VRIJESCHOOL – Euritmie in de 1e zevenjaarsfase (‘Kind danst’ 10)

.

Nora von Baditz
.

sprookjes- en arbeidsspel als stimulans voor de euritmie

.

Om je werk telkens opnieuw met een gevoel van frisheid en moed te benaderen, zijn nieuwe ideeën nodig. Laten we beginnen met het bekijken van enkele suggesties van Rudolf Steiner:

‘En als de mens in onze tijd wordt opgeroepen om als het ware de goden in zijn eigen zielenkrachten op te nemen, zodat hij niet maar gelovig afwacht tot de
goden hem dit of dat brengen, maar integendeel wil handelen alsof de goden in zijn handelende wil leefden, dan is dit het tijdstip – als de mensheid het wil beleven – waarop de mens in zekere zin van de uitwendig geschapen, objectieve kunsten moet overgaan naar een kunst die in de toekomst nog heel andere dimensies en vormen zal aannemen: naar een kunst die het bovenzinnelijke direct uitbeeldt.

En wat de pedagogisch-didactische toepassing betreft: deze zal gaandeweg individuen vormen die, dankzij een in deze richting georiënteerde opvoeding, als vanzelfsprekend beschouwen dat zij bovenzintuiglijke wezens zijn; zij bewegen immers hun handen, armen en benen op een zodanige wijze dat de krachten van de bovenzintuiglijke wereld in die bewegingen werkzaam zijn. Het is in feite de menselijke ziel — de bovenzintuiglijke ziel — die in de euritmie overgaat in beweging. Het is de levende uitdrukking van het bovenzintuiglijke die zich in euritmische bewegingen manifesteert.”

En de pedagogisch-didactische toepassing van de euritmie zal mettertijd mensen opvoeden die het door deze opvoeding vanzelfsprekend zullen vinden dat ze bovenzinnelijke wezens zijn, omdat ze hun handen, hun armen en benen zo bewegen dat daarin de krachten van de bovenzinnelijke wereld werken. Het is immers de ziel van de mens, de bovenzinnelijke ziel, die bij de euritmie tot beweging overgaat. Het is immers een levende manifestatie van het bovenzinnelijke die in de euritmische bewegingen aan het licht treedt.’
GA 271/201
Vertaald/186

‘We keren terug naar de oerbewegingen wanneer we euritmie doen.’
GA 279/57
Niet vertaald

We zetten dan bewust de weg van de goden voort doordat we het werk van de goden hebben overgenomen – het afdrukken van het denken in de hersenen – doordat we van het boven­zinnelijke van de euritmie, van de bovenzinnelijke euritmie, de zintuiglijke maken. Deden we dat niet, dan zou de mensheid langzamerhand in een zielendromen vervallen; ze zou in slaap gaan vallen. Het zou zó worden dat uit de geestelijke wereld wel allerlei in het Ik en het astrale lichaam van de mens binnen zou stromen, maar dat zou altijd in slaaptoestand gebeuren, en bij het wakker worden zou het nooit op het fysieke organisme worden overgebracht. Opdat de ontwikkeling van de mensheid kan voortgaan, moeten we dit proces – waarbij het bovenzinnelijke naar het domein van het zintuiglijke wordt gebracht – bewust in eigen hand nemen.”
GA 302A/48-50
Vertaald/51-52

Maar dat wat in de waarneming wordt ervaren, niet zintuiglijk maar spiritueel, wordt in de euritmie gegeven. Daarom zou men, bij het observeren van de bewegingen van de euritmist, werkelijk overal de natuur moeten kunnen voelen. En zij die de natuur voelen – maar dan de geest in de natuur – ervaren euritmie op de juiste manier. Stel je bijvoorbeeld voor dat iemand zegt: “Ik zie een euritmische beweging; het doet me denken aan de indruk die een spar op me maakte tijdens een wandeling in het bos. Een spar die in de wind bewoog of juist niet.” Maar als het niet bij dit gevoel blijft, als de persoon in kwestie bij zichzelf zegt: “Ja, nu verduidelijkt de euritmie me echt de spar, want de spar staat daar niet zomaar; de spar is een letter in dat wat stroomt en weeft door de wereld, in de eeuwige, oneindige woorden van de wereld. En euritmie verduidelijkt me over hoe de spar spreekt.” Euritmie kan me ook verduidelijken hoe de lente spreekt, euritmie ook over hoe de bliksem spreekt, enzovoort.’

We moeten onze verbeelding in beweging brengen – waarbij we putten uit alles wat in ons leeft – als we, vanuit een geest van liefde, het geheim van de spirituele essentie die in elk ding en elk proces besloten ligt, tot uitdrukking willen brengen. Pas wanneer we in staat zijn om vanuit de natuur iets te scheppen dat bij ons op zijn beurt een gevoel van verwondering oproept over wat het universum door ons, met ons en in ons vormgeeft, stijgen we op naar het werkelijk artistieke – naar die kunstvorm waaruit alle kunst in de menselijke geschiedenis is voortgekomen. Vanuit een dergelijke gemoedstoestand zullen we ook in staat zijn om op de juiste wijze een nieuwe kunstvorm, zoals euritmie, te ontwikkelen.
GA 277D/41  niet oproepbaar
Niet vertaald

Maar de euritmie bedient zich van de gehele mens als haar uitdrukkingsmiddel. Toch moet voor zo’n voorstelling tegenwoordig nog steeds aan de welwillendheid van de toeschouwer geappelleerd worden. Elke kunst moest ooit een beginstadium doormaken. Dat moet de euritmie ook. Zij staat aan het begin van haar ont­wikkeling. Maar omdat zij zich van het meest volmaakte in­strument bedient dat denkbaar is moet zij onbegrensde ont­wikkelingsmogelijkheden in zich hebben. Het menselijke organisme is dit meest volmaakte instrument; het is in wer­kelijkheid de microkosmos, die alle wereldgeheimen en wereldwetten geconcentreerd in zich draagt. Brengen we door euritmische bewegingsvormen tot openbaring wat zijn we­zen omvattend in aanleg in zich draagt als een taal die licha­melijk het totale beleven van de ziel laat verschijnen, dan moeten we daardoor de wereldgeheimen op artistieke wijze veelomvattend tot uitbeelding kunnen laten komen.
GA 307/278
Vertaald/355

