Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’ (11)

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven‘

.

Zie ‘voorwoord‘.

In de uitgave is een stukje van een voordracht van Steiner opgenomen die hij in 1923 in Ilkley hield.
In de inhoudsopgave van de voordracht valt het onder:

‘Kunstonderwijs wekt begrip voor mens en wereld’

Ik heb de passage – i.t.t. de uitgave – in z’n geheel weergegeven.

Blz. 223

Und das ist von einer ganz besonderen Bedeutung für diejenigen Erziehungsprinzipien, die durch die Waldorfschule verwirklicht werden sollen, daß das Kind auch in das entsprechende Kunstverständnis im rechten Lebensalter hineinkommt. In demselben Lebensalter, in dem das Kind
begreifen lernen muß: die Natur ist nach abstrakten, durch den Verstand zu begreifenden Naturgesetzen geordnet, in demselben Lebensalter, wo man in der Physik kennenlernen muß, wie Ursache und Wirkung in den einzelnen Fällen zusammenhängen, in demselben Lebensalter sollen wir Kunstverständnis schaffen als das Gegengewicht, sollen in das Verständnis einführen, wie sich die einzelnen Künste in den verschiedenen Epochen der Menschengeschichte entwickelt haben, wie das eine oder das andere Kunstmotiv in diesem oder jenem Zeitalter eingreift. Dadurch erst wird dasjenige in dem Kinde wirklich angeregt, was der Mensch braucht, wenn er zu einer allseitigen Entfaltung seines Wesens kommen will. Dadurch wird auch dasjenige in der richtigen Weise entwickelt, wie ich morgen dann zeigen will, was für den Moralunterricht in ganz besonderer Art notwendig ist.
Dadurch, daß der Mensch Kunstverständnis sich erringt, wird er
auch dem Menschen selbst, seinem Nebenmenschen, seinem Mitmenschen in einer ganz anderen Weise gegenüberstehen, als wenn ihm dieses

Het is van bijzonder groot belang voor die op­voedingsprincipes die door de vrijeschool moeten worden verwezenlijkt, dat het kind op de geschikte leeftijd ook in de passende kunstzin thuisraakt.
Op dezelfde leeftijd waarop het kind moet leren begrij­pen: de natuur is geordend volgens abstracte, door het ver­stand te begrijpen natuurwetten, op dezelfde leeftijd waarop je in de natuurkunde moet leren kennen hoe oorzaak en ge­volg in de afzonderlijke gevallen samenhangen, op diezelfde leeftijd moeten we kunstzin scheppen als het tegenwicht, moeten we in het begrip invoeren hoe zich de afzonderlijke kunsten in de diverse tijdperken van de geschiedenis van de mens hebben ontwikkeld; hoe het een of andere kunstmo­tief in het een of andere tijdperk optreedt. Daardoor pas wordt datgene in het kind werkelijk gewekt wat de mens no­dig heeft als hij tot een veelzijdige ontplooiing van zijn we­zen wil komen. Daardoor wordt ook datgene op de juiste wijze ontwikkeld – zoals ik morgen dan zal laten zien – wat voor het morele onderwijs op heel speciale manier nodig is.
Doordat de mens zich kunstzin verwerft, zal hij ook op een geheel andere manier tegenover de mens zelf, zijn naas­te, zijn medemens staan dan als hij deze kunstzin mist.

Blz. 224

Kunstverständnis fehlt. Denn, was ist das Wesentliche im Weltverständnis? Daß wir die abstrakten Begriffe im rechten Momente verlassen können, um Einsicht, Verständnis für die Welt gewinnen zu können.
Wenn man Mineralien begreifen will, kann man das nach Ursache und Wirkung. Physikalisches läßt sich so begreifen. Kommt man zu den Pflanzen herauf, dann ist es schon unmöglich, alles durch Logik, durch Verstand, durch Intellekt zu begreifen. Da muß schon das plastische Prinzip im Menschen sich regen, da gehen die Begriffe, die Ideen über in bildhafte Formen. Und alles, was wir an plastischer Geschicklichkeit dem Kinde beibringen, gibt ihm die Befähigung, das Pflanzenwesen seinen Gestaltungen nach zu begreifen. Wollen wir das Tierreich begreifen, wir können es nicht anders, als wenn wir in uns die Verständnisbegriffe durch die moralische Erziehung veranlagen lassen. Dann erst werden in uns diejenigen Kräfte rege, die hinüberschauen können zu dem Aufbauenden, zu dem aus dem Unsichtbaren heraus Aufbauenden des Tieres. Wie wenige Menschen, auch wie wenige Physiologen wissen heute, woher die Gestalt eines Tieres kommt!

Want wat is wezenlijk in het begrijpen van de wereld? Dat we de abstrakte begrippen op het juiste moment kunnen verlaten om inzicht in, begrip voor de wereld te kunnen verwerven.
Als je mineralen wilt begrijpen, kun je dat volgens oor­zaak en gevolg. Het fysische laat zich zo begrijpen. Klim je op naar het plantaardige, dan is het al onmogelijk om alles door logica, door verstand, door intellect te begrijpen. Daar moet al het plastische principe in de mens bovenkomen, daar gaan de begrippen, de ideeën over in plastische vor­men. En alles wat we het kind aan plastische vaardigheid bijbrengen, geeft hem de bekwaamheid, het plantenwezen in zijn samenstellingen te begrijpen.
Willen we het dierenrijk begrijpen, dan kunnen we niet anders dan in ons de verstandelijke begrippen door de mo­rele opvoeding te laten aanleggen. Dan pas worden in ons de krachten levendig die naar de overkant kunnen kijken naar het opbouwende, naar het vanuit het onzichtbare op­bouwende van het dier. Hoeveel mensen, ook hoeveel fysio­logen weten tegenwoordig waar de gestalte van een dier van­daan komt!

Die Gestalt eines Tieres kommt nämlich aus der Bildung gerade derjenigen Organe, die beim Menschen nachher Sprachorgane und Gesangsorgane werden. Das ist das Zentrum der Formbildung, der Gestaltbildung des Tieres. Das Tier kommt nicht zur artikulierten Sprache; das Tier kommt auch nur zu jenem Gesang, den wir bei dem Vogel kennen. Aber ebenso wie in Gesang und Sprache die Gestaltung ausströmt und die Luftwellen bildet, wodurch das Hörbare entsteht, ebenso geht dasjenige, was in dem Sprachorganismus, in dem Gesangsorganismus sich aus einem vitalen Prinzip entwickelt, zurück in das Tier.
Und derjenige erkennt erst die Tierform, der weiß, wie gewissermaßen
«musikalisch» diese Tierform gerade sich aus den später beim Menschen zu den musikalischen Organen metamorphosierten Gliedern herausbildet.
Und wollen wir zum Menschen heraufkommen, dann brauchen wir ein umfassendes Kunstverständnis. Denn alles, was am Menschen ist, ist nur seinem unorganischen Ingredienz nach durch den Verstand begreifbar. Wenn wir im rechten Momente wissen, Vorstellung in künst-

De gestalte van een dier komt namelijk uit de ontwikkeling van juist die organen die bij de mens later spraakorganen en zangorganen worden. Dat is het centrum van de vormontwikkeling, de gestalteontwikkeling van het dier. Het dier komt niet tot gearticuleerd spreken; het dier komt ook alleen tot dat zingen dat we bij de vogel kennen. Maar net zoals in zingen en spreken de gestalte naar buiten stroomt en de luchtgolven vormt, waardoor het hoorbare ontstaat, net zo keert dat wat zich in het spraakorganisme, in het zangorganisme uit een vitaal principe ontwikkelt, te­rug naar het dier. En diegene kent pas de diervorm die weet hoe deze diervorm zich in zekere zin ‘muzikaal’ ontwikkelt uit de later bij de mens tot muzikale organen gemetamorfo­seerde delen.
En willen we opstijgen tot de mens, dan hebben we een veelomvattende kunstzin nodig. Want alles wat bij de mens aanwezig is, is alleen wat zijn anorganische bestanddeel be­treft met het verstand te begrijpen. Als we op het juiste mo­ment een voorstelling in een kunstzinnig opvatten weten om te zetten,

lerisches Erfassen überzuführen, dann erst haben wir die Möglichkeit
eines Menschen Verständnisses.
Das aber muß besonders durch den Kunstunterricht erweckt werden.
Wenn wir als Lehrer selber, ausgerüstet mit künstlerischem Sinn, im
rechten Lebensalter das Kind hinzuführen vermögen vor Leonardos
Abendmahl oder vor Raffaels Sixtinische Madonna, wenn wir ihm
zeigen können, wie da jede einzelne Gestalt zu der anderen in einem
bestimmten Verhältnisse steht, wie aber gerade dasjenige Zeitalter in
seiner historischen Entwickelung, in welchem Leonardo oder Raffael
gestanden haben, in dieser Weise mit der Farbe verfuhr, in dieser Weise
mit der inneren Perspektive verfuhr und so weiter, wenn wir allen übrigen Natur- und Geschichtsunterricht beseelen können durch einen auf
das Kunstverständnis führenden Unterricht: dann bringen wir in allen
Unterricht das menschliche, das humane Prinzip hinein.
Darauf müssen wir sehen, daß wir nichts, was nötig ist an künstlerischem Sich-Durchdringen bei dem Kinde, diesem Kinde im rechten Lebensalter entziehen.

dan pas hebben we de mogelijkheid tot het be­grijpen van de mens.
Dat moet echter in ’t bijzonder door het kunstonderwijs worden opgewekt. Als wij als leraar zelf, uitgerust met kunst­zinnige vermogens, het kind op de juiste leeftijd naar Leonardo’s ‘Laatste Avondmaal’ of naar Rafaëls ‘Sixtijnse Ma­donna’ leiden, als we hem kunnen laten zien hoe daar elke afzonderlijke gestalte in een bepaalde verhouding staat tot de andere, hoe echter juist dat tijdperk in zijn historische ontwikkeling waarin Leonardo of Rafaël stonden, op die manier met de kleur omging, op die manier met de innerlij­ke perspectief omging enzovoort, als we alle overige natuur-en geschiedenisonderwijs kunnen bezielen door een naar het kunstbegrip leidend onderwijs: dan brengen we in al het on­derwijs het menselijke, het humane principe binnen.
We moeten erop toezien dat we het kind niets ontnemen van wat voor het kind nodig is aan het zich-doordringen met het kunstzinnige op de juiste leeftijd.

Unsere Zivilisation kann nur dadurch den ihr notwendigen Aufschwung, den Aufstieg erlangen, wenn wir mehr Künstlerisches in die Schule hineinbringen; nicht nur dasjenige, was ich in allen diesen Stunden angedeutet habe: die Durchdringung des gesamten Unterrichts mit einem artistischen, künstlerischen Element, sondern wenn wir auch für alles prosaische Auffassen von Natur und Geschichte ein Gegengewicht schaffen durch ein lebendiges, selber von künstlerischer Schöpferkraft getragenes Unterrichten in Kunstverständnis.
Das ist dasjenige, was wir nun als ein besonderes Ingredienz im Unterricht, in der Erziehungskunst der Waldorfschule auch befolgen wollen, was wir für notwendig halten, weil es einfach wahr ist, was jeder wahre Künstler auch gefühlt hat: daß die Kunst nicht bloß etwas vom Menschen Erfundenes ist, sondern ein Gebiet, in dem der Mensch auf einem anderen Niveau, als durch das sonstige Begreifen, in die Geheimnisse der Natur hineinzuschauen vermag, in die Geheimnisse der ganzen Welt überhaupt hineinzublicken vermag. Erst in dem Momente, wo der Mensch begreifen lernt: die Welt selber ist ein Kunstwerk, wo der Mensch lernt, in alle Natur und alles Naturgeschehen

Onze civilisatie kan alleen daardoor haar noodzakelijke opbloei, haar weg omhoog verkrijgen als we meer aan kunstzinnigs in de school binnenbrengen; niet alleen dat wat ik in al deze voordrach­ten heb aangeduid: het doordringen van het hele onderwijs met een artistiek, kunstzinnig element, nee, als we ook voor al het prozaïsch opvatten van natuur en geschiedenis een te­genwicht scheppen door een levendig, zelf door kunstzinni­ge scheppingskracht gedragen lesgeven in kunstbegrip.
Dat is wat we nu als een speciaal bestanddeel in het on­derwijs, in de opvoedkunst van de vrijeschool ook willen hanteren, wat we voor noodzakelijk houden omdat het een­voudigweg waar is wat elke ware kunstenaar ook voelde: dat de kunst niet iets is wat louter door de mens is uitgevonden, maar een gebied waarin de mens op een ander niveau dan door de overige manier van begrijpen in de geheimen van de na­tuur kan binnenkijken, überhaupt in de geheimen van de hele wereld inzage mag krijgen. Pas op het moment dat de mens leert begrijpen: de wereld zelf is een kunstwerk, dat de mens leert in de hele natuur en in alle natuurgebeuren

Blz. 226

so hineinzuschauen, daß er in der Natur eine schöpferische Künstlerin sieht, erst in dem Momente ist der Mensch auf dem Wege, auch zur religiösen Vertiefung hinaufzudringen. Nicht umsonst sagte der Dichter Mitteleuropas: «Nur durch das Morgenrot des Schönen dringst du in der Erkenntnis Land.» Wahr ist es: wenn wir durch die Kunst den ganzen Menschen ergreifen, bewirken wir in dem Menschen auch wiederum ein entsprechendes Weltverständnis, das auf das Ganze, auf das Totale der Welt geht. Daher sollen wir, soviel es nur möglich ist,
zu dem, was nun schon einmal für die Prosakultur und -Zivilisation
notwendig ist, im Unterricht dasjenige hinzufügen, was rein menschlich ist. Und das kann nicht nur durch einen künstlerischen Unterricht, sondern auch durch eine entsprechende Unterweisung im Kunstverständnis einzig und allein geschehen. Kunst und Wissenschaft führen dann im rechten Maße, wie wir
morgen sehen werden, zur moralischen und zur religiösen Vertiefung.
Dafür aber, daß der Mensch in religiöser und moralischer Beziehung
vorwärtskomme, muß eben die Vorbereitung geschaffen werden durch die Tatsache, daß der Unterricht wie zu einer Waage wird. Auf der einen Seite liegt alles dasjenige, was in die Prosa des Lebens führt, was den Menschen sozusagen an die Erde bindet; auf der anderen Seite liegt das Gleichgewichtbewirkende alles dessen, was zur Kunst führt, was den Menschen in jedem Augenblicke seines Lebens das, was er in Prosa erarbeiten muß, auch künstlerisch erhöhen und so unmittelbar wiederum in den Geist hineinführen kann.

zo binnen te kijken dat hij in die natuur een scheppend kun­stenares ziet, op dat moment pas is de mens op weg ook tot religieuze verdieping omhoog te komen. Niet voor niets heeft de dichter van Midden-Europa gezegd: ‘Alleen door het morgenrood van het schone dring je door tot het land van de kennis.’4 Het is waar: wanneer we door de kunst de hele mens vatten, veroorzaken we in de mens ook weer een passend begrip voor de wereld dat uitziet op het geheel, het totaal van de wereld. Daarom moeten we zoveel als maar mogelijk is aan dat wat nu eenmaal voor de prozakultuur en -civilisatie nodig is, in het onderwijs datgene toevoegen wat zuiver menselijk is. En dat kan niet alleen door kunstzinnig lesgeven, maar ook door enkel en alleen een behoorlijk on­derwijs in het kunstbegrip gebeuren.
Kunst en wetenschap leiden dan, zoals we morgen zullen zien, in de juiste proporties tot morele en religieuze verdie­ping. Maar opdat de mens in religieus en moreel opzicht vooruitkomt, moet nu eenmaal de voorbereiding worden getroffen door het feit dat het onderwijs als het ware een weegschaal wordt. Aan de ene kant ligt alles wat naar het proza van het leven voert, wat de mensen om zo te zeggen aan de aarde bindt; aan de andere kant ligt het-evenwicht-veroorzakende van alles wat tot de kunst voert, wat de mens op elk ogenblik van zijn leven datgene wat hij zich in proza moet eigen maken, ook kunstzinnig kan optillen en zo di­rect weer binnen kan voeren in de geest.
GA 307/223-226
Vertaald/283-289

.

