Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Rekenraadsel (nieuw)

.

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.

Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’.

Oplossing:

Vermenigvuldigen geeft ‘vaste’ getallen: B x D = 4:  B = 1,2 of 4, ook zo voor D. In C x E = 5, is C 1 of 5, idem voor E.
Nu moeten we een keuze maken. Stel B = 1 en E = 1, dan zou in A + B + E = 10, A 8 zijn, maar 8 doet niet mee. Dus gaan we nu E = 5 proberen. In A + B + E zou A dan 4 zijn. Maar in A + B + F = 14, zou F dan 9 zijn en die doet ook niet mee.
Dan proberen we de combinatie B = 4 en E = 1. In A + B + E = 10, dan is A 5, in A + B + F = 14 is  F dan 5. Voorlopig kan dit. Bij E = 5, is  in C + D + E = 7, omdat de 0 niet meedoet, C 1 en D 1. We hebben nu voorlopig A = 5; B = 4, C = 1, D = 1, E = 5 en F = 5. We voldoen hiermee ook aan de eis dat er 5 oneven getallen in de code zitten. We hebben het probleem hiermee opgelost:

A = 5; B = 4, C = 1; D = 1; E = 5; F = 5

Alle breinbrekers

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle ‘gewone’ raadsels

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (72)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

.

zomer

Dit boek heeft geen tekst, maar wél mooie illustraties waarop van alles is te zien. Weer een goed voorbeeld van een boek dat zich uitstekend leent om met het jongere kind, de peuter, al vertellend, je fantasie de vrije loop te laten. Je kan van alles aanwijzen en laten (her)benoemen: een weldaad voor de woordenschat en dus taalontwikkeling.
Een jongen en meisje laten een bootje varen; ze spelen op het strand.

Gerda Muller

Uitgeverij Christofoor

Boek

Leeftijd: v.a. 3jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs.

2673

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (37)

.

KREEFT

Van afbeeldingen uit Egyptische tempels weten we dat de Egyptenaren op de plaats van ons dierenriemteken Kreeft hun heilige kever Scarabaeus zagen die ze op ontelbare amuletten, zegels e.d. afbeeldden. Voor hen was het een bijzondere vorm waarin de zon verscheen en als een symbool van vernieuwing.
De oude Grieken zagen in dit sterrenbeeld de kreeft die de godin Hera aan Herakles (→ Herakles) schonk terwijl deze met de Lernaïsche slang vocht (→Hydra).
Koning Eurystheus had de held Herakles als tweede opdracht gegeven de slang van Lerna te doden. In het begin vocht Herakles tevergeefs met het negenkoppige slangenmonster. Voor elke kop die hij eraf sloeg, groeiden er uit de bloedende wond twee of drie nieuwe en de held had al zijn aandacht nodig om de giftige beten af te weren.
De godin Hera was Herakles vanaf zijn geboorte slecht gezind. Ze vervolgde hem, omdat hij een zoon van haar echtgenoot Zeus was uit een verbinding met een sterfelijk wezen. Maar alle hindernissen die zij Herakles in de weg legde, bleken voor hem beproevingen van zijn kracht en versterkten zijn zelfvertrouwen. Zo ging het ook met de strijd tegen de Hydra van Lerna. Hera wilde hem bij de Hydra afleiden, zodat hij een ogenblik niet goed zou opletten, zodat deze hem dan een dodelijke beet zou kunnen geven. Ze liet uit het moeras een grote kreeft tevoorschijn komen die van achter op de held toeliep en hem met zijn scharen in zijn hiel kneep. Herakles draaide zich echter niet naar de kreeft om, wat de bedoeling van Hera was, maar vertrapte hem door met een geweldige stamp van zijn voet naar achter uit te halen. Het zou Hera geweest zijn die de kreeft als sterrenbeeld vereeuwigd heeft.

Voor de Romeinen was de open sterrenhoop Praesepe een kribbe vol hooi waar twee ezels bij stonden, de zuidelijke en de noordelijke ezel en die sterren heten nu ook nog zo. Krib en ezel zouden door Zeus tot sterren zijn gemaakt. Waarom, dat weten we niet.

Het is opmerkelijk dat er niet meer legendarische verhalen over het sterrenbeeld Kreeft bestaan. Misschien wel omdat zijn sterren niet zo opvallen. 
Wanneer we mogen aannemen dat het fixeren van de sterren niet toevallig is, maar vanuit een hogere wijsheid plaatsvond, dan komen we het geheim zeker op het spoor, wanneer we ons nog meer bezighouden met de kreeft als dier. 
We willen daarom hierna een paar gedachten over het karakteristieke van de kreeft toevoegen, zodat ons het sterrenbeeld vertrouwder wordt.

De kreeft leeft in het water en ademt door kieuwen als een vis. Af en toe zwemt hij ook, maar overdag houdt hij zich liever schuil in zijn hol onder een steen of een soortgelijke schuilplaats en pas als het duister begint te worden gaat hij op zoek naar voedsel. Tientallen jaren geleden waren onze beken, rivieren en zeeën rijk aan kreeften. Wie tegenwoordig een kreeft wil waarnemen, moet nu naar een dierentuin. 
Als je een kreeft voor je hebt, valt allereerst zijn pantser op. Dit omsluit het dier als een harnas. Kop en borstdeel zijn star, terwijl het achterdeel samengesteld is uit beweeglijke ringen. De lange voelsprieten tasten al het onbekende af. Slechts langzaam beweegt de kreeft zich met zijn buigzame poten voorwaarts, de grote scharen als een wapen voor zich uit. 
Als er een vijand nadert of ander gevaar dreigt, trekt de kreeft zich onmiddellijk in een schuilplaats terug. Dat is een wezenlijk kenmerkend verschil met het gedrag van vissen. Die richten zich voortdurend op het stukje wereld dat ze voor zich hebben en laten de wereld achter zich voor wat die is. Kreeften daarentegen, bewegen zich voorzichtig voorwaarts, houden hun scharen in de aanslag en vluchten zo snel als mogelijk in blind vertrouwen terug naar de wereld achter hen. 
Ook het sterrenbeeld Kreeft beweegt zich aan de hemel schijnbaar teruggaand.
Het ademhalingsproces van  de kreeft en de vis is verschillend. Het ademwater van de kreeft stroomt door een spleet aan de achterkant van het borstpantser naar binnen en voor bij een opening dichtbij de kop weer naar buiten. De ademstroom bij de vis laat zich vergelijken met onze inademing, die van de kreeft met ons uitademen, want hij stoot zijn adem naar voren weg. 
Om te groeien verwisselt de kreeft van tijd tot tijd van huid, hij moet zijn stijve pantser afleggen. Dit wijze proces gaat zo: de kreeft gaat vasten waardoor zijn pantser losser komt te zitten. Tegelijkertijd zet hij vanuit zijn huid kalk af in een daarvoor bestemde ruimte in zijn maag en slaat dat daar op. Dat duurt zo lang, tot er in het borstpantser een scheur ontstaat. Nu bevrijdt het dier zich uit zijn behuizing en houdt zich een tijd verborgen, want zonder pantser is het volledig weerloos. In deze tijd groeit de kreeft en vernieuwt de afgebroken delen. Dan zet hij in zijn huid weer kalk af, bouwt een nieuw pantser om zich heen en leidt zijn leven weer als vanouds. 
Wat een merkwaardig wezen is de kreeft toch! Op aarde en als sterrenbeeld!
.

Zo                                                                   z                                                         zw
febr.   1    24°°u                                   mrt.    1   22°°u                             apr.  1  21°°u*
          15   23°°u                                              15  21°°u                                     15  20°°u*

*zomertijd

De zwak schitterende sterren van het sterrenbeeld Kreeft zijn alleen bij een heldere sterrenhemel buiten de grote stad te zien. We vinden het tussen het sterrenbeeld van de Leeuw en dat van de Tweelingen in maart hoog aan de hemel in het zuiden, in april in het zuidoosten en in mei naar het westen toe dalend, alles aan de avondhemel.

Namen van de sterren:

Acubens (Arabisch) = schaar (van de kreeft)
Asellus Australis (Latijn) = zuidelijke ezel
Asellus borealis (Latijn) = noordelijke ezel
Presepe (Latijn) = kribbe

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen.

.

2670

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Jan (36)

Dieuwkje Hesselsholkamp, via Facebookgroep vrijeschool, juni 2022

.

het sint-jansfeest en de zomerzonnewende

.

Ik ben de moeder zon en draag
de aarde bij nacht, de aarde bij dag.
Ik houd haar vast en schenk haar licht,
dat alles op haar groeien kan.
Steen en plant, mens en dier,
alles ontvangt zijn licht van hier.
Doe open je hart als een beker klein,
laat mijn licht ook daarbinnen zijn.
Doe open je hartje, mijn kindekein,
dat wij tezamen één licht mogen zijn.
Ik ben de moeder zon.

Christian Morgenstern

Het Sint-Jansfeest en de zomerzonnewende

De zomerzonnewende wordt steeds vaker weer gevierd en daarom wil ik je
hier iets meer over vertellen. Op 24 juni wordt onder andere op de vrijeschool het Sint-Jansfeest gevierd. De geboortedag van Johannes de Doper wordt herdacht. Van andere heiligen wordt de sterfdag gevierd, maar niet van Johannes. Zijn geboortedag valt net na de zomerzonnewende (21 juni), maar
dat is niet altijd zo geweest.
Voor de invoering van de Gregoriaanse kalender vielen die dagen samen. Johannes was een man die dicht bij de natuur leefde en een zeer groot/hoog geestelijk wezen was. Hij was de wegbereider van Christus. Hij doopte Christus in de Jordaan, terwijl een duif neerdaalde op Zijn hoofd. Het was het begin van de drie jaren dat Christus preekte en genas.
Johannes sprak de legendarische woorden: ‘Ik moet afnemen, Hij moet
groeien.’ Daarin geeft hij zowel het geestelijke aspect weer (zijn geest en
invloed werden kleiner), als het proces dat zich in de natuur laat zien.
Eigenlijk is het Sint-Jansfeest een samensmelting van het oude Germaanse
midzomerfeest met de christelijke heiligendag. Het Sint-Jansfeest staat
tegenover het kerstfeest, waarbij we de geboorte van Christus en de
winterzonnewende vieren. Bij het oude Germaanse feest op 21 juni – de
langste dag- werden vuren ontstoken ter zuivering en braken er magische krachten los. Men verzamelde geneeskrachtige kruiden voor het komend jaar. In spiritueel opzicht werd het zware aardse verheven zodat de ziel met
zijn vleugels naar de zon (zonnegeest) kon vliegen (en in extase kon raken). Rond de zomerzonnewende is de atmosfeer van de aarde groter. De mensen en vooral de druïden ervoeren dat het geestelijke dichterbij was. Letterlijk door in contact te komen met die geesten en het hogere, maar ook via de (extra) krachtige werking op dat moment van dromen en de geneeskrachtige kruiden. De feesten waren een uitdrukking van het extatische buiten zichzelf raken van de menselijke ziel in de zomer. Maar het gebeurde allemaal in een ‘dromerige’ sfeer. De mens was toen namelijk nog niet wakker.
In deze tijd zijn de mensen en kinderen erg wakker en verbonden met de aarde, maar wij kunnen nog wel iets merken van die extatische zomersfeer. Het vuur kan ons doen inspireren en ontvlammen. Als dat met bewustzijn gebeurt,
kunnen we als mens groeien, maar als dat zonder bewustzijn gebeurt, kunnen er letterlijke en figuurlijke branden ontstaan. Dat laatste zagen we bij het uitbreken van WO I en ook bij zomerse schietpartijen. Positief kunnen wij nieuwe
krachten opdoen, geïnspireerd en zelfs buiten onszelf raken. Wij reizen en verlaten daarmee letterlijk ons huis en zijn in de zomer veel buiten. We zijn wat soezerig van de warmte, dromerig en zijn daardoor figuurlijk uit ons huis
(lichaam). Dat is niet helemaal de bedoeling. Geniet van de zomer, maar blijf wakker en bij jezelf. Zeg ook tegen de uitgelaten of dromerige kinderen: ‘Pas op!’ (Bijvoorbeeld buiten op straat), want ze letten zelf niet op.
De zon is steeds hoger geklommen aan de hemel en alles in de natuur heeft zijn hoogtepunt bereikt. Letterlijk doordat de planten vaak niet hoger worden en ook de bloemenpracht is nu op zijn mooist.
Na 21 juni worden de dagen weer korter en de nachten langer. Het zomerhoogtepunt is ook een ommekeer en dat is in de natuur waar te nemen; de
bloei en groei neemt af en de vruchten beginnen te rijpen. Grassen en granen worden geel.
Er is een oud gezegde dat luidt: ‘Met Sint-Jan draait het blad zich om.’ Dit geeft die langzame verandering in de natuur weer. Rond de zonnewende bloeit ook het gele en genezende sint-janskruid. Dat wonden geneest en als supplement helpt bij (milde) depressieve klachten en slapeloosheid, maar het kan niet altijd ingezet worden (even check voor gebruik dus)!
Het Sint-Jansfeest is op de vrijeschool een laatste uitspatting voor de zomervakantie begint. Het is een buitenfeest met zang, muziek, volksdansen, spelletjes, bloemenkransen, vuurspringen en een picknick (met drie in de pan en
vlierbloesemsiroop). Op de vrijescholen wordt er vanaf de eerste klas over het vuur gesprongen, niet alleen omdat het kind hier jaren naar uitkeek en het spannend, nu pas verantwoord en leuk is, maar ook om in de warmte van het
vuur opgetild en geïnspireerd te worden. Voor de volwassen zijn de jaarfeesten ook een mogelijkheid om te groeien.
Dit feest is er een van innerlijke groei: Verbinden met het geestelijke zonder jezelf te verliezen. De vrucht, die zich vormt, vasthouden zodat je in de herfst – als je weer tot en in jezelf gekomen bent- kunt
oogsten. – http://www.antroposofiekind.nl