“Door ons volledig onder te dompelen in het menselijk innerlijk — door de innerlijke roerselen te volgen, door te dringen in het denken, voelen en willen, en door alles te verkennen wat tot uitdrukking kan komen via spraak en zang — zijn we in staat om ‘bewegende beeldhouwkunst’ te creëren. Men zou kunnen zeggen dat wanneer we een beeldhouwwerk scheppen, het gehele, uitgestrekte universum samenkomt in een wonderbaarlijke synthese. Dat wat diep in de mens geconcentreerd is — als in een enkel punt van de ziel — streeft naar buiten, de kosmos in, en neemt de vorm aan van bewegingen die de mens vanuit zijn innerlijk voortbrengt op een euritmische wijze. In de kunst van de euritmie — deze ‘bewegende beeldhouwkunst’ — vormt de mens de bijbehorende tegenpool. We zien hoe de uitgestrekte sferen van het universum zich naar de aarde wenden en samenkomen in de rustende menselijke gestalte: dit is wat de beeldhouwkunst inhoudt. Omgekeerd, door ons in het menselijk innerlijk te verdiepen — door ons er geestelijk in onder te dompelen — nemen we waar hoe de mens uitreikt naar de kosmische krachten die vanuit alle richtingen toestromen om de menselijke vorm gestalte te geven; we zien wat vanuit de mens naar elk punt aan de periferie van het universum uitstroomt — en in die zin geven we vorm aan de euritmie.
Ik zou dit willen zeggen: het universum stelt ons voor een grote opgave, en de oplossing voor deze opgave is de schone menselijke gestalte. Ook het innerlijk wezen van de mens stelt ons voor een grote opgave. We putten uit oneindige diepten wanneer we ons, met een blik vol liefdevolle innigheid, verdiepen in het menselijk innerlijk. Toch streeft dit menselijk innerlijk ook naar buiten, de weidsheid in; het tracht – door middel van vloeiend soepele en ritmische bewegingen – datgene tot uitdrukking te brengen wat, in zielstermen, in één enkel punt is geconcentreerd. Op dezelfde wijze tracht de sculpturale menselijke gestalte – die, in verhouding tot de kosmos, slechts een enkel punt is – alle geheimen van de kosmos te omvatten. De menselijke gestalte, zoals die in de beeldhouwkunst tot uitdrukking komt, is het antwoord op de grote vraag die het universum aan ons stelt. En wanneer menselijke beweging kosmisch wordt – wanneer een mens in zijn eigen bewegingen iets van kosmische aard schept, zoals bij euritmie het geval is – dan ontstaat er vanuit de mens zelf een soort universum; althans, in eerste instantie in een imaginaire zin.’
Antroposofie mag de geheimen van de menselijke ziel niet louter theoretisch beschouwen; zij moet ook de volledige tragiek van de menselijke ziel ervaren, evenals haar uitbundige vreugde en alles wat daartussenin ligt. Bovendien moet zij in staat zijn om niet alleen datgene waar te nemen wat tragisch of vreugdevol is — of wat zich in het gebied daartussen bevindt — maar ook om hetgeen in de menselijke ziel wordt aanschouwd, tot uitdrukking te brengen door middel van uiterlijke bewegingen. Zoals de sterren in de beeldentaal van vroegere tijden helder werden waargenomen, en zoals de vormende krachten van de sterren in de ziel konden worden opgenomen, zo moet men ook datgene wat men in de menselijke ziel aanschouwt, naar buiten brengen — en dit door middel van uiterlijke bewegingen tot uitdrukking kunnen brengen —; dan ontstaat er euritmie.

GA 82/107-109
Niet vertaald

In de pedagogische euritmie is het de bedoeling om door middel van euritmie bewegingen met het lichaam uit te voeren die de ziel verder helpen – op moreel, cognitief en emotioneel vlak.
GA 279/252
Niet vertaald

“Door de euritmische bewegingen naar voren te brengen, wordt een grotere mate van vrijheid bereikt dan het geval zou zijn als ze niet naar voren werden gebracht.”
Het lijkt erop dat von Baditz een paar gezichtspunten heeft gecombineerd; het citaat als zodanig heb ik de GA’s niet kunnen vinden.

Euritmie voor de kleine kinderen
.

“We bereiken ons doel niet!” zo luidde het oordeel van dr. Steiner tegenover het docententeam van de Vrije Waldorfschool, na enkele jaren van uiterst intensieve arbeid. “De ontwikkeling van de kinderen is al verstoord tegen de tijd dat ze op school komen; we moeten eerder beginnen — we moeten een kleuterschool oprichten.” Deze woorden — of woorden van gelijke strekking, doordrenkt van de diepe ernst van de spreker — raakten de leerkrachten tot in het hart.

Hieraan vooraf ging een bespreking tijdens een conferentie, waarin dr. Steiner uiteenzette hoe het beoefenen van euritmie met een kind vóór de tandenwissel een kracht van het “Ik”  bevordert – een kracht die noch door school, noch door het lot (karma) kan worden geboden.

Het ‘Ik’ en het astrale lichaam worden echter van onderop ontwikkeld wanneer de mens in zijn totaliteit bij het opvoedingsproces wordt betrokken. Een sterk ‘Ik’-gevoel – oftewel een besef van het eigen zelf – zou bijvoorbeeld kunnen ontstaan ​​als een kind tussen de drie en vier jaar oud in aanraking komt met elementaire euritmie. Het individu raakt hierdoor volledig betrokken, en een waarachtig ‘Ik’-gevoel dringt door tot in de kern van zijn wezen.

De volgende dag begon ik met deze elementaire euritmie bij de kinderen van de leraren. Het verbaasde me enorm om te zien hoe natuurlijk de eenvoudige euritmiebewegingen voor jonge kinderen zijn; ze bootsen ze na met een ongekunsteld, vanzelfsprekend gemak. De weg van een jong kind is een proces van incarnatie – niet alleen in het eigen fysieke lichaam, maar ook in de omstandigheden van het aardse bestaan. Deze gerichtheid op de aarde laat haar sporen na in de wijze waarop het onderricht wordt gegeven.

