.
Traudel Zwieauer
Over eurITmie met jonge kinderen
De volgende opmerkingen zijn bedoeld om ervaringen te delen die zijn opgedaan met euritmie bij kinderen in de kleuterleeftijd. Iedereen die werkzaam is in een kleuterklas of bij groepen jonge kinderen, weet dat de ervaringen van een ander slechts als inspiratiebron kunnen dienen; elke activiteit met jonge kinderen is immers zo nauw verbonden met het directe moment – met de gemoedstoestand van de kinderen op dat ogenblik, de sfeer in de ruimte en talloze subtiele, ongrijpbare factoren.
Deze reflecties zijn daarom bedoeld als een bescheiden aanzet voor het werken met euritmie – een praktijk die ieder individu telkens opnieuw en op vruchtbare wijze kan vormgeven, afgestemd op de specifieke omstandigheden van het moment.
Dit voortdurende, spontane proces van telkens iets nieuws scheppen, roept een innerlijke gesteldheid op die lastig in woorden te vatten is, maar die zich als volgt laat omschrijven: op momenten dat het – met hulp van de kinderen – lukt om iets nieuws tot stand te brengen, is het alsof je in een bron van jeugd duikt en met de pure vreugde van een ontdekkingsreiziger onverwachte schatten ontdekt en hanteert. Deze innerlijke houding bepaalt ook de blik op de euritmie zelf: de jonge kunstvorm van de euritmie – die bruist van de krachten van de kindertijd – ontmoet de prachtige, natuurlijke gebaren van de kleintjes. Wanneer kinderen hun handen opheffen, doen zij dat niet omdat ze zich herinneren dat ze dat gebaar ooit hebben geleerd; het ontstaat veeleer vanuit een direct, creatief proces van nabootsing en beleving. Een dergelijke innerlijke vreugde kan een bijeenkomst met kinderen veranderen in een waar feest.
Wanneer men de volgende woorden van Rudolf Steiner over euritmie voor jonge kinderen in overweging neemt — en de innerlijke kern van deze uitspraak afzet tegen de gebeurtenissen van onze tijd — begin je de betekenis en de hedendaagse relevantie van pedagogische euritmie in de kleuterklas te begrijpen: “Een krachtig ‘ik-gevoel’ (ik-bewustzijn) zou bijvoorbeeld kunnen ontstaan als je een kind tussen de drie en vier jaar oud laat kennismaken met elementaire euritmie. Het kind zou er volledig in opgaan, en een werkelijk ‘ik-gevoel’ zou tot in de diepste lagen van zijn wezen doordringen.”
Nora v. Baditz, die na 1919 als eerste deze vorm van elementaire euritmie bij jonge kinderen introduceerde, merkt daarover nog op: “De weg van het jonge kind is een weg van incarnatie — niet alleen in het eigen fysieke lichaam, maar ook in de uiterlijke levensomstandigheden op aarde. Deze gerichtheid op de aarde drukt een specifiek stempel op de wijze waarop het onderwijs wordt vormgegeven.”
Euritmische gebaren kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van een “gezond zelfgevoel” en het kind op een passende wijze helpen zijn weg te vinden in de omringende wereld; tegen deze achtergrond dienen de volgende praktische suggesties te worden beschouwd.
Het integreren van euritmie in het dagritme van een kleuterklas vormt vaak een zekere uitdaging. De euritmist komt één keer per week langs – de kinderen zijn zich daarvan bewust – en de kleuterleerkracht heeft die ochtend wellicht al de ruimte voorbereid door de stoeltjes opzij te zetten. De wijze waarop de euritmist binnenkomt, en haar vermogen om snel aan te sluiten bij de actuele situatie van de kinderen, zijn van groot belang. Wanneer de kinderen verdiept zijn in hun vrije spel, kan zij – om hen niet abrupt uit hun concentratie te halen – thema’s uit hun spel oppakken en zo op een natuurlijke wijze de overgang naar de nieuwe activiteit begeleiden.
