Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 302)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 302

Voordracht 2, Stuttgart 13 juni 1921

Blz. 36      vert. 35

Es ist wichtig, daß wir deshalb alle unsere temperamentvolle Grundlage zusammennehmen, um mit einem starken persönlichen Anteil den Kindern Geschichte beizubringen. Zur Objektivität hat das Kind noch Zeit genug im späteren Leben, die entwickelt sich schon im späteren Leben. Aber diese Objektivität schon in der Zeit anwenden, wo wir dem Kinde von Brutus und Cäsar zu sprechen haben, da objektiv sein wollen und nicht den Gegensatz, den Unterschied zwischen Brutus und Cäsar gefühlsmäßig gegenständlich machen, das ist ein schlechter Geschichtsunterricht. Man muß durchaus drinnenstehen, man muß nicht wild werden und toben, aber man muß einen leisen Anklang von Sympathie und Antipathie gegenüber dem Brutus und Cäsar offen darlegen, indem man die Sache darstellt. Und das Kind muß angeregt werden mitzufühlen, was man ihm selber vorführt. Man muß mit wirklicher Empfindung vor allen Dingen die Geschichte, Geographie, Geologie und so weiter vortragen. Das letztere ist insbesonders interessant, wenn man Geologie vorträgt und tiefstes Mitgefühl für das unter der Erde befindliche Gestein hat.

Daarom is het belangrijk dat we al het temperament dat we bezitten, verzamelen om de kinderen geschiedenisonderwijs te geven met een sterke persoonlijke betrokkenheid onzerzijds. Voor objectiviteit hebben de kinderen nog tijd genoeg in hun latere leven; die wordt in het latere leven heus wel ontwikkeld. Maar een dergelijke objectiviteit al aanleggen op het moment waarop we de kinderen over Brutus en Caesar vertellen, dan objectief willen zijn en niet de tegenstelling, het verschil tussen Brutus en Caesar voel­baar en tastbaar maken, dat is slecht geschiedenisonderwijs. Je moet er helemaal in staan; niet wild gaan doen en tekeer gaan, maar tijdens het vertellen van het verhaal een lichte sympathie en antipa­thie laten doorklinken ten aanzien van Brutus en Caesar. En de kinderen moeten gestimuleerd worden mee te voelen met wat we voor ze neer zetten. Echt met gevoel voor de dingen moet je vakken als geschiedenis, aardrijkskunde, geologie enzovoort, behandelen. Dat laatste is vooral interessant: als je geologie geeft en daarbij het diepste medegevoel hebt voor het gesteente onder het aardopper­vlak.
GA 302/36
Vertaald/35

Voordracht 3, Stuttgart 14 juni 1921

Blz. 48   vert. 48

Nehmen wir an, ich erteile Geschichtsunterricht. Wenn ich Geschichtsunterricht erteile, werde ich genötigt sein, ja nicht äußerlich dem Kinde die Tatsachen vorzuführen; das fällt alles gewissermaßen weg. Ich muß es künstlich so einrichten, daß die Anpassung wiederum nunmehr an die Lebensvorgänge geschieht. Das kann ich in der folgenden Weise erreichen: Ich erzähle zunächst heute den Kindern die bloßen Tatsachen, die Tatsachen, die sich äußerlich im Raum und in der Zeit abspielen. Das packt wiederum den ganzen Menschen, wie das Experiment den ganzen Menschen packt, weil der Mensch genötigt ist, räumlich vorzustellen. Man soll darauf sehen, daß er räumlich vorstellt, daß er gewissermaßen so etwas, was ich ihm erzähle, kontinuierlich im Geiste sieht; auch zeitlich soll er vorstellen. Wenn ich dies gemacht habe, dann versuche ich, daran zu knüpfen ein wenig etwas über die Personen, die vorgekommen sind, oder auch über die Ereignisse, die vorgekommen sind, aber nicht indem ich tatsächlich erzähle, sondern anfange zu charakterisieren; also indem ich die Aufmerksamkeit auf dasjenige hinlenke, was ich zuerst hingestellt habe, aber jetzt etwas charakterisiere. Nachdem ich diese zwei Etappen gemacht habe, habe ich zuerst den ganzen Menschen angestrengt, und indem ich charakterisiert habe, habe ich gerade den rhythmischen Menschen angestrengt. Jetzt entlasse ich das Kind. Morgen empfange ich es. Da bringt es mir wieder die geistigen Photographien des am vorigen Tage Mitgemachten im Kopfe. Ich komme ihm entgegen, wenn ich

Laten we aannemen dat ik geschiedenis geef. Dan zal ik genood­zaakt zijn de kinderen niet zomaar uiterlijk de feiten te vertellen; dat verdwijnt in zekere zin allemaal. Ik moet er kunstmatig zó’n vorm aan geven dat het weer bij de levensprocessen aansluit. Dat kan ik op de volgende manier bereiken: om te beginnen vertel ik de kinderen vandaag de pure feiten, de feiten zoals die zich uiterlijk in ruimte en tijd afspelen. Dat behelst weer de totale mens, net als het experiment de totale mens inneemt, omdat de mens genoodzaakt is zich ruimtelijke voorstellingen te maken. Je moet ervoor zorgen dat de kinderen zich ruimtelijke voorstellingen maken, dat ze als het ware wat ik ze vertel continu in de geest voor zich zien; ook in de tijd moeten ze zich de dingen voorstellen. Als ik dat gedaan heb, probeer ik aansluitend daaraan iets te vertellen over de personen die opgetreden zijn, of ook wel over de gebeurtenissen die plaats­gevonden hebben, echter niet zó dat ik de feiten vertel, maar dat ik begin ze te karakteriseren. Dus ik richt de aandacht op dat wat ik eerst voor ze neer heb gezet, maar nu karakteriseer ik enigszins. Na deze tweede etappe heb ik eerst de totale mens aangesproken en doordat ik gekarakteriseerd heb, heb ik de ritmische mens ingespannen. Nu laat ik de kinderen gaan; morgen krijg ik ze weer. Dan brengen ze in hun hoofd weer de geestelijke foto’s mee van wat ze de vorige dag hebben meegemaakt. Nu kom ik hen tegemoet als ik

