VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-2/2)

.

Wie zich verdiept in Steiners ideeën over de sociale driegeleding en deze voor de maatschappelijke realiteit vruchtbaar wil maken, krijgt ook te maken met de opvattingen over arbeid en inkomen. Beloond worden voor werk komt in een ander daglicht te staan. Het woord ‘basisinkomen’ valt.
Dergelijke geluiden klinken regelmatig ook vanuit een ander vertrekpunt. Een artikel – vanuit weer andere motieven – over het basisinkomen stond op 7 juli 2018 in Trouws Letter en Geest, waarin een aantal duidelijke parallellen met de visie van Zwart (en Brüll) 

ARBEID EN INKOMEN

In juli van dit jaar* drukten wij een vraaggesprek af met Minister Albeda van Sociale Zaken.[niet op deze blog]
Het onderwerp: loskoppeling van arbeid en inkomen. Alhoewel Albeda van mening was dat we toe zijn aan een nieuwe ethiek ten aanzien van arbeid, zag hij geen heil in het op losse schroeven zetten van het uitgangspunt dat iemands inkomen gebaseerd is op de arbeid die hij verricht. “Wanneer iemand iets presteert, dan mag daar een beloning tegenover staan’, waren zijn woorden. We legden hem de vraag voor wat hij dacht van het alternatief inkomen niet op prestatie, maar op individuele behoeften te baseren. De Minister: ‘Een behoefte is geen aanknopingspunt. Behoeften zijn in principe onbeperkt’. Professor Zwart denkt hier iets anders over. Naast zijn professoraat aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam, is hij medewerker van het NPI, een instituut voor organisatieontwikkeling. De medewerkers van dit instituut hebben het automatisme dat bestaat tussen prestatie en inkomen in zoverre doorbroken, dat de traditionele loonschalen overboord zijn gegooid. In onderstaand vraaggesprek met Professor Cees Zwart wordt duidelijk dat het wel degelijk mogelijk is arbeid en inkomen te ontkoppelen. Maar eenvoudig is het niet. De gedachte dat prestatie als criterium voor het bepalen van het inkomen met een eenvoudige kunstgreep vervangen kan worden door het criterium behoefte, blijkt wat al te simplistisch.

Behalve dat Cees Zwart uit de doeken doet hoe het NPI werkt met de inkomens van de medewerkers, zet hij uiteen waarom naar zijn mening het probleem van de werkeloosheid niet kan worden opgelost zonder een loskoppeling van arbeid en inkomen.

Naar het oordeel van de Minister (zie Jonas 23,11 juli 1980) is het niet mogelijk arbeid uit de sfeer van het marktmechanisme te halen. De nerf van ons huidige arbeidsbestel bestaat uit het spanningsveld tussen vraag en aanbod. Specialisten in de gezondheidszorg – om maar eens een voorbeeld te noemen – hebben een stuk ‘schaarste’ in handen en kunnen dan ook een hoog inkomen vragen als tegenprestatie voor hun arbeid. Ongeschoolden hebben in de regel geen schaarste te bieden en moeten dan ook met een lager inkomen genoegen nemen. De Minister meent dat ‘ondanks het feit dat het marktmechanisme leidt tot onrechtvaardige inkomensverschillen, het marktmechanisme op zichzelf niet onrechtvaardig is. Vervelende bijverschijnselen van het mechanisme moeten worden bijgesteld’, aldus de Minister. ‘Probeer als overheid (…) invloed uit te oefenen op schaarste-verhoudingen. Voorkom dat een enkeling een stuk schaarste in handen kan krijgen, dat hij kan gebruiken om daar een hoger inkomen uit te halen’.

Hoe kijkt Cees Zwart tegen zulke uitspraken aan?

‘Als ik de stelling van Albeda hoor dat wanneer iemand iets presteert, daar inkomen tegenover mag staan, klinkt mij dat oercalvinistisch in de oren. Daar klinkt voor mij een cultuur door heen waar straf en beloning een grote rol spelen. Belangrijke gezichtspunten binnen die calvinistische cultuur zijn, dat het goede beloond, en het kwade gestraft moet worden. Arbeid adelt, en ledigheid is des duivels oorkussen. Dat is een religieuze normering – die ik overigens respecteer – die met het economische leven eigenlijk niets te maken heeft. Het wortelt in een oude ethiek, waar goed en slecht streng gescheiden zijn.