3566-3350

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’ (10)

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven‘

.

Zie ‘voorwoord‘.

.

Günther Oling, Dornach

.

Kunstonderwijs in de negende klas
.

Elk vak past op organische wijze in het totale leerplan. Er komen specifieke thema’s aan bod – passend bij de leeftijd van de leerlingen – die niet willekeurig, maar op weloverwogen momenten in de klas worden geïntroduceerd. De leerlingen worden aangemoedigd zich met deze stof bezig te houden, zodat de aangeboden inhoud werkelijk kan doorwerken. Al in de jongste klassen hebben kinderen zich beziggehouden met boetseren en zich op speelse wijze ondergedompeld in het beeldhouwkundige element. Ook bij het schilderen hebben ze zich kunnen overgeven aan het levendige scheppen van kleurharmonieën. Het is verbazingwekkend hoe onbevangen jonge kinderen vaak werk maken dat een vitaliteit bezit die een kunstenaar soms pas na jarenlange scholing bereikt. Dit is vaak het duidelijkst zichtbaar bij kinderen jonger dan zeven jaar. Het gaat hierbij niet om figuratieve weergave, maar om de handeling van het puur beeldhouwkundig vormgeven en de ervaring van het leven in de kleur. Naarmate de jaren verstrijken, vervagen deze aangeboren vermogens. Jongeren moeten zich steeds meer inspannen om bewust terug te winnen wat ooit onbewust in hen leefde. Dit is vaak een lang en moeizaam proces, dat alleen door voortdurende oefening kan slagen. Zo kan een leerkracht bij geschiedenisles in de vijfde klas oude culturen nog op een zeer elementaire wijze benaderen. Voortbouwend op artistieke ervaringen roept de leerkracht beelden op die de kinderen vervolgens omzetten in kleurrijke composities of opnieuw tot leven brengen in schriftelijke opstellen. Ook hier leidt het potentieel van deze leeftijdsgroep tot werk van een aard die later niet meer te evenaren is. Dit vermogen om te putten uit de krachten van de kindertijd neemt geleidelijk af naarmate men ouder wordt. We moeten het element dat in het jonge kind aanwezig is, meenemen naar de oudere leeftijdsgroepen, zodat jongeren kunnen leren die levende stroom bewust te vatten.

Wanneer in de negende klas met beeldhouwen wordt begonnen, moeten we de puur beeldhouwkundige kwaliteit gaan cultiveren en naar voren halen. De vorm moet voortkomen uit een vlak dat in beweging is gebracht. Er kunnen oefeningen worden gedaan die voortkomen uit het element van pure, plastische beweging – waarbij nooit het stadium van de naturalistische vorm wordt bereikt, maar het bij eenvoudige bewegingsstudies blijft. Later kan het werk zich uitbreiden naar het vormgeven van dier- en mensfiguren. Op deze manier werken de leerlingen vanuit een totaal ander uitgangspunt dan wanneer ze direct met naturalistische vormen zouden beginnen. Wanneer we ons in de negende klas met dergelijke wordingsprocessen bezighouden, is ook het moment aangebroken om kunstgeschiedenis in het curriculum voor deze leeftijdsgroep op te nemen. De term “kunstgeschiedenis” zou hier niet van toepassing zijn, aangezien dit gehele vakgebied zo moet worden opgezet dat de bovengenoemde elementen de boventoon voeren; wat doorgaans als ‘geschiedenis’ wordt aangeduid, speelt slechts een ondergeschikte rol. De te behandelen stof is omvangrijk. Het vrijeschoolleerplan van Rudolf Steiner stelt voor om een ​​overzicht te bieden. Als een school niet over een twaalfde klas beschikt, is men genoodzaakt een compromis te sluiten door de studie van beeldende kunst en architectuur in de negende klas te combineren. Het leerplan voorziet erin de nadruk in de twaalfde klas op architectuur te leggen en in de negende op beeldende kunst. Hierdoor kunnen de verschillende aspecten die de menselijke ontwikkeling bevorderen, diepgaander en gedetailleerder worden behandeld. Bovendien kan de studie van architectuur zo worden gekoppeld aan een leeftijd die bij de leerstof past.

We kunnen de lessen zo vormgeven dat de beelden die in de vijfde klas—toen oude culturen werden besproken—indruk maakten, opnieuw tot leven komen, zonder dat de kinderen er expliciet aan herinnerd hoeven te worden. In deze nieuwe fase ontstaan ​​beelden die thema’s die eerder al aan de orde kwamen, vanuit een fris perspectief belichten.

Uiteraard is het onmogelijk om in dit kader een volledig beeld te schetsen van het verloop van een dergelijke periode—die bovendien doordrenkt moet zijn van artistieke activiteit. Enkele beschrijvingen kunnen echter de essentiële punten verduidelijken. Op deze leeftijd worden bepaalde zaken misschien nog niet intellectueel doorgrond, maar oefenen ze wel invloed uit op de zich ontwikkelende mens.

Bij het bekijken van Egyptische kunst zien we menselijke figuren naast godheden die weliswaar een menselijk lichaam hebben, maar een dierenkop. De oude Egyptenaar leefde in een toestand waarin de goden zich openbaarden in een vorm die bij zijn aard paste. Net als het dierenrijk stond hij enigszins los van de alledaagse wereld en ontving hij leiding vanuit het goddelijke rijk. Toch verschijnt er ook een figuur die bestaat uit een dierenlichaam met een menselijk gezicht: de sfinx. Deze sfinxfiguren zijn bijzonder indrukwekkend wanneer ze de weg naar de tempelingang flankeren. De Egyptenaren liepen in processie over deze sfinxenlaan naar de tempel toe. Ze zagen de torenhoge obelisken die naar de hemel reikten en de massale pylonen, met daartussen de ingang—een smalle doorgang waar ze doorheen stapten. Binnen wachtten de imposante zuilen. Wanneer we ons zo’n processie voor de geest halen—waarbij de priester het volk naar de tempel leidt—begrijpen we de strikt afgemeten tred van de Egyptenaren, zoals die in hun kunst wordt weergegeven. Men zou dit een statisch, architectonisch element kunnen noemen. De omgeving werkt in op het individu en vormt het.

In Griekenland treffen we een totaal ander karakter aan – een opvallend contrast. Ook hier zijn er processies, maar die hebben een veel ontspannener karakter. Wanneer de Egyptenaar over de Sfinxenallee liep, keek hij uit op een ondoordringbare gevel van torenhoge architectuur. Binnen in de tempel stonden de zuilen, en helemaal achterin bevond zich het allerheiligste – een ruimte die alleen door de priester mocht worden betreden. —

In Griekenland is de opzet omgekeerd. De zuilen die het dak dragen, staan ​​aan de buitenzijde en omsluiten de ‘cella’, waarin het cultusbeeld staat opgesteld. Het altaar bevindt zich in de openlucht en is voor iedereen zichtbaar. Laten we in dit verband kijken naar het westelijke fronton van de Tempel van Zeus in Olympia. Het toont de strijd tussen de Lapithen en de Centauren – een scène vol intense dramatiek. De Centauren – wezens met het lichaam van een paard en een menselijk bovenlichaam – vechten met brute kracht. Toch weten de Grieken, met hun nobele houding, hen te overwinnen. Boven het strijdgewoel uit torent de god Apollo.

Een ander aspect vinden we bij het Parthenon op de Akropolis van Athene: een fries van ruiters in reliëf. De paarden maken lichte sprongen; de ruiter vormt één geheel met zijn rijdier, maar blijft er toch van onderscheiden en heeft het dier volledig onder controle. De Wagenmenner van Delphi staat zo recht als een zuil; zijn blik is op het doel gericht terwijl hij de paarden met de teugels bestuurt; zijn houding straalt rust en beheersing uit. — Terug op de Akropolis: de kariatiden van het Erechtheion, die fier overeind staan ​​en gezamenlijk het dak van de Zuilengang van de Maagden dragen. — In tegenstelling tot de soberheid van de Egyptische kunst, stralen deze werken beweging en vitaliteit uit.

Om het motief dat centraal staat in onze bespreking te verduidelijken, richten we onze aandacht op een verschijnsel in de christelijke kunst. Hier verschijnen de wezens – adelaar, leeuw, stier en engel, die we ook bij de sfinx zagen – in verband met de evangelisten. Johannes wordt afgebeeld als adelaar, Lucas als stier, Marcus wordt vertegenwoordigd door een leeuw en Mattheüs door een engel; ze worden alle afgebeeld met grote vleugels in een kosmische omgeving, zoals te zien is in de basiliek Sant’Apollinare in Classe. Op andere afbeeldingen zien we de evangelisten met de wezens op de achtergrond – Mattheüs met de engel. Een mooi voorbeeld hiervan is te vinden bij het Gallusportaal van de Munster van Bazel. In de loop van de artistieke evolutie laten de afbeeldingen zien hoe de menselijke figuur zich steeds meer losmaakt van de verbinding met het dier. In de christelijke kunst vertegenwoordigen de apocalyptische wezens iets dat lijkt op een omkering van wat in eerdere tijden te zien was.

Een ander perspectief komt naar voren door de aan elkaar tegengestelde  zuidelijke en noordelijke artistieke traditie. Want pas door de wisselwerking tussen deze tegengestelde krachten ontstaat een geheel. Het is daarom de moeite waard om kunstwerken van diverse kunstenaars uit deze contrasterende sferen te bestuderen. In het werk van de schilder Cimabue – of ook dat van zijn leerling Duccio – bezitten de figuren een zekere onpersoonlijke kwaliteit. Alles is verheven boven het louter menselijke; dit staat in contrast met noordelijke kunstwerken, die een krachtig spiritueel element en een persoonlijke, individuele uitdrukkingskracht vertonen.

Een voorbeeld van zuidelijke artistieke scheppingskracht is het reliëf ‘De aanbidding der wijzen’ van Pisano, dat zich op de kansel van het Baptisterium in Pisa bevindt:

De figuren hebben een algemeen karakter; ze missen de uitgesproken individualiteit die bijvoorbeeld te zien is in de beeldhouwwerken van de Dom van Bamberg – werken die in dezelfde periode ontstonden en een treffend voorbeeld vormen van de noordelijke artistieke traditie. Daar draagt ​​elke figuur een uniek spiritueel stempel; dit onderscheid is ook zichtbaar in de weergave van de gewaden.

Als we de evolutie van de kunst volgen – van Cimabue in de schilderkunst en Pisano in de beeldhouwkunst tot aan Leonardo da Vinci, Michelangelo en Rafaël enerzijds, en van Bernward van Hildesheim en Konrad von Soest tot Dürer, Grünewald en Holbein in het noorden anderzijds – beginnen we te begrijpen hoe deze tegengestelde krachten werken en hoe ze in elkaar grijpen.

Dit komt bijzonder duidelijk naar voren in het werk van Rafaël. Hij schilderde zelden scènes uit het lijden van Christus; zijn ‘Graflegging’ bezit een harmonieuze schoonheid die scherp contrasteert met de ‘Kruisiging’ van Grünewald in het Isenheimer altaarstuk in Colmar. In dat laatste werk wordt de gebeurtenis met schokkend realisme weergegeven. Gezien de artistieke perfectie kun je het werk niet lelijk noemen, en toch belichaamt het de noordelijke kunst in tegenstelling tot de zuidelijke schoonheid.

Rafael: Graflegging:

Grünewald: Isenheimer Altar:

 

Op dit kruisigingspaneel manifesteren de tegengestelde krachten zich binnen één beeld: aan weerszijden van de gekruisigde figuur staan ​​de heiligen Sebastiaan en Antonius. Een in extase verkerende Sebastiaan staat voor een ronde zuil, zijn blik naar de hemel gericht; hij lijkt zich van niets bewust en voelt ogenschijnlijk niet hoe de pijlen zijn lichaam doorboren. Achter hem is een venster zichtbaar dat twee engelen toont die een krans dragen. — Aan de linkerzijde staat Antonius voor een vierkante zuil. Hij lijkt diep in gedachten verzonken. Achter hem bevindt zich een raam van kleine glasruitjes met een centrale verdikking (zogenaamde ‘oogjes’), dat de duivel aan het verbrijzelen is. Deze contrasterende figuren flankeren Christus, die met gespreide armen staat en zijn evenwicht bewaart als een weegschaal.

De tegenstellingen waaraan de mens blootstaat – en die in evenwicht moeten worden gebracht – worden hier als centraal motief geschetst. Kunstenaars door de eeuwen heen hebben zich met dit thema beziggehouden. Het komt bijzonder tot uiting in de behandeling van licht en donker in de schilderkunst – elementen die we in een grote verscheidenheid aan nuances en gradaties tegenkomen. Ook leerlingen moeten zich telkens weer met deze tegenstellingen verhouden: bij het schilderen met warme en koele kleuren; bij het vormgeven – zoals in vlakvormgeving, waar het samenspel van positieve en negatieve ruimte een gevoel van lichtheid creëert; of in de euritmie, door bewegingen van samentrekken en uitspreiden, dan wel het contrast tussen majeur en mineur. Leerlingen die zich met deze elementen verbinden, zullen een weg vinden om aansluiting te vinden bij de bovengenoemde begrippen.

Dit bereidt ons voor om onze verkenning af te ronden met een blik op de grote meester van licht en donker: Rembrandt. Aan de hand van zijn schilderijen kunnen we zien hoe een levende vorm ontstaat uit de wisselwerking tussen licht en donker. Niets kan voortkomen uit louter licht of louter donker. Juist door hun verweving – in de verdeling van licht en donker – ontstaat een derde element: het kunstwerk zelf. Rembrandt heeft dit op volmaakte wijze bereikt.

Vanuit dit perspectief kunnen we onze blik op het heden richten en kijken naar het houten beeldhouwwerk van Rudolf Steiner, dat zich in het Goetheanum in Dornach bevindt. Hier worden de tegengestelde krachten van licht en donker in hun wezenlijke aard weergegeven; ze werken op elkaar in als levende entiteiten. De ‘Representant van de Mensheid’ – rechtop schrijdend en evenwicht scheppend – treedt in hun midden als degene die hen overwint. Lucifer stort zich in de diepte, terwijl Ahriman gebonden in een grot ligt. Dit motief komt ook in kleur tot uitdrukking in het schilderij ‘Licht en Donker’: het blauw-violet contrasteert met het geel-rood, terwijl het groen in het midden het evenwicht vormt. De mens wordt voortdurend opgeroepen zich tot deze tegenstellingen te verhouden. Zijn taak is het vinden van het evenwicht tussen tegengestelde krachten.

Steiner Mensheidsrepresentant:

Het kan ons doel zijn om jongeren – door hen te confronteren met grote kunstwerken – binnen te leiden in de stroom van artistieke schepping; een stroom waarin kunstenaars datgene hebben gelegd wat altijd een vormende invloed op de mensheid heeft gehad en wat ook harmoniserend werkt op opgroeiende leerlingen, door hen richtinggevende krachten aan te reiken.

(Illustraties door mij toegevoegd)

.
9e klas: alle artikelen

Kunstgeschiedenis: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3565-3349

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’ (7)

.

Dit artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

.

Zie ‘voorwoord‘.

Gezichtspunten over de stage in de bovenbouw.

 

Wolfgang Schad, Pforzheim

.

Over de inrichting van de bovenbouw

Waar dient een school voor? Om de kennis van de ouderen door te geven aan de volgende generaties? Om leerlingen voor te bereiden op de huidige samenleving? Om de jeugd toe te rusten voor de toekomst? Welke kennis? Op welke samenleving? Voor welke toekomst?

