Tagarchief: kleutereuritmie

VRIJESCHOOL – Euritmie in de 1e zevenjaarsfase (‘Kind danst’ 9)

.

Nora von Baditz

.

euritmie voor kleine kinderen

.

Euritmie met de kleine kinderen onder de zeven begon met de woorden van Dr. Steiner: “Als je euritmie doet met kleine kinderen onder de 7 jaar, dan krijg je een Ik-kracht die noch school noch karma kunnen doen ontstaan.”

De dag nadat deze opmerking was gemaakt, begon ik met een aantal jonge kinderen te werken. De enige richtlijn voor het vormgeven van een les voor deze leeftijdsgroep was dat men zich moest bezighouden met “eenvoudige euritmie”.

Dr. Steiner deed ooit een algemene uitspraak over euritmie: dat zij een mens verbindt met de krachten die werkzaam zijn in een kind tot de leeftijd van drie jaar.
Voor iedereen die heeft nagedacht over deze eerste drie levensjaren – en die bijvoorbeeld het boek GA 15, de blz. 15-23 *De geestelijke leiding van de mens en de mensheid* heeft bestudeerd – komen deze twee ideeën samen. Ze tonen aan hoe enorm waardevol het is om een ​​kind zo vroeg mogelijk met euritmie in contact te brengen.

Men begint rond de leeftijd van drie jaar – of zelfs iets eerder, als het kind uit eigen beweging wil meedoen – met het introduceren van de eerste ritmische elementen in een vorm die past bij deze leeftijd: beelden die voortkomen uit vreugde en liefde. Kleine elfjes* fladderen lichtvoetig voorbij – de kinderen zetten kleine, snelle pasjes op hun tenen, begeleid door verfijnde, heldere muziek, terwijl hun handen korte, ritmische gebaren maken. Daarna lopen ze, voorovergebogen als dwergen*, stampend voort en hameren ze met gebalde vuisten op zilver en goud; de muziek wordt krachtiger.

Als leerkracht ontdekt men al snel dat kinderen in hun snelle bewegingen een bijna hemelse, stralende lichtheid kunnen bezitten – en dat men als volwassene moet binnentreden in deze zorgeloze, zonovergoten wereld van beweging. Hoewel dr. Steiner benadrukte dat leerkrachten alle persoonlijke zorgen en beslommeringen achter zich moeten laten voordat ze aan een les beginnen, is dit voor juist deze uren van essentieel belang. Men dient een gevoel van opgewektheid uit te stralen – een creatieve vreugde die geworteld is in een vitaal, bijna sanguine vermogen tot innerlijke transformatie – zonder daarbij ooit specifieke prestaties van de kleintjes te verlangen of – wat al helemaal uitgesloten is – hen te willen corrigeren. Het is simpelweg de bedoeling dat zij vreugdevol kunnen leven binnen de wereld van de euritmie.

De term “eenvoudig” — zoals in “eenvoudige euritmie” — herinnert ons eraan hoe eenvoudig alles zou moeten zijn. Het was een uitdagend proces om te ontdekken wat dit precies inhield, maar de kleintjes lieten zelf zien wat bij hen paste; men leert door het leven te observeren. Alles wat een grotere mentale inspanning vereiste — zoals tellen of complexe cognitieve taken — werd afgewezen; met andere woorden: ze konden het simpelweg nog niet. Ik leerde deze les toen ik probeerde een reeks van “kort, kort, lang” te introduceren: sommige kinderen voerden vier korte bewegingen uit, terwijl anderen drie korte bewegingen deden, gevolgd door twee lange. Ik besefte toen dat men dergelijke dingen niet van hen kan vragen; in plaats daarvan moet men bij de basiselementen blijven — strikt vasthouden aan óf “kort” óf “lang”. Zodra ik dat deed, verliep alles uitstekend. De “lange” bewegingen werden reuzen die met trage, krachtige passen voortschreden, terwijl de “korte” bewegingen kleine dwergen werden die behendig rondhuppelden. De kinderen waren dolenthousiast! Ik concludeerde dat men hen volledige vrijheid moet geven, zodat elk kind zich op zijn eigen manier in de ervaring kan onderdompelen. Het behoud van de wil — die fundamenteel is voor deze levensfase — moet tijdens deze uren worden gerespecteerd; de kinderen mogen nooit tot iets worden gedwongen. Men dient uitsluitend te vertrouwen op de kracht van imitatie — een nabootsing van bewegingen die voortkomt uit een oprecht, liefdevol plezier in de activiteit zelf.
Toen hem werd gevraagd waarom de allerkleinsten en de kinderen in de eerste klassen slechts één keer per week euritmie zouden moeten krijgen, antwoordde dr. Steiner: “De kinderen moeten in een vreugdevolle verwachting leven; ze moeten uitkijken naar de les. Het zou schadelijk zijn als dat niet zo was – als ze als het ware overvoerd zouden worden met eurythmie.”
Deze vreugdevolle verwachting kan worden ervaren door iedereen die de allerkleinsten op de juiste wijze laat kennismaken met deze bewegingen – bewegingen die voor hen net zo natuurlijk en vertrouwd aanvoelen als thuis zijn.

Zonder de afzonderlijke klanken ooit bij hun naam te noemen, verweeft men ze met de gebeurtenissen van het moment. De activiteiten van jonge kinderen bestaan ​​hoofdzakelijk uit spel dat op werk is gebaseerd, en uit sprookjes. Toen ik dr. Steiner vroeg of het passend zou zijn om sprookjes te verwerken in de eurythmie voor deze leeftijdsgroep, antwoordde hij: “Ja, dat is heel goed – alleen moeten de sprookjes in een ritmische vorm worden gebracht, nooit in proza.” Zo worden korte, ritmische versies van sprookjes – zoals *Doornroosje*, *Sneeuwwitje*, *De kikkerkoning*, enzovoort – uitgebeeld, waarbij de nadruk sterk op het ritme ligt en er slechts enkele specifieke klanken worden gebruikt.

De op arbeid gebaseerde spelletjes die in de kleuterklas worden aangeboden, krijgen in de euritmie een nieuwe vorm. De dynamiek van alledaagse arbeid komt tot uitdrukking via ritme en klank – denk bijvoorbeeld aan de schoenmaker die met snelle, lichte tikjes spijkers in een schoenzool slaat, of de postbode die met een weloverwogen, zware tred zware pakketten draagt. Zonder de klanken zelf te kunnen benoemen, bootsen de kleintjes ze na – gedreven door een natuurlijke neiging tot imitatie – en verweven ze zo in hun spel. Net zoals kinderen op deze leeftijd nog niet hoeven te leren lezen of schrijven, horen ze ook niet in aanraking te komen met een intellectuele, op het verstand gerichte benadering van klanken en tonen. In plaats daarvan leven ze erin, waarbij ze zich laten dragen door het oerelement van het ritme.

De voeding voor de ziel die sprookjes bieden, in combinatie met de kracht die schuilt in doelgerichte fysieke bewegingen – bewegingen die het kind verankeren in de aardse werkelijkheid – is bijzonder heilzaam voor kinderen jonger dan zeven jaar. In deze context speelt het muzikale interval van de kwint een fundamentele rol. De kinderen krijgen de gelegenheid om dit interval te horen; ze reageren op de muziek, merken de kwint op, luisteren aandachtig, beleven vreugde aan het herkennen ervan en voeren enthousiast een mooie, ronde beweging uit. Men zou het zelfs de “gouden poort” kunnen noemen – een benaming die tijdens deze uren op natuurlijke wijze ontstond en waar de jonge kinderen werkelijk van houden. De begeleider begrijpt echter de vormende betekenis die de kwint heeft voor een kind tot de leeftijd van negen jaar: het weerspiegelt het idee dat “de wereld de mens vormt” en dat “de mens bestaat binnen het goddelijke”. In de ervaring van de kwint wordt de mens zich bewust van zijn eigen plek binnen de goddelijke orde van de wereld.