Blz. 49  vert. 48

so anknüpfe, daß ich jetzt mehr Betrachtungen darüber anstelle, zum Beispiel darüber, ob Mithradates oder Alkibiades ein anständiger Mensch war oder nicht, also mehr Betrachtliches. Ich muß dabei an dem einen Tag das mehr objektive Charakterisierende, am anderen Tag das Urteilende, Betrachtende darstellen, dann wirke ich dahin, daß sich die drei Glieder des dreigliedrigen Menschen tatsächlich in der richtigen Weise ineinander einfügen.

daar zó bij aansluit dat ik beschouwingen houdt bijvoorbeeld over de vraag of Mithradates, of Alkibiades een fatsoenlijk mens was of niet; dus meer beschouwend van aard. De ene dag moet ik dus meer objectief-karakteriserend vertellen, de volgende dag oorde­lend-beschouwend. Dan werk ik er naar toe dat de drie leden van de drieledige mens zich werkelijk goed in elkaar voegen.
GA 302/48
Vertaald/48

Blz. 52/53    vert. 52

Eine ganz andere Wirkung → Geographie hat der Geschichtsunterricht, der auf das Zeitliche geht und den wir nur richtig betreiben, wenn wir das Zeitliche ordentlich berücksichtigen. Wenn wir eigentlich nur Bilder im Geschichtsunterricht geben, so berücksichtigen wir das Zeitliche zu wenig. Sehen Sie, wenn ich einem Kinde über Karl den Großen erzähle, so wie wenn das sein Oheim wäre, der jetzt noch lebt, so führe ich eigentlich das Kind irre. Ich muß stets, wenn ich über Karl den Großen erzähle, den zeitlichen Abstand gegenwärtig machen, ich muß das so machen, daß ich sage: Stelle dir vor, du bist jetzt ein kleiner Junge, du ergreifst die Hand deines Vaters. – Da kann er sich etwas vorstellen darunter. Jetzt mache ich ihm klar, wieviel älter der Vater ist – und nun: der Vater ergreift die Hand seines Vaters, der wieder die Hand seines Großvaters und so weiter. So habe ich ihn um 60 Jahre hinaufgeleitet. Vom Großvater geht man weiter; und jetzt sage ich ihm: Stelle dir 30 hintereinander vor. – Ich habe ihm eine Reihe vorgestellt und klargemacht: Der 30. kann Karl der Große sein. – Dadurch bekommt er ein zeitliches Distanzgefühl. Nicht isoliert die Dinge hinstellen, sondern dieses Distanzgefühl erfassen, das ist wichtig, wenn richtiger Geschichtsunterricht erteilt werden soll.

Een totaal andere werking [ → aardrijkskunde] heeft het geschiedenisonderwijs, dat zich bezighoudt met de verschijnselen in de tijd en dat we pas goed geven als we de tijd goed in aanmerking nemen. Als we in het geschiedenisonderwijs alleen maar beelden geven, dan nemen we het tijdsaspect te weinig in aanmerking. Kijk, als ik een kind over Karel de Grote vertel alsof die zijn oom was die nu nog leeft, dan misleid ik het in feite. Als ik het kind over Karel de Grote vertel moet ik hem steeds de tijdsafstand bewust maken. Ik moet dat zo doen dat ik zeg: stel je voor dat je nu een kleine jongen bent en je pakt de hand van je vader vast. – Daarbij kan hij zich iets voorstellen. Nu maak ik hem duidelijk hoeveel ouder zijn vader is – en nu pakt de vader de hand van zijn vader vast, die weer de hand van zijn vader, enzovoort. Zo heb ik hem al zestig jaar in de tijd teruggevoerd. Van grootvader ga ik verder en zeg: stel je dat 30 keer achter elkaar voor. – Ik heb hem een reeks voor ogen gesteld en laten zien: de 30e daarvan kan Karel de Grote zijn. – Daardoor krijgt hij een afstandsgevoel in de tijd. De dingen niet geïsoleerd beschrijven, maar dat gevoel voor afstand te pakken krijgen, dat is van belang als we goed geschiedenisonderwijs willen geven.

Es ist durchaus notwendig, daß man auf charakteristische Unterschiede hinweist, wenn man verschiedene Zeitepochen behandelt, damit die Kinder eine Vorstellung bekommen, wie sich die Zeitabschnitte voneinander unterscheiden. Es handelt sich darum, daß das Geschichtliche vorzugsweise in der Zeitvorstellung, in der Zeitanschauung lebt. Das aber wirkt stark auf das Innerliche im Menschen, regt die Innerlichkeit des Menschen an. Und wenn wir den Geschichtsunterricht so treiben, daß er nicht die richtige Stellung einnimmt, sondern daß er das Innerliche auch noch in einer zu stark interessierten Weise ergreift, indem man gerade die landeskundliche Geschichte immer wiederum und wiederum tradiert und die fernerliegenden Ereignisse weniger betrachtet, also wenn man dem Geschichtsunterricht eine falsche Stellung gibt, wenn man zu sehr auf gewisse Dinge, falschen Patriotismus und dergleichen den Geschichtsunterricht einrichtet – ich glaube, die Beispiele werden Ihnen nicht allzuferne liegen -, dann wirkt man insbesondere auf das Eigensinnigwerden des Inneren, auf das Launischwerden des Inneren. Das ist eine Nebenwirkung. Und vor allen Dingen macht man dadurch die Menschen abgeneigt, den Welterscheinungen gegenüber objektiv zu sein. Und das ist ja das große Übel in

Het is absoluut nodig dat je op karakteristieke verschillen wijst als je de diverse tijdsperioden behandelt; zo kunnen de kinderen er een voorstelling van krijgen hoe die perioden van elkaar verschillen. Het gaat erom dat het geschiedkundige zich bij voorkeur beweegt in de voorstelling van de tijd, in het waarnemen van de tijd. Dat werkt namelijk sterk op het innerlijk van de mens, het inspireert de innerlijkheid van de mens. We kunnen echter zó geschiedenis geven dat dit vak niet de juiste plaats inneemt, dat het innerlijk van de kinderen veel te veel betrokken raakt doordat je speciaal de vaderlandse geschiedenis uit en te na bespreekt en vertelt, ten koste van de verder weg liggende gebeurtenissen; als je het geschiedenisonderwijs dus een verkeerde plaats geeft, als je de nadruk legt op bepaalde dingen, misplaatste vaderlandsliefde en dergelijke – ik geloof dat u de voorbeelden niet ver hoeft te zoeken -, dan bewerk je dat ze innerlijk eigenzinnig worden, dat ze humeurig worden. Dat is een bijwerking daarvan. En vooral wek je daardoor bij mensen weerstand op om objectief tegenover de wereldverschijnselen te staan.