In onze tijd lijkt het mij juist te gaan om een openlijke ontmoeting met het slechte, het boze. Goed en kwaad kunnen niet langer streng gescheiden worden. Dit soort oude dogma’s werken ook niet meer, hoe graag sommigen dat ook zouden willen. De werkelijkheid laat zien dat het niet meer zo is dat het goede altijd beloond en het slechte altijd gestraft wordt. Het omgekeerde gebeurt regelmatig: het goede wordt gestraft en het kwade beloond. Als je met name in het economische gebied kijkt – en Albeda weet dat natuurlijk – kom je tegen dat fraude en zwart geld lucratieve zaken zijn. De schematiek van het goede en het kwade en de daaraan gekoppelde economische beloning, heeft zijn cultuuropgave gehad.

De mens moest vroeger door de Goden, of door de representanten daarvan zoals de priesters, behoed worden voor het kwade. Beloning hield in: iemand op het goede spoor houden. Daar komt de stelling vandaan dat een prestatie beloond moet worden. Vrijwel iedereen beleeft ook nu nog deze stelling als een vanzelfsprekendheid. Toch is het nodig, gezien de ontwikkeling, er afstand van te nemen en er over na te denken. We zien eenvoudig dat de oude ethiek niet meer vanzelfsprekend vruchtbaar werkt in het sociale leven. Op allerlei gebieden in het economische en sociale leven blijken vanzelfsprekendheden niet meer te werken. In onze samenleving is het begrip eigendom al even vanzelfsprekend. We kunnen grond bezitten, persoonlijke vermogens in eigendom hebben. Als Albeda er steeds op wijst dat op de arbeidsmarkt schaarste veroorzaakt dat mensen wat hun inkomen betreft eisen kunnen stellen, baseert hij zich op de gedachte dat iemand zijn vermogens persoonlijk in eigendom heeft. Maar Albeda weet ook dat je bij het begrip eigendom, zoals dat in onze rechtsorde verankerd is, allerlei vraagtekens kunt zetten. Kijk maar naar de krakersbeweging. Je ziet dat het decadente van het eigendomsrecht in onze cultuur nadrukkelijk naar voren komt. Je moet de vragen gaan stellen: wanneer is eigendom terecht, en wanneer niet? Kun je grond, kapitaalgoederen en arbeid in eigendom hebben? Kun je arbeid kopen en verkopen? De gedachte dat je vermogens in eigendom kunt hebben is voor mij een volstrekt onspiritueel gezichtspunt.’

Waarom onspiritueel?

Cees Zwart: ‘Natuurlijk kun je zeggen dat vermogens bij je horen. Het feit echter dat we bepaalde vermogens hebben kunnen ontwikkelen, hebben we te danken aan andere mensen. Vermogens ontwikkel je dankzij dat geestesleven, dankzij de cultuuroverdracht die steeds plaats vindt. Het feit dat ik vermogens heb geeft mij de verplichting te vragen: waar kan ik die vermogens zo inzetten, dat mensen die die vermogens niet hebben, daar optimaal baat bij hebben? Dat is heel iets anders dan jezelf afvragen hoe je je vermogens zo voordelig mogelijk kunt verkopen’.