De basis voor de les wordt gevormd door sprookjes, die op ritmische wijze in hun eenvoudigst mogelijke vorm zijn gestructureerd. Dr. Steiner benadrukte met klem dat sprookjes uitsluitend via ritme zouden moeten worden gegeven. De ervaring leerde dat een elementaire versie van het sprookje ‘Doornroosje’ bijzonder geliefd was onder de kleintjes:

Von Baditz behandelt nu een sprookje. Aangezien het Duits is, zijn niet alle voorbeelden ook geldig voor het Nederlands.
Naast een vertaling van de tekst, heb ik ook het Duits weergegeven.

Dornröschen war ein gutes Kind.
Doornroosje was een goed kind.

Bij het tot uitdrukking brengen van liefdevolle vriendelijkheid worden twee langgerekte bewegingen uitgevoerd: met de nadruk op een ‘U’-[oe]vorm en de handen tegen elkaar gedrukt, beweegt men langzaam — vervuld van de diepste, meest oprechte liefdevolle vriendelijkheid — naar het midden toe.

Dornröschen war ein liebes Kind.
Doornroosje was een lief kind.

Dezelfde lengte, maar nu doortrokken van liefde; de ​​B – binnen de ‘zone van de liefde’ – wordt vervolgens vertolkt met oprechte, innerlijke warmte.

Dornröschen war ein schönes Kind.
Doornroosje was een mooi kind

Deze ‘langen’ worden in een iets hoger tempo gedaan, vooruitlopend op het moois dat nog komen gaat. Bij de “Ö” maakt men een sprong van vreugde – en dat zelfs meermaals.

Bij een jong kind is het “vermogen om gebaren waar te nemen” actief; het kind kan eenvoudige begrippen of vermaningen uitsluitend via gebaren begrijpen. Daarom moet elk element uit de inhoud van een sprookje worden vertaald naar beweging.

Dan verschijnen de koning en de koningin, gehuld in een purperen mantel en getooid met een gouden kroon. Hun majestueuze verschijning geeft dit alles werkelijk gestalte. De koning spreekt vervolgens met grootse, meeslepende ‘langen’ die uit de hoogte lijken neer te dalen:

Dornröschen nimm dich ja in acht vor einer bösen Fee.
Doornroosje pas op voor een boze fee.

De spanning van de ervaring wordt verlicht door een kort, luchtig intermezzo waarin alle kinderen veranderen in ‘goede feeën’ die geschenken verzamelen voor Doornroosje. Ze vragen aan de zon, de sterren, bloemen, mensen, enzovoort: “Geef mij een geschenk” – en rennen vervolgens naar het midden van de ruimte om het aan Doornroosje aan te bieden, waarbij ze een zacht, schenkend gebaar maken. (Het maakt niet uit of er daadwerkelijk een voorwerp aanwezig is of niet; de verbeelding vult dit aan.)

Dan ga je met de kinderen naar een hoek – daar woont de boze fee; je wringt je lichaam in de onnatuurlijke, vreemde houding van een heks, stampt met je voeten en balt je vuisten. Met een zware, hese stem spreekt ze – waarbij elke lettergreep wordt benadrukt door een krachtige stoot van haar gebalde vuisten naar beneden –:

Dornröschen schlafe hundert Jahr. Und alle mit!
Doornroosje slaap honderd jaar. En iedereen!

Nu liggen alle kinderen op de grond te slapen. (Al gluren ze wel even om te zien wat er gebeurt.) Met weidse, levendige en bezielde gebaren laat de leerkracht een haag groeien rondom de kinderen die op de grond liggen.

Da wuchs die Hecke riesengroß. Und umgab das Schloß.
Toen groeide de haag reuzengroot en omsloot het kasteel.

Het zijn de enkelvoudige klinkers die op een wijze worden gevormd die leven uitstraalt. (De ‘I’ wordt weggelaten, aangezien deze nog niet passend is voor deze leeftijd.)

Vanuit een andere richting arriveert de prins – rijdend op een gouden paard, voortbewegend in een vlot tempo en zonder te stoppen; het gekletter van hoeven is hoorbaar – galop, galop – waarna de muziek kan beginnen, bij voorkeur gespeeld op een lier. Dit zonnige, vrolijke tafereel kan desgewenst ook in tijdsduur worden verlengd.

Hecke auf! Hecke auf!
Open de haag! Open de haag!

Hecke auf! Hecke auf!
Open de haag! Open de haag!

Daarmee suist het gouden zwaard neer op de doornen. De combinatie van de ‘H’ — die vanuit de hoogten van de hemel neerdaalt — en de ‘K’ — die naar beneden slaat en de materie overwint — creëert een levensechte beweging voor de prins, waarmee de leerkracht met veel energie meedoet. Nadat de prins om de slapenden heen is gelopen en met zijn zwaard heeft toegeslagen, komt hij tot stilstand en vormt hij een grootse, jubelende en liefdevolle ‘A’ — of wellicht een ‘AU’:

Dornröschen wache wieder auf
Und alle mit!

Doornroosje wordt wakker
en iedereen!

dan vele grote L-vormen — met de jubelende kreet van bevrijding, van verlossing. De prins pakt de handen van de prinses; de kinderen en de leerkracht dansen, in paren of in grotere groepen, waarbij ze naar rechts ronddraaien en vervolgens weer naar links draaien.

Da feiern sie ein Hochzeitsfest
Ein großes Fest!

Toen vierden ze bruiloft.
Een groot feest!

Onder begeleiding van muziek gaat deze zalige uitbundigheid door – totdat er plotseling iets heel anders gebeurt: misschien sta je doodstil, klap je drie keer in je handen, til je drie keer je voeten op – telkens met een korte pauze tussendoor – en verberg je vervolgens je handen terwijl je om je heen kijkt en vraagt: “Waar zijn ze?” – om ze daarna weer tevoorschijn te toveren. De kleintjes vinden het prachtig. Hun voeten bewegen – één, twee, drie – en met een vingertop geef je aan dat ze stil moeten zijn: “Blijf nu maar heel rustig staan.” Op deze manier ontstaat er een heel eenvoudig, ritmisch effect dat tot rust brengt.

Het is een vreugde voor de kleintjes wanneer zij, na wat zonnige, vrolijke muziek, plotseling het interval van een kwint horen en de beweging imiteren die hun is voorgedaan – een beweging die doorwerkt in de rugzijde en de palm van de hand. Binnen de pentatonische toonladder is de fundamentele kwaliteit van de kwint al werkzaam in de mens: “De wereld vormt de mens…” en ontvouwt zo het proces van het “worden tot een vrij mens.”