Blz. 54  vert.  54

unserer Zeit. Das nicht gehörige Treiben der Geographie und das Treiben eines falschen Geschichtsunterrichtes im Verlauf dieses Zeitalters hat viel von dem bewirkt, was die große Krankheit unseres Zeitalters ist. Und wahrscheinlich werden Sie selber zurückdenken können, was Ihnen in der Geschichte zugemutet worden ist, und Sie werden daraus ersehen, wie schwer es Ihnen wird, mancher Erscheinung gegenüber zurechtzukommen.

Dat is de grote kwaal van onze tijd. Een verkeerde manier van aardrijkskunde en geschiedenis geven, die in het verloop van onze tijd zijn ontstaan, heeft veel van de zieke toestanden van dit tijdperk veroorzaakt. Waarschijnlijk zult u zich kunnen herinneren wat er van u in de geschiedenisles gevergd is, en u zult daaraan kunnen ervaren hoe moeilijk het is tot tal van verschijnselen een goede verhouding te vinden.
GA 302/54
Vertaald/48

.
Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3401-3199

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Doorverwijzing: enthousiaste leerkrachten over een prachtig onderwijsconcept

.

Vrijeschoolonderwijs op de Waldorfschool ‘Een evenredige ontwikkeling van denken, voelen en willen’

5/2/2025
.

Algemene menskundealle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Mededeling – boek van Paul v. Meurs

.

Het nieuwe boek van Paul van Meurs is uit!

Tekenen met Stockmarblokjes

Deel 3 uit de serie: Kleur Vorm en Lijn

Dit inspirerende werkboek laat je de veelzijdigheid ontdekken van tekenen met Stockmarblokjes. Paul deelt zijn uitgebreide kennis en visie op dit unieke materiaal.
Wat maakt dit boek zo bijzonder?
  • 18 technieken voor tekenen met Stockmarblokjes, met heldere uitleg.
  • Stapsgewijze oefeningen om direct aan de slag te gaan.
  • YouTube-video’s via QR-codes om technieken te leren.
  • Inspiratie voor tekenen vanuit kleur én zwart-wit voorbeelden om details en vormen te benadrukken.
  • Inclusief twee Stockmarblokjes om meteen te starten!
Paul: “Deze blokjes zijn veel meer dan materiaal – ze brengen ideeën tot leven en maken tekenen een plezier!”
Het boek is te bestellen bij: gestes.kunst @gmail.com
Prijs: 19,95 (exclusief verzendkosten)
Schilderen: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: alle beelden
.
.
.
.

VRIJESCHOOL – Periodeonderwijs [3]

.

In 1960 bundelde de Zwitserse vrijeschoolleerkracht Willi Aeppli zijn ervaringen met de vrijeschoolpedagogie in het boek:

Aus der Unterrichtspraxis an einer Rudolf Steinerschule*

Op deze blog staan er een paar hoofdstukken uit:  schrijven en heemkunde.

Hij schrijft [1950] ook een kort artikel over het periodeonderwijs:

Op Rudolf Steinerscholen worden de belangrijkste lessen in perioden gegeven. Gedurende langere tijd (drie tot zeven weken) wordt hetzelfde onderwerp elke ochtend van 8.00 tot 10.00 uur onderwezen. (Het eerste half uur van elke schooldag is gewijd aan spraakonderwijs en voordracht). Deze volgorde gaat terug op een suggestie van Dr. Steiner en is in de praktijk uitgeprobeerd in alle Rudolf Steinerscholen sinds hun oprichting.

Ten eerste zijn de periodelessen een weldaad voor de leerkracht. Het geeft hem de mogelijkheid om zich gedurende een aantal weken op één hoofdonderwerp te concentreren en zich grondig met de stof vertrouwd te maken. Hij kan de leerstof dan ook levendiger en vrijer dan in andere gevallen aan het kind presenteren.

Vanuit het oogpunt van het kind zijn is het periodeonderwijs bijzonder belangrijk.
Net als de leerkracht, zij het vanuit een heel ander bewustzijn, kan het zich vertrouwd maken met de wereld van een heel specifiek vakgebied zonder elke les en elke dag door een ander hoofdvak uit deze wereld gerukt te worden.
In het geval van lessen die elk uur gegeven worden, doet elke volgende les het effect van de vorige, wat kras gezegd, teniet.

Maar heeft het onderwijzen per periode aan de andere kant geen nadelig effect ? Wanneer een periode af is, duurt het vrij lang voor die opnieuw aan de beurt komt om verder te gaan waar we gebleven waren. Zijn de kinderen in deze lange tussenperiode niet op het onderwerp ingeslapen en zijn ze niet veel vergeten van wat ze eerder hadden opgenomen?
Het antwoord op deze vraag kan gebaseerd zijn op mijn ervaring, zij het een korte, dat het een grote zegen is voor het kind om iets voor langere tijd te mogen “vergeten”. Een weldaad niet alleen in uiterlijke zin bedoeld, want (en Rudolf Steiner wees ons erop dat we op deze verbanden moeten letten), dat wat in de ziels-geestelijke krachten van het kind is ontwikkeld door de lessen die tijdens een periode zijn gegeven, in het kind doorwerkt zonder menselijke tussenkomst, onbewust voor het kind zelf, en nog niet merkbaar voor de leraar. Juist omdat een bepaald vakgebied een langere periode rust krijgt, kan datgene wat in het kind gestimuleerd is door één lesperiode rijpen, getransformeerd worden. Deze stille, onopgemerkte rijping tijdens de rustperiode kan dan naar voren komen als een verdiept begrip wanneer hetzelfde onderwerp in een bepaald ritme terugkeert.
Deze rustperiodes tijdens de lessen hebben dus een soortgelijke betekenis en effect op de lessen zelf als slaap heeft op het dagbewustzijn van een persoon. Het kind is als het ware dankbaar wanneer het niet voortdurend in spanning wordt gehouden door alle onderwerpen die worden onderwezen.
Periodelessen geven ze een reden om minder gespannen te raken.