Behoefte en prestatie

Als je vindt dat vermogens niet verkocht kunnen worden, kom je vanzelf bij de gedachte dat inkomensvorming niet gebaseerd kan zijn op vermogens en prestaties. Vindt Cees Zwart behoefte een criterium vanwaaruit inkomens vastgesteld kunnen worden? ‘Het klinkt natuurlijk fantastisch om te zeggen: het inkomen moet bepaald worden door de behoeften van de individuele mensen. Vanuit je rechtvaardigheidsgevoel zeg je daar onmiddellijk ja tegen. De zaak zit echter iets gecompliceerder in elkaar. Het is onzin te beweren dat het zou betekenen dat prestatie ineens niets meer met het inkomen te maken heeft. Macro-economisch hebben prestatie en inkomen alles met elkaar te maken. Het nationaal inkomen van een land hangt af van de totale geleverde prestatie. Het is naïef te  denken dat mensen een behoefte-inkomen zouden hebben, zonder je daarbij af te vragen wat de totale prestatie is die geleverd wordt door een groter geheel, zoals een land, een bedrijf of een instituut. Dit macro-economische gegeven, dat een koppeling inhoudt tussen prestatie en inkomen, is ook van invloed op de inkomensmogelijkheden van individuele mensen. Het druist tegen ons rechtvaardigheidsgevoel in om te zeggen: twee mensen werken beiden acht uur per dag, terwijl de één driemaal zoveel verdient als de ander, alleen doordat de arbeid van de eerste door schaarsteverhoudingen hoger gewaardeerd wordt. Maar evenzeer gaat het tegen ons rechtvaardigheidsgevoel in, wanneer van twee mensen de eerste slechts drie uur per dag werkt – en dus minder bijdraagt aan het totale inkomen van een bedrijf – maar tweemaal zoveel inkomen heeft als de tweede, die de hele dag werkt. Het feit dat iemand een bepaald inkomen heeft op grond van zijn behoeften, ontslaat hem niet van de verplichting een prestatie te leveren. Men moet zich steeds realiseren dat inkomen vragen voor de dekking van behoeften betekent: anderen voor mij laten werken, anderen vragen een prestatie voor mij te leveren. Met andere woorden: wanneer ik verlang dat die prestatie groter is dan mijn eigen prestatie, wil dit macro-economisch zeggen dat ik van de samenleving meer vraag dan ik zelf aan die samenleving economisch bijdraag. Daarvoor kunnen allerlei goede redenen bestaan, maar dat verandert aan die economische wetmatigheid niets’.

Hoe komt binnen het NPI de inkomensvorming tot stand?

‘We hebben wel pogingen in die richting gedaan. We hebben de traditionele loonschalen laten vallen. Voor de totaliteit van het instituut gaan we als volgt te werk: aan de ene kant berekenen we voor een komend jaar wat de totale opbrengst ongeveer zal zijn. Deze totale opbrengst – het resultaat van de gezamenlijke prestaties dus – wegen we af tegen de kosten, waaronder die van de inkomens. Die begroting bespreken we met elkaar. De voorgecalculeerde inkomenssom kan dan stijgen of dalen.

Er zijn grote inkomensverschillen tussen de verschillende medewerkers en daar speelt het element van de behoefte een grote rol. Maar niet alleen de behoeften. We zijn tot de conclusie gekomen dat het veel te simpel is om alleen van behoeften uit te gaan. Dat roept allerlei menselijke spanningen op. Bovendien is het fundamenteel onwaar dat inkomen uitsluitend op behoefte gebaseerd moet worden’.

Hoe worden die inkomens vastgesteld?

Iedere medewerker schat aan het begin van het werkjaar welk inkomensvoorschot hij denkt nodig te hebben voor zijn levenssituatie. De totale inkomenssom is dan een begrotingspost, die wordt afgewogen tegen de geschatte opbrengst van het instituut en andere posten, zoals opleiding, onderzoek en schenkingen.
Naast de behoeften zijn er ook andere criteria, zoals bijvoorbeeld wat elders voor soortgelijk werk wordt betaald en hoe de inkomens zich verhouden tot politieke ontwikkelingen ten aanzien van het vrije beroep. Verder speelt een rol de vraag hoe landelijk de inkomens stijgen of dalen’.

Iedereen schat dus zijn inkomensvoorschot. Ontstaan er daarover gesprekken? Zegt iedereen ja tegen de behoeften die ieder ander heeft opgegeven?