En men doet het voor met eerbied en een gevoel van grootsheid.

De suggestie van dr. Steiner dat jonge kinderen regelmatig het euritmiegebaar voor de klank “B” zouden moeten oefenen, opent vele mogelijkheden voor creatieve activiteiten. Hij beschrijft de euritmische “B” als een beweging waarbij men de armen – beschermend en liefdevol – om iemand heen slaat (hij noemt hierbij een jong kind). Wat vinden kinderen het heerlijk om dit te doen! Eén kind staat in het midden, terwijl de anderen hun armen en handen om hem of haar heen leggen en zo bescherming en een schuilplaats bieden. Buiten kan een storm woeden (uitgebeeld door de leerkracht), of het kan regenen; wanneer de kinderen gaan kijken, zien ze dat het kind in het midden geen last heeft gehad van de wind – en iedereen juicht! Wanneer ze tijdens de “regen” kijken, merken ze dat het kind niet nat is geworden. De vreugde en uitbundigheid zijn enorm. Ieder kind verlangt ernaar om op deze manier geborgen te zijn. Het is gemakkelijk te begrijpen hoe deze klank – die verbonden is met het sterrenbeeld Maagd – werkt als een blauwe mantel uit de hemel, die de kinderen omhult terwijl zij worstelen met de uitdagingen van de incarnatie.
Een bijkomende aanwijzing is dat men de ‘B’-vorm ook om een ​​voorwerp heen kan slaan. Ik pakte dus een kussen en gooide het over; een kleintje ving het op, en inderdaad: zijn kleine armpjes omsloten het kussen in een perfecte ‘B’-vorm. Wat een vreugde! Iedereen wilde het kussen beschermen. Als het op de grond viel, schreeuwde hij (of ik) het uit, en het gaf veel voldoening om het weer op te pakken, dicht tegen zich aan te drukken en te koesteren. De ‘B’-vorm kan op vele verschillende manieren worden gevormd.

Het idee dat men op deze leeftijd het gebaar voor “I” moet vermijden – met als argument dat dit egoïsme in de hand zou kunnen werken – is eenvoudig in de praktijk te brengen: men laat het simpelweg achterwege. Dit wordt begrijpelijk wanneer men beseft dat, tot het moment waarop het blijvende gebit doorbreekt, dankbaarheid de fundamentele deugd – de voornaamste kracht – in het leven van een kind behoort te zijn. Uit deze dankbaarheid zal later de liefde voor het Goddelijke voortkomen. Dankbaarheid dient met het kind mee te groeien, net zoals het lichaam groeit. In deze fase is er geen ruimte voor een nadruk op het “Ik” door middel van het euritmiegebaar voor “I”.

Aangezien op deze leeftijd alles gericht is op de gezonde ontwikkeling van het fysieke lichaam – op het wegnemen van obstakels voor die groei – is de les zo opgezet dat euritmie, zonder dat het kind dit merkt, in elk deel van het lichaam doordringt, het verlevendigt en versterkt. De vitale, etherische overvloed die inherent is aan euritmie stroomt door de voeten, wat helpt om platvoeten te voorkomen; ze stroomt door de vingers; ze leidt overtollige levensenergie weg van het gebit – energie die anders tot tandbederf zou kunnen leiden; ze verruimt de borstkas, reguleert de ademhaling en stimuleert de stofwisseling. Kortom: ze bevordert de gezondheid. De leerkracht is zich tijdens het vreugdevolle werk voortdurend bewust van dit effect. Hij of zij zorgt ervoor dat licht, frisheid en liefde de eigen ziel vervullen, zodat uitsluitend gezondheidsbevorderende krachten de kinderen bereiken – want de emotionele impulsen uit de omgeving werken als opbouwende of juist afbrekende krachten bij de ontwikkeling van de organen, weefsels, bloedsomloop en andere lichaamsstructuren.

Het is noodzakelijk om drie afzonderlijke fasen in het leven van een kind te onderscheiden. Rond de leeftijd van 2 jaar en 4 maanden is de ontwikkelingsfase van de organisatie van het hoofd voltooid. Omstreeks de leeftijd van 4 jaar en 8 maanden maakt het etherlichaam zich los van het ritmische systeem van de borstkas. En rond het zevende levensjaar is het stofwisselings- en ledematensysteem door het etherlichaam vormgegeven.

Wanneer kinderen naar euritmie worden gebracht, bevinden zij zich in een levensfase waarin het ritmische systeem door middel van dansachtige bewegingen ontwikkeld dient te worden. Rijmpjes waarin het ritme – meer nog dan de inhoud van de woorden – de boventoon voert, zijn volgens dr. Steiner vormend voor het kind. (Dergelijke rijmpjes zijn terug te vinden in zeer oude verzen.) Ze kunnen bovendien worden ingezet om lange en korte maatdelen aan te geven, of om bij te klappen of te tikken. De gehele bijeenkomst mag doordrenkt zijn van deze ritmes..

Naarmate kinderen hun vijfde levensjaar naderen, gaan ze op zoek naar intensievere fysieke activiteiten, wat in lijn is met de ontwikkeling van hun ledematen. Hier kan rekening mee worden gehouden door deze oudere kinderen taken te geven die meer inspanning vereisen.

Wie euritmie geeft aan kinderen van deze leeftijd, doet er goed aan de opmerkingen in de pedagogische voordrachtenreeksen te bestuderen – in het bijzonder in het boek GA 34/309, vertaald *De opvoeding van het kind* – om daar inspiratie uit op te doen. De gehele onderwijsaanpak is gebaseerd op het inzicht dat warmte – oprechte, liefdevolle warmte – essentieel is voor de gezonde ontwikkeling van het jonge kind. Daarbij komt nog vreugde – een soort innerlijke verlichting – waarin lichaam, ziel en geest kunnen opbloeien.

Het spreekt voor zich dat men, naast sprookjes en spelletjes, nog veel meer kan aanbieden – de verbeelding krijgt immers alle ruimte. Zo kan men kinderen veel meegeven aan de hand van een mooi, oud gedicht, zoals:

Wenn die Kinder schlafen ein,
Wachen auf die Sternelein,
Und es schweben Engelein,|
Nieder aus der Ferne.
Halten wohl die ganze Nacht
Bei den frommen Kindern Wacht.

Wanneer de kinderen in slaap vallen,
Ontwaken de kleine sterren,
En dalen kleine engeltjes neer,
Van heel ver weg.
De hele nacht houden zij de wacht,
Over de zachte, vrome kinderen.

(Automatische vertaling)

Wat houden de kleintjes ervan om hun armen over hun borst te kruisen, in een gebaar van toewijding! Het korte versje “Er was eens een klein konijntje…” is een bron van grote vreugde voor alle kinderen. Daarna – op een eenvoudige en basale manier – kun je de bewegingen van ‘verzamelen’ en ‘verspreiden’ [samenballen en loslaten, het bekende begrip ballen und spreizen] verkennen door met beide handen een vogelnestje te vormen. Binnenin liggen de vogeltjes rustig; ze zijn nog niet uit hun eieren gekomen. Je gluurt door de kleine opening en luistert: alles is stil. Plotseling klinkt er een geluidje: *tjilp… tjilp…* Eén vogeltje fladdert even naar buiten (de vingers bewegen speels en vrolijk) om vervolgens weer terug te keren naar zijn moeder. Daarna vliegen twee vogeltjes omhoog, richting de zon, terwijl ze vrolijk kwetteren. Dit prille ontwaken van het vermogen tot eigen initiatief is voor iedereen een bron van pure vreugde. Een andere keer kunnen de vogeltjes misschien rondhuppelen op een koperen staaf – de vingers dansen dan langs het metaal, al klinkt er op dat moment nog geen “getjilp”. [het qui, qui].