.

Willi Aeppli ‘Aus der Unterrichtspraxis an einer Rudolf Steiner-Schule


Rudolf Steiner over periodeonderwijs

Periodeonderwijs [1]   [2]

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3394-3192

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar…..

.

Hoe WAAR is de wereld voor de opgroeiende mens vanaf 12 jaar?
Zie de inleidende gezichtspunten.

Waar kun je als leerkracht enthousiast over worden en als ideaal aan je leerlingen laten zien?

De serie ‘de wereld is waar…'[Algemene menskunde [9-5was tot nog toe vooral op de 7e, 8e klas gericht.

Maar wat kun je doen in bv. klas 11 of 12.

Ik ga even terug naar de jaren 1970 toen ik in Den Haag op de vrijeschool begon.
Het was toen de gewoonte dat er in de paasvakantie met de 12e klas een studiereis naar Stuttgart werd gemaakt. Ik werd een aantal keren meegevraagd.
In een kleine week maakten de leerlingen (en ik!) kennis met antroposofische werkgebieden: we brachten een bezoek aan de Weleda- en Walafabrieken; bezochten een biologisch-dynamische boerderij; een heilpedagogisch instituut en er kwamen mensen over hun werk vertellen, waaronder, herinner ik me de artsen Walther Bühler en Leen Mees.

De achterliggende gedachte was te laten zien dat er mooi werk was te doen in het zgn. ‘alternatieve circuit’, zoals dat toen nog heette.

Door hoe de wereld nu is, komen we er steeds meer achter dat het alternatieve van toen, eigenlijk de normale norm zou moeten zijn. Dat zou op het gebied van de landbouw m.n. Nederland een totaal ander aanzien hebben gegeven: geen stikstofcrisis, niet het verdwijnen van biodiversiteit, achteruitgang van waterkwaliteit enz.

Het zal nog wel even duren – de meeste mensen volharden liever in het oude dan radicaal, nu de nood aan de mens is, anders te gaan denken – voordat de gangbare methodes als een slecht alternatief worden beschouwd.

Je hoeft nu met een 11e, 12e klas niet meer naar Duitsland. Nederland heeft prachtige voorbeelden van wat als gevolg van anders-denken is ontstaan: de landbouwschool Warmonderhof, de Weledafabriek in Zoetermeer, diverse zorgboerderijen, akkerbouwbedrijven enz.

Ik weet niet hoe de praktijk op de bovenbouwen is. Bezoeken de leerlingen deze initiatieven, horen zij over de idealen die de wereld ‘meer waar maken’.
Zijn er leraren die deze idealen in het hart dragen en ze vandaar uitstralen naar de bijna volwassen mens?
Verlaat deze de school met ook andere inzichten?….

Hoe kom je aan die idealen als je ‘via, via’ eens op de vrijeschool aan het werk bent gegaan en ook in die hogere klassen les moet geven (onder examendruk?)

In de reeks ‘De wereld is waar…’ vind je al veel waar je enthousiast over kan worden.

In dit (studie)artikel vind je voor de landbouw ideeën uitgewerkt waarvan we nu – tegen de achtergrond van de huidige crisis – kunnen zeggen dat ‘de waarheid’ wel dichterbij is gekomen. 

Ik beschik helaas over te weinig in formatie om voorbeelden te kunnen geven van hoe bovenbouwleraren, bv. zij die economie of maatschappijleer geven, hun idealen behorend bij ‘de wereld is waar..’ in de lessen en gesprekken met de leerlingen kunnen verwoorden. 

.

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3388-3186

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

In haar ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen‘ besteedt Mellie Uyldert ook aandacht aan ‘dansen’.
In de inleiding tot ‘de dans’ vind je haar gezichtspunten.

Ze behandelt een aantal kringspelen, deze bv. rangschikt ze onder ‘Spelen van dood en de andere wereld’
w.o.:

HIER IS ’T GROEN

De kinderen staan in een kring. Een of twee kinderen lopen binnen in de kring zoekend langs de anderen. Daarbij maken ze de gebaren die in de tekst van het liedje voorkomen.

Bij: Draai je eens om! blijven de twee staan voor het kind waar ze juist aan toe gekomen zijn, maken een gebaar van draaien met de hand, terwijl het stilstaande kind zich omdraait, en kijken geïnteresseerd of zij het is.

Bij: Nee, nee! maken ze een afwijzend gebaar en gaan verder.
Het volgende kind dat zich omdraait, blijkt het wél te zijn, en bij de regel: En boven op de bergen’ pakken zij elkaar kruiselings bij de handen en dansen samen rechtsom, terwijl de kinderen van de kring op de maat in de handen klappen.

Variatie: de paren gaan binnen in de kring dansen en de kringkinderen huppelen achter elkaar aan met handen klappen. Bij de herhaling dansen en huppelen de kinderen naar de andere kant, dus links om.

Hier is ’t groen, daar is ’t groen, onder mijne voeten,
’k heb verloren m’n beste vriend,
’k zal hem zoeken moeten!
Zoek ik hier, zoek ik daar,
onder jullie allen
is er zeker toch wel een,
die mij zal bevallen!
Draai je ’s om, want ik ken je niet,
ben je het wel of ben je ’t niet?
Nee, nee, je bent het niet!
Keer je maar om, want ik ken je niet!
Draai je eens om, want ik ken je niet,
ben je ’t wel, of ben je ’t niet?
Ja, ja! Ik zie het goed,
dat jij met me dansen moet!

Dit 2x:

En – boven op de bergen,
simperdesim sim sim,
dansen alle dwergen,
simperdesim sim sim! 

De muziek

Dit spelletje is ook, als Twentse boerendans, bekend met een andere tekst:

Wat is ’t nat! Wat is ’t nat! onder mijne voeten,
uitverkoren, uitverkoren, waar zal ik je zoeken?
Een van deze meisjes dan,
die ik ’t eerste kiezen zal.
Nee, nee, je bent het niet,
draai je maar om, want ik ken je niet!
Een van deze meisjes dan,
die ik ’t eerste kiezen zal!
draai je maar om, wan ik ken je wel!
draai je om, ik ken je wel!
Hier m’n lieve vrouwtje, ik geef de hand aan jou!
Je zal me niet verlaten, en daarom kies ik jou!