Sint-Jan, die komt er an!

23 juni 2015 Jaarfeesten [Naomi Rowaan : Antroposofisch leven.]

Het jaarfeest van Sint-Jan
Sint-Jan wordt gevierd op 24 juni; het valt samen met de zomerzonnewende en het is het laatste jaarfeest dat op vrijescholen gevierd wordt voor de zomervakantie begint.
Maar wie was Sint-Jan, en waarom vieren we dit feest? Dit stuk gaat in op de eeuwenoude geschiedenis en de gebruiken van Sint-Jan.

Oogst en blijdschap

Sint-Jan is op de vrijescholen een van de uitbundigste jaarfeesten.
Kinderen dragen veelal wit of wit met rode kleding*, en dossen zich uit met
grote gevlochten kransen gemaakt van veldbloemen. Alle planten en bloemen om ons heen zijn in bloei, de bomen zijn groen en vol, de dieren hebben jongen. Overal om ons heen in de natuur zien we geluk en overvloed. Dit herinnert ons eraan dat eind juni een begin gemaakt wordt met de oogst. Wij hebben nu kassen en kunnen ons voedsel importeren, maar vroeger waren de mensen afhankelijk van hun oogst en waren ze blij als de oogsttijd weer aanbrak.

Zomerzonnewende en heidense gebruiken

Midzomernacht, omstreeks 21 juni, is het keerpunt van het licht, de
zomerzonnewende. De dagen worden vanaf deze dag weer korter en de
nachten langer. De oude, voorchristelijke natuurreligies, die veel aandacht
hadden voor de werelden naast de onze, beschouwden dit moment in het
jaar als bijzonder. Contact met de wereld van de natuurwezens en die van de
overledenen werd even wat gemakkelijker; de sluier tussen onze wereld en
de andere werd veel dunner. Door middel van rituelen legde men contact en
vroeg om hulp. De keerzijde was dat er ook meer bescherming gevraagd
moest worden omdat ook kwade wezens dichterbij konden komen. De
paganisten en heksen van nu vieren midzomer of Litha vandaag de dag nog steeds, gebaseerd op deze oude gebruiken.

Van heidens naar christelijk feest

Toen het christendom begon te overheersen, werden de al bestaande jaarfeesten omgevormd naar christelijke feesten, zoals we ze vandaag de dag nog grotendeels kennen. De oude kern is soms voor een deel bewaard gebleven.
Voor 24 juni geldt dat deze datum binnen het christendom wordt beschouwd als de geboortedag van Johannes de Doper. Johannes de Doper werd een half jaar eerder geboren dan Jezus, en hij bereidde de mensen voor op de komst van Christus. Hij doopte de mensen tot christen in de rivier de Jordaan. Johannes de Doper gaf de mensen als boodschap mee dat zij niet altijd zorgeloos konden genieten, maar dat er nu een tijd zou komen van het naar binnen kijken.

Sint Jan en de antroposofie

Het Sint-Jan van nu is vanuit antroposofisch oogpunt een vrolijk en uitbundig feest, een feest van samenzijn met elkaar. De diepere vertaling van het Sint-Jansfeest van nu gaat ook over de intuïtieve mens, harmonie in de wereld om ons heen en tussen de mensen. Het ervaren van eenheid tussen onszelf en de elementen, de aarde… wij stammen allemaal uit dezelfde goddelijke oorsprong.

Sint-Jansfeest [komt van: http://www.beleven.org]
Datum: vrijdag 24 juni 2022
Land/ gebied: Wereld (Christenen)
Soort: Folkloristisch (Heiligendag)
Religie: Christendom (Rooms-Katholicisme)
Midzomerfeest/ Sint-Jan. Jaarlijks op 24 juni. Op deze dag herdenkt men de geboortedag van Johannes de Doper, de profeet die Jezus in de rivier de Jordaan doopte. Deze dag valt samen met het Midzomerfeest dat van oudsher op veel plaatsen in Europa wordt gevierd.
Op de avond van Sint-Jan kwamen vroeger buurtgenoten bij elkaar en maakten met zijn allen een groot vuur. Men zong en
danste en de moedigsten sprongen over het vuur heen. Als een jongen en een meisje hand in hand over het vuur sprongen, was hun band voor eeuwig verzegeld.

Geboorte van de heilige Johannes

Feest dat met name in Orthodoxe (Katholieke) landen een zeer oude traditie kent, die teruggaat naar nog veel oudere zonnewendefeesten en -rituelen.

Sint-Jansfeest/ Midzomerfeest

Met Sint-Jan was het voor vrouwen mogelijk een vrijer te vinden.
In de zeventiende eeuw was het gebruikelijk bloemen aan de huizen te hangen of boven de straat en ’s avonds feest te vieren met elkaar. Jongens en meisjes trokken gearmd door het dorp of de buurt.
Volgens een ooggetuige uit 1606 werd er gedanst en zong men ‘ijdelicke liedekens’. Wist de vrouw een man te strikken dan werd deze ‘mijn Sint-Jan’ genoemd.
Bredero dichtte over dit feest en liet Bouwen Langhlijf vertellen over
zijn ontmoeting met Sinnelijcke Nel van Gooswegen:

So haest als zij mijn sach,
So stong ick huer wel an
Want sij riep, int volle seltscip:
Dit is mijn eyghen Sint-Jan

In Nederland wordt het Jansvuur nog ontstoken in verschillende dorpen. Met name op vrijescholen neemt het Jansfeest een belangrijke plaats in bij het stilstaan bij de jaarcyclus. De kinderen dragen dan een krans van gras met
daarin bloemen gestoken. Bij sommige scholen wordt ook een vuur ontstoken waar de kinderen uit de hoogste klassen overheen springen.
Van Sint-Jan wordt, net als bij Maria, de geboortedag herdacht en niet het sterven.
Sint-Jan wordt dan ook gezien als het begin van een nieuwe periode in het jaar. Ook de natuur verandert. ‘Met Sint-Jan draait het blad zich om’ is het gezegde. Sint-Jan markeert een overgangsperiode.
Het sterven van Johannes de Doper wordt jaarlijks door de kerk herdacht op 29 augustus.
Johannes de Doper is patroon van: wevers, kleermakers, schilders, leerlooiers, timmerlieden, smidse, kuipers, schoorsteenvegers, herbergiers, bontwerkers, wijnbouwers, architecten, drankbestrijders, bioscoopbezitters, herders,
dansers, muzikanten, zangers, huisdieren, schapen, lammeren, vasten, Karmelieten, Maltezer ridderorde.
Johannes de Doper is patroon tegen: hoofdpijn, schorheid, duizeligheid, epilepsie, kinderziekten, angst, hagel.

De datum van Midzomer

Volgens de Juliaanse kalender viel het zomersolstitium, de langste dag van het jaar, op 24 juni, net als later het christelijke Sint-Jansfeest. Hoewel het solstitium in de loop der eeuwen steeds verder van deze datum ging afwijken, bleef 24 juni aan dit feest gekoppeld. Pas bij de invoering van de Gregoriaanse kalender, in grote delen van Nederland niet eerder dan 1700, werd het zomersolstitium op 21 juni vastgesteld. Tegen die tijd was het Midzomerfeest al zo ingekapseld in het Sint-Jansfeest dat het begrip Midzomer nog steeds wordt verbonden met 24 juni. Het Woordenboek der Nederlandsche taal geeft als omschrijving van Midzomer: ‘Het midden van den zomer, de langste
dag, ook wel 24 Juni, St-Jan Baptist.’
In het Engels wordt onderscheid gemaakt tussen midsummer, waarmee meestal het zomersolstitium, 21 of 22 juni, wordt aangeduid, en Midsummer Day, waarmee nog steeds uitsluitend 24 juni wordt bedoeld. Als tweede betekenis
van midsummer geeft de Oxford English Dictionary: ‘midsummer = Midsummer Day, June 24th’.
Midsummer Day was vanouds in Engeland en Ierland een van de quarter-days, waarmee het jaar in vieren werd gedeeld, naast Lady Day (25 maart), Michaelmas (29 september) en Christmas (25 december).
De Gregoriaanse kalender werd, zoals gezegd, pas in 1752 ingevoerd in Engeland en de Engelse koloniën en pas vanaf dat moment was 21 juni ook daar de langste
dag, maar de Midzomerviering bleef gekoppeld aan de oude datum.
Strikt genomen kan Midzomer het beste op 21 of 22 juni gevierd worden, maar voor het zoeken naar volksgebruiken rond deze viering moeten we ons richten op 23 juni (Sint-Jansavond), de nacht van 23 op 24 juni (Sint-Jansnacht) en
24 juni (Sint-Jansdag). Soms wordt Midzomer gevierd op een vaste weekdag in de buurt van 24 juni.
In Finland en Zweden is dit bijvoorbeeld de zaterdag tussen 20 en 26 juni (Midsommardagen).

Een feestdag in Andorra, Canada, Litouwen
Sint-Jan: een nacht vol toverkracht 17 juni 2020
Over het vuur springen, hoe cool is dat? Voor veel kinderen (en ook volwassenen) is het het hoogtepunt van het Sint-Jansfeest. Je koopt er een jaar gezondheid en geluk mee, wordt gezegd. En jonge paartjes die er met z’n tweeën
overheen springen hopen samen een gelukkig leven te leiden.
Op 24 juni is het weer zover, dan vieren vrijescholen hun eigen midzomerfeest. Een traditie in veel Europese landen, waaronder Zuid-Engeland, Scandinavië en ook veel Slavische landen, maar minder bekend in Nederland.
Tekst: Tineke Croese


Midzomerfeesten, we vieren ze in de lichtste tijd van het jaar, als de dagen lang zijn en de korte nachten niet echt donker lijken te worden. Bij het vuur vlechten kinderen bloemenkransen, er wordt muziek gemaakt, gedanst en gepicknickt. Soms verbranden mensen een als heks uitgedoste stropop: zij neemt alle narigheid van het voorbije jaar mee in het vuur.
En wie durft, springt over het vuur en koopt op die manier een jaar gezondheid en geluk voor zichzelf.
De korte, lichte nachten van Sint-Jan hebben iets geheimzinnigs. Volgens het volksgeloof kunnen mensen in deze nachten de taal van de dieren verstaan en bezitten sommige planten grote magische kracht. Die kun je bijvoorbeeld
gebruiken om je van de trouw van je geliefde te verzekeren. Niet alleen de mensen blijven in deze nacht wakker tot de zon opgaat, ook het ‘kleine volkje’ is op pad. Misschien is het ook door hun toedoen dat de nacht van Sint-Jan vol
toverkracht is. Als de elfen je gunstig gezind zijn, wijzen ze je de weg naar verborgen schatten. Maar vaker zijn deze plagerige natuurgeesten geneigd om mensen voor de gek te houden, zoals Shakespeare in zijn
Midzomernachtsdroom laat zien.