Laten we een klein voorbeeld bekijken: de meeste kleintjes zitten dicht bij elkaar in een speelhuisje dat ze zelf hebben gebouwd. Een meisje roept: “Tante, we komen er vandaag niet uit – we zijn in de kerk!” Na een moment antwoordt de euritmist: “Daar in het bos is ook een kerk – daar kunnen jullie allemaal de klokken luiden!” Eén kind begint: “Ding, dong…” en kruipt naar buiten; langzaam volgen de anderen, terwijl ze “ding, dong” zingen. De euritmist zegt dan misschien: “Nu luiden de kleine klokjes – ding, ding!” Ze pakt een klokkenspel, en terwijl de klokjes klinken, volgen de kinderen het geluid; moeiteloos brengt ze hen samen in een kring. De les begint, en de kinderen verheugen zich telkens weer wanneer het motief van de klokjes terugkeert.
Hier is nog een anekdote – een spel waar de kinderen nooit genoeg van kregen en dat ze keer op keer wilden herhalen. De kleuterleidster zit of staat met de groep in de ochtendkring wanneer de deur opengaat en de euritmist binnenkomt. De leidster fluistert: “Wees heel stil – misschien zoekt ‘tante’ wel naar ons!” De euritmist komt binnen, vermijdt bewust om naar de kinderen te kijken – die zo vol verwachting zitten dat ze nauwelijks stil kunnen blijven zitten – en vraagt: “Waar zijn mijn kleintjes vandaag?” Ze zoekt rond, kijkt in kasten en achter de kachel. Dan – zorgvuldig erop lettend de betovering niet te verbreken door te veel de aandacht op zichzelf te vestigen – pakt ze iets op dat voorhanden is, bijvoorbeeld een pop of een handpop zoals Jan Klaassen. Ze vraagt aan de pop of hij weet waar de kinderen zijn gebleven. De geliefde Jan Klaassen “vindt” de verborgen kinderen, die – hun opwinding nauwelijks kunnen bedwingen – luid juichen zodra ze “ontdekt” worden. Ze springen misschien allemaal op en rennen naar de euritmist toe, die vervolgens inspeelt op deze intense, groeiende verwachting en een vrolijke aanpak maakt het gemakkelijk om de aandacht van de kinderen erbij te houden. Het was elke week weer een bijzondere ervaring om te zien met hoeveel onvermoeibare energie dit spel zich ontvouwde – waarbij telkens variaties werden aangebracht, zodat het voor iedereen elke keer weer als een compleet nieuwe belevenis aanvoelde.
Zodra de kring is gevormd, teken ik – op voorstel van juffrouw Thetters – met krijt kleine “huisjes” op de vloer. Elk kind kiest zelf wat zijn of haar huisje voorstelt: een zon, een maan, een jagershut – of zelfs een krokodil, tot groot vermaak van iedereen. De kinderen kijken met verbazingwekkend veel geduld toe hoe de huisjes worden getekend, en ieder kind krijgt een eigen plekje toegewezen. Hierdoor kan de euritmist de orde bewaren, zelfs nadat de kinderen hebben rondgerend en gesprongen; ze keren maar al te graag terug naar hun eigen “huisje”, waar ze zich veilig en geborgen voelen.