Wie op basis van dergelijke en soortgelijke doelstellingen – hoe goedbedoeld die ook mogen zijn – wil opvoeden en onderwijzen, doet geen recht aan zijn taak ten opzichte van het kind of de jongere dat voor hem zit. Want ook de opgroeiende mens is er niet om te voldoen aan de eisen van welke kant van de volwassen wereld dan ook. Elk kind, elke jongere, elke volwassene draagt een eigen, in zichzelf rustend, met zichzelf identiek doel in zich, dat, eenmaal bevrijd, uiteindelijk meer voor de samenleving betekent dan welk door de samenleving voorgeschreven doel dan ook.

Hoe moet er dan worden opgevoed? We beschikken over het culturele erfgoed van vele voorbije eeuwen, we laten ons inspireren door de vooruitzichten op de toekomst, en we beschikken in de Waldorfscholen over de onschatbare aanwijzingen van Rudolf Steiner. Misschien wel zijn belangrijkste advies was uiteindelijk om zich nooit te laten leiden door programma’s of formules, maar juist – vanuit de jongere zelf – die spirituele, zielvolle en fysieke behoeften te onderkennen die voorbij woorden liggen; en zo elke generatie en elk tijdperk een onderwijsaanpak te bieden die zich in de leerkracht voortdurend vernieuwt – onderwijs dat werkelijk bij hen past.

Het kind is altijd al een mens, maar geen volwassene in miniatuurformaat. Het is dan ook de eerste taak van de opvoeder om de waardigheid en het eigen karakter van elke leeftijdsfase niet alleen te erkennen, maar ook te koesteren. Een plant moet eerst wortel schieten voordat ze al haar bladeren ontvouwt, en moet eerst bloeien voordat ze vrucht draagt. Een pedagogiek die te snel veel te veel onmiddellijke resultaten wil, zonder de levenswetten van de menselijke ontwikkeling te kennen, maakt van het kind een proefkonijn.

Moeder, vader, kleuterleidster en leraar moeten zich ervan bewust zijn dat de opgroeiende mens in de opeenvolging van drie grote levensfasen van elk zeven jaar zichzelf en daarmee het volwassen zijn stap voor stap verwezenlijkt. Op school zijn het de tweede zeven jaar die in al hun kinderlijke glans als oases uit de volwassen wereld mogen oprijzen, waar het kind-zijn zich in zijn wonderbaarlijke pracht krachtig kan ontplooien aan de hand van de passende leerstof.

Hoezeer dit gebied tot de leeftijd van veertien jaar ook beschermd moet worden, daarna geldt juist het tegenovergestelde. De opgroeiende jongere maakt de overgang van kindertijd naar jeugd door. De kinderlijke verbeeldingswereld valt uiteen; wat daar te veel van blijft hangen, komt nu kinderachtig over. Er vindt een ingrijpende verandering plaats, die zelfs tot in het lichaam doordringt. Er openen zich nieuwe geestelijke horizonten, nieuwe belevingsvermogens en het eerste zelfstandige – zij het meestal nog niet creatieve – denken wordt met vreugde ontdekt. En hoe sterk verandert daarmee, voor de jongere zelf onverwacht, zijn beeld van de volwassenen! Waar voorheen puur vertrouwen heerste, begint de innerlijke toetsing van de volwassene. Daarmee wordt echter een nieuwe stap gezet, juist in de richting van de vermogens van de volwassen wereld. De school mag nu niet langer slechts een omhulsel zijn, maar de muren van het schoolgebouw moeten doorzichtig worden en het zicht vrijmaken op de hedendaagse beschaving en samenleving met al hun enorme problemen.

Toen op 7 september 1919, vijftig jaar geleden, [artikel uit 1969] de eerste Waldorfschool in Stuttgart haar deuren opende, had Steiner nog maar vijf en een half jaar te leven om aanwijzingen en hulp te geven voor de nieuwe pedagogiek. Dat had tot gevolg dat we voor de destijds als laatste uitgewerkte bovenbouw minder concrete aanwijzingen en afzonderlijke uiteenzettingen van Steiner hebben dan voor de midden- en onderbouw. Zeker, we handelen volgens de aanwijzing om vanaf de veertiende, vijftiende levensjaar de nauwe band met een klassenleraar, die het gehele hoofdonderwijs verzorgt, los te laten. De jongere moet een rijker spectrum aan leraren leren kennen. Er is niet alleen een overvloed aan belangrijke aanwijzingen voor het leerplan van de bovenbouw, maar deze zijn ook daadwerkelijk in praktijk gebracht. Toch is de situatie onduidelijker in vergelijking met de onder- en middenbouw. Als de leraar in de bovenbouw Waldorfpedagogiek wil beoefenen, moet hij in de lessen in zeer bijzondere mate putten uit zijn eigen creativiteit. Daartegenover staat dat de laatste schooljaren, zoals in geen enkele andere fase van de schooltijd, gemakkelijk te programmeren zijn op basis van de eisen van externe examens. Wat te doen?

Op de school in Pforzheim zijn we, vanuit de overweging om de bovenbouw meer doorlopend te structureren en de band met het echte leven te verdiepen, tot de invoering van stages gekomen. Het veldmeten bestaat al vele jaren als zo’n activiteit waarbij een hele klas buiten het schoolterrein aan de slag gaat. Daar komen nu drie extra stages bij, zodat elk leerjaar van de bovenbouw een stage krijgt die bij de leeftijd past:

10e klas: landbouw- of bosbouwstage,

11e klas: veldmeetstage,

12a-klas: sociale stage,
afgewisseld
12b-klas: industriële stage.

Bij alle stages is het de bedoeling om de leerlingen in contact te brengen met de hedendaagse arbeidswereld. Zo gaat het bij de eerste stage niet om het ophalen van herinneringen aan het ‘mooie, oude boerenleven op het platteland’ voor de leerlingen, maar om hen te laten meewerken op biodynamische boerderijen of op intensief bewerkte landbouwbedrijven, om zo onder begeleiding van de docent kennis te maken met de huidige omstandigheden en problemen. Hetzelfde geldt voor het meewerken in de bosbouw en voor de sociale en industriële stage.

Na de Pinkstervakantie liep de tiende klas onder leiding van de lerares tuinbouw op de Buckenberg in het wildpark stage in de bosbouw. Dit was tegelijkertijd bedoeld als een geschenk van de school aan de stad ter ere van ons jubileum dit jaar. Een week lang hebben de leerlingen struiken gerooid, omheiningen aangelegd, paden aangelegd en verbeterd, egalisatiewerkzaamheden uitgevoerd en het wild gevoerd. De stad zorgde daarbij voor de lunch. De bijzondere waarde van dit initiatief lag ook in het feit dat de leerlingen niet uit winstbejag, maar vanuit maatschappelijk begrip met plezier fysiek werk verrichtten. Ze hebben de hen opgedragen taken uitstekend uitgevoerd.

De klas 12a ging begin juli naar de omgeving van het Bodenmeer om een week lang mee te werken in drie internaten voor kinderen met een beperking (Föhrenbühl, Bruckfelden en Brachenreuthe bij Überlingen). Het is moeilijk om de kracht van de indrukken die de klas opdeed onder woorden te brengen. Zo schokkend als de eerste indruk voor de leerlingen was, zo ontroerend was het voor hen om al na enkele dagen te ervaren dat in elk van de lichamelijk zo gehandicapte kinderen — het waren voornamelijk kinderen met spastische en autistische stoornissen — een volwaardig mens schuilging. Al op de derde dag leek het voor velen alsof de kinderen helemaal niet ziek waren – zozeer overheerste de persoonlijk opgebouwde band het uiterlijk zichtbare. Want dat was de volgende ervaring: deze kinderen – vaak niet eens in staat om fatsoenlijk te spreken of te lopen – getuigen van zo’n hartelijkheid, dankbaarheid en leergierigheid dat de zogenaamde ‘normale’ mens zich ervoor schaamt en zich afvraagt wie hij zelf eigenlijk is. De klas verliet dit werk met tegenzin, want iedereen had zich de vraag over de mens gesteld: wat is hij eigenlijk?

Na de zomervakantie reisde de elfde klas naar Sainte Marie aux Mines in de Vogezen om daar onder begeleiding van twee leraren een Duitse soldatenbegraafplaats uit de Eerste Wereldoorlog in kaart te brengen. Ook hier stond geen ‘droogoefening om te leren zwemmen’ op het programma, maar het maken van een noodzakelijke kaart die de Volksbund für Kriegsgräber nodig heeft om deze begraafplaats te laten herinrichten. Het werk kon binnen veertien dagen volledig worden afgerond. Het goedmaken van iets van het ongelukkige lot tussen de volkeren gaf deze dagen hun innerlijke sfeer.

In november begon de nieuwe twaalfde klas aan de eerste industriële stage van veertien dagen bij een bedrijf dat onderdelen voor elektrische apparaten produceert. De dertien jongens en twee meisjes werden ingezet bij de lopende bandproductie van elektrische onderdelen en hebben twee weken lang de volledige werkdag meegemaakt.

In de puur zakelijke, eentonige dagelijkse werksfeer van de fabriek, te midden van lokale werknemers en gastarbeiders, hebben onze leerlingen nu ‘aan den lijve’ ervaren welke sociale problemen onze industriële samenleving in zich draagt. Daarna volgden gesprekken met de bedrijfsleiding en de ondernemingsraad. De pedagogische leiding was in handen van een leraar. Juist na de sociale stage kon de klas de tegenovergestelde arbeidswereld ervaren en zich realiseren dat het grootste deel van de bevolking in deze beroepswereld leeft.

Als men de vier stages in hun samenhang bekijkt, blijkt: uiteindelijk zijn ze allemaal sociale stages geworden. Daarin ligt hun gezamenlijke rechtvaardiging. Het kind leert op school nog voor ‘de leraar’. De jongere komt een stap verder, naar zichzelf toe: hij leert voor zichzelf. Tijdens de stages ervaart hij een derde aspect: dat het ‘leren voor zichzelf’ zijn menselijke waarde krijgt wanneer het eenmaal sociaal effectief wordt voor anderen. Ze vormen een voorbereiding op de stap naar de volledig verantwoordelijke volwassenheid van de eenentwintigjarige en bieden zo de opgroeiende jongere een noodzakelijke oriëntatiehulp, juist in het derde jaar van de zevenjaarsfasen.

Deze aanwijzingen moeten tegelijkertijd aan de hand van voorbeelden laten zien uit welke bronnen een Waldorfschool haar pedagogische vormgeving put en waaruit zij de mogelijkheden voor verdere ontwikkeling haalt: uit de totale behoeften van uitsluitend de opgroeiende mens zelf, die zij door haar opvoeding wil dienen. Zo moet ook na vijftig jaar Waldorfpedagogiek* de blik niet alleen gericht zijn op het bereikte, maar steeds meer ook op het nog te bereiken. Want: hoe zal de volgende generatie kinderen er wel niet uitzien?

*(nu kan dit gezegd worden met ‘na honderd jaar’), eigenlijk is dit weer eens een voorbeeld van gezichtspunten van ‘lang geleden’ die niet zijn achterhaald. Die zelfs nog volop kiemkracht hebben voor de toekomst. 

.

9e klas: alle artikelen

10e klas: alle artikelen

11e klas: alle artikelen

12e klas: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3562-3346

.

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Aanvulling Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-3)

.
In [1-2-3] gaf ik verschillende meningen over ‘geest’, ‘bewustzijn’, brein.
Er vindt veel hersenonderzoek plaats en op grond daarvan worden meningen gevormd.

In ‘HersenMagazine’ = Bewustzijn = 16e jrg. nr.3 2018 is een interview afgedrukt. 
Er worden gezichtspunten gegeven, die, wanneer je je verdiept in het werk van Steiner, bekend voorkomen.* 

‘Bewustzijn is ongrijpbaar’

.

Is bewustzijn verbonden met de hersenen? Zo ja, hoe? En kun je bewustzijn in de hersenen aanwijzen? Negen vragen aan psychiater en filosoof prof. Gerrit Glas van de Vrije Universiteit Amsterdam over dit boeiende onderwerp.

Wat is bewustzijn?

‘De term bewustzijn heeft verschillende betekenissen. Als iemand “bij bewustzijn” is, dan is die persoon wakker. Bewustzijn hebben we nodig om bijvoorbeeld ons gedrag te kunnen coördineren en te kunnen plannen. Er is ook zelfbewustzijn: we zijn ons vrijwel voortdurend bewust van onszelf.’

Wat is het verband tussen bewustzijn en de hersenen? 

‘Zonder hersenen is er geen bewustzijn. De hersenen zijn betrokken bij alles wat met bewustzijn te maken heeft. Maar de precieze relatie is niet duidelijk. Bewustzijn is niet te verklaren door één proces in de hersenen. Het is ook moeilijk om die relatie te onderzoeken. Als een wetenschapper op een hersenscan een bepaalde verandering in de hersenen ziet optreden, dan is dat op zich nog geen verklaring voor het bewustzijnsproces.’

Hoe vindt onderzoek plaats naar bewustzijn?

‘Veel bewustzijnsonderzoek richt zich op aandacht, planning en het sturen van gedrag. Tijdens bewustzijnsonderzoek krijgen proefpersonen een opdracht en wordt er onderzocht welke hersenprocessen op dat moment spelen. Er zijn ook studies met patiënten die in een vegetatieve toestand verkeren: de patiënt is dus niet bij bewustzijn. Men dacht altijd dat het brein dan ook niet functioneert. Toch wordt soms wel iets van hersenactiviteit waargenomen, bijvoorbeeld als deze mensen reageren op geluid of op een vraag. Er zijn aanwijzingen dat een deel van deze patiënten toch een vorm van bewustzijn kan hebben.’

Verandert dit de kijk op de hersenen?

‘Jazeker. Vroeger was het idee dat het brein grofweg is opgebouwd uit drie delen: een deel dat de lichaamsfuncties regelt, een emotioneel deel en een deel voor organisatie en planning van wat je doet. Als het ware een gebouw met drie verdiepingen, waarbij bij coma de bovenste twee verdiepingen voor emotie en planning weg zijn. Maar dit is een te eenvoudig beeld. Het ligt ingewikkelder en subtieler.’

Waren er vroeger al ideeën over hersenen en bewustzijn?

‘Van oudsher werden lichaam en “geest”, oftewel bewustzijn, vaak los van elkaar gezien. Hersenonderzoek laat zien dat bewustzijn heel nauw met ons lichaam en dus ook met onze hersenen verbonden is. Zo is ons zelfbewustzijn heel sterk verbonden met allerlei signalen die we uit ons lichaam ontvangen.’

Hoe wordt nu gedacht over hersenen en bewustzijn?

‘Een belangrijk nieuw idee is dat het brein is ingebed in het hele lichaam, onder andere via het zenuwstelsel. Het lichaam staat op zijn beurt in relatie tot de omgeving en reageert op de omgeving via de zintuigen. We kunnen iemands psychologisch functioneren daarom niet los zien van de omgeving. Vroeger zagen we de hersenen als een orgaan dat zich in de schedel bevindt. Tegenwoordig beschouwen we het brein als een enorm complex geheel van netwerken, die zelf ook weer verbonden zijn met het lichaam en de omgeving.’

Is er ook een relatie tussen omgeving en bewustzijn?

‘Bewustzijn werd vaak alleen maar gezien als een product van de hersenen. Net zoals de galblaas gal produceert. Nu speelt de omgeving – de context – inderdaad een grotere rol. Op allerlei niveaus, van de basale biologie tot aan de psychologie, moet de omgeving worden meegewogen. Maar hoe betrek je de omgeving bij hersenonderzoek? Dat is ingewikkeld. In de psychiatrie worden daarmee nu de eerste stappen gezet.’