De eerste tekst, waaraan wij persoonlijk de voorkeur geven, lijkt meer op de overeenkomstige Duitse. (Hier ist grün!)

Verklaring

Voor Uyldert is degene die binnen de kring loopt een levende ziel die in het dodenrijk afdaalt om er de geliefde te zoeken die door de dood verloren is gegaan. Hij gaat over het groen der graver en hij waadt – wat is ’t nat! – door de rivier der vergetelheid, of hij steekt die over, gebruik makend van de haardunne brug Bifrost – waarbij hij zelf zijn doel bijna vergeet. Maar zijn verlangen drijft hem voort.
Hier citeert ze: 

Aegidius, waar bestu bleven?
Mi langt naar di, geselle mijn!

En ze noemt Orpheus die Euridyce zoekt onder de schimmen. Is zij al een schim of is zij in Vrouw Holle’s rijk slechts verdwaald? Schimmen zijn van achteren hol, en hij laat elk meisje zich omdraaien, om te zien of zij de echte is!

Of is de geliefde enkel onder de dwergen terecht gekomen? Dan bevindt zij zich in het etherische rijk; daar wordt de mensenwereld vergeten. Is hij haar daar gaan verlossen – waarop de dwergen vrolijk in de maneschijn meedansen?

In het tweede versje danst het paar in de groene wei van Vrouw Holle. Is het de gestalte van de verloren geliefde, waar men mee danst – of is het de gedaante van de eigen ziel, die in de droomtoestand van het bewustzijn na de dood wordt ontmoet?

Zie hier

En hier voor een andere uitleg.
.

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3382-3180

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Oudjaar – oliebollen

.
Martine Kamsma NRC 30-12-2023

.

oliebollen
.

De oliebol hoort in Nederland bij Oud en Nieuw zoals pepernoten bij Sinterklaas horen. Maar waarom? En is dat altijd zo geweest?

Eerst de afbakening van wat een oliebol of oliekoek nu eigenlijk is.
Karel Knip schreef in NRC al eens dat de oliekoek definitief een oliebol ging heten toen de frituurpan het eind negentiende eeuw overnam van de koekenpan. Culinair historicus Lizet Kruyff begint bij de oliekoek en spreekt van in olie of smout (reuzel of raapzaadolie) gebakken koeken, met een verspreidingsgebied van pakweg Texel tot aan de Marne in Frankrijk. Daar waar grofweg de Lage Landen ophielden, ligt ook de oliebollengrens, of smoutebol, zoals-ie in het Vlaams heet. „Dat zie je nog steeds, tot in Reims staan er oliebollenkramen op straat, daarna houdt het op”, weet Kruyff, die een huis aan de Marne heeft en daar een deel van het jaar woont.

De eerste Nederlandse benamingen voor oliekoek, komen uit de zestiende eeuw, valt op Wikipedia te lezen. De oliekoek uit de Vorstermanbijbel (1528) zou een vertaling zijn uit het Sefardisch, voor een gefrituurde krentenbol die volgens Wiki „een rituele functie” had. De Sefardische joden hadden die oliekoek met krenten tijdens de inquisitie meegenomen van het Iberisch schiereiland.

Dat betekent niet dat hier eerder geen oliekoeken werden gebakken. Waarschijnlijk waren het de Romeinen, zegt Kruyff, die een baksel meenamen naar de Lage Landen dat je als de moeder aller oliebollen kunt zien: de globi. Cato de Oude schreef in de tweede eeuw voor Christus over de deegbolletjes die als streetfood in kramen werden gefrituurd. Kruyff: „Als je in een stad als Rome woonde, kon je niet zomaar een vuurtje stoken, daarom kwamen er straatkraampjes.”
Beignets, churros, donuts en oliebollen zijn allemaal afstammelingen van die Romeinse globi.

In het Dordrechts Museum hangt een schilderij van Albert Cuyp uit 1652 van een vrouw met een aardewerken pot vol oliebollen. Dat straalt iets heel alledaags uit. In die tijd gingen er nog lekker veel specerijen in: kaneel, gember en ‘weynigh nagelen’, volgens het kookboek ‘De verstandige kock of sorghvuldige huyshoudster’. Maar ook dat was niks elitairs. Alle gerechten waren toen veel kruidiger.

Oliebollen waren al kermis-eten, als oud-en-nieuwsnack zijn ze een recenter fenomeen. Kruyff: „Halverwege de negentiende eeuw werd Kerstmis in Duitsland naast een kerkelijk ook een huiselijk feest. Trendsetters waren koningin Victoria en haar Duitse gemaal Albert.”
Nederlanders namen dat over, met alle zoetwaren van dien. „En zoals dat gaat, dan plak je Oud en Nieuw daaraan vast.

Als je om twaalf uur de straat op ging om nieuwjaarswensen uit te wisselen, vroeg je de buren binnen voor een oliebol.
Een ritueel om een voorspoedig nieuwjaar af te dwingen?
Zoals de Sefardische oliebol mogelijk ook een rituele functie had?

Zo ziet Kruyff het toch niet. „Als we iets niet begrijpen, noemen we het al snel een ritueel. Gezellige burgertruttigheid, daar hoort het bij. En zo’n vette hap dempt de alcohol meer dan fantastisch.”

.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

3370-3169

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (29-2)

.
Lucas Ellerbroek, National Geographic 01-2020
.

Wat was de Kerstster?
.

Van de meeste kerstsymbolen is de oorsprong duidelijk.
De dennenboom en de sneeuw horen bij het seizoen, de Kerstman is de Amerikaanse versie van Sint-Nicolaas. De ster was de ster van Bethlehem, die de geboorte van Jezus aankondigde.

Die ster was opgemerkt door de Wijzen uit het Oosten. Volgens het evangelie van Mattheus herkenden zij het verschijnsel als een aankondiging van de geboorte van de nieuwe Koning der Joden. Ze volgden de ster om hem eer te bewijzen: ‘En zie, de ster, die zij in het Oosten hadden gezien, ging voor hen uit, totdat zij boven de plaats waar het Kind zich bevond, stil bleef staan.’