‘Nee. Het enige dat we zeggen is: klopt de totale begroting? Zolang dit niet het geval is gaan we in een intensief overlegproces tussen mandaatgroepen en medewerkers. Net zolang heen en weer tussen individuele medewerkerssituaties en instituutsituaties, totdat de begroting sluitend is. We gaan zeker geen processen beginnen van ‘jij mag dit wel en dat niet’. Dat is een sociaal
onhygiënische manier van doen. We hebben met elkaar experimenten gedaan waarin we elkaar het huishoudboekje lieten zien en aan elkaar de levensstijl zichtbaar maakten. Na afloop van zulke gesprekken kun je alleen maar zeggen ‘Oh, dus dat zijn jouw behoeften’. Meer niet. Het is onvruchtbaar om in discussie te gaan over de behoeften van een ander. Als je eerlijk bent heb je ook geen poot om op te staan. Hoe kun jij uitmaken wat een ander nodig heeft? Mij is tijdens dergelijke gesprekken altijd weer gebleken dat je in feite je eigen dingen naar buiten zit te projecteren. Dat zogenaamde bespreken van elkaars inkomens beschouw ik als een ongezonde weg, die mensen in enorme benauwenissen kan brengen.

Iets heel anders is dat je iemands hulp kunt vragen. Je kunt iemand kiezen waarvan je weet dat hij dezelfde levensstijl heeft als jijzelf, of iemand die je vertrouwt. Je kunt in zo’n gesprek natuurlijk over je eigen behoeften spreken. De ander kan daarbij als spiegel fungeren. Het is heel zinnig om op deze manier te praten over de onduidelijkheden en problemen die je tegen komt bij het vaststellen van je eigen inkomensbehoefte.

Maar hoe dan ook: bij de vraag naar mijn behoeften hoort altijd de vraag: wat draag ik bij? Die vraag stellen wij hier ook. Bij de voockalculatie hoort ook wat iedere medewerker het volgende jaar denkt te gaan doen. Welke economische bijdrage hij denkt te gaan leveren. Maar ook welke activiteiten hij wil gaan ontplooien. Zowel in het economische als in het spirituele moet je jezelf steeds betrekken op de totaliteit. Economisch houdt dat in dat je je afvraagt welke bijdragen je denkt te kunnen leveren aan de totale opbrengsten. In spirituele zin betekent dat dat je je afvraagt: heeft wat ik wenselijk acht voor mijn persoonlijke levensloop nog iets te maken met de identiteit van het instituut? In traditionele organisaties worden deze twee aspecten bepaald door diegenen die het bedrijf leiden, wij verdelen dat soort taken onder elkaar, omdat we collegiaal werken’.

‘Het probleem van het behoefte-inkomen is veel genuanceerder dan in het algemeen wordt aangenomen. Ik moet er met grote klem voor waarschuwen dat mensen niet in ondoordachte experimenten stappen. Dat veroorzaakt ongelooflijk veel spanningen. Er wordt wel eens gezegd: we stoppen alle persoonlijke inkomens in een pot en gaan het verdelen. Als je daarbij geen verdeelsleutel hanteert waar iedereen mee akkoord gaat, kan dat enorme spanningen opleveren. Er kunnen dan vruchteloze gesprekken ontstaan over kwesties als: is het wel rechtvaardig dat jij zus of zo behoeften hebt? Ik zet voor mijzelf grote vraagtekens bij zulke ontwikkelingen’.

Praten over elkaars behoeften is natuurlijk moeilijk. Maar dat hoeft toch niet te betekenen dat je het daarom niet moet doen. Je kunt zulke gesprekken ook zien als ontwikkelingswegen, waar mensen elkaar op onbekend terrein tegen komen

Cees Zwart: ‘Natuurlijk. Alles kun je zien als een ontwikkelingsweg. Dat is duidelijk. Maar je kunt ook mensen boven hun morele spankracht belasten. De opgave kan te zwaar zijn, juist in dit gebied. Het morele en het immorele grenzen hier heel dicht aan elkaar. Het is heel moeilijk om hierin voor jezelf en voor anderen objectief te zijn. Als je mensen voor opgaven stelt waar ze niet aan toe zijn, kunnen ze verlammen. Dat ken ik uit ons eigen instituut. De vraag is: kun je mensen dwingen om zo’n ontwikkelingsweg te gaan? Ik denk van niet. Mijn indruk is dat men daar vaak veel te luchthartig mee omgaat. Vanuit een soort groepsdwang besluit men dan om mee te doen. Dat heeft niets meer met een ontwikkelingsweg te maken. Op zo’n moment gaan mensen onvrij mee in een stroom’.