Licht

De midzomerfeesten die op 21 juni gevierd worden, stammen al uit de voorchristelijke tijd.
Het Sint-Jansfeest van 24 juni was eigenlijk
bedoeld als de christelijke


voortzetting ervan,
maar er veranderde in de praktijk zo weinig dat de vroegere midzomerfeesten er zonder problemen naast bleven bestaan.
Sint-Jansfeest, midzomerfeest – het lijkt niet echt uit te maken.
De gebruiken zijn hetzelfde.
Het is geen toeval dat de Kerk ervoor koos om Kerstmis en Sint-Jan kort na het midwinterfeest van 21 december en het midzomerfeest van 21 juni te vieren. De nieuwe christelijke feesten werden gebracht als een voortzetting en vernieuwing van de oude voorchristelijke feesten.
Tijdens de midwinterzonnewende bereikt de zon het laagste punt aan de hemel. Het is de donkerste tijd van het jaar. Vroeger wachtten de mensen elk jaar weer in spanning af of het licht wel terug zou keren. Via rituelen probeerden ze die terugkeer te bewerkstelligen. Met Kerstmis, het geboortefeest van Jezus, vieren we de geboorte van het licht op aarde. Het wordt daarom kort ná de kortste dag gevierd, als de zon het diepste punt al voorbij is.
Bij de midzomerzonnewende bereikt de zon het hoogste punt aan de hemel. Het is de lichtste tijd van het jaar. Maar kort daarna volgt een dramatische ommekeer: de zon begint weer te dalen en verliest zijn lichtkracht. Dat merken we niet direct, maar toch neemt het licht langzaam weer af en worden de dagen korter.
Op 24 juni is het volgens de kerkelijke heiligenkalender de geboortedag van Johannes de Doper. Hij doopte Christus in de Jordaan en verkondigde zijn volgelingen dat hijzelf – Johannes – minder krachtig moest worden, terwijl Christus moest groeien. Om die reden kreeg het feest van Sint-Jan de Doper een plaats op 24 juni, als de zon al ‘minder wordt’, in kracht begint af te nemen. De zon laat rond midzomer zien waar Johannes op wees: alles wat voorchristelijk
is, tot en met Johannes zelf – de laatste voorchristelijke profeet – is als die uiterlijke zon wiens luister en grootheid na 21 juni minder worden. Johannes de Doper sluit de voorchristelijke tijd af, maar als ‘engel van de Heer’ was hij ook de
wegbereider van Christus die aan het begin van een nieuwe tijd verschijnt.

Van oud naar nieuw

Johannes de Doper riep op tot inkeer. Hij riep op om het oude los te laten en een andere innerlijke houding aan te nemen. Dat maakte hem tot een eenling, een roepende in de woestijn. Mensen hadden ontzag voor hem, maar ze
vonden het te moeilijk om hem te volgen. Dat zien we ook bij het Sint-Jansfeest. Terwijl Kerstmis wel de vernieuwing van het midwinterfeest werd, bracht het Sint-Jansfeest die vernieuwing niet voor het midzomerfeest. Eigenlijk is dat
wel te begrijpen: iedereen verheugt zich op de komst van het licht, iedereen wil het donker graag achter zich laten.
Wat het Sint-Jansfeest vraagt is veel moeilijker: afstand doen van het licht, van het bekende, van wat vanzelfsprekend en vertrouwd is. En jezelf in plaats daarvan openstellen voor het nieuwe en onbekende.
Net als de kersttijd is de Sint-Janstijd een tijd van ‘oud en nieuw’, van terugkijken op het verleden en vooruitkijken naar de toekomst. In de kersttijd houd je dat klein: je reflecteert op jezelf, je maakt goede voornemens om iets in je persoonlijk leven aan te pakken. In de Sint-Janstijd kijk je terug op een groter
geheel, op de samenleving of op je eigen sociale omgeving. Moet daar iets worden aangepakt? In het verleden was het nog mogelijk om veel meer
vanuit vaste sociale patronen en rollen te handelen, tegenwoordig moeten we
een situatie vaker zelf beoordelen en een eigen aanpak bedenken. Oude
tradities en door de groep bepaalde normen verdwijnen in hoog tempo. We
zijn aangewezen op ons eigen inzicht en oordeel en het vertrouwen daarin
moet nog groeien.

Vrolijk

Het Sint-Jansfeest is een blij feest, met bloemenkransen, zang en dans, met een Sint-Jansvuur en vrolijkheid. Om ons heen zien we de natuur zo uitbundig en rijk als in geen ander jaargetijde. Maar het is ook een periode van reflectie. Lang niet alle vruchten zijn rijp in juni. De meeste hebben de hele zomer nodig om te rijpen, om zoet en sappig en eetbaar te worden. Zo heeft ook alles wat je in het voorbije jaar aan kennis en inzicht hebt opgenomen tijd nodig om te rijpen.
Het moet even met rust gelaten worden, net als schoolkinderen in de zomervakantie. Na dit feest volgt die heerlijk lange, zorgeloze zomertijd. Pas aan het eind van de zomer, als de vakantie voorbij is en iedereen klaar staat om
opnieuw de oude patronen binnen te glippen, is de tijd rijp om met onze nieuwe voornemens aan de slag te gaan.
Dit artikel is gepubliceerd in de jaarfeestenrubriek van AM-nummer 2, juni 2016.

Kringdans:

De jongens en meisjes vormen hand-in-hand een paar en dansen samen in de kring en bij de laatste regel van het liedje maken de meisjes een reverence naar de jongens en de jongens maken een mooie buiging naar de meisjes en vervolgens wordt het liedje weer opnieuw gezongen en gedanst.

Rudolf Steiner:
weekspreuk 12: Johannesstemming

de gespiegelde spreuk 41

Sint-Jan is echt een buitenfeest. Meestal is het ook erg mooi weer. Het gevoel van saamhorigheid hoort bij de Sint-Jansviering. Sint-Jan vier je niet alleen, maar met het gezin of met een groep. Hoe meer zielen hoe meer vreugd!
▪ Picknicken, als iedereen die komt iets te eten en/of drinken meeneemt, liefst zelfgemaakt, ongeveer genoeg voor twee volwassenen. Als iedereen ongeveer dezelfde hoeveelheid meeneemt is er genoeg voor iedereen, en is
de picknick een heus feestmaal!
▪ Over het vuur springen Dit is een traditie die ons ver terugvoert in de tijd, naar onze Keltische voorouders. Zij maakten vuur en sprongen eroverheen. De symboliek voor onze voorouders was een nieuwe periode in springen, en ziekten en narigheid de baas zijn. Over het vuur springen kan ook gezien worden als de poort naar de elfenwereld door gaan. Vandaag de dag kan het gezien worden als het overwinnen van angsten en het achterlaten van een deel van jezelf dat je niet meer nodig hebt.
▪ Zingen en dansen en spelen!
▪ Het vlechten van een bloemenkrans:
Veldbloemen en wilde bloemen horen bij de overvloed van Sint-Jan. Bloemenkransen blijven langer mooi als je ze voor het gebruik op een bord in de koelkast legt met een natte doek eroverheen
▪ Het is heel leuk om de avond voor Sint-Jan samen in het bos of het veld wilde bloemen te verzamelen en er een krans van te vlechten om met Sint-Jan te dragen.
▪ Natuurlijk is het ook heel leuk om de seizoenstafel in Sint-Janssfeer te brengen!
▪ Speurtocht met opdrachten gerelateerd aan de elementen lucht, aarde, water vuur.
• Blijf tot middernacht op, zing en dans om het vuur.
• Spring over een echt vuur(tje) of een vuurtje gemaakt van gele en rode doeken.
• Organiseer zomerse spelletjes zoals eieren lopen maar dan met waterballonnen.
• Bak koekjes met eetbare bloemen.
• Maak ijsklontjes met eetbare bloemen.
• Doe een kersenpitten ‘wie kan het verste spugen?’ wedstrijd.

Maak samen een eenvoudige Bucketlist voor de zomervakantie (je kan als voorwaarde voor kinderen maken dat het (bijna) geen geld mag kosten: In de zee zwemmen. Een schaap knuffelen. Een ijsje eten. Een boek lezen. Een ochtendwandeling maken met het hele gezin. Fietsen langs een rivier. Picknicken in de tuin. Stokbrood maken boven een kampvuurtje. Slapen in de tent bij iemand in de tuin. Een hut maken in het bos. Samen naar de sterren kijken.
Schelpen verzamelen op het strand met een gaatje erin en een zomerketting maken.

Laat mij het levenswater zoeken van Ineke Verschuren,
Het hele jaar rond van Marijke van Raephorst,
Het hele jaar rond van Sandra Klaassen,
Leven met het jaar, Christiane Kutik

Sprookjes bij de Sint-Janstijd:
Kleuters: Grimm: “het klosje , de schietspoel en de naald’. “de gouden gans”, “de bijenkonngin”, ‘de kristallen bol”, “roodkapje “, “de zes zwanen”´
Bakersprookjes: “het bootje “, “robin roodborst”,

Sint -Jansfeest/tijd en kleuters:

Een wiebelige tijd, de zomervakantie komt eraan, de natuur staat in lichterlaaie,
De spanningsboog van kleuters verandert in kleine spanningsboogjes met grote of minder grote valpartijtjes en ongelukjes: ze komen gauw uit evenwicht en worden naar buiten [bijna buiten zichzelf] getrokken…
Er wordt in deze tijd van het jaar vaak gezongen:

“hele hele zegen,
Drie dagen regen,
Drie dagen zonneschijn,
Dan zal het vast weer beter zijn”

Het helpt om met de kleuters evenwichtsoefeningen te doen [“zit of staat de kring”, “wie kan er op 1 been staan,
een sprongetje maken, in de vingers knippen, je oren laten wiebelen. zoveel mogelijk variëren in’t groot en in’t klein],
of liedjes met gebaren [zoals : “Hoofd schouders knie en teen”, of “dit zijn mijn wangen”…,
of in een lange rij naar buiten en samen over de zandbakrand lopen of evenwichtsbalk,
of twee aan twee een bootje maken [“varen varen over de baren” “Berend Botje ging uit varen”, “ik voer laatst over zee, ga je mee…”].
veel touwtjespringen, in t grote touw of individueel
dansspelen buiten doen:
“Jan en piet gaan dansen” en “schipper mag ik overvaren” en “you put your left foot in, you put your right foot in…”
Zingen, veel zingen: harmoniserend bij elkaar zijn en blijf met de klas in het klassenritme: dat geeft houvast en daardoor brengt het evenwicht.

Knutselen met Sint-Jan:

Andere activiteiten:

spelen met zand en water: zandkastelen maken,
stenen zoeken en wassen en poetsen [en schilderen]
bellenblaasstokken zelf maken,
veren verzamelen,
bloemen plukken: sommigen in een boeket, anderen gaan drogen, een mobiel ermee maken.
hinkelbaan buiten maken met stoepkrijt [verf]
waaier vouwen [van papier] of een zonnetje

Vogeltje: [kinderen] zelf een vogeltje laten tekenen en laten kleuren en
prikken, vleugeltjes vouwen [als bij een pinksterduifje]. touwtje eraan,
aan het touwtje een stokje…. En zie ze vrolijk zingend lopen met hun
vogeltje: “als ik eens een vogeltje was, oh wat zou ik vliegen ….”
Knikkerbaan laten maken met gevormd en ongevormd materiaal
Spelen met schaduw; in elkaar schaduw lopen, bijvoorbeeld of één lijf met 4 armen ….

Met toestemming van de auteur, waarvoor dank!