Het is voor deze leeftijd – dat wil zeggen, tot aan de tandenwissel – van groot belang dat het kind geborgen kan blijven in de dromerige beleving van het eigen lichaam. Men dient te vermijden dat er voortijdig begrippen worden geïntroduceerd; zo is het bijvoorbeeld raadzaam om nog geen versjes te gebruiken waarin wordt gewezen op lichaamsdelen, zoals: “Dit is mijn oog… mijn oor… mijn mond.” Dergelijke zaken zijn pas op hun plaats wanneer het kind in de eerste klas zit – het moment waarop het ‘etherlijf’ is geboren. Tot die tijd moet het kind de ruimte krijgen voor sprookjesachtig spel en praktisch, handelingsgericht spel. Bovendien mogen er in deze jaren nog geen formele geometrische vormen – zoals vijfhoeken of soortgelijke figuren – worden aangeboden. Volgens het leerplan horen dergelijke vormen thuis in de eerste, tweede en derde klas; een fase waarin het kind zich via verschillende geometrische vormen in de ruimte leert oriënteren.

In de euritmie zoals die door jonge kinderen wordt beoefend, worden enkel de basiselementen van de euritmie ingezet. Er is de grote pas – de reus, die over enorme, krachtige krachten beschikt; er zijn de vele lichte stappen op de toppen van de tenen, met vreugdevol geheven armen of handen die snelle, schietende bewegingen maken – de elfen; en er is de dwerg, die met zware voetstappen en vuisten die tegen elkaar slaan, “goud en zilver smeedt”. Deze variatie in beweging dient als een proces van incarnatie voor deze levensfase. De ritmische elementen helpen het kind om op een gezonde manier op aarde aan te komen – het doel is niet om het kind door een overdaad aan beelden – elfjes, engeltjes, dwergjes en dergelijke – van de aarde weg te tillen, maar juist om het op een speelse en luchtige wijze vertrouwd te maken met de aardse omstandigheden. Wat houden kinderen van zo’n ontmoeting!

Füchslein wollte Vögel fangen
Ist dann in den Wald gegangen,
Vöglein flogen alle fort,
Füchslein blieb allein am Ort.

Kleine vos wou vogels vangen,
Is toen naar het bos gegaan.
Vogeltjes zijn weggevlogen,
Kleine vos bleef eenzaam staan.

Eerst loopt loop je op de ‘langen’ richting het bos, vergezeld door het vosje; dit kan even duren en mag gerust een paar keer herhaald worden. De vogeltjes vliegen vrolijk weg, waarbij ze luid een ‘L’-klank laten horen. (Je kunt ook stoelen in de ruimte neerzetten, waar de hele groep omheen fladdert.) Het vosje zakt ineen met een ‘O’-klank – een heerlijk moment van teleurstelling. De kinderen zijn tevreden en spelen het spel maar al te graag nog een keer.

Häschen in der Grube Saß und schlief.
Saß und schlief.
Armes Häschen bist du krank,
Daß du nicht mehr hüpfen kannst?
Has‘ hupf, Has‘ hupf, Has‘ hupf!

Haasje in de legerstee (of: in de groeve) zat en sliep,
Zat en sliep.
Arm klein haasje, ben je krank,
Dat je niet meer huppen kunt?
Haasje hup, haasje hup, haasje hup!

Een kind hurkt neer, helemaal toegedekt, en doet alsof het een haasje is. De anderen komen dichterbij; ze bewegen met lange, aangehouden passen of – in het geval van de oudere kinderen – met een ritme van ‘lang-kort’ (— ◡). Dan springt het haasje plotseling op en huppelt iedereen in het rond, waarbij ze wellicht ook een korte (◡) tel verwerken. De kleintjes vinden dit een geweldig leuk spel.

“De verjaardag van het haasje” is een uitstekende manier om een ​​voorproefje te krijgen van de diversiteit op aarde..

Es war einmal ein Häschen,
Das hat ein stumpfes Näschen.

Dit is niet direct rijmend te vertalen. Je moet hiervoor zelf iets bedenken: bv.
Er was er eens een paardje,
dat had een heel mooi staartje

Ein kleines a, ein ä wie ein Häschen, u nach innen über die Nase, ä auch.
Met de bijbehorende klanken, zoals het Duitse voorbeeld.

Da Häschen heut’ Geburtstag hat,
Findet große Gesellschaft statt.

Vind iets eigens en daarop, staand, de lange klanken.

Da kommt der Vetter Muckelchen
Mit seinem krummen Buckelchen

Daar komt neefje …..
Met zijn ………

In het Duits komt hier een ‘haasje’ met sprongen en pasjes op de beklemtoonde lettergrepen, de armen uitgebeeld als pootjes. Grotere kinderen kunnen misschien een paar klanken maken – hier de oe bij Muckelchen. Al huppend komt het bij het haasje dat in het midden zit.

Da kommt die liebe Tante Reh Auch von des Berges Höh’.
Dan komt lieve tante ree,
die neemt haar kleintjes mee.

Lichte pasjes, armen omhoog.

Mit seinem stattlichen Geweih
Kommt der Onkel Hirsch herbei.

Met zijn statige gewei,
komt ook oom hert erbij.

Stampend, met gebalde vuisten en armen in een dreigende houding, nadert deze manifestatie van aardekracht.

Und die liebe kleine Maus
Kommt aus ihrem Loch heraus.

En het lieve kleine muisje,
komt uit haar kleine huisje.

Ze schiet naar voren met kleine, snelle pasjes.

Dan vieren ze de verjaardag.
Een groot feest, trala, trala, trala.
Alles danst.

Dit spel kan je een paar jaar spelen (ook nog in de 1e of 2e klas op verjaardagen)

Staven spelen slechts een ondergeschikte rol; het corrigeren van de lichaamshouding door middel van oefeningen met een staaf is doorgaans alleen aan de orde in een therapeutisch-pedagogische context. Niettemin kunnen bepaalde elementen worden toegepast: denk bijvoorbeeld aan het langzaam omhoog brengen van de staaf, het dragen ervan op de rug tijdens een mars met zware passen, het ‘bereiden van een maaltijd’ via de staafoefening ‘Zo is het nu eenmaal’,[Duits So ist es] of kinderen laten knielen en hen als dwergen laten hameren: zilver, goud, zilver, zilver, goud.