Op deze leeftijd zijn vaste vormen nog niet passend. Geometrische figuren – zoals driehoeken of vijfhoeken – evenals spiralen en achtvormen, maken deel uit van het lesprogramma voor de eerste klas. Laat de kleintjes daarom vrij rondspringen en handelen met een ongekunstelde eenvoud.

Laat je niet afschrikken door het vooruitzicht om met een zeer groot aantal kinderen tegelijk te werken. Ik begon met 15 kinderen en kwam uiteindelijk uit bij een groep van wel 80 jonge kinderen. Dat leverde geen enkel probleem op; ze volgden allemaal de leiding van de leerkracht en beleefden veel plezier aan het beoefenen van euritmie. Naarmate de groep bleef groeien, moest ik deze uiteindelijk opsplitsen vanwege een gebrek aan ruimte. Hoe moediger, natuurlijker en steviger je eigen houding is, des te enthousiaster en oprechter zullen de kleintjes zich in hun activiteit storten.

*Zie over ‘het gebruik’ van elementairwezens deze opmerking aan het begin van het artikel.

.

‘Het kind danst’: inhoudsopgave

Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Euritmie: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter- en kleuterklas

.

3637-3427

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie in de 1e zevenjaarsfase (‘Kind danst’ 8)

.
Traudel Zwieauer

Over eurITmie met jonge kinderen 

De volgende opmerkingen zijn bedoeld om ervaringen te delen die zijn opgedaan met euritmie bij kinderen in de kleuterleeftijd. Iedereen die werkzaam is in een kleuterklas of bij groepen jonge kinderen, weet dat de ervaringen van een ander slechts als inspiratiebron kunnen dienen; elke activiteit met jonge kinderen is immers zo nauw verbonden met het directe moment – ​​met de gemoedstoestand van de kinderen op dat ogenblik, de sfeer in de ruimte en talloze subtiele, ongrijpbare factoren.

Deze reflecties zijn daarom bedoeld als een bescheiden aanzet voor het werken met euritmie – een praktijk die ieder individu telkens opnieuw en op vruchtbare wijze kan vormgeven, afgestemd op de specifieke omstandigheden van het moment.

Dit voortdurende, spontane proces van telkens iets nieuws scheppen, roept een innerlijke gesteldheid op die lastig in woorden te vatten is, maar die zich als volgt laat omschrijven: op momenten dat het – met hulp van de kinderen – lukt om iets nieuws tot stand te brengen, is het alsof je in een bron van jeugd duikt en met de pure vreugde van een ontdekkingsreiziger onverwachte schatten ontdekt en hanteert. Deze innerlijke houding bepaalt ook de blik op de euritmie zelf: de jonge kunstvorm van de euritmie – die bruist van de krachten van de kindertijd – ontmoet de prachtige, natuurlijke gebaren van de kleintjes. Wanneer kinderen hun handen opheffen, doen zij dat niet omdat ze zich herinneren dat ze dat gebaar ooit hebben geleerd; het ontstaat veeleer vanuit een direct, creatief proces van nabootsing en beleving. Een dergelijke innerlijke vreugde kan een bijeenkomst met kinderen veranderen in een waar feest.

Wanneer men de volgende woorden van Rudolf Steiner over euritmie voor jonge kinderen in overweging neemt — en de innerlijke kern van deze uitspraak afzet tegen de gebeurtenissen van onze tijd — begin je de betekenis en de hedendaagse relevantie van pedagogische euritmie in de kleuterklas te begrijpen: “Een krachtig ‘ik-gevoel’ (ik-bewustzijn) zou bijvoorbeeld kunnen ontstaan ​​als je een kind tussen de drie en vier jaar oud laat kennismaken met elementaire euritmie. Het kind zou er volledig in opgaan, en een werkelijk ‘ik-gevoel’ zou tot in de diepste lagen van zijn wezen doordringen.”
Nora v. Baditz, die na 1919 als eerste deze vorm van elementaire euritmie bij jonge kinderen introduceerde, merkt daarover nog op: “De weg van het jonge kind is een weg van incarnatie — niet alleen in het eigen fysieke lichaam, maar ook in de uiterlijke levensomstandigheden op aarde. Deze gerichtheid op de aarde drukt een specifiek stempel op de wijze waarop het onderwijs wordt vormgegeven.”

Euritmische gebaren kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van een “gezond zelfgevoel” en het kind op een passende wijze helpen zijn weg te vinden in de omringende wereld; tegen deze achtergrond dienen de volgende praktische suggesties te worden beschouwd.

Het integreren van euritmie in het dagritme van een kleuterklas vormt vaak een zekere uitdaging. De euritmist komt één keer per week langs – de kinderen zijn zich daarvan bewust – en de kleuterleerkracht heeft die ochtend wellicht al de ruimte voorbereid door de stoeltjes opzij te zetten. De wijze waarop de euritmist binnenkomt, en haar vermogen om snel aan te sluiten bij de actuele situatie van de kinderen, zijn van groot belang. Wanneer de kinderen verdiept zijn in hun vrije spel, kan zij – om hen niet abrupt uit hun concentratie te halen – thema’s uit hun spel oppakken en zo op een natuurlijke wijze de overgang naar de nieuwe activiteit begeleiden.

Laten we een klein voorbeeld bekijken: de meeste kleintjes zitten dicht bij elkaar in een speelhuisje dat ze zelf hebben gebouwd. Een meisje roept: “Tante, we komen er vandaag niet uit – we zijn in de kerk!” Na een moment antwoordt de euritmist: “Daar in het bos is ook een kerk – daar kunnen jullie allemaal de klokken luiden!” Eén kind begint: “Ding, dong…” en kruipt naar buiten; langzaam volgen de anderen, terwijl ze “ding, dong” zingen. De euritmist zegt dan misschien: “Nu luiden de kleine klokjes – ding, ding!” Ze pakt een klokkenspel, en terwijl de klokjes klinken, volgen de kinderen het geluid; moeiteloos brengt ze hen samen in een kring. De les begint, en de kinderen verheugen zich telkens weer wanneer het motief van de klokjes terugkeert.
Hier is nog een anekdote – een spel waar de kinderen nooit genoeg van kregen en dat ze keer op keer wilden herhalen. De kleuterleidster zit of staat met de groep in de ochtendkring wanneer de deur opengaat en de euritmist binnenkomt. De leidster fluistert: “Wees heel stil – misschien zoekt ‘tante’ wel naar ons!” De euritmist komt binnen, vermijdt bewust om naar de kinderen te kijken – die zo vol verwachting zitten dat ze nauwelijks stil kunnen blijven zitten – en vraagt: “Waar zijn mijn kleintjes vandaag?” Ze zoekt rond, kijkt in kasten en achter de kachel. Dan – zorgvuldig erop lettend de betovering niet te verbreken door te veel de aandacht op zichzelf te vestigen – pakt ze iets op dat voorhanden is, bijvoorbeeld een pop of een handpop zoals Jan Klaassen. Ze vraagt ​​aan de pop of hij weet waar de kinderen zijn gebleven. De geliefde Jan Klaassen “vindt” de verborgen kinderen, die – hun opwinding nauwelijks kunnen bedwingen – luid juichen zodra ze “ontdekt” worden. Ze springen misschien allemaal op en rennen naar de euritmist toe, die vervolgens inspeelt op deze intense, groeiende verwachting en een vrolijke aanpak maakt het gemakkelijk om de aandacht van de kinderen erbij te houden. Het was elke week weer een bijzondere ervaring om te zien met hoeveel onvermoeibare energie dit spel zich ontvouwde – waarbij telkens variaties werden aangebracht, zodat het voor iedereen elke keer weer als een compleet nieuwe belevenis aanvoelde.