Werkgelegenheid

Het voornaamste probleem in het huidige sociaal-economische klimaat is de werkgelegenheid. Of beter: het gebrek daaraan. Tot voor kort was de vakbeweging (vooral de FNV) niet bereid om een gedeelte van het inkomen in te leveren ten gunste van de werkgelegenheid. In de zomer maakte de voorzitter van de Industriebond FNV, Arie Groenevelt, een opmerkelijke ommezwaai. De spanningen trotserend die zijn opvattingen ook in zijn eigen achterban opriepen, hield hij de opvatting staande dat de vakbeweging moet inleveren tijdens het overleg in de Stichting van de Arbeid tussen de sociale partners en de overheid. Binnen de FNV is het vooral de Voedingsbond die zich met hand en tand tegen deze opstelling verzet. De strijdvraag luidt: leidt inleveren tot een grotere werkgelegenheid? In feite schuilt achter dit probleem ook een soort koppeling tussen arbeid en inkomen. Het inleveren van inkomen zou leiden tot meer arbeidsplaatsen.

Denkt Cees Zwart dat er meer werkgelegenheid ontstaat wanneer de werknemers bereid zijn af te zien van een verdere loonstijging?

‘Je moet twee dingen onderscheiden. Macro-economisch zitten we met een onevenwichtigheid op het vlak van prestatie en tegenprestatie. Bovendien is er tegelijkertijd inflatie ‘ (met de gulden van vandaag kun je morgen minder doen) en stagnatie (de economische groei is opgehouden). Een van de gevolgen is structurele werkeloosheid. Werkeloosheid ontstaat wanneer het arbeidsaanbod groter is dan de vraag. De vraag is weer afhankelijk van hetgeen geproduceerd wordt. Een werkgever kan alleen iemand aanstellen, als er ook vraag is naar het product dat gemaakt wordt. Als de groei van de vraag stagneert, worden er ook niet langer extra arbeidsplaatsen geschapen. Het is duidelijk dat er aan die evenwichtigheid gesleuteld moet worden. Ik constateer dus dat er teveel geld in omloop is in verhouding met wat er aan economische waarden aan goederen is. Nationaal bezien is het economische draagvlak te klein voor wat we allemaal willen. In die zin kan inleveren een bijdrage zijn. Het gevaar van bezuinigen is natuurlijk dat de koopkracht daalt en de mensen dus minder kunnen kopen, met als gevolg dat de producenten nog minder inkomsten hebben. Het hele rad van avontuur steunt in de huidige economische orde juist op de koopkracht. Toch geloof ik dat het nodig is dat we gaan beseffen dat we boven onze stand leven. Het zou terecht zijn wanneer we met ons allen één of twee procent inleverden. Daarmee zou iets gedaan kunnen worden aan de onevenwichtigheid. Het grote probleem is alleen: hoe doe je dat? Vraag je iedereen dat vrijwillig te doen? Dan zegt de vakbeweging: als ik begin, welke reden heb ik dan om aan te nemen dat een ander het ook doet?

Als we niet vrijwillig bezuinigen, dan zullen de economische wetten ons dat afdwingen. We zullen dan door een recessie heen gaan, of zelfs een catastrofe beleven. Dat is niet ondenkbaar. In het onderwijs, in de gezondheidszorg en ook in het bedrijfsleven zie je dat van alles op instorten staat.