De activiteit begint met de gezamenlijke klankenreeks “I-A-O” (ie-aa-oo), waarbij de kinderen hun hoofdjes verstoppen. “Waar zijn jullie hoofdjes?” “Hier!” “Ik zie jullie beentjes niet – waar zijn die?” “Daar!” “En wat doen jullie armpjes?” “Zo!” – ze steken hun armen omhoog en vormen zo een ronde zon. Als ik merkte dat de aandacht van de kinderen verslapte, voegde ik vóór de “I-A-O” een eenvoudige oefening in – bijvoorbeeld een ademhalingsoefening, of het ballen en weer strekken van de handen, afhankelijk van wat er op dat moment nodig was. We bewegen allemaal naar het midden van de kring – naar het “huisje van de dwerg” – en dan luisteren we (*ch*) [het Duits heeft ‘horchen’, vandaar de ch]: komt er iemand aan? Langzaam staan we op, de kring wordt groter, en we springen op en rennen terug naar onze eigen huisjes, waarbij we onze armen uitstrekken en naar elkaar lachen. De kinderen zijn dol op lachen – en dat doen ze dan ook vaak – waarbij ze hun handjes gebruiken: ze lachen met hun handen hoog in de lucht, laag bij de grond, of door de ene of de andere hand te gebruiken. Of we kunnen ons in de struiken verstoppen, waarbij we het gebaar voor de letter ‘B’ maken, terwijl de euritmist roept: “Kleine kabouter, waar ben je? Kleine kabouter, waar word je wakker? Kleine kabouter, waar slaap je?” “Hier!” roepen ze, terwijl ze opspringen.
Na dit eerste moment van samenkomen ontvouwt de euritmieles zich – een les die in de praktijk overigens geen vol uur kan of hoeft te duren. Het uitgangspunt is altijd om aan te sluiten bij de actuele situatie: de seizoenen, een verjaardag, of misschien simpelweg het feit dat het buiten sneeuwt. Dit vereist van de euritmist een grote alertheid en het vermogen om de ideeën van de kinderen te omarmen, zonder daarbij de rode draad van de les uit het oog te verliezen. Iedereen die met kinderen heeft gewerkt, weet dat je van hen kunt leren hoe je het huidige moment naar een hoger niveau tilt.
Euritmie plaatst de mens in de wereld door middel van gebaren voor spraakklanken, muzikale elementen en ritmen; er is niets in de euritmie dat niet al in de wereld of in de mens zelf aanwezig is. Dit is een fundamentele ervaring die je bij kinderen kan waarnemen: er is slechts een klein duwtje in de rug nodig om datgene wat al in de mens verankerd ligt, tot bloei te laten komen.
In dit licht wordt een opmerking van Rudolf Steiner – uit zijn voordrachtenreeks *Algemene menskunde als basis voor de pedagogie* – begrijpelijk: “Wanneer is een mens zinloos bezig? Wanneer hij alleen zo bezig is als zijn lichaam het verlangt. Zinvol handelt hij, wanneer hij doet wat de omgeving van hem vraagt en niet alleen zijn eigen lichaam. Daar moeten we bij kinderen rekening mee houden. Enerzijds kunnen we de lichamelijke activiteit van een kind meer en meer sturen in de richting van puur lichamelijke beweging, van gymnastiek, turnen; daarbij wordt alleen het lichaam gevraagd welke bewegingen gedaan moeten worden. – En anderzijds kunnen we de uiterlijke bewegingen van een kind sturen in de richting van zinvolle bewegingen, bewegingen die geheel en al
van zin doordrongen zijn; dan dartelt het kind met zijn bewegingen niet in het geestelijke rond, maar volgt het de richtingen van de geest.
GA 293/191
Vertaald/182
De algemene opzet van een euritmieles wordt gevormd door de aanwijzingen van Rudolf Steiner voor het onderwijs op vrijescholen: begin elke les met een zekere ernst en sluit deze af met een vrolijke stemming. Bij jonge kinderen kan deze aanvankelijke ernst zich uiten als een verhoogde, geconcentreerde activiteit; het einde van de les kan vervolgens overgaan in een vrolijke, ontspannen vorm van spel, die uitmondt in een moment van volkomen stilte – waarbij echter ook op dat moment een luchtige, ontspannen sfeer behouden blijft. Een diepe, volledige ademhaling bij de kinderen getuigt van een gezond welbevinden – een toestand die nooit mag worden getemperd door de zware, sombere ernst die volwassenen nogal eens met zich meebrengen.