Zodra de kring is gevormd, teken ik – op voorstel van juffrouw Thetters – met krijt kleine “huisjes” op de vloer. Elk kind kiest zelf wat zijn of haar huisje voorstelt: een zon, een maan, een jagershut – of zelfs een krokodil, tot groot vermaak van iedereen. De kinderen kijken met verbazingwekkend veel geduld toe hoe de huisjes worden getekend, en ieder kind krijgt een eigen plekje toegewezen. Hierdoor kan de euritmist de orde bewaren, zelfs nadat de kinderen hebben rondgerend en gesprongen; ze keren maar al te graag terug naar hun eigen “huisje”, waar ze zich veilig en geborgen voelen.

De activiteit begint met de gezamenlijke klankenreeks “I-A-O” (ie-aa-oo), waarbij de kinderen hun hoofdjes verstoppen. “Waar zijn jullie hoofdjes?” “Hier!” “Ik zie jullie beentjes niet – waar zijn die?” “Daar!” “En wat doen jullie armpjes?” “Zo!” – ze steken hun armen omhoog en vormen zo een ronde zon. Als ik merkte dat de aandacht van de kinderen verslapte, voegde ik vóór de “I-A-O” een eenvoudige oefening in – bijvoorbeeld een ademhalingsoefening, of het ballen en weer strekken van de handen, afhankelijk van wat er op dat moment nodig was. We bewegen allemaal naar het midden van de kring – naar het “huisje van de dwerg” – en dan luisteren we (*ch*) [het Duits heeft ‘horchen’, vandaar de ch]: komt er iemand aan? Langzaam staan ​​we op, de kring wordt groter, en we springen op en rennen terug naar onze eigen huisjes, waarbij we onze armen uitstrekken en naar elkaar lachen. De kinderen zijn dol op lachen – en dat doen ze dan ook vaak – waarbij ze hun handjes gebruiken: ze lachen met hun handen hoog in de lucht, laag bij de grond, of door de ene of de andere hand te gebruiken. Of we kunnen ons in de struiken verstoppen, waarbij we het gebaar voor de letter ‘B’ maken, terwijl de euritmist roept: “Kleine kabouter, waar ben je? Kleine kabouter, waar word je wakker? Kleine kabouter, waar slaap je?” “Hier!” roepen ze, terwijl ze opspringen.

Na dit eerste moment van samenkomen ontvouwt de euritmieles zich – een les die in de praktijk overigens geen vol uur kan of hoeft te duren. Het uitgangspunt is altijd om aan te sluiten bij de actuele situatie: de seizoenen, een verjaardag, of misschien simpelweg het feit dat het buiten sneeuwt. Dit vereist van de euritmist een grote alertheid en het vermogen om de ideeën van de kinderen te omarmen, zonder daarbij de rode draad van de les uit het oog te verliezen. Iedereen die met kinderen heeft gewerkt, weet dat je van hen kunt leren hoe je het huidige moment naar een hoger niveau tilt.

Euritmie plaatst de mens in de wereld door middel van gebaren voor spraakklanken, muzikale elementen en ritmen; er is niets in de euritmie dat niet al in de wereld of in de mens zelf aanwezig is. Dit is een fundamentele ervaring die je bij kinderen kan waarnemen: er is slechts een klein duwtje in de rug nodig om datgene wat al in de mens verankerd ligt, tot bloei te laten komen.
In dit licht wordt een opmerking van Rudolf Steiner – uit zijn voordrachtenreeks *Algemene menskunde als basis voor de pedagogie* – begrijpelijk: “Wanneer is een mens zinloos bezig? Wanneer hij alleen zo bezig is als zijn lichaam het verlangt. Zinvol handelt hij, wanneer hij doet wat de omgeving van hem vraagt en niet alleen zijn eigen lichaam. Daar moeten we bij kinderen rekening mee houden. Enerzijds kunnen we de lichamelijke activiteit van een kind meer en meer sturen in de richting van puur lichamelijke beweging, van gymnastiek, turnen; daarbij wordt alleen het lichaam gevraagd welke bewegingen gedaan moeten worden. – En anderzijds kunnen we de uiterlijke bewegingen van een kind sturen in de richting van zinvolle bewegingen, bewegingen die geheel en al
van zin doordrongen zijn; dan dartelt het kind met zijn bewegingen niet in het geestelijke rond, maar volgt het de richtingen van de geest.
GA 293/191
Vertaald/182

De algemene opzet van een euritmieles wordt gevormd door de aanwijzingen van Rudolf Steiner voor het onderwijs op vrijescholen: begin elke les met een zekere ernst en sluit deze af met een vrolijke stemming. Bij jonge kinderen kan deze aanvankelijke ernst zich uiten als een verhoogde, geconcentreerde activiteit; het einde van de les kan vervolgens overgaan in een vrolijke, ontspannen vorm van spel, die uitmondt in een moment van volkomen stilte – waarbij echter ook op dat moment een luchtige, ontspannen sfeer behouden blijft. Een diepe, volledige ademhaling bij de kinderen getuigt van een gezond welbevinden – een toestand die nooit mag worden getemperd door de zware, sombere ernst die volwassenen nogal eens met zich meebrengen.

Er is vaak gezegd dat het verloop van een euritmieles een afgerond geheel moet vormen – vergelijkbaar met een reis door een andere wereld – en dat het ritmische sprookje daarvan een kernonderdeel is. Ik ben echter van mening dat er in dit proces juist een grote verscheidenheid moet heersen. De uitbundigste vreugde bij kinderen – en het is prachtig wanneer euritmie met zoveel enthousiasme wordt ontvangen – ontstaat wanneer er met contrasten wordt gewerkt. Denk bijvoorbeeld aan dwergjes die zo zachtjes met hun vingertjes – hun zilveren hamertjes – tikken dat niemand hen hoort; en die vervolgens met een heel grote hamer slaan (waarbij ze met hun voeten stampen). Nergens is de sfeer zo verstild en geheimzinnig als juist na een moment van uitbundige activiteit. Het principe van samentrekking en uitbreiding – zowel in de les als geheel als in de kleinste oefeningen – werkt simpelweg heilzaam. Ik heb vaak gezien hoe volwassenen proberen een bepaalde stemming bij kinderen op te roepen, of vanuit de stilte iets tot stand proberen te brengen en telkens weer wordt deze stilte doorbroken; er zijn kinderen die het simpelweg niet kunnen verdragen. Na een periode van levendige beweging — “Over stok en over steen, rent mijn kleine kabouter heen” — voelt de daaropvolgende stilte even natuurlijk aan als een inademing; op dit moment, waarin adem wordt gehaald, kan de euritmist de kleintjes — die zich nu in een staat van luisteren bevinden — op een geheel nieuwe wijze bereiken.

In de euritmie zoekt een kind naar volledige overgave; het kind wordt aangesproken binnen zijn eigen bewegingssfeer, en dat moet je te respecteren. Een kind is altijd volledig opgegaan in een bepaalde belevingswereld — het leeft daarbinnen. Ook de euritmist dient de oefening of de spraakklank met een dergelijke volledige, onbevangen en totale toewijding te beleven; het kind zal dit vervolgens met vreugde imiteren.