Elementaire arbeidsspelletjes

Naast traditionele sprookjesspelen – zoals *Doornroosje*, *Sneeuwwitje*, enzovoort – vormen ‘arbeidsspelen’ de basis van het lesuur. Door middel van de archetypische bewegingen die inherent zijn aan menselijke arbeid, bevorderen zij een gezonde incarnatie. Het bezwaar dat men in onze moderne, technologische tijd geen activiteiten meer kan zien zoals maaien, zaaien, dorsen of het smeden van hoefijzers, is ongegrond. Net zoals we de opvoeding van een kind niet beginnen met wereldgeschiedenis, beginnen we evenmin met de technologische vooruitgang – oftewel met machines. In plaats daarvan laten we de bewegingen die verbonden zijn met menselijke arbeid dienen als hulpmiddelen op de weg van het kind naar wording en ontplooiing hier op aarde.

Ook hier is de benadering fundamenteel. Dr. Steiner legt uit hoe men de dynamiek die inherent is aan arbeidsbewegingen op kunstzinnige manier kan vatten en gebruiken om ‘arbeidsspelen’ te creëren. Met andere woorden: uit de bewegingen die gepaard gaan met zaaien, maaien, smeden, melken, enzovoort, worden heel eenvoudige woorden afgeleid – woorden waarvan de klanken de specifieke dynamiek van elke afzonderlijke activiteit tot uitdrukking brengen.

Kom kinderen.
kom dichterbij,
ik maak voor jullie een goede schoen.

De schoenmaker zit daar in een brede, stevige houding; hij spreekt met een vriendelijke, krachtige en ongekunstelde stem, terwijl zijn handen – nog steeds aan het werk – op zijn dijen rusten. De kinderen zitten op stoelen of banken – niet op de grond – en ervaren een weldadig gevoel, voortkomend uit de kracht die van hem uitgaat. De twee ‘oe’-klanken worden langgerekt en dalen langzaam vanuit de hoogte neer richting de schoenen. Sommige kleintjes staren vol verwondering naar het schoeisel. Dan begint het werk. De dynamische beweging van de vingers komt tot uitdrukking in de ‘L’-klank, die de uiterste vingertoppen activeert:

Ik geef hier alleen de Duitse tekst van het spelletje . Zoek zelf een passend Nederlands rijm, met de bijbehorende klanken, zoals hier voor het Duits.

Lege kleine Nägelein

Het is vaak prachtig om het leven te zien dat zich in die kleine vingertjes openbaart!

In die weichen Sohlen fein.

Hier brengt men vier ‘N’-klanken voort – zachtjes, met liefdevolle zorg; men kan ze ook als een lichte aanraking laten klinken. In deze klank, die verbonden is met het noodlot, geeft men de liefde voor het aardse rijk de ruimte.

Schlage mit dem Hämmerlein
Alle Nägel schnell hinein.

Sla nu met de rechterhand op de linkerhand. (Zorg ervoor dat de rechterhand de actieve rol vervult; dit dient als preventieve maatregel of als correctie voor linkshandigheid.[1]) Je kunt beginnen door twee vingers tegen twee vingers te tikken, vervolgens wijsvinger tegen wijsvinger, en ten slotte — met een scherpe, doelgerichte beweging — de hele hand op de andere hand te laten neerkomen. Deze ritmische, harmonieuze interactie met het eigen lichaam kan werkelijk worden ervaren als zinvolle bezigheid, wat de kinderen grote vreugde schenkt. Hun hele wezen wordt geactiveerd. Tik daarna speels rondom het hoofd met snelle, scherpe, ritmische bewegingen — waarbij het tempo gaandeweg toeneemt. De kleintjes zullen vol verwondering uitroepen, alsof ze beseffen: “O, wat is het toch prachtig om hier op deze aarde te mogen werken!”

Klopfe, klopfe, klopfe schnell
Klopfe alle Näglein‘rein.

De voltooide schoenen worden in een rugzak gestopt en naar mensen gebracht die geen schoenen hebben. Wat een vreugde beleven de kinderen eraan om schoenen te geven aan een oude man, een vrouw of een kind! Daarna gaan ze vol enthousiasme aan de slag om weer nieuwe paren te maken.

Nog een spel: De postbode. — Het gegeven dat je iets bij je draagt, komt tot uiting in het lopen. Eerst gaat iedereen voor de deur staan ​​en klopt zachtjes aan: “Bel, bel, klink maar luid!”
Ze kijken om zich heen: doet niemand de deur open?
Dit wordt herhaald, maar dan met een harde klop. De derde keer kloppen ze heel hard, en de deur zwaait open:

Viele Briefe bringt die Post.

Al dragend en slepend – wat het hele lichaam op dynamische wijze activeert – stapt iedereen voort:

Pakketten, dozen, zakken….

De kinderen roepen en eisen steeds zwaardere dingen, totdat een jongen schreeuwt: Een piano! En dus slepen en tillen ze die met grote inspanning met zich mee.

Staand:
Een brief voor vader.
Alleen een grote A.

Een brief voor de lieve moeder – iedereen voegde bij de [oe] spontaan kleine kusjes aan de brief toe.

Een zak noten voor omama

De vele m’s zijn  leuk

Een piano voor opapa

De grote P’s

Een pruimenpit voor jou.
De kinderen rennen naar elkaar toe, al juichend.Veel brieven brengt de post

Klappend wordt er rondgedanst.

Hartelijk dank,
hartelijk dank.

Met de A oprecht uiting geven aan dankbaarheid in je innerlijk is essentieel, want dankbaarheid is de fundamentele deugd van deze levensfase.

Rum-pum-pum, rum-pum-pum,
de post gaat ergens anders heen.

En dan verder op de ‘langen’.

Het is een prachtige ervaring voor de kinderen om, na afloop van zo’n stuk, prinses Doornroosje te begeleiden in volkomen stilte, met de armen eerbiedig over de borst gekruist. Ik hanteerde deze vorm van “ootmoed” uitsluitend op dit specifieke moment, omdat het — mits met de uiterste terughoudendheid toegepast — iets diepgaands oproept. Het te vaak kruisen van de armen over de borst leidt tot een afstomping voor dit gevoel van ootmoed (hierop moet gedurende de gehele schooltijd strikt worden toegezien!).