Er is vaak gezegd dat het verloop van een euritmieles een afgerond geheel moet vormen – vergelijkbaar met een reis door een andere wereld – en dat het ritmische sprookje daarvan een kernonderdeel is. Ik ben echter van mening dat er in dit proces juist een grote verscheidenheid moet heersen. De uitbundigste vreugde bij kinderen – en het is prachtig wanneer euritmie met zoveel enthousiasme wordt ontvangen – ontstaat wanneer er met contrasten wordt gewerkt. Denk bijvoorbeeld aan dwergjes die zo zachtjes met hun vingertjes – hun zilveren hamertjes – tikken dat niemand hen hoort; en die vervolgens met een heel grote hamer slaan (waarbij ze met hun voeten stampen). Nergens is de sfeer zo verstild en geheimzinnig als juist na een moment van uitbundige activiteit. Het principe van samentrekking en uitbreiding – zowel in de les als geheel als in de kleinste oefeningen – werkt simpelweg heilzaam. Ik heb vaak gezien hoe volwassenen proberen een bepaalde stemming bij kinderen op te roepen, of vanuit de stilte iets tot stand proberen te brengen en telkens weer wordt deze stilte doorbroken; er zijn kinderen die het simpelweg niet kunnen verdragen. Na een periode van levendige beweging — “Over stok en over steen, rent mijn kleine kabouter heen” — voelt de daaropvolgende stilte even natuurlijk aan als een inademing; op dit moment, waarin adem wordt gehaald, kan de euritmist de kleintjes — die zich nu in een staat van luisteren bevinden — op een geheel nieuwe wijze bereiken.
In de euritmie zoekt een kind naar volledige overgave; het kind wordt aangesproken binnen zijn eigen bewegingssfeer, en dat moet je te respecteren. Een kind is altijd volledig opgegaan in een bepaalde belevingswereld — het leeft daarbinnen. Ook de euritmist dient de oefening of de spraakklank met een dergelijke volledige, onbevangen en totale toewijding te beleven; het kind zal dit vervolgens met vreugde imiteren.
Wie probeert door te dringen tot wat bij jonge kinderen als een ontwikkelingsrealiteit kan worden waargenomen — en wie de ontplooiing van de mensheid beschouwt als een evolutie, zoals Lessing dat doet in zijn *De opvoeding van het menselijk geslacht* — die ziet bij het jonge kind iets wat volwassenen zijn kwijtgeraakt, maar wat in vroegere tijden wellicht bestond als een oorspronkelijke, poëtische kwaliteit. Het betreft hier de natuurlijke en onverbrekelijke eenheid van het talige, het muzikale en het ritmische.
J. G. Herder — wiens ideeën over volksliederen en balladen een grote inspiratiebron vormden voor de jonge Goethe — omschrijft deze “natuurlijke staat van poëzie” als: “Levendige gewaarwording, uitgedrukt in woorden en vergezeld van een volledige expressie door middel van gebaren.”
Bij het kiezen van teksten of liedjes voor kinderen is het daarom raadzaam te zoeken naar voorbeelden waarin het talige en het muzikale op natuurlijke wijze met elkaar verweven zijn. Kinderrijmpjes — in het bijzonder de oudere exemplaren — bezitten dit in de hoogste mate; daarin leeft zowel het creatieve taalgevoel als datgene wat Herder de “volledige expressie door middel van gebaren” noemt.
Bijvoorbeeld:
Klopfe, klopfe Ringelchen,
da gehn zwei arme Kinderchen,
gib ihnen was und laß sie gehn,
das Himmelreich wird offen stehn,
“Klop, klop, ringetje,
twee arme kindjes komen aan;
geef ze wat, laat ze gaan,
de hemelpoort zal wijd opengaan” – of:
Es regnet, es schneiet,
es weht ein kalter Wind,
es frieren alle Stäudelein
und alle kleinen Kind.