De ‘drie Wijzen’, Balthasar, Caspar en Melchior, waren waarschijnlijk sterrenkundigen. Of tenminste, wat er in die tijd voor doorging: astrologen. Het bepalen van de positie van lichtbronnen aan het firmament (astronomie) en deze uitleggen als oorzaak van aardse zaken (astrologie) was destijds al een populaire bezigheid. Nu sta ik op zijn zachtst gezegd sceptisch tegenover astrologie, maar ik ben wel benieuwd. Was de Kerstster een gebeurtenis in het heelal waarvan de oorsprong te herleiden valt? Er bestaan verschillende mogelijkheden. Eén ding lijkt wel zeker: de ster van Bethlehem was geen ster.

Eén optie is dat de ‘ster’ een komeet was: een bevroren modderbal uit de begintijd van het zonnestelsel. Als kometen dichter bij de zon komen, verdampt het ijs uit het binnenste en licht het stof op dat verdampt van het oppervlak. Ze zijn dan soms een tijdje helder zichtbaar, in het fraaiste geval vergezeld van een lichtende staart. Dat de Kerstster een komeet was, is onwaarschijnlijk. Bekende kometen als Halley waren rond het jaar nul niet zichtbaar, weten we nu. Bovendien werden kometen alom gezien als een teken van onheil, niet als een heuglijke aanleiding voor een kraambezoek.

Een alternatieve uitleg is dat de ‘nieuwe ster’ een supernova was: een zware ster die aan het eind van haar leven implodeert tot een ultracompacte neutronenster of een allesopslokkend zwart gat. De buitenste schillen van de ster worden tijdens een supernova door de vrijkomende energie weggeblazen. Als zo’n geweldige explosie binnen onze Melkweg plaatsvindt, is deze wekenlang aan de hemel zichtbaar als een helder lichtpunt. De uitgebrande supernovaresten zijn nog duizenden jaren erna waar te nemen met een röntgentelescoop. Het is wel een ongezellig idee als de Kerstster eigenlijk een zwart gat is. Voor fans van de kerstgedachte heb ik een geruststellende mededeling: wij kennen weliswaar één supernovarest afkomstig van het begin van onze jaartelling, maar deze staat aan de zuidelijke sterrenhemel. Deze explosie kan door de magiërs daarom nooit zijn opgemerkt.

Er is nog een derde mogelijkheid, volgens veel sterrenkundigen de waarschijnlijkste. In het jaar 6 v.Chr. was er een bijzondere ‘samenstand’ van Jupiter en Saturnus. De planeten, zichtbaar als heldere lichtpunten, kwamen vlak voor zonsopgang vlak na elkaar op boven de oostelijke horizon. Dit gebeurde elke ochtend, een paar weken lang. Zo’n samenstand was in de astrologie een omen van belangrijk nieuws. Zelfs het dubieus klinkende verslag dat de Kerstster – het koppel planeten, dus – de Wijzen ‘voorging en bleef stilstaan’ wordt nu aannemelijk. De aarde beweegt namelijk sneller dan Jupiter en Saturnus rond de zon en haalde de planeten als het ware in de binnenbocht in. Ten opzichte van de sterren leken de planeten daardoor van dag tot dag langzamer te bewegen, om uiteindelijk stil te staan en de andere kant op te gaan.

De ster van Bethlehem was dus waarschijnlijk een planeet – sterker nog, twee planeten. Best toepasselijk dus, die ballen in de kerstboom. 

.

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

3366-3165

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Uit LEO KLEINs aantekeningen

.

Hier van Leo een aantal speelse rijmen

.

3363-3162

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

In haarVerborgen wijsheid van oude rijmen‘ besteedt Mellie Uyldert ook aandacht aan ‘dansen’.
In de inleiding tot ‘de dans’ vind je haar gezichtspunten.

Ze behandelt een aantal kringspelen, w.o.:

‘T SCHIP GAAT ZEILEN
.

Ik ken het liedje al sinds mijn jeugd als ’t schip moet zeilen’.
Zo staat het bv. ook bij ‘Vrijeschoolliederen’.
Een kleine afwijking, evenals ‘we dansen maar’ t.o. ‘we dansen ja’.

De spelwijze is op ‘Vrijeschoolliederen’ veel eenvoudiger weer gegeven dan Uyldert doet.
Ook bij haar staan er twee rijen kinderen tegenover elkaar. Maar wel zo dat er tegenover een jongen, een meisje staat. In de rij staat er daardoor ook afwisselend een jongen naast een meisje.
(Wat er binnen de ‘inclusiviteit’ ook allemaal moet kunnen, laat ik achterwege, bovendien is dat ook de zorg van de kinderen meestal niet)

De 1e twee paren vormen met z’n vieren een molen.
De kinderen die naast elkaar staan geven elkaar de linker of de rechterhand.
(In andere speelwijzen hebben zij de handen in de zij).

Dan wordt het liedje gezongen.

Bij de eerste regel lopen de rijen naar elkaar toe: ‘het schip vaart immers uit’ en weer terug, dat wordt herhaald.

Bij de derde regel zou er een molen gevormd moeten worden van vier kinderen, de twee paren tegenover elkaar, die elkaar met de rechter duim en vinger bij de pols vasthouden terwijl ze naar rechts draaien.
Bij de 4e regel moet de molen weer links, wat betekent dat ook de armen moeten wisselen, dus de linker houdt nu vast.
Bij ‘alle scheepjes’ staan de kinderen weer tegenover elkaar en die tegenover elkaar staande haken hun arm in en maken een rondedans op de plaats. 
Op ‘een, twee, drie’ wordt geklapt. Op het eind doet ieder een stap naar links, zodat er nieuwe paren ontstaan. 
Je kan het tempo opvoeren.

Uyldert ziet in dit dansje een beeld voor de golfslag (het heen en terug) en de werveling, bij de molen.
Twee natuurritmen die ook in ons plaatsvinden: in het lichaam en in de ziel.
Ze vraagt zich af of we hier met een oud ritueel hebben te maken. (Om de wind op te wekken?)

.
Het wordt op nog andere manieren gedaan.