Sint-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (5-2/1)

Als de leerlingen in klas 6 tuinbouw hebben gehad, hebben ze al wat ervaren van de manier waarop je voedingsplanten kweken kan.
In de 7e klas kan daarop worden teruggekomen en nu het in deze tijd zo actueel is hoe wij onze voedingsproducten verkrijgen, is het zeker niet verkeerd om over de ‘biologische’, maar ook over de ‘biologisch-dynamische’ kweekmethode te spreken. 
Dat moet niet verward worden met ‘antroposofie in het onderwijs’. De B.D-methode bestaat en waarom zouden leerlingen daarmee geen kennis maken.
Opmerkelijk is dat het artikel uit 1990 hier reeds duidt op wat we nu als ‘stikstofprobleem’ kennen.

Wolfgang Schmid, WeledaBerichten nr. 151 september 1990
.

WAT IS BIOLOGISCH-DYNAMISCHE LANDBOUW?

.

Doordat in de loop van de geschiedenis de mens, die leefde van de jacht en het plukken en bereiden van kruiden, ten slotte werd tot wat we tegenwoordig agrariër noemen, onderging ook het landschap een grote verandering. Het natuurlijke landschap werd door de mens veranderd in cultuurlandschap. Om die ontwikkeling te begrijpen is het nodig om te zien wat kenmerkend is voor een natuur- en een cultuurlandschap.

Het natuurlandschap

Dit wordt gekenmerkt door natuurlijke plantengroeperingen, die ontstaan door bepaalde omstandigheden van bodem en klimaat. Zij kunnen door plaatselijke klimatologische omstandigheden heel verschillend zijn en ook in de loop van de tijd veranderen. Binnen die groeperingen is er geen “onkruid” en zijn er geen “schadelijke insecten” naar ons begrip, want de veelvuldige onderlinge relaties tussen planten en dieren (vanaf de micro-organismen tot aan de grote dieren) scheppen een evenwicht. De kringloopprocessen van substanties en energieën zijn principieel gesloten. Daardoor zijn er ook geen problemen door het verlies van stoffen (bijvoorbeeld het uitspoelen van nitraten).

Het cultuurlandschap

Hier is de mens niet meer slechts een deel van de natuur maar hij geeft daaraan in belangrijke mate vorm. Bossen worden gerooid, de grond wordt bewerkt. Cultuurplanten worden verbouwd op allerlei manieren. De gevarieerdheid van de plantenfamilies vermindert, de productie van de land- en tuinbouw wordt vergroot. Daardoor wordt het mogelijk de veestapel te vermeerderen. Het bestand aan dieren in een cultuurlandschap kan 100 keer zo groot zijn als het bestand aan in het wild levende dieren van een natuurlandschap. Door de bewerking van de grond gaat er lucht in doordringen, humus wordt zeer snel omgezet. De kringloopprocessen van de substanties worden bespoedigd – maar ook kwantitatief op een belangrijk hoger niveau gebracht – omdat het kweken van groenvoer (klaver, luzerne enz.) een grotere veestapel mogelijk maakt. Daardoor komt er meer mest, er ontstaan grotere opbrengsten maar ook grotere hoeveelheden overblijfselen na de oogst. Echter: ook het gevaar dat substanties uit de kringloop worden losgelaten wordt groter (uitspoelen van nitraten, kali en ook van subtiele bodemdeeltjes).

Moderne landbouw

Tegenwoordig wordt de landbouw in hoge mate beïnvloed door het materialistisch georiënteerde denken. Nadat de scheikunde werd toegepast in de landbouw, ging men natuurprocessen steeds meer tot chemische reacties reduceren. Met behulp van de bedrijfswetenschappen konden de verschillende gebieden van de landbouw afzonderlijk op hun rentabiliteit worden getoetst. Dientengevolge kon een differentiatie van de algemene landbouw in koeien- en varkensmesterijen, bedrijven zonder vee enz. tot stand komen. Intensivering was dus ook door specialisering mogelijk. Veel landbouwers zijn tegenwoordig genoodzaakt industrieel vervaardigde of toebereide stikstof-, fosfor- en kalikunstmest te kopen. Door de daarmee gepaard gaande vermindering van de natuurlijke vruchtbaarheid van de bodem en de aantasting van de gezondheid van het gewas is de toepassing van synthetisch-chemische bestrijdingsmiddelen onontkoombaar. Ten gevolge van die ontwikkeling zijn thans vele agrariërs genoodzaakt ten dele alleen nog maar op beschadigingen (schimmelziekten, insecten) en op tekorten van de voedselverzorging van de planten te reageren. De specialisering in de landbouw werd echter ook in hele landschappen zichtbaar: zo zijn er tegenwoordig streken, waarin bijvoorbeeld de runderen werden afgeschaft. Daardoor verdween ook de verbouw van groenvoer in de gedaante van klaver- en luzernegras uit het landschap. Aan de andere kant wordt regionaal de veestapel (dikwijls varkens) zo enorm geconcentreerd, dat men met de ontstane hoeveelheden mest geen raad meer weet. Het gevolg is, dat dierlijke mest, eens een waardevol product, tot een afvalprobleem, uiteindelijk een milieuvraagstuk wordt waar men zich het hoofd over breekt.

Vragen over de kwaliteit

Men moet zich afvragen, welke kwaliteiten via op die manier gekweekte producten aan de voeding van de mens worden toegevoegd. Want wij zien kunstmatige voeding van de planten door middel van minerale synthetische kunstmest, profylactische en therapeutische toepassing van chemische pesticiden bij de bestrijding van ziekten en ongedierte, dikwijls ook massale fokkerijen waar de regelmatige toepassing van antibiotica onontbeerlijk is geworden. Hoe staat het met de vitaliteit van deze voedingsmiddelen (chemische resten), met de inpassing in het milieu van zulke producten. Is zulk voedsel geschikt om niet alleen de maag van de consument te vullen, maar ook om voor zijn geestelijke en psychische ontwikkeling een basis te bieden?

De biologisch-dynamische landbouwmethode

Reeds in het begin van de jaren twintig beseften enkele antroposofisch georiënteerde landbouwers de problemen die een uitsluitend materialistisch bedreven landbouw zou veroorzaken. Op hun verzoek hield Rudolf Steiner in 1924 in Koberwitz bij Breslau acht voordrachten met de titelGeesteswetenschappelijke grondslagen voor een vruchtbare ontwikkeling van de landbouw”. [GA 327] Deze zogenaamde “landbouwcursus” is de basis voor de biologisch-dynamische landbouwmethode.

Een belangrijk principe hiervan is, dat de landbouwer zijn bedrijf als een organisme ziet en het dienovereenkomstig opbouwt. In een organisme werken verschillende organen harmonisch samen; zij hebben gedifferentieerde functies en houden het organisme in leven en vruchtbaar. De geestelijke ordening van een organisme moet door de landbouwer tot het vormgevend principe van zijn bedrijf worden verheven. Om dit te bereiken moeten eerst de natuurlijke voorwaarden en de mogelijkheid van het bedrijf worden onderkend: het klimaat, de jaarlijkse hoeveelheid neerslag, het landschap enz. Op grond daarvan kan dan de opbouw van het bedrijf beginnen: welke diersoorten heeft de boerderij nodig, hoe groot kan de veestapel zijn, welk teeltplan maakt de grond vruchtbaar en verschaft aan het bedrijf het nodige economische succes?

Deze soort van landbouw heeft niet de chemie als basis, maar allereerst het waarnemen van wetmatigheden van het levende, ook van hetgeen in het psychisch-geestelijke gebied van landbouw werkzaam is. Het voornaamste streven in een biologisch bedrijf is het levend-maken van de bodem.

Verzorging van de bodem en de mest

Voedings- en werkzame substanties worden hier niet geleverd door de chemische industrie, maar zijn afkomstig van overblijfselen van de oogst, van het verbouwen van stikstof aantrekkende planten, peulvruchten, dierlijke mest, de mineralen in de bodem en van humus. De overdracht daarvan naar de planten vindt plaats door een geweldig aantal micro-organismen (schimmels, bacteriën, algen enz.) en ook grotere dieren (wormen, mijten enz.) in de grond. Dit reusachtige leger van levende wezens, het zogenaamde bodemleven, moet worden gecultiveerd. Daardoor is voor de biologisch-dynamische landbouwer de humus bereidende en leven stimulerende rotting van dierlijke meststoffen een hoogst belangrijke zaak. De mest wordt, voordat hij wordt uitgestrooid, met behulp van de biologisch-dynamische compostpreparaten, die in kleine hoeveelheden worden toegevoegd, gedurende korte of langere tijd gecomposteerd. Deze preparaten bestaan uit op een bepaalde manier bereide geneeskrachtige planten (duizendblad, kamille, brandnetel, eikenschors, paardenbloem en valeriaan) en beïnvloeden de rotting van de mest in hoge mate. De op zo’n manier bereide mest activeert het leven en de processen in de bodem, het afbreken van de organische substanties, het produceren van voedingsstoffen, de opbouw van humus en daardoor ook de bescherming tegen plantenziekten.

Over de preparaten koehoornmest en koehoornkiezel geeft het artikel van Bruno Busse  uitsluitsel.

Kwaliteit

Ten gevolge van de bijzondere mestverzorging, de zorgvuldige bedrijfsvoering en de toepassing van de biologisch-dynamische preparaten is de plant in staat, zich harmonisch tussen kosmos en aarde te ontwikkelen. Langs die weg kan zij bijzonder vitale substanties vormen als grondslag voor een gezonde voeding. Deze levensmiddelen komen onder de benaming “Biodijn” [naam niet meer in gebruik] (voor producten uit landbouwbedrijven die bezig zijn, om te schakelen naar de biologisch-dynamische landbouwmethode) en “Demeter” (voor producten van totaal omgeschakelde bedrijven) op de markt.

Milieubeheer door biologisch-dynamische landbouw

Naast alle beschreven maatregelen kent het biologisch-dynamische bedrijf aan de vormgeving van het landschap ter wille van het behoud van de vruchtbaarheid en het gezond houden van het bedrijfsorganisme een grote betekenis toe. Het planten van bessenstruiken, het aanleggen van heggen of het in stand houden van oeverweiden vergroot niet alleen de schoonheid van een landschap, maar vergroot ook de veelzijdigheid van de flora en fauna en bevordert zo het in stand houden van een evenwicht tussen schadelijk en nuttig gedierte.

Zo bezien is de biologisch-dynamische landbouwmethode niet alleen een richting die ons optimale en gezonde levensmiddelen verschaft, maar door haar wordt ook een cultuurlandschap ontwikkeld, waarin de mens weer op zijn verhaal kan komen en waarin de levens- en zielenkrachten van de natuur kunnen regenereren.

.

7e klas: voedingsleer: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2666

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 13 – alle artikelen

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

voordracht 13

De bladzijden verwijzen naar de vertaling van 1993

Een kleine uitleg over de indeling in paragrafen:
Het eerste cijfer verwijst altijd naar de voordrachtenvolgorde in de uitgave. [2-
Het tweede cijfer is het onderwerp van de beschouwing, aangegeven met het bladzijnummer en een korte inhoudsomschrijving. [13-1]
Het derde cijfer [13-1-1] geeft een uitbreiding aan van de inhoud van [13-1]
Wanneer je de gang door de voordracht wil volgen, hoef je de uitbreidingen niet per se te lezen, al horen ze er inhoudelijk wel bij. De volgorde door de voordracht is dus de reeks [13-1] [13-2] [13-3] enz.
Als kleur: rood

[13-1] Blz. 185-186
Tegenstelling hoofd-ledematen; omstulping naar bolvorm; stuwing bij voorhoofd; ik en neuswortelpunt; de geest stroomt; verwijzing naar GA 294.

[13-1-1] Blz. 185-186
Het geestelijke, gaat verbonden met ziel, als een stroom door de mens heen; ‘stroom’ vanuit verschillende karakteriseringen; wat betekent dit voor leerstof eigen maken; op welk gebied werkt leerstof; voorbeelden van verschillende vakken; uitvoerig over leren lezen; uit GA 302 zeer wezenlijke gezichtspunten geciteerd.

[13-2] Blz. 187-188
Noodzakelijk: contact ouders-school; het ‘drukkende en het zuigende’; over ‘materie’; oorzaak van ‘vervetten’ in samenhang met bewegen.