Zelfbewustzijn bestaat ook uit gedachten over ziekte. Kun je die gedachten beïnvloeden?

‘Er vindt momenteel veel onderzoek plaats naar het effect van meditatie op iemands functioneren en op het algehele gevoel van welbevinden en gezondheid. Dat effect blijkt positief. Het is mogelijk om met meditatie bijvoorbeeld angst te verminderen. Vaak is dat tijdelijk, maar het kan iemand toch helpen.’

Waarom vinden we bewustzijn interessant of belangrijk?

‘Bewustzijn heeft iets mysterieus. Het is ongrijpbaar en we kunnen niet aanwijzen waar het precies zit in het lichaam. En bewustzijn is nauw verbonden met zelfbewustzijn. Dat roept filosofische vragen op. In hoeverre kan ik mijn gedrag en mijn leven sturen? Waar blijft het bewustzijn na de dood? Is er een hiernamaals? Hoe ziet dat eruit? Bestaan er andere werelden die niet voldoen aan de wetmatigheden zoals we die hier kennen? Voor vrijwel iedereen zijn dat boeiende onderwerpen. Het antwoord op die vragen bepaalt hoe je in het leven staat.’

*Antwoorden op bovenstaande vragen vind je ruimschoots in het werk van Steiner.
Neem de hier gestelde vraag: ‘Bestaan er andere werelden die niet voldoen aan de wetmatigheden zoals we die hier kennen?‘, dan is een antwoord daarop al in dit artikel gegeven:
Immers: als het bewustzijn – hier ook gelijkgesteld aan geest = ongrijpbaar is, dan kan er maar één conclusie zijn: dan hoort het niet bij de grijpbare wereld. Dat is de fysieke wereld, zoals Steiner deze noemt. Dan behoort het bewustzijn tot een niet-fysieke wereld. Dus tot een andere wereld. Waarom zouden we die niet de wereld van het bewustzijn noemen of de wereld van de geest. 

Daarmee spreek je uit dat de geest een realiteit is, een andere dan de fysieke, maar wél een realiteit. 

Waarom zien we vaker deze gezichtspunten, maar wordt de gedachte niet consequent dóór gedacht: er is dus kennelijk een niet-fysiek zichtbare tweede wereld: die van de geest. 

Je kan de Hersenstichting steunen met een gift op rekeningnummer

NL18 INGB 0000 000 860

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Breinbreker (nieuw)

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing: 5, 4, 1, 3, 6 (6, 3) 2

 

Alle breinbrekers

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle ‘gewone’ raadsels

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’ (6)

.

Dit artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

.

Zie ‘voorwoord‘.

In GA 294 – Opvoedkunst – spreekt Steiner aan het begin van voordracht 12 (3 sept.1919) over dit onderwerp.
Die tekst is als artikel weergegeven. Er zijn een aantal passages weggelaten. Die heb ik erin gelaten.

Het gevoel dat Steiner hier beschrijft van onvrede wanneer je iets uit je omgeving niet snapt, kennen de meesten van ons – ik in ieder geval – wel. Bv. wanneer er iets niet lukt op de pc. Je begrijpt niet hoe het werkt en wat je moet doen. Dat lukt wellicht door informatie, maar niet door eigen inzicht en kennis.
En zo worden we elke dag omringd door talloze dingen waarvan we gebruik maken, maar niet weten hoe ze eigenlijk werken of zijn gemaakt.

Steiner noemt uiteraard dingen die er in zijn tijd waren en nu niet meer: wie reist er nog per stoomtrein.
Maar de idee is springlevend. Want hoe goed zou het niet zijn dat jongelui de basale werking van de computer begrijpen; dat ze zelf eenvoudig kunnen programmeren; dat ze doorzien wat een algoritme is; hoe hun telefoon werkt, enz. enz. Ik weet dat er vrijescholen zijn die daar bewust mee bezig zijn.
En ook in de verschillende stageperiodes kunnen de leerlingen van dichtbij het ‘echte leven’ ervaren.

Hoe techniekonderwijs werkt
.

We moeten onder ogen zien dat de relaties van de mens met zijn omgeving veel gecompliceerder zijn en meer omvatten dan de dingen die wij ons altijd bewust zijn.
Vanuit de meest verschillende gezichtspunten heb ik u, zoals u weet, het karakter en de betekenis proberen duidelijk te maken van de onbewuste en onderbewuste
processen in de ziel.°
° Voetnoot in de vertaling: 
onbewuste en onderbewuste processen in de ziel: Zie vooral de zesde en negende voordracht in Algemene menskunde

En vooral op het gebied van de pedagogie, van het onderwijs, is het van groot belang dat de mens opgevoed wordt op een manier die niet alleen recht doet aan zijn bewustzijn, maar ook aan zijn onderbewustzijn, zijn onder- en onbewuste zielenkrachten.
Daarom moeten we, als we werkelijk opvoeder en pedagoog willen zijn, op de subtielere kanten van de menselijke natuur ingaan.

We hebben de drie fasen in de menselijke ontwikkeling leren kennen die zich manifesteren tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid en die tot de eerste jaren na de basisschool reiken. En daarbij moeten we goed bedenken dat vooral in de laatste van deze levensfasen het onderbewuste naast het bewustzijn een grote rol speelt, een rol die van betekenis is voor het hele verdere leven.
Ik zou dit willen verduidelijken door de zaak nog vanuit een ander gezichtspunt te benaderen.

Bedenkt u eens hoeveel mensen tegenwoordig met elektrische treinen reizen, die er geen flauw benul van hebben waar de voortbeweging van zo’n elektrische trein eigenlijk op berust. Bedenkt u hoeveel mensen tegenwoordig zelfs nog een stoommachine in de vorm van een locomotief voorbij zien razen, zonder dat ze enig besef hebben van de natuurkundige en mechanische krachten die zo’n stoommachine in beweging brengen. Denkt u zich eens in, hoe wij door dit niet-weten eigenlijk als mensen tegenover onze omgeving staan – een omgeving waar we zelfs gebruik van maken. Wij leven in een wereld die door mensen is gemaakt, die naar menselijke gedachten is gevormd, die we gebruiken en waar we niets van begrijpen. Dat we niets begrijpen van iets wat door mensen
is gevormd, wat in feite het product van menselijke gedachten is, dat heeft een groot effect op de hele psychische en geestelijke stemming van de mens. De mensen moeten zichzelf eigenlijk verdoven om de werkingen die hiervan uitgaan niet waar te nemen.
Ik vind het altijd heel bevredigend als ik zie dat mensen uit – tja, hoe moet je dat noemen, zonder te kwetsen –, uit de betere standen een fabriek binnenstappen en zich daar bepaald onbehaaglijk voelen. Dat komt doordat ze merken dat er uit hun onderbewuste een gevoel opduikt, het gevoel dat ze alles wat er in die fabriek geproduceerd wordt gebruiken en toch zelf als mens geen enkele relatie hebben met wat er in die fabriek gebeurt. Ze weten er niets van. Als je – om iets bekends te noemen  – het onbehagen waarneemt bij iemand die een echte roker is, die de Waldorf Astoria-sigarettenfabriek binnenstapt en geen flauw benul heeft van wat daar gebeurt om hem zijn sigaretten te bezorgen, dan ben je eigenlijk al blij dat deze persoon in ieder geval zijn niet-weten nog kan waarnemen, het feit dat hij niets weet van deze uit menselijke gedachten voortgekomen omgeving waarin hij leeft en waarvan hij de producten gebruikt. En wanneer mensen die niets van de werking van een elektrische tram begrijpen, steeds met een licht gevoel van onbehagen de tram in- en uitstappen, dan ben je al blij.
Want dat lichte gevoel van onbehagen is al het eerste begin van een
verbetering op dit gebied.

Het ergste is deel uit te maken van een door mensen gemaakte wereld, zonder naar die wereld om te kijken.

Deze dingen kunnen we alleen tegengaan als we daarmee al in het twaalfde jaar beginnen. We moeten leerlingen van veertien, vijftien jaar niet van school laten gaan ° zonder dat ze tenminste een elementair begrip hebben van de belangrijkste maatschappelijke processen.
° Voetnoot in de vertaling:
leerlingen van veertien, vijftien jaar niet van school laten gaan: Deze uitspraak houdt verband met de Duitse Volksschule.

Dan krijgen ze het verlangen om bij iedere gelegenheid nieuwsgierig, weetgierig te zijn naar wat er om hen heen gebeurt, en dan ontwikkelen ze vanuit deze nieuwsgierigheid en weetgierigheid hun kennis verder.
Daarom moeten we in de eerste jaren van de bovenbouw alle afzonderlijke lesthema’s breed inzetten voor de sociale vorming van de mens, op dezelfde manier als we zulke afzonderlijke thema’s in de aardrijkskunde verwerken om,
zoals ik dat in de vorige voordracht exemplarisch beschreven heb, tot een soort totaal-aardrijkskunde te komen.
Dat wil zeggen, we moeten niet nalaten de kinderen vanuit de natuurkundige begrippen die we behandeld hebben vertrouwd te maken met het arbeidsproces in ieder geval in die bedrijfstakken die ze kennen. Over het algemeen moet een kind met veertien, vijftien jaar een idee hebben van wat er in een zeepfabriek
of in een spinnerij gebeurt. We moeten dat natuurlijk zo economisch mogelijk doen. Ieder veelomvattend arbeidsproces laat zich wel terugbrengen tot iets kernachtigs; wat zich gecompliceerd afspeelt kan heel elementair worden samengevat. Ik denk dat de heer Molt ° mij gelijk geeft als ik beweer dat we door economisch te werk te gaan kinderen heel goed in enkele korte zinnen het hele fabricageproces van sigaretten kunnen bijbrengen, zelfs van begin tot eind, als ze daarbij tenminste kunnen teruggrijpen op de al behandelde leerstof.
° Voetnoot in de vertaling:
Emil Molt (1876-1936), eigenaar van de Waldorf-Astoria-sigarettenfabriek in Stuttgart en initiator van de ‘Freie Waldorfschule’.

Het is een grote weldaad voor kinderen van dertien, veertien, vijftien, zestien jaar wanneer ze op deze manier in verkorte vorm bedrijfstakken leren kennen.

Het zou goed zijn als ze in die jaren een soort schrift zouden aanleggen waarin zou staan: ‘Zeepfabriek’, ‘Sigarettenfabriek’, ‘Spinnerij’, ‘Weverij’ enzovoort. We hoeven echt niet meteen uitvoerig op mechanische of chemische technologie in te gaan, maar als de leerlingen zo’n schrift zouden aanleggen, zouden ze daar heel veel aan hebben.
Zelfs al zouden ze het kwijtraken, er blijft toch een residu. Aan zo’n schrift zou een mens niet alleen te danken hebben dat hij die dingen weet, nee, het belangrijkste is dat hij later in zijn leven en in zijn beroep voelt: ik heb die dingen ooit leren kennen, ik heb ze doorgenomen. Dat geeft namelijk een bepaalde zekerheid van handelen. Dat versterkt de zekerheid waarmee een mens in de wereld optreedt. Dat is heel belangrijk voor de wilskracht en besluitvaardigheid van een mens. U zult in geen enkel beroep doortastende, initiatiefrijke mensen krijgen, als ze niet zo in de wereld staan dat ze ook bij dingen die niet tot hun beroep behoren het gevoel hebben: ooit heb ik dat – al was het elementair – leren kennen. Ook al zijn ze dat vergeten, een residu, een rest daarvan nemen ze met zich mee.
Ja, we leren natuurlijk al heel veel op school. En in het aanschouwelijk onderwijs, dat zo vaak ontaardt in banaliteiten, wordt de leerlingen natuurlijk ook zoiets bijgebracht. Maar dan kunnen we meemaken dat er later helemaal niet het gevoel bestaat: dat heb ik meegekregen, en wat een geluk dat ik dat heb meegekregen – nee, dan is er het gevoel: dat ben ik godzijdank vergeten, en het is goed dat ik vergeten ben wat ik toen geleerd heb. Dit gevoel moeten we eigenlijk nooit in mensen oproepen. Ontelbare dingen zullen later, wanneer we in een of ander beroep terechtkomen, uit ons onderbewuste omhoogschieten, als we in onze jeugd onderwijzers hebben gehad die in acht hebben genomen wat ik net heb gezegd.

Tegenwoordig is alles in het leven gespecialiseerd. Dat specialiseren is eigenlijk vreselijk. En er is in het leven hoofdzakelijk zoveel gespecialiseerd omdat we in het onderwijs al met specialiseren beginnen.
Wat daarmee is gezegd zou je kunnen samenvatten met de woorden: alles wat een kind in de loop van zijn schooljaren leert, moet uiteindelijk zodanig verbreed worden dat overal lijnen getrokken kunnen worden naar de praktijk. Nietwaar, heel veel dingen die nu niet sociaal zijn, zouden sociaal gemaakt kunnen worden als bij ieder van ons tenminste een beginnend inzicht zou worden opgeroepen in dingen die niet direct met ons latere beroep te maken hebben.
Zo zou de vakwereld eigenlijk ook eens goed moeten bekijken hoe de dingen worden aangepakt op gebieden waar nog volgens oudere, goede – zij het misschien atavistische – pedagogische inzichten wordt gewerkt. Ik wijs daarbij altijd graag op een heel opmerkelijk verschijnsel.

Toen wij, die al wat ouder zijn, in Oostenrijk naar de Mittelschule gingen, hadden we relatief goede leerboeken voor meetkunde en rekenen. Die zijn nu verdwenen. Een paar jaar geleden heb ik in Wenen in allerlei antiquariaten rondgeneusd, op zoek naar oudere boeken over meetkunde. Want ik wilde nog een keer fysiek voor ogen hebben wat wij jongens bijvoorbeeld in Wiener-Neustadt met zoveel plezier hebben meegemaakt:°
°Voetnoot in de vertaling:
in Wiener-Neustadt … hebben meegemaakt: In Wiener-Neustadt, ten zuiden van Wenen, bezocht Rudolf Steiner de ‘Realschule’, een middelbare
school met de nadruk op bèta-vakken.

op de eerste schooldag kwamen de leerlingen van de tweede klas altijd naar de nieuwe eersteklassers toe op de gang en riepen: ‘Fialkowskiy, Fialkowskiy, morgen moet hij betaald worden!’
Dat wil zeggen, wij leerlingen van de eerste klas namen het meetkundeboek van Fialkowskiy ° over van de leerlingen uit de tweede klas en we namen de volgende dag het geld voor ze mee.
° Voetnoot in de vertaling:
Nikolaus Fialkowskiy, architect en leraar geometrie en geometrisch tekenen aan de Weense ‘Communal-Realschule’. Bedoeld is zijn Lehrbuch der Geometrie und des Zeichnens geometrischer Ornamente, Wenen en Leipzig 1882

Zo’n ‘Fialkowskiy’ heb ik weer opgedoken, en dat heeft me veel plezier gedaan, want je ziet aan dat boek dat ze vroeger eigenlijk veel betere meetkundeboeken konden schrijven dan later. Want de boeken van tegenwoordig die in de plaats van die oudere zijn gekomen, zijn eigenlijk heel vreselijk. Met name op het gebied van rekenkunde en meetkunde is het erg.
Maar als we een klein beetje teruggaan in de tijd en aan de generaties denken die voor ons waren en die wij nog hebben meegemaakt, dan waren de leerboeken toen nog beter. Die waren bijna allemaal voortgekomen uit de school van de Oostenrijkse benedictijnen. Het zijn de benedictijnen die die wiskunde- en meetkundeboeken hebben geschreven. En die waren heel goed, omdat de benedictijner orde de katholieke orde is die er zeer aan hecht dat haar leden goed meetkunde- en wiskundeonderwijs krijgen. In het algemeen hebben de benedictijnen de instelling dat het eigenlijk dwaasheid is als iemand de kansel op gaat en het volk toespreekt zonder dat hij meetkunde en wiskunde kent.