Er zijn vele manieren om een ​​kind de wereld in te begeleiden. De kleermaker naait, de boerin melkt de koe, de houthakker velt bomen in het bos, enzovoort. Dit alles werkt orgaanvormend, versterkend en bevordert de gezondheid.

De stem van de leerkracht dient natuurlijk te zijn (vermijd een te hoge toonhoogte, of een gekunstelde dan wel kinderachtige wijze van spreken!). Alles wat onnatuurlijk is, werkt irriterend op het kind en verstoort de maag; dergelijke zaken kunnen zelfs de oorzaak zijn van maagklachten die zich op latere leeftijd manifesteren. Over het algemeen vereist deze vorm van instructie de grootst mogelijke oprechtheid. Er is geen ruimte voor speelse of fantasierijke elementen – niets dat niet past bij de leeftijd van het kind. Men mag geen vreemde elementen – zoals stenen of linten – in de beoefening introduceren, aangezien dit de basis, die van zuiver euritmische aard is, aantast.

In een uur dat vervuld is van warmte en liefde, en van oprechte vreugde, kan een kind een vorm van genezing in zich opnemen – een tegenmiddel voor de vele schadelijke invloeden die op het kind afkomen via televisie, radio, auto’s en dergelijke. Ons werk moet krachtig en fris zijn om een ​​effectief tegenwicht te bieden en zo het zich ontwikkelende menswezen te beschermen! Hoe eerder een kind de zegeningen van euritmie ervaart, des te beter is dat voor het kind.
Toen een moeder aan dr. Steiner vroeg of het zinvol zou zijn voor haar achttien maanden oude dochter om privélessen euritmie te volgen, antwoordde hij: “Ja, dat is goed. Men kan niet vroeg genoeg met euritmie beginnen.”
Daarom is het zeker aan te raden om vóór het derde levensjaar met groepslessen euritmie te starten.
Denk aan deze woorden van dr. Steiner: “Euritmie versterkt de werking van die krachten die vóór het derde levensjaar in het kind werkzaam zijn.”
Om welke krachten gaat het hier? Het is de kracht van de Christus, die tot het derde levensjaar in het kind verblijft. Laat de euritmie voor het jonge kind daarom in Zijn dienst staan, zodat het kind, in alle nederigheid, naar de “nieuwe Heer van de Aarde” wordt geleid. [2]

Samenballen en uiteengaan

Het in de euritmie bekende ‘ballen und spreizen’ heeft als kern dat iets zich samentrekt en weer uitbreidt. Een mooi voorbeeld is een groep kinderen in een cirkel staand, die zich allemaal naar het middenpunt van de ruimte bewegen en weer teruggaan naar de periferie..

De omstandigheden van deze tijd werken, meer dan wat ook, verlammend en verstikkend op het vrije initiatief van de mens. Het individu lijdt onder een onvermogen om beslissingen te nemen. In het gehele maatschappelijke organisme is er een wijdverbreid gebrek aan individuen die in staat zijn tot het nemen van initiatief.

Dr. Steiner introduceerde een oefening die bestaat uit het ballen en spreiden van de handen – een werkwijze die verlichting kan bieden bij dit specifieke probleem. Het is de bedoeling dat het kind deze oefening uitvoert in steeds complexere variaties: vanaf de vroegste jaren in de euritmie – beginnend in de peuterleeftijd – tot en met de twaalfde klas en zelfs in de euritmie voor volwassenen. Jonge kinderen genieten van het beeld waarbij de vingers en handen zo worden samengebracht dat ze een vogelnestje vormen met een kleine opening; daarin liggen zeven eitjes. Het is helemaal stil – dan klinkt er een zacht gepiep – een vogeltje is uit een eitje gekropen. Eén, twee, drie – allemaal! Plotseling vliegt een vogeltje omhoog, richting de zon, met gespreide en bewegende vingers; een ander volgt, keert dan terug naar het nest, waarna ze allemaal vrolijk omhoog vliegen, om vervolgens weer af te dalen naar de vader- en moedervogel. Het hele verloop – een afwisseling tussen het ballen en spreiden van de handen – ontvouwt zich in een rustgevend, ritmisch samenspel.

Bij de eerste klas kun je de kinderen in rijen tegenover elkaar opstellen, of de groep in een kring laten stampen — zonder de stappen te tellen — waarbij de nadruk uitsluitend ligt op een geconcentreerde krachtsinspanning, met gebalde (maar niet gekruiste) handen; laat hen vervolgens uitbarsten in een wijde, ruimtelijke beweging, gevolgd door een snelle ren.

Het doel van deze oefening is om de afwisseling tussen contractie en expansie te leren beheersen – oftewel: om door middel van een innerlijke kracht van de ene toestand naar de andere te bewegen. En waar bevindt deze kracht zich – de kracht die telkens opnieuw het bevel kan geven om los te breken uit een van deze uitersten, uit deze tegengestelde polen?

Iedere euritmist die de diepe mysteriën van de oefeningen van dr. Steiner begrijpt, kan in een geest van eerbied geleidelijk doordringen tot de wezenlijke diepten van zo’n oefening. En wat ontdekt men dan? De mens, die worstelt, maar tegelijkertijd naar beneden wordt getrokken – door de verhardende, beklemmende afgronden van Ahriman – naar een toestand beneden het menselijke niveau. Men ervaart zichzelf als een gevangene in de greep van de zwaartekracht. Wat schenkt dan de kracht om zich te bevrijden? De verlossende kracht van het midden, van het evenwicht – de Christus! Door Zijn milde hulp is men in staat om eerst de vingers uit hun verkrampte toestand te bevrijden – vervolgens de handen, de armen, de borst, de rug – de gehele mens.

Een toestand van evenwicht ontstaat uit oneindig bevrijdende krachten.

Voor de belangstellende leek is onderstaande niet eenvoudig te begrijpen. Zowel de intervallen als ‘Ich denke die Rede’ zijn onderwerpen van de opleiding tot euritmist en krijgen m.n. door het beoefenen en door de tijdsduur dat je ermee bezig bent, hun verdere verdieping.
Wat von Baditz van Steiner citeert is allesbehalve makkelijk en veronderstelt een bepaald weten van Steiners verdere gezichtspunten.