[13-3] Blz. 186-189
Over materie; geest drukt zich fysiek uit; wat is ‘stof, materie’ – uit GA 66 en GA 134. Materie en de hiërarchische wereld; materie als uiteengevallen geest; over de zenuw.

.

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2662

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rekenraadsel

.

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.

Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’.

Oplossing:

Vermenigvuldigen geeft vaste getallen, dus in A x E = 12 zijn A en/of E 2,3,4 of 6. We zien A en E nog een keer, dan zijn ze samen 8; dat kan alleen met 2 en 6, dus 3 en 4 vallen af. Uit A + D + E = 10 volgt nu, dat D = 2; in C + D = 5, dat C = 3; in C + E + F = 6, kan E dan geen 6 zijn, dus E = 2 en A =, 6.
F = 1; in B + C + D = 10, is B dan 5

A = 6; B =5; C = 3; D = 2; E = 2; F = 1

Alle breinbrekers

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle ‘gewone’ raadsels

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof

In de Germaanse mythologie – de vertelstof van klas 4 – komen uiteraard vele namen voor.
Een verklaring van die namen vind je hier.

Bij deze namen ontbreekt (o.a.) de naam ‘WELEDA’.
Vanuit de antroposofie is destijds het farmaceutisch bedrijf ‘Weleda’ ontstaan. 
In het tijdschrift ‘Weleda’ wordt over dit ontstaan e.e.a. verteld waarbij tevens ingegaan wordt op de historische naam.

 

WAT BETEKENT DE NAAM WELEDA?
.

In het voorjaar van 1920 hield Rudolf Steiner (1861 -1925) op verzoek van artsen in Dornach twintig lezingen over “Geesteswetenschap en geneeskunde” (De ”1e artsencursus”). Daarin werd de antroposofisch georiënteerde medische wetenschap als een weg ter verruiming van de geneeskunst op geesteswetenschappelijke grondslag beschreven. De cursisten wilden over de door Rudolf Steiner ontwikkelde nieuwe, aan de mens aangepaste geneesmiddelen kunnen beschikken. Dientengevolge ontstond het laboratorium, waar geneesmiddelen op de grondslag van antroposofisch inzicht konden worden vervaardigd, de “Internationale Laboratorien AG”, verkort ILAG genaamd. Reeds in de zomer van 1921 werden de eerste preparaten afgeleverd. Het abstractum ILAG werd echter als ontoereikend gezien – gemeten aan de idee, de taken en doelstellingen van de nieuwe onderneming – en daarom stelde Rudolf Steiner in september 1924 de naam WELEDA voor. Als reden van deze keus zei hij slechts dat “Weleda een Oud-Germaanse individualiteit was, die behalve met de geneeskunst ook nog met vele andere dingen te maken had.”

De geschiedenis kent een Weleda, die in de oorlog tussen Romeinen en Germanen (rondom 69 n. Chr.) politiek bemiddelde en daardoor ook de stad Keulen – een Romeinse nederzetting – wist te redden van de dreigende ondergang. Zij behoorde tot de Germaanse stam van de Bructeri, die in het gebied van de bronnen van de Lippe thuis waren. 1) In documenten van antieke schrijvers wordt deze Weleda herhaaldelijk genoemd. Zij werd door haar volk als een zieneres en profetes vereerd. Maagdelijkheid werd van het hoogste belang geacht en daarom leefde Weleda geïsoleerd in een hoge toren.

Dat zij over genezende vermogens beschikte, wordt nergens vermeld. Maar Rudolf Steiner kon als geestesvorser de occulte achtergronden van vroegere culturen onderzoeken en beschrijven. Daarmede doorgrondde hij ook de cultuur van de Keltisch sprekende Germanen, Galliërs, Britten en leren.

Voor deze oervolken, die nog waren ingebed in de eenheid van God en de natuur, was het verband van de mens met de natuur ook in gezondheid en ziekte vanzelfsprekend. Bij de verschillende volken en stammen ontstonden kleine groeperingen van leidinggevende priesters, ingewijden, die over grote helderziendheid beschikten en daardoor ook geneesmiddelen in de natuur konden vinden. Er waren ook vrouwen die dat konden. Zij werden “Weleda’s” genoemd. Zij werden door het volk diep vereerd. Het woord Weleda (in de klassieke Oudheid Veleda, in Gallië Velleda) is van Keltische oorsprong en betekent zieneres, profetes. Weleda was dus een bijnaam.

De naamgeving Weleda voor de onderneming die geneesmiddelen op basis van antroposofische inzichten vervaardigt, wil evenwel niet zeggen, dat hier wordt aangeknoopt aan het boven beschreven Keltisch-Germaanse verleden. Dat zou ook niet kunnen, omdat de oude vermogens van de mensheid reeds lang totaal verloren zijn gegaan. In de plaats daarvoor kreeg de mens in de afgelopen eeuwen de kans zich tot een in vrijheid beslissende individualiteit te ontwikkelen. In de Oudheid bestond er een groepsziel, die in zeker opzicht haar wetten van de priesters ontving en bezat men een occult weten omtrent de processen in de mens en de natuur. Thans is er een eenzijdige natuurwetenschap, waarvan de mens vaak slechts het object is, die ook voor de moderne geneeskunde intellectuele theorieën opstelt. Het geheim van het noodzakelijke evenwicht in het samenspel van lichaam, ziel en geest moeten artsen en farmaceuten door een strenge spirituele scholing weer trachten te ontraadselen. Van principiële betekenis is daarbij de morele houding en een verantwoordelijkheidsbewustzijn zoals dat in het verleden de priesterlijke artsen kenmerkte.

1) Een omvangrijke literair-historische beschrijving door Willem F. Daems en Bert Hecksteden 

 

.

Bedrijf

Weleda Wikipedia

Zie ook Veleda

Vertelstof 4e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas

.

2658

.

VRIJESCHOOL – Taalraadsel

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.
Woorden waarvan ze de betekenis niet kennen, moeten uiteraard geleerd worden.

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.

Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’

Welk woord staat hier?

De beginletter is aangegeven met een punt. Verder mag je elke richting op, maar je mag niet tweemaal over dezelfde letter:

Oplossing:

MEESTERSCHAP

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

VRIJESCHOOL – Ritme en angst

.
Dr.med. Olav Titze, Weledaberichten 142, september 1987
.

DE ANGST EN HET RITMISCHE SYSTEEM VAN DE MENS

.

De angst als psychisch verschijnsel heeft ook een lichamelijke grondslag waarmee de arts zich bezig moet houden. Het menselijke organisme vertoont drie verschillende functiegebieden: een zenuwzintuigsysteem dat voor het bewustzijn dient, een stofwisselingsledenmatenstelsel, dat diep in het onderbewustzijn het instrument voor de levensprocessen en de beweging is en een derde, tussen die beide systemen bemiddelend systeem, nl. het ritmische systeem met het ritme van de pols en de ademhaling. De angst wordt in het middelste systeem beleefd.

Dit ritmische systeem is uiterst gevoelig zowel voor lichamelijke als voor psychische onevenwichtigheid. Schrik doet de adem stokken, angst snoert de keel dicht, zodat de mens zich niet meer kan uiten. Vreugde, maar ook angst laten het hart sneller kloppen. Bij astma wordt de uitademing, door een volle maag het inademen bemoeilijkt. Acuut gebrek aan zuurstof versnelt de ritmen en veroorzaakt in het psychische gebied angst. Iets dergelijks gebeurt bij de inwerking van grote hitte. Het heldere waakbewustzijn van het centrale zenuwstelsel wordt tot een dromend voelen in het ritmische systeem
gereduceerd. Elke versterking van het bewustzijn in dit gebied zoals door pijn of kramp is een signaal voor ziekte.

De waarnemer daarvan is de mens zelf, of beter gezegd zijn zielenkern, het ik. Alleen neemt hij in dit geval niet de buitenwereld waar door de daarvoor bestemde waarnemingsorganen maar zijn eigen binnenste. De hiervoor dienende innerlijke waarnemingsorganen, die in de fysiologie receptoren heten, oefenen hun functie, als de mens gezond is, altijd onder de drempel van het waakbewustzijn uit en leveren alleen maar een dromend voelen op. Zoals hierboven beschreven kan dit voelen als psychisch verschijnsel zich bijvoorbeeld tot angst verdichten. De lichamelijke verschijnselen kunnen hierbij verschillend zijn. Het bloed kan hevig naar het hart stromen zodat dit sterker moet kloppen of – als dit niet meer voldoende is – wordt het ritme van hart en pols versneld.

In het andere geval beïnvloeden gedachten en zintuigindrukken via de zenuwfuncties en de ademhaling het hart. Er ontstaat benauwdheid. De uitademing gaat stokken en wordt krampachtig. Het is als een stroom van koude, die vanuit het hoofd ten slotte ook het hart en de bloedvaten met een soort van krampen doordringt en doet verstarren. In de ziel wordt angst beleefd. Vanuit het gezichtspunt van het beleven van angst in het ritmische systeem van de mens zijn er dus twee voorwaarden waardoor angst kan ontstaan: het stofwisselingssysteem, dat de wil en de emoties overbrengt, kan via het bloed te sterk het ritmische systeem beïnvloeden of de door het zenuw-zintuigstelsel overgebrachte bewustzijnsprocessen storen het ritmische systeem, eerst de ademhaling en ten slotte ook het ritme van het hart. De arts kan proberen de oorzaken van de angst met geneesmiddelen te bestrijden maar een wezenlijk hulpmiddel is natuurlijk ook het gesprek, dat tot doel heeft de oorzaken van de angst te verwerken. Dit is de taak van psychologen, artsen of zielzorgers, kan echter bij gelegenheid ook gebeuren door een vertrouwenspersoon, die de tijd ervoor neemt om te luisteren en te helpen. Ten slotte willen wij nog de mogelijkheid van een kunstzinnige therapie noemen. Daarbij gaat het eigenlijk niet om een therapie door de kunst, maar er wordt geprobeerd om met de middelen van de kunsten via het ritmische systeem de andere systeemfuncties te beïnvloeden. In de ritmische bewegingstherapie, de heileurythmie, kan de uit het stofwisselings-ledematensysteem opdoemende angst tot in haar lichamelijk functionele basis worden opgelost. In de muzikale therapie kan door het bespelen van verschillende instrumenten tussen het ritme van ademhaling en bloedsomloop en het zenuw-zintuigstelsel (het gehoor) evenwicht scheppend worden ingegrepen. Bij de schildertherapie zijn het de subtiele “ademhalingsprocessen” tussen de waarneming en het actieve nabootsen en uitwerken van wat is waargenomen, die met elkaar in harmonie kunnen worden gebracht. Zowel de overweldiging van de zintuigen door onverwerkte en ten slotte angst veroorzakende indrukken als ook de uit het stofwisselingssysteem opkomende ademhalings- en polsritme verhevigende invloeden zijn dus steeds open voor een kunstzinnige therapie.

leder weet, dat de angst elke activiteit verlamt. Door de kunstzinnige therapieën wordt een weg geopend die de mens via een als het ware speelse bezigheid weer tot een bezielde aanpak van zijn eigen lichamelijk bestaan en van zijn omgeving leidt. Hij leert om meer psychisch-geestelijk adem te halen. De behandeling met medicamenten wordt op die manier zinrijk gesteund.

VRIJESCHOOL – Rekenraadsel

.

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.

Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’.

Oplossing:

Vermenigvuldigen geeft vaste getallen, hier A en E zijn resp. 1,2, of 4, maar 2 valt af: gegeven: die komt er nu niet in voor. Als we A = 1 nemen, is in A + B =9 A 8, maar 8 doet niet mee, dus is A 4; E is dan 1; B = 5; F = 6; in A + E + D =6., zijn A + E 5, dus D = 1, dan C = 1
A = 4; B = 5; C = 1; D =1; E = 1; F = 6

Alle breinbrekers

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle ‘gewone’ raadsels

.

VRIJESCHOOL – Taalraadsel

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.
Woorden waarvan ze de betekenis niet kennen, moeten uiteraard geleerd worden.

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.

Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’

Welk woord wordt gezocht

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

…ESEM                                                   BEZ…                               ERFS…

SJA…ON                                                BLO…TUK                      S…

…KHAK                                                  G…                                    S…GOED

Oplossing:

In de 1e kolom ontbreken de letters BLO  (bloesem, sjabloon, blokhak); in de 2e: EMS (bezems, bloemstuk, gems); in de 3e: TUK (erfstuk, stuk, stukgoed)  BLOE  EMS  TUK = BLOEMSTUK

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

.

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-3-1-4)

.

Dr. med. Werner Hassauer, Weledaberichten 140 dec. 1986

POORTEN VAN HET LEVEN: GEBOORTE EN DOOD

De bestemming van de mens

De mens als zielen- en geestwezen

Als men de tegenwoordig gangbare mening over geboorte en dood hoort, wordt de geboorte over ’t algemeen als een vreugdevolle, het gemoed positief beïnvloedende gebeurtenis gezien, terwijl de ontmoeting met de dood als iets treurigs, soms tragisch wordt beleefd.
De geboorte van een mens brengt de ouders en wie er verder deel aan heeft in een stemming van blijde verwachting; de dood daarentegen veroorzaakt bij de nabestaanden smart, verdriet en tranen.
Als wij echter de betrokkenen zelf zien, de mensen die het proces van de geboorte of van de dood aan den lijve ervaren, dan zijn de feiten omgekeerd: het kind, de pas geboren mens, huilt en schreeuwt omdat het zich hoogst onbehaaglijk voelt; de schrijver van dit artikel heeft als arts bij de enkele duizenden kinderen die hij hielp geboren te worden, nog nooit een pasgeborene van plezier en welbehagen horen juichen. De stervende daarentegen voelt na een eventueel lang lijden het stervensproces als de verlossing van pijn en leed en als men mensen, die eigenlijk al “gestorven” waren, die echter door reanimatie weer in dit leven werden teruggehaald daarover vraagt, dan vertellen zij bijna zonder uitzondering van een wonderbaarlijke toestand van bevrijding waarin zij zich bijzonder wel voelden, maar waaruit zij plotseling werden weggerukt. Zij voelden zich daarna weer gekluisterd in de smartelijke benauwing van het lichamelijk-aardse bestaan.
Beide toestanden, de geboorte zowel als de dood, zijn – hoe de betrokkenen dit dan ook beleven – ervaringen, die een belevende ziel vooropstellen, ook en in ’t bijzonder bij de mens die wordt geboren.
Als dat juist is, ontstaan hieruit enkele vragen, nl. wanneer begint eigenlijk het menselijke wezen dat gaat ontstaan, een ziel te zijn? Is die er onmiddellijk volledig ontwikkeld, of ontwikkelt zij zich uit een soort van psychische kiemcel net zo, als het lichaam ontstaat uit de fysieke kiemcel? Wat doet de ziel tijdens het geboorteproces? Welke relatie heeft zij met het fysieke lichaam? Is zij het product van het lichaam, een soort van functie daarvan? Of is zij volledig onafhankelijk van het lichaam, heeft zij daarmee niets te maken, bestaat zij om zo te zeggen parallel daaraan? Hoe ziet het zielenwezen eruit bij het kind, hoe bij de volwassene? Blijft het altijd eender of kan het zich ontwikkelen? Hoe verhoudt dit zielenwezen zich tot wat men geest noemt? Zijn ziel en geest slechts verschillende benamingen voor hetzelfde? Wat doet de ziel als de mens slaapt, als hij sterft? Sterft zij dan ook? Indien niet, waar gaat zij dan heen? Wat heeft het te betekenen, dat zij hier op aarde is? Heeft haar bestaan zin, of is zij slechts aan een toeval onderworpen? Wat voor toeval? Is zij een speelbal van zuiver natuur- en scheikundige wetten of is zij onderworpen aan eigen “toevallige” psychische wetmatigheden? Hoe kan men die doorgronden?
Het is duidelijk; de ene vraag volgt op de andere; deze reeks kan nog lang worden voortgezet. Wij willen proberen, hierin enige orde te scheppen en in het hierna volgende op grond van observaties enige antwoorden te vinden.

Laat ons uitgaan van de waarneming van het zielenwezen van de volwassene, omdat dit voor ons het gemakkelijkst toegankelijk is. Wij behoeven immers slechts onszelf te observeren. Het behoeft geen betoog dat in ons een psychische component aanwezig is, want wij hebben gewaarwordingen, zintuigelijke indrukken, reageren met onze binnenwereld op de buitenwereld. Wij kennen vrees, tevredenheid, vreugde, verdriet, sympathie, antipathie, waarmee wij reageren op de indrukken uit onze omgeving. Het gehele brede palet van de reacties van ons innerlijk op waarnemingen en indrukken van de buitenwereld kunnen wij ziel, psychisch spectrum noemen. Dergelijke psychische elementen vertonen natuurlijk ook de dieren en het zou onzinnig zijn als men zou willen ontkennen dat bijvoorbeeld een hond geen ziel heeft. Als men dit psychische van de mens tot aan de geboorte volgt, dan is het onbetwistbaar, dat ook het pasgeboren kind in bovenbedoelde zin een ziel heeft. Wij zullen nog moeten nagaan, hoe het met de ziel vóór de geboorte en na de dood gesteld is.

Voorlopig moet de vraag gesteld worden, wat na het hierboven gestelde de mens van het dier onderscheidt. Dan blijkt, dat in het zielenwezen op zichzelf het verschil zeker niet ligt, want beiden hebben zij immers een ziel. Als wij echter mens en dier in hun psychische gedrag nauwkeuriger gadeslaan, dan ontdekken wij al spoedig een fundamenteel verschil. Het dier reageert op indrukken uit de buitenwereld altijd op een bepaalde manier, afhankelijk van de soort. De reacties, zou men haast zeggen, zijn geprogrammeerd. Een dier geeft er zich geen rekenschap van of het al of niet juist heeft gehandeld; het handelt naar zijn aard steeds juist. De mens kan in zijn gedragingen net zo zijn als het dier, maar hij heeft ook de mogelijkheid, de programmering door sympathie of antipathie te doorbreken, hij kan op grond van sympathie of antipathie reageren, maar hij hoeft dat niet te doen. Een element van vrijheid duikt hier op, een specifiek, slechts aan de mens voorbehouden en mogelijk element. Goethe zegt hierover: ”Het dier wordt door zijn organen geïnstrueerd: de mens instrueert de zijne en beheerst ze.” (Spreuken in proza) 

De mogelijkheid van zo’n gedrag stelt voorop – nauwkeurige waarneming toont dit aan – dat er in de mens een gebied moet zijn, dat hem afstand laat nemen van zijn eigen zielsgewaarwordingen, van zijn sympathie- en antipathiereacties en het daaruit volgende noodzakelijke gedrag. Er moet een gebied bestaan, dat hem in staat stelt, vrij te zijn wat zijn reacties en beslissingen betreft, wat hem tenslotte ook vrij laat zijn in wat hij waarnemen wil, waar hij zijn aandacht op wil richten, in dit gebied is de mens geheel en al mens, individualiteit, totaal onafhankelijk van de psychische bewogenheid ten gevolge van sympathie en antipathie. Als hij zoekt naar een benaming voor dit aller oorspronkelijkste en intiemste gebied van zijn wezen, dan zal hij dit ”ik” noemen. Daarmee is iets omlijnd, dat absoluut slechts hemzelf als mens aangaat. Doordat hij zich totaal daarmee identificeert, verenigt hij zich met zijn eigen wezen, zijn ik. Hij verenigt zich met wat hem tot mens, tot individualiteit maakt. Als men deze gedachtegang tot dusver heeft gevolgd, dan heeft men tegelijkertijd zichzelf als individualiteit beleefd. Men merkt echter ook, dat wij over ’t algemeen nog ver ervan zijn verwijderd, ons “ik” in zijn volle werkelijkheid te hebben ervaren. In zoverre zijn wij ook nog niet vrij. Wij zijn pas op weg, mens te worden. Maar al te zeer vallen wij nog ten prooi aan de golvingen van antipathie en sympathie in ons zielenwezen. Maar desniettemin hebben wij de mogelijkheid tot menswording, een ontwikkeling naar de vrijheid en daardoor tot zelfstandig oordelen en handelen ten opzichte van goed en kwaad omlijnd. In het vrije inzicht en aanvaarden van die mogelijkheid ligt de ontwikkeling op weg naar de mens.

Het ik, de eigenlijke geestelijke kern van de mens, is – zoals de waarneming laat zien ~ in een voortdurende strijd betrokken met het lichaam en de omgeving. Het gebied, waar dit plaats vindt, zou men het zielengebied van de mens kunnen noemen. De ziel is dan het verbindende element tussen buiten- en binnenwereld, tussen materie en geest, tussen lichaam en ik.

Laat ons nu nagaan, hoe het ik, de menselijke individualiteit, zich gedraagt in het verloop van het leven tussen geboorte en dood. Wij hebben geconstateerd, dat wij van geboorte tot dood steeds ziel zijn, steeds reageren vanuit ons innerlijk op de buitenwereld. Zijn wij ook steeds een ik, respectievelijk is ook steeds ons ik volledig aanwezig in ons lichaam? Wat doen bijvoorbeeld ons ik en wat wij ziel hebben genoemd, in de slaap? Wij moeten constateren, dat deze beide er dan niet zijn, zich niet in ons lichaam bevinden. Maar wij hebben beperkte reacties van onze ziel op invloeden van de buitenwereld, want wij kunnen worden wakker gemaakt. Bewustheid omtrent ons ik ontstaat echter slechts, als dit ik verbonden is met het lichaam. In de slaap ontstaat a.h.w. elke keer een hiaat in de continuïteit van ons bewustzijn, waarin wij met ons ik niet aanwezig zijn. Als wij evenwel ons hele leven overzien, dan worden wij gewaar, dat er toch een continuïteit in onze levensloop is, een biografische draad, die door ons leven heenloopt ondanks de schijnbare hiaten door de slaap in ons bewustzijn. Wij knopen met hetgeen er als de som van onze ervaringen van ons ik uit ons voorafgaande leven aanwezig is, ’s ochtends steeds weer aan op het punt waar wij ’s avonds wat ons bewustzijn betreft zijn opgehouden. Ons ik als de vergaarder van onze ervaringen moet dus de nacht hebben doorstaan, hoewel wij dat niet bewust beleefden en het niet met ons lichamelijk bestaan was verbonden.

De som van onze ervaringen, onze goede en verkeerde beslissingen en daden blijft in ons ik bewaard. Dit moet dus iets van voortdurende, eeuwige aard zijn. Wij mogen daarom veronderstellen, dat het ook over de dood heen blijft bestaan, dus ook wanneer het ons lichaam niet alleen gedurende de slaap korte tijd verlaat, maar als zich een duurzame scheiding van onze geestelijke kern van het lichaam voltrekt. Nu willen wij ons afvragen, hoe de omstandigheden zijn bij die andere hoeksteen van ons aardse leven, bij de geboorte. Als wij nauwlettender toezien merken wij, dat de graad van bewustheid omtrent het bestaan van ons ik gedurende ons leven zeer variabel is en in hoge mate afhangt van de leeftijdsfasen. Als kind en jong mens beseffen wij nog maar heel vaag en
onvolkomen wat ons in de bovenbedoelde zin tot mens maakt. Wij zien, dat ons ik-bewustzijn niet onmiddellijk bij de geboorte maar pas later, ongeveer vanaf het 2e-3e jaar en daarna heel langzaam ontwaakt. In de eerste levensjaren hebben wij in ’t geheel geen bewustzijn van ons ik, wij herinneren ons van die tijd ook niets. Geen bewustzijn van het ik te hebben betekent echter – zoals wij zagen – niet dat het ik als geestelijk wezen niet bestaat. Anders zou elke avond, als wij inslapen, ons ik moeten uitblussen en ’s ochtends, als wij ontwaken, opnieuw moeten ontstaan. Dit is stellig niet het geval zoals wij op grond van het gegeven van de continuïteit van onze biografie hebben gezien. Wij mogen daarom het bestaan van ons geestelijke wezen ook in de kindertijd tot aan de bewuste ervaring ervan veronderstellen en concluderen dat onze individualiteit ook vóór de geboorte, zelfs vóór de conceptie bestaat. Ons ik als een geestelijk wezen met continuïteit, voortduring, zelfs het kenmerk van eeuwigheid, kwam hierboven reeds ter sprake.

