heden gaat het erom dat je wakker bent voor wat er op dit moment met je gebeurt. Wat zie, hoor en voel ik nu? Wat zou ik nu willen doen?
Ziek word je daarentegen, wanneer je je geheel laat bepalen door dat wat er van je verwacht wordt. Buiten is dan de belangrijkste auteur van je biografie. Je wordt óók ziek, wanneer je je eigen intenties, dat wat alleen voor jou belang­rijk is, als enige maatstaf neemt voor je activiteiten. Geplaatst in het licht van de tegenstelling ziekte-gezondheid is ziekte dus een onvermogen om binnen en bui­ten met elkaar te verzoenen en gezond­heid het vermogen om in het heden te leven. Het sleutelwoord bij het onderhouden van die gezondheid is ‘aanwezigheid’. Het is niet gemakkelijk om aanwezig te zijn in het heden. Om je als leraar niet te laten afleiden door allerlei eisende en zorgvragende ouders enerzijds en hoge pedagogische idealen anderzijds en om ‘gewoon’ te ervaren wat de kinderen je laten zien. Anders gezegd: om te zien wat er te zien is, in plaats van te kijken om te zien wat je geacht wordt te zien. Alleen aanwezig te zijn en te kijken is echter niet genoeg: het zijn slechts voor­waarden om tot inzichten te komen. Al kijkend en onvoorwaardelijk waar­nemend kan je ‘opeens’ iets invallen, waardoor je als het ware achter de waar­neming kunt kijken. De antroposofie noemt dergelijke invallen imaginaties. Overigens doen imaginaties zich vaker voor dan het lijkt. Ze zijn het resultaat van het onvoorwaardelijke kijken, de innerlijke arbeid die je verzet om niet te zien wat je zou willen zien. Dergelijke invallen heeft iedereen van tijd tot tijd. Het interessante is nu, en ook dat kan iedereen ervaren, dat je van het bewust worden van zo’n imaginatie op een prettige manier opgewonden en enthousiast kunt worden. Het geeft ener­gie, prikkelt je tot het vormen van ideeën. Met die energie ben je werkzaam in je klas; kinderen leven van de imaginaties van hun leerkrachten. Het nastreven van idealen die je van de buitenwereld hebt geleend (en die je je dus nog niet eigen hebt gemaakt) kost echter juist energie. In ideeën die je pet te boven gaan, bijvoorbeeld dat het goed is voor het kind dat het rechtshandig leert schrijven, moet je eerst energie investeren om ze je enigszins eigen te maken. Het is te vergelijken met het leerproces van leerlingen: voor ze som­men met breuken onder de knie hebben, moeten ze eerst flink ploeteren.

Energie
Een behoorlijke huishouding beweegt zich tussen inkomsten en uitgaven. Alleen uitgeven gaat maar een beperkte tijd goed: Op een bepaald moment moe­ten er ook inkomsten tegenover staan, anders ontstaan er grote problemen. Zo is het ook met energie. Er is dus niets op tegen om je als leraar bezig te houden met de vaak moeilijke teksten van Steiner, zolang dat maar in evenwicht gehouden wordt door eigen ervaringen, en door enthousiasme voortgebracht door eigen activiteit. Je kunt met de teksten van Steiner zo omgaan dat ze in je eigen groeiproces fungeren als herkenningspunt. Daardoor kan een bepaalde zinsnede plotseling op zijn plaats vallen. Ineens, eigenlijk ook weer als een imaginatie, doorzie je nog dieper de betekenis van je ervaringen. Ideaalbeeld en werkelijke belevenis sluiten op zo’n moment op elkaar aan.
Hoe kunnen collega’s ervoor zorgen dat er een sfeer van wederzijdse gezond­heidsbevordering ontstaat? Hoe zou je het bovenstaande bijvoorbeeld in de groep van leerkrachten, de collegeverga­dering, kunnen toepassen? Het woord ‘college’ houdt duidelijk iets gemeen­schappelijks in. Dat uit zich ook in het­geen er in de collegevergadering bespro­ken wordt. Ruwweg vallen daarbij twee aandachtsgebieden te onderscheiden: schoolaangelegenheden (‘punten’ en kinderbesprekingen) en bezinning op het ideeëngoed van de vrijeschoolpedagogiek (inhoudelijk deel).
Het eerste gebied komt overeen met dat wat ik eerder als ‘buiten’ typeerde, het tweede met wat ik ‘binnen’ noemde. Wat echter maar heel summier aan de orde komt is dat wat zich tussen binnen en buiten beweegt: het ontwikkelen van bewustzijn ten aanzien van het eigen functioneren, het waarnemen van de andere collega’s én het daarover op een prettige, opbouwende manier communi­ceren. Dat is het gebied waar we elkaar in het sociale leven gezond kunnen maken. Juist dit gebied dreigt echter voortdurend te worden ingepikt door ‘binnen’ en ‘buiten’. Als de lerarenverga­dering werkelijk het hart van de school is dan moet daarin alles wat de leraren ter harte gaat aan de orde kunnen komen.