Wie probeert door te dringen tot wat bij jonge kinderen als een ontwikkelingsrealiteit kan worden waargenomen — en wie de ontplooiing van de mensheid beschouwt als een evolutie, zoals Lessing dat doet in zijn *De opvoeding van het menselijk geslacht* — die ziet bij het jonge kind iets wat volwassenen zijn kwijtgeraakt, maar wat in vroegere tijden wellicht bestond als een oorspronkelijke, poëtische kwaliteit. Het betreft hier de natuurlijke en onverbrekelijke eenheid van het talige, het muzikale en het ritmische.
J. G. Herder — wiens ideeën over volksliederen en balladen een grote inspiratiebron vormden voor de jonge Goethe — omschrijft deze “natuurlijke staat van poëzie” als: “Levendige gewaarwording, uitgedrukt in woorden en vergezeld van een volledige expressie door middel van gebaren.”
Bij het kiezen van teksten of liedjes voor kinderen is het daarom raadzaam te zoeken naar voorbeelden waarin het talige en het muzikale op natuurlijke wijze met elkaar verweven zijn. Kinderrijmpjes — in het bijzonder de oudere exemplaren — bezitten dit in de hoogste mate; daarin leeft zowel het creatieve taalgevoel als datgene wat Herder de “volledige expressie door middel van gebaren” noemt.

Bijvoorbeeld:
Klopfe, klopfe Ringelchen,
da gehn zwei arme Kinderchen,
gib ihnen was und laß sie gehn,
das Himmelreich wird offen stehn, 

“Klop, klop, ringetje, 
twee arme kindjes komen aan;
geef ze wat, laat ze gaan,
de hemelpoort zal wijd opengaan” – of:

Es regnet, es schneiet,
es weht ein kalter Wind,
es frieren alle Stäudelein
und alle kleinen Kind.

“Het regent, het sneeuwt,
een koude wind waait;
alle plantjes bevriezen,
en de kindjes ook.”

Het eerste versje neigt meer naar het lyrische en muzikale, terwijl het tweede rijmpje een ervaring beschrijft die geworteld is in medeklinkers – een wisselwerking met de omringende wereld.
Wat betreft de euritmische expressie van taal voor kinderen, geldt het advies van Rudolf Steiner: “Gebruik veel medeklinkers.”
Dit wijst opnieuw op de natuurlijke wijze waarop kinderen de krachten in hun omgeving in zich opnemen – krachten die het kind vormen en tegelijkertijd als vormgevende machten in de wereld werkzaam zijn.
Kinderen beleven groot plezier aan het voortbrengen van de ‘W’-klank – het waaien van de wind – of het sissen en fluiten van de ‘Fff’, vaak met zoveel overgave dat een gordijn kan gaan bewegen of een lamp begint te trillen. En wat een vreugde ontstaat er wanneer de euritmist doet alsof hij – bijna – door die kracht wordt omvergeblazen! Het is duidelijk dat de kleintjes deze gebaren niet slechts “uitvoeren”; ze leven erin. Ze hoeven alleen maar hun kleine armpjes op te tillen, want ze bevinden zich in een elementaire wereld waar de betekenis van wat wordt uitgesproken rechtstreeks voortkomt uit de klanken – uit de medeklinkers zelf. Deze wereld van scheppende taalbetekenis vormt en boetseert het kind, zeker wanneer het zich er met vreugdevolle, creatieve ijver aan overgeeft. Het kan een hoogtepunt van een euritmieles zijn wanneer de kinderen – misschien als reuzen die zware boomstammen voortrollen, of als dwergjes die op hun kleine rode rijdieren rondspringen – volop genieten van de klank van de letter ‘R’.

In eerste instantie zullen de kinderen willen meedoen – vaak nogal luidkeels – en dat moet je hen zeker niet verbieden. Met een beetje slimheid kan je echter uitnodigen tot een gebaar zonder dat daar geluid bij hoeft te worden gemaakt; denk bijvoorbeeld aan dit bekende liedje:

Johann, spann an,
zwei Katzen voran,
zwei Mauserin vorauf,
den Blocksberg hinauf!

“Johann, span het span maar in –
twee katten voorop,
twee muizenvangers erbij,
naar de Blocksberg trekken wij!”

Misschien komt Johann niet opdagen; dan roep je: “Johann!” Maar hij verschijnt nog steeds niet – roep nog eens… hij heeft het niet gehoord. Laten we het nu eens met onze armen proberen – kijk, daar is Johann, en de katten en muizenvangers schieten al vooruit.

Terwijl de kinderen zich enerzijds bezighouden met de medeklinkers, de taal en de vormgeving, vormt het muzikale element – ​​een wereld waarin de kleintjes zo natuurlijk en gelukkig vertoeven – de andere kant. Ritme – de eigenlijke hartslag van het leven – is in beide aanwezig. De meest oorspronkelijke vorm is het lied: het samen zingen met de kinderen. Wanneer de kinderen helemaal opgaan in het muzikale, hoef je hen niet apart te instrueren om specifieke geluiden te maken of armgebaren toe te maken.

Aan de kinderen is duidelijk te merken dat één en dezelfde persoon niet tegelijkertijd kan zingen en euritmische gebaren kan uitvoeren*; de kinderen worden moe en verliezen hun belangstelling – de dubbele belasting is voelbaar. Wel kan je tijdens het zingen een kleine kringdans vormen, of – in de eenvoudigste vorm – de kinderen langs “rechte en gebogen” lijnen laten bewegen. Een kort voorbeeld kan dit verduidelijken:

Rudolf Steiner GA 278/108
Niet vertaald

Schmied, Schmied, Schmied,
nimm dein Hämmerlein mit!

Smid, smid, smid,
breng je hamertje mee!

De smid staat in het midden van de kring; de kinderen lopen naar hem toe, maken een hamerende beweging en lopen dan weer terug. Daarna lopen ze in een kring rond, terwijl ze zingen:

Willst du mir mein Ross beschlagen,
mußt dein Hämmerlein mit dir tragen.

Wil je mijn paard beslaan,
dan moet je met je hamertje komen!

Zodra het liedje is afgelopen, kan je zeggen: “Laten we het de smid nu eens op een andere manier vertellen!” – waarna je, stilstaand en zonder melodie, activiteiten kan ondernemen die zich richten op de medeklinkers van de taal.

Het zingen kan worden ondersteund – of zelfs vervangen – door de klanken van een lier of fluit; zo kan je bijvoorbeeld dwergen uitbeelden die snel voortbewegen of huppelen, of zelfs de dwergenkoning die met een kroon op zijn hoofd door het bos trekt. Er zijn talloze variaties te bedenken, zeker wanneer je muzikale elementen integreert – en als het op de juiste wijze wordt aangepakt, zullen de kinderen zelf meedoen met het bedenken ervan!

Wat betreft de vraag welke melodieën geschikt zijn voor een jong kind, wil ik erop wijzen dat de meeste traditionele kinderliedjes een pentatonische structuur hebben, al worden lang niet altijd alle vijf de tonen gebruikt. Doorgaans bestaan ​​deze melodische patronen uit figuren van drie tonen. Er zijn vier specifieke drietonige figuren die steeds weer opduiken in kinderliedjes van over de hele wereld – of ze nu uit Hongarije, Duitsland of Zweden komen. Deze patronen bewegen zich binnen een middenregister – een kwart of een kwint – en het blijkt dat kinderen zich heel natuurlijk binnen dit bereik van een kwint (meestal van D tot A) bewegen.

Aan het einde van de les kan de kring worden opgeheven voor een levendig spel, zoals “De wolf en het duifje”. Omdat alle kinderen de rol van wolf, vos of reus willen spelen, ontstaat er een uitbundige, bijna dionysische sfeer. Zodra de rust is weergekeerd, kan je op de lier een kwint aanslaan – de “gouden klok” – en het gebaar van deze kwint laten doorklinken. Als de kinderen enthousiast raken, kan je zeggen: “Mijn klok is van zilver!” – wat anderen uitnodigt om met hun eigen klokken in te vallen – wit, groot of klein – totdat ze volledig zijn omhuld door de klank van kwinten. Dit interval, waarin de binnen- en buitenwereld in volmaakt evenwicht verkeren, brengt het ritmische proces van uitademen en inademen in een harmonieuze balans. Aan het slot van de les is het goed om met muziek of een liedje af te sluiten, zodat de ruimte waar de euritmie plaatsvond weer haar alledaagse karakter terugkrijgt.