Wij spraken over een som van levenservaringen die ons ik gedurende het leven op aarde opdoet, over een som van oordelen, beslissingen en daden. Deze som van ervaringen, die men de kwintessens van ons aardeleven zou kunnen noemen, blijft – zoals wij zagen – na de dood bestaan, zij bepaalt de grond van rijpheid van ons ik. Wat wordt er nu verder uit die toestand van rijpheid van het ik? Niemand zal immers willen beweren, dat ons ik al zover gerijpt en ervaren zou zijn, dat het niet verder zou kunnen rijpen, niet nog meer levenservaringen zou kunnen opdoen. Zou de biografie van ieder van ons min of meer onvoltooid afbreken en in een soort van “niets” oplossen? Dan zou ons bestaan zinloos zijn!.

Als wij de uitgangspunten van onze biografie nagaan, onze begaafdheden die wij meekrijgen, onze gezonde of zieke constitutie waarmee wij geboren worden, het milieu en nog vele andere factoren die ons bij de geboorte omringen, dan moeten wij vaststellen dat wij eigenlijk onze levensloop uit heel verschillende “startblokken” beginnen. En als wij het verdere verloop van ons leven overzien met onze ontmoetingen, lotgevallen, successen, ons falen enz. dan kunnen wij wederom slechts vaststellen, dat er veel oneffenheden, ongerijmdheden, ook onrechtvaardigheden bestaan.

Waarom is dit zo? Bestaat er iets als een rechtvaardige wereldorde? Indien dit zo is, hoe passen de geconstateerde ongelijkheden daarin? Hoe is dat, als een onvoltooide biografie, de onrijpheid van het ik in een leven na de dood verder gaat in een voortgezette verandering en rijping van de opgedane levenservaringen tot aan het stadium, dat die levenservaringen, de verkeerde en juiste oordelen, de rechtvaardige en onrechtvaardige beslissingen, de schuld veroorzakende, respectievelijk slechte en goede daden door een rechtvaardige, ook rechtende wereldorde worden beoordeeld; als dit dan gedurende een verder levens-rijpingsproces in een nieuw aardeleven uitmondt en als zodanig de uitgangspositie oplevert voor de verdere vorming van het lot van het individu? Vanzelfsprekend moeten dan die uitgangsposities van de individuen verschillend zijn, heel verschillend dikwijls, afhankelijk van de vrucht van een vorig aardeleven. Pas op die manier wordt ook het in ieder mens diep verborgen verlangen gestild naar een orde scheppende gerechtigheid in de wereld. Slechts zo is ook werkelijk de continuïteit van het ik, waarvan hierboven sprake was, gegarandeerd. Niets gaat er verloren van hetgeen eens is bereikt. De mens als geestelijk wezen, als individualiteit, krijgt het kenmerk van eeuwigheid, maar niet in de betekenis van een duur zonder meer, maar van een onsterfelijkheid met de kenmerken van ontwikkeling en rijping, met de mogelijkheid hogere treden van het bestaan te vinden. De mens kan, zo gezien, werkelijk mens worden, een “wezen, aan God gelijk”, zoals de Bijbel als doel van de schepping vermeldt. Het wereldgebeuren wordt zinrijk en de rechtvaardigheid van een wereldorde daagt, waarin wij als mensen in die zin vrij kunnen worden, zoals hierboven is betoogd als mogelijkheid van de menswording.

De mens als lichamelijk wezen

In tegenstelling tot het eeuwigheidskarakter van ons ik heeft ons lichaam geen duurzaamheid; het is aan de vergankelijkheid onderworpen zoals al het aardse. Zijn bestaan is begrensd door de beide hoekpijlers van het aardse leven, geboorte en dood. Binnen deze beperking heeft het ook met een ontwikkeling te maken. Die bestaat uit een opgaande fase, waarin het lichaam groeit en zich ontplooit en in een neerwaarts gaande fase, waarin ouderdomsprocessen steeds meer de overhand krijgen. Bij nauwkeuriger toezien merken wij, dat deze opbouwende en afbrekende processen er al vanaf de geboorte zijn en gedurende de duur van het aardse leven bepalen hoe wij ons voelen. Wel is echter de intensiteit van opbouw en afbraak gedurende de afzonderlijke levensfasen verschillend. In de kinder – en jeugdjaren zijn de opbouwende krachten van ons lichaam zo intens, dat zij in hoge mate de afbrekende krachten overheersen, zodat wij die bijna niet merken. Pas langzamerhand beginnen – na een fase van evenwicht tussen beide krachten in het midden van het leven – de afbrekende ouderdomskrachten de overhand te krijgen, tot zij ten slotte in de ouderdom zo sterk de opbouwende krachten domineren, dat zij de dood van het fysieke lichaam veroorzaken. Er zijn dus in ons lichamelijk bestaan twee tegengestelde ritmen: grote intensiteit van de opbouwende krachten in het begin, langzamerhand intredende vermindering gedurende het leven tot aan het ophouden van de opbouw bij de dood; daar staat tegenover: geringe intensiteit van de afbraak bij de geboorte, toename daarvan gedurende het leven, grootste intensiteit daarvan ten slotte, eindigend met het absolute overwinnen van de opbouw in het ogenblik van de dood.

Als wij onze levensprocessen nog nauwkeuriger gadeslaan, dan zien wij dat aan dit grote ritme van ons lichaam gedurende het hele leven een kleiner ritme ondergeschikt is, waarin hetzelfde gebeurt, alleen niet tot in de consequentie van de dood: dat is het ritme van waken en slapen, het dag-nacht ritme met zijn korte fasen. Gedurende zijn verloop beschikken wij over veel opbouwende kracht ’s morgens als wij ontwaken uit de slaap. Hieraan teren overdag in toenemende mate afbrekende krachten, tot wij ’s avonds vermoeid de slaap zoeken om onze uitgeputte opbouwende krachten in de nacht te regenereren. Niet zonder reden noemde men vroeger de slaap de kleine broeder van de dood; men zei ook wel: de dood is een lange slaap, de slaap is een korte dood.
Wij ontdekken verder ook, dat er altijd een verheviging van afbraak- en vermoeidheidsprocessen in ons lichaam plaatsvindt – of anders gezegd, de vitale opbouwprocessen worden teruggedrongen – als wij met ons ik van ons lichaam bezit nemen, d.w.z. dat onze bewustzijnsprocessen toenemen, als wij “present” zijn. Gedurende de slaap zijn wij met ons ik en onze bewustzijnsprocessen buiten ons lichaam; dientengevolge hebben nu de in het lichaam werkzame opbouwkrachten de overhand en wij regenereren ons lichaam.

In het begin van ons leven zijn wij ons nog heel weinig bewust van ons lichaam en van de omgeving. Daardoor prevaleren de lichamelijke opbouw- en groeiprocessen. Op latere leeftijd zijn wij met ons ik, wat ons bewustzijn betreft, steeds meer aanwezig en worden de opbouw-, de regeneratieprocessen steeds meer teruggedrongen, tot wij in de dood in een hoger bewustzijnsproces belanden, nl. als onze lichamelijke levensprocessen het begeven.

Wij zien nu, dat levensprocessen, d.w.z. opbouw-, groei- en regeneratieprocessen aan de ene kant en bewustzijnsprocessen, d.w.z. afbraak-, afstervings- en doodsprocessen aan de andere kant een polariteit zijn. Bewustwording is een afbraak, een doodsproces dat zich slechts kan ontwikkelen ten koste van de groei- en regeneratieprocessen en omgekeerd.

Dit feit is een fundamenteel gegeven dat in de tegenwoordige materialistische wetenschap nog niet volledig ingang heeft gevonden. Want wat resulteert daaruit? Het inzicht, dat in de mens twee krachtrichtingen zijn: de ene, die de mens in zijn lichamelijk bestaan weliswaar opbouwt, hem evenwel niet tot bewustzijnsprocessen en dus tot inzichten – ook niet omtrent zijn eigen wezen – laat komen en een andere stroming van krachten, die hem in staat stelt, bewustzijn en dus ook inzichten te ontwikkelen, die evenwel tegelijkertijd het lichaam moet afbreken en vernietigen. M.a.w. bewustzijnsprocessen ontwikkelen zich nooit uit vitale opbouwprocessen via wat dan ook voor gecompliceerde processen van de materie, zoals tot dusver de wetenschap veronderstelt. Wij hebben een vitaal proces in ons lichaam, waarin de materie zich inpast en waardoor voeding, groei, regeneratie en reproductie kan plaatsvinden. Daar staat polair tegenover een geestelijk proces, dat vitaliteit afbreekt, materie vernietigt en in de vernietiging bewustzijn, ook zelfbewustzijn ontwikkelt. Beide polaire processen behoren bij het wezen van de mens en zijn in hun samen- en tegenwerking het spanningsveld van ons menszijn hier op aarde.

De bestemming van de mens-de mens als vrij wezen

Nu kunnen wij ons afvragen: waar ligt de oorsprong van de beide beschreven polen van het menselijke wezen? D.w.z. waar vandaan komt de mens als geestelijk en als ‘lichamelijk wezen?

Wij zagen de mens als geestelijk wezen: duurzaam eeuwig – een wezen, dat zich door verschillende aardelevens in een ontwikkelings-, d.w.z. rijpingsproces ter vervolkoming bevindt. Bij zijn oorsprong ontspruit dit geestelijke wezen, het ik van de mens, uit de vereniging met de goddelijke wereld van de Schepper, uit de godheid zelf, zoals dit in de verschillende mythologische scheppingsverhalen wordt beschreven.

In de Bijbel vinden wij de ons bekende scheppingsmythe. Daar wordt in grootse beeldentaal het oorspronkelijke één zijn van de mens met de hele schepping en de Schepper zelf in het beeld van het Paradijs verteld. Door de invloed van de Verzoeker maakt de mens zich dan los van die eenheid, wat tot gevolg heeft dat hij dan met de zintuiglijke wereld wordt geconfronteerd. De reeds beschreven tweeheid van goddelijk-geestelijke wereld enerzijds en de materiële zintuiglijke wereld anderzijds gaat zich manifesteren. De laatstgenoemde verschijnt daarbij als schepping uit de eerste. Het resultaat van deze scheiding is de dualiteit geest-materie, geest-natuur, geestelijke individualiteit- lichamelijk bestaan of hoe wij dit alles willen benoemen
Mythologisch in beelden, wordt dit proces van scheiding in de Bijbel als verstoting uit het paradijs beschreven. Individualisering betekent hier: losmaking van een goddelijke vonk uit het algemeen-goddelijke, verzelfstandiging van een geestelijk deel, een ik. De vrucht daarvan is de mogelijkheid van individuele zelfstandigheid en vrijheid. Of dit ontwikkelingsmoment nu zo wordt uitgewerkt, dat het zich volledig naar de materiële wereld, d.w.z. de natuur, de fysieke dingen, het lichamelijke bestaan keert of dat het naar geestelijke gebieden streeft, is een bestanddeel en het eigenlijk kenmerk van de vrijheid. In onze tijd lijkt de mens, resp. de mensheid de voorkeur te geven aan de materiële wereld. Het is vanzelfsprekend dat dit problematische situaties veroorzaakt. Het zou wel eens een weg kunnen blijken, die niet is gebaseerd op een inzicht in wezenlijke realiteiten en die naar eenzijdigheden leidt. Dit beleven wij elke dag als wij niet blind zijn voor de werkelijkheid. Maar ook het streven naar een uitsluitend geestelijk bestaan zonder de materiële zintuiglijk wereld te willen leren kennen, zien wij in het streven naar het uitsluitend transcendente en ook in alles wat naar toestanden van de roes neigt. Dit nu, wat de fysieke gegevens negeert, moet echter in illusies uitmonden. Wij vinden maar al teveel voorbeelden hiervan in onze huidige omgeving.