Dit eenheidsideaal, dat de menselijke ziel vervult, dat moet het onderwijs doortrekken. Er moet iets van de hele wereld leven in ieder beroep. En vooral iets van de tegenpolen van je beroep, van wat je denkt in je beroep bijna niet te kunnen gebruiken, moet erin zitten. Een mens moet zich als het ware met het tegengestelde van zijn eigen beroep bezighouden. Maar het verlangen om dat te
doen krijgt hij alleen als hij zo onderwezen wordt als ik het nu heb aangeduid.

Met name in de tijd waarin het materialisme zich sterk heeft uitgebreid, in de laatste dertig jaar van de negentiende eeuw, is dit materialisme ook diep doorgedrongen in de didactiek, met het gevolg dat men de specialisatie als zeer belangrijk beschouwde. Denkt u niet dat u een kind idealistisch maakt, als u in de jaren van de bovenbouw niet het verband legt tussen de leerstof en de praktijk. Denkt u niet dat een kind idealistischer wordt in zijn latere leven, als u het in die jaren opstellen laat schrijven over allerlei sentimentele gevoelens ten aanzien van de wereld: over de zachtmoedigheid van het lam, over de wildheid van de leeuw en dat soort dingen, over de goddelijke natuur. Daardoor maakt u een kind niet idealistisch. In werkelijkheid stimuleert u ook het idealisme in een kind veel beter, als u niet zo direct, zo plompverloren op dat idealisme aanstuurt.
Waardoor zijn de mensen de laatste tijd eigenlijk zo a-religieus geworden? Eenvoudig doordat er veel te sentimenteel en abstract wordt gepreekt. De mensen zijn zo a-religieus geworden omdat de kerk de goddelijke geboden zo weinig in acht neemt. Neem bijvoorbeeld het gebod: ‘Gij zult de naam van de Heer, uw God, niet ijdel gebruiken.’ Wie dat gebod in acht neemt en niet na iedere vijfde zin de naam Jezus Christus noemt of over de goddelijke wereldorde spreekt, die krijgt meteen verwijten van de kant van zogenaamd kerkelijke mensen, want die horen het liefst dat je in iedere zin Jezus Christus en God zegt. Een ingetogenheid die van een innerlijk godsbesef uitgaat, die het zelfs vermijdt voortdurend ‘Heer, Heer’ in de mond te nemen, die ingetogen houding wordt tegenwoordig juist in kerkelijke kringen niet als religieus beschouwd. En als de boodschap die iemand te brengen heeft, doortrokken is van dit beschroomd zich uitende goddelijke, dat hij niet sentimenteel voor op de tong heeft, dan hoort hij tegenwoordig van alle kanten, als gevolg van een verkeerde opvoeding:
‘Nu, die zou veel meer over het christendom en dergelijke moeten spreken.’

Wat ik hier aanstip, moet wel degelijk ook in het onderwijs in acht worden genomen, en wel door de leerstof met name in het dertiende, veertiende, vijftiende levensjaar niet zozeer in het sentimentele te trekken, maar meer in lijn te brengen met de praktijk. Zo zou eigenlijk ieder veertienjarig kind in de rekenles de regels van tenminste de eenvoudigste boekhoudsystemen moeten
hebben geleerd. En de principes van de grammatica, de taalregels moeten in die jaren niet zozeer in het soort opstellen worden geoefend die een menselijke binnenwereld presenteren waarin zogezegd alleen suikerstroop circuleert – want zo zijn die opstellen meestal die men kinderen van twaalf tot vijftien jaar laat schrijven: een soort veredelde afspiegeling van de geest die tijdens borreluurtjes of bij theekransjes heerst – nee, men moet de taalles laten uitmonden in het zakelijke opstel, de zakelijke brief. En ieder kind zou op zijn zestiende tenminste een paar standaardvoorbeelden van zakelijke brieven geschreven moeten hebben.
Zegt u niet dat een kind dat later ook nog wel kan leren. Natuurlijk, als iemand grote hindernissen weet te overwinnen, kan hij dat later ook nog leren, maar inderdaad alleen met verschrikkelijk veel moeite.
U bewijst kinderen een grote weldaad als u ze leert om hun grammaticale kennis, hun taalkennis toe te passen in zakelijke opstellen, zakelijke brieven. In onze tijd mag er eigenlijk niemand zijn die nooit een fatsoenlijke zakelijke brief heeft leren schrijven. Natuurlijk, het is mogelijk dat hij het later niet nodig heeft, maar
toch zou iedereen ooit een adequate zakelijke brief geschreven moeten hebben. Hebben we een kind in zijn dertiende tot vijftiende jaar hoofdzakelijk met sentimenteel idealisme overvoerd, dan krijgt het later een afkeer van idealisme en wordt het een materialist. Brengen we een kind in die jaren in aanraking met de praktijk van het leven, dan houdt het ook een gezonde relatie tot de idealistische behoeften van zijn ziel, die alleen uitgedoofd kunnen worden wanneer daaraan op jonge leeftijd een onzinnig appel wordt gedaan.

GA 294 voordracht 12
Vertaald/163 bij Stichting Rudolf Steinervertalingen.
Je kan de stichting steunen zodat er meer van Steiner vertaald kan worden.

.

3e klas heemkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 3e klas heemkunde

[4-2Handvaardigheid
Hugo Pronk over: spinnen in klas 10.

[4-3Koperslaan klas 10
Kleine impressie van het koperslaan in een vrijeschoolklas

Een bezoek aan de bouwplaats

.

3561-3345

.

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – woordallerlei (121)

.
Toegevoegd aan de lijst

HANDHAVEN

Dit werkwoord komen we tegen in de betekenis ‘zorgen voor de naleving van (de orde of regels en wetten)’, maar ook – denk aan de spreuk op ons wapen ‘ik zal handhaven’ – ik houd vol.
Je kan je mening handhaven – die neem je dan niet terug.

Het komt ook wederkerig voor – ‘zich handhaven’, d.i. je staande houden, bv. in moeilijke tijden; ‘over iets waken’ of ‘beschermen’.

Handhaven komt uit het Frans ‘maintenir’ -‘je maintiendrai’ op het Rijkswapen.

In het Volkslatijn bestaat manutenere, met de betekenis ‘bewaren, beschermen’. Dat zie je in het Engels terug: to mantain en het Duits heeft handhaben (hanteren, bedienen, toepassen).

Manus = hand en tenere = houden.

Maar het is ook verwant met havenen, dat nu beschadigen (denk aan ‘gehavend’) en mishandelen betekent, maar dat in het Middelnederlands een veel minder ongunstige betekenis had (‘met zorg behandelen’ of ‘van het nodige voorzien’). Net als havenen gaat het tweede deel van handhaven terug op dezelfde voor-Germaanse woordvorm waarop ons werkwoord hebben (bezitten, beschikken over, in handen houden/hebben) terug te voeren is. O.a. ‘de levende have’, ‘have en goed’ en het Engelse to have.

.

Zie ook spelling

Nederlandse taalalle artikelen

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’ (4)

.

Klas 7, 8, 9 en 10 – handvaardigheid (3-5)

Dit artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

Zie ‘voorwoord‘.

Er is in deze artikelen soms sprake van ‘middenbouw’.
Oorspronkelijk en gedurende lange tijd bestond de vrijeschool in Nederland uit onder- en bovenbouw.
Onderbouw: de klassen 1 t/m 8, de kleuters vormen een aparte groep.
Bovenbouw: de klassen 9 t/m 12.
Over middenbouw werd wel gesproken om de klassen 4, 5 of 6 t/m 8 aan te duiden.
In Nederland bestond de onderbouw lange tijd uit de klassen 1 t/m 7; had de school geen eigen bovenbouw, dan viel de 8e als laagste klas in de bovenbouw van een andere school.
Toen de 7e niet meer bij de basisschool mocht horen, kwam deze dus ook bij de bovenbouw. Om nog een onderscheid te kunnen maken, werden toen deze klassen middenbouw genoemd.
In deze artikelen is de middenbouw: klas 7, 8 en 9.*
.

Kurt Königsmann, Wanne-Eickel

.

We willen leren werken
.

Gedachten over de praktische vorming in de middenbouw

Een van de bijzondere kenmerken van een Rudolf Steinerschool is dat de leerling daar niet alleen in zijn hoofd wordt aangesproken, maar in gelijke mate wordt geschoold in het gebruik van zijn handen.
Dat begint in de onderbouw met handvaardigheid, met de kunstzinnige oefeningen in schilderen, boetseren en houtsnijden, handwerken en vervolgens met tuinieren; het krijgt een aanzienlijke impuls wanneer de leerlingen aan het begin van de middenbouw* naar de werkplaats gaan.
Hier moeten ze leren werken, zich oefenen in het gebruik van gereedschap, leren inzien hoe de zeer uiteenlopende materialen zeer uiteenlopende eisen stellen en ten slotte ervaren hoe een werkstuk alleen lukt als er vooraf een plan gemaakt wordt.
Werken kun je alleen leren door te werken.

Daarom hebben we op de Hiberniaschool uit de zeer uiteenlopende bezigheden van mensen die activiteiten geselecteerd die bijzonder geschikt zijn om de leerlingen de echte werkhouding bij te brengen.
Zo’n ‘arbeidsleer’ is dus nog niet bedoeld om op een bepaald beroep voor te bereiden, maar om de jongere als mens te vormen, hem deugdzaam te maken en hem al die uiterlijke vaardigheden en dat innerlijke plichtsbesef bij te brengen waardoor hij pas een ware wereldburger wordt.

Als we alle verschillende opdrachten van ons werkplaatsonderwijs overzien, springt één groep ons in het bijzonder in het oog, die we ‘oeractiviteiten’ kunnen noemen.
Daar zien we de leerlingen in het zevende schooljaar tegenover een grote berg ((half)ronde) houten blokken staan, die ze met bijl en zaag willen bewerken. Het is hier nog niet de kant-en-klare, netjes voorbewerkte plank van de timmerman die als materiaal dient, maar iets dat rechtstreeks uit de natuur is gehaald: delen van de stam en takken.
Er wordt besproken wat voor boom het was, hoe hij is gegroeid, hoe de natuur, de zon, de regen en de wind hun sporen hebben achtergelaten in de schors en de jaarringen. Bij de leerlingen ontwaken verwondering en ontzag voor het materiaal. Ze zijn druk bezig om met de boomzaag stammen en dikke takken in hanteerbare stukken te zagen, om vervolgens met handzagen en bijlen klimrekken, blokhutten en ander speeltoestel te maken.

We zien een soortgelijke oeractiviteit als houtbewerking wanneer de leerlingen in het negende schooljaar manden vlechten van lange wilgentakken, of wanneer ze in het schijnsel van het vuur bij de smidse staan en met grote kracht het ijzer smeden. Het is verbazingwekkend met welk krachtig elan en welk vastberaden concentratievermogen het ijzer wordt gevormd. Wat daarbij uiterlijk wordt geoefend, komt volledig overeen met wat de jongere in deze levensfase innerlijk wil bereiken. Zoals ze nu uiterlijk leren het vuur in dienst van het werk te stellen, het zo te beheersen dat het materiaal niet oververhit raakt, maar ook niet te koud blijft, zo moeten ze nu ook leren hun wil onder controle te krijgen. Veel voorwerpen, zoals ringen, punten, klemmen en oogjes, zijn werkstukken van deze oefenfase. In de tweede periode smeden de leerlingen verschillende gereedschappen zoals beitels, schroevendraaiers en dergelijke, die ze later bij het slotenmakerswerk gebruiken.

In het laatste jaar van de middelbare fase bereikt het beoefenen van oeractiviteiten een laatste hoogtepunt in het spinnen en weven. We spinnen nog niet met het spinnewiel, maar met de vrije spintol, zoals dat van oudsher door mensen werd gedaan. Op het weefgetouw wordt vervolgens de zelf gesponnen garen verweven, waaruit vervolgens eenvoudige doeken, dekens of matten ontstaan.

Naast deze oorspronkelijke activiteiten staan in ons vak ‘Werk’ ook taken die de leerlingen een technische opleiding geven. Weliswaar is de gehele opleiding in het vak ‘Werk’ van de middelbare school zo opgezet dat in de zevende en achtste klas het ambachtelijke handelen sterk overheerst en dat pas in het negende en vooral het tiende jaar steeds meer taken aan bod komen die een technisch karakter hebben. Maar de vorming tot een technische houding is het doel van het gehele vak ‘Werkleer’, en die begint bijvoorbeeld al wanneer in de handwerkles van het zevende leerjaar volgens een bepaald patroon een schort of een schortjas wordt genaaid, of wanneer in de tuinbouwles een beplantingsplan wordt opgesteld. In de achtste klas gaan de leerlingen vervolgens over tot het bewerken van hout als timmerwerk. Ze maken met spijkers, lijm en pennen eenvoudige houtverbindingen en ervaren daarbij als iets nieuws hoe een geheel ontstaat door het samenvoegen van onderdelen. Zo ontstaan beweegbare speelgoedvoorwerpen met eenvoudige mechanische functies. Met deze opdrachten wordt nogmaals de volledige speeldrift van de jonge mens aangesproken. De herinnering aan het eigen spel geeft de bezigheid nieuw leven, en elk afzonderlijk stuk wordt met enthousiasme vervaardigd. Tegelijkertijd is het echter een nauwkeurige, doelgerichte bezigheid, die kan leiden tot een vreugdevolle toewijding aan het werk.

Ook wordt in het achtste schooljaar voor het eerst kennisgemaakt met het gebruik van de machine, doordat de jongens en meisjes tijdens de handwerkles leren naaien met de naaimachine.
In het negende schooljaar volgt dan de kennismaking met de arbeidsverdeling. Het metaal en de opdrachten in de metaalwerkplaats lenen zich hier bijzonder goed voor. De leerling voert eerst zelf de afzonderlijke stappen uit waarin het werk is opgedeeld. Later komt hij echter in de fase waarin hij samen met meerdere leerlingen een heel onderdeel vervaardigt en dan ervaart hij waarom het naleven van maten en normen bij technisch werk onontbeerlijk is.
In de afsluitende cursussen van de tiende klas hebben we dan te maken met een technische basisopleiding. De leerlingen leren bijvoorbeeld in het scheikundepraktikum, maar ook in de huishoudles, volgens een recept te werken. Ze leren zich aan schema’s te houden, oefenen in het omgaan met de machine, maar ook in het vervaardigen van eenvoudige constructies. Voor de meisjes maakt de voortzetting van de huishoudles en een inleiding in de taken van de kinder- en ziekenverzorging plaats voor de machine-technische opleiding. Ook hier leren ze zich aan te passen aan de gegeven richtlijnen, bijvoorbeeld rekening te houden met de specifieke situatie van een zieke, maar ook bij het maken van speelgoed rekening te houden met de leeftijdsgroep van het kind.

Het oefenen van samenwerking is van bijzonder belang in de arbeidsleer. Natuurlijk moet de individuele leerling zich ook altijd individueel oefenen, zijn eigen vaardigheden testen en ontwikkelen. Maar in het werk geldt dat individuele vaardigheden slechts zoveel waarde hebben als ze in samenwerking tot uiting komen. Ook daarvoor bieden de lessen tuinbouw en houtbewerking al in het zevende schooljaar de gelegenheid. Zo heeft een groep leerlingen gezamenlijk een klimhuis voor onze kleuterschool gebouwd. Ook het mechanisch speelgoed van het achtste schooljaar laten we altijd door meerdere leerlingen samen maken, en we hebben al verteld hoe in de slotenmakersopleiding in het negende schooljaar in het bijzonder het werken in taakverdeling wordt geoefend. Een bijzondere bekroning van de ambachtelijke opleiding, maar tegelijkertijd ook van het zich bewijzen in samenwerking, vormt dan de laatste timmerperiode in het tiende schooljaar. Daarin worden bijvoorbeeld violen gebouwd die nodig zijn voor de muzieklessen in de onderbouw. Eerst werd het bouwplan met de hele groep leerlingen besproken. Het bleek dat telkens twee leerlingen samen één instrument moesten maken. Zo vervaardigde de ene leerling de klankkast, dat wil zeggen de zijkanten, de bodem en het deksel; de tweede leerling had als taak de toets, de brug en het spanstuk te vervaardigen. Tot slot werden de afzonderlijke onderdelen tot het complete instrument samengevoegd, wat alleen lukte als iedereen zich nauwkeurig aan de voorgeschreven afmetingen van de werkplaatstekening had gehouden.