Dit zijn slechts kleine suggesties, die op elk moment kunnen — en zelfs behoren te — worden aangevuld met andere soorten ervaringen. Het behoeft nauwelijks toelichting dat er sessies met kinderen zijn waarna je je rijkelijk beloond voelt; maar er zijn ook dagen waarop niets wil lukken — dagen die pijnlijk duidelijk maken hoeveel werk en leerproces er nog in het verschiet liggen. Het komt erop aan te leren van het directe moment, op een wijze die past bij de situatie, om zo steeds meer gestalte te geven aan het mensbeeld dat Rudolf Steiner ons door middel van zijn inzichten opnieuw heeft geschonken. Dit mensbeeld komt bovendien tot leven door het bezielde gebaar — de euritmie — en het zijn de kinderen die aan onze zorg zijn toevertrouwd, die ons dit kunnen leren.

.

‘Het kind danst’: inhoudsopgave

Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Euritmie: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter- en kleuterklas

.

3632-3422

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Euritmie in de kleuterklassen

.

Philia de Vries
.

Euritmie in de kleuterklassen

Als euritmiedocente geef ik alle klassen op school euritmieles.
Het komende jaar zal ik in de schoolkrant in een aantal artikelen toelichten, wat er zo bijzonder aan dit vak is.
Welke menskundige aspecten uit het leerplan worden hier in dit bewegingsvak geoefend en hoe ondersteunen die daarmee de processen van het kind in zijn ontwikkeling enerzijds en anderzijds ook in zijn leerproces bij de aangeboden leerstof en periode-inhoud?

In dit artikel ga ik jullie vertellen hoe dit in de kleuterklassen vorm krijgt en wat de euritmie in deze lessen voor de kleuters kan betekenen.
Een aantal ouders zijn hier al mee bekend door de open lessen die zij in eerdere jaren hebben kunnen bijwonen.

Het ophalen van de kinderen in de klassen en hoe we de les beginnen

De vier kleuterklassen bij ons op school hebben verdeeld op donderdag- of vrijdagochtend elk een half uur euritmieles.
Ik haal de kinderen op in de klassen, waar ze hun euritmieschoentjes meestal al aan hebben.
Soms zitten de kinderen klaar, soms zijn ze nog aan het knutselen.
We stemmen ons af en langzamerhand vormt zich een rij, waarbij voor drie klassen geldt, “met twee enthousiaste hulpjes voorop” die mij helpen de klapdeuren in de gang open te houden.
We zingen een lied dat bij het verhaal of seizoen hoort, terwijl we op weg gaan naar de zaal.
Meester Ward (onze pianist!) zit al in de zaal achter de piano en laat voorzichtig de begintoon horen, waarna we die overnemen en naar goede gewoonte, al vrolijk huppelend (en met onze armen in een geopend gebaar) de zaal binnen komen. Soms blijft er een nieuwe of wat zieke kleuter bedremmeld staan en wacht op zijn of haar juffie om aan te sluiten.
Al zingend vormen we onze kring, waarna achtereenvolgens de “zon”, meester Ward, de juffen en alle kinderen met onze voeten en armen worden begroet. Soms verstild ons lied tot een steeds kleiner wordende beweging, zoals bijvoorbeeld een klein klokje dat naast ons oor klingelt.

Vast ritueel in de lessen zijn drie stijgende kwinten aan het begin van het verhaal en drie dalende aan het einde.
Rudolf Steiner gaf drie aanwijzingen voor de kleutereuritmie waaronder deze kwint.
De kwint (dit is het interval van grondtoon naar de 5e toon erboven of eronder), zou voor het kind als een omhulling zijn tussen zijn eigen sfeer en die daarbuiten.
Het kwintgebaar bij de kleuters ziet er als volgt uit: De handen openen zich naar boven en eindigen als een open O rondom het hoofd. Wij noemen dit “de zon die gaat opkomen”!
Zelf ben ik deze gebaren steeds meer gaan beleven als het openen van een sfeer, waarin het verhaal kan klinken en ook weer afgesloten wordt. Het zien van al die armpjes die vol aandacht dit mee vormen, is vaak een wondermooi en ontroerend moment.
Terwijl wij dat doen, probeer ik ook om hen heen dat gebaar te leggen, zodat ze omhuld zijn in het meebewegen daarna: het gezamenlijk bewegen wordt dan welhaast tot één bewegingsgebaar.

Ieder kind zijn eigen weg

De kleuter beweegt nog sterk vanuit de nabootsing, zijn wil is daarop gericht.
Er zijn kinderen waarbij dat heel vanzelfsprekend is en voor anderen weer totaal niet. Ook vraagt het geheel een concentratieboog in het volgen van het verhaal en het meebewegen daarbij. Ieder kind stapt daar dan ook op zijn manier in. Voor het ene kind is alles wat we doen vanaf de eerste minuut vanzelfsprekend en stroomt met de gebaren en bewegingsoefeningen vol mee, voor de ander is de
kracht die ervan uitgaat te overdonderend en kijken ze eerst toe! Maar er zijn ook kinderen die lange tijd “innerlijk meebewegen” en daarbij gewoon meelopen in de stroom.
Het gaat erom dat het kind zich stukje bij beetje thuis gaat voelen in zijn eigen levens- en bewegingselement, ieder op zijn manier!
Daar gebeuren soms echt wonderen: Het ene kind sluit ineens met zijn armen bij een gebaar aan van wat hij vanuit zijn omgeving waarneemt, het andere kind begint ineens mee te huppen en vandaar uit mee te bewegen.
Er zijn ook kleuters die zo wegdromen in het verhaal, dat ze af en toe aangespoord moeten worden, door ze uit te nodigen mee te helpen bij een beweging. Anderen hebben last van te veel beweging en moeten eerst tot rust komen in de stroom.

Het moment waar het kind geheel instapt in de stroom en vol erbij is, is veelal een moment van gezamenlijke waarneming tussen de juffies. Na het verhaal zeggen we als juffies dan voorzichtig – zonder direct de naam te noemen- dat er vandaag weer een kindje was dat “getoverd” heeft. Het betreffende kind weet dit meestal zelf ook; alsof er iets “wakker geworden” is!
Dit ogenblik als juffen mee te maken is elke keer weer adembenemend mooi!

Door de euritmie leren omgaan met je eigen levenskrachten

In de eerste zeven jaar (na de geboorte) bouwt het kind zijn erfelijk lichaam om tot zijn eigen huis, tot in de organen toe!
Euritmie werkt op en met de levenskrachten van de mens. Met de gebaren en
bewegingen boetseert hij niet alleen de beeld-, klank- en ritme-wetmatigheden van de gesproken tekst of laat zich dragen door muzikale motieven, maar de gehele mens ademt a.h.w. mee.
Door het meevormen van de klankgebaren, boetseert het kind mee aan zijn eigen levenskrachten en ….(hierop duidde R. Steiner), kan het kind zijn eigen organen “doorlichten”.
Rudolf Steiner geeft aan dat de innerlijke souplesse in de kinderjaren hierdoor gevormd, het kind kan helpen in zijn verdere leven, zijn levensimpulsen door zijn lichaam – als instrument van zijn vermogens – beter te realiseren.
Tevens is belangrijk in de kleuterjaren, dat in alle processen van innerlijke groei, fantasie en  strekking van de romp en ledematen -naarmate het kind schoolrijp wordt- een zekere harmonie ontstaat. Voelt het kind zich thuis in zijn lichaam, kan het het gaan bewonen?
R. Steiner geeft aan dat rond de schoolrijpheid, de omvormingsprocessen van het eigen lichaam afgerond worden, waarbij meestal de tandenwisseling deze periode inluidt: Dezelfde levenskrachten zullen vanaf de basisschool voortaan ingezet gaan worden in de leerprocessen: Zo wordt op een ander niveau het opnemen van de wereld, omzetten en eigen maken, voortgezet!
Pedagogisch gezien werk je dus met de kinderen niet zomaar aan een verhaaltje, maar kijk je naar de klanken, gebaren of bewegingen, die vanuit het beeld passend, het kind gezond maken, d.w.z. kan het aansluiten bij zijn eigen levensstroom? Hoe help je het kind daarbij, dat het zich geplaatst voelt tussen waar zijn oorsprong ligt (het sterrenland) en zijn komst op aarde, waar we
“aan het werk gaan”.