Uit de tooneuritmie: intervallen

De kwint.
In de pedagogische euritmie krijgt de tooneuritmie een geheel andere betekenis. Het interval van de kwint fungeert bijvoorbeeld als een soort verzorger, behoeder en beschermer voor het kind. Vanaf de vroegste jaren vergezelt deze beweging van de kwint het kind; ze vormt en boetseert het. “Door de ervaring van de kwint voelt het kind zich een mens in de wereld.” De wereld — het goddelijke — vormt de mens. Het is een “ontwaken tot het eigen mens-zijn binnen de goddelijke wereldorde.” “Zich verankeren in het goddelijke.” “De engel zingt in mij…”

Het kind wordt gevormd. Het kind voelt zich op zijn gemak en beleeft vreugde aan deze resonerende beweging. Voor de leerkracht brengen de intervallen een grote verantwoordelijkheid met zich mee: het begeleiden van de impuls – die bij het sleutelbeen ontstaat – naar het punt waar het interval moet klinken. Dit moet zo feilloos en zuiver gebeuren dat elk kind de klank kan waarnemen en imiteren. Men spreekt met kinderen niet over de mechanica van deze impuls. Maar wanneer de leerkracht een kwint laat klinken – waarbij de aandacht in een flits wordt gericht op de binnenzijde van het rechter sleutelbeen en de omliggende spieren, dit vervolgens aan de linkerzijde wordt herhaald, en deze muzikale energie ten slotte naar de hand wordt geleid om haar tot levendige expressie te brengen – dan volgt het kind dit voorbeeld. Zo krijgt de vormende, mensvormende kracht van dit interval de kans om in het kind werkzaam te zijn. “De kwint is de mens. Het is alsof een mens tot aan de eigen huid naar binnen reikt, die huid vastpakt en daarmee zijn eigen grenzen bepaalt. De kwint is de huid die de mens definieert. En nimmer kan een mens zich door middel van muzikale tonen zo diep menselijk voelen als wanneer hij de kwint ervaart in verhouding tot de grondtoon.”

Het is daarom gemakkelijk te begrijpen waarom de vormende kracht van dit interval – het enige interval dat zo’n invloed op het kind uitoefent – ​​werkzaam blijft tot de leeftijd van negen jaar. Op de lier of de piano kan de kwint het beste als een gebroken interval worden gespeeld; dat wil zeggen dat de tonen na elkaar klinken in plaats van tegelijkertijd. Het is waardevol om het kind dit al vroeg te laten horen, te leren herkennen en uiteindelijk ook zelf te laten voortbrengen. Zo wordt het interval als een vriend, een vertrouweling voor het kind – een vormende aanwezigheid die door de jaren heen blijft bestaan.

De terts.
Naarmate het negende levensjaar nadert, wordt het leven voor het kind lastig. Dr. Steiner spreekt van een “crisis”. Rond deze tijd worden kinderen die doorgaans rustig zijn vaak onrustig, terwijl kinderen die juist onrustig zijn, stiller kunnen worden. Er ontstaat een spanning – die vaak gepaard gaat met een intense pijn die zich zelfs fysiek kan uiten – naarmate het ‘zelf’ van het kind naar voren treedt en zich losmaakt van zijn omgeving. Dr. Steiner beschrijft hoe het kind op dit punt naar iets “verlangt”. Waarnaar verlangt het? Naar datgene wat de kleine en de grote terts bieden: een gevoel van stabiliteit in het eigen zelf – precies het fundament dat nodig is om voet aan de grond te krijgen in het aardse leven.

Wie er diep van overtuigd is dat alles wat we kinderen – in de vorm van muzikale tertsen – aanreiken tussen hun negende en twaalfde levensjaar, dient als een waarborg tegen instabiliteit in het leven en als een pantser tegen schadelijke invloeden, die zal in staat zijn een schat aan oefeningen te bedenken die de kinderen zowel boeien als verlevendigen…

Platvoeten en spreidvoeten: preventie bij jonge kinderen

De volgende korte oefening, die kinderen erg leuk vinden, helpt bij het voorkomen van platvoeten en spreidvoeten. Laat de kinderen halverwege de sessie – bijvoorbeeld na een sprookjesspel – in een rij gaan staan, elkaars hand vasthouden en voorzichtig hun rechtervoet optillen, waarbij ze op de toppen van hun tenen balanceren: “Ze vieren een bruiloftsfeest – een groots feest!”

Elk van de vier stappen wordt uitzonderlijk goed uitgevoerd – we zijn aan het “dansen”. Daarna schiet je razendsnel richting de muur: woesj!

Iedereen tikt vrolijk tegen de muur, draait zich vervolgens om, en het “dansen” begint in de andere richting. Deze vlotte, opgewekte beweging van de muur af dient als een welkome onderbreking, aangezien de langzame passen — die de kinderen met grote concentratie uitvoeren — behoorlijk inspannend zijn voor de kleintjes. Door op de toppen van de tenen te balanceren, krijgt de voetboog vorm; wanneer de voet daarna langzaam weer wordt neergezet, wordt deze gemasseerd en geactiveerd.

Hoe wordt en blijft men geschikt voor het werk?
TAO en “Ich denke die Rede.”

Hoe maak ik mezelf geschikt voor deze grote taak? Dat is een vraag die menig euritmist zich stelt. En… hoe blijf ik fris en creatief?

Het “TAO” is de ene weg. Dr. Steiner zei: “U zult zien dat u in het TAO een prachtig middel bezit om uw innerlijke lichamelijkheid soepel, innerlijk flexibel en artistiek vormbaar te maken voor de euritmie; want als u het werkelijk uitvoert — als u een septiem en een sext, zoals ik ze heb gegeven, terugvoert naar de E en de D, waardoor u bij het interval van een secunde uitkomt — dan zult u merken dat dit u een innerlijke kracht schenkt die u vervolgens in al uw euritmie kunt inzetten. Het is een esoterisch instrument. En het beoefenen ervan betekent mediteren binnen de euritmie. — Wat ik hier aanreik, is in feite een esoterisch intermezzo dat wijst in de richting van euritmische meditatie. En men moet ver teruggaan in de tijd — helemaal tot in het oude China — wil men tot deze vorm van meditatieve euritmie kunnen komen.”