Samenvattend kunnen we zeggen dat het praktijkonderwijs in de middelbare school, in de vorm van een werkvak, bedoeld is om onze leerlingen te leren werken, maar dat het bovenal ook een opvoeding door het werk is. En een dergelijke opvoeding omvat de jonge mens in zijn geheel. Hij wordt lichamelijk gestimuleerd en verwerft vaardigheden en behendigheid; hij wordt in zijn ziel gevormd, want we kunnen niet bekwaam werken zonder al die deugden te verwerven die wij mensen juist in en door het werk in onszelf kunnen ontwikkelen. En ten slotte wordt hij in zijn geest geschoold, want hij verwerft helder, doelgericht denken, de kracht om zichzelf te corrigeren en bovenal de kracht om de waarde van zijn eigen handelen te bepalen vanuit het geheel dat hij met zijn activiteit dient.

Zo kunnen we zeggen dat het doel van onze pedagogiek, namelijk altijd de hele mens te onderwijzen en op te voeden, juist in de arbeidsleer van de middelbare school een bijzonder mooie vervulling vindt.

.

Handvaardigheidalle artikelen

.

3558-3342

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Bewegen in de klas – alle artikelen

.

Er wordt in het vrijeschoolonderwijs veel bewogen.
Dat staat enerzijds niet los van de klassenlesstof, bv. bij rekenen en taal. In de diverse artikelen over deze lesstof kom je dit bewegen tegen.

Ook in andere (vak)lessen: uiteraard bij euritmie en gymnastiek, maar ook in de lessen ‘niet-Nederlandse‘ talen, bij handvaardigheid, muziek.

Soms zijn er artikelen die niet zo duidelijk ergens onder te brengen zijn.
Die staan hieronder genoemd:

[1Bewegen in de klas
D. van ’t Erve in AOB-onderwijsblad: In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

[2] Bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport.

[3] Lichaamsoriëntatie
Pieter HA Witvliet
over: het kind en de beweging; incarneren; ‘boven’mens en ‘onder’mens; hulp bij dit ‘thuis’raken in het lichaam; voorbeelden: kleuterklas, klas 1, 4 en 6.

.

Vrijeschool in beeld: de bewegende klas

Rudolf Steiner over pedagogiekalle artikelen op deze blog

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3553-3337

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Breinbreker (nieuw)

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

Wanneer kan je 1 (één) van 19 aftrekken en tóch 20 overhouden?

 

Oplossing:

Wanneer je Romeinse cijfers neemt, heb je voor 19 XIX.
Als je de I wegneemt, houd je XX over, dat is 20

 

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rekenraadsel (nieuw)

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

Oplossing:

De laatste regel: (8 x 5) – (2 x 3) is 40 – 6 is 34

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – taalraadsel

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

De paardensprong.

 Net als bij schaken maakt de beginletter –rechtsonder L  – sprongen en de letters waar hij neerkomt vormen in volgorde een woord. Welk?

Oplossing:

LABRADOR

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 97

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

In deze voordracht:

RUDOLF STEINER:

GA 97

Das christliche Mysterium

Het christelijke mysterie

Blz. 300   niet vertaald

Geisteswissenschaftliche Gesichtspunkte zur Erziehungsfrage

Geesteswetenschappelijke gezichtspunten over het opvoedingsvraagstuk

Als vor drei Jahrzehnten die theosophische Bewegung begründet wurde, handelte es sich von Seiten der führenden Persönlichkeiten nicht darum, eine neue Lehre einzuführen, wodurch die Wißbegierde befriedigt würde, sondern vor allem darum, weiteren Kreisen eine geistige Einsicht zugänglich zu machen, durch die man die wichtigen Fragen des praktischen Lebens mit Hilfe geistiger Erkenntnisse lösen kann. Eine von diesen Fragen, an denen sich zeigt, wie die Geistes­wissenschaft in das praktische Leben eingreift, bildet auch das Thema dieses Vortrages, die Erziehungsfrage.
Die Erziehungsfrage kann nur richtig im Zusammenhang mit der intimeren Kenntnis der menschlichen Wesenheit behandelt werden. Durch die Menschenerkenntnis, die in des Menschen übersinnliches Wesen eindringt, ergeben sich jedem, der es mit dieser Frage ernst nimmt, grundlegende Erziehungsprinzipien. Zu diesem Zwecke müs­sen wir von einer Betrachtung des Wesens des Menschen ausgehen. Die Frage nach dem Wesen des Menschen liefert die Grundgedanken zur Beantwortung der Erziehungsfragen.

Toen de theosofische beweging dertig jaar geleden werd opgericht, waren de leidende figuren er niet op uit een nieuwe doctrine te introduceren om intellectuele nieuwsgierigheid te bevredigen, maar veeleer spiritueel inzicht toegankelijk te maken voor een breder publiek, zodat zij met behulp van spirituele kennis de belangrijke vragen van het praktische leven konden oplossen. Een van deze vragen, die laat zien hoe spirituele wetenschap in het praktische leven doordringt, is ook het onderwerp van deze voordracht: het vraagstuk van de opvoeding.

De vraag van de opvoeding kan alleen goed worden beantwoord in samenhang met een dieper begrip van de menselijke natuur. Door kennis van de mens die doordringt tot zijn bovenzintuiglijke essentie, komen fundamentele opvoedingsprincipes naar voren voor iedereen die deze vraag serieus neemt. Daartoe moeten we beginnen met een beschouwing van de menselijke natuur. De vraag naar het wezen van de mens, biedt de basisideeën voor het beantwoorden van opvoedingsvragen.

Was die äußeren Sinne am Menschen erfassen können, ist für die Geistesforschung nur ein Glied der menschlichen Wesenheit. Diesen physischen Leib, das physische Wesen hat der Mensch gemein mit der ganzen übrigen Natur. Als zweites Glied der menschlichen Wesenheit findet die okkulte Forschung durch das geistige Auge den Ätherleib oder Lebensleib. Er ist ein Organismus, feiner als der physische Leib, aber in allen Organen und Teilen gleich diesem gebildet. Es ist jedoch vielleicht besser, wenn man ihn als eine Summe von Kraftströmungen auffaßt, als den Architekten des physischen Leibes. Der letztere ist gleichsam aus dem Ätherleib herauskristallisiert. Wie sich durch Ab­kühlung aus dem Wasser das Eis entwickelt, so hat sich der physische Leib aus dem Ätherleib herausgebildet. Diesen Ätherleib oder Lebens-leib hat der Mensch gemeinsam mit allen lebenden Wesen.
Das dritte Glied der menschlichen Wesenheit ist der Astralleib, der

Wat de uiterlijke zintuigen aan een mens kunnen waarnemen, is voor spiritueel onderzoek slechts één deel van de menselijke natuur. Dit fysieke lichaam, dit fysieke wezen, is iets wat mensen delen met de rest van de natuur.
Hier meer verwijzingen van Steiner over het fysieke lichaam.

Als tweede aspect van de menselijke natuur ontdekt onderzoek naar het verborgene, door de spirituele blik, het etherlijf of levenslichaam.[Algemene menskunde [1-7-1]] Het is een organisme, verfijnder dan het fysieke lichaam, maar qua vorm in alle organen en delen ervan net zo gevormd. Het is echter wellicht beter om het te begrijpen als een optelsom van energiestromen, als de architect van het fysieke lichaam. Dat laatste is als het ware gekristalliseerd uit het etherlijf. Net zoals ijs ontstaat uit water door afkoeling, zo is het fysieke lichaam ontstaan ​​uit het etherlijf. Dit etherlijf of levenslichaam is iets wat mensen delen met alle levende wezens.
Hier meer verwijzingen van Steiner over het etherlijf.

Het derde deel van de menselijke natuur is het astraallijf, [Algemene menskunde [1-7-1]] dat

Blz. 301

Träger von allen niederen und höheren seelischen Eigenschaften des Menschen, der Träger von Lust und Leid, Freude und Schmerz und allen Willensimpulsen. Dieses dritte Glied, das durch die Heraus­bildung der höheren Wahrnehmungsorgane geschaut werden kann, hat der Mensch gemeinsam mit der ganzen Tierwelt. Es umgibt den Menschen wie eine Art Wolke, die den physischen Leib und Ätherleib zugleich durchsetzt. Dieses Wesensglied ist in fortwährender Be­wegung und spiegelt alles ab, was im Menschen vorgeht. Die Be­zeichnung Astralleib ist verschiedentlich angefochten worden. Aber wie der physische Leib durch seine physischen Stoffe mit der ganzen Erde verbunden und von ihr abhängig ist, so steht der Astralleib mit der ganzen die Erde umgebenden Sternenwelt in Beziehung, und alle die Kräfte, welche das Schicksal und den Charakter des Menschen wesentlich bedingen, haben Zusammenhang mit jener Welt.

de drager is van alle lagere en hogere psychische kwaliteiten van een mens, de drager van plezier en lijden, vreugde en pijn, en alle wilsimpulsen. Dit derde deel, dat waargenomen kan worden door de ontwikkeling van de hogere zintuigen, is iets wat mensen delen met het hele dierenrijk. Het omringt de mens als een soort wolk en doordringt zowel het fysieke als het etherische lichaam. Dit deel van ons wezen is constant in beweging en weerspiegelt alles wat er in de mens gebeurt. De term ‘astraallijf’ is op verschillende manieren ter discussie gesteld. Maar net zoals het fysieke lichaam via zijn fysieke substanties verbonden is met en afhankelijk is van de hele aarde, zo is ook het astrale lijf verbonden met de hele sterrenwereld die de aarde omringt, en zijn alle krachten die in wezen het lot en karakter van een mens bepalen, verbonden met die wereld.

Einer der neueren Geister, Goethe, der tief hineingeschaut hat in die Zusammenhänge zwischen der Natur und dem geistigen Menschen und seinen Zusammenhang mit dem Kosmos, sagt:

Wie an dem Tag, der dich der Welt verliehen,
Die Sonne stand zum Gruße der Planeten,
Bist alsobald und fort und fortgediehen
Nach dem Gesetz, wonach du angetreten.
So mußt du sein, dir kannst du nicht entfliehen,
So sagten schon Sibyllen, so Propheten;
Und keine Zeit und keine Macht zerstückelt
Geprägte Form, die lebend sich entwickelt. [2]

Wegen seiner Beziehung zur Sternenwelt wird also das dritte Glied der menschlichen Wesenheit der Astralleib genannt.
Das vierte Glied hat der Mensch nicht gemeinsam mit andern Wesen, es ist das, was den Menschen die Kraft gibt, Ich zu sich selbst zu sagen. Ich ist das geheimnisvolle Wort, das jeder nur zu sich selbst sagen kann, in dem Worte Ich spricht die Seele ihren göttlichen Ur-funken aus. Mit dem Ich beginnt der Gott im Inneren des Menschen zu sprechen. In den jüdischen Geheimschulen nannte man das Ich den unaussprechlichen Namen Gottes, und ein Schauer der Ehrfurcht

Een van de meer recente denkers, Goethe, die zich diepgaand verdiepte in de verbanden tussen de natuur en de spirituele mens en zijn relatie tot de kosmos, zegt:

Zoals op de dag dat jullie op aarde verschenen,
de zon de planeten begroette,
zo zijn jullie geweest en blijven bloeien,
volgens de wet waaraan jullie hun bestaan ​​te danken hebben.
Zo moeten jullie zijn, jullie kunnen niet aan jezelf ontsnappen,
zo zeiden de Sibillen, zo zeiden de profeten;
En geen tijd en geen macht kan verbrijzelen
de inprenting die zich in het leven ontwikkelt.
(Vertaling gegeven door AI)

“Wie an dem Tag …»; Goethe, «Urworte. Orphisch».

Vanwege de relatie met de sterrenwereld wordt het derde lichaamsdeel van de mens het astrale lichaam genoemd.
Hier meer verwijzingen van Steiner over het astraallijf.

Het vierde deel heeft de mens niet gemeenschappelijk met andere wezens; het is datgene wat de mens de kracht geeft om “ik” tegen zichzelf te zeggen. “Ik” is het mysterieuze woord dat iedereen alleen tegen zichzelf kan zeggen; in het woord “ik” drukt de ziel haar goddelijke oervonk uit. Met het “ik” begint God in de mens te spreken. In Joodse geheime scholen werd het zelf aangeduid met de onuitsprekelijke naam van God, wat een huivering van ontzag trok door de menigte 

Blz. 302

ging durch die Menge, wenn der Eingeweihte den für die Außen­stehenden unaussprechlichen Namen aussprach: Jahve – Ich bin der ich bin.

Diese vier Glieder bilden die Vierheit in der menschlichen Natur. Diese Vierheit ist in allen Menschen vorhanden. Sie entwickelt sich von der Kindheit zum Mannesalter heran, aber dies geschieht durch-aus differenziert, und wir mussen daher jeden Teil im Menschen ge­sondert betrachten.
Veranlagt ist schon alles im Embryo, aber die Entwickelung geht ganz verschieden vor sich. Der Mensch kann sich nicht ohne eine Umgebung entwickeln, er kann nur gedeihen, wenn er von andern Wesen und Gliedern des Kosmos umgeben ist. So muß der mütter­liche Organismus den Menschen bis zu einer gewissen Reife um-schließen. Was bei der physischen Geburt vor sich geht, wiederholt sich, denn bei der physischen Geburt wird noch nicht der ganze Mensch geboren, sondern so wie der sich entwickelnde Menschen-keim vom physischen mütterlichen Organismus umschlossen wird, so ist der Mensch nach der physischen Geburt von einem geistigen Organismus umgeben, welcher der ganzen Geistwelt angehört. Das Kind ist umgeben von einer Ätherhülle und von einer Astralhülle und ruht darin, wie das Embryo im Mutterschoß.

als de ingewijde de voor buitenstaanders onuitspreekbare naam uitsprak: Jahweh – Ik ben die Ik ben.
Hier meer verwijzingen van Steiner over het ‘Ik’.

Deze vier elementen vormen de viervoudige natuur van de mens. Deze viervoudige natuur is aanwezig in alle mensen. Ze ontwikkelt zich van de kindertijd tot de volwassenheid, maar dit gebeurt op een zeer gedifferentieerde manier, en daarom moeten we elk deel van de mens afzonderlijk beschouwen.