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3351-3152

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kunstzinnige inrichting v/h lokaal – alle artikelen

.
[1-1] Rudolf Steiner over de kunstzinnige inrichting van een klas 
Uit GA 266 waarom er in de basisschoolklassen de prachtigste kunstwerken zouden moeten hangen; uit GA 192 waarom een kunstzinnige omgeving zo belangrijk is.

[1-2] Rudolf Steiner over de kunstzinnige inrichting van een klas
In de vergadering van 22 november 1920 spreekt Steiner voor het eerst wat uitvoeriger over de muurdecoratie; hij stelt wat voorwaarden aan de kwaliteit.

[1-3] Rudolf Steiner over de kunstzinnige inrichting van een klas
Kort uit de vergadering van 15 oktober 1920; veel uitgebreider uit de vergadering van 23 januari 1923, met concrete aanwijzingen voor alle klassen, gemeenschappelijke ruimten; een opmerking over de schilderijlijst; aanvulling in vergadering van 31 januari 1923.

[2-1] De kunstzinnige inrichting van een klas 
Ernst Weissert over: de aanwijzingen van Steiner uit [1-3] nader uitgewerkt.
Door mij gecombineerd met de opvattingen van Clausen/Riedel voor de klassen 1 t/m 6; veel voorbeelden gezocht van de schilders en hun werk die hier worden genoemd.

[2-2] De kunstzinnige inrichting van een klas
Ernst Weissert
over: de aanwijzingen van Steiner uit [1-3] nader uitgewerkt.
Door mij gecombineerd met de opvattingen van Clausen/Riedel voor de klassen 7 t/m 12, euritmielokaal, gymzaal, lerarenkamer; veel voorbeelden gezocht van de schilders en hun werk die hier worden genoemd.

[3] Over kleuren en wandversiering in vrijescholen
Oene Schreuder over: kunst en een kunstzinnige omgeving; de aanwijzingen van Steiner [1-3] doorgenomen en van gezichtspunten voorzien.

.

Organische architectuur

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

,

3348-3149

,

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

In haarVerborgen wijsheid van oude rijmen‘ besteedt Mellie Uyldert ook aandacht aan ‘dansen’.
In de inleiding tot ‘de dans’ vind je haar gezichtspunten.

Ze behandelt een aantal kringspelen, w.o.:

TWEE EMMERTJES WATER HALEN

.
Bij dit spel staan de kinderen in twee lange rijen tegenover elkaar. De tussenruimte is ongeveer een meter.

Het lied:

Twee emmertjes water halen,
twee emmertjes pompen,
meisje op je klompen,
meisje op je houten been,
rij maar door het poortje heen!

Van je ras, ras, ras,
rij de koning door de plas!
Van je voort, voort, voort, rij de koning door de poort!
Van je sterk, sterk, sterk, rij de koning door de kerk!
Van je één, twee, drie!
Muziek

De kinderen die tegenover elkaar staan hadden elkaars handen vast, dus met gestrekte armen, maar kruiselings en met wat ‘ruimte over’, zodat er door wat naar zich toe te trekken en terug, een pompbeweging ontstaat.
Dan los en een stap achteruit. Belangrijk: het eerste paar blijft staan en houdt de handen nog vast. Zij huppelen nu door ‘de poort’ van de twee rijen naar de andere kant. En weer terug en weer terug: dat moet a.h.w. ‘getimed’ worden om precies aan de andere kant te eindigen. Daar laten ze de handen los en staan ook ‘als poort’.
Tijdens het huppelen klappen de andere kinderen de maat en zingen het lied. 

Dan het volgende paar, enz.

De rij verplaatst zich dus in een bepaalde richting en als leerkracht moet je dus rekening houden met de ruimte, en dat de kinderen ‘in een bocht’ toch nog ruimte houden om te pompen.

Verklaring

Uyldert denkt bij deze dans aan een regenbezwering, zoals men die zoveel tegenkomt in streken, die periodiek van te grote droogte te lijden hebben.

Toen ik het als kind nog speelde in de kleuterklas en in de 1e klas van mijn basisschool, bestond de ene rij uit jongens, de andere uit meisjes. Uyldert heeft dit waarschijnlijk ook voor ogen als ze zegt dat van het door het straatje rijdende paar het meisje waarschijnlijk een waternimf is.

Een houten been, ofwel één been, zou wijzen op een natuurwezen of engel; de jongen verbeeldt de koning.
Dat kon in oudere tijden ook de priester zijn, of de ‘priester-koning’, de levensgeest vertegenwoordigend.
Wordt hier de levensgeest uitgenodigd om zich met het water te verbinden?

Misschien heeft men in vroeger tijden wel de vorst of de priester met een priesteres van het water of van de maan tezamen naar een heilige plaats gereden, door water, door een poort en het heiligdom zelf (kerk) binnen, voor een heilig h u w e l ij k.

Uyldert zegt nog van het spel: Wijs en ritme van het liedje werken opwindend, elektriserend, mede door de beweging. De kinderen worden er uitgelaten van en men kan er zich werkelijk mee in trance dansen!

Wat me opvalt is, dat ik altijd heb gezongen ‘rijDT de koning door de plas’ – dat zie je in de meeste teksten – maar dat hierboven (en bv. hier) een gebiedende wijs staat: ‘rij de koning’. De ‘DT’ als spelling kan vanuit de D-klank van De geleid hebben tot ‘rijd’ en dan – de 3e persoon – tot rijdt. 
De veronderstelling dat de koning gereden werd, zou ‘rij’ verklaren. 

Meer
Meer

.

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3344-3146

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen – dans

.

In haar ‘Verborgen wijsheid van oude rijmenbesteedt Mellie Uyldert ook aandacht aan ‘dansen’.
In het hoofdstukje “In den hemel is enen dans’ – de titel van een nog bestaand liedbesteedt ze aandacht aan het fenomeen ‘dans’.
Nu zijn er talloze studies gewijd aande geschiedenis van de dans‘, maar haar opmerkingen komen ons – wanneer we naar (pedagogische) aanwijzingen van Steiner kijken, wel bekend voor.
Zo zegt ze dat wanneer je naar de hemel kijkt, je in de loop van de sterren ‘een reidans kan ontwaren’, ‘ze trekken lijnen’.
Maar er is meer: de hemel oefent een invloed uit op aarde. Dat is duidelijk aan de invloed van zon en maan.
Steiner beschrijft heel duidelijk vanuit allerlei gezichtshoeken dat alle planeten invloed uitoefenen.
Uyldert noemt het ‘krachtstromen die op aarde doortrillen in de natuur en in de mensenzaken. Een krachtenspel dat invloed heeft op ‘werken, lijden en genieten’.