“Het regent, het sneeuwt,
een koude wind waait;
alle plantjes bevriezen,
en de kindjes ook.”
Het eerste versje neigt meer naar het lyrische en muzikale, terwijl het tweede rijmpje een ervaring beschrijft die geworteld is in medeklinkers – een wisselwerking met de omringende wereld.
Wat betreft de euritmische expressie van taal voor kinderen, geldt het advies van Rudolf Steiner: “Gebruik veel medeklinkers.”
Dit wijst opnieuw op de natuurlijke wijze waarop kinderen de krachten in hun omgeving in zich opnemen – krachten die het kind vormen en tegelijkertijd als vormgevende machten in de wereld werkzaam zijn.
Kinderen beleven groot plezier aan het voortbrengen van de ‘W’-klank – het waaien van de wind – of het sissen en fluiten van de ‘Fff’, vaak met zoveel overgave dat een gordijn kan gaan bewegen of een lamp begint te trillen. En wat een vreugde ontstaat er wanneer de euritmist doet alsof hij – bijna – door die kracht wordt omvergeblazen! Het is duidelijk dat de kleintjes deze gebaren niet slechts “uitvoeren”; ze leven erin. Ze hoeven alleen maar hun kleine armpjes op te tillen, want ze bevinden zich in een elementaire wereld waar de betekenis van wat wordt uitgesproken rechtstreeks voortkomt uit de klanken – uit de medeklinkers zelf. Deze wereld van scheppende taalbetekenis vormt en boetseert het kind, zeker wanneer het zich er met vreugdevolle, creatieve ijver aan overgeeft. Het kan een hoogtepunt van een euritmieles zijn wanneer de kinderen – misschien als reuzen die zware boomstammen voortrollen, of als dwergjes die op hun kleine rode rijdieren rondspringen – volop genieten van de klank van de letter ‘R’.
In eerste instantie zullen de kinderen willen meedoen – vaak nogal luidkeels – en dat moet je hen zeker niet verbieden. Met een beetje slimheid kan je echter uitnodigen tot een gebaar zonder dat daar geluid bij hoeft te worden gemaakt; denk bijvoorbeeld aan dit bekende liedje:
Johann, spann an,
zwei Katzen voran,
zwei Mauserin vorauf,
den Blocksberg hinauf!
“Johann, span het span maar in –
twee katten voorop,
twee muizenvangers erbij,
naar de Blocksberg trekken wij!”
Misschien komt Johann niet opdagen; dan roep je: “Johann!” Maar hij verschijnt nog steeds niet – roep nog eens… hij heeft het niet gehoord. Laten we het nu eens met onze armen proberen – kijk, daar is Johann, en de katten en muizenvangers schieten al vooruit.
Terwijl de kinderen zich enerzijds bezighouden met de medeklinkers, de taal en de vormgeving, vormt het muzikale element – een wereld waarin de kleintjes zo natuurlijk en gelukkig vertoeven – de andere kant. Ritme – de eigenlijke hartslag van het leven – is in beide aanwezig. De meest oorspronkelijke vorm is het lied: het samen zingen met de kinderen. Wanneer de kinderen helemaal opgaan in het muzikale, hoef je hen niet apart te instrueren om specifieke geluiden te maken of armgebaren toe te maken.
Aan de kinderen is duidelijk te merken dat één en dezelfde persoon niet tegelijkertijd kan zingen en euritmische gebaren kan uitvoeren*; de kinderen worden moe en verliezen hun belangstelling – de dubbele belasting is voelbaar. Wel kan je tijdens het zingen een kleine kringdans vormen, of – in de eenvoudigste vorm – de kinderen langs “rechte en gebogen” lijnen laten bewegen. Een kort voorbeeld kan dit verduidelijken:
Rudolf Steiner GA 278/108
Niet vertaald
Schmied, Schmied, Schmied,
nimm dein Hämmerlein mit!