Alles is al aangelegd in het embryo, maar de ontwikkeling verloopt op geheel verschillende manieren. Mensen kunnen zich niet ontwikkelen zonder een omgeving; ze kunnen alleen gedijen wanneer ze omringd zijn door andere wezens en delen van de kosmos. Het moederorganisme moet de mens dus omhullen totdat een bepaalde mate van rijpheid is bereikt. Wat er tijdens de fysieke geboorte gebeurt, herhaalt zich, want bij de fysieke geboorte is de hele mens nog niet geboren. Net zoals het zich ontwikkelende menselijke embryo wordt omhuld door het fysieke moederorganisme, zo wordt de mens na de fysieke geboorte ook omhuld door een spiritueel organisme dat tot de gehele geestelijke.wereld behoort. Het kind wordt omhuld door een etherische en een astrale mantel en rust daarin, net zoals het embryo in de baarmoeder.
Zie Steiner: De fase van 0 – 7 jaar

Im siebenten Lebensjahr, um die Zeit des Zahnwechsels, löst sich vom Ätherleib eine Ätherhülle los, wie sich bei der physischen Geburt der mütterliche Organismus vom physischen Körper des Kindes löst. Der Ätherleib wird frei, während sich vorher eine Wesenheit aus dem­selben Äther dem Ätherleibe anschließt und Strömungen von ihr auf das Kind übergehen, wie dies vor der physischen Geburt im Mutterleib geschieht. Nach und nach wird das Kind also zum zweiten Mal, und jetzt ätherisch, geboren. Nun ist noch immer das dritte Glied, der Astralleib, von einer schützenden Astralhülle umgeben. Diese Astral-hülle umgibt den Menschen bis zur Geschiechtsreife, bis zum vier­zehnten, fünfzehnten Jahre, und zieht sich dann zurück. So wird der Mensch zum dritten Mal geboren, die astrale Geburt findet statt.
Diese dreifache Geburt zeigt, daß wir jedes Wesensglied getrennt betrachten müssen, denn bei jedem neugeborenen Kinde ist nur das

In het zevende levensjaar, rond de tijd dat de tanden wisselen, scheidt een etherische mantel zich af van het etherlijf, net zoals het moederorganisme zich scheidt van het fysieke lichaam van het kind tijdens de geboorte. Het etherische lichaam komt vrij, terwijl daarvoor een entiteit uit dezelfde ether zich aan het etherlijf hecht, en energiestromen daarvan worden overgedragen op het kind, zoals gebeurt in de baarmoeder vóór de geboorte. Zo wordt het kind geleidelijk een tweede keer geboren, ditmaal etherisch.
Zie Steiner over tandenwisseling.

Het derde lid, het astraallijf, is nog steeds omgeven door een beschermende astrale mantel. Deze astrale mantel omhult de persoon tot de geslachtsrijpheid, rond de leeftijd van veertien of vijftien jaar, en trekt zich dan terug. Op deze manier wordt de persoon een derde keer geboren; de astrale geboorte vindt plaats.

Deze drievoudige geboorte laat zien dat we elk lid van het wezen afzonderlijk moeten beschouwen, want bij elk pasgeboren kind is alleen het

Blz. 303

erste Glied, der physische Körper, freigelegt. Und wie es unmöglich ist, das Licht von außen durch den mütterlichen Organismus an das Kind heranzubringen, ebenso sollte es vermieden werden, Einflüsse von außen an den Ätherleib heranzubringen, ehe derselbe frei ge­worden ist von der Ätherhülle. Vor dem Zahnwechsel sollten keine Einflüsse an den Ätherleib herankommen, und vor der Geschlechtsreife keine an den Astralleib. Bis zum siebenten Lebensjahre können wir erzieherisch auf den Menschen nur dann richtig wirken, wenn wir ihn vom Physischen her beeinflussen. Wie die Pflege der Mutter innig zusammenhängt mit dem Gedeihen des Embryo, so muß auch die Unantastbarkeit und Heiligkeit der Ätherhülle geschützt werden, wenn sich das Kind gedeihlich entwickeln soll. Bis zum Zahnwechsel ist nur der physische Körper für Wirkungen von außen empfänglich, daher kann bis dahin nur der physische Körper erzogen werden, und wenn in dieser Zeit etwas von außen an den Ätherkörper herangebracht wird, dann versündigt man sich am Ätherleibe des Kindes. Der Ätherleib ist beim Menschen der Träger alles dessen, was bleibend an ihm ist, der Träger von Gewohnheiten, Charakter, Gewissen, Ge­dächtnis, Temperamentsanlagen. Am Astralleib haftet die Urteilsfähigkeit, das vernunftgemäße Urteil über die Umgebung.

het eerste deel, het fysieke lichaam, vrij geworden. En net zoals het onmogelijk is om licht van buitenaf via het moederlichaam naar het kind te brengen, zo moet ook worden vermeden om het etherlijf van buitenaf te beïnvloeden, voordat het is bevrijd van de etherische omhulling. Vóór de wisseling van de tanden mogen er geen invloeden het etherlijf bereiken, en vóór de puberteit geen enkele het astrale lichaam niet. Tot de leeftijd van zeven jaar kunnen we alleen een juiste opvoedkundige invloed op een mens uitoefenen als we hem of haar op fysiek niveau beïnvloeden. Net zoals de zorg van de moeder nauw verbonden is met de ontwikkeling van het embryo, zo moet ook de onschendbaarheid en heiligheid van de etherische omhulling worden beschermd wil het kind zich goed ontwikkelen. Tot de wisseling van de tanden is alleen het fysieke lichaam ontvankelijk voor invloeden van buitenaf; daarom kan alleen het fysieke lichaam tot die tijd worden opgevoed, en als er in deze periode iets van buitenaf met het etherlijf wordt gedaan, begaat men een zonde tegen het etherische van het kind. Bij mensen is het etherlijf de drager van alles wat blijvend is, de drager van gewoonten, karakter, geweten, geheugen en temperament.

Het astraallijf is verantwoordelijk voor het vermogen tot oordeel, tot rationeel oordeel over de omgeving.
Zie Steiner over het oordeel en begrip

So wie sich bis zum siebenten Jahre die äußeren Sinne des Kindes entwickeln sollen, so werden bis zum vierzehnten Jahre die Gewohnheiten, das Gedächtnis, das Temperament und so weitet freigegeben und dann bis zum zwanzigsten, einundzwanzigsten Jahre der kritische Ver­stand, das selbständige Verhältnis zur Umwelt.
Daher gibt uns die Geisteswissenschaft ganz bestimmte Regeln für die Erziehung des Kindes in diesen einzelnen Lebensepochen. So gehört zur Pflege des Kindes bis zum siebenten Jahre alles, was mit dem physischen Leib zusammenhängt. Darunter fällt die harmonische Ausbildung der Organe durch die Einwirkung auf die Sinne des Kin­des. Die Physis ist daher das Maßgebende, das zu Erziehende. Dem tragen wir dadurch Rechnung, daß wir dem Kinde alles bringen, was durch die Sinne heranbildend wirkt. Aristotetes sagt: Der Mensch ist das nachahmendste der Tiere. – Das Kind ist also ein Nachaumer, alles steht bei ihm unter dem Zeichen der Nachahmung dessen, was es hört

Net zoals de uiterlijke zintuigen van een kind zich tot de leeftijd van zeven jaar ontwikkelen, zo ontwikkelen gewoonten, geheugen, temperament, enzovoort zich tot de leeftijd van veertien jaar, en vervolgens, tot de leeftijd van twintig of eenentwintig jaar, het kritisch denkvermogen en een onafhankelijke relatie met de omgeving.

Daarom geeft de spirituele wetenschap ons zeer specifieke regels voor de opvoeding van het kind in deze individuele levensfasen. De zorg voor het kind tot de leeftijd van zeven jaar omvat dus alles wat met het fysieke lichaam te maken heeft. Dit omvat de harmonieuze ontwikkeling van de organen door stimulatie van de zintuigen van het kind. Het fysieke lichaam is daarom de bepalende factor, hetgeen dat gecultiveerd moet worden. We houden hier rekening mee door het kind alles te bieden wat een vormende werking heeft via de zintuigen. Aristoteles zegt: “De mens is het meest imiterende dier.” Het kind is dus een ​​nabootser; alles wat het doet, wordt gekenmerkt door het nadoen van wat het hoort en ziet.

In diesem Alter haben Gebote und Verbote wenig Be­deutung. Die größte Bedeutung aber hat das Vorbild, dadurch muß die Umgebung die Sinne des Kindes erwecken. Wie wir sind, das ist die Hauptsache, und bis in die Feinheiten hinein muß der Erwachsene sein eigenes Tun und Lassen beobachten. Er darf nichts tun, was das Kind nicht nachahmen darf, denn alles, was es sieht, das betrachtet es als etwas, was es selber tun und nachahmen darf. So überraschte ein gutgeartetes Kind seine Eltern damit, daß es Geld aus einer Kassette genommen hatte. Die Eltern waren entsetzt und glaubten, das Kind hätte einen Hang zum Stehlen. Auf Befragen stellte sich aber heraus, daß das Kind einfach nur nachgeahmt hatte, was es Vater und Mutter täglich hatte tun sehen. Auf Vorbild und Nachahmung beruht die Er­ziehung bis zum Zahnwechsel. Daher muß der Erzieher bis zum siebenten Jahre des Kindes in jeder Hinsicht Vorbild sein. Unrichtig wäre es auch, dem Kinde bis dahin die Bedeutung der Buchstaben einprägen zu wollen. Es kann nur ihre Form nachahmen, denn die Kraft zum Begreifen ihrer Bedeutung haftet am Ätherleib.

Op deze leeftijd hebben bevelen en verboden weinig betekenis. Het belangrijkste is het voorbeeld dat gegeven wordt; daarmee moet de omgeving van het kind de zintuigen stimuleren. Hoe we ons gedragen is cruciaal, en volwassenen moeten hun eigen handelingen en nalatigheden tot in de kleinste details observeren. Ze mogen niets doen wat het kind niet mag nadoen, want alles wat het kind ziet, beschouwt het als iets wat het zelf zou kunnen doen en nadoen. Een voorbeeld: een braaf kind stelde zijn ouders voor een verrassing door geld uit een kistje te pakken. De ouders waren geschokt en dachten dat het kind een diefstalneiging had. Na navraag bleek echter dat het kind simpelweg had nagedaan wat het zijn ouders elke dag zag doen. De opvoeding tot het kind zijn blijvende tanden krijgt, berust op voorbeeld en nabootsing. Daarom moet de opvoeder tot het zevende levensjaar in alle opzichten een rolmodel zijn. Het zou ook verkeerd zijn om het kind vóór die tijd de betekenis van letters te leren. Het kan alleen de vorm nadoen, omdat het vermogen om de betekenis te begrijpen verbonden is met het etherlijf.
Zie Steiner over de nabootsing

In diesen Jahren, in denen die Organe des Kindes entwickelt und gesunde Anlagen begründet werden sollen, ist auch alles höchst wichtig, was an moralischen Dingen in der Umgebung des Kindes vorgeht. Es ist auch durchaus nicht gleichgültig, ob das Kind Schmerz und Leid oder Lust und Freude um sich her sieht, denn Freude und Lust begründen gesunde Anlagen im physischen Körper. Alles um das Kind herum sollte Freude und Lust atmen, und beides hervor­zurufen sollte der Erzieher bedacht sein, bis auf die Farbe der Kleider, der Tapeten und Gegenstände. Dabei ist sorgfältig die individuelle Anlage des Kindes zu berücksichtigen. Ein Kind, das zu Ernst und Stille neigt, sollte dunklere, bläuliche, grünliche Farben in seiner Um­gebung sehen, ein lebhaftes, lebendiges Kind gelbliche, rötliche Far­ben, weil dadurch die Fähigkeit der Sinne zur Erweckung der Gegenfarbe hervorgerufen wird. Die Organe, die jetzt heranentwickelt wer­den, müssen dadurch veranlaßt werden, ihre inneren Kräfte herauszubilden. Darum sollte man dem Kinde auch keine fertigen Spiel­sachen geben, wie Baukasten, Puppen und so weiter. Jedes Kind zieht eine selbstgemachte Puppe aus einem Stiefelknecht oder einer alten Serviette den ausgeputzten Wachsdamen vor.

In deze jaren, waarin de organen van het kind zich ontwikkelen en gezonde aanleg wordt gevormd, is ook alles wat er in de omgeving van het kind gebeurt op moreel gebied van het grootste belang. Het is absoluut niet om het even of het kind pijn en lijden of juist plezier en vreugde om zich heen ziet, want vreugde en plezier bevorderen een gezonde aanleg in het lichaam. Alles om het kind heen moet vreugde en plezier uitstralen, en de opvoeder moet erop letten beide op te roepen, tot in de kleinste details zoals de kleur van kleding, behang en voorwerpen. Daarbij moet zorgvuldig gekeken worden naar individuele aanleg van het kind. Een kind dat neigt naar ernst en stilte, heeft donkere, blauwachtige en groenachtige kleuren in zijn omgeving nodig; een levendig, energiek kind gele en rode kleuren, omdat dit het vermogen van de zintuigen om complementaire kleuren waar te nemen stimuleert. De organen die zich nu ontwikkelen, moeten worden gestimuleerd om hun innerlijke kracht te ontwikkelen. Daarom moet je kinderen geen kant-en-klaar speelgoed geven, zoals bouwblokken, poppen, enzovoort. Elk kind heeft liever een zelfgemaakte pop van een schoenlepel of een oude servet dan een gepolijste wassen pop.

Blz. 305

Warum tut es das? Weil dadurch die Imagination geweckt wird, weil die Phantasie in Tätig­keit gesetzt wird und die inneren Organe anfangen zu arbeiten zur Freude und Lust des Kindes. Wie lebendig und interessiert ist solch ein Kind bei seinem Spiel, wie geht es mit Leib und Seele in dem auf, was seine Imaginationen ihm vorspiegeln! Und wie lästig und un­vergnügt sitzt das andere da, bei dem die inneren Sinne in Untatigkeit verharren. Das Kind hat eine sehr gesunde Einsicht für das, was ihm gut oder schädlich ist. Es steht in einem solchen Verhältnis zur Außen­welt, daß es abweist, was dem physischen Körper, zum Beispiel dem Magen, nicht bekommt, und Begierde zeigt nach dem, was demselben frommt. Und töricht wäre es, den gesunden Begierden, welche die Entwickelung fördern, entgegenzuarbeiten und das Kind zum Bei­spiel zum Essen von Nahrungsmitteln zu zwingen, welche die natür­lichen Instinkte austreiben. Jeder Anflug von Asketismus ist eine Aus­rottung der natürlichen Gesundheit.