Dansen zou dus ook zijn: de behoefte ‘de kosmische ritmen die hij voelt, na te bootsen in spel en dans.

Ze verbindt de balspelen aan heilige handelingen bij de oude Grieken (sphaeristeria): ‘het opwerken van gouden ballen zoals ze die aan de hemel zagen op- en ondergaan, zich in kringen en lussen bewegend’.
Zo zouden dus ritmische spelen en dansen zijn ontstaan, ‘een meedansen in die grote dans’.

De grafische voorstellingen van de gang van planeten heeft zeker iets weg van een choreografie:

Epicykel - WikipediaPTOLEMÆUS

Mercurius retrograde 2024 | Retrograde betekenis | Retrograde beweging |  Wat is retrograde | Retrograde planeten | Star Walk
De retrogade van Mercurius 2024

Nieuwe ontdekking steunt theorie over onbekende planeet in zonnestelsel |  wibnet.nl
Niet zo lang geleden ontdekte exoplaneet HD 106906 b 
Bron

Beweging in het spelletje ‘Laat ons nu de kluw opwinden

Bron: Het grote spelenboek, blz. 85

En er zijn meer bewegingen in kringspelen die vergelijkbare bewegingen hebben:

In die bewegingen aan de hemel ziet zij eenmeescheppen, een meeverlossen, een toereiken en loslaten, in kruisende banen, in wijken en naderen, in innige samendans of met uitdagende afstand, inhalend, aanrakend, voorbijstrevend.’

Ze haalt een Mexicaanse uitspraak aan: ‘Dansen is werken’ en verbindt dit aan het feit dat wanneer wij dansen, wij meewerken in het grote kosmische leven, dat we ingeschakeld zijn in de grote rondedans en het alles omvattende ritme.’

Niet alleen in de kinderdansen vinden we dit soort bewegingen, ook nog bij de volwassen folklore- volksdansen.
Maar we kunnen wel constateren dat deze gaandeweg overal verdwijnen of verdwenen zijn als spontane dansen bij bepaalde gelegenheden. 
In het begin van de jaren 1970 zag ik nog dat spontane dansen op straat in o.a. Griekenland, het toenmalige Joegoslavië, in het Baskenland.

Het is interessant oorzaken proberen te vinden waarom dit onder de autochtone bevolking van Nederland vrijwel is verdwenen, terwijl een bepaald soort bewegen onder de jeugd op bepaalde vormen van muziek erg populair is geworden.
Zonder directe oorzaken te kunnen aanwijzen, kan ik wel waarnemen dat de muziek zeer mechanisch is geworden – als je het geluid van verre afstand hoort, weet je niet of het ook een machine kan zijn die aanstaat; de bewegingen doen vaak automatisch-mechanisch aan.

De basisschoolleerlingen van nu zullen ongetwijfeld – het zijn kinderen van deze tijd – in aanraking komen met het muzikale geweld van disco en festival en de vorm van bewegen die weinig meer heeft van waarover het in dit artikel gaat.

Misschien is het goed dat in de jaren waarin het nog kan, onze kinderen bewegen met de kringspelen. Of  in de euritmie waarin ook vele ‘kosmische’ vormen een rol spelen.

Uyldert voegt aan haar inleiding deze kringspellen toe:

De boom die wordt hoe langer hoe dikker

‘k Zou zo graag een ketting breien

Rondinella

De zevensprong

Twee emmertjes water halen

’t Schip gaat zeilen

.

Spel: alle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3338-3140

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Opvoedkunst – voordracht 2 – alle artikelen

.

opvoedkunst – GA 294

Vertaling 2020

Voordracht 2

[2-1] Blz. 24-27  vert. 34/35
Sympathie en antipathie in het spreken; daarover opmerkingen uit GA 81; het gebeurt in het midden van de mens; spreken en adem; voelen: ritmische afwisseling van sympathie en antipathie: spreken ook; 

[2-2] Blz. 25  vert. 36
Over de vocalen A, E, I , O, U (als oe); aangevuld met opmerkingen uit GA 218; GA 300C; GA 305; GA 306; GA 307; GA 308; GA 309; GA 310;  GA 311>
Wat betekent dit voor de beelden om het schrijven en lezen aan te leren.

[2-3] Blz. 27  vert. 37
Over de medeklinkers; uit GA 81; kern: nabootsing van de buitenwereld; sympathie in de klinker, antipathie in de medeklinker; iets over ‘plastisch’- ‘muzikaal’ in verband hiermee.

.

Schrijven en lezenalle artikelen 

Algemene menskundealle artikelen 

Menskunde en pedagogie: alle artikelen 

Vrijeschool in beeld1e klas letterbeelden

.

3337-3139

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Opvoedkunst – Alle artikelen

.

opvoedkunst

De Duitse uitgaven heeft als ondertitel : methodisch-didaktisches
het methodisch-didactische
De vertaling heeft als ondertitel: het hart van de vrijeschool

GA 294      vertaling

Inhoudsopgave uit de vertaling van 2020.
De link gaat naar de inhoudsopgave van de door mij besproken voordrachten. Die inhoudsopgave is uitgebreider.

Deze pagina is voor het grootste deel nog in opbouw.

TWEEDE VOORDRACHT 22 augustus 1919
Het samenspel van sympathie en antipathie in de mens.
Oorsprong van de taal in het gevoelsleven.
Klinkers als uitingen van zielenroerselen.
O, oe, a, e, i; de bijzondere klank a-o-oe.
Medeklinkers als nabootsing van dingen in de buitenwereld.

Voorbeelden van woordvormingen in verschillende talen.
De getalsmatige ordening van aardse en kosmische processen: het getal 25920. Gevoel voor levensgeheimen noodzakelijk voor de leraar.
Opvoeding van het verstand en van de wil.
De rol van sympathie en antipathie in de opvoeding.

.

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3336-3139

.

.

.