Smid, smid, smid,
breng je hamertje mee!
De smid staat in het midden van de kring; de kinderen lopen naar hem toe, maken een hamerende beweging en lopen dan weer terug. Daarna lopen ze in een kring rond, terwijl ze zingen:
Willst du mir mein Ross beschlagen,
mußt dein Hämmerlein mit dir tragen.
Wil je mijn paard beslaan,
dan moet je met je hamertje komen!
Zodra het liedje is afgelopen, kan je zeggen: “Laten we het de smid nu eens op een andere manier vertellen!” – waarna je, stilstaand en zonder melodie, activiteiten kan ondernemen die zich richten op de medeklinkers van de taal.
Het zingen kan worden ondersteund – of zelfs vervangen – door de klanken van een lier of fluit; zo kan je bijvoorbeeld dwergen uitbeelden die snel voortbewegen of huppelen, of zelfs de dwergenkoning die met een kroon op zijn hoofd door het bos trekt. Er zijn talloze variaties te bedenken, zeker wanneer je muzikale elementen integreert – en als het op de juiste wijze wordt aangepakt, zullen de kinderen zelf meedoen met het bedenken ervan!
Wat betreft de vraag welke melodieën geschikt zijn voor een jong kind, wil ik erop wijzen dat de meeste traditionele kinderliedjes een pentatonische structuur hebben, al worden lang niet altijd alle vijf de tonen gebruikt. Doorgaans bestaan deze melodische patronen uit figuren van drie tonen. Er zijn vier specifieke drietonige figuren die steeds weer opduiken in kinderliedjes van over de hele wereld – of ze nu uit Hongarije, Duitsland of Zweden komen. Deze patronen bewegen zich binnen een middenregister – een kwart of een kwint – en het blijkt dat kinderen zich heel natuurlijk binnen dit bereik van een kwint (meestal van D tot A) bewegen.
Aan het einde van de les kan de kring worden opgeheven voor een levendig spel, zoals “De wolf en het duifje”. Omdat alle kinderen de rol van wolf, vos of reus willen spelen, ontstaat er een uitbundige, bijna dionysische sfeer. Zodra de rust is weergekeerd, kan je op de lier een kwint aanslaan – de “gouden klok” – en het gebaar van deze kwint laten doorklinken. Als de kinderen enthousiast raken, kan je zeggen: “Mijn klok is van zilver!” – wat anderen uitnodigt om met hun eigen klokken in te vallen – wit, groot of klein – totdat ze volledig zijn omhuld door de klank van kwinten. Dit interval, waarin de binnen- en buitenwereld in volmaakt evenwicht verkeren, brengt het ritmische proces van uitademen en inademen in een harmonieuze balans. Aan het slot van de les is het goed om met muziek of een liedje af te sluiten, zodat de ruimte waar de euritmie plaatsvond weer haar alledaagse karakter terugkrijgt.
Dit zijn slechts kleine suggesties, die op elk moment kunnen — en zelfs behoren te — worden aangevuld met andere soorten ervaringen. Het behoeft nauwelijks toelichting dat er sessies met kinderen zijn waarna je je rijkelijk beloond voelt; maar er zijn ook dagen waarop niets wil lukken — dagen die pijnlijk duidelijk maken hoeveel werk en leerproces er nog in het verschiet liggen. Het komt erop aan te leren van het directe moment, op een wijze die past bij de situatie, om zo steeds meer gestalte te geven aan het mensbeeld dat Rudolf Steiner ons door middel van zijn inzichten opnieuw heeft geschonken. Dit mensbeeld komt bovendien tot leven door het bezielde gebaar — de euritmie — en het zijn de kinderen die aan onze zorg zijn toevertrouwd, die ons dit kunnen leren.
.
‘Het kind danst’: inhoudsopgave
Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen
Euritmie: alle artikelen
Peuter en kleuter: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: peuter- en kleuterklas
.
3632-3422
.
.
.
.