Waarom? Omdat het de verbeelding prikkelt, de fantasie in beweging zet en de innerlijke organen aan het werk zet, tot grote vreugde en plezier van het kind. Hoe levendig en geïnteresseerd is zo’n kind in zijn spel, hoe het met lichaam en ziel opgaat in wat zijn verbeelding teweegbrengt! En hoe vermoeiend en ongelukkig zit de ander daar, wiens innerlijke zintuigen inactief blijven. Het kind heeft een zeer gezond inzicht in wat goed of slecht is. Het staat in een zodanige relatie tot de buitenwereld dat het afwijst wat niet goed is voor het fysieke lichaam, bijvoorbeeld de maag, en verlangt naar wat heilzaam is. En het zou dwaas zijn om tegen de gezonde verlangens in te gaan die de ontwikkeling bevorderen en bijvoorbeeld het kind te dwingen voedsel te eten dat natuurlijke instincten onderdrukt. Elke vorm van ascese is een vernietiging van de natuurlijke gezondheid.
Zie Steiner over spel

Gegen das siebente Jahr, im Verfolg des allmählichen Zahnwech­sels, lösen sich die Umhüllungen des Ätherleibes, und jetzt muß der Erzieher alles heranbringen, was den Ätherleib ausbildet, was auf den­selben entwickelnd wirkt. Aber er muß sich noch hüten, zu großen Wert darauf zu legen, daß die Vernunft und der Verstand ausgebildet werden. In dieser Zeit, zwischen dem siebenten und zwölften Jahre des Kindes, handelt es sich vorzugsweise um Autorität, Glauben, Vertrauen, Ehrfurcht. Wichtig für die ganze spätere Lebensentwickelung ist es, daß das Kind möglichst viele Momente erlebt habe wie den folgenden: Das Kind sieht mit einer gewissen heiligen Scheu zu einer verehrten Person auf, es hat Ehrfurcht im tiefsten Inneren, die ihm verbietet, irgendeinen Gedanken von Kritik oder Opposition ihr gegenüber aufkommen zu lassen. Da steht es eines Tages vor der Türe dieser verehrten Person und empfindet eine heilige Scheu, auf die Klinke zu drücken und das Zimmer zu betreten, das ihm ein Heiligtum ist. Diese Momente der Ehrfurcht sind Kräfte für das spätere Leben, und von ungeheurer Bedeutung ist, daß der Erzieher selbst dem Kinde Autorität sei. Die Menschen, die das Kind umgeben, die es sieht und hört, müssen seine Ideale sein. Aus der Geschichte und

Rond de leeftijd van zeven jaar, wanneer de tanden geleidelijk wisselen, beginnen de omhulsels van het etherlijf losser te worden. De opvoeder moet nu alles bieden wat de ontwikkeling van het etherlijf bevordert, alles wat er een positieve invloed op heeft. Hij moet er echter wel voor oppassen dat hij niet te veel nadruk legt op de ontwikkeling van verstand en intellect. Gedurende deze periode, tussen het zevende en twaalfde levensjaar, ligt de focus vooral op gezag, geloof, vertrouwen en eerbied. Het is belangrijk voor de verdere ontwikkeling van het kind dat het zoveel mogelijk van de volgende momenten meemaakt: Het kind kijkt met een zekere heilige eerbied op naar een gerespecteerd persoon; het voelt een diepe innerlijke eerbied die het verbiedt om ook maar enige kritische of tegengestelde gedachte jegens die persoon te koesteren. Dan staat het kind op een dag voor de deur van deze gerespecteerde persoon en voelt een heilige eerbied om de klink aan te raken en de kamer binnen te gaan die voor hem een ​​heiligdom is. Deze momenten van eerbied zijn bronnen van kracht voor het latere leven, en het is van enorm belang dat de opvoeder zelf een gezagsfiguur voor het kind is. De mensen die het kind omringen, die hij ziet en hoort, moeten zijn idealen zijn. Uit de geschiedenis en

Blz. 306

Literatur sollte sich jedes Kind einen Helden wählen, zu dem es mit Bewunderung und Ehrfurcht hinaufsieht. Es ist ganz falsch, wenn die materialistische Weltanschauung sich gegen die Autorität ausspricht und das Gefühl der Hingebung und Verehrung mißachtet. Wichtig ist, daß in dieser Zeit das Gedächtnis herausgebildet wird. Und zwar geschieht das zunächst am besten auf ganz mechanische Weise. Nicht die Rechenmaschine sollte benützt werden, sondern Zahlen und Ge­dichte und so weiter sollten gelernt und dadurch das Gedächtnis heranentwickelt werden.
In alten Zeiten erzog man in dieser Hinsicht das Kind sehr ver­nünftig. Die guten alten Kinderlieder und Ammenlieder, bei denen es nicht auf die intellektuelle Bedeutung, sondern auf das Erwecken einer unmittelbaren Empfindung ankam, erscheinen heutzutage, wo das Verständnis dafür verlorengegangen ist, sinnlos. Aber es liegt gleichwohl ein tiefer Sinn darin verborgen. Es kam beim Vorsingen auf den Zusammenklang und die Harmonie für das kindliche Ohr an, daher die oft sinnlosen Reime. Wer zwischen sieben bis vierzehn Jahren im Ätherleib keinen festen Grundstock an Charakter, Ge­dächtnis und so weiter bekommen hat, ist falsch erzogen.

en de literatuur zou elk kind een held moeten kiezen naar wie het met bewondering en eerbied opkijkt. Het is volkomen verkeerd wanneer een materialistische wereldvisie zich uitspreekt tegen autoriteit en gevoelens van toewijding en verering negeert. Het is belangrijk dat het geheugen in deze periode wordt ontwikkeld. En dit kan het beste in eerste instantie op een puur mechanische manier worden bereikt. Rekenmachines horen niet gebruikt te worden; in plaats daarvan moeten getallen, gedichten, enzovoort worden geleerd, en moet het geheugen via dit proces worden ontwikkeld.
Vroeger werden kinderen in dit opzicht heel verstandig opgevoed. De goede oude kinderrijmpjes en -liedjes, die niet gericht waren op intellectuele betekenis maar op het opwekken van een direct gevoel, lijken vandaag de dag betekenisloos, nu het begrip ervan verloren is gegaan. Maar er schuilt niettemin een diepere betekenis in. Bij het zingen ging het om de klank en de harmonie voor het oor van het kind, vandaar de vaak onzinnige rijmpjes. Iedereen die tussen de leeftijd van zeven en veertien jaar geen solide basis van karakter, geheugen, enzovoort in zijn of haar etherlijf heeft meegekregen, is verkeerd opgevoed.
Zie Steiner over autoriteit

Der Weg zur richtigen Erziehung ist in dieser zweiten Lebensperiode die Auto­rität. Was das Kind ahnt als innerste Natur des Menschen, der ihm Autorität ist, das bildet sein Gewissen, seinen Charakter, und sogar sein Temperament aus und wird zur dauernden Anlage bei ihm. Bil­dend auf den Ätherleib wirkt in diesen Jahren auch das Gleichnis und Sinnbild, überhaupt alles, was durch den Geist die Welt kenntlich macht. Daher in dieser Zeit der Segen der Märchenbücher und das Vorführen großer Persönlichkeiten und Helden in Sage und Ge­schichte. Wichtig ist auch der Turnunterricht, der ein Gefühl von Kraft, Gesundheit und Lebensfreudigkeit im Kinde hervorruft und daher ebenso organbildend wirkt wie Lust und Freude. Aber der Turnunterricht hat gerade jetzt große Mängel. Der Turnlehrer sollte seine Zöglinge nicht mit dem Blick des Anatomen betrachten, sondern darauf sinnen, durch welche Bewegungen des Leibes der Seele das Gefühl von erhöhter Kraft und dem Kinde der Genuß seiner Leiblich­keit bereitet werde. Der Lehrer muß sich intuitiv hineindenken in die

De weg naar een goede opvoeding in deze tweede levensfase is autoriteit. Wat het kind ervaart als de diepste aard van de persoon die zijn of haar gezag uitoefent, vormt het geweten, het karakter en zelfs het temperament, en wordt een blijvende aanleg. Gedurende deze jaren hebben gelijkenissen en symbolen, eigenlijk alles wat de wereld herkenbaar maakt door de geest, ook een vormende invloed op het etherlijf. Vandaar in deze tijd de zegen van sprookjes en het leiden naar grote persoonlijkheden en helden uit legendes en geschiedenis. Lichamelijke opvoeding is ook belangrijk, omdat het een gevoel van kracht, gezondheid en levensvreugde bij het kind opwekt en daarom net zo orgaanvormend is als plezier en vreugde. Maar lichamelijke opvoeding kent in deze fase aanzienlijke tekortkomingen. De gymleraar moet zijn of haar leerlingen niet bekijken met de ogen van een anatoom, maar zich eerder afvragen door welke lichaamsbewegingen de ziel een gevoel van toegenomen kracht kan ervaren en het kind kan genieten van zijn of haar lichamelijkheid. De leraar moet intuïtief aanvoelen wat het kind voelt

Blz. 307

fühlende Seele des Kindes und jede Turnübung so berechnen, daß sie das Gefühl der wachsenden Kraft erzeugt.
Einen großen Einfluß bis in unseren Ätherleib und Astralleib übt jedes künstlerische Gebilde aus. Daher muß echtes, wahres Künstlerisches den Ätherleib durchdringen. Gute Vokal- und Instrumentalmusik ist zum Beispiel von hoher Bedeu­tung, und das Kindesauge sollte viel Schönes um sich her erblicken.
Aber durch nichts ist der Religionsunterricht zu ersetzen. Die Bilder des Übersinnlichen prägen sich tief in den Ätherleib ein. Das Kind sollte nicht Kritik und Urteil über ein Glaubensbekenntnis lernen, sondern es muß Bilder von dem Unendlichen bekommen. Alle reli­giösen Vorstellungen müssen Bildervorstellungen werden; das Gleichnis wirkt kräftig ein auf den Ätherleib. Die größte Sorgfalt muß gelegt werden auf die Erziehung aus dem Lebendigen heraus.
Der kindliche Geist hat heutzutage zuviel mit dem Toten zu tun. Dem können im ersten Lebensjahrsiebent beispielsweise bewegliche Bilderbücher entgegenwirken. Alles sollte Handiung, Tat, Leben sein, das belebt den Geist und bewegt das Innere.

en elke gymnastiekoefening zo samenstellen dat het kind een gevoel van toenemende kracht ervaart.
[Gymnastiek]
Elke kunstzinnige creatie oefent een diepgaande invloed uit, die zelfs doordringt tot in ons etherische en astrale lichaam. Echte, authentieke kunstzinnigheid moet daarom het etherlijf doordringen. Goede vocale en instrumentale muziek is bijvoorbeeld van groot belang, en de ogen van een kind moeten omringd worden door veel schoonheid.
[Kunstzinnig onderwijs]  [inrichting klas]
Maar niets kan religieus onderwijs vervangen. Beelden van het bovenzintuiglijke worden diep in het etherlijf gegrift. Een kind moet niet leren een geloofsovertuiging te bekritiseren en te beoordelen, maar moet juist beelden van het oneindige krijgen. Alle religieuze concepten moeten visueel worden weergegeven; gelijkenissen hebben een krachtige werking op het etherlijf.
De grootste zorg moet bewerkstelligen dat het onderwijs geworteld is in het leven.
Zie Steiner over godsdienstonderwijs
De geest van het kind is tegenwoordig te veel bezig met de dood. Prentenboeken met beweeglijke platen kunnen dit bijvoorbeeld tegengaan gedurende de eerste zeven levensjaren. Alles moet te maken hebben met actie, daden en het leven zelf; dit verlevendigt de geest en beroert het innerlijke zelf.

Darum muß man das Kind nicht mit dem Baukasten bauen und mit fertigen Sachen spielen lassen, es muß lernen, das Lebendige aus dem Unlebendigen hervor­zubringen.
An dem sich entwickeinden Gehirn des Kindes erstirbt vieles, wenn es mit toten Verrichtungen wie Flechtarbeiten und dergleichen be­schäftigt wird. Ganze Anlagen bleiben dadurch unentwickelt. Das Spielzeug des Unlebendigen bildet auch nicht den Glauben an das Lebendige heran. Daher besteht ein tiefer Zusammerhäng zwischen der Kindererziehung und der Glaubenslosigkeit unseres Zeitalters.
Bei der Geschlechtsreife fallen die astralen Hüllen. Mit dem Gefühl für das andere Geschlecht tritt die persönliche Urteilskraft hervor. Von da an kann man an das Ja und Nein, an den kritischen Verstand appellieren. Erst vom zwölften Jahre an bildet sich die Urteilskraft heraus, doch bedarf dieser Prozeß geraumer Zeit. Kritiker von neun­zehn oder zwanzig Jahren können unmöglich ein wirklich zutreffendes Urteil haben. Äußerst wichtig ist es, wer dem jungen Menschen in diesem Lebensalter als Lehrer entgegentritt, um seine Lernbegierde und seinen Freiheitsdrang in die rechten Bahnen zu lenken.

Daarom moet je een kind niet laten bouwen met bouwsets en spelen met kant-en-klare dingen; het moet leren om leven te scheppen uit het levenloze.
Een groot deel van de zich ontwikkelende hersenen van een kind sterft af wanneer het bezig is met levenloze activiteiten zoals mandjesvlechten en dergelijke. Heel veel aanleg blijft daardoor onontwikkeld. Speelgoed dat levenloos is, kweekt ook geen geloof in het leven. Er is dus een diepgaand verband tussen opvoeding en het gebrek aan geloof in onze tijd.

Bij het begin van de seksuele rijpheid vallen de astrale omhulsels weg. Met de ontwikkeling van gevoelens voor het andere geslacht ontstaat een eigen oordeelsvermogen. Vanaf dat moment kan men een beroep doen op de begrippen ja en nee, op kritisch redeneren. Het oordeelsvermogen ontwikkelt zich pas volledig vanaf de leeftijd van twaalf jaar, maar dit proces neemt aanzienlijke tijd in beslag. Critici van negentien of twintig jaar kunnen onmogelijk een werkelijk accuraat oordeel vellen. Het is van groot belang wie de jongere is als leraar op deze leeftijd, om hun dorst naar kennis en hun verlangen naar vrijheid in de juiste richting te sturen.

Blz. 308

Diese Grundsätze ergeben sich aus der Geistesforschung und sind für die gesunde Weiterbildung des Menschengeschlechtes von größter Bedeutung. Die Theosophie kann durch dieselben in die wichtigsten Vorgänge des Menschenlebens praktisch eingreifen. So erfüllt diese geistige Weltanschauung den Erzieher mit einer Fülle von Einsichten, wie sie das Rätsel des heranwachsenden Menschen erfordert. Die Geisteswissenschaft soll nicht nur überzeugen, lehren, sie so]l tun, handeln, eingreifen ins praktische Leben. Sie soll sich bewähren, sie soll in alle Handgriffe einfließen und ein gesundes Leben in leiblicher und geistiger Beziehung bewirken. Theosophle ist nicht nur eine richtige, sondern auch eine gesunde Wahrheit. Am besten können wir der Menschheit dienen und ihr soziale und andere Kräfte zuführen, wenn wir dieselben herausholen aus dem werdenden Menschen. Der werdende Mensch, der sich entwickelnde Mensch ist eines der größten Rätsel des Lebens, und der rechte Erzieher muß ein Rätsellöser sein in der praktischen Heranbildung des werdenden Menschen.

Deze principes komen voort uit spiritueel onderzoek en zijn van het grootste belang voor de gezonde ontwikkeling van de mensheid. De theosofie kan via deze principes van praktisch invloed zijn in de belangrijkste processen van het menselijk leven. Zo vult deze spirituele wereldvisie de opvoeder met een schat aan inzichten, zoals vereist door het raadsel van de zich ontwikkelende mens. Spirituele wetenschap moet niet alleen overtuigen, onderwijzen en handelen, ingrijpen en het praktische leven beïnvloeden. Ze moet zichzelf bewijzen, alle handelingen doordringen en een gezond leven bewerkstelligen, zowel fysiek als spiritueel. De theosofie is niet alleen een juiste waarheid, maar ook een gezonde. We kunnen de mensheid het beste dienen en haar sociale en andere kracht geven wanneer we deze putten uit de zich ontwikkelende mens. De wordende mens, de zich ontwikkelende mens is een van de grootste mysteries van het leven, en de echte opvoeder moet de raadsels kunnen oplossen bij de praktische ontwikkeling van de zich ontwikkelende mens.
GA 97/300-308
Niet vertaald

.

Rudolf Steiner over pedagogiekalle artikelen op deze blog

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rekenraadsel

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

Neem 4 opeenvolgende getallen, zodanig dat als je ze optelt, het antwoord 66 is.

OPLOSSING:

Het kind zou moeten kunnen beredeneren dat de getallen kleiner zijn dan 20, immers 4x 20 is al 80.
En groter dan vanaf 10, want dan kom je slechts in de 40.
Dan maar proberen: 14, 15, 16, 17 = 62. 15, 16, 17, 18 = 66

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

.

.

.

VRIJESCHOOL – Breinbreker

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

HET TOVERWOORD

Op de muur in de klas van de tovenaarsleerlingen hing een groot bord met een heleboel letters. Op dat bord stond een toverwoord dat de leerlingen van buiten moesten leren. Maar niemand wist welk woord het was. Toch is het vrij eenvoudig te vinden.

Je moet op iedere regel zoveel letters wegstrepen als staat aangegeven. Dus op de eerste regel twee letters, op de tweede regel één letter, op de derde regel weer twee letters, enzovoort. Dit moetje ook doen met de regels die van boven naar beneden lopen. Je moet natuurlijk wel zorgen dat het precies klopt.

Als je de juiste letters hebt weggestreept, vormen de letters die overblijven het toverwoord.

Kun jij het vinden?

OPLOSSING:

ABRACADABRA

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

.

.

.