De klankgebaren en -bewegingen in de euritmie zijn hierbij een hulp.
Elke klank heeft zijn kwaliteit: Hoe verschillend is een A t.o.v. een E.
In de euritmie is het A-gebaar openend, in de E kruisen de armen dit gebaar en komt dat wat zo geopend tegemoet getreden was, tot bewustzijn; de I wil zich daar weer uit oprichten, de O alles omvatten en de U brengt samen, enigszins streng, maar ook met warmte.

De medeklinkers zijn daarnaast meer vormend: De B omhult, “vormt voor het kind zijn huis”, zegt R.Steiner bijvoorbeeld.
Hoe verschillend kan je de B met het woord boom, berg, bos enzovoort vormen en verbinden!
De M tast, de D duidt, maar laat het tastende gebaar ergens heen ook
aankomen. L wil in beweging zijn, R wil rollen, de K, de T….
De klanken vertellen een verhaal op zich en het kind leert zich in deze kwaliteiten bewegen. Ze stimuleren zijn taal gevoel, in plasticiteit, maar ook in ordening en al bewegend (doende), maakt het kind zich dit met zijn wil, gevoel en waarneming eigen.
Euritmie is in feite boetseren in de lucht!
De taal om en door ons heen leren bewegen, maakt ook dat we groter of meer zijn dan een skelet met botjes, spieren, hersenen en allerlei mechanische processen. Die processen worden door onze levenskrachten doordrongen, en de euritmie kan helpen dat we daardoor in innerlijke harmonie komen met ons zelf
en onze processen.
Voor het kleine kind is het levensplezier en de warmte van de omgeving in de vorm van liefde en geborgenheid en een verzorgde omgeving voorwaarde zich met zijn omgeving te verbinden, het zet hem aan tot bewegen en wil om het te leren kennen. Bij de kleuter, ontstaan voor het eerst innerlijke beelden, die door fantasie groter, kleiner, veranderlijk in vorm gekleurd worden. Het concrete aan
vormen en gebeuren om het kind heen verinnerlijkt zich in een enorme beeldenrijkdom, die het met eenvoudige middelen uitbouwt door al spelende deze verder te ontwikkelen. Het oefent hiermee zowel zijn fysieke grenzen, als die aan zijn denken ontwikkelende fantasie.
Met de euritmie, zetten we deze processen voort en stimuleren het kind in zijn bewegings- en levensgevoel. Hierdoor ontstaat er een innerlijk evenwicht dat hem sterk maakt.

Kan het straks die levensenergie als het schoolrijp is inzetten in zijn leerprocessen? Dit onderzoeken, aftasten van het kleine kind, helpen hem de brug te slaan tussen zijn eigen innerlijk zijn en de wereld waarin het leeft!
Van de volwassene vraagt dit vooralsnog, om een wereld om hem heen te creëren, die veiligheid biedt tot nabootsen. Vreugde en plezier en hier en daar wat ernst, zijn de benodigde “kruiden” daarbij.

Het ge-euritmiseerde verhaal

Zo zijn ook de verhaaltjes op gebouwd die we doen met de kleuters. Plezier aan de bewegingen en de tekst staan voorop. Spreken de beelden en de daarbij gevormde klanken de fantasie aan van het kind, kan het zich daarin bewegen?
In de 1e klas worden de bewogen klanken tot klankletter en komt de geschreven taal tot leven en het bewogen ritmegevoel richt zich op het rekenen.
De structuur van het “bewogen verhaal” is zo opgebouwd, dat er steeds een “eilandje” is waarin een beeld of handeling wordt verteld met de klankgebaren, dan bewegen we ons langs de kring met een toepasselijke beweging zoals, huppelen, springen, sluipen enz. naar het volgende beeld.
Ook het ademen van de kring in het naar elkaar toegaan en weer wijder worden van de kring gaf R. Steiner aan als belangrijk element voor de kleuters en voor de euritmie in het algemeen als oefening.
Mooie gebaren wisselen af met grapjes, zoals bij het verhaal van Hansje Stoffel, een sprong met A van Hansje en een T op het hoofd bij Stoffel.. Hier zijn de kleuters soms vaardiger dan je denkt! Ze gieren het soms uit van de pret en het helpt ze tevens “wakker” te worden, want voor je het weet is zo’n moment al voorbij. Zulke gebaren te herhalen is dan behalve leuk, zinvol tegelijk!
Een sprookje is een beeld, maar samen een sprookje of verhaal opbouwen of uitbouwen heeft zijn eigen kwaliteit.
Zo hebben we Olle’s skitocht of Repelsteeltje steeds verder uitgebouwd en konden zelfs de jongere kinderen goed mee komen en een half uur meebewegen, door de boeiende bewegingsafwisseling!

Repeterende verhalen (zoals bakersprookjes), zijn ook heerlijk!
Het verhaal wordt afgesloten met de zon die ondergaat, de maan aan de hemel, en de sterren, waarvan bijvoorbeeld een sterretje bij ons hartje naar binnen gaat, gevolgd door de drie kwinten.

Het uit laten klinken van het verhaal d.m.v. spel en het afsluiten van de les

R. Steiner gaf bij voorstellingen aan dat na een ernstig deel voor de pauze, een meer humoresk gedeelte, gezond zou werken op de toeschouwer.
Dat idee heb ik ook bij de kleuters.
Na onze afsluitende kwinten gaan we zitten.
En met de muziek verdiepen we nog eens een aspect uit het verhaal, hoe loopt de slak, hoe danst de trol. Hier kan het verhaal “uitklinken” en verinnerlijkt worden. Als het dan tot rust is gekomen pakken we onze handen vast en verlaten al zingend in optocht de zaal terug naar de klas.

Alleen de kleuterklas die dicht bij de zaal zit, heeft de kunst afgekeken van de onderbouwklassen.
Ooit sloot ik af met de nu 5e klas. Bij het handen geven, sprongen ze ineens! Vanaf die dag zit ik er bij de kleuterklas bij de zaal aan vast, dat de kinderen springend de zaal verlaten! Op zich een prachtig gegeven, hoe licht kan je jezelf maken en tevens ook weer goed landen!