Vertrouwen
Dat gaat niet echter zomaar. Allereerst moet er vertrouwen zijn. Vertrouwen is de basis voor elke menselijke relatie; door wantrouwen wordt elke relatie tot een uitputtingsslag. Als ik dus zeg dat ik iets moeilijk vind, niet kan of niet wil, dan moet dat niet tegen mij gebruikt worden. Hoogstens kan het dienen om samen met de gesprekspartner te kijken hoe een eventuele oplossing er uit zou kunnen zien.
Een essentiële voorwaarde voor vertrou­wen is het toelaten van de ontdekking dat je iets moeilijk vindt en ook dat je het moeilijk vindt om dat toe te geven. Het vergt nogal wat om voor jezelf toe te geven dat je niet zo geweldig bent als je wel gehoopt had. Gewoon zijn wie en wat je bent en daar bewustzijn over ontwikkelen is moeilijk maar wel een eerste voorwaarde voor innerlijke groei.

Innerlijke groei moet je jezelf gunnen. Innerlijk en uiterlijk moet er ruimte voor gemaakt worden. Een van de grote trucs om niet aan innerlijke groei te hoeven werken is “het te druk hebben”. “Geen tijd om na te denken” maakt weliswaar veel indruk op de buitenwereld, maar leidt wel tot verschraling van de ervaring van de eigen persoonlijk­heid. Innerlijk gecreëerde ruimte kan je gebruiken voor je eigen inner­lijke ontwikke­ling. Daarnaast om iemand anders (partner, collega, leerling) in jezelf toe te laten. Iemand in jezelf toela­ten noemen we interesse. Zonder inte­resse is het niet mogelijk om een helpen­de rol te spelen in de biografie van een ander. Een ander kan alleen ten volle in jezelf aanwezig zijn als hij helemaal zichzelf mag zijn. Dat vergt een grote mate van objectiviteit. Zodra iemand op weg naar ons innerlijk allerlei vooroor­delen ontmoet kan er van een echte interesse geen sprake meer zijn. Het beroep van leerkracht is een zwaar beroep, niet in het minst door de grote maatschappelijke druk (ouders die schei­den, het toenemend geweld) waaronder leerkrachten moeten functioneren. Het werk kan alleen gedaan worden – en dat ook op langere termijn- wanneer leer­krachten zichzelf en elkaar gezond hou­den. Dat gaat niet vanzelf. Er zijn allerlei (intra) persoonlijke weerstanden, of, zoals de antroposofie ze noemt, tegen­krachten. We moeten ons er goed van bewust zijn dat die krachten niet van buitenaf komen, maar in ons ontstaan en aanwezig zijn. De ondermijning van het schoolleven komt van binnenuit en niet van buitenaf.

 Aart van der Stel, huisarts,  in “Jonas’, nr. onbekend
.

anti burn out:   met vreugde in het nu aanwezig zijn

 

144-138

 

 

 

 

 

 

 

 

.