Ik denk dat het een illusie is dat inleveren vanzelf tot meer werk leidt. Dwars door het werkeloosheidsprobleem heen loopt een bepaald arbeidsethos. Arbeid verrichten betekent voor velen: betaald arbeid verrichten. Je bent werkeloos als je geen arbeid verricht waarvoor je betaald krijgt. Deze dwanggedachte is een enorme belemmering. Het is onzinnig om te veronderstellen dat er werkeloosheid zou moeten zijn. Er is zoveel werk in de wereld te doen. Ieder mens kan in beginsel zinvol werk verrichten. Iets anders is of iedere vorm van arbeid ook betaald moet worden. We zitten in de grote dwang dat je niet mag werken als je werkeloos bent. Je loopt dan het risico je uitkering te verliezen. Meer werkgelegenheid ontstaat pas als we ons arbeidsbestel anders inrichten. Dat kan alleen wanneer we prestatie loskoppelen van inkomen’.

‘Het werkgelegenheidsvraagstuk hangt nauw samen met de vraag: welke behoeften hebben de mensen? Albeda meent dat behoefte geen aanknopingspunt is om de inkomens op te baseren, doordat behoeften onbeperkt zouden zijn. Daarnaast meent hij dat de middelen begrensd zijn. Dat is in menskundige zin onjuist. Als econoom heeft hij misschien gelijk, maar als je gaat kijken hoe mensen in elkaar zitten, moet je zeggen dat dat onjuist is. Behoeften zijn beperkt. Er zijn – alleen al op het fysieke vlak – grenzen aan het voedsel dat je tot je kunt nemen. Maar ook behoeften van een hogere orde zijn beperkt. Die beperking ligt hierin dat je niet meer behoeften kunt bevredigen dan in je levenslot verankerd ligt.
.
Cees Zwart, Jonas 6, 14-11-1980

Professor C.J. Zwart werd in 1934 te Rotterdam geboren. In dezelfde plaats studeerde hij van 1954 tot 1960 economische wetenschappen. Hij specialiseerde zich tijdens de studie in bedrijfspsychologie en sociale pedagogie.
Vanaf 1960 was hij werkzaam bij NV Philips te Eindhoven, waar hij zich de eerste jaren toelegde op de scholing en begeleiding van het lagere kader. Later legde hij zich meer toe op de organisatiestructuren.
In 1966 werd hij wetenschappelijk medewerker aan de Technische Hogeschool in Twente. Naast een onderzoekende, had hij een onderwijzende taak in de sociale bedrijfskunde. Ook raakte hij in dezelfde tijd als medewerker betrokken bij het NPI (Instituut voor Organisatieontwikkeling) te Zeist. De medewerkers van dit instituut begeleiden veranderingsprocessen in bedrijven, overheidsinstellingen, scholen en andere organisaties. Rond 1954 begon het NPI te functioneren als een op zichzelf staand instituut, terwijl het daarvoor verbonden was aan de leerstoel Sociale Pedagogie te Rotterdam, die door professor Lievegoed werd bekleed. Er zijn thans* over de hele wereld instituten, die kunnen worden beschouwd als loten aan de NPI-stam. Het instituut in Zeist heeft thans bijna dertig medewerkers.
Cees Zwart promoveerde in 1972. De handelseditie van het proefschrift is bij uitgeverij Lemniscaat verschenen onder de titel: ‘Gericht veranderen van organisaties’. Het boek is gebaseerd op de ervaring die Cees Zwart opdeed tijdens de begeleiding van een bedrijf dat in korte tijd twee fusies te verwerken kreeg. Vanuit de concete ervaring komt Cees Zwart tot algemene gezichtspunten omtrent het veranderen van organisatievormen. In 1974 werd Cees Zwart benoemd als buitengewoon hoogleraar in de Sociale Pedagogie aan de Erasmusuniversiteit te Rotterdam. Als zodanig was hij de opvolger van professor Lievegoed.
In 1977 verscheen (ook bij Lemniscaat) van zijn hand’ Samen leven met het oog op morgen’. Cees Zwart brengt in dit boek de vernieuwende ideeën in kaart die na de bewogen jaren rond 1966 de samenleving overspoelden. Hij vraagt zich af welke van die ideeën in de praktijk vruchtbaar zijn gebleken. Ook ontwikkelt hij in het boek een aantal gedachten over samenleven die vruchtbaar kunnen zijn voor de toekomst.

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

1660

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.