Degenen die vele jaren met deze meditatie leven, ervaren oneindige zegeningen voor hun werk. Ter inspiratie volgt hier een passage uit een voordracht die in 1906 werd gehouden:

De Atlantiër nam in de natuur een fundamentele grondtoon van het Goddelijke waar; hij ademde zijn God als het ware in en uit. Zou men dit waargenomene in woorden moeten vatten, dan zou men het kunnen samenvatten in een klank die verwant is aan het Chinese ‘Tao’. Voor de Atlantiër was dit de klank die de gehele natuur doordrong. Of hij nu een blad aanraakte of een bliksemschicht aanschouwde, het was alsof hij het gewaad van het Goddelijke aanraakte.

Wanneer de intuïtieve kracht van de septime – actief en vurig wordt ingezet in de vingertoppen, kan er, in alle nederigheid, de werkelijke ervaring ontstaan ​​die door dr. Steiner in verband met intuïtie wordt beschreven: “In deze toestand dompelt een mens zich als het ware onder in verschillende entiteiten en identificeert zich daarmee. Men kan één worden met welk wezen dan ook. Daarbij doet men onvermijdelijk ervaringen op die voorbij ons zonnestelsel reiken. Het perspectief verruimt zich dan van een bewustzijn van een specifiek stelsel naar een bewustzijn van de kosmos – intuïtie voert de mens voorbij de grenzen van individuele zonnestelsels.”

De “septime-ervaring” is een kwestie van uit jezelf stappen – want in wezen is het een tevoorschijn komen van binnenuit. En wie ‘septimen’ ervaart – mits diegene de ervaring beleeft – zal weten wat intuïtie is.’

Vervolgens komen we, vanuit een meditatieve benadering, bij het interval van de sext. “Wie sexten ervaart, weet wat inspiratie is.” De volheid, de rijkdom van de sext, stroomt naar beneden. “Gedurende de nacht dompelt de mens zich onder in de muziek der sferen; terwijl deze tonen door hem heen klinken, ontwaakt hij ’s ochtends verfrist en versterkt. En wanneer een mens dit in zijn bewustzijn opneemt, treedt hij in een staat van inspiratie – waardoor hij in staat wordt alles waar te nemen wat binnen zijn zonnestelsel bestaat.”

De overvloed, die via de septiem en de sext wordt overgebracht, daalt door middel van de grote terts af in het menselijk zelf. Vervolgens wordt deze volledig verinnerlijkt door de aanhoudende secunde. De mens heeft ontvangen! Wanneer men deze reeks intervallen toepast op de bijbehorende intervalvormen — waarbij de septiem en de sext worden samengevoegd — en deze herhaaldelijk uitvoert met zowel moed als toewijding, voelt men zich tot in de diepste kern verrijkt, verfrist en opgewassen tegen de taken die voorhanden zijn.

Een tweede manier om dieper in de euritmie door te dringen, is via de houdingen die horen bij de zin: “Ich denke die Rede.” Dr. Steiner merkte op dat deze oefening een harmoniserende en opbeurende werking heeft – en voegde daar, met een glimlach, aan toe terwijl hij naar de euritmiste wees die op de personen in de houdingen afkwam: “U zult zien hoe vrolijk juffrouw… over twee uur zal zijn!”

Helaas zijn er in de loop der jaren fouten in deze houdingen geslopen. Het is mij toegestaan ​​– sterker nog, ik voel mij genoodzaakt – om dit te vermelden, aangezien ik zelf deelnam aan de oefening toen deze voor het eerst werd gepresenteerd, en ik mij herinner hoe dr. Steiner de stand van mijn armen en voeten corrigeerde.

Ich denke die Rede.
Je beweegt rechtstreeks – zonder een eerdere houding  – naar de positie met gekruiste armen, waarbij de rugkant van je handen naar boven wijst.

Ich rede.
De spraakstroom breekt door – waarbij deze zich uiteraard altijd voorwaarts beweegt – en de armen en handen zijn actief betrokken terwijl deze spraakstroom naar voren stroomt. Hoe vaak sprak dr. Steiner niet over dit voorwaarts gerichte karakter van de spraakstroom!

Ich habe geredet.
De armen dalen tot de hoogte van het hart.

Ich suche mich in meinem geistigen Ursprung.
Ik stond op deze plek toen dr. Steiner de houdingen demonstreerde; hij liet mij deze houding aannemen en bracht er correcties in aan: de handpalmen naar boven gericht, de voeten ver uit elkaar geplaatst.

Ich fühle mich in mir.
De handpalmen blijven naar boven gericht, en de armen en handen dalen — op een ontvankelijke wijze — af tot op hoofdhoogte.

Ich bin auf dem Wege zum Geiste, zu mir.
De handpalmen blijven naar binnen gericht, terwijl de armen en handen in een smalle lijn omhoog zijn gestrekt..

Wanneer ze op een rustige wijze worden uitgevoerd – waarbij men de tijd krijgt om erbij stil te staan ​​en zich onder te dompelen in de ervaringen die ze in het diepere zelf oproepen – hebben deze houdingen een enorm herstellende en verenigende uitwerking.

Uit een manescript „Über die pädagogische Eurythmie für Unterrichtende“

[1] Er was een tijd in het Nederlandse onderwijs, dat linkshandigheid ‘verkeerd’ was en moest worden afgeleerd, dan wel voorkomen. Deze tekst lijkt daarop.
Steiner heeft over linkshandigheid gesproken en bv. in de jaren 1970 werd er in de vrijescholen serieus naar linkshandigheid gekeken. Er werd allerlei onderzoek gedaan of het kind wel ‘echt’ linkshandig was of niet en of het van waarde zou kunnen zijn het ‘rechts’ te stimuleren (of niet).
Hoe daar anno-nu naar gekeken wordt, is mij niet bekend.

[2] Deze gezichtspunten vragen eigenlijk om nadere uitleg.
Die kan hier niet zomaar gegeven worden.

‘Het kind danst’: inhoudsopgave

Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Euritmie: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter- en kleuterklas

.

3639-3429

.

.

.

.

 

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.