De euritmie als leermiddel en het kind als inspiratiebron voor de lesvorm en inhoud

Euritmie wordt ook wel eens “zielengymnastiek” genoemd.
De gebaren en bewegingen die we met de kinderen doen zijn een hulpmiddel om de bewegingsvaardigheden ook innerlijk te doordringen, tot innerlijke vaardigheden. We willen voor de kleuter een harmonie creëren, waarin het kind zich een met de wereld en zich zelf ervaart.
Het steeds weer vinden van balans blijft in ieders leven een proces dat bij ontwikkeling hoort.
Voor de kleuter geldt, dat het zich straks gaat openen voor andere leerprocessen. Hoe meer het het kind gelukt is om zijn gestalte goed om te vormen tot zijn eigen huis, hoe beter het de nieuwe leerprocessen aan kan gaan. Het heeft a.h.w. zijn aandacht vrij om dit op te nemen en eigen te maken. Ieder kind gaat daarin geheel zijn eigen proces.
Voor de gehele vrijeschoolpedagogiek geldt in principe, dat de kinderen zelf de inspiratiebron zijn bij hoe we de leerstof aanbieden. Ik luister wat nodig is en zet dat om naar mijn vermogens, de kinderen pakken op wat voor hen wezenlijk is. Zo is elk verhaal dan ook elke keer weer een beetje anders in de klanken en uitvoering. Samen met de pianist wordt door mij en in onze samenwerking,
telkens weer naar de ideale vorm gezocht. Juist dit samen “scheppen” aan het verhaal in het doen met de kinderen, is de voorwaarde voor levende pedagogiek! De euritmie als kunst om dit te beoefenen is een prachtig middel: In gezamenlijkheid breng je iets tot stand, waardoor de inhoud en vorm even samen komen. Het is als een schaal, waarin op zulke momenten a.h.w. een gouden glans opgevangen wordt!
Deze “rijkdom” kan je niet zien, maar wel ervaren.

.
Euritmie: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3365-3164

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie in de kleuterklas

.

Andreas Deibele, Erziehungskunst. Frühe Kindheit, herfst 2016
.

KLEUTEREURITMIE: PLEZIER BIJ HET NABOOTSEN

.
Iedere dinsdag komt juf Fischer naar onze kleutergroepen toe en doet met wel bijna honderd kinderen euritmie.
Maar eerst doen de kinderen hun euritmiejakje en hun euritmieschoentjes aan.
Zittend in de kring wachten ze op haar.
Maar ze komt niet alleen! Puck, Pitt en Puckeltje komen ook mee. Dat zijn dwergen en goede vrienden van juf Fischer. Ze zijn er niet altijd allemaal bij. Maar er valt altijd wel iets van hun belevenissen en avonturen te vertellen.

Met steeds hetzelfde liedje dat we met elkaar zingen gaan we naar het euritmielokaal en vormen een kring – de zon. In de versjes die volgen worden zon en aarde gegroet en de handen en de voeten, de benen worden wakker gemaakt.
Er wordt een huis ‘gebouwd’. In versjes worden kleine verhaaltjes verteld en vergezeld van grote en kleine bewegingen. Het jonge haasje huppelt sneller dan het oude; het reetje komt aangesprongen; het hert schrijdt waardig verder; de beer stapt zwaar en plomp en de slak heeft veeeeeeel tijd nodig!

De woorden van juf Fischer worden op bepaalde plaatsen door verschillende instrumenten muzikaal begeleid: door de xylofoon, het klokkenspel en de lier.
Er zijn verhaaltjes die elke week verteld worden en verhalen die bij het jaargetijde passen en elke vier weken veranderen. Er is voor alle kinderen veel te doen; en er zijn speciale opdrachten voor de ‘schoolkinderen’.
Op het laatst doen we alle ‘deuren en ramen’ dicht en boven elk kind straalt een ster die in het hart wordt meegenomen.
Voor de kinderen die jarig zijn is er een extra ‘jarigenster’.

Dan leidt juf Fischer de kinderen en de kleuterjuffen weer uit de kring en nadat er afscheid genomen is, ook van de dwergen natuurlijk, gaat juf Fischer weer weg.

Waar gaat het om?

Euritmie met kleine kinderen begon met de woorden van Rudolf Steiner: ‘Wanneer je met kleine kinderen onder de zeven, euritmie doet, dan krijgen ze een Ik-kracht die de school, maar ook hun levenslot hen niet kan geven.’
Deze woorden waren aan Nora von Baditz gericht die daarop met ‘elementaire’ euritmie voor kleine kinderen begon. Dat was in 1919. Ze begon met vijftien kinderen, maar al gauw waren het er tachtig in een les bij elkaar.

Zij had een paar kernpunten:

*Wie euritmie geeft moet vóór het lesuur – euritmie duurt 20 tot 30 minuten – alle zorg aan kant zetten die bij het persoonlijke leven hoort.
*De lessen moeten vrolijk zijn en plezier oproepen.
*Je hoeft van de kinderen geen prestaties te verlangen of ze te verbeteren. De kinderen hoeven alleen maar met plezier in de euritmieles te zijn.
*Kleine kinderen kunnen nog niet echt tellen. Daarom kan je niet ‘kort-kort-lang’ doen, maar alleen ‘kort’ of  ‘lang’. De ‘langen’ worden grote reuzen die machtig en langzaam verder lopen en de ‘korten’ kleine kabouters die levendig rondlopen.
*De kinderen hoeven niets, laat alleen de nabootsing werken – het liefdevol nadoen van de bewegingen door het plezier.
*Bij de arbeidspelletjes wordt de dynamiek van het werk door ritme en klank voorgesteld, zoals bijv. bij de schoenmaker die kleine spijkers in de schoenzool slaat of het snijden van een tak met denkbeeldige kleine en grote messen of het beschilderen van paaseieren met verschillende kleuren.
*Zonder dat de kleintjes de klanken benoemen, doen ze nabootsend de activiteiten mee.
‘Net zo min als je deze jaren met schrijven en lezen bezig bent, net zo min laat je de kinderen met hun hoofd de klanken, de tonen begrijpen, maar je doet ze gewoon, leeft ze voor en laat ze gedragen zijn door het oerelement van het ritme’, geeft Nora von Baditz aan.
*Het ‘zielenvoedsel’ van de sprookjes en de activiteit van de arbeidsbewegingen die met de aarde verbonden zijn, zijn voor de kinderen onder de zeven een bijzonder ontwikkelingsproces. Daarbij komt vaak de kwint voor.
*In de beleving van de kwintstemming worden we gewaar dat de mens binnen een goddelijke wereldorde leeft’, zei Rudolf Steiner.

Als begeleider met muziek kan ik de kinderen goed waarnemen. Euritmie helpt in deze ontwikkelingsfase het kind goed ‘in zijn lijf’ te komen. De etherkrachten (de levenskrachten) bouwen aan het lichaam en de ontwikkeling daarvan. Steeds weer houden kinderen midden in het bezig zijn op om bijv. naar hun vingers te kijken, als ontdekten ze die voor de eerste keer om meteen daarna weer op te gaan in de euritmie. Dat zijn prachtige ogenblikken.

Maar ook voor het sociale samenleven kan de euritmiste behulpzaam zijn.

Toen op een dag juf Fischer met de kinderen het euritmielokaal binnenkwam, waren ze zo druk dat het niet mogelijk was om in een kring te beginnen. Toen zei juf Fischer rustig en vriendelijk: ‘Wat heerst er hier een onweersstemming. We moeten het eerst maar eens flink laten donderen!’ En ze stampte met haar voeten stevig op de grond. Ik hamerde op de xylofoon en de kinderen stampten geestdriftig mee. Een reuzenspectakel!
Maar toen hield het onweren op, het begon te hagelen, te regenen, te druppelen en toen…kwam de zon weer tevoorschijn.
Alle kinderen weer in de kring. Allemaal weer tot zichzelf gekomen, met hun armen de zon uitbeeldend.

.
Nora von Baditz, Anregungen für den Eurythmie-Unterricht,
In »Kind tanzt«, Studienmaterial der Internationalen
Vereinigung der Waldorfkindergärten, Heft 10

Rudolf Steiner:  over euritmie

Peuters en kleuters: alle artikelen

Vrijechool in beeld: alle beelden

.

2253-2116

.

.

.

.