Op grond van deze gezichtspunten ontdekken wij een nieuwe weg voor ons menselijke streven, die de beide genoemde mogelijkheden in hun polariteit tot een evenwicht, maar ook in de zin van Goethes zienswijze tot een intensivering leidt. Hier gaat het erom, dat vooreerst de mogelijkheid om vrijheid te vinden, die door de individualisering van het geestelijke principe in het ik werd veroverd, volledig wordt gerealiseerd: hier sta ”ik”, uniek in de wereld, met alle mogelijkheden vrij te zijn. Ik kan nu – potentieel- die vrijheid egoïstisch gebruiken, d.w.z. tegen mijn medemensen, tegen de natuur. M.a.w.: ik kan macht uit de vrijheid ontwikkelen, bijvoorbeeld dictator, tiran of iets dergelijks worden.

Ik kan de schepping uitbuiten, alles in dienst stellen van mijn machtswellust, mijn egoïsme. Ik kan zelfs zover gaan, dat ik mijzelf, de mensheid, de aarde vernietig.

Ik kan echter ook vanuit het besef, hoe groots de idee van de vrijheid is, zeggen: ik beleef mijzelf in mijn waardigheid als geïndividualiseerd geestelijk wezen, als een ”ik” en handel uit het volle bewustzijn van die vrijheid. Ik besef, dat ik een goddelijke vonk bezit: mijn ik dat mij tot mens maakt. Die goddelijke vonk is geboren uit het geestelijke, is daaruit geïndividualiseerd. Ik heb door dat proces de verbinding (de religio) met de godheid verloren, ben eenzaam en geïsoleerd geworden. Met mij zijn op dezelfde wijze de andere mensen, “door God verlaten geworden”, zij hebben de verbinding met de geest verloren. Met ons is de gehele materiële wereld zelfstandig, materie geworden. Ik wil nu bewust, uit vrijheid een weg zoeken die mij weer naar een verbinding met het geestelijke leidt, mij weer in een goddelijk-geestelijke wereld laat binnengaan, nu echter in het volle bezit van mijn geïndividualiseerde geestelijke wezen, van mijn ik, van mijn vrijheid. Maar ik wil niet de aarde, de mij omringende natuur de rug toekeren om dwepend in iets geestelijks te verdwijnen, maar ik wil de aarde volledig accepteren doordat ik haar beleef als goddelijke schepping. Ik wil van haar aanvaarden, wat ik voor de instandhouding van mijn lichaam, voor de bevrediging van mijn lichamelijke behoeften nodig heb, zonder evenwel in egoïstische uitbuiting te vervallen. Ik wil de aarde verzorgen en haar als milieu beschermen en als waardig goddelijk schepsel cultiveren. Dit is ons mensen toevertrouwd als grondslag voor ons fysieke bestaan, niet in de zin van door macht afgedwongen uitbuiting, maar als een plaats waar een krachtige uit de geest en het wezen van de mens ontsproten cultuur kan gedijen.

In de vervulling van zo’n taak word ik waarlijk vrij, vind ik mijn bestemming als vrij mens. Niet macht is dan mijn doel, maar besef en liefde en vanuit die beide: ontwikkeling van vernieuwende impulsen. Ik besef: uit de geest ontwikkelde de mens, de mensheid zich om zelfstandigheid en vrijheid van het eigen geestelijke wezen te veroveren. Vanuit die vrijheid zoekt de mens bewust het geestelijke wederom waarbij zijn geïndividualiseerde geestwezen ten volle behouden blijft. In liefde neemt hij op die tocht de hem omringende schepping van de materiële wereld mee, die hem de basis schenkt voor zijn lichamelijke bestaan.

De beantwoording van de vraag naar de oorsprong van de mens als lichamelijk wezen is allicht gemakkelijker dan de vraag naar zijn oorsprong als geestelijk wezen.

Wij hebben gezien, dat ons lichaam vergankelijk is, niet duurzaam bestaat. Het is niet moeilijk in te zien, dat een levend wezen steeds een ander op aarde levend wezen nodig heeft, dat hem in de tijd voorgaat en waaruit hij ontstaat of waarvan hij afstamt. Al het levende ontstaat slechts uit het levende, d.w.z. het ene lichaam uit het andere. Dit is een feit, dat zich dagelijks op duizendvoudige wijze om ons heen sinds onheuglijke tijden voltrekt, ieder kan het waarnemen. En juist dit een ieder bekende feit staat in de meest krasse tegenstelling tot de verklaring van de materialistische wetenschap omtrent het ontstaan van het leven, van de levende lichamen. Vanzelfsprekend neemt ook een materialistisch georiënteerde wetenschapper het door ons genoemde feit waar, dat al het leven slechts van iets levends afstamt. Als het echter erop aankomt, het ontstaan van het allereerste leven te verklaren, vindt hij plotseling een hypothetische “generatio spontanea” uit, een soort van theoretische oer-verwekking, volgens welke uit de oorspronkelijk aanwezige, levenloze materie – iets anders kan de materialist zich niet voorstellen – door een hoogst gecompliceerde, maar totaal onduidelijke en onverklaarbare samenbundeling, of wat voor complicatie dan ook, het leven zou zijn ontstaan. Wat een merkwaardige, wonderlijke, maar totaal onlogische en bovenal elke wetenschappelijke denktrant tegensprekende zienswijze! Een zienswijze, die juist die wetenschappelijke denktrant weerspreekt, die slechts wil laten gelden, wat uiterlijk zintuigelijk kan worden waargenomen. Waargenomen echter kan worden, dat materie, dode materie, altijd ontstaat als het leven zich daaruit terugtrekt, dus wanneer zich een doodsproces voltrekt. Nooit en te nimmer heeft men gezien, dat iets doods, iets wat levenloos is, plotseling uit zichzelf ging leven!

Waarneembaar is ook, dat een levend organisme dode stof, bijvoorbeeld mineralen, opneemt en deze – doordat het leeft – integreert, met leven doordringt, tot levende organische substantie maakt. Dit proces volbrengen wij voortdurend, bijvoorbeeld in onze stofwisseling.
Hiervoor geldt evenwel als voorwaarde, dat er eerst een levend organisme moet zijn dat de dode materie met leven doordringt. Als het leven zich terugtrekt ontstaat dode, levenloze substantie.

Wanneer het leven zich uit een gevormd organisme losmaakt, dan blijft er voorlopig iets over wat wij een lijk noemen, dat zich na verloop van tijd in de levenloze natuur oplost. Door deze observaties zijn wij in onze gedachtegang bij twee polariteiten aangekomen: wij hebben aan de ene kant de polariteit dode materie-levende, door het leven gegrepen materie ontdekt, aan de andere kant hebben wij de polariteit levende materie-gevormde materie gevonden. Omtrent beide polariteiten hebben wij ons hierboven reeds een inzicht verschaft. Wij hebben ons bezig gehouden met het proces dat dode materie in het gebied van het leven wordt opgenomen. Met betrekking tot de polariteit levende materie-gevormde materie hebben wij gezien, dat vormgevende processen altijd afbraakprocessen zijn, d.w.z. processen die het levende, de opbouw afremmen tot een zeker eindpunt. In dit verband is dat een vorm, een gestalte. Leven en gestaltevorming, levend-opbouwende en gestalte gevende, afbrekende processen staan polair tegenover elkaar. Zij bepalen als zodanig onze lichamelijke constitutie. Als zij in evenwicht zijn voelen wij ons gezond; als in de krachtsverhouding de ene of de andere kant domineert, dan voelen wij ons in een onevenwichtigheid betrokken, wij worden ziek. Voortdurend moeten wij in ons aardeleven naar het evenwicht van beide krachten, die van het leven en die van de vormgeving, van de opbouw en van de afbraak zoeken. In het bereiken, respectievelijk het steeds weer opnieuw uitbalanceren van dit evenwicht ligt ook een van de bedoelingen van ons bestaan op aarde.

Wij kunnen op grond van het voorafgaande nu zeggen: in het aardse gebied geboren worden betekent voor het geestelijke wezen van de mens, dat hij zijn geestelijke vaderland, de wereld van de goddelijke oorsprong, verlaat. Zo gezien sterft de mens voor de geestelijke wereld als hij fysiek wordt geboren. De fysieke dood daarentegen leidt het geestelijke wezen “mens” weer terug naar zijn eigenlijke vaderland. De mens wordt voor de geestelijke wereld opnieuw geboren als hij fysiek sterft. De scheiding van het geestelijke vaderland is evenwel noodzakelijk als het menselijke wezen zelfstandigheid en vrijheid wil verkrijgen. Een dergelijke ontwikkeling kan echter alleen in deze aardse wereld plaatsvinden. Geboorte en dood, zo gezien, zijn dus in de ene en in de andere richting gebeurtenissen die door goede machten in de wereld werden geplaatst om de mens de mogelijkheid te schenken dat hij zijn wezen ontwikkelt en vervolmaakt. Zonder geboorte en dood zou er ook geen opstanding zijn. Als wij dit inzien en aanvaarden kunnen wij met Goethe met betrekking tot de zin van ons bestaan op aarde en onze ontwikkeling als aardeburgers zeggen:

”Und so lang du das nicht hast,
dieses Stirb und Werde,
bist du nur ein trüber Gast
auf der dunklen Erde”

Zolang je deze wijsheid niet bezit:
sterf om te worden,
ben je slechts een trieste gast,
op deze donkere aarde.
(bron)

Wij verwijzen ook naar het boek van de auteur ”Die Geburt der Individualitat”, waaraan het bovenstaande – door de schrijver voor de Weleda Berichten bewerkt en aangevuld – is ontleend.

De publicatie is verschenen bij Verlag Urachhaus, Stuttgart.

.

Algemene menskunde: voordracht 1: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2649

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – wegwijzer (363)

.

In het geschreven werk van Rudolf Steiner, maar ook in zijn opgetekende voordrachten vind ik vaak uitspraken, die – enigszins los van hun verband – op zich een inhoud hebben waarover je lang kan nadenken. Een tijdlang zo’n zin regelmatig op je laten inwerken, kan tot gevolg hebben dat deze zin je in een bepaalde situatie plotseling invalt en dan een antwoord of een richting blijkt te geven voor waarmee je op dat ogenblik bezig bent.
Ze wijzen je een weg; misschien ‘de’ weg; en ze wijzen je weg van het alledaagse. of geven je juist daarop een andere kijk,

‘wegwijzers’ dus

363
Ik had het liefst dat ik de antroposofie iedere dag anders zou kunnen noemen, opdat de mensen niet bij het woord blijven hangen, dat woord uit het Grieks vertalen en daar dan een mening over hebben
.

Mir wäre es am liebsten, wenn ich die Anthroposophie jeden Tag anders nennen könnte, damit nicht die Leute am Worte festhalten, das Wort aus dem Griechischen übersetzen und darnach sich ihr Urteil bilden.
GA 306/29
Op deze blog vertaald/29

.

Rudolf Steineralle wegwijzers

Rudolf Steineralle artikelen

.

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – wegwijzer (362)

.

In het geschreven werk van Rudolf Steiner, maar ook in zijn opgetekende voordrachten vind ik vaak uitspraken, die – enigszins los van hun verband – op zich een inhoud hebben waarover je lang kan nadenken. Een tijdlang zo’n zin regelmatig op je laten inwerken, kan tot gevolg hebben dat deze zin je in een bepaalde situatie plotseling invalt en dan een antwoord of een richting blijkt te geven voor waarmee je op dat ogenblik bezig bent.
Ze wijzen je een weg; misschien ‘de’ weg; en ze wijzen je weg van het alledaagse. of geven je juist daarop een andere kijk,

‘wegwijzers’ dus

362
In iedere leeftijdsfase moet er dus volstrekt op gelet worden dat je niet alleen voor deze leeftijdsfase opvoedt, maar voor heel het aardse mensenleven, zelfs voor wat daar op volgt.

In jedem Lebensalter muβ eben durchaus darauf gesehen werden, daβ man nicht bloβ für dieses Lebensalter erzieht, sondern für das ganze irdische Menschenleben, ja noch darüber hinaus.
GA 309/80
Op deze blog vertaald/80  

Rudolf Steineralle wegwijzers

Rudolf Steineralle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

.